Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘Zwijndrecht’

Lezen: Jesaja 48:17-21
           Mattheüs 25:14-30

Gemeente

Vandaag is het oogstdienst, een term nog uit een maatschappij afkomstig waar bijna iedereen in de landbouw werkte, met de landbouw te maken had. Die tijd ligt ver achter ons. Er zijn kinderen die denken dat de melk in pakken groeit en dat eieren in kartonnen pakken van een lopende band afkomen. Scholen moeten hun best doen om het verband tussen koeien en melk en kippen en eieren duidelijk te maken. Toch blijft de kerk zo in de herfst aan een oogstdienst vasthouden. Misschien omdat de oogst altijd opbrengst van ons werk is, en dat wat we van onze God hebben ontvangen. Niet wij zijn het die geld en goed verdienen, maar het is onze God die het ons heeft gegeven. Ergens hebben we ook best door dat wat we materieël ontvangen aan bezit en geld niets is als het niet van onze God gekregen is en dat als we arm zijn we nog best rijk kunnen zijn met al het goede dat we van God gekregen hebben. Dat betekent overigens niet dat we tevreden moeten zijn met materiële armoede. In een samenleving die hoort op de roep van God om recht en gerechtigheid te betrachten krijgt ieder naar wat hij of zij nodig heeft, en geeft een ieder naar vermogen. Aan ons om steeds opnieuw, bijna van zondag tot zondag, onze samenleving de maat te namen of die daar nog wel aan voldoet en te blijven werken aan wat in de Bijbel dat Koninkrijk van God genoemd wordt. Daarom is een dienst over oogst niet onbelangrijk. Het leert ons ook ons zelf niet te beroemen op alles wat we wel niet tot stand hebben gebracht en hen die minder hebben, of zelfs tot armoede zijn vervallen, te veroordelen. Het is altijd de God van Israël die het ons heeft geschonken en daarom is de vraag :Wat doen we met de oogst die we behaald hebben? Hoe zetten we die nu in voor de God van Israël? We horen nog wel eens verkondigen dat de mens zijn redder pas leert kennen in de hoogste nood. Daarom zouden we onszelf ineens heel erg slecht moeten gaan vinden. Want pas als de mens weet hoe slecht die is kan die mens de God van Israël leren kennen of zijn zoon Jezus van Nazareth, dat is dan ongeveer hetzelfde. Maar als we alleen op het slechte van de mens letten dan miskennen we toch een Bijbelse boodschap. Natuurlijk het volk Israël was in ballingschap gestuurd omdat ze de geboden van de God van Israël hadden verlaten en vreemde goden waren nagelopen. Natuurlijk ook wij hebben de neiging om de goden van winst en profijt, van klatergoud en carrièrre belangrijker te vinden dan recht en gerechtigheid voor de armen. Maar de ballingen tot wie Jesaja zich in het gedeelte van vandaag richt zijn nog niet zo slecht. De oproep om de ballingschap te ontvluchten klinkt niet tevergeefs. Trek weg uit Babel, ontvlucht de Chaldeeën staat er en dan vooral niet stiekem, niet in het geheim, maar iedereen mag het weten dat de God van Israël zijn volk vrijkoopt. Achteraf weten we dat die oproep niet zomaar was. Die ballingen hadden ook in de ballingschap naar hun profeten geluisterd, die hadden hen op de geboden gewezen die in het volk rond hadden gezongen, op het “Gij zult niet doden”, op het “Heb Uw naaste lief als Uzelf”, die hadden hen voorgehouden dat die geboden de kern waren van hun bestaan. Ik ben van een generatie van vlak na de Tweede Wereldoorlog, maar heb nog de verhalen gehoord van hoe in die oorlog mensen leerden op elkaar aangewezen te zijn, hoe bij velen het beste in mensen naar boven kwam, juist ook omdat ze de liefdesgeboden van de God van Israël kenden. In nood leert men niet alleen beseffen hoe zwak je bent maar ook hoe je samen door vast te houden aan het “heb uw naaste lief als uzelf” boven jezelf kunt uitstijgen en veel meer kan doen dan je ooit van jezelf had kunnen denken. De ballingen in Babel waren weer teruggegaan naar hun eigen geschiedenis. Er waren nog documenten van hun koningen bewaard, er waren nog verhalen uit tempels en heiligdommen over de God van Israël, die geheimzinnige woestijngod die niet aan een land of een stad geboden was maar die meetrok met een volk, een God die een verbond sloot met een volk alsof het twee gelijkwaardige partners waren. Ze hadden nog brieven en geschriften van profeten. Als die verhalen, documenten, geschriften werden bij elkaar gelegd en tot een complete eenheid gemaakt. Dat was het begin van wat wij nu de Bijbel noemen. Daar stond in hoe die God van Israël met mensen omgaat en wat die van mensen verwacht. En dat was eigenlijk een geweldig verhaal dat zich laat samenvatten als “Heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf”.  Daar staken de goden van Babel maar schril bij af, die moesten in leven worden gehouden door het voedsel dat aan hen geofferd werd. Met die goden moest je handeltjes zien te drijven. Als je wat voor zo’n god deed dan kon je geluk hebben, dan kon die god wat voor jou doen, als die God daar zin in had en niks anders te doen had. Zo zat het niet bij de God van Israël. Die liet niet varen het werk dat zijn hand begon, die God was ook in de ballingschap de God van Israël. En dan komt in deze tekst ook ons oogstfeest ter sprake. Want er wordt over gevolgen gesproken van het nakomen van de geboden van de God van Israël. Dan komt er  vrede. Niet zomaar vrede als een pauze tussen twee oorlogen maar vrede als een rivier, en rivieren kennen we hier in Zwijndrecht, rivieren die traag door oneindig laagland gaan, rivieren net als de ballingen de Eufraat en de Tigris hadden leren kennen, paradijselijke rivieren. Nageslacht krijgt een volk dan ook, nageslacht talrijk als het zand van de zee. Bij een volk dat gerechtigheid voortbrengt dat talrijk is als de golven van de zee wil je wel horen. En gerechtigheid betekent dat elk mens tot zijn of haar recht komt. Daarvoor moeten we dus uittrekken uit het land van de ballingschap. Moeten we in onze dagen durven breken met het voorop stellen van winst en profijt, van klatergoud en carrière, moeten we voorop stellen hoe het met de minsten in onze samenleving gaat. De zwervers in de stad, de hoeren en tollenaars uit het nieuwe testament en de weduwen en de wees uit het oude Testament. Moeten we  in onze dagen de minsten voorop stellen,  de gedwongen prostituees, de bezoekers aan de voedselbanken, de hongerenden in Afrika, de gewetensgevangen in de wereld, de zieken en gehandicapten, de mensen die langs de kant van de weg zijn gezet en al die talloze slachtoffers van oorlog en geweld in de wereld. Elk van ons kan slachtoffers van de zwarte kanten van onze samenleving noemen die het rijtje eindeloos kunnen aanvullen. Daarop bedacht zijn is dus onze eerste opdracht. Maar het is voor ons ook een duik in de woestijn, loslaten van winst en profijt, van carrière en inkomensgroei voor onszelf is een risico. Die God belooft ons wel dat we geen dorst zullen lijden, dat uit de hardste rots water zal ontspringen maar zijn wij niet te zwak om dat avontuur aan te durven? Een kleine kudde die ook nog steeds kleiner wordt? Zelfs het volk Israël dat bevrijdt was uit het slavenhuis in Egypte was een hardleers en morrend volk. Lopen we niet een te groot risico? Over dat risico gaat de lezing uit het Evangelie van vanmorgen. Het is een gelijkenis, maar wat is een gelijkenis? Het is niet zomaar een voorbeeld, dat is veel te zwak. Een gelijkenis is wel eens een raadselspreuk genoemd, geladen met macht, een woord uit een Koninkrijk waarin enerzijds dingen worden geopenbaard maar anderzijds zaken gesloten blijven. Het koninkrijk Gods wordt uitgedrukt in gelijkenissen. Dat het over dat bijzondere koninkrijk gaat geeft die gelijkenissen een bijzondere geladenheid, een zeldzame spanning. In die gelijkenissen komt de macht van dat Koninkrijk op ons af. Jezus van Nazareth probeert in gelijkenissen antwoorden te geven op vragen die hem worden gesteld. Op de vraag “wie is mijn naaste” geeft hij als antwoord de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan. De gelijkenis die we vanmorgen hebben gelezen is de derde uit een reeks gelijkenissen die verteld worden als antwoord op de vraag waaraan je nu kunt herkennen dat het eind van de geschiedenis nabij is. Het antwoord is klip en klaar, dat kun je niet herkennen, iedereen die beweert het te kunnen uitrekenen of  die de plek weet waar het zal gebeuren die liegt en is een bedrieger. Dan volgen een aantal gelijkenissen, waaronder die van de wijze en dwaze meisjes, met de brandende lampen en het verhaal over de talenten. Dat verhaal uit het Evangelie naar Matteüs zal in onze dagen in kringen van bankiers wel niet zo populair zijn. Want het is een verhaal over risico’s nemen en rendementen behalen. Er wordt je een bedrag toevertrouwd en naarmate het bedrag groter is moet je meer opbrengst verdienen, telkens een rendement halen van 100 procent en dus meer risico nemen. Waar dat toe leidt hebben we kunnen merken. Vooral als aan de resultaten ook nog grote beloningen zijn verbonden en wie dit verhaal goed leest zal opmerken dat de beloningen een grote rol spelen. Geen resultaat betekent in elk geval ontslag. De prikkel van buitensporige beloningen op het behalen van grote rendementen wordt tegenwoordig een perverse prikkel genoemd. Maar ook in het Koninkrijk van God wordt je uitgedaagd risico’s te nemen en rendement te behalen. Je hoeft er zelfs geen bankier voor te zijn met gespecialiseerde opleiding en toestemming van de toezichthouder.  In dit verhaal uit Matteüs kan iedereen meedoen. Of je nu veel kunt of weinig maakt niks uit, als je maar mee doet. Je hoeft ook niet bang te zijn dat je te weinig doet. Je krijgt net zoveel talenten als je aankunt. Pas als je je door angst of onverschilligheid laat verlammen en niks meer doet dan loopt het verkeerd af. In het verhaal dat we gelezen hebben is het de angst die verlamde. De Heer oogst waar hij niet gezaaid heeft, de Heer is een gestreng Heer. Maar wat zijn dan die talenten waarmee ook wij mogen woekeren? Dat zijn dus niet bijzondere vermogens waarmee je meer zou kunnen dan een ander, want de hoeveelheid talenten is al afgestemd op wat je aan kunt. Het gaat dus niet op een bijzondere intelligentie, of een bijzondere handigheid. Iedereen in het verhaal kreeg immers een talent? Nee de talenten waarmee ook wij mogen woekeren zijn het goud van God en dat kennen we. Het goud van de God van Israël is de liefde voor de armsten en de zwaksten. Je daar mee bezig houden en de liefde voor de naaste vermeerderen dat is pas woekeren met talenten. Dat kan in het groot, maar dat kan ook in het klein, thuis desnoods, simpel een handtekening zetten voor eerlijke handel ergens op het internet of een zegeltje plakken in de supermarkt in de buurt voor een voedselpakket voor de armen. En dan niet zeuren dat die liefde te kostbaar is, dat die verspild zou kunnen worden of gestolen door de rijken, dat je niet wist wat er van terecht zou komen of dat het geld dat je kon storten op giro 555 voor de honger in de Hoorn van Afrika wel goed zou worden besteed. Dat is wat politici doen die de positie van de rijken willen beschermen, die alles voor zichzelf willen houden. Woekeren met de talenten van God is onvoorwaardelijk liefde geven. Het rendement is de liefde die gegeven is, niet of het echt beter is gegaan, onze God bepaald immers zelf wat er met zijn liefde wordt gedaan, het is genade dat wij daarvoor de instrumenten mogen zijn. De hongerigen die gevoed zijn kunnen later best ziek zijn geworden, de naakten die gekleed zijn kunnen later best in een oorlog terecht zijn gekomen, de vrede die gesticht is kan best werkloosheid in de wapenindustrie tot gevolg hebben gehad, de bedroefden die getroost zijn vergaten misschien voor de graven op het kerkhof te zorgen, de jongeren die weer naar school gingen konden na hun schooltijd misschien niet direct werk vinden. Zo kun je wel doorgaan. Onze wereld is voor ons niet maakbaar, in je eigen omgeving niet en in de grote wereld ook niet. Maar alle liefde die onbaatzuchtig wordt getoond draagt bij aan een betere wereld. Aan het eind van zijn evangelie vertelt Matteüs dat wij de opdracht kregen om alle mensen op aarde te dopen, tot de aarde voltooid zal zijn vertaald de Nieuwe Bijbelvertaling. Dus door alle mensen te betrekken bij die liefde van de God van Israël doen we mee in het scheppingswerk dat nog steeds bezig is. Paulus zegt ons ergens dat er nergens liefde is zonder dat God er voor gezorgd heeft. Dat meewerken met God in het voltooien van zijn schepping is dus niet om die God voor ons te winnen, handeltjes zijn er niet te drijven met de God van Israël. Het is ook niet uit dankbaarheid, we moeten maar afwachten wat de Heer vindt van ons woekeren met zijn talenten. Maar dankbaarheid voelen we zelf als we de liefde delen die we van onze God voor onze naasten hebben gekregen. Wie die liefde heeft zal voortdurend meer ervan krijgen om weer weg te geven. Wie de liefde alleen voor zichzelf houdt die zal alles verliezen en nooit geliefd worden. Delen van de liefde leidt onherroepelijk tot een feestmaal, de maaltijd waar niemand meer honger heeft en alle leed zal zijn geleden. En dat is een reden tot grote vreugde en nog grotere dankbaarheid, als je dat eenmaal hebt ervaren wil je er nooit meer mee ophouden. Begin dus vandaag maar te woekeren met je talent lief te hebben, elk voor zich en samen als gemeente, dan ben je klaar om de Heer te ontvangen wanneer hij komt en wanneer je er tot in eeuwigheid mee mag doorgaan.
Amen

Advertenties

Read Full Post »