Feeds:
Berichten
Reacties

Lezen: Exodus 9:1-11

             Johannes 17: 14-26

 

Gemeente

Vandaag is het moederdag. Dat is een ingewikkelde feestdag. Die is niet voor iedereen vanzelfsprekend. De meesten van ons hebben een moeder waar we best trots op zijn. Die heeft ons mee opgevoed tot wat we nu zijn. Maar er zijn er ook die hun moeder nooit gekend hebben, of waar de relatie met hun moeder zeer mislukt is en die de verhouding tot hun moeder als een last met zich meedragen. En als we het hebben over moeders, dan hebben we het over vrouwen. Is zo’n feestdag soms bedoeld om vrouwen tot het moederschap te veroordelen?

Tellen de vrouwen die geen moeder zijn, gewild of ongewild, niet meer mee? God schiep ons man en vrouw, naar zijn beeld en gelijkenis, als gelijken dus. Vaders en moeders zullen dus een tweedeling moeten maken, al naar de talenten die ze gekregen hebben. Opvoeding, zorg en inkomen horen in Bijbelse zin voor beiden gelijkelijk een opgave en verantwoordelijkheid te zijn. En het laatste wat we moeten doen is een moeder, of het ideaal beeld van de vrouw als moeder, vergoddelijken, boven al het andere stellen

Deze zondag is ook wezenzondag. De zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren. Ook al heeft Jezus beloofd dat we niet als wezen worden achtergelaten zullen we het voortaan zelf moeten doen. God heeft een verbond met mensen maar geen legers die zijn werk wel even voor de mensen moeten uitvoeren. Zo moest Mozes zelf naar de Farao om de bevrijding van zijn volk af te smeken. En Mozes moest de berg op om God te vragen het volk toe te spreken.

Er zijn nogal wat heilige bergen in de wereld. De Griekse goden woonden op de Olympus bijvoorbeeld en de 10 geboden werden gegeven vanaf de Horeb in de Sinaï woestijn. Een berg brengt je dichterbij het hogere. Als jouw god hoog in de hemel zit dan ben je op de top van de berg er het dichtste bij. Dat is een menselijke ervaring die in de dagen van de Bijbel zo sterk was dat een profeet zelfs moest verbieden om nog langer offers te brengen voor de bergen in het land. Die hoefde je echt niet te aanbidden. Ook in het verhaal van de uittocht gaat het niet om de berg zelf maar om de ontmoeting met God op die berg. Dat was een God die met het volk meetrok, maar nu moesten de spelregels scherper worden vastgelegd. Ze hadden al een aantal wetten en regels ontdekt, ze hadden de adviezen van Jetro, de priester van Midjan, gevolgd, ze hadden al een paar keer ruzie gehad over de richting die ze als volk moesten inslaan en ze hadden al een oorlog met een ander volk overleefd.

Nu na drie maanden, een goddelijke tijd, kwamen ze aan bij de berg in de woestijn Sinaï en daar werd het volk een echt volk. Het woord heilig wekt nogal eens wat misverstanden. Het betekent apart gezet, er zit ook het woord heel in, het is ongebroken, een eenheid. Zo kan een heilig mens een heel mens zijn, de rollen die die mens vervuld vallen samen, je kunt altijd hetzelfde van die mens verwachten. Dat geldt natuurlijk ook voor een God, die is één, ook al lijkt die God in Vader, zoon en heilige geest nog zo verschillend.

Heilig hoeft daarom nog niet volmaakt te zijn, want volmaakt is vaak een kwestie van smaak. Dat het volk nu een heilig volk wordt drukt het verhaal uit door ook de grond van de berg heilig te verklaren en heiligingsriten in te voeren. Er moet schoongemaakt worden, van buiten en van binnen. De seksuele onthouding betekent reiniging van lust en begeerte, je heerst niet over een ander als je heilig bent. In Kanaän zou bij vele volken het seksuele juist onderdeel van de godsdienst zijn, Israël zet zich daartegen af. Het volk moet ook op eigen benen leren staan. Tot nu toe is het net als kleine vogels gedragen op de vleugels van de moedervogel. Adelaars doen dat wel niet maar het beeld is er niet minder mooi om.

Dat het volk nu een echt volk wordt is verbonden met de slavernij in Egypte. Toen de kinderen van Israël, de nakomelingen van Jakob, uittrokken uit Egypte trok er een hoop volk mee. Dat wordt nu ook opgenomen in het volk Israël. Twaalf stammen zullen er zijn en zij zullen één volk vormen. Dat volk wordt een koninkrijk van priesters genoemd. De Koning is God zelf en alle onderdanen zijn priester van die God, zij offeren, zij dienen die God. Ze zullen er achter komen hoe die God gediend wil worden. Wij kennen dat, heb God lief boven alles en Uw naaste als Uzelf zal er klinken.

Alleen op die manier, door dat gebod te volgen kunnen alle leden van dat volk priester zijn. En laat je niks wijs maken door dominees, priesters en andere voorgangers, dat alle gelovigen priester zijn is nooit anders geworden, alle gelovigen verkondigen het gebod van de God van Israël. Mozes liet het de oudsten bevestigen, alles wat God gesproken heeft zullen wij doen, klonk het. Daarvoor is die gemeenschap nodig, ook vandaag nog, maar ook over de kerk wordt gesproken als over een koninkrijk van koninklijke priesters, één Heer, God zelf, en de dienst aan de naaste als vaste opgave, ook vandaag weer.

De machtsstrijd die je overal op alle terreinen in de samenleving kunt zien zou je niet in de christelijke kerk moeten tegenkomen. Toch is die er al bijna vanaf het begin. Eerst ging het nog om het gelijk en om het uitfilteren van opvattingen die meegenomen werden uit de Heidense cultuur en die te handig waren om los te laten. Een voorbeeld van is het beeld over de strijd tussen God en de Duivel. De vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling hebben zich daar laten verleiden gebruik te maken van Heidens taalgebruik dat niet afkomstig is uit het verhaal van Israel of Jezus van Nazareth. Maar om aan ons Heidenen iets uit dat verhaal duidelijk te maken ontkom je daar niet altijd aan. Het heeft door de eeuwen heen vele misverstanden opgeleverd en tot vele ruzies geleid.

Erger wordt het natuurlijk als het gaat om de vraag wie er in de kerk de baas is. Als voorgeschreven wordt hoe mensen moeten leven en als mensen, die elkaar geen kwaad doen, maar niet precies volgens de regels van de kerkleiding leven, buiten de kerk worden gezet. In het verleden werden christenen zelfs door christenen gedood, verminkt, verbannen. Het verzet er tegen speelde een belangrijke rol bij het ontstaan van ons land. Ook sinds de reformatie hebben christenen de eenheid niet weten te bewaren. Telkens laaien conflicten opnieuw op en tot in de kleinste kerkgenootschappen toe ontstaan scheuren. De eenheid tussen Hervormden, Gereformeerden en Lutheranen van een paar jaar geleden is dan ook een wonder. Een open kerk waar mensen met vele achtergronden en opvattingen elkaar vasthouden rond het woord van God. Het heeft de waardering voor geloof en christendom veranderd.

Meer en meer mensen staan neutraal en niet meer afwijzend. Juist door het vermogen het verhaal van Jezus van Nazareth op vele manieren, voor veel soorten mensen, te vertellen stijgt de waardering voor dat wonderlijke verhaal. Daarbij komt dat je mensen uit de kerken nog altijd daar vindt in de samenleving waar de nood het hoogste is. Bij asielzoekers die tussen onze bureaucratische molens vermalen werden, bij de armen uit onze eigen samenleving, in de zorg voor de arme delen van de wereld, de strijd voor eerlijke handelsverhoudingen, op bezoek bij de gevangenen, voedsel en kleding verzamelend voor slachtoffers van rampen, troost biedend aan slachtoffers van geweld, roepend om recht en gerechtigheid. Bij die beweging kun je je elke dag aansluiten, daarvoor hoef je niet per se lid van een kerk te zijn maar bedenk wel dat je samen sterker staat.

Zo leren we van Mozes dat alleen God de baas is van de gelovigen. Dat die God met ons mee wil gaan als een Vader die voor ons zorgt als een moeder. Zo leren we van Jezus dat we één moeten zijn om ook een heilig volk te kunnen zijn. En die eenheid hoeven we niet alleen uit te drukken in het luisteren, het zingen en het bidden, maar die eenheid laat zich beter zien in het samen werken aan een rechtvaardige samenleving in onze eigen omgeving. Dag in dag uit.

Amen.

Advertenties

Lezen: Jesaja 45: 15-19

             Johannes 15: 9-17

 

Gemeente,

God schiep ons als man en vrouw, naar zijn beeld en gelijkenis, volgende week is het moederdag. Maar God schiep man en vrouw als gelijken. Vaders en moeders zullen dus een tweedeling moeten maken, al naar de talenten die ze gekregen hebben. Opvoeding, zorg en inkomen horen in Bijbelse zin voor beiden gelijkelijk een opgave en verantwoordelijkheid te zijn. En het laatste wat we moeten doen is een moeder, of het ideaal beeld van de vrouw als moeder, vergoddelijken, boven al het andere stellen. In de lezingen lezen we het een en ander over die vergoddelijking en over de liefde, ook de moederliefde dus, die niet verschilt van de liefde van God of de liefde voor God.

De Bijbel wijst ons de richting die we moeten gaan en als we goed luisteren dan behoed het verhaal van de Bijbel ons voor de valkuilen waar we in dreigen te vallen en die we zo gemakkelijk over het hoofd zien. Jesaja heeft het bijvoorbeeld over de vergoddelijking. In de afgodendienst van de volken speelde de figuur van de moedergodin een belangrijke rol. Zij zorgde voor de voortplanting en het voedsel. Moeder aarde horen we nog wel eens zo benoemen. Maar die godsdienst van de volken wordt in de Bijbel sterk verworpen.

Denk er niet te licht over. Machtige volken vonden hun goden ook machtig en wie overwonnen werd verloor zijn god die immers verslagen werd. Wie nu nog in Egypte kijkt ziet hoe machtig de Egyptenaren hun goden wel niet vonden. De beelden van die goden hebben het door de eeuwen door uitgehouden.

Voor ons is het, na al die eeuwen dat we uit het boek van Jesaja hebben horen voorlezen, normaal: die met de hand gemaakte beelden zijn geen goden, ze hebben geen macht en je staat inderdaad voor gek als je die beelden aanbidt. Maar ook in onze dagen staan er beelden in onze christelijke kerken die een religieuze functie vervullen. Ook wij kennen idolen in de vorm van populaire relibands, gospelartisten en er zijn evangelisten en voorgangers die alleen door hun persoon vele bezoekers naar hun bijeenkomsten trekken.

Zelfs in de kerken hebben we de neiging de wereld te volgen waar immers alleen de nummers 1 tellen en waar voortdurend op allerlei terreinen wedstrijden bezig zijn waar mensen proberen de nummer 1 te worden, of het nu kleren naaien of taarten bakken is, de nummer 1 wordt een idool, een mens om na te volgen.

Afgoderij zit in ons en ligt altijd op de loer. Moeten we dan bang zijn om te werken aan een nieuwe wereld waar recht en gerechtigheid heersen in plaats van de beelden van vreemde zelfgemaakte goden en de populariteit van sterfelijke mensen? Over die vraag gaat het Bijbelgedeelte uit het boek van de profeet Jesaja.

Als we de schepping van hemel en aarde aan onze God toeschrijven dan vallen alle andere mogelijke goden, idolen en helden daarbij in het niet. Dan gaat die God van ons inderdaad alle verstand te boven, want hoe die wereld en alles wat daar bij hoort er is gekomen dat weten we nog niet, daar hebben we de wetenschap voor. Daarom is het ook maar goed dat we ons alleen met mensen bezig hoeven te houden. Niet met de machtigen en de rijken, niet met de idolen de nummers 1, maar met de minsten, de zwaksten, de armen. De orde die de God van Israël heeft geschapen en de wanorde die de wereld zo vaak no vertoond maken het ons duidelijk.

Bij die wanorde ontmoeten we God de Schepper die de machtigste is op aarde. Daar wordt mensen recht gedaan, daar is het leven waarachtig. Daar wordt de scheiding aangebracht tussen licht en duister, tussen vaste grond onder je voeten en duister water waar je in kunt verdrinken. Daar is het pas de moeite waard om ook vandaag weer mee te gaan doen aan het scheppen van vrede, orde en recht voor mensen.

De Bijbel kan soms heel ingewikkeld doen. Met fraaie formuleringen worden de meest ingewikkelde zaken besproken. Dat moet soms ook wel. Toen de leerlingen van Jezus van Nazareth de wereld van het Romeinse Rijk introkken kwamen ze daar niet alleen allerlei godsdiensten tegen maar ook een menigte aan filosofen die niet zoveel met godsdienst te maken wilden hebben.

Paulus bijvoorbeeld kwam uit Tarsus waar een beroemde filosofische school van de Stoa was gevestigd. Ook met die filosofen moesten de leerlingen van Jezus van Nazareth in discussie en de sporen daarvan vindt je op tal van plaatsen in het Nieuwe Testament terug. De boodschap van de Bijbel is echter heel eenvoudig. Jezus van Nazareth zelf zou eens opmerken dat zelfs een kind het kan begrijpen. En in de passage van vanmorgen lezen we de kern van de Bijbelse boodschap in al haar eenvoud: “Heb elkaar lief”. Het lijkt bijna een lied zoals het hier is opgeschreven. “Jullie moeten mij lief hebben en ik heb jullie liefgehad”, dan heb je de Vader lief en dan heb je elkaar lief.

Als je Jezus liefhebt ben je geen slaafse volgeling van iemand die het bij het rechte eind heeft, nee dan ben je een vriend en kun je zelfs hem de waarheid zeggen. Juist als je gehoord hebt wat Jezus van Nazareth je te zeggen hebt dan weet je dat je dat zelf niet hebt hoeven te kiezen maar dat je zijn Weg mag gaan. In het verhaal van Jezus van Nazareth zijn het de leerlingen die geroepen zijn om Hem te volgen. In de Christelijke Kerk gelooft men daarom vanouds dat alle gelovigen geroepen zijn om Hem te volgen.

Als je je naaste liefhebt als jezelf dan kun je niet anders dan die roep van Jezus van Nazareth doorgeven, hoe meer mensen immers hun naaste liefhebben als zichzelf hoe dichterbij het Koninkrijk van Jezus van Nazareth komt. Dat is ook de kern van het vrucht dragen, een betere wereld vormen waarin plaats is voor iedereen en waar iedereen voldoende te eten heeft en mag leven. De roep om de Weg te gaan van Jezus van Nazareth klinkt gelukkig niet maar eenmaal in ons leven. Die roep klinkt elke dag, elk moment van de dag, weer opnieuw, die roep klinkt onophoudelijk.

Die roep klinkt namelijk ook in de vraag van de hongerigen om eten, in de schreeuw van de gemartelden om rechtvaardigheid, in de klop op de deur van de daklozen die onderdak zoeken, in de uitgestoken hand van de arme om een aalmoes, in de vraag van al die mensen die langs de kant van de weg zijn komen te staan om mee te mogen doen, in de vluchtelingen voor economisch en politiek geweld die wanhopig een plek zoeken waar het veilig is en waar in vrede geleefd kan worden.

Wij hebben gehoord dat het anders moet, ook in onze eigen samenleving. De orde die de wereld wil scheppen is niet de orde die God ons brengt. Een regering die boetes uitdeelt aan gemeenten die medemenselijkheid steunen kan dus niet. Zwervers maken in plaats van mensen een plek in de wereld te geven waar ze in vrede kunnen leven kan dus niet. Want wat we de minsten hebben aangedaan doen we onze vriend Jezus van Nazareth aan.

En daar zijn we weer bij het beeld van de moeder die zorgt voor haar kinderen. Een beeld als een gelijkenis. Een beeld dat volgens de Bijbel op elk van ons zou moeten passen. We hebben allemaal een moeder gehad en we kennen allemaal het beeld van de zorgende moeder, in positieve of in negatieve zin. En of we nu kinderen hebben of niet, dat zorgende, dat liefhebbende voor de naaste kunnen we allemaal hebben in ons leven.

Want de Bijbel knoopt er een belofte aan vast. Pas als we allemaal leven zoals de richtlijnen van God het ons hebben voorgehouden, houden van God boven alles door de naaste lief te hebben als jezelf zal de vrede op aarde uitbreken. Dan zijn alle tranen gedroogd, dat beeld kennen we toch van moeders? Dan is alle leed geleden. Dan gaat niemand dood voor zijn of haar tijd schrijft Jesaja, dan worden alle kinderen minstens honderd jaar en daar dragen we allemaal aan bij. Voor het zover is moet er nog heel wat gebeuren. Dan wacht de aarde nog een grote schoonmaak van alle ongerechtigheid en onderdrukking. Maar daar mogen we elke dag opnieuw aan beginnen. Wacht dus niet maar vat het werk aan.

Amen.

Lezen: Jesaja 52:13-53:12

             Marcus 1: 1-11

Gemeente,

De lijdende knecht des Heren is een geliefd thema in het boek van de profeet Jesaja. Christenen hebben hier later beschrijvingen van Jezus van Nazareth in gelezen. Maar ondanks het feit dat Jezus van Nazareth zeker voldeed aan de beschrijvingen in het boek van de profeet Jesaja werd dit boek niet voor Christenen geschreven maar voor de ballingen die uit het land Israël naar Babel waren gevoerd. En daarmee richt de profeet zich ook tot ons.

Wie onder ons is zo dienstbaar dat hij of zij door het vuur gaat voor de armen, die zonder ophouden recht en gerechtigheid zoekt en de fouten die we dag in dag uit maken opvangt door voortdurend een leven van liefde te blijven laten zien? We weten dat ook in onze dagen zo iemand gemarteld en geslagen kan worden. Amnesty International heeft een hele lijst met namen van mensen die opkwamen voor de armen in hun land, voor recht en gerechtigheid, tegen de schending van mensenrechten en die in de gevangenissen verdwenen, gemarteld werden en geslagen, uitgehongerd en vermoord soms.

Hun lijden moet ons steeds weer motiveren voor armen en verdrukten op te komen, moet ons onze vrijheid doen gebruiken om onze samenleving tot delen te brengen, onze politici tot spreken waar protest geboden is. Zo lang wij onverschillig blijven voor het lijden van medemensen veraf en dichtbij zullen mensen opstaan en vervolging en marteling trotseren.

In onze dagen komen daar ook de zogenaamde klokkenluiders bij. Mensen die de informatie die ze hebben openbaar maken in de hoop dat misstanden zullen verdwijnen. Soms werkt dat, de bouwfraude heeft tot straffen voor bouwbedrijven geleid, of de corruptie en het bedrog door bouwbedrijven verdwenen is werd tot vandaag niet duidelijk.

Een schaap wordt naar de slacht gebracht lezen we vandaag. Vroeger werd hier met lam vertaald en de Naardense Bijbel die gelijk met de Nieuwe Bijbelvertaling verscheen doet dat nog steeds. In middeleeuwse schilderijen is dat Lam vaak afgebeeld, op een altaar of er voor en al of niet met een kruis op de schouder. Ook in de kerkmuziek klinkt het Lam Gods, het Agnus Dei, en bij voorkeur dan als het brood tijdens het Avondmaal wordt gebroken. Ook hier dus weer een interpretatie van het boek van de profeet Jesaja in de richting van het lijden en sterven van Jezus van Nazareth.

Maar het boek van de profeet Jesaja werd ver voor het leven en sterven van Jezus van Nazareth geschreven. In de tijd waarin dit Bijbelboek tot stand kwam was er sprake van ballingschap, het volk was uit het land weggevoerd en werd ver van Jeruzalem gevangen gehouden. We moeten daarom misschien eerder aan het boek Job denken als we lezen over de rechtvaardige dienaar die moest lijden.

Job nam het op voor mensen die de weg van de Liefde wilden volgen maar zelf met het lijden werden geconfronteerd. Job weigerde te geloven dat God hem met lijden strafte omdat hij verkeerd zou hebben gedaan. Job bleef geloven in de weg van de Liefde, nergens verloochende hij God, nergens nam hij afstand van het delen van alles wat hij had zoals hij altijd had gedaan. De zin van al zijn rijkdom was uiteindelijk gelegen in het vermogen daar mensen mee te helpen.

Dat hij desondanks bespot en geslagen werd, ziek en vernederd, zittend op zijn mesthoop zich krabbend met een scherf moest hij dan maar op de koop toe nemen. Recht verschaffen is hier bij Jesaja de wandaden van mensen serieus nemen en zorgen dat die mensen de kans krijgen het niet weer te doen, maar het goede te gaan doen. Jesaja onderstreept voor ons dat het daarbij niet gaat om er zelf beter van te worden, maar alles wat er uit komt voor lief te nemen. Dan pas deel je met machtigen in de buit. En Delen wordt hier eigenlijk met hoofdletters geschreven. Pas als Samen Delen voorop staat kan er samen geleefd en samen gewerkt worden. Daar kan een heel volk van leven en volgens veel psalmen kunnen alle volken van de wereld daarvan gaan leven.

Vandaag gaat het ook over het feest van Palmpasen. In dat verhaal bereid men zich kennelijk voor op de komst van dat nieuwe koninkrijk dat al heel lang beloofd was. Ooit, in de woestijn, was er een richtlijn en een God die zeiden dat je moest delen wat je had met elkaar. Later in de loop van de geschiedenis was er een koning David die vanuit die instelling de vijanden versloeg en vrede in het land bracht en waren er profeten geweest die steeds weer riepen dat het volk van die weg af dwaalde en dat als men op die weg terugkeerde het rijk van vrede en recht zou komen.

De profeet Zacharia had zelfs gezegd dat er een zachtmoedige koning van de vrede zou komen die niet hoog te paard omringt door soldaten zijn intocht zou doen maar op een ezelsveulen. Nu was daar die Jezus van Nazareth. Die had het ook steeds over dat Koninkrijk, dat niet een Koninkrijk zou zijn zoals we dat overal in de wereld tegenkomen.

De wereld kent een koninkrijk van macht en aanzien, van economische groei ten koste van de armen in de wereld, maar niet een koninkrijk van dienen, van zorg voor de armen, van samen delen zoals Jesaja ons had voorgehouden. Marcus vertelt het verhaal van de intocht op een geheel eigen manier. Het begint al in Jericho als Jezus gevolgd door een grote menigte optrekt naar Jeruzalem. Onderweg kwamen ze een blinde tegen die Jezus begroette als Zoon van David, de komende koning dus. Dat had hij goed gezien en hij kon als ziende mee met de stoet.

Toen ze nog maar een paar kilometer van Jeruzalem waren begon Jezus van Nazareth zijn eigenlijke intocht. De ezel werd gehaald. Ze kregen de ezel mee omdat, zoals uit de Griekse tekst de lezen is, de leerlingen in het midden lieten of de eigenaar, de Keizer of Jezus van Nazareth de ezel nodig hadden, het woord Heer dat ze hier gebruikten zou alle drie hebben kunnen betekenen.

Onder het zingen van Psalm 118 begon de tocht. Jezus van Nazareth gaat naar de plaats waar de richtlijnen voor een menselijke samenleving een centrale plek hadden gekregen, Jeruzalem. De reis naar Jeruzalem werd een soort demonstratie, een met mantels versierde ezel, takken van de bomen, mantels op de grond en juichen voor het nieuwe Koninkrijk. Als je van die takken hoort denk je onwillekeurig aan het Loofhuttenfeest als er hutten van takken gebouwd worden als herinnering aan de reis door de woestijn. Dwars tegen de Romeinse bezetter wordt dat nieuwe rijk van David, het koninkrijk van vrede en recht alvast door de mensen uitgeroepen.

Maar zo eenvoudig is het niet, er zal gewerkt moeten worden. Als het dus laat in de avond is geworden, en Jezus van Nazareth gezien heeft wat er van de Tempel echt is geworden, gaan ze weer terug. Vrede en recht vestigen zich niet op aarde als we er allemaal om juichen. Daarvoor is het werk van Jezus van Nazareth nodig geweest en onze navolging, ons werk voor de minsten van de aarde, elke dag opnieuw.

Want dat visioen van Jesaja houd niet op met de lijdende knecht des Heren. Zijn visioen loopt uit op een land voor de terugkerende ballingen waar de lam en het leeuw samen zullen weiden en het kind zal spelen in het hol van de slang. Dat verhaal van Jezus van Nazareth loopt uit op een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar de zee, ook de Middellandse Zee, haar doden teruggeeft waar de aarde zo mooi is dat God er zelf zal willen wonen. Daarvoor moet nog veel gebeuren, aarzel dus niet, aan het werk.

Amen.

Lezen: Jeremia 31: 31-34

Johannes 12: 20-33

Gemeente,

We gaan in deze dagen van donker naar licht. Maar dat gaat niet vanzelf, daarvoor moet er iets in onszelf veranderen en vandaag gaan daar de lezingen over. De eerste lezing, uit het boek Jeremia, spreekt van een nieuw verbond dat er moet komen.

Die uitspraak, het is de enige keer dat er in de eerste bijbel over wordt gesproken, heeft tot een heleboel misverstanden geleid. Die oude Hebreeuwse Bijbel, die Jeremia als profeet heeft te verkondigen, had kennelijk afgedaan, die mocht je weggooien, er komt iets nieuws. En toen het verhaal van Jezus van Nazareth zich over het Romeinse Rijk had verspreid en was opgeschreven zeiden een heleboel mensen dat ze dat nieuwe verbond van Jeremia in hun handen hadden, dat was het nieuw testament en het oude hadden ze niet meer nodig.

De oude kerkvaders, die waren blijven studeren in wat er nu eigenlijk in de Hebreeuwse Bijbel stond en wat daarover in de boeken van de Christenen was geschreven hebben zich hevig verzet tegen de gemakzuchtige opvatting dat we de Bijbel van Jeremia niet meer nodig zouden hebben. Integendeel riepen kerkvaders als Origenes, Tertulianus en Augustinus.

Als we wat willen begrijpen van de woorden van Jeremia over dat nieuwe verbond dan moeten we het eerste verbond goed leren begrijpen.

Jeremia vertelt ons hoe de God van Israël een verbond had gesloten met zijn volk. Het was een verbond geweest zoals Koningen met hun onderdanen sloten in die dagen. De God van Israël zou de God zijn van dat volk en het volk Israël zou die God tot een enig God hebben. De bepalingen van dat verbond, de grenzen en de organisatie, de bedoeling en de uitwerking vinden we in de Tora. Samengevat komt dat verbond er op neer dat men God moest liefhebben boven alles en de naaste als zichzelf. Dat verbond was opgeschreven, De Tora besloot met de opdracht dat Israël alle ongerechtigheid uit haar midden moest verwijderen.

Die boodschap werd vanaf Jozua door profeten vertelt. Telkens weer moesten profeten het Woord van God aan het volk voorhouden. Telkens weer klonk de oproep de weg te gaan van de Tora. Maar het volk bleef hardnekkig, steeds weer na een periode van gehoorzaamheid ging het volk Israël doen wat de andere volken ook deden, ze liepen andere goden na en maakten van hun eigen godsdienst een dienst van uiterlijk vertoon, als zij hun God maar genoeg offerden dan kregen ze voldoende terug.

Die houding werd uiteindelijk hun ondergang, die houding bracht hen in ballingschap en Jeremia beschrijft de ellende van de ondergang van Israël en het wegvoeren van de ballingen naar een vreemd land waar ze als vreemdelingen zouden moeten leven. Duistere tijden waren aangebroken, ze hadden de weg van de God van Israël verlaten en dus had de God van Israël zijn handen schijnbaar van dat volk afgetrokken.

Toch zag Jeremia een uitweg uit de duisternis, Jeremia voorspelde dat uiteindelijk het recht, de leer van Mozes, de Tora, niet geschreven moet blijven in wetboeken en verdragen zoals in het volk Israel het geval was, maar dat het recht moet wonen in de harten van de mensen. Onrecht moet voor ons onverdraaglijk worden. Lag de nadruk eerst op het bestuderen van de Tora, het uit het hoofd leren van al die regels en gebruiken, de nadruk zou moeten komen te liggen op het spreken van het hart, de nadruk zou moeten komen te liggen op de liefde die in de Tora is terug te vinden.

Jezus van Nazareth pakte de gedachte van Jeremia weer op. In onze dagen wordt vaak gewezen op Jesaja als verklaring voor het optreden van Jezus van Nazareth, vooral wat Jesaja gezegd heeft over de lijdende knecht des Heren spreekt zeer aan in deze tijd voor Goede Vrijdag, maar Jezus zelf herhaalt vaak de woorden van Jeremia.

Gemeenschappen moeten er gevormd worden, een koninkrijk van God, waar de bewoners recht wordt gedaan, vooral de armen, de weduwen en de wezen, de zieken en gehandicapten. Niet omdat dat recht staat opgeschreven maar omdat je als onderdaan van het Koninkrijk van God niet anders kan. Dat maakte diepe indruk op het volk, zeker omdat Jezus dat in de praktijk bracht, zelfs zijn vriend Lazarus was uit het graf geroepen.

Het hele volk liep achter hem aan. Zelfs Grieken komen Jezus van Nazareth aanbidden. Dat is minder vreemd dan dat het voor ons lijkt. Overal rond de Middellandse Zee was de godsdienst in beweging. Het oude Heidense geloof met de vele goden op de Olympus voldeed niet meer. De Romeinen hadden hun goden gelijk gesteld met die van de Grieken en in de veroverde gebieden bleven de plaatselijke goden gewoon aanbeden worden. Griekse filosofen hadden de gedachte gelanceerd dat al die goden eigenlijk verschijningsvormen of uitingen waren van één goddelijk verschijnsel. En één God in plaats van al die verschillende leek eigenlijk wel zo aantrekkelijk om in te gaan geloven.

De Joden hadden natuurlijk al één God en weigerden elke andere God daarnaast te erkennen. Ze hadden zelfs geen beelden en tempels om die God te aanbidden. Alleen in Jeruzalem was een Tempel waar je heen kon reizen. In alle andere steden waren er synagogen waar leermeesters, de rabbijnen, voorlezingen hielden over de juiste manier om die ene God te eren. Dat leek veel op de Griekse filosofenscholen en zo kwam het dat veel Grieken het Jodendom als geloof omhelsden en zelfs naar Jeruzalem reisden voor de hoge feesten zoals Pesach. Een leraar die je leert dat je je naaste lief moet hebben als jezelf is dan extra aantrekkelijk. Als er dan ook nog verteld wordt dat hij een vriend die dood was uit een grafspelonk wist te roepen en er later maaltijd mee hield dan moet je die leraar wel gaan aanbidden.

We weten overigens niet of deze Grieken ook uit Griekenland kwamen. Grieks was in de dagen van Jezus van Nazareth de algemene spreektaal in het Romeinse Rijk. Het Nieuwe Testament is dan ook in het Grieks geschreven en de schrijvers gebruiken voor het citeren uit de Hebreeuwse Bijbel een Griekse vertaling. In Palestina werd Aramees gesproken, de algemene taal uit het Perzische Rijk waar het volk in Ballingschap was geweest. Mensen die Grieks spraken werden aangeduid als Grieken.

In het Heidense Griekse geloof liepen goden regelmatig over de aarde om zich daar met de mensen te vermaken. Zou die Jezus ook niet zo’n God zijn? Jezus wijst dat af. Hij wil onder geen beding geëerd of vereerd worden. Hij vergelijkt zich liever met een graankorrel. Als straks het graan weer geoogst wordt dan bewonderen we elke aar voor haar rijkdom aan korrels en de voedingskracht waar we brood van mogen bakken.

Maar die ene korrel die dat voortbracht ligt leeg in de aarde en is vergaan. Die graankorrel sterft zodat er honderdvoudig van geleefd kan worden. Dat zal de weg van Jezus van Nazareth zijn en achter hem aan zullen we het kruis moeten opnemen, Zoals die graankorrel moeten we leven. Onze liefde voor de naaste moet volgens Jezus van Nazareth onbaatzuchtig zijn. Niet omdat we zo goed willen zijn moeten we onze naaste liefhebben maar omdat we onszelf liefhebben kunnen we niet anders dan zorgen voor de naaste die het minder heeft. De arme, de weduwe en de wees, de hongerige, de gevangene, de naakte, de verdrukte.

Als die liefde voor de naaste echt in je hart is geschreven dan kun je niet anders dan je helemaal geven. Dan verdwijn je als het ware in het licht dat je op de ander laat schijnen. Dan gaan blinden zien en doven horen staat er dan geschreven. In die beweging zouden we allemaal mee moeten gaan doen. Ergens vertelt Jezus een gelijkenis waarin hij vertelt dat zulk zaad, het zaad van het Koninkrijk wel honderdvoudig zou kunnen opleveren.

Het zou het wonder van Medemblik met al haar dorpen kunnen worden, liefde die zich als een vuur verbreid over land en stad en elkeen die mee gaat doen met die beweging levert weer honderdvoudig op.

De Bijbel vertelt ons dat dat licht zal opgaan, dat het vast en zeker zal gaan gebeuren. Uiteindelijk zal onze wereld zo mooi worden dat God er zelf zal willen wonen. Alle tranen zullen zijn gedroogd, de dood zal niet meer heersen, zelfs de zee zal haar doden terug geven. We rennen niet meer achter goud en zilver aan, van goud kunnen we dan straatstenen maken.

We hoeven dus ook nooit bang te zijn voor een ons onbekende godsdienst. De Islam aanbidt de zelfde God als wij, ook daar is Jezus van Nazareth belangrijk. Maar mischien nog belangrijker is dat als de liefde van God ons in het hart gebeiteld staat niets en niemand ons van de liefde van onze God kan scheiden. Laat u dus niet bangmaken maar verzet u tegen onrecht en tegen wat mensen dreigt te scheiden.

Als we naar onze wereld kijken, een wereld vol oorlog, onderdrukking en onrecht dan zal er nog veel moeten gebeuren voor het zover is dat God hier zal willen wonen. Maar het is God zelf die deze schepping zal voltooien, wij mogen er aan meewerken uit dankbaarheid voor het goede dat we nu al kunnen zien. Daarom aan het werk, de oogst moet binnengehaald worden en wij mogen de handen uit de mouwen steken, elke morgen weer opnieuw.

Amen

Lezen: Jozua 4:19-5:1

Gemeente,

Dat kan helemaal niet, dat is luchtfietserij. Hoe vaak horen we dat niet als we zeggen dat er een tijd komt dat iedereen de naaste liefheeft als zichzelf. Dat er een toekomst is waarin vrede en gerechtigheid de hele aarde beheersen. Dat er een tijd zal zijn waarin er geen armen meer zijn, dat kinderen niet voor hun tijd dood gaan, dat iedereen minsten 120 jaar oud wordt. En nog erger dat de tijd die zal komen nu al begint, hier en nu met ons als kleine kudde in Akersloot Uitgeest. Vandaag horen we verhalen over wat niet kon en toch gebeurde. Over 5 Koningen van Kanaän die verslagen gaan worden, over vijfduizend mannen die samen met de vrouwen en kinderen brood en vis te over krijgen.

Eerst de intocht in het beloofde land. Het volk was de Jordaan overgestoken, de stammen die zouden gaan wonen in de woestijnkant van de Jordaan waren alvast doorgegaan naar de vlakte van Jericho en nu was het hele volk in het beloofde land aangekomen. Een moment om voor altijd te markeren. De stenen waarlangs het volk was getrokken, waar de Ark van het Verbond had gerust, waar de God van Israël het water had gespleten om een droge doortocht mogelijk te maken, werden nu in het eerste kamp in het beloofde land opgericht om die doortocht te markeren. Twaalf stenen, twaalf stammen waren doorgetrokken. Uit de vier windstreken waren ze gekomen, en de volheid van God, het getal drie, had hen tot een heilig, dus volmaakt volk gemaakt. En vier maal drie is twaalf, een Goddelijk volk waren ze.

Dat volk Israël op zich is niet beter of slechter dan welk ander volk op aarde dan ook. Meestal gedraagt dat volk zich alsof het een willekeurig volk op aarde is. Het voert oorlog, het sluit bondgenootschappen, het kent een democratie en partijen die onderling verdeeld zijn, er is meer of minder onafhankelijke rechtspraak, het kent oordelen en vooroordelen. De goede kanten van dit volk en de slechte kanten van dit volk vind je breed uitgemeten in het hele verhaal dat in de boeken van de Bijbel staat opgetekend.

Het bijzondere van dit volk is dat het uitgekozen is door de God van Israël. In die uitverkiezing heeft die God van Israël zich geopenbaard, hebben we die God van Israël leren kennen zoals hij zich wil laten kennen. Die God was nooit opgehouden met het werk dat die God ooit was begonnen. Hij had een hemel en aarde geschapen waarop mensen in vrede konden wonen. De mensen wilden echter net als God zijn.

Toen had die God Abraham geroepen. Ga weg uit je gewone doen, laat je familie en je land in de steek en ik zal je een groot volk maken zo klonk het. Een belofte aan Abraham die al in het leven van Abraham zichtbaar werd. De familie van Abraham zijn zonen, zijn kleinzonen en zijn nageslacht groeide. Uiteindelijk waren ze in Egypte terecht gekomen. Daar had die God Mozes geroepen om het volk van Abraham, Izaak en Jacob te bevrijden van de slavernij en uit te leiden uit Egypte naar het land dat aan Abraham was beloofd.

Ondanks alle onvrede die het volk had getoond, ondanks de neiging om eigen goden te maken, waren ze nu in dat aan Abraham beloofde land. De mensen die het veel en veel later opschreven waren zelf naar een vreemd land gevoerd en daar in ballingschap. Zij beleefden dit verhaal van Jozua als een belofte dat ook zij eens weer in dat beloofde land zouden mogen, terug uit de ballingschap. Ook dat gebeurde.

Zo mogen ook wij het verhaal lezen als een verhaal van hoop op vrede, op een eind aan geweld en onderdrukking, op een eind aan honger en uitbuiting. Dat land van vrede en gerechtigheid hoeven we dus niet zelf te maken. Dat doet God voor ons. Maar we zijn geroepen om er aan mee te werken. Dat zal ons de vreugde geven om het ondanks alles toch mogelijk te maken,

Wordt alles ons mogelijk gemaakt? Kunnen we ooit de honger de wereld uit helpen? Je kunt zomaar vijfduizend mannen te eten geven en dan hebben de vrouwen en kinderen ook nog genoeg vertelt Johannes ons. Ja, je houdt zelfs genoeg over om het hele volk Israel, met twaalf stammen, te eten te geven.

Iemand die dat kan zou je ook vandaag direct wel tot koning van de wereld willen uitroepen. Maar Jezus van Nazareth wilde nergens en nooit eer van zijn werk, de eer komt alleen aan God toe. Maar snappen doet hij het wel en daarom trekt hij zich alleen terug op de berg.

Als er honger is en iemand geeft je te eten dan kan dat diepe indruk maken. Oudere inwoners van West Nederland weten nog heel goed hoe na de hongerwinter van 1944 en 1945 de bevrijders uit Canada, Engeland en Amerika kwamen met wittebrood en chocolade. Lang zou nog alle kritiek op de politiek van Amerika tot zwijgen worden gebracht met het argument dat ze toch ook maar onze bevrijders waren geweest.

Maar waar zit het wonder van Jezus van Nazareth nu echt in? Neemt hij echt vijf broden en twee vissen om oneindig door te blijven breken? Dat staat er niet. De leerlingen denken dat het alles is wat er te eten is voor de grote menigte die hen is gevolgd. Maar als iedereen gaat zitten en deelt wat men bij zich heeft blijkt dit veel meer te zijn dan men had gedacht. Je moet dus alleen samen willen delen. Als je de baas wilt blijven dan lukt dat niet. Je opstellen als dienaar, jezelf uitschakelen en de ander voorop stellen, dat is de weg van Jezus van Nazareth en dat is ook de weg die je zult moeten willen gaan.

Als we dat niet doen dan zien we tot wanhoop gedreven hulpverleners stiekem langs de kant van de weg stoppen om hun hulpgoederen uit te delen. Dan breken er ziekten uit en sterven velen zonder dat dat nodig was. Als er organisaties zijn die hun medewerkers opdragen de baas over de hulp te blijven dan kan er misbruik ontstaan, dan kan het voor wat hoort wat de overhand krijgen. Dan is er sprake van misbruik van de zwakken.

Op dit moment wordt op ons een beroep gedaan de honger in Afrika te bestrijden. Wij zijn rijk en zij zijn door misoogsten en klimaatverandering in de problemen gekomen. Volgen wij Jezus in het delen van het brood, ook als we er niet zeker van zijn dat soms ons graan op onvruchtbare grond wordt uitgezaaid?

Het verhaal over deze zogenaamde spijziging heeft overigens ook nog een paar verrassingen. Want waarom staat er eigenlijk dat het vlak voor Pasen is? Vlak voor Pasen heeft het volk Israël inderdaad een maaltijd. De Pesach maaltijd. Ze herdenken dan de bevrijding van de slavernij in Egypte. Dat feest valt samen met het begin van de gerstoogst. Gerst is de grondstof voor het brood van de armen. Van de gerst wordt het ongezuurde brood gebakken. Jezus van Nazareth zal die maaltijd vieren met zijn volgelingen. Als hij dat brood uitdeelt dan vraagt hij hen dat te blijven doen tot zijn gedachtenis. Het is het brood dat zoals hij gebroken wordt. Daarmee maakt Jezus de maaltijd tot een maaltijd die herinnert aan de bevrijding van de dood. Die bevrijding krijgt gestalte in de opstanding.

Het verhaal dat we vandaag lezen betekent dat we allemaal mee mogen doen. En mee mogen doen met wat we hebben, vis was er genoeg, de leerlingen van Jezus waren voor een groot deel vissers. Dat mochten zij uitdelen, wat delen wij uit? Dat jongetje met zijn vijf gerstebroden en twee vissen hoorde bij de armen. Maar ook als de armen delen blijkt iedereen gevoed te kunnen worden.

Zo klein en onbeduidend is onze gemeenschap dus niet. We kunnen ons wel net zo klein voelen als dat jongetje aan de oever van de zee, als we hier en nu beginnen met het Koninkrijk van Jezus van Nazareth dan weten we, dan geloven we dan het het kan, dat het moet. We noemen dat Kerk in actie. Vandaag schijnt het licht door het paars van de inkeer heen, daarom is roze de kleur van vandaag. We moeten opstaan en het licht van het Evangelie laten schijnen tot aan de einden der aarde. Aarzel niet, aan het werk dus, de velden staan wit van de oogst maar durven wij de arbeiders te zijn?

Amen.

             Johannes 6: 4-15

 

Lezen: 1 Koningen 19:9-18

              Marcus 9:2-10

 

Gemeente

Waar is God? Wanneer ontmoet je God? Is God in het lawaai van de massa, of in het vuur van een machtige toespraak of een intense praise song? Als je dit verhaal van Elia op je laat inwerken dan kom je tot de ontdekking dat God alleen in de zorg voor een goede samenleving te vinden is. Want pas in een zachte bries hoort Elia in het gefluister dat wat goed is voor Israël. Er moeten nieuwe koningen worden gezalfd, een voor de noordelijke buur en een voor de zuidelijke buur. Dat die noordelijke buur niet bij Israël hoort, dus geen aanbidder van de God van Israëll is, doet niet ter zake. Ook door de politiek van vreemde heersers kan het plan van God met de wereld tot stand komen. De aanbidders van die vruchtbaarheidsgoden moeten de wereld uit. Al dat succesgedoe, al dat roepen om meer, om beter en om mooier moet tot zwijgen worden gebracht. Het gaat er om te delen van wat je hebt met de anderen.

En het lijkt er op dat ook Marcus ons dat wil vertellen. Bij Marcus geen Bergrede of zaligsprekingen, maar een visioen op een berg. In dit verhaal van Marcus is Jezus van Nazareth onderweg naar Jeruzalem. Wij weten al wat hem daar te wachten staat, kruis en opstanding. Maar daar gaat een verhaal aan vooraf. Dat kruis en die opstanding staan niet op zichzelf. Daar is een weg heen en een weg die door zal gaan, door zal gaan door de eeuwen heen tot op vandaag hier vanmorgen in de Purmer. En op die weg er heen gaat Jezus van Nazareth met Petrus, Jacobus en Johannes de berg op. Na zes dagen staat er. En zulke vermeldingen staan er niet voor niks. Wij denken dan dat hij er op de Sabbat heen gaat, dat is immers de zevende dag.

Maar het Nieuwe Testament is te verklaren uit het Oude Testament krijgen de wandelaars naar Emmaüs na Pasen te horen en ook wij moeten dat serieus nemen. Marcus wijst hier op een verhaal uit het boek Exodus. Daar is het volk klaar gemaakt om de richtlijnen voor de bevrijding te ontvangen, samengevat in Heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf. Zes dagen woonde de heerlijkheid van de Heer op de Berg en een wolk bedekte de berg staat er dan en op de zevende dag wordt Mozes geroepen uit het midden van de wolk en gaat hij de berg op met Aäron, Nadab en Abihu.

Voor Marcus had het visioen op de berg direct te maken met het verbond van de bevrijding dat met Israël was gesloten. Daar openbaarde de God van Israël zich als de bevrijder, een God die het volk uit het diensthuis van Egypte had geleid, zo’n God. Van die bevrijding had ook Daniël gedroomd toen hij beschreef hoe God zelf als een oude van dagen op de troon gezeten in een kleed wit als van sneeuw aan de Mensenzoon die tot hem nadert de heerschappij en de eer en het koningschap gaf opdat alle volken hem eren zouden. Zo werden nu ook de kleren van Jezus van Nazareth witter als van sneeuw, hier ging iets nieuws beginnen dat door geen aards vuil bezoedeld kon worden, hemels als het van oorsprong was.

En daar staan Mozes en Elia. De wet en de profeten wordt dan vaak gezegd. Maar beiden zijn ook bevrijders van Israël. Mozes die naar de Farao ging met de bede zijn volk te laten gaan en Elia die Achab aansprak op het onrecht aan Nabod aangedaan en het opnam tegen de priesters van Baäl op de berg Karmel. In de dagen van Jezus werd Elia verwacht als de wegbereider voor de Messias die het volk zou bevrijden van de onderdrukking door de Romeinen. Geen wonder dat Petrus opnieuw tenten wil bouwen, zoals in de woestijn een Tent der Ontmoeting werd gebouwd om het verbond te bewaren en de toepassing van het verbond gestalte te geven. Maar het gaat niet om de mooiste, de meest glanzende de uitmuntende, het gaat om het delen, daar ging het om bij Mozes, daar ging het om bij Elia, daar gaat het dus om bij Jezus.

We willen ook in onze dagen graag alles begrijpen, alles vasthouden en alles voorzien. Dat zit nu eenmaal in onze aard. Zo houden velen vast aan het geloof zoals dat was in de Middeleeuwen, toen de moderne wetenschap nog moest beginnen, anderen houden vast aan de taal van de negentiende eeuw, toen het menselijk leven als een roman werd gevoeld. Weer anderen willen de Bijbel na kunnen meten, als historie, als wetenschap. Maar als het gaat om de Bijbel is dat willen weten, meten, verklaren en voorzien wat minder vruchtbaar. We weten dat aan alles een eind komt. Sterren storten in tot zwarte gaten, ooit was er een grote knal waarmee alles begon en ooit zal alles ineenstorten tot een groot zwart gat.

Wij geloven dat God er dan iets mee te maken heeft, dat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal komen waar geen pijn en geen verdriet meer is. Dat geloof zet ons in beweging om pijn en lijden te bestrijden. Zoals Mozes niet ging wachten op de nieuwe aarde maar zijn volk uit Egypte leidde en Elia zijn mond niet hield maar de misstanden in de samenleving luidkeels aan de kaak stelde wachtte ook Jezus niet tot God ingreep maar begon hij brood te breken en mensen weer bij de samenleving te betrekken. Dat is mooi en dat willen we vastleggen.

Zo zijn er veel zogenaamde Christenen die zich voortdurend bezig houden met de eindtijd en de tekenen die daar op zouden kunnen wijzen, het lijkt alsof ze er zelf greep op willen krijgen. Maar juist dat vastleggen en nameten is niet aan de orde. Petrus vergeet dat de Tent der Ontmoeting niet direct gebouwd werd, dat duurde nog een tijd. Mozes ging die wolk binnen op de zevende dag maar bleef daar ook 40 dagen en 40 nachten. In die tijd bouwde het volk een gouden kalf en ging dat aanbidden. Het verhaal van Jezus van Nazareth is daarom een verhaal van beginnen en opnieuw beginnen, telkens weer. Het is een verhaal van op Weg gaan, met de richtingwijzers die God aan Mozes heeft gegeven toen die op de berg God ontmoette.

Wie er in mee wil gaan op die Weg wacht een glanzende werkelijkheid van bevrijding uit de slavernij van alle dag en het aan de kaak stellen van het kwade in de wereld. Die glans kunnen we vandaag ook weerspiegelen daar kun je mee rekenen. Zelfs als het lijkt of het nergens op uit loopt, zoals in de Tweede Wereldoorlog met de Februaristaking. Veel mensen geloofden er niet in maar de jaarlijkse herdenking herinnert ons er aan dat alleen het opstaan al een teken is dat in de geschiedenis blijft, tot op de dag van vandaag. In het verhaal van Marcus komt de wolk nog eenmaal terug. Dan klinkt de stem opnieuw zoals die bij de doop in Jordaan had geklonken: deze is mijn geliefde zoon hoort naar hem. Marcus weet dat die wolk nog eens zal moeten komen.

Over die wolk wordt ook verteld in het slot van het boek Exodus, als de wolk de Tent der Ontmoeting overschaduwt omdat de Heer zelf daar zijn intrek neemt. Het volk kan alleen verder als die wolk zich heeft teruggetrokken. En Daniël schrijft dat op het einde der tijden de Mensenzoon zal komen op een wolk Maar nu nog moet Jezus van Nazareth met zijn leerlingen verder, de Weg eindigt niet op de Berg met de verheerlijking.

Die weg eindigt met de komst van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Een aarde die zo mooi zal zijn dat God er zelf zal willen wonen. Wij mogen daar alvast mee beginnen, zoals Jezus de berg af ging en een jonge jongen genas van de gekkigheden die zijn vader een toenemende bezorgdheid hadden gegeven. Zorg, jeugdzorg, bejaardenzorg, zorg voor zieken, gehandicapten, gevangenen en rouwenden ligt ook op onze weg. Er valt dus nog veel te doen. Aarzel dus niet maar sta op en aan de slag.

Amen

 

Lezen: Deuteronomium 18:15-20

              Marcus 1: 21-28

Gemeente,

Denk nu niet dat ik mij ga uitroepen tot profeet. Want over profeten gaat het vanmorgen. En profeten zijn geen waarzeggers maar laten het licht van het Woord van God schijnen over hun samenleving en vertellen dan waar het op uit zal lopen als men doorgaat met het kwaad dat wordt bedreven. Mijn taak is om de boodschap van de Bijbel te verkondigen dat we bevrijd kunnen zijn van het kwaad in onze wereld, bevrijd door het goede te doen in navolging van Jezus van Nazareth.

Maar ze zijn er nog steeds, waarzeggers, wolkenschouwers, wichelaars, tovenaars, bezweerders, en hen die geesten raadplegen of doden oproepen. Met digitale camera’s en TV opnamen zonder trucs en al wat je kunt verzinnen om mensen te overtuigen van iets dat niet bestaat.. Dat er meer zou zijn tussen hemel en aarde wordt door de Bijbel niet zozeer ontkend maar het is in de wetten van Mozes verboden je er ook maar iets van aan te trekken of zelfs mee in te laten.

In gedeelte dat we vandaag hebben gelezen komt Mozes zelf weer aan het woord. Hij wijst er op dat er door de geschiedenis heen altijd mensen zullen zijn die op grond van de richtlijnen die het volk in de woestijn kreeg zullen waarschuwen waar het heengaat als je je er niet aan houdt. Dat moet voldoende zijn.

Dat door al die eeuwen heen er steeds weer mensen zijn die achter die bedriegers aanlopen is eigenlijk onvoorstelbaar. Of het nu een voormalige danseres in een blauwe jurk is die water instraalt via de radio, of een jongen die op internet naar gegevens zoekt over zogenaamde vroegere levens en als een volleerd goochelaar zijn digitale camera weet te bedienen, steeds zijn er mensen die dit soort bedriegers een ruim inkomen weten te verschaffen. Natuurlijk blijf je graag in contact met geliefden die je zijn ontvallen. Je had die geliefden al helemaal niet kwijt willen raken en als er nu schijnbaar mogelijkheden zijn om er een vorm van contact mee te houden dan doe je dat toch.

Je wordt echter bedrogen. Contact met overledenen is niet mogelijk. Er is geen tussenwereld tussen hemel en aarde. Op de vraag wat er na de dood gebeurt geeft de Bijbel geen antwoord. Er staan verhalen in de Bijbel over hoe het afloopt met de wereld en de mensen die er op wonen, maar die gaan over het eind van de tijd en ook als je dood bent ben je nog niet aan het eind van alle tijd. De Bijbel gaat over wat we hier en nu op aarde te doen hebben. Dat levert niet altijd een onbezorgd leven op, denk maar eens terug aan het verhaal van Job. Dat brengt ook verlies van geliefden met zich mee.

Ook Jezus van Nazareth is ons ontvallen, door de kruisdood was hij verloren voor ons, maar door de opstanding kunnen we op een andere manier met hem verder leven. Hij zend ons een trooster, zijn Geest, Gods geest. Daarom blijven we de verhalen over Jezus van Nazareth herhalen. Ook hij liet het Woord van God schijnen over zijn samenleving. Hij wordt daarom ook als profeet beschreven.

De evangelist Marcus onderstreept echter graag dat Jezus van Nazareth niet op aarde rondliep om zichzelf groot te maken of zichzelf groot te laten maken. Hij liep gewoon langs het meer en ging gewoon naar de synagoge net als alle andere inwoners van Galilea deden. Hij had alleen wel een bijzondere boodschap die vlak voor het gedeelte staat dat we vandaag hebben gelezen. Zijn boodschap was dat het Koninkrijk van God nabij was, de tijd was aangebroken en dat was voor de mensen goed nieuws.

Dat Koninkrijk van God kenden ze. Johannes de Doper had het al aangekondigd, dat rijk waarvan de profeten hadden gesproken zou in hun dagen komen. De leeuw zou met het lam slapen en een baby in het hol van de slang. De tranen zouden gewist worden en God zelf zou op aarde komen wonen. De bezetting door de Romeinen zou voorgoed voorbij zijn. Vrede zou het zijn op de hele aarde en armoede en onderdrukking zouden eindelijk voorbij zijn. Dat was wat er vanouds was beloofd en nu was er iemand die kwam vertellen dat het ook werkelijk zou gebeuren.

Geen wonder dat mensen hem wilden volgen. Het hele volk had zich immers al laten dopen door Johannes zo vertelt Marcus maar nu Johannes gevangen is genomen begint het optreden van Jezus van Nazareth. Met de eerste leerlingen gaat hij naar de Synagoge. Maar in plaats van ontzag te betonen begint iemand luid te roepen dat daar de Heilige van God is. Dat is niet zomaar een titel, het is een titel die werd gegeven aan de priester Aäron, de broer van Mozes, de eerste priester in de Heilige Tent waar de Goddelijke richtlijn van heb je naaste lief als jezelf werd bewaard.

Jezus van Nazareth snoert de schreeuwer de mond, als het die kant uitgaat dan komt er van bekering van mensen niks terecht. Dan hangt alles weer af van de man waar iedereen achteraan loopt en als die man teleurstelt gaan ze weer achter een ander aan. Het uitdelen van dat soort grote titels hoort dus bij het kwade en Jezus van Nazareth drijft die kwade geest uit. Maar volgelingen krijgen en een boodschap brengen waar iedereen op zit te wachten wekt zonder meer bewondering.

Als iemand zegt waarop het staat, iedereen de ogen opent voor de werkelijkheid, dan heeft zo iemand gezag. Dan gaat het nieuws rond als een lopend vuurtje. Of de mensen het echt hebben begrepen is maar de vraag. Ze spraken over een nieuwe leer. De Goddelijke richtlijn van heb Uw naaste lief als uzelf was bijna vergeten en vervangen door het gehoorzaam Uw priesters en breng tijdig grote offers om de priesters te onderhouden.

Ook in onze dagen lijken soms kerken en hun voorgangers belangrijker dan de armen en de onderdrukten in de wereld. Van Marcus mogen we leren dat opkijken tegen zulke voorgangers behoort tot de kwade geesten die we ook bij onszelf mogen uitdrijven. Waar het om gaat is bouwen aan dat Koninkrijk, vissers van mensen die dreigen te verdrinken worden, die uitnodiging geldt ook voor ons. Voorgangers vertellen ons de verhalen die we nodig hebben om zelf ook het Goddelijke licht op onze weg te laten schijnen. Voorgangers laten ons ook ervaren dat we het samen moeten zien te doen. Dat onze gemeenschap een licht mag zijn dat je niet direct onder een korenmaat kunt zetten, dat onze gemeenschap hier schijnt als een stad op een berg.

Profeten laten ons zien waar het op uitloopt en in het boek Openbaring staat waarop het volgen van Jezus van Nazareth uitloopt. Onze aarde zal zo mooi worden dat God zelf op aarde zal willen wonen, de zee zal haar doden teruggeven, ook de doden uit de middellandse zee. Voor die nieuwe aarde en nieuwe hemel mogen we aan de slag, in en met de Geest van Jezus. Wacht daarom niet, aan de slag, totdat hij komt.

Amen