Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘Marcus’

Lezen Ruth 3
           Marcus 3: 30-35

Gemeente

We zijn al weer op de tweede zondag na Pinksteren aangeland. De zomer breekt aan en we realiseren ons dat het nog een lange tijd zal duren voor er weer een hoogfeest van de Kerk is. Veel van ons gaan ook pas op vakantie als de basisscholen weer begonnen zijn en zo is de start van het nieuwe seizoen van de Kerk hier in Alkmaar pas op 30 september gepland. Toch klinkt de echo van Pinksteren ons nog in de oren en vragen we ons af wat we nu met die Heilige Geest aan moeten. Kerst is altijd veel gemakkelijker, zo’n lief kindje in een voederbak en het verlangen naar het nieuwe leven midden in de winter geeft ons een goed gevoel. Pasen ook, het idee dat de dood niet het einde van ons leven hoeft te zijn in een tijd dat we de crocussen weer zien bloeien en de bladeren aan de bomen zien komen stemt ons ook vrolijk.

Maar dat Pinksterfeest blijft uiteindelijk maar een vaag haleluja roepen en hoe vrolijk het hier in de Terp soms kan toegaan, we zijn toch niet van die vurige halelujaroepers. De wind waait waarheen hij wil en als we uitgewaaid zijn dan hoeft het van ons ook niet zo stormachtig te blijven. De lezingen van van vanmorgen kunnen ons daarbij helpen. We hebben om te beginnen uit Ruth gelezen en het boek Ruth is bij uitstek het boek van het Pinksterfeest, het Joodse Wekenfeest. Op dat Joodse feest, 7 weken na Pesach, ons Pasen, wordt het boek Ruth in haar geheel gelezen. Op dat Wekenfeest wordt de tarweoogst gevierd en herdacht dat in de Sinaï het volk de Wet kreeg, de Wet van de God van Israël die zich liet samenvatten in heb uw naaste lief als uzelf. Het boek Ruth helpt dan om het antwoord te vinden op de vraag hoe je nu in het leven van alledag met die Wet moet omgaan.

We kennen het verhaal. In Bethlehem woonden Noömi en Elimelech met hun twee zonen. Toen er hongersnood uitbrak vluchten ze weg en werden economische vluchtelingen in Moab een buurvolk van Israël dat afstamde van Lot, geboren uit de verbintenis tussen Lot en zijn dochters. In dat volk werden Elimelech en Noömi gastvrij opgenomen, zo gastvrij dat de zonen mochten trouwen met twee dochters van Moab. Maar Elimelech en de twee zonen stierven en Noömi keerde terug naar Bethlehem vergezeld van Ruth de Moabitische. Zo wordt Ruth voortdurend genoemd, Ruth de Moabitische. Daar schuilt ook het bijzondere in. In het boek Deuteronomium staat dat nooit een inwoner van Moab opgenomen zou mogen worden in het volk van Israël. In de woestijn had Moab namelijk geweigerd het dorstige volk doorgang te verlenen toen het om eten en drinken vroeg. Moab was in het geweer gekomen tegen Israël. Een daad die de Bijbel zeer sterk veroordeeld. Later kwam daar nog bij dat de dochters van Moab de zonen van Israël hadden verleid het  verkeerde pad op te gaan en andere goden na te lopen.

Maar Moab had zich kennelijk bekeerd, was anders geworden. Het had met Noömi en Elimech en hun zonen brood gedeeld, toen in Bethlehem dat huis van brood betekent niets meer te eten was geweest, en Moab had hen leven en toekomst gegeven. Ruth de Moabitische had zich bij het volk Israël gevoegd en zich ontfermd over de weduwe Noömi  toen die terugkeerde naar Bethlehem. Ruth had daarmee de Wet vervuld die opdraagt te zorgen voor de weduwe en de wees.. Van de vroege morgen tot de late avond had Ruth aren geraapt op de akker van Boaz. Van het begin van de gersteoogst tot het eind van de Tarweoogst, in het Joodse kerkelijk jaar van Pasen tot Pinksteren.

Dat was een mooie tijd geweest.. Maar de lezing van vanmorgen  begint als de oogst binnen is en het tijd wordt het kaf van het koren te scheiden. Je hebt immers alleen de korrels nodig om te malen tot meel zodat je er het brood mee kunt bakken. Je verzamelt de graankorrels waarmee je je tot de volgende oogst kunt voeden. Dat wannen van de gerst en de tarwe hoort bij dat proces van scheiden van kaf en koren. Maar voor Ruth en Noömi betekende dat ook dat de tijd van aren rapen, achter de maaiers en korenbindsters aan, voorbij was. Het betekende een terugkeer naar honger en armoede. Tot nu was Ruth een soort oudedagsvoorziening voor Noömi geweest. AOW of pensioen was er in die tijd nog niet. Het beste pensioen kreeg je van je kinderen, hoe meer hoe beter. Weduwen zonder kinderen hadden het daarom extra moeilijk. Het familielid dat de weduwe in bescherming moest nemen, de losser, moest daarom ook zorgen voor kinderen. En welke man vindt er niet graag een knappe weduwe in zijn bed?

Noömi had eigenlijk haar schoondochter helemaal niet mee willen nemen terug naar Bethlehem omdat ze er van overtuigd was nooit te zullen hertrouwen. Noömi draagt nu Ruth  op om de rouwkleding van de weduwe af te leggen en zich op te maken als voor een bruiloft. Boaz was immers een verwant die zich op grond van de Wet moest ontfermen over de weduwen.  Boaz snapt de boodschap direct. Hij had zich al eerder aangetrokken getoond tot deze Moabitische en nu ze zich ze openlijk aanbood was het tijd er gebruik van te maken. Maar wel binnen de Wet, geen misbruik dus zoals  veel voorkwam. Die Wet wees een ander aan die als losser zou moeten optreden. Niet je eigen lusten moet je volgen maar de Weg van de God van Israël en die Wet gebood een ander om de zorg voor Ruth op zich te nemen. En een relatie aangaan betekent verantwoordelijkheid op je nemen, ook voor mannen is er verantwoordelijkheid voor de gevolgen van een vluchtige relatie. Daarom blijft het bij de erkenning dat men samen verder wil die nacht op de dorsvloer van Boaz. Ruth past zich er bij aan en zorgt dat niemand haar ziet vertrekken.

Een verhaal dus waarin mensen elkaar recht doen zoals de God van Israël het zou willen. Ruth, de dochter van Moab, brengt hier Boaz niet op het verkeerde pad, en is dus niet meer de dochter van Moab zoals die in het spreekwoord terecht was gekomen, maar ook niet een schoondochter zoals eens Tamar de schoondochter van Juda  die zich gedwongen had gezien haar schoonvader op het verkeerde pad te brengen. Boaz stamde van die verhouding tussen Juda en Tamar af, zijn grootvader was Perez het kind dat toen geboren werd. En als we vooruit lopen op het verhaal komen we nog zo’n verhouding tegen. Ruth en Boaz zullen uiteindelijk trouwen en uit hun huwelijk komt Koning David voort. Die trouwde op zijn beurt met Batseba, die weduwe van Uria was geworden nadat David hem in de oorlog de dood had ingestuurd. Uit de verbintenis tussen David en Batseba komt uiteindelijk ook Jezus van Nazareth voort. We hebben dus ook vandaag nog steeds niet te oordelen over verbintenissen tussen mensen die we maar raar, vreemd of zelfs ontwettig vinden. Laat het oordeel maar aan God over.

We  kunnen dus wel onze vooroordelen tegen vreemdelingen hebben, we kunnen wel bang zijn voor die rare gewoonten, maar we kunnen ons ook laten verrassen. Wie had nu gedacht dat Moslims bijvoorbeeld Jezus van Nazareth als een groot profeet vereren? Wie had gedacht dat bij het slachtfeest een kwart van het dier dat werd geslacht gegeven moet worden aan de armen? Wie had gedacht dat Moslims de plicht hebben om de armen te steunen, met hen te delen, en dat dat een van de vijf pijlers van de Islam is? Het is allemaal niet hetzelfde als bij ons maar het kan toch niet als verkeerd of bedreigend voor onze samenleving gezien worden?

Het boek Ruth dient zich aan als een romantische liefdesgeschiedenis maar als je tussen de regels door leest is het een hoogst actueel verhaal over hoe we als mensen met elkaar om moeten gaan. Zijn wij nog in staat jalouzie te vermijden? Zijn wij nog in staat respect voor een reputatie op te brengen? Zijn wij nog in staat de armen dichtbij in onze stad, in ons dorp, in onze straat te herkennen en naar hen onze hand uit te steken? Zijn we nog in staat onze vooroordelen over vreemden aan de kant te zetten en onbevooroordeeld op zoek te gaan naar het goede? We mogen ons het elke dag opnieuw afvragen. We leren uit het boek Ruth dat we de Bijbel niet zozeer naar de letter moeten lezen maar naar de Geest, de Geest die ook Jezus van Nazareth beheerste als hij zich ontfermde over de zieken en bezetenen, het uitschot en de uitgestotenen van zijn tijd.

Volgens zijn familie leek die Jezus leek wel gek lezen we vanmorgen in het verhaal van Marcus. De toeloop naar zijn huis was zo groot dat hij niet eens toekwam aan een fatsoenlijke maaltijd, hij had geen tijd brood te eten staat er letterlijk in het Grieks. Zijn huis was dus geen Beth-le- hem, een huis van brood, dat betekent Bethlehem.  Iedereen leek wel deel te willen hebben aan zijn nieuwe Koninkrijk van de Liefde. Was de opkomst bij de verkiezingen op 12 september ook maar zo groot, maar onze koninkrijkjes beloven nu eenmaal niet zoveel als Jezus deed in zijn dagen. Fatsoenlijke mensen trokken het gedrag van Jezus direct in het kwade, verzet tegen het kwade maakt je immers schijnbaar sterk. Het kwade is te bestrijden, dat maakt je zelf goed, als de ander het goede doet dan moet je daarin mee en dat verzwakt soms je eigen positie. In dit verhaal wordt  geroepen dat Beëlzebub de regie heeft over het uitdrijven van boze geesten.

Die Beëlzebub zetten ze dan tegenover de God van Israël. Wie of wat is nu die Beëlzebub? Tegenover de God van Israël zou dat voor ons gevoel de duivel kunnen zijn. Maar die Farizeeën spelen hier een gevaarlijk spel. Die Beëlzebub was de god van de strontvliegen. Door hem een eigen persoonlijkheid te geven los van de God van Israël zou je hem bijna een eigen macht toedichten. Later in de kerkgeschiedenis is dat ook gebeurd. God en de duivel zouden volgens die ketterij in een eeuwige strijd gewikkeld zijn, de strijd tussen goed en kwaad. Maar volgens de Bijbel heeft de God van Israël alle macht in hemel en op aarde, zelfs over het kwade dat door het goede te bestrijden is.

Jezus gaat direct tegen de opvattingen van de Farizeeën te keer. Het uitdrijven van het kwade kan niet kwaad zijn, zorgen dat iedereen kan meedoen aan de nieuwe samenleving van liefde en rechtvaardigheid is geen zaak voor het kwade, in die nieuwe samenleving is voor het kwade zelfs geen plaats. Het kwade heeft geen deel aan het goede, het kwade wordt overwonnen door het goede.  Als het kwade deel zou hebben aan de bestrijding van het kwade dan was het een gespleten gemeenschap, en een gespleten gemeenschap is geen gemeenschap. Wij kennen dat maar al te goed.

Als iedereen hetzelfde doet voelen we ons veilig, dan weten we waar we aan toe zijn. Als er enkelingen zijn die van dat gemeenschappelijk gedrag afwijken dan weten we ze nog wel als zonderlingen te plaatsen. Maar als er grote groepen zijn die er andere gebruiken en gewoonten op na houden dan wordt het eng. Dan voelen we ons snel bedreigd. Als we dan ook niet erg geloven in de waarde van wat we zelf aan gewoonten hebben dan wordt het helemaal eng, die anderen zouden zich eens beter kunnen voelen. We hebben dan een keus uit twee mogelijkheden. Of we zetten ons af tegen die vreemden, of we proberen er samen een nieuwe samenleving van te maken. Kiezen voor de eerste mogelijkheid levert een innerlijk verdeelde gemeenschap op, die houdt dus geen stand volgens Jezus, de tweede levert een nieuwe samenleving op, een samenleving waarin iedereen weer mag meedoen. Ooit lazen we over de keuze tussen leven en dood, kies dan het leven heette het toen. Binnenkort hebben we die keuze opnieuw, kies dan dus het leven. Laten we ons niet uit elkaar laten spelen, niet dringen in een wij en zij maatschappij, door niets en niemand niet.
 
Jezus van Nazareth blijft dus doorgaan met het goede. Wij zijn Jezus van Nazareth niet, maar we denken nog even terug aan Boaz. Die wist dat houden van je naaste niet betekent je eigen lusten bevredigen maar respect opbrengen voor de ander, de ander tot haar recht laten komen. De wetten van Mozes helpen daarbij, daar ligt de nadruk op de zorg voor de naaste, de bescherming van de weduwe en de wees. Door die wetten te volgen in de Geest van de God van Israël wordt de weduwe echt bevrijdt van haar armoede. Jezus van Nazareth geeft ons in dit verhaal een wel heel bijzonder voorbeeld.  Hij wijst zijn moeder en zijn broers af en zet anderen in hun plaats.

Het gaat daarbij om het handelen in de Geest van God. Dat handelen verstoren en daarmee de Geest van God schofferen is wel het ergste wat je kunt doen. Dat is het uiteindelijke verwijt dat Jezus de Farizeeën maakt. Maar waarom is dit de zwaarste zonde, het ergste kwaad? Goed lezen, dat is omdat de zwaksten er direct het slachtoffer van worden. De weduwe wordt vrij gegeven voor misbruik, de arme staat de slavernij te wachten, de blinde en de lamme mogen langs de kant van de weg blijven bedelen en de bezetene door kwade geesten blijft verbannen uit de gemeenschap. Al die kleine mensen waar de God van Israël in de eerste plaats voor kiest worden benadeeld als je het handelen in de Geest van God belemmert of zelfs onmogelijk maakt. Theologische argumenten gebruiken zoals de Farizeeën doen met hun beroep op de god van de strontvliegen  maakt het alleen nog maar erger.

Maar die familie dan? Eert uw vader en uw moeder is toch ook een deel van de wet? Het lijkt er op dat Jezus zich er gemakkelijk van afmaakt. Buiten staan zijn moeder en zijn broers om hem op te halen, te binden staat er in het Grieks van Marcus. Maar Jezus wijst met een spitsvondig trucje zijn leerlingen en helpers aan als zijn broeder, zuster en moeder, ook in die volgorde trouwens. Zij helpen en stimuleren hem immers in de zorg voor de zwakken. Maar het gaat dieper. Marcus gebruikt niet voor niets het woord binden als hij het heeft over de acties van de familie van Jezus. Gebonden door de familie houdt ook de zorg voor de minsten op, je laten binden door familie is dus net zo erg als het kwaad bedrijven tegen de Geest waarvan eerder sprake was. Je ware zusters en broeders zijn aanwezig in de gemeenschap met wie je het Koninkrijk van God aan het bouwen bent door te zorgen voor de minsten in de samenleving. En je wereldse broeders, zusters, vader en moeder kunnen zich daarbij aansluiten. En hoe kun je je eigen vader en moeder meer eren dan door je naasten lief te hebben als jezelf en je daarbij door niets te laten binden? Het voorbeeld van Ruth die haar vader en moeder, haar land en haar god verliet om de weduwe Noömi te verzorgen en de God van Israël te dienen is daarvoor het meest vergaande voorbeeld. Van haar stamde Jezus van Nazareth af volgens Lucas. Laten wij dan haar voorbeeld en het voorbeeld van Jezus van Nazareth volgen en in de Geest van de God van Israël, de geest die op Pinksteren uitging van de vader en de zoon, in die geest de minsten in onze eigen samenleving helpen en daarmee vrede brengen. De roep om die hulp ligt bij ons voor de deur. Straks in de collecte, maar dezer dagen ook in de roep van de Voedselbank Alkmaar om Alkmaar een huis van brood voor de armen te maken. Wie een volkstuin heeft kan delen, wie boodschappen doet krijgt soms het tweede product gratis als je er zelf maar 1 nodig heeft. Van het weinige dat we misschien zelf hebben hoeven we niet altijd veel te delen maar als we ons bewust zijn van de nood die er is kunnen we samen veel. Misschien moet het Isba haar inzameling voor de Paas pakketten maar een tijd in dienst stellen van de Voedselbank en hier elke zondag de gelegenheid geven voedsel mee te nemen. Het is niet aan mij om oplossingen aan te dragen maar om het Woord te verkondigen, en dat Woord zegt Heb Uw naaste lief als uzelf, dat is de manier om God lief te hebben boven alles, altijd en eeuwig, overal en altijd, ook hier in Alkmaar, ook in onze dagen.

Amen.

Advertenties

Read Full Post »

Lezing: Ezechiël 3:22-27
             Marcus 9:2-10

Gemeente

Vandaag gaat het over zien. De beelden tuimelen  in het Oude en Nieuwe Testament over elkaar heen, het een nog mooier dan het andere. maar worden ons de ogen geopend? Dat moeten we nog maar afwachten, het zijn beelden in woorden en verhalen gevangen, en we moeten onze verbeelding gebruiken om toegang te krijgen tot die beelden. En voor ons komen die beelden uit een vreemd en oud verleden en een vreemde en onbekende cultuur. We gaan in de verhalen van vandaag van een diep dal naar een hoge berg. Het diepe dal is dat van de profeet Ezechiël, dat zal in zijn verhaal nog uitlopen op het dal van dorre doodsbeenderen. Maar het begint met het dal van diepe duisternis dat we kennen uit Psalm 130, het dal waar alle hoop vervlogen is, waar het alleen nog koud en kil is. Zoals Ernesto Cardenal ooit dichtte het dal waar naar God wordt geroepen, uit de diepten o Heer, ’s nachts roep ik in mijn cel, in het concentratiekamp, in de folterkamer, het uur der ondervraging. Dat is het dal waarheen ook Ezechiël wordt geroepen, waar hij zal moeten leren dat de naam van zijn God Waarheid is, dat zijn God niet laat varen het werk dat zijn hand begon, dat zijn God bevrijder is. Dat de naam van zijn God een belofte is: Ik zal er zijn. Ezechiël wordt geboren uit een priestergeslacht in een volk dat in ballingschap is gevoerd. Een volk dat de moed heeft opgegeven. Het verslag daarover lezen we ook in Psalm 137, bij de rivieren van Babel zaten we terneer, we hingen onze lieren aan de wilgen en we huilden als we dachten aan Jeruzalem. Met dat verhaal over Jeruzalem werd Ezechiël opgevoed. Daar was een Tempel geweest waar mensen bij elkaar kwamen om samen een eenheid te vormen, waar geen beelden stonden van de God van Israël, maar de Wet werd bewaard die zich liet samenvatten als heb uw naaste lief als uzelf. Nu, volwassen geworden, op 30 jarige leeftijd, de tijd dat priesters hun loopbaan beginnen,  kijkt hij om zich heen in de wereld van Babel. En zo moet u thuis nog eens het begin van dat boek van Ezechiël doorlezen. Je moet dan weten dat de oppergod van Babel de dondergod Mardoek is en dat de goden van Babel worden afgebeeld als dieren met mensengezichten en dat die goden alles zien en alles horen en overal zijn. Als je dat weet zie je met Ezechiël zijn eerste visioen waarin een donderwolk op hem afkomt met daarin een wagen vol met ogen op de wielen en op de hoeken vier dieren met dubbele vleugels en mensengezichten. Maar op die wagen was een ijslaag als diamant met daarop een kubus met een geweldige glanzende troon en daarop iemand als een mens. De God van Israël liet zich dragen en over de aarde rijden door de goden van Babel. Ezechiël wordt gewaarschuwd dat zijn volk een hardnekkig en hardleers volk is dat niet naar hem zal luisteren. Maar dat neemt niet weg dat de boodschap gebracht moet worden. Profeten moeten mensen waarschuwen leert Ezechiël, mensen die slecht doen, met hen zal het slecht aflopen en mensen die goed doen, ze moeten niet in het slechte vervallen. Dan, opnieuw, en dat hebben we vandaag gelezen, wordt Ezechiël naar het dal geroepen. opnieuw heeft hij een ontmoeting met die schitterende gestalte als van een mens die zich liet rondrijden door de goden van Babel. Die God is niet het alziend oog dat alles ziet en controleert, die God openbaart zich in dat dal van diepe duisternis.  Het moest wel de God zijn die aan het volk beloofd had dat hij er zou zijn, ook als het allemaal verkeerd was gelopen. Van een ontmoeting met zo’n God val je plat op je gezicht, maar de Geest van die God doet je opstaan, opstaan tegen de dood waarin je terecht bent gekomen. Het unieke in het verhaal van de God van Israël is dat je als mens de Geest van God kunt krijgen. Het was de Geest van God die in de mensen geblazen werd toen ze waren gevormd uit de rode aarde, zoals ons in het begin van het boek Genesis werd verteld. Het is de Geest van dezelfde God die Ezechiël doet opstaan. De ellende van zijn volk daar bij de rivier de Kebar slaat hem met stomheid en de koppige opstandigheid van zijn volk bindt hem en maakt hem bewegingsloos. Daarom heeft het geen zin om het volk te waarschuwen voor het slechte dat ze doen. Ze moeten het eerst gaan zien. En midden in de ballingschap hun priesterprofeet gebonden met touwen en zwijgend te zien zitten doet de mensen wel vragen wat er zou kunnen zijn. Wij zouden de vragen moeten herkennen. Zijn we zover gekomen dat mensen die ons toe moeten spreken, die ons moed in moeten spreken met stomheid geslagen zijn? Dat genuanceerde fatsoenlijke taal verdwenen is uit een samenleving waar de schreeuwers en dienaren van afgoden de boventoon voeren? Het zijn de vragen die ook wij ons in onze dagen mogen stellen. Kan Ezechiël opgestaan van de grond  vertellen wat de boodschap is van de God van Israël? Nee dus. Hij moet het laten zien, laten zien waar het volk terecht is gekomen. Voor ons is het zaak om het Hebreeuws goed te vertalen om te begrijpen wat er in dit verhaal gebeurd. In de Nieuwe Bijbelvertaling staat “ze zijn hoe dan ook opstandig” mooi, dat wordt er wel bedoeld maar het staat er niet, vertalers van de Amstelkerk in Amsterdam, die zich intensief bezig hebben gehouden met nauwkeurige vertalingen van de grondtekst komen met “een Huize Weerspan zijn zij” En midden in dat huis moet Ezechiël gaan zitten. De weerspanningheid van dit volk bindt hem als met touwen, hij wordt met stomheid geslagen. Wie vraagt niet hoe dat zou komen met iemand die zich zo gedraagt? Daarom klinkt het “Wie hoort hore en wie nalaat laat na” in de Nieuwe Bijbelvertaling :”wie dan luistert die luistert en wie niet luistert die luistert maar niet, het is immers een opstandig volk” Het blijft een huize Weerspan. We maken ons nog wel eens druk over de mensen die niet willen luisteren naar de boodschap. Die hun eigen welzijn en welvaart voorop stellen. We willen blijven praten, hen blijven overtuigen, maar dat heeft vaak weinig zin. Juist een profeet als Ezechiël vertelt ons dat we soms de boodschap van God maar moeten laten zien. Wij hebben de opdracht de naaste lief te hebben als onszelf en daardoor onze God lief te hebben boven alles. Luisteren we naar die opdracht dan opent zich het perspectief van een vreedzame samenleving waar iedereen bij wil horen, luisteren we niet, dan vermeerderen zich het geweld en de armoede. We hoeven daarover niet alleen te spreken, maar we kunnen het laten zien door het te doen, samen als gemeente en elk van ons in onze eigen omgeving. Vanmorgen is bij de collecte de kerk in Cuba ons voorbeeld, tafeltje dekje opzetten voor de ouderen, zoals van hieruit ook het project in Roemenië wordt gesteund, en de gevangenen bezoeken, zoals bij ons het gevangenispastoraat ook vrijwilligers heeft die op bezoek gaan bij gevangenen, ook in Hoorn werkt dat. En het lijkt er op dat ook Marcus ons dat wil vertellen. Bij Marcus geen Bergrede of zaligsprekingen, maar een visioen op een berg. In dit verhaal van Marcus is Jezus van Nazareth onderweg naar Jeruzalem. Wij weten al wat hem daar te wachten staat, kruis en opstanding. Maar daar gaat een verhaal aan vooraf. Dat kruis en die opstanding staan niet op zichzelf. Daar is een weg heen en een weg die door zal gaan, door zal gaan door de eeuwen heen tot op vandaag hier vanmorgen in Midwoud. En op die weg er heen gaat Jezus van Nazareth met Petrus, Jacobus en Johannes de berg op. Na zes dagen staat er. En zulke vermeldingen staan er niet voor niks. Wij denken dan dat hij er op de Sabbat heen gaat, dat is immers de zevende dag. Maar het Nieuwe Testament is te verklaren uit het Oude Testament krijgen de wandelaars naar Emmaüs na Pasen te horen en ook wij moeten dat serieus nemen. Marcus wijst hier op een verhaal uit het boek Exodus. Daar is het volk klaar gemaakt om de Wet van de bevrijding te ontvangen, samengevat in Heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf. Zes dagen woonde de heerlijkheid van de Heer op de Berg en een wolk bedekte de berg staat er dan en op de zevende dag wordt Mozes geroepen uit het midden van de wolk en gaat hij de berg op met Aäron, Nadab en Abihu. Voor Marcus had het visioen op de berg direct te maken met het verbond van de bevrijding dat met Israël was gesloten. Daar openbaarde de God van Israël zich als de bevrijder, een God die het volk uit het diensthuis van Egypte had geleid, zo’n God. Van die bevrijding had ook Daniël gedroomd toen hij beschreef hoe God zelf als een oude van dagen op de troon gezeten in een kleed wit als van sneeuw aan de Mensenzoon die tot hem nadert de heerschappij en de eer en het koningschap gaf opdat alle volken hem eren zouden. Zo werden nu ook de kleren van Jezus van Nazareth witter als van sneeuw, hier ging iets nieuws beginnen dat door geen aards vuil bezoedeld kon worden, hemels als het van oorsprong was. En daar staan Mozes en Elia. De wet en de profeten wordt dan vaak gezegd. Maar beiden zijn ook bevrijders van Israël. Mozes die naar de Farao ging met de bede zijn volk te laten gaan en Elia die Achab aansprak op het onrecht aan Nabod aangedaan en het opnam tegen de priesters van Baäl op de berg Karmel. In de dagen van Jezus werd Elia verwacht als de wegbereider voor de Messias die het volk zou bevrijden van de onderdrukking door de Romeinen. Geen wonder dat Petrus opnieuw tenten wil bouwen, zoals in de woestijn een Tent der Ontmoeting werd gebouwd om het verbond te bewaren en de toepassing van het verbond gestalte te geven. We willen ook in onze dagen graag alles begrijpen, alles vasthouden en alles voorzien. Dat zit nu eenmaal in onze aard. Zo houden velen vast aan het geloof zoals dat was in de Middeleeuwen, toen de moderne wetenschap nog moest beginnen, anderen houden vast aan de taal van de negentiende eeuw, toen het menselijk leven als een roman werd gevoeld. Weer anderen willen de Bijbel na kunnen meten, als historie, als wetenschap. Maar als het gaat om de Bijbel is dat willen weten, meten, verklaren en voorzien wat minder vruchtbaar. We weten dat aan alles een eind komt. Sterren storten in tot zwarte gaten, ooit was er een grote knal waarmee alles begon en ooit zal alles ineenstorten tot een groot zwart gat. Wij geloven dat God er dan iets mee te maken heeft, dat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal komen waar geen pijn en geen verdriet meer is. Dat geloof zet ons in beweging om pijn en lijden te bestrijden. Zoals Mozes niet ging wachten op de nieuwe aarde maar zijn volk uit Egypte leidde en Elia zijn mond niet hield maar de misstanden in de samenleving luidkeels aan de kaak stelde wachtte ook Jezus niet tot God ingreep maar begon hij brood te breken en mensen weer bij de samenleving te betrekken. Dat is mooi en dat willen we vastleggen. Zo zijn er veel zogenaamde Christenen die zich voortdurend bezig houden met de eindtijd en de tekenen die daar op zouden kunnen wijzen, het lijkt alsof ze er zelf greep op willen krijgen. Maar juist dat vastleggen en nameten is niet aan de orde. Petrus vergeet dat de Tent der Ontmoeting niet direct gebouwd werd, dat duurde nog een tijd. Mozes ging die wolk binnen op de zevende dag maar bleef daar ook 40 dagen en 40 nachten. In die tijd bouwde het volk een gouden kalf en ging dat aanbidden. Het verhaal van Jezus van Nazareth is daarom een verhaal van beginnen en opnieuw beginnen, telkens weer. Het is een verhaal van op Weg gaan, met de richtingwijzers die God aan Mozes heeft gegeven toen die op de berg God ontmoette. Wie er in mee wil gaan op die Weg wacht een glanzende werkelijkheid van bevrijding uit de slavernij van alle dag en het aan de kaak stellen van het kwade in de wereld. Die glans kunnen we vandaag ook weerspiegelen daar kun je mee rekenen. Luister komende week woensdag maar naar het verhaal over de Voedselbank, een getuigenis over het gebrek in onze samenleving en tegelijk een teken hoe mensen ook in donkere tijden voor elkaar kunnen blijven zorgen. In het verhaal van Marcus komt de wolk nog eenmaal terug. Dan klinkt de stem opnieuw zoals die bij de doop in Jordaan had geklonken: deze is mijn geliefde zoon hoort naar hem. Marcus weet dat die wolk nog eens zal moeten komen. Over die wolk wordt ook verteld in het slot van het boek Exodus, als de wolk de Tent der Ontmoeting overschaduwt omdat de Heer zelf daar zijn intrek neemt. Het volk kan alleen verder als die wolk zich heeft teruggetrokken. En Daniël schrijft dat op het einde der tijden de Mensenzoon zal komen op een wolk Maar nu nog moet Jezus van Nazareth met zijn leerlingen verder, de Weg eindigt niet op de Berg met de verheerlijking. Het verhaal van de verheerlijking op de Berg heeft door de eeuwen heen kunstenaars geïnspireerd. In Rome hangt een prachtig schilderij van Rafael “de Verheerlijking van Christus” Het was zijn laatste schilderij. Toen het af was stierf hij op 37 jarige leeftijd in 1520, op Goede Vrijdag, hij was overigens ook op Goede Vrijdag geboren. Dat schilderij is heel bijzonder, zeker voor de zestiende eeuw. Want op het schilderij is niet alleen de glanzende verheerlijking van Jezus te zien, maar ook het dal waar leerlingen vergeefs een jongen van toevallen proberen te genezen. Wij staan meestal eerder in het dal, zoals ook eens Ezechiël, dan dat we als Petrus, Jacobus en Johannes met Jezus de berg bestijgen. Maar ook in het dal kan de geest van God over ons vaardig worden en kunnen wij onze naaste lief gaan hebben als onszelf. Voor Rafaël gaat de weg niet omhoog de Berg op, maar van de Berg af omlaag naar hen die de glans van God in hun leven meer dan nodig hebben. En om met een profeet te eindigen: Jesaja droomde er van dat de dalen worden verheven en de bergen geslecht, zodat er een rechte weg ontstaat voor de Heer, voor de Koning van de lijdenden die komt om te oordelen wie het lijden doen voortduren en er niet tegen opstaan. Wij mogen met dat opstaan alvast beginnen, elke dag opnieuw.
Amen

Read Full Post »

Lezen : “Waar ben ik”, uit de Gouden Sleutel van Boukje Offringa
Ezechiël 1:28b – 3:3
Marcus 2:1-12

Gemeente,

 

Jong en oud wordt vanmorgen aangesproken. We hebben het over vriendschap en vergeving. Het verhaal van Marcus heeft het over vrienden, over mannen. Dat komt omdat Marcus een man was en mannen vergeten altijd dat God de mens mannelijk en vrouwelijk heeft geschapen. Nu ben ik ook een man en als ik praat dan vergeet ik dat ook eigenlijk wel een beetje. Laten we daarom afspreken dat als ik het vanmorgen over vrienden heb ik ook vriendinnen bedoel, daartussen is voor mij geen verschil. Wat we vertellen geldt voor allebei, vrienden en vriendinnen want het gaat om wat er tussen hen gebeurd, dat noemen we vriendschap. En wie ervaring heeft met vriendschap, langdurige vriendschap, weet dat in een vriendschap de mogelijkheid tot vergeving meer dan hard nodig is. Waar de eigenschap te kunnen vergeven ontbreekt houdt de vriendschap na verloop van tijd op. Dan gaan we ontvrienden zoals dat tegenwoordig heet. Ontvrienden is een term van het Internet, uit de wereld van de sociale media als Hyves, Facebook en Twitter. Windows live zou ik kunnen noemen maar dat wordt steeds minder gebruikt, Windows live lijkt zelf door de meeste mensen te zijn ontvriend. Maar op de andere platformen verzamelen we vrienden en volgers en als ze ons lastig vallen dan ontvrienden we ze soms. Dan wegen we voor onszelf af wat ze eigenlijk bijdragen aan ons plezier op internet en als ze alleen maar irriteren dan gaan ze er aan, dan worden ze ontvriend. Op Internet komen we dan ook nooit een lamme tegen die we moeten dragen. Als iemand niet meer in beweging komt, dan ontvriend die zichzelf, dan zien of horen we die niet meer en vergeten we die zelfs misschien. Altijd handig om zulke vrienden te hebben want het aantal vrienden of volgers dat je hebt blijft groot terwijl je er geen last van hebt.  Het verschil met het verhaal van Marcus over die vier vrienden wordt ook gelijk duidelijk. Die vier vrienden pakken hun vriend  op die kennelijk geen kant meer op kan. Hij kan niet alleen niet meer lopen maar  zelfs geen hand meer uitsteken. Dat vind je op internet toch maar weinig, hoewel. Er is een verhaal bekend van een aantal mensen dat elke avond bij elkaar kwam op een chatbox om de ervaringen van de dag uit te wisselen. Op een dag ontbrak er één. Dat kan natuurlijk wel eens, maar toen die na een paar dagen nog niet had laten weten waarom hij verstek liet gaan werd men ongerust. De groep is op zoek gegaan. Screennamen zeggen niet hoe je echt heet en waar je woont en hoe je te bereiken bent. Met veel moeite wist men toch een en ander uit te vinden en werd de politie in zijn woonplaats ingeschakeld. Alle persoonlijke gegevens van iedere internetter staan per slot ergens opgeslagen. De politie ging na enig aandringen toch maar even kijken, zo’n raar verzoek hadden ze nog nooit gehad en toen bleek de afwezige chatter helemaal alleen ziek in zijn huis te liggen en kon een dokter worden ingeschakeld. Zoiets stellen we ons bij echte vriendschap voor. Niet zozeer op Internet maar in het gewone leven. Als iemand in de klas op school wegblijft gaan we toch vragen aan de meester of juf waar die blijft en als meester of juf het niet weet proberen we toch iemand te bewegen even te bellen of er langs te gaan. Anders gaan we zelf misschien wel even langs om te vragen waarom en hoe.  Maar hoe krijg je je vriend of vriendin natuurlijk, weer in beweging? In het verhaal van Marcus gaan ze naar Jezus van Nazareth. Die was net thuisgekomen uit de Synagoge, de kerk van zijn dagen. Hij was nog even op bezoek geweest bij de moeder van de vrouw van Petrus, die had koorts en Jezus van Nazareth had haar genezen. Toen de mensen uit Kafernaüm hoorden dat Jezus van Nazareth weer thuis was kwamen ze met z’n allen naar zijn huis toe. Net zoveel als er op Sabbath naar de synagoge kwamen schrijft Marcus in zijn Grieks. Om met een verlamde vriend bij Jezus te komen was dus niet eenvoudig. Maar over die Jezus van Nazareth werd gezegd dat hij de Messias was die de mensen zou bevrijden van bewegingsloosheid, van onderdrukking en geweld, van armoede. En over die Messias hadden die vrienden nog een mooi verhaal gehoord. Dat was ooit door de profeet Daniël opgeschreven. Die had geschreven dat die Messias de Mensenzoon genoemd zou worden en dat die de Koning zou worden van alle mensen op aarde die geleden hadden tijdens hun leven. Die Koning wist pas wat lijden was, lijden aan ziekte, aan oorlog, aan onderdrukking, aan hongersnood, aan gebrek aan drinken en noem maar op. De Zoon des Mensen zou als Koning al die mensen bevrijden van het lijden dat ze moesten doormaken. Die Zoon des Mensen zou op de wolken naar de aarde komen. Nou dachten die vrienden zo van boven naar beneden kunnen wij ook komen. Zo klommen ze samen het dak op maakten een gat in het dak en lieten hun vriend daar doorheen zakken tot aan de voeten van Jezus van Nazareth. Die was druk in discussie met de mensen die het in de Synagoge voor het zeggen hadden, de bazen zeg maar, de mensen die er voor doorgeleerd hadden en die wisten hoe je moest denken en wat je moest vinden van allerlei zaken. Dit verhaal over die vier vrienden die hun verlamde vriend het dak op sjouwden en naar beneden lieten zakken heeft in de loop van de geschiedenis veel indruk gemaakt. Vooral omdat het goed afloopt, uiteindelijk loopt die verlamde vriend met zijn bed onder de arm het huis uit. Maar het verhaal dat Marcus heeft geschreven gaat daar helemaal niet over.  Het gaat over vergeving. De verlamde is allereerst vriend, zelfs Jezus van Nazareth spreekt hem aan als vriend. En vergeeft hem dan zijn zonden. Ook voor ons is dat raar. We snappen best dat zonden iets zijn dat je verkeerd gedaan hebt. Als je thuis bij het afwassen een bord stuk laat vallen dan zeggen ze ook: “Wat zonde”, en ook in de Metro konden we lezen over de dood van Withney Houston onder de kop “Wat een zonde”, dus alles wat je stuk gemaakt hebt is eigenlijk zonde. Vooral natuurlijk als je vriendschap hebt stukgemaakt, want die vier vrienden maken toch duidelijk dat het hebben van vrienden een kostbare zaak is, daar moet je zuinig op zijn. Vrienden die je willen dragen moet je niet zomaar kwijt raken en dat soort vriendschappen moet je niet zomaar stuk maken. Wat heeft deze verlamde vriend dan verkeerd gedaan? De geleerden in de Synagoge, en veel geleerden in de kerken hebben zich daarbij aangesloten, die vonden dat de zonde was het niet goed houden aan alle geboden die in de wetten van Mozes staan. Dat zijn er wel 153 en het is heel ingewikkeld om ze allemaal nauwkeurig na te komen. Daarom zijn we allemaal zondig. En als we de wet hebben overtreden moeten we gestraft worden. De angst voor die straf kan mensen verlammen. Het heeft geen zin om nog iets goeds te doen want dat helpt je niet van je zonden af. Jezus van Nazareth heeft gelukkig alle zonden op zich genomen zeggen ze dan en daar moeten we ons dan maar aan onderwerpen. Maar Jezus van Nazareth zegt iets anders. Die spreekt zijn vriend aan als vriend en als je echt een vriend bent dan heb je je naasten lief als jezelf en dan houdt je dus de wet van Mozes, alle wetten worden in die Wet samengevat. Dan speelt die zonde dus geen rol meer, dan is die zonde vergeven. De geleerden uit de Synagoge vonden dat maar wat al te eenvoudig. Het is God die de zonden vergeeft, en jezelf op de plaats van God zetten is godslasterlijk. Maar toen die vier vrienden hun verlamde vriend door het dak lieten zakken moest ook Jezus van Nazareth denken aan dat verhaal van Daniël. De koning van de lijdenden, de Mensenzoon, zou toch op de wolken komen? Die zou toch juist de vriendschappen belonen en de mensen van lijden bevrijden? Als je door vergeving van zonden weer opnieuw mag beginnen en als je door vriend te zijn de wet van Mozes houdt en daardoor niet zondigt, zou je dan door de vergeving van de zonden ook niet opnieuw in beweging kunnen komen? Zou de angst die je verlamd niet kunnen verdwijnen als je beseft dat je vrienden om je heen hebt die je kunnen helpen, die je kunnen dragen en dat uiteindelijk alles wat je meemaakt aan ellende in het  niet valt bij het lijden dat Jezus van Nazareth heeft meegemaakt? Jezus van Nazareth stelt die vragen aan de geleerden. Die hadden nooit gedacht aan het houden van de Wet als een beweging naar de naaste, als een daad van liefde, als een daad van liefde waarin de liefde van de God van Israël voor zijn volk duidelijk gemaakt werd. Wij vergeten dat ook zo vaak. Natuurlijk, wat wij voor anderen doen kan ons nooit vrijpleiten van alles wat we bewust en onbewust stukmaken. Maar alles wat we voor anderen doen kan wel duidelijk maken hoe groot de liefde van God voor de mensen is. Daarom kon Jezus van Nazareth zeggen: sta op, pak je bed op en ga naar huis. Zoiets hadden ze nog nooit gezien. Vergeving als begin van een verandering ten goede. Dat is wat ons verteld wordt. Moeten we dan alles maar vergeven van een ander? Die vraag komt direct op bij het horen van dit verhaal. Moeten we vergeven dat ons klasgenootje bij een ruzie is neergestoken? Moeten we vergeven dat onze buren zijn overvallen in hun huis en gemarteld en beroofd? Moeten we dieven vergeven die onze buurtwinkel voortdurend leegstelen? Moeten we pestkoppen vergeven die het gaan naar school tot een hel maken?  Dat kunnen we meestal niet. Dat vraagt God ook niet van ons. Wat God van ons vraagt is ons bed op te nemen en in beweging te komen. Als wij willen vergeven dan zullen we anderen in beweging moeten brengen. Dan letten we op of mensen geen messen bij zich hebben waarmee ongelukken kunnen gebeuren en dan zeggen we er wat van, dan zeuren we net zolang tot die messen verdwenen zijn. Dan letten we op of er in onze buurt geen mensen zijn die op overvallen uit zijn en als we ze zien dan waarschuwen we, desnoods bellen we er de politie over. Dan kijken we in winkels of er geen mensen zijn die zonder betalen met de spullen de winkel uitlopen. Dan spreken we op school pestkoppen aan, ook al pesten ze anderen, dan houden we niet op voor het pesten voorbij is al moeten we iedereen op school inschakelen. Toen de eerste moordenaar gevraagd werd waar zijn broer was, het verhaal van Kaïn en Abel zei hij “Ben ik de hoeder van mijn broer?” Als we niet medeschuldig willen zijn aan moord en onrecht dan zullen we dus inderdaad de hoeder, de beschermer van je broer, van je vriend, van je naaste moeten zijn. Wij vragen God ook niet om ons te leren hoe God schulden vergeeft maar om onze schulden te vergeven zoals wij vergeven wie ons iets schuldig zijn. Dat betekent dat we ons aanleren voortdurend bedacht te zijn op zaken die voor andere mensen verkeerd kunnen lopen. Niet dat we alles op onze nek kunnen nemen, dat we alles op kunnen lossen, dat we alle onrecht op aarde in recht kunnen veranderen, dat we alle ziekte en ellende kunnen voorkomen. Integendeel. Maar wel dat we altijd overal een vriend kunnen zijn die samen met anderen de verlamde op kan pakken en het dak op kan sjouwen. Dat we samen met anderen dus verkeerde situaties aan kunnen pakken en er wat aan kunnen doen. Thuis, in onze buurt, op school of op het werk, in onze stad of dorp, waar we ook zijn. Maar is het niet vervelend, saai en somber om altijd maar met ellendige dingen bezig te zijn? Over al te kijken naar wat er verkeerd gaat? Daar ging die droom van Ezechiël over. Die was met zijn hele volk uit zijn land gezet, gedeporteerd, in ballingschap gestuurd. En die Ezechiël moest de mensen vertellen dat ze weer naar de Wet van Mozes moesten gaan leven. En dat betekent dat je weer voor elkaar moet gaan zorgen, dat je weer moet letten op wat er voor een ander verkeerd kan gaan. Al die verkeerde dingen waren in de droom van Ezechiël opgeschreven in een boekrol, ze stonden voor het volk klaar in een rijtje, je hoeft het alleen maar tot iets van jezelf te maken, je moet het je eigen maken zegt een leraar of onderwijzer dan. En is dat moeilijk? Niet als je samen weet te werken, niet als je wakker om je heen weet te kijken zoals Feitel geleerd had. Maar als je samen met anderen leert om elkaar te helpen, om mensen in je buurt, in je stad, in je land, in onze wereld te helpen bij de ellende die ze tegenkomen, om vrede en gerechtigheid te brengen zegt de Bijbel dan deftig, dan smaakt dat als zoete honing, want dat is het heerlijkste dat je kan overkomen. Marcus hoefde ons niet te vertellen dat de vrienden dansend naar huis gingen, vijf vrienden dansten door Kafernaüm, dat snappen we zo ook wel. Ook de mensen die het verhaal van Feitel hadden opgeschreven werden bekend als dansende gelovigen, chassidiem noemen we ze. Zo mogen ook wij proeven van de honing die geproefd wordt als we onze naaste liefhebben als onszelf.

Amen.                                                                                                                          

 

Read Full Post »

Lezen : Rechters 5
             Marcus 13: 24-37
Gemeente,

  Het is een beetje merkwaardig. Het verhaal uit het boek Rechters wordt gelezen omdat het de alternatieve lezing is voor de kindernevendienst en de kinderen hebben inmiddels de kerk   verlaten. Maar we mogen kinderen uitleggen wat er in de Bijbel staat en daar hoort ook het boek   Rechters bij. En in de vier weken van de advent worden een aantal verhalen uit het boek Rechters gelezen. Een paar jaar geleden heb ik een aantal commentaren geschreven op het boek Rechters, dag voor dag en pericoop voor pericoop, die commentaren zijn ook in boekvorm verschenen, dus het was voor mij bij de voorbereiding van vandaag niet al te moeilijk al roept het boek Rechters bij heel veel geleerden de nodige vragen op. Maar waarom juist dit verhaal over het overwinningslied van Deborah en Barak bij de eerste advent is gezet blijft natuurlijk wel een vraag. Het project waarmee de kinderen de Advent doorgaan heet “Op zoek naar de Koning” en Deborah en Barak zijn geen koningen, integendeel, hoewel het lied van Deborah natuurlijk wel een overwinningslied is, een lied over de overwinning op de koningen van Kanaaän. Er zijn geleerden die zeggen dat het lied van Deborah en Barak het oudste stuk uit de Bijbel is. Al het andere is later opgeschreven, maar dit lied was zo populair dat het de eeuwen heeft doorstaan De Bijbel is in een eeuwenlang proces ontstaan. Bijbel betekent dan ook bibliotheek en zoals een verzamelaar gedurende lange tijd zijn meest kostbare boeken bijeen zoekt, zo hebben ook de gelovigen van Israel en later van de kerk hun boeken bijeengezocht en daar een aantal eeuwen over gedaan. Dat alles begon met dit lied van Deborah. Een lied dat gaat over de Wet die in de woestijn aan het volk gegeven werd. Iedere keer als het volk er vanaf week kregen de vijanden voet aan de grond, maar iedere keer als de Wet werd gevolgd, de Wet  van “heb je naaste lief als jezelf”, werd het volk onverslaanbaar. De laatste generaal die het in het verhaal van Deborah  probeerde was Sisera met zijn strijdwagens. Die strijdwagens liepen vast in de regen en de modder net als ooit de strijdwagens van de Farao, toen het volk door de Rode Zee trok. Ook toen klonk aan het eind van de strijd een vrouwenlied ter overwinning, het lied van Mirjam de zuster van Mozes. Met het lied van Deborah wordt ook dit verhaal een verhaal van bevrijding. Bevrijding van onderdrukking en slavernij en zonder de persoon van Deborah had dat niet gekund zegt het lied. Ook nu nog klinken er liederen van bevrijding. Huub Oosterhuis heeft er honderden geschreven, maar ook vrouwen mengen zich in het koor, denk maar aan het lied van Hanna, dat door Maria de moeder van Jezus werd nagezongen, en in de kerken zingen we uit de bundel Eva’s lied en uit die bundel zal ook in het nieuwe liedboek volgend jaar het nodige te vinden zijn.. Al zingende leren we in elk geval goed naar vrouwen te luisteren en hen niet zoals in veel kerken de mond te snoeren. Barak en Deborah leerden ons dat vrouwen ons ook in de strijd kunnen voorgaan  en zonder Deborah was het waarachtig niet gegaan. Van alle liederen en verhalen die in de vroegste tijden zijn ontstaan hield haar lied het, als getuigenis van geloof, het langste vol. Soms vraagt een volk leiderschap. Er wordt leiderschap gevraagd van Deborah, de rechter. Haar kenden ze want zij sprak recht als mensen haar rechtsgeschillen voorlegde. Zij zat onder een boom waar mensen haar hun geschillen voorlegden, zij was de vrouw onder de boom. Eerlijkheid en onafhankelijkheid waren kennelijk de eigenschappen die men zocht in een leider.  En onafhankelijkheid betekend in dit geval dat ook de armen tot hun recht komen, recht gedaan worden. Want dienen we niet voortdurend oog te hebben voor de armen, voor de mensen die in nood zijn? Een cultuur van ieder voor zich helpt  niet om de zwaksten te helpen. Ook dat laat het boek Rechters ons zien. Wat dat betreft mogen we  in onze samenleving wel goed uitkijken met het afschaffen van de zorg voor arbeidsongeschikten, zieken en ouderen. Steeds weer verschijnen er cijfers waaruit blijkt dat arbeidsongeschikten steeds vaker werkloos blijven, afschaffen van de beschermde arbeidsplaatsen voor gehandicapten kan daarop toch niet het antwoord zijn. Tijd voor een Nederlandse Deborah die ons aanvuurt de Wet-van-je-naaste-liefhebben-als-jezelf voortdurend te blijven onderhouden. Een samenleving die de regels afschaft die de zwaksten beschermen wordt een samenleving van chaos en geweld, dat is ook een verhaal dat in het boek Rechters wordt verteld. Het overwinningslied van Deborah en Barak is onverwacht hard voor de stammen van Israël die het volk Israel niet te hulp kwamen toen het volk bedreigd werd door Sisera en zijn leger. Het zijn de stammen Ruben en de stammen van het overjordaanse Dan en Aser die met name genoemd worden. Van Ruben wordt gezegd dat die maar bleef overleggen. Ruben was de eerstgeborene van Israël, van Ruben zou je leiding mogen verwachten, maar Ruben had vroeger al Jozef niet kunnen beschermen tegen de slavernij. In het Hebreeuws staan er wat woordspelingen die in de vertaling verloren gaan. In de kanttekeningen bij de Statenvertaling wordt er over verteld. Ruben was de stam van veehouders en de stallen waren zo gebouwd dat je door de rijen met koeien heen kon lopen om ze links en rechts te voeren. Zo links en rechts zonder een keuze te maken bleef Ruben bezig toen het er op aan kwam een heldere keuze te maken voor de slachtoffers van plundering en roof. Vanuit een mannelijk perspectief is het blijven overleggen van Ruben niet helemaal onbegrijpelijk. Het zijn immers de vrouwen die oproepen tot de strijd. Het is Deborah die Barak aanstelt als legeraanvoerder maar zelf blijft controleren of de strijd verloopt zoals bedoeld is. Het is uiteindelijk Jaël, opnieuw een vrouw, die haar vrouwelijke eigenschappen in de strijd werpt om de vijandelijke generaal Sisera een pin door het hoofd te jagen en daarmee de overwinning te behalen. Mannen zien vrouwen altijd als het zwakke geslacht en hoe mannelijk de Bijbel ook kan overkomen, de Bijbel bestrijdt dat mannelijke vooroordeel door op tal van plaatsen vrouwen voorop te stellen in verhalen van bevrijding. Van Eva zal het nageslacht de kop van de slang vermorzelen, Mirjam laat Mozes leven in het biezen kistje, Hanna draagt Samuël op aan de Heer, Esther haalt de wetten van Meden en Perzen omver, Maria zal straks het Kerstverhaal openen met haar verhaal over machtigen die van de van de troon gestoten worden en Maria van Magdala is de eerste die de opgestane Heer zal zien. Hier is het Deborah die een eeuwigheid zal regeren, 40 jaar is in de Bijbel immers de tijd van de volmaaktheid. Maar angst blijft velen tegenhouden, in de dagen van Deborah en Barak evengoed als in onze dagen. Altijd verwachten mensen het ergste. Onze economische problemen worden volgens commentatoren veroorzaakt niet omdat het nu zo slecht gaat maar omdat mensen bang zijn dat het de komende tijd slecht zal gaan. Consumentenvertrouwen en productentenvertrouwen daalt al enige tijd. Nu is angst altijd een slechte raadgever. In de Bijbel staat wel 48 keer de raad : Vrees niet. We kennen dat het meest uitgesproken uit het Kerstverhaal van Lucas als de engel het tegen de herders zegt die in het veld bij hun kudden de wacht houden. Ook het gedeelte dat we vandaag uit het Evangelie naar Marcus hebben gelezen begint met de angst van veel mensen onder woorden te brengen. De zon zal verduisterd worden en de maan zal geen licht meer geven, de sterren zullen uit de hemel vallen. Uit de Middeleeuwen is bekend dat zonsverduisteringen grote paniek konden veroorzaken. Tegenwoordig weten we maanden van tevoren wanneer waar op aarde een zonsverduistering of een maansverduistering zal plaatsvinden. En de plekken met zonsverduistering worden voor de duur van de verduistering toeristische trekpleisters. In augustus blijven we met z’n allen wakker om in de nacht op de camping naar de Pleiadenregen te kijken. Maar in de dagen dat Marcus zijn Evangelie schreef waren dergelijke natuurverschijnselen zeer beangstigend. En voorafgaand aan het eind van de geschiedenis wordt het leven zeer beangstigend, het idee dat alles zal ophouden. Het antwoord van het Evangelie op die angst en de vraag van wat dan verder is een blijde boodschap.  De Mensenzoon zal komen  op de wolken om de uitverkorenen bijeen te brengen uit alle windstreken, te verzamelen staat er alsof er mensen geoogst worden van de uiteinden van de wereld. Mensen die het einde van de geschiedenis als een serieuze mogelijkheid willen aanvaarden en oproepen er in het dagelijks leven rekening mee te houden, worden in het algemeen onheilsprofeten genoemd. Maar waarom onheilsprofeten? Dat de geschiedenis een einde zal kennen is niet onlogisch, alles wat een begin heeft zal ook een einde kennen en alleen onze God is zonder begin en dus zonder einde. Voor ons valt juist de komst van het heil samen met de komst van de Mensenzoon en niet het onheil. Dan immers komt er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde en zal God zelf zijn tenten op deze aarde spannen, dan immers zullen alle tranen gedroogd zijn en zal de dood niet langer heersen. Het visioen van die nieuwe hemel en nieuwe aarde is een geweldig visioen, met gouden straten, een zee die de doden teruggeeft, een maaltijd waar iedereen aan mee mag doen en waar eten genoeg is voor alle mensen op de wereld, waar geen dood meer is en geen oorlog en geweld, waar de leeuw en het lam samen zullen weiden. Wie die verwachting koestert is dus geen onheilsprofeet maar een boodschapper van het heil, dat komt, dat zal er zeker zijn. Dat is de ultime Adventsverwachting, de verwachting in de periode dat de verwachting uitgaat naar de Messias, de bevrijder der armen zoals Lucas hem noemt. Ook onze Advent is in de kerkelijke traditie eerder een periode waarin we de Messias verwachten dan dat we op weg zijn naar een kindje in Bethlehem, onze Advent eindigt dan ook eigenlijk niet met het Kerstfeest maar met de Epifanie, het feest van de verschijning van de Kyrios, vertaald met Heer, maar ook de aanduiding voor de Keizer of de Koning. We hebben in de kerk misschien het beeld van de bevrijder wat al te gemakkelijk vergeestelijkt. Jezus van Nazareth heet bij ons de Christus en dat woord komt nergens anders in ons spraakgebruik voor. Als we zeggen dat we wachten op een nieuwe Koning dan gaan de gedachten eerst uit naar Willem Alexander die als Willem de Vierde onze koning hoopt te worden. Maar Christus is de Griekse vertaling van Messias, de gezalfde bevrijder. Die Hebreeuwse Messias zou een afstammeling zijn van Koning David en het volk bevrijden van vreemde overheersing, hij zou de gezalfde van God zijn waar het volk al eeuwen naar uitkijkt. De Christus is dus een Koning zoals wij Koningen kennen, maar een Koning die recht spreekt en met dat rechtspreken mensen tot hun recht laat komen, een Koning die boven de partijen staat en de Wet van Heb uw naaste lief als Uzelf toepast. Een Koning dus die de armen zal bevrijden van onderdrukking en onrecht.  Het beeld van de Mensenzoon heeft Marcus ontleend aan het boek van de profeet Daniël. Daar is de Mensenzoon de Koning van het volk der lijdenden die op de troon wordt gezet en dan de schapen van de bokken mag scheiden, door over hen te oordelen . Die Mensenzoon brengt de lijdenden bijeen uit alle volken van de aarde en voor ons is dat ook goed om te weten. Die Mensenzoon had zelf ook geleden en hoorde daardoor bij dat volk. Het verhaal van vandaag is in het Evangelie van Marcus dan ook de inleiding op het lijdensverhaal, het centrale en meest uitgebreide gedeelte van het Evangelie naar Marcus. Het gemeenschappelijk leesrooster dat in veel kerken wordt gebruikt bij het kiezen van de zondagse lezingen begint vandaag met de lezingen uit Marcus. Het hele jaar zult u veel uit Marcus horen lezen en het zal u misschien gaan opvallen dat alles in het Evangelie naar Marcus wijst op het lijden en opstaan van Jezus van Nazareth. Maar ook in Matteüs 25 kom je het beeld van de Mensenzoon tegen. De vraag die opgesloten zit in het beeld van de Mensenzoon is welke kant je zelf kiest. Wil je horen bij de lijdenden of wil je horen bij de onverschilligen, de vrienden van Ruben, Dan of Aser, of zelfs bij de opvreters en uitbuiters, de Koningen van Kanaaän. Matteüs werkt dit beeld uit in de vraag wanneer we de hongerigen te eten geven, de dorstigen te drinken, de naakten kleden, de zieken verzorgen en de gevangenen bezoeken. Marcus beperkt zich tot de vraag of we kunnen weten wanneer het zal gebeuren. Die vraag wordt in het verhaal van Marcus gesteld door Petrus, Jacobus, Johannes en Andreas, voorafgaand aan het gedeelte dat we vanmorgen gelezen hebben. En natuurlijk weten we wanneer het zal gebeuren zegt Marcus ons, Jezus van Nazareth zegt dan: kijk maar naar buiten, kijk maar naar de bomen die hun bladeren hebben verloren. Blijft dat zo? Blijven de takken aan de bomen kaal? Nee natuurlijk niet, er komt na de winter een lente en zodra de takken van de bomen weer gaan uitlopen en het jonge groen verschijnt weten we zeker dat er ook een zomer zal volgen op de lente. Kunnen we dan uitrekenen wanneer de lente verschijnt? Toen ik vanmorgen hierheen reed hoorde ik op de radio nog een deel van het programma Vroege Vogels, daarheen bellen mensen op om natuurverschijnselen door te geven. We weten wanneer de herfst begint, de winter een aanvang neemt, de lente komt en het zomer wordt. Maar geen twee jaar achtereen vallen natuurverschijnselen op dezelfde dag. Elk seizoen weer verschilt de dag waarop trekvogels vertrekken en terugkeren, wanneer bloemen gaan bloeien en bomen gaan uitbotten. Zo weet niemand dag en plaats van het  einde van de geschiedenis, wie beweert dag en uur te weten en te kunnen voorspellen die liegt en die is een bedrieger, de Bijbel laat daar geen enkel misverstand over bestaan. Maar we weten dat de komst van de Mensenzoon, de komst van de nieuwe hemel en aarde, het antwoord zal zijn op het lijden van de armen, van de zwakken, van de minsten op de aarde. We moeten er dus dag in dag uit klaar voor staan, weest waakzaam, bij Matteüs vinden we dan de gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden, houdt de lampen brandende klinkt het daar. We moeten dag in dag uit ons afvragen of we de juiste kant hebben gekozen. Leven we onvoorwaardelijk aan de kant van de lijdenden en staan we op tegen het lijden van de mensen, tegen het onrecht en de uitbuiting, tegen oorlog en geweld, zetten we ons in voor de kinderen van God? Of leven we voor onszelf, maken we plannen om rijker te worden door niet meer te delen met hen die het nodig hebben, laten we anderen hun gang gaan als ze van de armen ook het laatste afnemen dat ze nog rest. Met Deborah mogen we geloven dat  de armen de aarde zullen winnen als ze de kant van de God van Israël kiezen, met Marcus mogen we verwachten dat we er elke dag klaar voor zullen zijn. Zo gaan we de advent in, op zoek naar een Koning, naar de gezalfde de Christus, de Messias de bevrijder,  die ons niet tot onderdanen maakt maar die ons bevrijdt van onderdrukkende krachten en machten in deze wereld in de verwachting dat zij die gebonden zaten in de schaduw van de dood, van God en mens verlaten het morgenrood zullen begroeten. Die Koning komt, alles wijst er op zouden we bijna zeggen. Maar het is ons geloof in de God van Israël die ons duidelijk maakt het er aan komt zoals het morgenrood in het oosten het opgaan van de zon aankondigt en het begin van een nieuwe dag. Hemel en aarde mogen misschien verdwijnen maar dat Woord, die belofte van de bevrijding, die zal immers nooit verdwijnen mogen wij geloven. Die advent, dat morgenrood, kondigt voor ons de bevrijding aan van dood en ellende en die bevrijding mogen we alvast vieren door de kant van de onderdrukten te kiezen, zodat het licht van de bevrijding overal gaat schijnen, vandaag al en al de tijd totdat hij komt.
Amen

Read Full Post »