Feeds:
Berichten
Reacties

Lezen: Exodus 32: 7-14

Matteüs 18: 21-35

Gemeente,

Het is zo verleidelijk. Een beeld maken van God. Mensen hebben houvast nodig. En alleen die regel dat je je naaste moet liefhebben als jezelf is toch een beetje vaag. Ook al worden de voornaamste regels in stenen platen gegraveerd je blijft je toch afvragen waar het vandaan komt. En dus staat de wereld vol beelden die aanbeden worden. Midden in de woestijn maakt ook het volk van Israel zo’n beeld. Een beeld dat volgens hen past bij de God die hen uit de slavernij heeft bevrijd, een beeld ook van een God die ze nodig zullen hebben. Het wordt een kalf, onschuldig en zwak aan de ene kant, maar met een belofte vol van leven en vruchtbaarheid. In het verhaal van Exodus staat vervolgens een dialoog van Mozes met God, een God die zich kwaad maakt en Mozes die God nog eens wijst waar het allemaal om te doen was, en God die dan berouw krijgt van de kwaadheid.

Zelfs Bijbelboekenschrijvers ontkomen er niet aan in woorden een beeld van God te scheppen. Ook bij de fundamentalistische ongelovigen kom je dat tegen. Het programma “God bestaat niet”, dat een tijd geleden op de tv was, zat vol met beelden van God. Het was dan ook opgenomen in een Rooms Katholieke kerk, waar vanouds tegemoet wordt gekomen aan de behoefte van een beeld van God door beelden van heiligen te plaatsen, die weliswaar niet God zijn maar toch aangeroepen kunnen worden. De makers van het programma hebben wel door hun aanpak het grootste gelijk van de wereld. De God waar dat programma het over heeft, of de goden, die bestaat of bestaan inderdaad niet. Zodra je een beeld van God maakt zit je fout. Hoe verleidelijk het ook is. Het enige houvast dat we hebben is de regel dat het om de zwakste mensen gaat.

Gelukkig mogen we soms God begrijpen aan zijn menselijke eigenschappen die hij ons laat zien in de verhalen uit de Bijbel. Dat het volk Israël een beeld van God wil maken zoals de Egyptenaren beelden maken van hun God maakt God kwaad. Hij had immers laten zien een andere God te zijn, een God die niet van ophouden weet, tien plagen had hij gezonden, tien keer leed voor Egyptenaren die de slavendienst handhaafden, die de strijd aangingen. God had het duidelijk gemaakt door zelf het hart van de Farao te verharden. Maar zijn volk had hij gered. Het bloed van het Lam aan de deurposten had hen behoed voor het leed de eerstgeborene te moeten verliezen, het gebraden vlees van het Lam had hen de energie gegeven de woestijnreis te beginnen. Daar kwamen geen beelden aan te pas. In de woestijn was God voor hen uitgegaan in een wolkkolom in de dag en een vuurkolom achter hen in de nacht. Geen beelden als in Egypte. In donder en bliksem was God aan het volk verschenen bij de Horeb. En dan toch een gouden kalf? God was er klaar mee. Vernietigen dit volk.

Maar God is te vermurwen. Mozes herinnert God aan het avontuur dat God met Israël is begonnen. Moet dat zo aflopen? Of mogen alle volken de hoop krijgen dat het tussen hen en de God van Israël ook goed kan komen. Dat als je het met die God waagt je niet zo snel in de steek wordt gelaten. God kreeg berouw van zijn besluit, staat er dan. Kan God berouw krijgen? Gelukkig wel, in het Oude Testament krijgen mensen vier keer berouw, God krijgt in het Oude Testament wel 99 keer berouw. We vragen er om. We mogen er dankbaar voor zijn.

God laat het overigens niet over zijn kant gaan, maar dat is een volgend verhaal over het gouden kalf en wat daarvan werd. Uiteindelijk heeft God het volk haar misstap vergeven en dus komt de vraag op wat is vergeven. Wij vragen immers aan God onze schulden te vergeven zoals wij onze schuldenaars vergeven. Dan zullen we toch moeten weten wat vergeven is. Meestal verstaan we er wat anders onder dan het sturen van de stam Levi onder de aanhangers van het gouden kalf om die uit te roeien. Maar wat is het. Petrus stelt de vraag die ons op het spoor van een antwoord op onze vragen moet zetten.

Zeven is het heilige getal in de Bijbel. Het is het getal van de volheid. Vader, zoon en heilige geest en de vier windstreken van de aarde. Dan heb je alles wel gehad. Het is ook het getal van de schepping, na zes dagen was alles af en op de zevende dag kon God er van genieten. Zeventig maal zeven is dus oneindig veel. Afgelopen donderdag werden de aanslagen van de elfde september in Amerika herdacht. Vier vliegtuigen vlogen zich daar te pletter. Niemand heeft ooit gezegd waarom of waarvoor. Geestverwanten van de daders spraken over een straf, een straf voor de pogingen van Amerika een wereldheerschappij te vestigen. Een heerschappij waar de Amerikaanse opvatting van Christendom zou heersen over de Islam.

Een heerschappij waar Israel onder toezicht van Amerika zou mogen bepalen wat er met de Palestijnen gebeurd. Een heerschappij waar Amerika bepaalt hoeveel armen er nog in de wereld mogen zijn. Waar Amerika bepaald wat we eten en drinken, welke films we kijken en welke muziek we beluisteren. Waar Amerika ook bepaalt welke regeringen we mogen kiezen.

Waren dan de aanslagen van de elfde september de manier om het Amerikaanse volk wakker te schudden en hen van hun verderfelijke weg af te brengen? Volgens de Bijbel niet. Vergeven van het kwade is volgens de Bijbel de weg. Vergeven dat is soms heel erg moeilijk. Hoe kun je de daders van de elfde september vergeven voor het onmetelijke leed dat ze hebben aangericht. Hoe kon Saddam Hoesein vergeven worden voor de gasmoord die hij liet plegen op onschuldige Koerden. Hoe kan Bush vergeven worden voor de weigering het verdrag van Kyoto te tekenen zodat de aarde zover kon opwarmen dat een orkaan van kracht 4, bijna 5, over New Orleans kon razen. Hoe kan Trump worden vergeven.

Hoe kunnen we de russen vergeven voor de vliegramp met de MH17, Hoe kunnen we de strijders van IS vergeven voor de wreedheden tegen de mensen die vanouds anders geloven als zij voor juist vonden.  

Het lijkt er op dat we oneindig moeten vergeven, zeventig maal zeven maal. Dit oneindig vergeven komt na de verhalen over het verloren schaap dat wordt gezocht en de afgedwaalde die aangesproken wordt, desnoods met een hele groep en gevraagd wordt zich te bekeren. Als dat allemaal nog niet lukt dan volgt vergeven. Vergeven is dus niet zand er over en alles blijft bij het oude alleen we hebben het er niet meer over. Als je een oneindig aantal malen moet vergeven dan moet je ook een oneindig aantal malen proberen de situatie te veranderen, het kwaad weg te nemen.

Vergeven zou dus kunnen zijn dat we er voor zorgen dat de verschillen tussen arm en rijk worden opgeheven, zodat niemand ooit meer een reden heeft zo kwaad, bang, of hebzuchtig te worden dat vele anderen er dood aan gaan of er jarenlang onder moeten lijden. Dat soort vergeven gaat niet van de ene op de andere dag. Het is het soort vergeven dat de wereld bijna niet kent. Zoveel liefde voor mensen dat ook de kwaadste mens aangesproken wordt en het gedrag vergeven kan worden als de verandering daar is. Dat soort vergeven kan vandaag beginnen, het begint bij ons die vragen of onze schulden kunnen worden vergeven zoals wij ook aan anderen hun schuld vergeven.

Je merkt dat ook aan het slot van de lezing uit Matteüs, de schuldenaar wil wel betalen maar vraagt tijd, juist de wurggreep en de gevangenis maken dat de Heer die vergeven heeft daarvan berouw krijgt. Willen we vergeven worden zoals wij vergeven dan moeten we dus aan het werk. Dan moeten we kansen scheppen om het kwade te voorkomen. Zorgen dat jongeren een toekomst krijgen. De werkloosheid onder allochtone jongeren is tien keer zo hoog dan onder autochtone jongeren. We kunnen de bedrijven in deze regio vragen daar wat aan te doen. Als jongeren bij elkaar op straat rondhangen dan voelen we ons snel bedreigd, we kunnen daar wat aan doen door met ze in gesprek te gaan. Niet elk van ons voor zich, maar misschien met grote groepen tegelijk. Niet demonstreren tegen, maar praten om te voorkomen en te helpen. Zo kunnen we het kwade bestrijden door het goede te doen. Daar was het God om te doen.

Op het eind van het Evangelie van Matteüs stuurt Jezus zijn volgelingen de wereld in tot aan de einden der aarde om iedereen mee te krijgen in het scheppen van een goede aarde. Tot de aarde voltooid is staat er dan. Die aarde kan zo mooi worden dat God zelf er zou willen wonen staat op het eind van de Bijbel. De dood zal dan niet meer heersen, de zee zal zelfs haar doden teruggeven. Het woord van God wil deze wereld maar dan omgekeerd, niet het geweld moet regeren, niet de dood moet ons in beweging brengen maar het leven. We kunnen er vandaag nog mee beginnen en elke dag opnieuw. God gaat dan met ons mee, aarzel dus niet maar vat het werk aan.

Amen

Ezechiël 33:7-11
Matteüs `18:15-20

Gemeente,
Er is deze zomer vaak geroepen dat die God van Israël niet bestaat want een goede God zou zo veel leed niet toelaten. Sinds de Tweede Wereldoorlog is de kerk op zoek naar een antwoord op de vraag naar de almacht van God. De Holocaust kon toch niet opgevat worden als een straf van God voor de Joden, zigeuners, Oost-Europeanen, communisten, homoseksuelen en al die anderen die door de Nazi’s als minderwaardig werden bestempeld
en daarom uitgeroeid moesten worden. Het waren de Nazi’s die bestraft moesten worden en niemand zou ooit meer op een dergelijke manier bekeken laat staan behandeld mogen worden.

Een echt antwoord is er misschien nog niet, maar in elk geval is het gevoel gegroeid dat we God niet alleen verantwoordelijk kunnen maken voor het leed in de wereld maar dat we zelf ook een zekere verantwoordelijkheid hebben. Ezechiël wijst ons vandaag op de verantwoordelijkheid om er wat van te zeggen als we kwaad zien. Niet te zwijgen om de lieve vrede te bewaren want als door het kwade dat we zien mensen sterven zijn we ook verantwoordelijk voor die dood. Wie een kind te hard hoort huilen, wie verwaarlozing ziet, of mishandeling van mensen in een huiselijke situatie, vrouwen, ouderen zijn dan de voorbeelden, die doet er goed aan het ter sprake te brengen bij meldpunten, de politie of op z’n minst bij de eigen pastor of huisarts.

Het is geen bemoeizucht of op te roepen tot een bemoeizuchtige klikmaatschappij die Ezechiël doet, maar het verbeteren van de samenleving, het uitroeien van het kwade en te zorgen dat er het goede wordt gedaan en niet dan het goede, dat vraagt verantwoordelijkheid
van iedereen voor die samenleving.

We kunnen met onze meldingen en vragen zelfs een beetje van dat Koninkrijk zichtbaar maken zodat iedereen het kan zien. Uit liefde voor anderen onrecht aan het licht brengen, geweld zichtbaar maken, niet spotten met gevaarlijke situaties maar ze aan de orde stellen.
Jezus gaat er fel over te keer. Geen softe woorden om der lieve vrede wil nee afhakken en weggooien is het oordeel over die delen van de samenleving die onderdrukken en uitbuiten. Dat klinkt hard. Als je bij ons zulke harde woorden over anderen zegt wordt je van alle kanten op de vingers getikt. Zulke harde oordelen zouden onchristelijk zijn.

Maar de Christus bij uitstek, Jezus van Nazareth, scheldt te pas en te onpas zijn tegenstanders uit. Of maar duidelijk mag worden waar je staat, waar het fout gaat. In dit verhaal gaat het  om mensen die kinderen van het geloof afhouden. Wie zou dat tegenwoordig nog willen? Trouwe kerkgangers en vurige gelovigen wijzen dan graag op al die mensen die uit onverschilligheid of ongeloof de kerk hebben verlaten. Maar is dat terecht? Veel van die kerkverlaters hebben nog herinneringen aan het goede dat ze meemaakten en proberen dat door te geven.

Maar ze ergeren zich ook aan de betweters die nog zeventiende eeuws of negentiende eeuws Nederlands praten en het meer hebben over wat niet mag dan over de Liefde voor de naaste en een hand uitsteken naar de minsten. Er is door een handjevol achterblijvers zelfs een actie gestart om mensen terug naar de kerk te krijgen onder het motto “Vader wacht”, alsof de Protestantse kerk een paternalistise organisatie is waar een strenge vader voortdurend oordeelt over de gelovigen.

Gelukkig zijn er tegenwoordig veel gemeenten van de Protestantse Kerk Nederland waar ze eenentwintigste eeuws Nederlands praten, waar geluisterd wordt naar mensen van deze tijd en een hand uitgestoken wordt naar mensen over de hele wereld die dat nodig hebben. Veel van die kerken starten deze maand een nieuw seizoen en dan is het er extra bijzonder.

De vraag blijft waarom God eigenlijk rampen als het coronavirus toelaat en en opnieuw mensen in gevaar brengt. In het boek Job wordt duidelijk dat dat toch een verkeerde vraag is, natuurrampen gebeuren nu eenmaal en de goede vraag is hoe wij omgaan met de gevolgen, helpen we of laten we de slachtoffers aan hun lot over? Houden we ons aan de coronaregels of zijn we onverschillig en denken we alleen aan onszelf.

Oorlogen, ongelukken als gevolg van onverschilligheid of hebzucht zijn het gevolg van menselijk handelen. We zijn zelf niet overal schuldig aan, integendeel, de ramp met de MH17 was uitdrukkelijk geen straf van God maar het kwalijke gevolg van oorlogshandelingen waarvan we hadden afgesproken dat ook in een tijd van oorlog die niet meer zouden plaatsvinden.

Er zijn zo veel zaken waarin we het goede kunnen doen. Vluchtelingen willen meer contact met Nederlanders om goed te kunnen inburgeren heeft Vluchtelingenwerk ontdekt. Veel Nederlanders willen daar graag bij helpen. Geen enkel vluchtelingencentrum heeft eigenlijk gebrek aan vrijwilligers, maar de Nederlandse overheid ontmoedigt het. De mogelijkheid om de taal te leren wordt beperkt, de mogelijkheid om aan de samenleving ook echt te leren deelnemen wordt bijna ontnomen. In plaats van alles uit de kast te halen om ook de minsten er bij te betrekken worden ze wegbezuinigd. Een paar uur les en U zoekt het maar uit.

Maar we zullen verder moeten gaan, we zullen ons samen, ook als kerkelijke gemeente moeten blijven inzetten voor het werk aan dat Koninkrijk waar alle tranen gedroogd zullen zijn. Het was Jezus van Nazareth die zijn leerlingen er op uit stuurde, totdat de aarde voltooid zal zijn. Wat wij zien, en deze zomer werd het extra zichtbaar in de wereld, is de chaos die er al vanaf het begin van de schepping was toen de Geest van God als een storm over de oervloed zweefde en God moest roepen dat er licht moest zijn, het licht was er, maar wij mogen het niet onder de korenmaat zetten maar moeten het zichtbaar maken als  een stad die op een berg ligt.

We zullen het dus zelf moeten doen, organisaties genoeg waar je je bij kunt
aansluiten om de armen in de samenleving te helpen. Maar dan ben je bezig in een kerk of een organisatie en dan gaan mensen zich vervelend gedragen, ze stelen uit de kas of ze willen de baas spelen zonder daarvoor aangesteld te zijn, of ze doen niet wat ze hadden beloofd. In het stuk dat we vandaag lezen worden ook een aantal praktische tipgegeven, die voor elke groep van waarde kunnen zijn, maar waar bijna nooit de hand aan wordt gehouden.

Als iemand zich niet aan de groepsregels houdt praat daar dan eerst eens rustig onder vier ogen over. Snapt iemand dan dat er wat aan de hand is en gaat er wat aan te doen dan heb je niet alleen een probleem opgelost maar ook problemen voorkomen. Zo niet, probeer het dan nog eens met een paar andere groepsleden er bij. Je kunt het toch verkeerd hebben uitgelegd of niet de juiste toon hebben getroffen. Ook dan geldt dat als er geluisterd wordt de zaak kan worden opgelost en verdere problemen voorkomen. Duidelijk is dat je hier iemand aanspreekt alsof je zelf aangesproken wordt. Wij kennen dat bijna niet meer. Nee het zijn gelijk bazen en machthebbers die zich willen laten gelden, tegen wie we ja en zo is het moeten zeggen. Iemand helpen zich aan de regels te houden, daar wat voor over hebben is er meestal niet bij. Jezus bekeerde Tollenaars en hielp Heidenen te over.

Maar het is duidelijk, mensen kunnen zich buiten de gemeenschap plaatsen, als ze niet luisteren. De boodschap is dus dat je moet blijven proberen de ander te bereiken, en schakel uiteindelijk gerust de anderen uit de groep er bij in, iedereen mag helpen. Het is duidelijk dat het Koninkrijk voor het grijpen ligt. Dat het kan, dat werken aan de aarde die zo mooi zal zijn dat God er zelf zal willen wonen. In dat vertrouwen mogen we samen de week in, samen de herfst in, samen het nieuwe winterseizoen. We weten ons dan gedragen door de zegen van de God die nooit laat varen het werk dat zijn hand begon. Die met ons zal zijn als we in zijn naam bijeen zijn.
Amen

Lezen: Matteüs 17:14-20

Gemeente,

Ja, ik spreek u aan als gemeente, waar u ook bent, wij zijn verbonden, samen kunnen wij verhinderen dat een dodelijk virus door ons wordt verspreid.

We geloven het nog steeds niet. Als je maar een klein piezeltje geloof hebt kun je een berg verzetten. Niet dat je nu letterlijk bergen moet willen verzetten, zelfs van Jezus van Nazareth wordt nergens verteld dat die tegen een berg zei : “Stort je in zee”, waarop mensen sindsdien kunnen aanwijzen waar die berg zich in zee heeft gestort. Maar zodra mensen zich gaan inzetten om de wereld een klein beetje beter te maken krijg je dat ongeloof te horen: Het lukt je toch niet. De kruisraketten waren hard nodig, die zouden er echt wel komen. Geloof in de mogelijkheid van vrede tussen mensen was niet mogelijk en dat propageren was onvruchtbaar. Het geloof van een elektricien in Polen en vele Nederlanders die ondanks alles vriendschap sloten met mensen in Oost Duitsland heeft uiteindelijk de geschiedenis veranderd.

De industrie zou ook niet milieuvriendelijk te krijgen zijn. Er was er ooit één die met Greenpeace begon, en de drijfgassen uit koelkasten en spuitbussen zijn verdwenen en heel langzaam herstelt de ozonlaag zich, iets te langzaam overigens.

Ook de apartheid in Zuid Afrika zou nooit op een vreedzame wijze kunnen worden afgeschaft. Tegen demonstranten voor Nederlandse banken, die demonstreerden tegen een investeringsbeleid dat de apartheid ondersteunde, werd gezegd dat ze oorlog stonden uit te lokken. Maar toen kerken hun investeringen gingen terugtrekken en gelovigen hun bankrekeningen opzegden, automobilisten de Shell pompen voorbij reden, en Nelson Mandela hardnekkig een onvoorwaardelijke vreedzame overgang naar democratie bleef nastreven ging het onaantastbare apartheidsregiem aan het wankelen en kunnen we het nu opzoeken in geschiedenisboekjes.

Natuurlijk gaat het verdrijven van die demonen niet van de ene op de andere dag. Iedereen die met moeilijke jongeren werkt zal dat weten. Maar ook het helpen van ontspoorde jongeren of jongeren die dreigen te ontsporen is meer dan de moeite waard. Steeds weer geldt dat iedereen bij de samenleving mag horen, en dat iedereen bij een samenleving kan gaan horen als liefde voorop staat.

Hangjongeren uit een winkelcentrum weren brengt voor dat winkelcentrum misschien rust, maar er wordt niets mee opgelost. Waarom geven de winkeliers en de gemeente de jongeren die er rondhangen geen werk? Waarom gaan ouderen niet met  jongeren in gesprek om hen duidelijk te maken hoe bedreigend ze overkomen en hoe schadelijk dat voor die jongeren zelf kan zijn? We sluiten tegenwoordig liever mensen buiten onze samenleving dan dat we moeite doen om mensen op te nemen. De gevolgen zijn soms zeer ernstig.

Ook het handhaven van de regels tegen verspreiding van Covid 19 zijn voor velen te zwaar. Soms wordt het bestaan van het virus zelfs ontkend. Maar we moeten voor ogen houden dat waar we toe worden opgeroepen uit liefde mag worden volbracht. God heeft ons wetenschappers gegeven die kennis vergaren en straks een vaccin kunnen geven. Voor dat vaccin mogen we God dan dankbaar zijn en het dus ook nemen als ons dat is gegeven.

Er  is maar weinig nodig om de wereld een beetje beter te maken, ga met elkaar in gesprek, neem elkaar serieus en blijf met elkaar in gesprek. Thee is een sterker wapen dan traangas. Maar het moet van veel mensen komen. Doe mee dus, vandaag kan het weer

Amen

Lezen: Jesaja 51: 1-6

Matteüs 16: 21-27

Gemeente,

Ja ik spreek u aan als gemeente, waar u ook bent. Want iedereen hoort bij de leerlingen van Jezus, het volk van de God van Israël. Om elkaar te beschermen zijn we niet bij elkaar, maar omdat we elkaar, en vele anderen, beschermen horen we wel bij elkaar.

Voor sommigen die nauwkeurig de Bijbel lezen is Jesaja een profeet die verwarring brengt.

Want wie zingt er nu over een oord van vreugde en gejuich als je meest geliefde stad veranderd is in een ruïne. Als er niets over is dan puinhopen. En dan niet zo maar een stad, een stad als alle andere waar jij toevallig van houdt, maar de stad van de berg Sion, waar de Tempel is gebouwd, waar de Tora van God, werd bewaard. Het is Jesaja de profeet die dat doet.  In de Heidense manier van geloven had de God van Israël verloren, was zijn macht op aarde uitgeteld. Zijn volk was weer in Ur der Chaldeeën onder de hoede van de goden van Babel.

Maar Jesaja begint het verhaal van Israël weer opnieuw te vertellen. Over Abram en Sarai, die Abraham en Sara werden onder de terebinten van Mamré, die pas op hoge leeftijd begonnen met het stichten van het volk dat uit zou groeien tot het volk Israël.

De verwarring slaat toe. Het is dus niet over? Het kan opnieuw beginnen? De hulp van God die nodig is voor de bevrijding uit de ballingschap is nabij? Jesaja hoeft de verhalen niet te vertellen, als de Tora uitgegaan is van de God van Israël dan ging daar ook de bevrijding uit de slavernij van Egypte aan vooraf. Zou de God van Israël opnieuw beginnen? En dan begint er vast iemand een Psalm te zingen, die Psalm waarmee we onze kerkdiensten zo vaak beginnen, Hij laat nooit varen het werk dat zijn hand begon.

Het is de herinnering aan het Jeruzalem van voor de verwoesting en de invloed van de Tora die maakt dat je je met Jesaja toch, door alle verwoesting en ellende heen, toch vrolijk kan voelen. Want niet de vijand die de verwoesting veroorzaakte is de baas, niet die vijand is de Heer van de wereld, niet hij is jouw Heer, maar de Heer waar de Tora van uitging is de baas. En die Thora was immers de Liefde, en die Heer was immers de Liefde. En uiteindelijk overwint de Liefde. Daar is je hele leven op ingesteld. Daar richt je je daden op, daar vertrouw je op, dag in dag uit. Die overtuiging, die houding maakt dat je niet bang hoeft te zijn voor de hoon van mensen, dat je je niet hoeft te storen aan hun spot.

Want is het verzet tegen bijvoorbeeld het haat zaaien tegen de Islam en haar aanhangers niet ingegeven door de Liefde voor mensen en het verlangen naar een samenleving waaraan iedereen mee kan doen, zonder angst, zonder zich ingeperkt te hoeven voelen, zonder dat iemand cultuur of eigen overtuiging hoeft op te geven. Mensen die tegen het haat zaaien zijn willen een vreedzame samenleving. Niet alleen hier maar overal in de wereld. En dan slaat de verwarring weer toe.

Want moeten wij nu ook de broeders van de Islamitische staat liefhebben? Die vrouwen als gebruiksvoorwerp beschouwen, van wie wordt gezegd dat ze de vrouwen van hun vijanden verkopen als vee, en iedereen die hun geloof niet wil delen doden?  In onze geschiedenis was het Karel de Grote die het Christendom zo bracht aan de Germanen, wie zich niet wilde laten dopen werd gedood, we zijn Keizer Karel toch de Grote blijven noemen en misschien dat de Islamitische Staat IS er voor nodig was om onze houding tegenover de kerstening van ons land te herzien.

Want ons is de vrede van God voorgehouden. Jesaja zal een Heidense koning, koning Cyrus begroeten als Messias als die de Judeeërs, de ballingen, opdracht geeft Jeruzalem en haar Tempel weer op te bouwen, daar komt geen geweld aan te pas. Jeruzalem zal dan een oord zijn van vreugde en gejuich.

Ook Jezus van Nazareth hield zijn leerlingen een Koninkrijk van recht en vrede voor, ook dat zou een oord zijn van vreugde en gejuich. Maar net als in de dagen van Jesaja was er in de wereld van Jezus van Nazareth geen spoor te bekennen van de komst van een dergelijk Koninkrijk. Integendeel, het volk Israël leed onder een wrede bezetting waar ook de uitoefening van de godsdienst voortdurend bedreigd werd. Zware belastingen, het kopgeld, maakten de armen steeds armer, de tol die onderweg geheven werd remde de handel af. In een dergelijke samenleving reisde Jezus met zijn leerlingen rond, iedereen trok achter hem aan staat er dan.

Simon de zoon van Jonas had een bijnaam. Jona betekende duif en boodschapper, maar was de zoon van de duif ook zo zachtmoedig?. Simon was visser dus sterk, hij was rechtlijnig, zoals vissers ook vandaag de dag nog rechtlijnig kunnen zijn. Zijn bijnaam was dan ook rots, Petrus. Maar de combinatie van rechtlijnig en godsdienst brengt splitsingen en wonderlijke ideeën. Die hoeven overigens niet altijd verkeerd te zijn maar je moet wel oppassen. In het stuk dat we vanmorgen hebben gelezen heeft onze Simon Petrus het ineens door. Die Jezus van Nazareth met zijn onvoorwaardelijke liefde voor de mensen en zijn boodschap van heb je naaste lief als jezelf die kan de hele wereld bevrijden. Zo zal de God van de  de Thora,  zijn zoon gezien willen hebben.

Die zoon lijkt het meest van ons allemaal op God, die God immers zag dat het goed was. Als je op die manier met elkaar omgaat heeft ook de dood geen invloed meer op je beslissingen en kan die de gemeenschap die je vormt niet meer omverwerpen. Dat is nauwelijks te geloven en Simon, bijgenaamd Petrus, zal dat geloof ook niet lang volhouden, ook daar gaan we nog van kunnen leren

In die nieuwe wereld past dus geen geweld. Het gebod van Gij zult niet doden is niet een gebod voor een individu, al zullen we ons er ook individueel aan moeten houden, maar is een gebod voor een volk. Als er al strijd werd geleverd door het volk in de Woestijn was dat een strijd als instrument voor de God van Israël. Daarom hief Mozes zijn handen omhoog tijdens de strijd en als hij ze liet zakken dan verzwakte het leger van Israël.

Jezus probeerde zijn leerlingen  duidelijk te maken dat hij zou moeten lijden. Dat bracht in elk geval Petrus in verwarring. Dat toch nooit. Een geweldige leraar, de zoon van de allerhoogste God, lever je toch niet over aan de Heidenen om te lijden en gedood te worden? God en alle engelen zouden dat verhoeden en tot dat leger zou je als volgeling van Jezus willen behoren.

Het is de manier van denken waar we altijd tegenop lopen. Het is de manier van denken van Karel de Grote en van de Islamitische Staat, wie niet voor mij is, is tegen mij en dan citeer je dus gewoon de Bijbel, maar er staat ook dat allen die het zwaard opnemen door het zwaard zullen vergaan. De oorlogen die in de wereld woeden zijn voor ons te groot, we horen ze en we horen hun geruchten en als er een vliegtuig neerstort met onschuldige reizigers dan komt het geluid van de oorlog schrijnend dichtbij.

Maar we hebben schaduwen van die oorlog ook in onze steden en in onze wijken. Daar wonen jongeren die steeds meer uitgesloten raken van onze samenleving, die steeds minder kansen op werk en vooruitgang hebben. De jeugdwerkloosheid is onder allochtone jongeren het allergrootst. En allochtone jongeren zijn jongeren die hier zijn geboren, soms net als hun ouders en alleen hun grootouders werden in de jaren 60 van de vorige eeuw in een ander land geworven om hier het tekort aan arbeidskrachten op te lossen.

Ze krijgen pas een identiteit die meetelt als ze bij extreme of fundamentalistische groepen aansluiting vinden, daar hebben zij gelijk en heeft iedereen anders ongelijk. Maar moeten wij ze dan met geweld begroeten? Ze eindelijk zien staan door de ogen van de mobiele eenheid? Sommige politici proberen ons in verwarring te brengen door voortdurend te wijzen op dat waar we het niet mee eens zijn. Maar met Jezus mogen wij roepen ga van ons verwarrers, geweld is niet en nooit een oplossing voor problemen. We zullen moeten werken aan hun toekomst, hoe moeilijk dat ook is.

Daarom moeten we voortdurend de visioenen van profeten als Jesaja voor ogen houden. Moeten we voortdurend blijven geloven in de belofte van Jezus van Nazareth dat zijn Koninkrijk zal komen. Dat zijn koninkrijk voor het grijpen ligt, dat Koninkrijk waar alle tranen gedroogd zullen zijn, waar de dood niet meer heerst en dat zo mooi zal zijn dat God zelf op deze aarde zal willen wonen. Daarvoor zullen wij het kruis van Jezus achter hem moeten opnemen. Elke dag mogen we dat opnieuw doen, werkend aan de komst van zijn Rijk, ook vandaag, ook de komende week, aarzel dus niet maar sla de hand aan de ploeg.

Amen

Lezen: Jesaja 40: 12-25

             Matteüs 13: 24-30

Gemeente,

Jesaja schrijft ons dat God helemaal nergens mee te vergelijken is. In zijn tijd werden goden afgebeeld door kundige ambachtslieden. Prachtige kunstwerken konden worden vervaardigd die de goden afbeelden. Alleen een beeld van de God van Israël bestond niet. Jezus van Nazareth, die Gods zoon genoemd zou worden, zou veel later zeggen dat niemand God kon zien als men niet naar Jezus van Nazareth keek. Daarbij ging het dan om wat hij deed en waartoe hij opriep. In het verhaal van Israël over hun verhouding met God ging het om een verbond waarbij God zou zorgen voor dat volk en dat volk hun naaste lief zou hebben als zichzelf. Dat volk bestaat nog steeds. Dat volk ging in ballingschap maar keerde terug naar het land dat hen geschonken was. Daar schrijft deze Jesaja over en dat is voor hem een wonder.

Volken die in ballingschap gaan verdwijnen meestal in de geschiedenis. Soms lastig voor de mensen die de macht hebben, de Oeigoeren in China en de Tartaren op de Krim weten daar alles van. Alleen als ze op elkaar steunen, de zwaksten onder hen weten te helpen en niet de godsdienst overnemen van het land waarheen ze vervoerd zijn dan overleven ze. Wij kunnen dus ook geloven in een God die volgens de natuurwetten en de filosofie niet bestaat. We doen dat door te luisteren naar het verhaal over die God en te doen wat in het verhaal aan mensen wordt gevraagd, je naaste liefhebben als jezelf, ondanks alles. Dat kan ook vandaag weer.

Maar de grootheid van God kan ons ook zeer klein en nietig maken. Een God voor wie de mensen niet meer dan sprinkhanen zijn maakt je zelf onbeduidend. Natuurlijk kan het hoop geven dat ook machthebbers nietig zijn. Maar zou zo’n grote God jouw sores opmerken te midden van het ernstige lijden dat zo veel miljoenen mensen op de aarde overkomt?

Het kan ons dus overkomen, dat onze geest is verdoofd en dat we het even niet meer zien zitten met dat geloof. Dat gebeurt met veel mensen tegenwoordig. En dat gaat soms heel langzaam. Je gaat elke zondag naar de kerk, al jarenlang, maar het werk wordt steeds drukker, je gezin wordt groter en op zaterdag zijn er tal van uiteenlopende bezigheden. Dan komt de dag dat je ook wel eens een keer wil uitslapen. Zomaar een hele morgen op je bed wil blijven liggen. En er zijn toch ook kerkdiensten op radio en tv nietwaar?

Dan blijf je dus een keer thuis. En wat blijkt? Niemand die je mist, niemand die vraagt:  “waar bleef je?”. Als je dat een paar keer is overkomen ga je steeds minder en minder en steeds weer merk je dat niemand je mist, dat niemand zich afvraagt waarom je eigenlijk zo weinig meer komt. Na een tijd is het ritme thuis zo veranderd dat er eigenlijk geen plaats meer is voor de kerkdienst op zondag. Dan ga je alleen nog met kerst, in de nacht omdat dat zo mooi is, soms met Pasen of in de vakantie, uit nieuwsgierigheid.

En de mensen die achterblijven in de kerk maar klagen dat de kerken leeglopen. Soms ontstaat er een discussie over de vraag of die wegblijvers maar geschrapt moeten worden. Allerlei pogingen om ze er weer bij te betrekken mislukken en de schaarse vrijwilligers in de kerk kunnen hun tijd wel beter gebruiken, zorgen bijvoorbeeld voor hen die toch nog komen.

Jezus van Nazareth heeft daar kennelijk toch een ander idee over. Hij wilde graag  duidelijk maken hoe het zit met de komst en de groei van dat Koninkrijk waar hij het steeds over heeft. Je denkt dat je het goede woord hebt verkondigd en dan zie je in een kerk soms ook de prachtige gewaden, de machthebbers, de show en je hoort dat de armen en hun bevrijding verdwijnen achter eigenbelang en eerzucht. Hoe kan dat toch? Dat is het kwade dat altijd het goede zal vergezellen, pas als het Koninkrijk er echt is zal het kwade ten onder gaan. Moet je dan wanhopen en maar ophouden met de vertellen over dat Koninkrijk van eerlijk delen waar de minsten de belangrijksten zijn en er voor iedereen een plaats is? Welnee. Wij mensen maken niet uit wat het kaf en wat het koren is. We weten dat we het kwade moeten bestrijden door het goede te doen en dat geld ook voor het in stand houden van de kerk. De gelijkenis die we vanmorgen gelezen hebben  is daarom op dit moment eigenlijk nog veel actueler. Die van het zaad en het onkruid.

Biologen zeggen dan direct dat onkruid niet bestaat. Alle planten hebben hun doel en bestemming. maar de boer zal zeggen dat dat mooi is, maar als je graan hebt gezaaid dan wil je ook dat er graan groeit en geen distels of papavers of andere struiken. Van graan moet die boer z’n huishouding draaiende houden. Jezus wijst er op dat het voor de boer geen zin heeft om het onkruid er uit te gaan trekken. Lang hebben we gedacht dat we het onkruid wel konden vergiftigen maar daar komen we ook van terug. Uiteindelijk vergiftigen we onszelf daarmee. Laat het onkruid dus maar staan en verwijder het na het maaien. Het verwijderen van onkruid uit de samenleving nu heeft dus geen zin, en straffen moeten we maar aan de rechters overlaten, want dat wat verkeerd is moet benoemd worden en wie verkeerd doet verdient straf.

Het enige wat we kunnen doen is bezig blijven voor een betere samenleving, dus moeten we steeds opnieuw mensen de kans geven opnieuw te beginnen maar dan op de goede weg. Jezus wijst daarbij op het mosterdzaadje, ongeveer het kleinste zaadje dat er is, maar het groeit uit tot een geweldige struik. We hebben daarom ook zelf de keus of we een mosterdzaadje willen zijn, als zuurdesem werken in onze stad, ons land, onze eigen wereld, of dat we onkruid willen zijn dat snel groeit, het grootste en het mooiste wil zijn maar dat het goede verstikt.

En die mensen die weggebleven zijn? We kunnen ook in eigen omgeving vertellen waarom we naar de kerk zijn blijven gaan en wat daar tegenwoordig gebeurd. In deze coronatijd was er een veel grotere belangstelling voor online kerkdiensten dan er gebruikelijk was voor fysieke diensten als deze. Bekend maken waar onze kerkdiensten te zien of te horen zijn is dus ook belangrijk. En ook na een kerkdienst wordt er koffie geschonken, en je ontmoet nog eens iemand. Wij maken niet uit wie er wel of niet bij horen, maar wij mogen wel iedereen uitnodigen om mee te doen.

Amen.

 

Lezen: Jesaja 55: 6-13

Matteüs 13: 1-9

Gemeente,

Zo in de zomer kun je aardig in de knoop komen te zitten met je geloof. De wereld ziet er op het eerste gezicht zonnig uit. Regelmatig zijn er warme, ja zelfs hete dagen, waar het goed genieten is van strand, zwembad of zelfs alleen maar de tuin of het picknickpark, en regelmatig regent het ook en weten we hier op het platteland dat dan groente en fruit zullen groeien en rijpen en regen belooft een goede oogst in het najaar. God schenkt ons een aarde waar we dankbaar voor zijn. Er zijn geen soldaten die ons land leegroven, er wordt geen geweld tegen onze gewassen gebruikt. Waarom zouden we dat eigenlijk niet altijd hebben en waarom hebben ze dat niet over heel de wereld?

Als we de Bijbel op ons in laten werken zou de manier van leven waar wij zo veel voordeel van hebben toch al heel lang gemeen goed moeten zijn. Neem nu het gedeelte dat we vanmorgen uit het boek van de profeet Jesaja hebben horen lezen. Dat boek is door verschillende mensen geschreven en omspant bijna twee eeuwen, maar die eeuwen zijn al zo verschrikkelijk lang geleden dat het voor ons één en dezelfde gebeurtenis lijkt, de ballingschap. Die wordt van begin tot eind beschreven. Dat volk Israël had in de woestijn een stel handige leefregels gekregen, van je moet niet doden, niet liegen en niet stelen en door je naaste lief te hebben als jezelf kon je de God van Israël liefhebben boven alles. Toch waren ze zo stom geweest andere goden na te lopen. Goden van vruchtbaarheid, goden die je eerst zelf moest maken en dan versieren met goud en zilver, goden aan wie je kostbare offers moest brengen tot aan je kinderen toe.

Dat het dan mis gaat weten we inmiddels. Wie zichzelf uitnemender acht dan alle anderen komt uiteindelijk van een koude kermis thuis, of je nu nazi bent die de führer achterna loopt of leninistisch marxist die gehoorzaamt aan de arbeiderselite die de partij bestuurt, het loopt verkeerd met je af. Dat was ook met het volk Israël gebeurd. Maar toen ze in de ballingschap weer naar de God van Israël gingen luisteren mochten ze uiteindelijk terug. Mochten ze ook laten zien dat ze er van hadden geleerd. De profeten uit de school van Jesaja letten er op dat de weg van de God van Israël duidelijk bleef.

Als een marktkoopman spreekt de profeet de juist teruggekeerde ballingen toe. En als ze naar de Tempel zijn gegaan zijn ze op het goede adres. Door de woestijn hebben ze de reis gemaakt van het ballingsoord naar Jeruzalem waar ze de Tempel weer op moeten bouwen en de stad opnieuw van muren moeten voorzien. En in de Tempel, zelfs in de ruïne die is overgebleven, gelden de richtlijnen die het volk ooit bij de verlossing uit de slavernij in de Woestijn heeft ontvangen. Daar houdt men een maaltijd met de familie, de dienaren van de Tempel, de armen en de vreemdelingen die voor je werken. Daar is dus water en brood te krijgen voor niks, daar is een feest gaande van samen delen.

Natuurlijk kan er ook in religieuze zaken worden gehandeld. Natuurlijk zal een plotselinge stijging van de vraag de prijs kunnen laten stijgen. We kenden dat bij evenementen en een zomerse toestroom van extra gasten, dan gaan de prijzen van voedsel en drank omhoog. Ook de terugkeer van ballingen zal het in zich gehad hebben de voedselprijzen te laten stijgen. Maar juist die rare bijzondere godsdienst rond de Tempel in Jeruzalem maakt dat daar niet het maken van winst voorop staat maar het zorgen voor elkaar. Al dat maken van winst en profijt dat voedt niet.

Bij een nieuw begin van een samenleving is samen delen de eerste voorwaarde. Daarom moet eerst de Heer gezocht worden. Want voor die samenleving is dat nieuwe eeuwig durende verbond nodig. Die samenleving wordt geregeerd zoals David regeerde, in vrede en met gerechtigheid. Zo moet de hele wereld geregeerd worden. Daar komen dan zelfs vreemde volken op af. Zo mag je iedereen oproepen mee te gaan doen met de samenleving van de God van Israël. De goddeloze en de onrechtvaardige moeten er toe gebracht worden af te zien van hun goddeloosheid en hun snode plannen. Doen ze mee? Dan zijn ze welkom.

De Weg van de God van Israël is niet de gewone weg. De gewone weg is een weg van geweld en van winst en profijt. Een weg met slavernij en onderdrukking. De Weg van de God van Israël is zorgen voor elkaar en het neuriën vanmorgen is al een heel klein teken van die zorg.

Daarom mag je er op vertrouwen met heel je leven. Het zijn geen loze woorden, het gaat niet om de winst van een ander, het gaat om jouw eten en drinken, en dat van de armsten en de minsten onder ons.

Hoe komt dat toch, dat kan toch niet alleen liggen aan mensen die zich uitnemender achten dan een ander. Houden van een ander als van jezelf kun je eigenlijk alleen maar als je dat samen doet. In de woestijn werd het volk Israël ook echt een volk, een volk dat voor elkaar in stond.

Maar hoe krijg je het in die stomme koppen dat je van anderen moet houden als van jezelf.  Dat het in het Koninkrijk met de regels voor de menselijke samenleving niet gaat om wie de eerste, de beste, de knapste, de sterkste of de rijkste is. Je legt het geduldig uit. Jezus gebruikt hele knappe voorbeelden. Gelijkenissen zijn die gaan heten. Maar hoe komt het toch dat als je dag in dag uit, jaar in jaar uit het meest voor hand liggende vertelt het toch niet altijd over komt. Niet altijd want soms, heel soms, willen mensen het best geloven zoals er in onze dagen voor elkaar wordt gezorgd en om elkaar wordt gedacht.

.Je kunt het wel horen, en misschien ook wel begrijpen maar er zijn nu eenmaal machtigen en rijken die er belang bij hebben de boodschap te verdraaien en twijfel te zaaien. Als het leven zo eenvoudig was dan was het een wanorde zeggen ze, de wetten zijn te ingewikkeld voor gewone mensen zeggen ze, de verdeling tussen arm en rijk kan nu eenmaal niet anders, zeggen ze, vrede moet met geweld afgedwongen worden, zeggen ze, we moeten bang zijn voor elkaar, zeggen ze. En steeds weer zijn er mensen die er intrappen. Jezus van Nazareth noemt mensen die hier intrappen dom, het leven in het Koninkrijk laten ze zich ontstelen.

In het verhaal over de discipelen die graan malen op de Sabbat wordt dat duidelijk. In de wetboeken van het volk stonden twee wetten. De eerste is dat je op de Sabbat niet mag werken, jij niet, je slaven niet en zelfs je vee niet. Maar er is ook een regel over de oogst. Die zegt dat je het graan aan de randen van de akkers moet laten staan voor de armen, voor de hongerigen. En nergens staat dat je op de Sabbat honger moet lijden. In de woestijn kreeg het volk op de dag voor de Sabbat twee maal manna, als je op andere dagen voor twee maal verzamelde dan bedierf dat extra manna.

Die honger is een sleutel. Jezus wijst er op dat David het brood vroeg dat in de Tabernakel voor God op tafel stond en waar anders niemand meer van mocht eten. En dan die farizeeën die zich zo beriepen op de wet, de priesters onder hen die werkten op de Sabbat toch ook gewoon in de Tempel? En dat werk mocht eigenlijk ook niet maar het kon nu eenmaal niet anders. De leerlingen van Jezus waren arm en hadden honger. Ze maakten zich op om de armen de blijde boodschap te brengen. Ze waren niet anders als David of als de priesters in de Tempel. Ze waren mensen van God.

Zo mogen ook wij zorgen voor elkaar. Niemand hoort slaaf te zijn van wat voor werk dan ook. Daarom horen we als volk één dag in de week samen vrij te zijn. Dat neemt niet weg dat op die vrije dag, de zondag bij ons, veel mensen werken om voor een ander te zorgen. Dat mag best, dat kan namelijk niet anders. Want de zondag ontslaat ook ons niet voor anderen te zorgen, de zieken te verzorgen, de ouderen te bezoeken en de hongerigen eten te geven.

Amen

Lezen: Johannes 14:1-14

Gemeente, want zo zijn we verenigd.

De eerste volgelingen van Jezus van Nazareth werden de mensen van de Weg genoemd. Zij probeerden de weg te volgen die Jezus van Nazareth hen had gewezen, ofwel op de manier te leven die hij hen had voorgedaan. Dat was niet eenvoudig. Toen hij nog bij hen was had hij het hen voorgedaan, maar hij was gekruisigd en begraven. Daarna was hij opgestaan en was hij teruggekomen en nog later had hij zijn geest gestuurd. Toch bleef het moeilijk. Daarom heeft de schrijver van het Evangelie van Johannes dit verhaal opgeschreven. Je hoeft niet allemaal op dezelfde manier te geloven. Er zijn vele plaatsen waar je de Weg van Jezus van Nazareth kunt volgen. De Bijbelvertalers vertalen het Grieks dat er staat sinds Luther graag met “kamers”, maar er staat eigenlijk plaats, een plaats door Jezus gereed gemaakt.

Voordat Jezus gekruisigd en gestorven was wisten ze niet waar het verhaal op uit zou lopen. Tomas had er nog naar gevraagd, zoals hij na de opstanding was blijven vragen naar de wonden die Jezus had opgelopen. Filippus had nog steeds niet door dat God dienen hetzelfde zou zijn als doen als Jezus deed. Pas na de opstanding had hij door dat al die profeten waar hij van had gehoord datzelfde hadden verteld. Toen zag hij de mensen langs de weg wel degelijk. Als je iets wilt op de manier waarop Jezus van Nazareth dat wilde dan krijg je dat ook. Maar pas toen de Geest over hen kwam snapten ze het. Toen wisten ze dat de liefde voor de naaste als voor jezelf de sleutel was tot een wereld zonder tranen en verdriet. Toen wisten ze dat delen met elkaar, desnoods delen van jezelf, de Weg was. De Weg die Jezus was gegaan en die hem bij de Vader had gebracht. Toen wisten ze pas dat zij ook die Weg moesten gaan en de hele bewoonde wereld van die Weg moesten vertellen.

Toen wisten ze pas dat ze moesten delen met al die mensen uit de hele bewoonde wereld. Toen wisten ze pas dat de Vader ook in hen kon zijn als ze zich maar bleven herinneren hoe Jezus van Nazareth was geweest. Want zijn beslissing om zijn macht en populariteit niet te gebruiken maar zich eerder aan het kruis te laten hangen dan zijn volk bloot te stellen aan een bloedige oorlog had hen de macht gegeven een gemeenschap van Liefde te vormen, samen die weg ook te gaan. Johannes was de laatste die het verhaal van Jezus van Nazareth had opgeschreven. Er was toen al een hele tijd overheen gegaan en veel mensen waren de Weg van Jezus van Nazareth gegaan tot in de dood toe. Maar Johannes wist, en schreef dat op, dat wie de Weg volgt van Jezus van Nazareth net zoveel als hij kan doen. Je kunt zelfs meer doen als je blijft leven. Wij kunnen de armen bevrijden, de hongerigen voeden, de thuislozen een thuis geven. De zieken bij onze samenleving laten blijven horen. Wij kunnen die nieuwe wereld naderbij brengen.

Amen.

Lezen: Genesis 2:15-3:9

              Matteüs 4: 1-11

Gemeente,

Vandaag, aan het begin van de dagen waarop we ons bezinnen over het lijden van de wereld en hoe we hongeren en dorsten naar gerechtigheid lezen we verhalen over verleiding. We realiseren ons op de deze zondag dat we ook zelf bloot staan aan verleiding. Neem nu de verhouding man en vrouw. Wat zegt de man in het verhaal? ‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, een die zal heten: vrouw, een uit een man gebouwd

De uitroep die je hier boven ziet staan die hoor je tegenwoordig maar weinig meer. Mannen roepen dat niet als ze vrouwen zien, vrouwen roepen dat niet als ze mannen zien. Tegenwoordig doen we of mannen en vrouwen zeer verschillen. In het Hebreeuws klinken de woorden voor man en vrouw echter bijna hetzelfde, Ish en Isha, en dat maakt dat wat hier gezegd wordt, een gelijk aan mij, een bijzondere lading krijgt die we niet uit het oog moeten verliezen. In Bijbelse zin, in de Christelijke gemeente, spelen de verschillen tussen man en vrouw geen rol. Ze worden één lichaam, want ze zijn van oorsprong één lichaam en zo keken ze van oorsprong ook naar elkaar.

Dat woordspel begint al in het begin van het gedeelte dat we vandaag lezen uit de Nieuwe Bijbelvertaling. Wat is dan dat bijzondere woordspel dat hier plaatsvind? Dat begint met het uitgangspunt, de aarde, die was opnieuw in het verhaal woest en ledig, droog en dor zelfs want het had nog niet geregend. Maar in dit stuk zijn de woorden mens, aarde, land, aardbodem en akker allemaal woorden die in het Hebreeuws op elkaar lijken. De aarde moet bewerkt worden maar de mens ook, die de levensadem van God krijgt. En als dan de tuin is afgepaald en er bomen met vruchten opschieten dan moet de aarde bewerkt worden zodat er dieren ontstaan waarover de mens kan heersen. Dan moet vervolgens de mens bewerkt worden zodat die niet langer alleen is. Dat zijn dus geen losse gebeurtenissen maar uit de manier waarop het verhaal ons wordt verteld is het één proces, het verhaal over de wording van de mens en zijn verhouding tot de aarde.

Waar die ideale tuin overigens gelegen heeft is niet helemaal duidelijk. De meest stoutmoedige opvatting is dat de schrijver hier namen noemt die de tuin plaatsen in het midden van het land van de ballingschap. Daar waar het volk Israël na de verwoesting van de Tempel en Jeruzalem heengevoerd was lag het land, de bloedrode akker, waar de bloedrode mens uit gevormd was. Niet om de goden te dienen zoals de Babyloniërs geloofden, maar om de geliefden van God te zijn. Geliefden omdat zij zijn geboden zouden onderhouden. De mens wordt immers geroepen om te kiezen voor het leven en weg te blijven bij de kennis van goed en kwaad. Paulus zou zeggen dat we het goede moeten doen en niet dan het goede. Dat begon al bij het begin. Daar ging het om en daar gaat het om, ook vandaag nog. Ook dit verhaal spoort ons aan geen onderscheid tussen mensen te maken, niet de ene hoger te stellen dan de ander, geen oordeel over elkaar uit te spreken en je niet voor elkaar te schamen. Dat goede kunnen we elke dag opnieuw doen.

“Alles is toegestaan, maar niet alles is nuttig” zou Paulus later schrijven. En ook hij had het over het goede en het kwade. Want ook al weet de mens dat het goede nu eenmaal ook het beste is en het kwade altijd te vermijden en verwerpelijk, toch gaat de nieuwsgierigheid van de mens altijd naar het kwade uit. De schrijvers van de Bijbel wisten dat. En uit het verhaal van de tuin die God geschapen had en waarvan God had gezien dat het goed was komt de vraag naar het kwade. Hoe zit dat dan? Er is een dier dat zich ongestraft over een boom zou kunnen bewegen die God verboden zou hebben. Dat is de slang, hier staat hij als een sluw, dier maar dat woord wordt elders vertaald met slim. Veel volken uit de tijd dat de Bijbel ontstond geloofden dat de slang een bijzonder dier was. Dat dier liet zijn vel achter en vernieuwde zo zelf zijn leven. En dat beeld wordt hier gebruikt. Als de mens heer is over de dieren dan zal de mens dat vermogen toch ook wel hebben? Dan kan het zelf zijn leven vernieuwen? En dan weten we gelijk van goed en kwaad. Dan zijn we gelijk aan God.

We oordelen zo graag, we plakken zo graag etiketten op mensen van goed en kwaad. De vrouw uit ons verhaal heeft dat moeten ondervinden. Als naar de vrouw gevraagd werd dan werd ze een verleidster die met haar sluwe streken de man onder haar macht had weten te krijgen. Maar nergens kun je dergelijke beelden in het verhaal lezen. De vrouw zag de slang, de man was er bij en keek er naar en toen de ene mens van de vrucht van de boom had gegeten bleef de andere mens niet achter. En vergeet niet, elk mens was mannelijk en vrouwelijk geschapen. De man en de vrouw werden echter gelijk aan de dieren, zoals ze gelijk aan de slang hadden willen zijn, ze waren mannetjes en vrouwtjes geworden niet meer voor elkaar bestemd maar voor de voortplanting van de soort. En daar hoort de schaamte bij.

De verleiding ligt dus niet alleen in het begin, het is de waarschuwing dat de verleiding in hele mooie beelden elke dag tot ons komt. Want wat is er mooier dan gelijk aan God te zijn. Paulus zegt ergers dat het nog mooier is een goed mens te zijn. Daarom lezen we ook over de verleidingen waaraan Jezus van Nazareth blootgesteld werd.

Toen Matteüs dat verhaal opschreef was het verhaal van Jezus van Nazareth al bekend. Wat hij had gedaan, wat hij had geleerd, hoe het afgelopen was, het werd allemaal verteld in verhalen die men kende. Matteüs moest ze opschrijven zodat ze op de juiste manier zouden worden doorverteld

We geloven niet in de duivel, maar we geloven in God. Als je dat zegt rijst de vraag wat je dan moet met dit verhaal van Matteüs over de verleiding door de duivel. Nu staat er in het verhaal dat Matteüs er niet bij is geweest. Het lijkt een journalistiek verslag van een gesprek, of een serie gesprekken, tussen de net gedoopte Jezus van Nazareth en de beproever, de tester. Dat kan het niet zijn want dan had de journalist er zelf bij moeten zijn, ook Jezus zelf heeft het kennelijk niet aan Matteüs of zijn leerlingen verteld. Het is dus een verhaal dat antwoord geeft op vragen. Een vorm die wij bijna verloren zijn maar die je kunt vergelijken met de gelijkenissen die ook in de Bijbel staan. Het verhaal gaat dan over visioenen. Na veertig dagen vasten wordt je helder in je hoofd en loop je de kans visioenen te zien.

Het eerste visioen van Jezus ging over hemzelf, hij had honger en het gevoel dat hij de stenen in brood kon veranderen. Matteüs had de behoefte om aan zijn publiek duidelijk te maken dat Jezus een gehoorzame Jood was en citeerde uit het boek Exodus, een van de boeken van de leer van Mozes, waar inderdaad staat dat een mens niet van brood alleen leeft, maar van Gods woord, afhankelijk is van de Liefde dus. Met het gooien met Bijbelteksten moet je overigens heel voorzichtig zijn en ook dat leert dit verhaal van Matteüs.

De duivel nam hem mee naar het hoogste punt van de tempel en zong een psalm die waarschijnlijk regelmatig in de tempel was gezongen. Psalm 91, waar de dichter lyrisch wordt over de hulp en steun die je van de God van Liefde kunt verwachten. Maar Jezus houdt zich aan de leer van Mozes en antwoordt weer met een citaat uit het boek Exodus: stel God niet op de proef. En ook de derde keer is het de leer over de Liefde, zoals verwoord in het boek Exodus waarmee Matteüs aantoont hoe trouw die Jezus wel niet was aan het uitgangspunt van de bijzondere belijdens van Israël, er is maar één God en onze God is één.

Drie maal is er de verzoeking die elke leider en elke machthebber heeft. In de eerste plaats kun je voor jezelf zorgen, de collecte, de belasting, de winst in eigen zak steken, zorgen dat het jou aan niets ontbreek, ook al gaat je bedrijf te gronde als bestuurder kun je de grootste bonussen opstrijken. Je kunt, op de tweede plaats, je roeping, je macht op alle manieren proberen te bewijzen, en alles wat goed gaat, ook ondanks jezelf, aan jezelf toerekenen, menig politicus blijft daardoor lang populair. En je kunt, op de derde plaats, op alle manieren, ook de verkeerde, proberen je macht te behouden en te vergroten, schending van mensenrechten, verdwijningen, terreur, angst zaaien, wie de wereld rondkijkt ziet voldoende voorbeelden.

Het zijn de drie verleidingen waar nog tot op de dag van vandaag vele leiders en machthebbers binnen en buiten kerken voor zwichten. Het gaat niet op de eerste plaats om ons eigen inkomen, het gaat er ook niet om ons eigen gelijk te bewijzen, het gaat er zeker niet om meer te zijn dan een ander, het gaat om recht te doen aan de minsten onder ons, ook vandaag nog.

Het weerstaan van de verleidingen door Jezus zou uitlopen op zijn kruisiging. Dat kruis staat ons al vanaf het begin van de veertig dagentijd voor ogen. Jezus zou ons oproepen zijn kruis achter hem op te nemen. Want pas door het kruis te accepteren, symbool van vernedering en smaad, kunnen we de dood overwinnen, gaan we op weg naar een wereld waar het eigenbelang niet meer telt, waar de lammen lopen en de blinden zien, waar de naakten gekleed en de hongerigen gevoed worden. Waar mensen niet meer hoeven te vluchten voor onderdrukking en geweld. Voor ons is dat misschien helemaal geen beloning, maar ook onze honger en dorst naar gerechtigheid zijn dan gestild. Tot die dag mogen we aan het werk, voor al die mensen die het nodig hebben.

Amen

Lezen: Jesaja 43: 9-12

             Matteüs 5: 13-16

Gemeente

De geloofsbelijdenis van het volk Israël is “Hoor Israël, uw God is één” Eigenlijk is er maar één God, hoe de andere volken er ook over denken. Dat horen en dat inzien is de taak van dat volk. Dan krijgt het volgen van de Tora, de onderwijzing door Mozes en door God ook zin. Want die God van Israël is een God die slaven bevrijdt en de Tora leert hoe je een samenleving inricht waarin mensen bevrijdt zijn van onderdrukking en ellende. Christenen zullen dat uiteindelijk ervaren als zelfs een bevrijding van de dood.

Maar die God kan pas een God voor de mensen zijn als die mensen in die God gaan geloven, dan gaan die mensen de Weg van die God. Zonder dat mensen geloven blijft die God natuurlijk wel een God maar dat God zijn heeft onder mensen geen betekenis meer. Andersom, als mensen de Weg van die God volgen, de Weg van de Tora, de inrichting van de menselijke samenleving dan krijgt dat God zijn van de God van Israël een echte betekenis, ook al zie en hoor je alleen de mensen die in hem geloven en zijn Weg gaan.

De profeet Jesaja gebruikt hier, als zo vaak, een beeld uit de rechtspraak. Het volk is getuige van de God van Israël. Is die God een bevrijder uit de slavernij? Heeft die God, als eerste en enige God beloofd het volk weer thuis te brengen uit de ballingschap? Het zijn vragen die een beschuldiging inhouden. Als je nee zegt op die beide vragen dan is die God van Israël geen God die anders is dan de andere Goden. En alleen het volk kan getuigen van het werkelijke antwoord. Zoals getuigen voor een rechtbank vertellen wie de verdachte is en kan zijn, omdat ze hem kennen of omdat ze hem wetenschappelijk hebben onderzocht.

In dit geval gaat het om getuigen die het aan den lijve hebben ervaren. Ook al volgen ze de Tora niet, zijn ze dus doof en blind voor de God van Israël, toch mochten ze terugkeren naar Jeruzalem om daar de Stad en de Tempel weer op te bouwen. Die belofte hadden ze vanaf het begin van de ballingschap. Door die belofte konden ze vasthouden aan de leefregels die ze van de God van Israël hadden gekregen, de voedselvoorschriften, de besnijdenis van de jongetjes, het houden van de Sabbat.

Eigenlijk is het volgen van de Tora de beste getuigenis van de macht en de grootheid van de God van Israël. Jezus van Nazareth zal daarom het volk houden dat het niet gaat om te roepen Here, Here, maar om het doen van de wil van de Vader. Ook Baäl betekent “Heer” in het Hebreeuws en dus alleen “Heer” roepen alsof je de God van Israël eert kan in werkelijkheid het nalopen van andere goden zijn. Pas in het liefhebben van de naaste als jezelf wordt duidelijk hoe sterk de God van Israël eigenlijk is. In dat liefhebben krijgt geen vijand, geen macht of kracht werkelijk greep op jou. Zelfs de dood is geen prikkel dat je gedrag zal kunnen bepalen. De God van Israël is en blijft jouw God.

Jacobus zal aan de eerste Christelijke gemeenten schrijven dat geloof zonder lief te hebben, zonder de werken zal hij dat noemen, een dood geloof is. Tegenwoordig zeggen we dan een God is dood geloof. Het is geen geloof waar je zelf beter van wordt. Gelovigen die zich inzetten voor de bevrijding van slaven in welke vorm dan ook lopen de kans gevangen te worden gezet, gemarteld te worden en zelfs gedood te worden. Maar ze weten eindelijk mens te zijn zoals God dat bedoeld heeft en niet de marionet die de machten en krachten in de wereld van mensen maken. Elke dag opnieuw kunnen we in deze bevrijding gaan delen, ook vandaag weer, door de Weg van het liefhebben van de zwakste te volgen.

Het gaat er dus om dat de mensen om je heen iets merken van jouw geloof in de God van Israël, jouw vertrouwen in zijn Zoon, jouw betrokkenheid op het Koninkrijk dat komt en waar we vandaag aan mogen beginnen.

Maar hoe kun je nu het zout van de aarde zijn en pas in de hemel toegejuicht worden, zoals Matteüs ons lijkt te zeggen? Dat lijkt niet echt met elkaar te kloppen. Tenminste als je de hemel na de dood van de mensen plaatst. En waarom zou je dat doen? De hemel kan op aarde aanbreken als overal vrede en gerechtigheid heerst, als alle volken zich tot Jeruzalem keren en ieder de Wet van Liefde aanhangt en in praktijk brengt. We hebben het al zo vaak in de Bijbel kunnen lezen.

We kennen de helden uit het heden die vernedering en smaad uithielden omdat ze overtuigd waren van de rechtvaardigheid van hun opvattingen. Ook in onze eigen geschiedenis. In het kader van 75 jaar bevrijding zullen we veel verhalen over dat soort helden horen, en we mogen hun voorbeeld volgen. Maar ook dichterbij in de geschiedenis kennen we dat soort helden. Het uithoudingsvermogen van iemand als Nelson Mandela zou uiteindelijk de afschaffing van Apartheid in Zuid Afrika mogelijk maken. Zijn idealen maakten zelfs een vreedzame overgang mogelijk.

Maar we hoeven niet zulke grote persoonlijkheden als hij te hebben. Matteüs heeft het over het “zout der aarde” Zout zie je niet in je eten, maar zonder smaakt het meeste eten flauw. Pas als er zout in zit krijgt het smaak. Met dat onzichtbare zout worden de volgelingen van Jezus van Nazareth vergeleken.

Dat zout kunnen we elk voor zich zijn. Verspreid door de samenleving kom je dan steeds mensen tegen die het goede willen doen en niet dan het goede. Het maakt het leven voor velen weer dragelijk, het geeft mensen energie om ellende te doorstaan, om getroost te worden en bevrijdt te worden van machten die hen gevangen houden.

Maar samen als gemeente in Assendelft, als Protestantse Kerken in Nederland kan het nog mooier worden. Samen kunnen we een licht zijn, voor de samenleving waar we deel van uitmaken, maar ook voor de hele wereld. We kennen niet voor niets een kerk in actie. Want vanmorgen horen we uit het Evangelie dat een gemeente waar niemand iets van merkt, die onder de korenmaat leeft, eigenlijk onbestaanbaar is. Wij mogen de stad bouwen waar ook Jesaja het over heeft. Een stad die schittert en voor iedereen te zien is. Hoe meer van dat soort steden en dorpen er zijn, hoe lichter het wordt in de wereld. Er moet nog veel werk voor worden verzet. Aarzel niet, aan het werk dus.

Amen

Lezen: Jesaja 49: 1-7

             Matteüs 4: 12-22

Gemeente,

Het is vandaag roepingenzondag, de zondag waarop we stilstaan bij het feit dat we door de Heer geroepen zijn om zijn dienaren, zijn volgelingen, zijn leerlingen te worden. Het is eigenlijk een antwoord op de verhalen die de Kerk vanaf oude tijden in de afgelopen weken heeft verteld. Op 6 januari begon dat met de komst van de wijzen uit het Oosten die de geboorte van de bevrijder van Israël kwamen vieren. Vervolgens vertelde de kerk het verhaal van de verschijning van de geliefde zoon van God, het verhaal van de doop in de Jordaan en de vorige week heet in de Kerkelijke geschiedenis Kanazondag, over het verhaal dat Jezus van Nazareth zijn eerste teken gaf. Wat we allemaal met die mooie verhalen moeten, horen we vandaag. In de lezing uit het Evangelie naar Matteüs hebben we gehoord hoe er geciteerd werd uit het boek van de profeet Jesaja, en om de betekenis van de citaten, en daarmee de betekenis van het verhaal van Jezus van Nazareth goed te begrijpen moeten we dus eerst terug naar dat boek van de profeet Jesaja.

Het gedeelte dat we gelezen hebben is het begin van het tweede deel van het boek van Jesaja. We noemen dat Deutero-Jesaja. Keizer Cyrus had de ballingen opdracht gegeven terug te gaan naar hun land en daar de Tempel te herbouwen. Het gaat dus over de terugkeer naar Jeruzalem en de hervestiging van de Tempel op de berg Sion, waar de Wet van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf werd bewaard en verkondigd. Een vreugdevolle opdracht dat een lied verdient en dat lied hebben we gelezen.

De Profeet begint zijn lied met het bezingen dat Israël van zijn geboorte af aan een werktuig mocht zijn in de hand van God. Dat de profeet zijn taalvaardigheid heeft gekregen om dienaar van God te zijn. Dienaar mag de profeet zijn in het verzamelen van Israël en het terugbrengen van het volk naar het land Israël. Dat zal bewondering afdwingen en eerbied voor de God van Israël die dat allemaal mogelijk heeft gemaakt.

Als God de profeet hier al vanaf zijn geboorte voor heeft bestemd en de profeet ook heeft uitgerust met de capaciteiten die daar voor nodig waren dan rijst de vraag of die profeet het ook gemakkelijk heeft gehad met die taak? Dat zou het voor ons immers ook eenvoudig maken om er achter te komen welke taak God voor ons heeft weggelegd.

Maar nauwkeurige lezing van het gedeelte van vandaag leert ons dat de profeet het helemaal niet gemakkelijk heeft gehad. Tevergeefs heeft hij zich afgemat, al zijn krachten zijn verbruikt, het heeft allemaal geen zin gehad. We moeten aannemen dat de profeet zich consequent heeft gehouden aan de Wet van God zoals die op Sion werd bewaard. Sommige geleerden menen dan ook dat met de ik die hier spreekt niet de profeet wordt bedoeld maar Jeruzalem sprekend wordt ingevoerd. Maar het is de profeet die als dienaar wordt geroepen en dienaren kunnen nog zo hard werken het lukt niet altijd, het lukt zeker niet op eigen kracht.

Ook de ballingen zullen moeten kunnen volhouden als ze terugkeren. Elders in de Bijbel lezen we daar ook een verhaal over en dan blijkt dat ze de muren van Jeruzalem moesten opbouwen met in één hand de stenen en het cement en in de andere hand het zwaard. En geef toe, wij kennen dat toch ook die vermoeidheid? Hoe vaak is er niet geroepen om vrede, is er geschreeuwd om gerechtigheid. Hoe veel acties zijn er al wel niet geweest om hongerige kindertjes te voeden, om weer nieuwe weeshuizen te bouwen, om medicijnen voor zieken te kunnen kopen. Hoe lang bestaat de Fair Trade beweging al wel niet en hoe langzaam gaat de groei van de markt voor eerlijke handelsverhoudingen. Ook wij worden er wel eens moe van en velen zijn afgehaakt in de loop van de jaren.

Maar net als de profeet mogen we volhouden omdat ons streven recht gedaan zal worden. We mogen moed putten uit het vertrouwen dat spreekt uit de woorden van de profeet. Dit vertrouwen is immers een licht voor alle volken en reikt tot aan de einde der aarde. Dat licht mogen we dragen en verspreiden, ook vandaag.

Er is wel durf voor nodig. Dat is de gedachte die regelmatig opkomt als je de verhalen over Jezus van Nazareth leest. We hebben het verhaal van Johannes gelezen die aan de Jordaan bij de woestijn mensen opriep weer volgens de Wet van de Woestijn te gaan leven en, als teken dat ze hun leven wilden veranderen, hen doopte. Er stond toen in dat verhaal dat van heinde en ver mensen toestroomden om zich door hem te laten dopen.

Maar die Johannes werd door Koning Herodes gevangen genomen. Geen wonder dat Jezus van Nazareth onderdook. Hij week uit naar Galilea, dat ook in de dagen van Jezus het land van de Heidenen werd genoemd. Hij ging in een streek wonen waar vroeger de stammen Zebulon en Naftali hadden gewoond. Dat waren twee van de tien stammen die in de tijd van de ballingschap verloren waren gegaan. Ook in de tijd van de profeet Jesaja heette hun gebied al het Galilea van de heidenen, van hen die de Wet niet kennen.

In de dagen van Jezus van Nazareth had Koning Herodes hier niets te vertellen, het gebied viel direct onder Romeins bestuur. Al die duistere en donkere gegevens moeten je niet tot wanhoop drijven schrijft Matteüs dan. Hij roept in herinnering dat de profeet Jesaja ook de mensen uit deze streek had voorgehouden dat in de duisterste duisternis altijd een licht zal opgaan. Een gedachte die we ook vandaag moeten vasthouden. Overal in de wereld zijn nog mensen die in de schaduw van de dood leven. Ook aan die mensen is de boodschap van de Bijbel dat ze door het licht zullen worden beschenen. Aan ons om er aan te gaan werken dat het ook zal gebeuren.

Jezus van Nazareth begon juist in die ook voor hem duistere tijden met zijn verkondiging. En je moet maar durven, in een tijd dat alles uitzichtloos lijkt, de mensen voor te houden dat het beste Koninkrijk dat denkbaar is nabij is. De hemel op aarde, het koninkrijk van de hemel, ligt om de hoek voor het grijpen. Wij willen nog wel eens spreken over de Hemel als iets dat boven ons is, onbereikbaar, maar in Genesis lezen we dat God de hemel schiep als schild tegen het water van de dood dat van boven op ons neer zou kunnen dalen. Het Koninkrijk van de Hemel is dus het Koninkrijk van de bescherming, de bescherming van de zwakken, van de minsten, de bescherming tegen de dood.

In het vervolg op wat Johannes al geroepen had klinkt ook hier de roep tot inkeer. We zullen het echt anders moeten doen. Nu wordt ons nog angst aangepraat, angst voor vreemdelingen, angst voor mensen uit andere landen. Maar de Bijbel roept ons op dat we niet moeten vrezen, zoals de herders uit het Kerstverhaal al hoorden van de Engelen: vrees niet. Jesaja zegt ons dat het licht voor alle volken opgaat en Jezus gaat wonen in het Galilea van de Heidenen. Ook wij mogen dus in vreemdelingen onze zusters en broeders zien, in de volken uit Europa onze landgenoten. Wij mogen ons richten op het liefhebben van God boven alles, met heel ons hart, maar ook met heel ons verstand. We doen dat door onze naaste lief te hebben als onszelf. Ons eigen werk is minder belangrijk dan het volgen van de Weg van Jezus van Nazareth. Pas als we tot inkeer zijn gekomen en iedereen mee willen laten delen in dat Koninkrijk dat nabij is zal dat Koninkrijk ook komen. Simon en Andreas, Jacobus en Johannes ze waren vissers maar ze zouden vissers van mensen worden. Kunnen wij dat ook?

We weten dat de weg van Jezus van Nazareth een weg ten leven is. Bang hoeven we niet te zijn. In het delen met de minste, in het liefhebben van de naaste als onszelf begeven we ons in het Koninkrijk van de hemel, het Koninkrijk waar bescherming is voor iedereen. Paulus leerde ons dat gevangenschap en dood geen prikkels meer hoeven te zijn voor ons handelen. Ons leven is niet meer belangrijk, het leven van de ander is belangrijk geworden, het leven van de kinderen van God mogen we dienen. Daartoe nemen wij ons kruis achter hem op.

Jacobus en Johannes waren bezig de netten te repareren. Mijn tante Corrie, nu diep in de tachtig, deed dat in haar jeugd ook. Ze werkte op een boetzolder in Katwijk aan Zee. Ze was daar aan het netten boeten. In de taal van de kerk heet het nog wel eens dat we moeten boeten voor onze zonden, dat Jezus in zijn dood geboet zou hebben voor ons. Maar van mijn tante leerde ik dat boeten repareren is wat in het leven stuk is gegaan, de netten waren nodig om vis te vangen, vis om van te leven, kapotte netten daar heb je niks aan, dus moet je boeten. Met mensen vangen gaat het bijna net zo, ook mensen kunnen stuk gaan, verkeerde wegen bewandelen, bij de pakken neerzitten, ziek worden of uitgestoten door de samenleving. Aan ons om daarvoor te boeten, om te herstellen wat tussen mensen stuk is gegaan. Daartoe worden wij geroepen, zo mogen wij dienaren van God worden, leerlingen en volgelingen van Jezus van Nazareth. Door het goede te doen en niet dan het goede het kwade bestrijden zegt Paulus. Dat kan, totdat hij komt, totdat God zijn tenten zal spannen op deze aarde.

Amen