Feeds:
Berichten
Reacties

Lezen: Jesaja 51: 1-6

Matteüs 16: 21-27

Gemeente,

Ja ik spreek u aan als gemeente, waar u ook bent. Want iedereen hoort bij de leerlingen van Jezus, het volk van de God van Israël. Om elkaar te beschermen zijn we niet bij elkaar, maar omdat we elkaar, en vele anderen, beschermen horen we wel bij elkaar.

Voor sommigen die nauwkeurig de Bijbel lezen is Jesaja een profeet die verwarring brengt.

Want wie zingt er nu over een oord van vreugde en gejuich als je meest geliefde stad veranderd is in een ruïne. Als er niets over is dan puinhopen. En dan niet zo maar een stad, een stad als alle andere waar jij toevallig van houdt, maar de stad van de berg Sion, waar de Tempel is gebouwd, waar de Tora van God, werd bewaard. Het is Jesaja de profeet die dat doet.  In de Heidense manier van geloven had de God van Israël verloren, was zijn macht op aarde uitgeteld. Zijn volk was weer in Ur der Chaldeeën onder de hoede van de goden van Babel.

Maar Jesaja begint het verhaal van Israël weer opnieuw te vertellen. Over Abram en Sarai, die Abraham en Sara werden onder de terebinten van Mamré, die pas op hoge leeftijd begonnen met het stichten van het volk dat uit zou groeien tot het volk Israël.

De verwarring slaat toe. Het is dus niet over? Het kan opnieuw beginnen? De hulp van God die nodig is voor de bevrijding uit de ballingschap is nabij? Jesaja hoeft de verhalen niet te vertellen, als de Tora uitgegaan is van de God van Israël dan ging daar ook de bevrijding uit de slavernij van Egypte aan vooraf. Zou de God van Israël opnieuw beginnen? En dan begint er vast iemand een Psalm te zingen, die Psalm waarmee we onze kerkdiensten zo vaak beginnen, Hij laat nooit varen het werk dat zijn hand begon.

Het is de herinnering aan het Jeruzalem van voor de verwoesting en de invloed van de Tora die maakt dat je je met Jesaja toch, door alle verwoesting en ellende heen, toch vrolijk kan voelen. Want niet de vijand die de verwoesting veroorzaakte is de baas, niet die vijand is de Heer van de wereld, niet hij is jouw Heer, maar de Heer waar de Tora van uitging is de baas. En die Thora was immers de Liefde, en die Heer was immers de Liefde. En uiteindelijk overwint de Liefde. Daar is je hele leven op ingesteld. Daar richt je je daden op, daar vertrouw je op, dag in dag uit. Die overtuiging, die houding maakt dat je niet bang hoeft te zijn voor de hoon van mensen, dat je je niet hoeft te storen aan hun spot.

Want is het verzet tegen bijvoorbeeld het haat zaaien tegen de Islam en haar aanhangers niet ingegeven door de Liefde voor mensen en het verlangen naar een samenleving waaraan iedereen mee kan doen, zonder angst, zonder zich ingeperkt te hoeven voelen, zonder dat iemand cultuur of eigen overtuiging hoeft op te geven. Mensen die tegen het haat zaaien zijn willen een vreedzame samenleving. Niet alleen hier maar overal in de wereld. En dan slaat de verwarring weer toe.

Want moeten wij nu ook de broeders van de Islamitische staat liefhebben? Die vrouwen als gebruiksvoorwerp beschouwen, van wie wordt gezegd dat ze de vrouwen van hun vijanden verkopen als vee, en iedereen die hun geloof niet wil delen doden?  In onze geschiedenis was het Karel de Grote die het Christendom zo bracht aan de Germanen, wie zich niet wilde laten dopen werd gedood, we zijn Keizer Karel toch de Grote blijven noemen en misschien dat de Islamitische Staat IS er voor nodig was om onze houding tegenover de kerstening van ons land te herzien.

Want ons is de vrede van God voorgehouden. Jesaja zal een Heidense koning, koning Cyrus begroeten als Messias als die de Judeeërs, de ballingen, opdracht geeft Jeruzalem en haar Tempel weer op te bouwen, daar komt geen geweld aan te pas. Jeruzalem zal dan een oord zijn van vreugde en gejuich.

Ook Jezus van Nazareth hield zijn leerlingen een Koninkrijk van recht en vrede voor, ook dat zou een oord zijn van vreugde en gejuich. Maar net als in de dagen van Jesaja was er in de wereld van Jezus van Nazareth geen spoor te bekennen van de komst van een dergelijk Koninkrijk. Integendeel, het volk Israël leed onder een wrede bezetting waar ook de uitoefening van de godsdienst voortdurend bedreigd werd. Zware belastingen, het kopgeld, maakten de armen steeds armer, de tol die onderweg geheven werd remde de handel af. In een dergelijke samenleving reisde Jezus met zijn leerlingen rond, iedereen trok achter hem aan staat er dan.

Simon de zoon van Jonas had een bijnaam. Jona betekende duif en boodschapper, maar was de zoon van de duif ook zo zachtmoedig?. Simon was visser dus sterk, hij was rechtlijnig, zoals vissers ook vandaag de dag nog rechtlijnig kunnen zijn. Zijn bijnaam was dan ook rots, Petrus. Maar de combinatie van rechtlijnig en godsdienst brengt splitsingen en wonderlijke ideeën. Die hoeven overigens niet altijd verkeerd te zijn maar je moet wel oppassen. In het stuk dat we vanmorgen hebben gelezen heeft onze Simon Petrus het ineens door. Die Jezus van Nazareth met zijn onvoorwaardelijke liefde voor de mensen en zijn boodschap van heb je naaste lief als jezelf die kan de hele wereld bevrijden. Zo zal de God van de  de Thora,  zijn zoon gezien willen hebben.

Die zoon lijkt het meest van ons allemaal op God, die God immers zag dat het goed was. Als je op die manier met elkaar omgaat heeft ook de dood geen invloed meer op je beslissingen en kan die de gemeenschap die je vormt niet meer omverwerpen. Dat is nauwelijks te geloven en Simon, bijgenaamd Petrus, zal dat geloof ook niet lang volhouden, ook daar gaan we nog van kunnen leren

In die nieuwe wereld past dus geen geweld. Het gebod van Gij zult niet doden is niet een gebod voor een individu, al zullen we ons er ook individueel aan moeten houden, maar is een gebod voor een volk. Als er al strijd werd geleverd door het volk in de Woestijn was dat een strijd als instrument voor de God van Israël. Daarom hief Mozes zijn handen omhoog tijdens de strijd en als hij ze liet zakken dan verzwakte het leger van Israël.

Jezus probeerde zijn leerlingen  duidelijk te maken dat hij zou moeten lijden. Dat bracht in elk geval Petrus in verwarring. Dat toch nooit. Een geweldige leraar, de zoon van de allerhoogste God, lever je toch niet over aan de Heidenen om te lijden en gedood te worden? God en alle engelen zouden dat verhoeden en tot dat leger zou je als volgeling van Jezus willen behoren.

Het is de manier van denken waar we altijd tegenop lopen. Het is de manier van denken van Karel de Grote en van de Islamitische Staat, wie niet voor mij is, is tegen mij en dan citeer je dus gewoon de Bijbel, maar er staat ook dat allen die het zwaard opnemen door het zwaard zullen vergaan. De oorlogen die in de wereld woeden zijn voor ons te groot, we horen ze en we horen hun geruchten en als er een vliegtuig neerstort met onschuldige reizigers dan komt het geluid van de oorlog schrijnend dichtbij.

Maar we hebben schaduwen van die oorlog ook in onze steden en in onze wijken. Daar wonen jongeren die steeds meer uitgesloten raken van onze samenleving, die steeds minder kansen op werk en vooruitgang hebben. De jeugdwerkloosheid is onder allochtone jongeren het allergrootst. En allochtone jongeren zijn jongeren die hier zijn geboren, soms net als hun ouders en alleen hun grootouders werden in de jaren 60 van de vorige eeuw in een ander land geworven om hier het tekort aan arbeidskrachten op te lossen.

Ze krijgen pas een identiteit die meetelt als ze bij extreme of fundamentalistische groepen aansluiting vinden, daar hebben zij gelijk en heeft iedereen anders ongelijk. Maar moeten wij ze dan met geweld begroeten? Ze eindelijk zien staan door de ogen van de mobiele eenheid? Sommige politici proberen ons in verwarring te brengen door voortdurend te wijzen op dat waar we het niet mee eens zijn. Maar met Jezus mogen wij roepen ga van ons verwarrers, geweld is niet en nooit een oplossing voor problemen. We zullen moeten werken aan hun toekomst, hoe moeilijk dat ook is.

Daarom moeten we voortdurend de visioenen van profeten als Jesaja voor ogen houden. Moeten we voortdurend blijven geloven in de belofte van Jezus van Nazareth dat zijn Koninkrijk zal komen. Dat zijn koninkrijk voor het grijpen ligt, dat Koninkrijk waar alle tranen gedroogd zullen zijn, waar de dood niet meer heerst en dat zo mooi zal zijn dat God zelf op deze aarde zal willen wonen. Daarvoor zullen wij het kruis van Jezus achter hem moeten opnemen. Elke dag mogen we dat opnieuw doen, werkend aan de komst van zijn Rijk, ook vandaag, ook de komende week, aarzel dus niet maar sla de hand aan de ploeg.

Amen

Lezen: Jesaja 40: 12-25

             Matteüs 13: 24-30

Gemeente,

Jesaja schrijft ons dat God helemaal nergens mee te vergelijken is. In zijn tijd werden goden afgebeeld door kundige ambachtslieden. Prachtige kunstwerken konden worden vervaardigd die de goden afbeelden. Alleen een beeld van de God van Israël bestond niet. Jezus van Nazareth, die Gods zoon genoemd zou worden, zou veel later zeggen dat niemand God kon zien als men niet naar Jezus van Nazareth keek. Daarbij ging het dan om wat hij deed en waartoe hij opriep. In het verhaal van Israël over hun verhouding met God ging het om een verbond waarbij God zou zorgen voor dat volk en dat volk hun naaste lief zou hebben als zichzelf. Dat volk bestaat nog steeds. Dat volk ging in ballingschap maar keerde terug naar het land dat hen geschonken was. Daar schrijft deze Jesaja over en dat is voor hem een wonder.

Volken die in ballingschap gaan verdwijnen meestal in de geschiedenis. Soms lastig voor de mensen die de macht hebben, de Oeigoeren in China en de Tartaren op de Krim weten daar alles van. Alleen als ze op elkaar steunen, de zwaksten onder hen weten te helpen en niet de godsdienst overnemen van het land waarheen ze vervoerd zijn dan overleven ze. Wij kunnen dus ook geloven in een God die volgens de natuurwetten en de filosofie niet bestaat. We doen dat door te luisteren naar het verhaal over die God en te doen wat in het verhaal aan mensen wordt gevraagd, je naaste liefhebben als jezelf, ondanks alles. Dat kan ook vandaag weer.

Maar de grootheid van God kan ons ook zeer klein en nietig maken. Een God voor wie de mensen niet meer dan sprinkhanen zijn maakt je zelf onbeduidend. Natuurlijk kan het hoop geven dat ook machthebbers nietig zijn. Maar zou zo’n grote God jouw sores opmerken te midden van het ernstige lijden dat zo veel miljoenen mensen op de aarde overkomt?

Het kan ons dus overkomen, dat onze geest is verdoofd en dat we het even niet meer zien zitten met dat geloof. Dat gebeurt met veel mensen tegenwoordig. En dat gaat soms heel langzaam. Je gaat elke zondag naar de kerk, al jarenlang, maar het werk wordt steeds drukker, je gezin wordt groter en op zaterdag zijn er tal van uiteenlopende bezigheden. Dan komt de dag dat je ook wel eens een keer wil uitslapen. Zomaar een hele morgen op je bed wil blijven liggen. En er zijn toch ook kerkdiensten op radio en tv nietwaar?

Dan blijf je dus een keer thuis. En wat blijkt? Niemand die je mist, niemand die vraagt:  “waar bleef je?”. Als je dat een paar keer is overkomen ga je steeds minder en minder en steeds weer merk je dat niemand je mist, dat niemand zich afvraagt waarom je eigenlijk zo weinig meer komt. Na een tijd is het ritme thuis zo veranderd dat er eigenlijk geen plaats meer is voor de kerkdienst op zondag. Dan ga je alleen nog met kerst, in de nacht omdat dat zo mooi is, soms met Pasen of in de vakantie, uit nieuwsgierigheid.

En de mensen die achterblijven in de kerk maar klagen dat de kerken leeglopen. Soms ontstaat er een discussie over de vraag of die wegblijvers maar geschrapt moeten worden. Allerlei pogingen om ze er weer bij te betrekken mislukken en de schaarse vrijwilligers in de kerk kunnen hun tijd wel beter gebruiken, zorgen bijvoorbeeld voor hen die toch nog komen.

Jezus van Nazareth heeft daar kennelijk toch een ander idee over. Hij wilde graag  duidelijk maken hoe het zit met de komst en de groei van dat Koninkrijk waar hij het steeds over heeft. Je denkt dat je het goede woord hebt verkondigd en dan zie je in een kerk soms ook de prachtige gewaden, de machthebbers, de show en je hoort dat de armen en hun bevrijding verdwijnen achter eigenbelang en eerzucht. Hoe kan dat toch? Dat is het kwade dat altijd het goede zal vergezellen, pas als het Koninkrijk er echt is zal het kwade ten onder gaan. Moet je dan wanhopen en maar ophouden met de vertellen over dat Koninkrijk van eerlijk delen waar de minsten de belangrijksten zijn en er voor iedereen een plaats is? Welnee. Wij mensen maken niet uit wat het kaf en wat het koren is. We weten dat we het kwade moeten bestrijden door het goede te doen en dat geld ook voor het in stand houden van de kerk. De gelijkenis die we vanmorgen gelezen hebben  is daarom op dit moment eigenlijk nog veel actueler. Die van het zaad en het onkruid.

Biologen zeggen dan direct dat onkruid niet bestaat. Alle planten hebben hun doel en bestemming. maar de boer zal zeggen dat dat mooi is, maar als je graan hebt gezaaid dan wil je ook dat er graan groeit en geen distels of papavers of andere struiken. Van graan moet die boer z’n huishouding draaiende houden. Jezus wijst er op dat het voor de boer geen zin heeft om het onkruid er uit te gaan trekken. Lang hebben we gedacht dat we het onkruid wel konden vergiftigen maar daar komen we ook van terug. Uiteindelijk vergiftigen we onszelf daarmee. Laat het onkruid dus maar staan en verwijder het na het maaien. Het verwijderen van onkruid uit de samenleving nu heeft dus geen zin, en straffen moeten we maar aan de rechters overlaten, want dat wat verkeerd is moet benoemd worden en wie verkeerd doet verdient straf.

Het enige wat we kunnen doen is bezig blijven voor een betere samenleving, dus moeten we steeds opnieuw mensen de kans geven opnieuw te beginnen maar dan op de goede weg. Jezus wijst daarbij op het mosterdzaadje, ongeveer het kleinste zaadje dat er is, maar het groeit uit tot een geweldige struik. We hebben daarom ook zelf de keus of we een mosterdzaadje willen zijn, als zuurdesem werken in onze stad, ons land, onze eigen wereld, of dat we onkruid willen zijn dat snel groeit, het grootste en het mooiste wil zijn maar dat het goede verstikt.

En die mensen die weggebleven zijn? We kunnen ook in eigen omgeving vertellen waarom we naar de kerk zijn blijven gaan en wat daar tegenwoordig gebeurd. In deze coronatijd was er een veel grotere belangstelling voor online kerkdiensten dan er gebruikelijk was voor fysieke diensten als deze. Bekend maken waar onze kerkdiensten te zien of te horen zijn is dus ook belangrijk. En ook na een kerkdienst wordt er koffie geschonken, en je ontmoet nog eens iemand. Wij maken niet uit wie er wel of niet bij horen, maar wij mogen wel iedereen uitnodigen om mee te doen.

Amen.

 

Lezen: Jesaja 55: 6-13

Matteüs 13: 1-9

Gemeente,

Zo in de zomer kun je aardig in de knoop komen te zitten met je geloof. De wereld ziet er op het eerste gezicht zonnig uit. Regelmatig zijn er warme, ja zelfs hete dagen, waar het goed genieten is van strand, zwembad of zelfs alleen maar de tuin of het picknickpark, en regelmatig regent het ook en weten we hier op het platteland dat dan groente en fruit zullen groeien en rijpen en regen belooft een goede oogst in het najaar. God schenkt ons een aarde waar we dankbaar voor zijn. Er zijn geen soldaten die ons land leegroven, er wordt geen geweld tegen onze gewassen gebruikt. Waarom zouden we dat eigenlijk niet altijd hebben en waarom hebben ze dat niet over heel de wereld?

Als we de Bijbel op ons in laten werken zou de manier van leven waar wij zo veel voordeel van hebben toch al heel lang gemeen goed moeten zijn. Neem nu het gedeelte dat we vanmorgen uit het boek van de profeet Jesaja hebben horen lezen. Dat boek is door verschillende mensen geschreven en omspant bijna twee eeuwen, maar die eeuwen zijn al zo verschrikkelijk lang geleden dat het voor ons één en dezelfde gebeurtenis lijkt, de ballingschap. Die wordt van begin tot eind beschreven. Dat volk Israël had in de woestijn een stel handige leefregels gekregen, van je moet niet doden, niet liegen en niet stelen en door je naaste lief te hebben als jezelf kon je de God van Israël liefhebben boven alles. Toch waren ze zo stom geweest andere goden na te lopen. Goden van vruchtbaarheid, goden die je eerst zelf moest maken en dan versieren met goud en zilver, goden aan wie je kostbare offers moest brengen tot aan je kinderen toe.

Dat het dan mis gaat weten we inmiddels. Wie zichzelf uitnemender acht dan alle anderen komt uiteindelijk van een koude kermis thuis, of je nu nazi bent die de führer achterna loopt of leninistisch marxist die gehoorzaamt aan de arbeiderselite die de partij bestuurt, het loopt verkeerd met je af. Dat was ook met het volk Israël gebeurd. Maar toen ze in de ballingschap weer naar de God van Israël gingen luisteren mochten ze uiteindelijk terug. Mochten ze ook laten zien dat ze er van hadden geleerd. De profeten uit de school van Jesaja letten er op dat de weg van de God van Israël duidelijk bleef.

Als een marktkoopman spreekt de profeet de juist teruggekeerde ballingen toe. En als ze naar de Tempel zijn gegaan zijn ze op het goede adres. Door de woestijn hebben ze de reis gemaakt van het ballingsoord naar Jeruzalem waar ze de Tempel weer op moeten bouwen en de stad opnieuw van muren moeten voorzien. En in de Tempel, zelfs in de ruïne die is overgebleven, gelden de richtlijnen die het volk ooit bij de verlossing uit de slavernij in de Woestijn heeft ontvangen. Daar houdt men een maaltijd met de familie, de dienaren van de Tempel, de armen en de vreemdelingen die voor je werken. Daar is dus water en brood te krijgen voor niks, daar is een feest gaande van samen delen.

Natuurlijk kan er ook in religieuze zaken worden gehandeld. Natuurlijk zal een plotselinge stijging van de vraag de prijs kunnen laten stijgen. We kenden dat bij evenementen en een zomerse toestroom van extra gasten, dan gaan de prijzen van voedsel en drank omhoog. Ook de terugkeer van ballingen zal het in zich gehad hebben de voedselprijzen te laten stijgen. Maar juist die rare bijzondere godsdienst rond de Tempel in Jeruzalem maakt dat daar niet het maken van winst voorop staat maar het zorgen voor elkaar. Al dat maken van winst en profijt dat voedt niet.

Bij een nieuw begin van een samenleving is samen delen de eerste voorwaarde. Daarom moet eerst de Heer gezocht worden. Want voor die samenleving is dat nieuwe eeuwig durende verbond nodig. Die samenleving wordt geregeerd zoals David regeerde, in vrede en met gerechtigheid. Zo moet de hele wereld geregeerd worden. Daar komen dan zelfs vreemde volken op af. Zo mag je iedereen oproepen mee te gaan doen met de samenleving van de God van Israël. De goddeloze en de onrechtvaardige moeten er toe gebracht worden af te zien van hun goddeloosheid en hun snode plannen. Doen ze mee? Dan zijn ze welkom.

De Weg van de God van Israël is niet de gewone weg. De gewone weg is een weg van geweld en van winst en profijt. Een weg met slavernij en onderdrukking. De Weg van de God van Israël is zorgen voor elkaar en het neuriën vanmorgen is al een heel klein teken van die zorg.

Daarom mag je er op vertrouwen met heel je leven. Het zijn geen loze woorden, het gaat niet om de winst van een ander, het gaat om jouw eten en drinken, en dat van de armsten en de minsten onder ons.

Hoe komt dat toch, dat kan toch niet alleen liggen aan mensen die zich uitnemender achten dan een ander. Houden van een ander als van jezelf kun je eigenlijk alleen maar als je dat samen doet. In de woestijn werd het volk Israël ook echt een volk, een volk dat voor elkaar in stond.

Maar hoe krijg je het in die stomme koppen dat je van anderen moet houden als van jezelf.  Dat het in het Koninkrijk met de regels voor de menselijke samenleving niet gaat om wie de eerste, de beste, de knapste, de sterkste of de rijkste is. Je legt het geduldig uit. Jezus gebruikt hele knappe voorbeelden. Gelijkenissen zijn die gaan heten. Maar hoe komt het toch dat als je dag in dag uit, jaar in jaar uit het meest voor hand liggende vertelt het toch niet altijd over komt. Niet altijd want soms, heel soms, willen mensen het best geloven zoals er in onze dagen voor elkaar wordt gezorgd en om elkaar wordt gedacht.

.Je kunt het wel horen, en misschien ook wel begrijpen maar er zijn nu eenmaal machtigen en rijken die er belang bij hebben de boodschap te verdraaien en twijfel te zaaien. Als het leven zo eenvoudig was dan was het een wanorde zeggen ze, de wetten zijn te ingewikkeld voor gewone mensen zeggen ze, de verdeling tussen arm en rijk kan nu eenmaal niet anders, zeggen ze, vrede moet met geweld afgedwongen worden, zeggen ze, we moeten bang zijn voor elkaar, zeggen ze. En steeds weer zijn er mensen die er intrappen. Jezus van Nazareth noemt mensen die hier intrappen dom, het leven in het Koninkrijk laten ze zich ontstelen.

In het verhaal over de discipelen die graan malen op de Sabbat wordt dat duidelijk. In de wetboeken van het volk stonden twee wetten. De eerste is dat je op de Sabbat niet mag werken, jij niet, je slaven niet en zelfs je vee niet. Maar er is ook een regel over de oogst. Die zegt dat je het graan aan de randen van de akkers moet laten staan voor de armen, voor de hongerigen. En nergens staat dat je op de Sabbat honger moet lijden. In de woestijn kreeg het volk op de dag voor de Sabbat twee maal manna, als je op andere dagen voor twee maal verzamelde dan bedierf dat extra manna.

Die honger is een sleutel. Jezus wijst er op dat David het brood vroeg dat in de Tabernakel voor God op tafel stond en waar anders niemand meer van mocht eten. En dan die farizeeën die zich zo beriepen op de wet, de priesters onder hen die werkten op de Sabbat toch ook gewoon in de Tempel? En dat werk mocht eigenlijk ook niet maar het kon nu eenmaal niet anders. De leerlingen van Jezus waren arm en hadden honger. Ze maakten zich op om de armen de blijde boodschap te brengen. Ze waren niet anders als David of als de priesters in de Tempel. Ze waren mensen van God.

Zo mogen ook wij zorgen voor elkaar. Niemand hoort slaaf te zijn van wat voor werk dan ook. Daarom horen we als volk één dag in de week samen vrij te zijn. Dat neemt niet weg dat op die vrije dag, de zondag bij ons, veel mensen werken om voor een ander te zorgen. Dat mag best, dat kan namelijk niet anders. Want de zondag ontslaat ook ons niet voor anderen te zorgen, de zieken te verzorgen, de ouderen te bezoeken en de hongerigen eten te geven.

Amen

Lezen: Johannes 14:1-14

Gemeente, want zo zijn we verenigd.

De eerste volgelingen van Jezus van Nazareth werden de mensen van de Weg genoemd. Zij probeerden de weg te volgen die Jezus van Nazareth hen had gewezen, ofwel op de manier te leven die hij hen had voorgedaan. Dat was niet eenvoudig. Toen hij nog bij hen was had hij het hen voorgedaan, maar hij was gekruisigd en begraven. Daarna was hij opgestaan en was hij teruggekomen en nog later had hij zijn geest gestuurd. Toch bleef het moeilijk. Daarom heeft de schrijver van het Evangelie van Johannes dit verhaal opgeschreven. Je hoeft niet allemaal op dezelfde manier te geloven. Er zijn vele plaatsen waar je de Weg van Jezus van Nazareth kunt volgen. De Bijbelvertalers vertalen het Grieks dat er staat sinds Luther graag met “kamers”, maar er staat eigenlijk plaats, een plaats door Jezus gereed gemaakt.

Voordat Jezus gekruisigd en gestorven was wisten ze niet waar het verhaal op uit zou lopen. Tomas had er nog naar gevraagd, zoals hij na de opstanding was blijven vragen naar de wonden die Jezus had opgelopen. Filippus had nog steeds niet door dat God dienen hetzelfde zou zijn als doen als Jezus deed. Pas na de opstanding had hij door dat al die profeten waar hij van had gehoord datzelfde hadden verteld. Toen zag hij de mensen langs de weg wel degelijk. Als je iets wilt op de manier waarop Jezus van Nazareth dat wilde dan krijg je dat ook. Maar pas toen de Geest over hen kwam snapten ze het. Toen wisten ze dat de liefde voor de naaste als voor jezelf de sleutel was tot een wereld zonder tranen en verdriet. Toen wisten ze dat delen met elkaar, desnoods delen van jezelf, de Weg was. De Weg die Jezus was gegaan en die hem bij de Vader had gebracht. Toen wisten ze pas dat zij ook die Weg moesten gaan en de hele bewoonde wereld van die Weg moesten vertellen.

Toen wisten ze pas dat ze moesten delen met al die mensen uit de hele bewoonde wereld. Toen wisten ze pas dat de Vader ook in hen kon zijn als ze zich maar bleven herinneren hoe Jezus van Nazareth was geweest. Want zijn beslissing om zijn macht en populariteit niet te gebruiken maar zich eerder aan het kruis te laten hangen dan zijn volk bloot te stellen aan een bloedige oorlog had hen de macht gegeven een gemeenschap van Liefde te vormen, samen die weg ook te gaan. Johannes was de laatste die het verhaal van Jezus van Nazareth had opgeschreven. Er was toen al een hele tijd overheen gegaan en veel mensen waren de Weg van Jezus van Nazareth gegaan tot in de dood toe. Maar Johannes wist, en schreef dat op, dat wie de Weg volgt van Jezus van Nazareth net zoveel als hij kan doen. Je kunt zelfs meer doen als je blijft leven. Wij kunnen de armen bevrijden, de hongerigen voeden, de thuislozen een thuis geven. De zieken bij onze samenleving laten blijven horen. Wij kunnen die nieuwe wereld naderbij brengen.

Amen.

Lezen: Genesis 2:15-3:9

              Matteüs 4: 1-11

Gemeente,

Vandaag, aan het begin van de dagen waarop we ons bezinnen over het lijden van de wereld en hoe we hongeren en dorsten naar gerechtigheid lezen we verhalen over verleiding. We realiseren ons op de deze zondag dat we ook zelf bloot staan aan verleiding. Neem nu de verhouding man en vrouw. Wat zegt de man in het verhaal? ‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, een die zal heten: vrouw, een uit een man gebouwd

De uitroep die je hier boven ziet staan die hoor je tegenwoordig maar weinig meer. Mannen roepen dat niet als ze vrouwen zien, vrouwen roepen dat niet als ze mannen zien. Tegenwoordig doen we of mannen en vrouwen zeer verschillen. In het Hebreeuws klinken de woorden voor man en vrouw echter bijna hetzelfde, Ish en Isha, en dat maakt dat wat hier gezegd wordt, een gelijk aan mij, een bijzondere lading krijgt die we niet uit het oog moeten verliezen. In Bijbelse zin, in de Christelijke gemeente, spelen de verschillen tussen man en vrouw geen rol. Ze worden één lichaam, want ze zijn van oorsprong één lichaam en zo keken ze van oorsprong ook naar elkaar.

Dat woordspel begint al in het begin van het gedeelte dat we vandaag lezen uit de Nieuwe Bijbelvertaling. Wat is dan dat bijzondere woordspel dat hier plaatsvind? Dat begint met het uitgangspunt, de aarde, die was opnieuw in het verhaal woest en ledig, droog en dor zelfs want het had nog niet geregend. Maar in dit stuk zijn de woorden mens, aarde, land, aardbodem en akker allemaal woorden die in het Hebreeuws op elkaar lijken. De aarde moet bewerkt worden maar de mens ook, die de levensadem van God krijgt. En als dan de tuin is afgepaald en er bomen met vruchten opschieten dan moet de aarde bewerkt worden zodat er dieren ontstaan waarover de mens kan heersen. Dan moet vervolgens de mens bewerkt worden zodat die niet langer alleen is. Dat zijn dus geen losse gebeurtenissen maar uit de manier waarop het verhaal ons wordt verteld is het één proces, het verhaal over de wording van de mens en zijn verhouding tot de aarde.

Waar die ideale tuin overigens gelegen heeft is niet helemaal duidelijk. De meest stoutmoedige opvatting is dat de schrijver hier namen noemt die de tuin plaatsen in het midden van het land van de ballingschap. Daar waar het volk Israël na de verwoesting van de Tempel en Jeruzalem heengevoerd was lag het land, de bloedrode akker, waar de bloedrode mens uit gevormd was. Niet om de goden te dienen zoals de Babyloniërs geloofden, maar om de geliefden van God te zijn. Geliefden omdat zij zijn geboden zouden onderhouden. De mens wordt immers geroepen om te kiezen voor het leven en weg te blijven bij de kennis van goed en kwaad. Paulus zou zeggen dat we het goede moeten doen en niet dan het goede. Dat begon al bij het begin. Daar ging het om en daar gaat het om, ook vandaag nog. Ook dit verhaal spoort ons aan geen onderscheid tussen mensen te maken, niet de ene hoger te stellen dan de ander, geen oordeel over elkaar uit te spreken en je niet voor elkaar te schamen. Dat goede kunnen we elke dag opnieuw doen.

“Alles is toegestaan, maar niet alles is nuttig” zou Paulus later schrijven. En ook hij had het over het goede en het kwade. Want ook al weet de mens dat het goede nu eenmaal ook het beste is en het kwade altijd te vermijden en verwerpelijk, toch gaat de nieuwsgierigheid van de mens altijd naar het kwade uit. De schrijvers van de Bijbel wisten dat. En uit het verhaal van de tuin die God geschapen had en waarvan God had gezien dat het goed was komt de vraag naar het kwade. Hoe zit dat dan? Er is een dier dat zich ongestraft over een boom zou kunnen bewegen die God verboden zou hebben. Dat is de slang, hier staat hij als een sluw, dier maar dat woord wordt elders vertaald met slim. Veel volken uit de tijd dat de Bijbel ontstond geloofden dat de slang een bijzonder dier was. Dat dier liet zijn vel achter en vernieuwde zo zelf zijn leven. En dat beeld wordt hier gebruikt. Als de mens heer is over de dieren dan zal de mens dat vermogen toch ook wel hebben? Dan kan het zelf zijn leven vernieuwen? En dan weten we gelijk van goed en kwaad. Dan zijn we gelijk aan God.

We oordelen zo graag, we plakken zo graag etiketten op mensen van goed en kwaad. De vrouw uit ons verhaal heeft dat moeten ondervinden. Als naar de vrouw gevraagd werd dan werd ze een verleidster die met haar sluwe streken de man onder haar macht had weten te krijgen. Maar nergens kun je dergelijke beelden in het verhaal lezen. De vrouw zag de slang, de man was er bij en keek er naar en toen de ene mens van de vrucht van de boom had gegeten bleef de andere mens niet achter. En vergeet niet, elk mens was mannelijk en vrouwelijk geschapen. De man en de vrouw werden echter gelijk aan de dieren, zoals ze gelijk aan de slang hadden willen zijn, ze waren mannetjes en vrouwtjes geworden niet meer voor elkaar bestemd maar voor de voortplanting van de soort. En daar hoort de schaamte bij.

De verleiding ligt dus niet alleen in het begin, het is de waarschuwing dat de verleiding in hele mooie beelden elke dag tot ons komt. Want wat is er mooier dan gelijk aan God te zijn. Paulus zegt ergers dat het nog mooier is een goed mens te zijn. Daarom lezen we ook over de verleidingen waaraan Jezus van Nazareth blootgesteld werd.

Toen Matteüs dat verhaal opschreef was het verhaal van Jezus van Nazareth al bekend. Wat hij had gedaan, wat hij had geleerd, hoe het afgelopen was, het werd allemaal verteld in verhalen die men kende. Matteüs moest ze opschrijven zodat ze op de juiste manier zouden worden doorverteld

We geloven niet in de duivel, maar we geloven in God. Als je dat zegt rijst de vraag wat je dan moet met dit verhaal van Matteüs over de verleiding door de duivel. Nu staat er in het verhaal dat Matteüs er niet bij is geweest. Het lijkt een journalistiek verslag van een gesprek, of een serie gesprekken, tussen de net gedoopte Jezus van Nazareth en de beproever, de tester. Dat kan het niet zijn want dan had de journalist er zelf bij moeten zijn, ook Jezus zelf heeft het kennelijk niet aan Matteüs of zijn leerlingen verteld. Het is dus een verhaal dat antwoord geeft op vragen. Een vorm die wij bijna verloren zijn maar die je kunt vergelijken met de gelijkenissen die ook in de Bijbel staan. Het verhaal gaat dan over visioenen. Na veertig dagen vasten wordt je helder in je hoofd en loop je de kans visioenen te zien.

Het eerste visioen van Jezus ging over hemzelf, hij had honger en het gevoel dat hij de stenen in brood kon veranderen. Matteüs had de behoefte om aan zijn publiek duidelijk te maken dat Jezus een gehoorzame Jood was en citeerde uit het boek Exodus, een van de boeken van de leer van Mozes, waar inderdaad staat dat een mens niet van brood alleen leeft, maar van Gods woord, afhankelijk is van de Liefde dus. Met het gooien met Bijbelteksten moet je overigens heel voorzichtig zijn en ook dat leert dit verhaal van Matteüs.

De duivel nam hem mee naar het hoogste punt van de tempel en zong een psalm die waarschijnlijk regelmatig in de tempel was gezongen. Psalm 91, waar de dichter lyrisch wordt over de hulp en steun die je van de God van Liefde kunt verwachten. Maar Jezus houdt zich aan de leer van Mozes en antwoordt weer met een citaat uit het boek Exodus: stel God niet op de proef. En ook de derde keer is het de leer over de Liefde, zoals verwoord in het boek Exodus waarmee Matteüs aantoont hoe trouw die Jezus wel niet was aan het uitgangspunt van de bijzondere belijdens van Israël, er is maar één God en onze God is één.

Drie maal is er de verzoeking die elke leider en elke machthebber heeft. In de eerste plaats kun je voor jezelf zorgen, de collecte, de belasting, de winst in eigen zak steken, zorgen dat het jou aan niets ontbreek, ook al gaat je bedrijf te gronde als bestuurder kun je de grootste bonussen opstrijken. Je kunt, op de tweede plaats, je roeping, je macht op alle manieren proberen te bewijzen, en alles wat goed gaat, ook ondanks jezelf, aan jezelf toerekenen, menig politicus blijft daardoor lang populair. En je kunt, op de derde plaats, op alle manieren, ook de verkeerde, proberen je macht te behouden en te vergroten, schending van mensenrechten, verdwijningen, terreur, angst zaaien, wie de wereld rondkijkt ziet voldoende voorbeelden.

Het zijn de drie verleidingen waar nog tot op de dag van vandaag vele leiders en machthebbers binnen en buiten kerken voor zwichten. Het gaat niet op de eerste plaats om ons eigen inkomen, het gaat er ook niet om ons eigen gelijk te bewijzen, het gaat er zeker niet om meer te zijn dan een ander, het gaat om recht te doen aan de minsten onder ons, ook vandaag nog.

Het weerstaan van de verleidingen door Jezus zou uitlopen op zijn kruisiging. Dat kruis staat ons al vanaf het begin van de veertig dagentijd voor ogen. Jezus zou ons oproepen zijn kruis achter hem op te nemen. Want pas door het kruis te accepteren, symbool van vernedering en smaad, kunnen we de dood overwinnen, gaan we op weg naar een wereld waar het eigenbelang niet meer telt, waar de lammen lopen en de blinden zien, waar de naakten gekleed en de hongerigen gevoed worden. Waar mensen niet meer hoeven te vluchten voor onderdrukking en geweld. Voor ons is dat misschien helemaal geen beloning, maar ook onze honger en dorst naar gerechtigheid zijn dan gestild. Tot die dag mogen we aan het werk, voor al die mensen die het nodig hebben.

Amen

Lezen: Jesaja 43: 9-12

             Matteüs 5: 13-16

Gemeente

De geloofsbelijdenis van het volk Israël is “Hoor Israël, uw God is één” Eigenlijk is er maar één God, hoe de andere volken er ook over denken. Dat horen en dat inzien is de taak van dat volk. Dan krijgt het volgen van de Tora, de onderwijzing door Mozes en door God ook zin. Want die God van Israël is een God die slaven bevrijdt en de Tora leert hoe je een samenleving inricht waarin mensen bevrijdt zijn van onderdrukking en ellende. Christenen zullen dat uiteindelijk ervaren als zelfs een bevrijding van de dood.

Maar die God kan pas een God voor de mensen zijn als die mensen in die God gaan geloven, dan gaan die mensen de Weg van die God. Zonder dat mensen geloven blijft die God natuurlijk wel een God maar dat God zijn heeft onder mensen geen betekenis meer. Andersom, als mensen de Weg van die God volgen, de Weg van de Tora, de inrichting van de menselijke samenleving dan krijgt dat God zijn van de God van Israël een echte betekenis, ook al zie en hoor je alleen de mensen die in hem geloven en zijn Weg gaan.

De profeet Jesaja gebruikt hier, als zo vaak, een beeld uit de rechtspraak. Het volk is getuige van de God van Israël. Is die God een bevrijder uit de slavernij? Heeft die God, als eerste en enige God beloofd het volk weer thuis te brengen uit de ballingschap? Het zijn vragen die een beschuldiging inhouden. Als je nee zegt op die beide vragen dan is die God van Israël geen God die anders is dan de andere Goden. En alleen het volk kan getuigen van het werkelijke antwoord. Zoals getuigen voor een rechtbank vertellen wie de verdachte is en kan zijn, omdat ze hem kennen of omdat ze hem wetenschappelijk hebben onderzocht.

In dit geval gaat het om getuigen die het aan den lijve hebben ervaren. Ook al volgen ze de Tora niet, zijn ze dus doof en blind voor de God van Israël, toch mochten ze terugkeren naar Jeruzalem om daar de Stad en de Tempel weer op te bouwen. Die belofte hadden ze vanaf het begin van de ballingschap. Door die belofte konden ze vasthouden aan de leefregels die ze van de God van Israël hadden gekregen, de voedselvoorschriften, de besnijdenis van de jongetjes, het houden van de Sabbat.

Eigenlijk is het volgen van de Tora de beste getuigenis van de macht en de grootheid van de God van Israël. Jezus van Nazareth zal daarom het volk houden dat het niet gaat om te roepen Here, Here, maar om het doen van de wil van de Vader. Ook Baäl betekent “Heer” in het Hebreeuws en dus alleen “Heer” roepen alsof je de God van Israël eert kan in werkelijkheid het nalopen van andere goden zijn. Pas in het liefhebben van de naaste als jezelf wordt duidelijk hoe sterk de God van Israël eigenlijk is. In dat liefhebben krijgt geen vijand, geen macht of kracht werkelijk greep op jou. Zelfs de dood is geen prikkel dat je gedrag zal kunnen bepalen. De God van Israël is en blijft jouw God.

Jacobus zal aan de eerste Christelijke gemeenten schrijven dat geloof zonder lief te hebben, zonder de werken zal hij dat noemen, een dood geloof is. Tegenwoordig zeggen we dan een God is dood geloof. Het is geen geloof waar je zelf beter van wordt. Gelovigen die zich inzetten voor de bevrijding van slaven in welke vorm dan ook lopen de kans gevangen te worden gezet, gemarteld te worden en zelfs gedood te worden. Maar ze weten eindelijk mens te zijn zoals God dat bedoeld heeft en niet de marionet die de machten en krachten in de wereld van mensen maken. Elke dag opnieuw kunnen we in deze bevrijding gaan delen, ook vandaag weer, door de Weg van het liefhebben van de zwakste te volgen.

Het gaat er dus om dat de mensen om je heen iets merken van jouw geloof in de God van Israël, jouw vertrouwen in zijn Zoon, jouw betrokkenheid op het Koninkrijk dat komt en waar we vandaag aan mogen beginnen.

Maar hoe kun je nu het zout van de aarde zijn en pas in de hemel toegejuicht worden, zoals Matteüs ons lijkt te zeggen? Dat lijkt niet echt met elkaar te kloppen. Tenminste als je de hemel na de dood van de mensen plaatst. En waarom zou je dat doen? De hemel kan op aarde aanbreken als overal vrede en gerechtigheid heerst, als alle volken zich tot Jeruzalem keren en ieder de Wet van Liefde aanhangt en in praktijk brengt. We hebben het al zo vaak in de Bijbel kunnen lezen.

We kennen de helden uit het heden die vernedering en smaad uithielden omdat ze overtuigd waren van de rechtvaardigheid van hun opvattingen. Ook in onze eigen geschiedenis. In het kader van 75 jaar bevrijding zullen we veel verhalen over dat soort helden horen, en we mogen hun voorbeeld volgen. Maar ook dichterbij in de geschiedenis kennen we dat soort helden. Het uithoudingsvermogen van iemand als Nelson Mandela zou uiteindelijk de afschaffing van Apartheid in Zuid Afrika mogelijk maken. Zijn idealen maakten zelfs een vreedzame overgang mogelijk.

Maar we hoeven niet zulke grote persoonlijkheden als hij te hebben. Matteüs heeft het over het “zout der aarde” Zout zie je niet in je eten, maar zonder smaakt het meeste eten flauw. Pas als er zout in zit krijgt het smaak. Met dat onzichtbare zout worden de volgelingen van Jezus van Nazareth vergeleken.

Dat zout kunnen we elk voor zich zijn. Verspreid door de samenleving kom je dan steeds mensen tegen die het goede willen doen en niet dan het goede. Het maakt het leven voor velen weer dragelijk, het geeft mensen energie om ellende te doorstaan, om getroost te worden en bevrijdt te worden van machten die hen gevangen houden.

Maar samen als gemeente in Assendelft, als Protestantse Kerken in Nederland kan het nog mooier worden. Samen kunnen we een licht zijn, voor de samenleving waar we deel van uitmaken, maar ook voor de hele wereld. We kennen niet voor niets een kerk in actie. Want vanmorgen horen we uit het Evangelie dat een gemeente waar niemand iets van merkt, die onder de korenmaat leeft, eigenlijk onbestaanbaar is. Wij mogen de stad bouwen waar ook Jesaja het over heeft. Een stad die schittert en voor iedereen te zien is. Hoe meer van dat soort steden en dorpen er zijn, hoe lichter het wordt in de wereld. Er moet nog veel werk voor worden verzet. Aarzel niet, aan het werk dus.

Amen

Lezen: Jesaja 49: 1-7

             Matteüs 4: 12-22

Gemeente,

Het is vandaag roepingenzondag, de zondag waarop we stilstaan bij het feit dat we door de Heer geroepen zijn om zijn dienaren, zijn volgelingen, zijn leerlingen te worden. Het is eigenlijk een antwoord op de verhalen die de Kerk vanaf oude tijden in de afgelopen weken heeft verteld. Op 6 januari begon dat met de komst van de wijzen uit het Oosten die de geboorte van de bevrijder van Israël kwamen vieren. Vervolgens vertelde de kerk het verhaal van de verschijning van de geliefde zoon van God, het verhaal van de doop in de Jordaan en de vorige week heet in de Kerkelijke geschiedenis Kanazondag, over het verhaal dat Jezus van Nazareth zijn eerste teken gaf. Wat we allemaal met die mooie verhalen moeten, horen we vandaag. In de lezing uit het Evangelie naar Matteüs hebben we gehoord hoe er geciteerd werd uit het boek van de profeet Jesaja, en om de betekenis van de citaten, en daarmee de betekenis van het verhaal van Jezus van Nazareth goed te begrijpen moeten we dus eerst terug naar dat boek van de profeet Jesaja.

Het gedeelte dat we gelezen hebben is het begin van het tweede deel van het boek van Jesaja. We noemen dat Deutero-Jesaja. Keizer Cyrus had de ballingen opdracht gegeven terug te gaan naar hun land en daar de Tempel te herbouwen. Het gaat dus over de terugkeer naar Jeruzalem en de hervestiging van de Tempel op de berg Sion, waar de Wet van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf werd bewaard en verkondigd. Een vreugdevolle opdracht dat een lied verdient en dat lied hebben we gelezen.

De Profeet begint zijn lied met het bezingen dat Israël van zijn geboorte af aan een werktuig mocht zijn in de hand van God. Dat de profeet zijn taalvaardigheid heeft gekregen om dienaar van God te zijn. Dienaar mag de profeet zijn in het verzamelen van Israël en het terugbrengen van het volk naar het land Israël. Dat zal bewondering afdwingen en eerbied voor de God van Israël die dat allemaal mogelijk heeft gemaakt.

Als God de profeet hier al vanaf zijn geboorte voor heeft bestemd en de profeet ook heeft uitgerust met de capaciteiten die daar voor nodig waren dan rijst de vraag of die profeet het ook gemakkelijk heeft gehad met die taak? Dat zou het voor ons immers ook eenvoudig maken om er achter te komen welke taak God voor ons heeft weggelegd.

Maar nauwkeurige lezing van het gedeelte van vandaag leert ons dat de profeet het helemaal niet gemakkelijk heeft gehad. Tevergeefs heeft hij zich afgemat, al zijn krachten zijn verbruikt, het heeft allemaal geen zin gehad. We moeten aannemen dat de profeet zich consequent heeft gehouden aan de Wet van God zoals die op Sion werd bewaard. Sommige geleerden menen dan ook dat met de ik die hier spreekt niet de profeet wordt bedoeld maar Jeruzalem sprekend wordt ingevoerd. Maar het is de profeet die als dienaar wordt geroepen en dienaren kunnen nog zo hard werken het lukt niet altijd, het lukt zeker niet op eigen kracht.

Ook de ballingen zullen moeten kunnen volhouden als ze terugkeren. Elders in de Bijbel lezen we daar ook een verhaal over en dan blijkt dat ze de muren van Jeruzalem moesten opbouwen met in één hand de stenen en het cement en in de andere hand het zwaard. En geef toe, wij kennen dat toch ook die vermoeidheid? Hoe vaak is er niet geroepen om vrede, is er geschreeuwd om gerechtigheid. Hoe veel acties zijn er al wel niet geweest om hongerige kindertjes te voeden, om weer nieuwe weeshuizen te bouwen, om medicijnen voor zieken te kunnen kopen. Hoe lang bestaat de Fair Trade beweging al wel niet en hoe langzaam gaat de groei van de markt voor eerlijke handelsverhoudingen. Ook wij worden er wel eens moe van en velen zijn afgehaakt in de loop van de jaren.

Maar net als de profeet mogen we volhouden omdat ons streven recht gedaan zal worden. We mogen moed putten uit het vertrouwen dat spreekt uit de woorden van de profeet. Dit vertrouwen is immers een licht voor alle volken en reikt tot aan de einde der aarde. Dat licht mogen we dragen en verspreiden, ook vandaag.

Er is wel durf voor nodig. Dat is de gedachte die regelmatig opkomt als je de verhalen over Jezus van Nazareth leest. We hebben het verhaal van Johannes gelezen die aan de Jordaan bij de woestijn mensen opriep weer volgens de Wet van de Woestijn te gaan leven en, als teken dat ze hun leven wilden veranderen, hen doopte. Er stond toen in dat verhaal dat van heinde en ver mensen toestroomden om zich door hem te laten dopen.

Maar die Johannes werd door Koning Herodes gevangen genomen. Geen wonder dat Jezus van Nazareth onderdook. Hij week uit naar Galilea, dat ook in de dagen van Jezus het land van de Heidenen werd genoemd. Hij ging in een streek wonen waar vroeger de stammen Zebulon en Naftali hadden gewoond. Dat waren twee van de tien stammen die in de tijd van de ballingschap verloren waren gegaan. Ook in de tijd van de profeet Jesaja heette hun gebied al het Galilea van de heidenen, van hen die de Wet niet kennen.

In de dagen van Jezus van Nazareth had Koning Herodes hier niets te vertellen, het gebied viel direct onder Romeins bestuur. Al die duistere en donkere gegevens moeten je niet tot wanhoop drijven schrijft Matteüs dan. Hij roept in herinnering dat de profeet Jesaja ook de mensen uit deze streek had voorgehouden dat in de duisterste duisternis altijd een licht zal opgaan. Een gedachte die we ook vandaag moeten vasthouden. Overal in de wereld zijn nog mensen die in de schaduw van de dood leven. Ook aan die mensen is de boodschap van de Bijbel dat ze door het licht zullen worden beschenen. Aan ons om er aan te gaan werken dat het ook zal gebeuren.

Jezus van Nazareth begon juist in die ook voor hem duistere tijden met zijn verkondiging. En je moet maar durven, in een tijd dat alles uitzichtloos lijkt, de mensen voor te houden dat het beste Koninkrijk dat denkbaar is nabij is. De hemel op aarde, het koninkrijk van de hemel, ligt om de hoek voor het grijpen. Wij willen nog wel eens spreken over de Hemel als iets dat boven ons is, onbereikbaar, maar in Genesis lezen we dat God de hemel schiep als schild tegen het water van de dood dat van boven op ons neer zou kunnen dalen. Het Koninkrijk van de Hemel is dus het Koninkrijk van de bescherming, de bescherming van de zwakken, van de minsten, de bescherming tegen de dood.

In het vervolg op wat Johannes al geroepen had klinkt ook hier de roep tot inkeer. We zullen het echt anders moeten doen. Nu wordt ons nog angst aangepraat, angst voor vreemdelingen, angst voor mensen uit andere landen. Maar de Bijbel roept ons op dat we niet moeten vrezen, zoals de herders uit het Kerstverhaal al hoorden van de Engelen: vrees niet. Jesaja zegt ons dat het licht voor alle volken opgaat en Jezus gaat wonen in het Galilea van de Heidenen. Ook wij mogen dus in vreemdelingen onze zusters en broeders zien, in de volken uit Europa onze landgenoten. Wij mogen ons richten op het liefhebben van God boven alles, met heel ons hart, maar ook met heel ons verstand. We doen dat door onze naaste lief te hebben als onszelf. Ons eigen werk is minder belangrijk dan het volgen van de Weg van Jezus van Nazareth. Pas als we tot inkeer zijn gekomen en iedereen mee willen laten delen in dat Koninkrijk dat nabij is zal dat Koninkrijk ook komen. Simon en Andreas, Jacobus en Johannes ze waren vissers maar ze zouden vissers van mensen worden. Kunnen wij dat ook?

We weten dat de weg van Jezus van Nazareth een weg ten leven is. Bang hoeven we niet te zijn. In het delen met de minste, in het liefhebben van de naaste als onszelf begeven we ons in het Koninkrijk van de hemel, het Koninkrijk waar bescherming is voor iedereen. Paulus leerde ons dat gevangenschap en dood geen prikkels meer hoeven te zijn voor ons handelen. Ons leven is niet meer belangrijk, het leven van de ander is belangrijk geworden, het leven van de kinderen van God mogen we dienen. Daartoe nemen wij ons kruis achter hem op.

Jacobus en Johannes waren bezig de netten te repareren. Mijn tante Corrie, nu diep in de tachtig, deed dat in haar jeugd ook. Ze werkte op een boetzolder in Katwijk aan Zee. Ze was daar aan het netten boeten. In de taal van de kerk heet het nog wel eens dat we moeten boeten voor onze zonden, dat Jezus in zijn dood geboet zou hebben voor ons. Maar van mijn tante leerde ik dat boeten repareren is wat in het leven stuk is gegaan, de netten waren nodig om vis te vangen, vis om van te leven, kapotte netten daar heb je niks aan, dus moet je boeten. Met mensen vangen gaat het bijna net zo, ook mensen kunnen stuk gaan, verkeerde wegen bewandelen, bij de pakken neerzitten, ziek worden of uitgestoten door de samenleving. Aan ons om daarvoor te boeten, om te herstellen wat tussen mensen stuk is gegaan. Daartoe worden wij geroepen, zo mogen wij dienaren van God worden, leerlingen en volgelingen van Jezus van Nazareth. Door het goede te doen en niet dan het goede het kwade bestrijden zegt Paulus. Dat kan, totdat hij komt, totdat God zijn tenten zal spannen op deze aarde.

Amen

 

Lezen: Jesaja 42: 1-9

             Matteüs 3: 13-17

Gemeente,

Vandaag is het feest van de doop van Jezus in de Jordaan. Een echt nieuw Testamentisch verhaal. Maar een groot theoloog heeft eens gezegd dat het Nieuwe Testament de uitleg is van de Hebreeuwse Bijbel. Dus als we willen snappen waar dat verhaal over die doop door Johannes eigenlijk over gaat moeten we eerst in de Hebreeuwse Bijbel kijken.

Dat is voer voor theologen. Vandaag komen we terecht in het boek van de profeet Jesaja. Maar over wie gaat dit Bijbelgedeelte? Als je zelf niks met het lijden in de wereld van doen wil hebben dan is die knecht die hier geroepen wordt wel heel bijzonder. Want die knecht die heeft veel op met het lijden in de wereld. Jezus van Nazareth wordt er dus gemakkelijk geroepen, Gods Zoon zelf en volgens de belijdenissen is hij God zelf en als God het als zijn eigen taak ziet dat kunnen wij kleine mensen dat nooit volbrengen.

Wat we vandaag gehoord hebben is het begin van het gedeelte dat Jesaja schreef over wat is gaan heten “de lijdende knecht des Heren”. En door de eeuwen heen zijn de mensen, die de Weg van de God van Israël echt willen volgen, voorgehouden dat dat recht vestigen op aarde, dat blinden de ogen openen, de gevangenen bevrijden, wie in het duister zitten bevrijden, niks voor gewone gelovigen is. Die zijn immers niet vervuld met de Geest des Heren, zoals hier aan de knecht wordt beloofd. En als ze denken wel door Gods Geest gedreven te worden dan moeten ze daar ernstig aan twijfelen want dat kan net zo goed een valse geest zijn.

In de dagen dat het er op ging lijken dat de Hervormden, de Gereformeerden en de Luthersen in ons land echt één kerk gingen vormen ontstond in de Hervormde Kerk zelfs een actiegroep tegen dat proces die zich “het geknakte riet” noemde. Zielige mensen die zich slachtoffer voelden en er op rekenden dat hun ware geloof hen tot redding zou zijn. Dat Jezus had gevraagd om zijn kruis achter hem op te nemen, dat hij gevraagd had om zijn boodschap overal op de wereld te brengen en dat zijn volgelingen blijkens de verhalen uit de Bijbel inderdaad zich ontfermden over de mensen langs de kant van de weg dat waren ze vergeten.

Als mensen in ons land gebukt gaan onder verdriet en ontzetting dat vinden ze die Protestantse Kerk die is ontstaan. Of nu in Apeldoorn was na de aanslag op Koninginnedag, of in Amersfoort na de ramp met de MH17 of in Alkmaar na de vondst van een dode baby in een park, of een van die vele andere zaken die mensen plaatselijk in beweging brachten, de Kerk en de leden van die Kerk en hun voorgangers boden troost en zorgden er voor dat de geknakte mensen niet braken.

De Profeet Jesaja schreef de hoofdstukken vanaf hoofdstuk 40 voor de teruggekeerde en terugkerende ballingen. Zij moesten in Jeruzalem een nieuwe samenleving opbouwen. En die samenleving zou eindelijk moeten lijken op wat de God van Israël had bedoeld toen hij in de woestijn zijn richtlijnen voor een menselijke samenleving aan het volk Israël gaf. God roept jou, is de boodschap van Jesaja. En die boodschap klinkt door tot op de dag van vandaag. In onze dagen is de samenleving, zeker de wereldsamenleving, nog steeds niet een samenleving waar het lot van de minsten voorop staat. Waar geen geld meer wordt uitgegeven aan wapens, oorlog roept immers oorlog op, maar aan landbouwwerktuigen omdat honger tot plundering en verloedering voert. Waar gevangenen menselijk worden behandeld en staten niet verweten kan worden dat ze afzakken tot het bedenkelijke niveau van terroristen. Wij zijn dus ook vandaag geroepen onze samenleving te hervormen en zo te gaan inrichten dat er vrede heerst, dat er zorg is voor de minsten, dat de hongerigen gevoed worden en de bedroefden getroost. Elke dag mogen we daaraan opnieuw beginnen, ook vandaag weer.

Toen Matteüs dit verhaal over de doop opschreef was het verhaal van Jezus van Nazareth al bekend. Wat hij had gedaan, wat hij had geleerd, hoe het afgelopen was, waren allemaal verhalen die men kende. Matteüs moest ze opschrijven zodat ze op de juiste manier zouden worden doorverteld. Maar waarom had die Jezus van Nazareth zich laten dopen? Die hoefde toch niet een nieuw leven te beginnen? Had hij zich eerst bij een andere sekte aangesloten om daarna voor zichzelf te beginnen? Lastige vragen en volgens het verhaal zoals het bij Matteüs wordt verteld had ook Johannes die vragen gesteld. Het antwoord is dat ze op deze manier Gods gerechtigheid vervullen.

En daar mag je nog wel eens bij stilstaan. want is het gewoon dat de grootste mee doet met de kleinsten? Dat de voorganger mee te water gaat met al die mensen die hun leven willen vernieuwen? In de wereld van Jezus van Nazareth wel. Hij zou uiteindelijk de voeten wassen van zijn leerlingen, of hij een slaaf was. Hij zou uiteindelijk een slavendood sterven. Hij zou verkondigen dat wie de eerste willen zijn de laatsten zullen zijn en de laatsten de eersten. Dat is nog eens anders dan in de wereld. Waar Palestijnen eindeloos wachten bij wegversperringen en voor hun komen en gaan volledig afhankelijk zijn van de willekeur van de Israeli en de President van Amerika met 45 auto’s ongehinderd kan doorrijden.

Daarom daalde de Geest van God neer op Jezus van Nazareth, zo zacht en sierlijk alsof het een duif was. Want als je in de Geest van God handelt dan durf je de minste te zijn, zodat je de minsten ziet en je je voor de minsten in kunt zetten. Dan ben je een kind van God, een kind waarin God vreugde kan vinden. Het gesputter van Johannes gaat verloren in de verschijning van Jezus als zoon van God. Johannes krijgt gelijk doordat hij ongelijk had. Dat zijn van die mooie zinnen uit de Bijbel die mensen tegenstaan. Hoe kun je nu gelijk krijgen als je ongelijk hebt. Maar hier kun je het zien.

Johannes stelt zich als de minste op, hij is het niet waard om de schoenen van Jezus vast te maken. Jezus laat zich dopen, hij gaat de weg van de minste die mee wil gaan op de nieuwe Weg. En zoals Johannes het wil moet het ook, niet een leider die de baas is, maar een voorganger die dient, zo krijgt Johannes het ook te zien, maar alleen doordat Jezus zich laat dopen door Johannes.

We mogen sinds die doop allemaal meewerken aan het vervullen van Gods gerechtigheid. We mogen leiders zoeken die willen dienen in plaats van de baas spelen. We mogen leiders kiezen die de minsten voorop stellen in plaats van de rijken. We mogen leiders aanspreken die niet alleen willen Samen Leven en Samen Werken maar ook willen weten van Samen Delen. En als men vraagt waar die leiders aan te herkennen zijn dan antwoord Jezus dat ze te herkennen zijn aan het beeld dat Jesaja neer zet, de knecht van God die er voor zorgt dat blinden weer kunnen zien en gevangenen bevrijdt worden. Zulke knechten mogen we dus allemaal zijn. Aarzel dus niet, aan het werk.

Amen

 

Lezen: Psalm 90

             Lucas 2: 21-24

Gemeente

We hebben het wel over de laatste avond van het jaar en over het nieuwe jaar, maar kerkelijk gezien is dat eigenlijk flauwekul. De Bijbel zegt dat voor onze God duizend jaar als 1 dag zijn. En dat we na de kortste dag van het jaar weer naar het licht gaan en daarom eerst feesten en dan een nieuw jaar laten beginnen is van zo’n Heidense oorsprong dat we als Kerk daaraan niet meedoen. Vroeger dacht men immers dat men de boze geesten van het duister met knallen en vuur moest verjagen om weer licht te krijgen. Gelovigen in de God van Israël hadden geleerd dat die God had gesproken over licht en dat zijn woord vlees was geworden. Niks verjagen en opnieuw beginnen. Het nieuwe begint met de verwachting van de bevrijding door de God van Israël. Ons kerkelijk jaar begint dan ook op de eerste zondag van de Advent en loopt uit op die bevrijding.

We zijn dus al even op weg, maar ja thuis ontkomen we toch niet helemaal aan de jaarwisseling die buiten de kerk wordt gevierd, dus we laten ons in de kerk vanavond daar ook maar een beetje door beïnvloeden. De dienst op Oudejaarsavond wordt nog op heel veel plekken in Nederland gevierd. Het is ook al een oude traditie, ik weet nog dat mijn ouders steevast op Oudejaarsavond naar de kerk gingen. Wij kinderen hoefden niet mee maar zij zongen altijd het oude lied van Rijnvis Feith “Uren dagen maanden jaren vliegen als een schaduw heen” De jaarlijkse herhaling van het lied en de afkomst uit de romantiek van de negentiende eeuw maakte dat het lied op den duur versleten raakte.

De dienst op Oudejaarsavond staat echter niet op de roosters van diensten en lezingen in de kerk. Hij hoort er volgens de wetenschappers die liturgische adviezen geven niet thuis, wel de dankdag en biddag voor gewas en arbeid maar niet de Oudejaarsavond. Het was dus even zoeken naar de lezingen voor deze avond en ook daarvoor ben ik uiteindelijk bij mijn ouders uitgekomen, mijn moeder leeft gelukkig nog. Er wordt op deze avond veel gelezen uit de Psalmen, Psalm 121 die we aan het begin hebben gezongen en Psalm 90. Over die Psalm wil ik het om te beginnen even hebben.

Psalm 90 wordt toegeschreven aan Mozes. De man die opgroeide in Egypte, moest vluchten naar de woestijn en er uiteindelijk in slaagde het volk uit Egypte te leiden en in het hart van de woestijn van God de wet kreeg waarom het uiteindelijk allemaal draaide. In deze Psalm wordt geen mooi leven beloofd. De beste jaren van ons leven zijn moeite en leed. Heel langzaam wordt de leeftijd die we kunnen bereiken wel wat hoger maar 70 en voor de sterken 80 klinkt nog steeds mooi als je jong bent. Die hoge leeftijd is overigens alleen te bereiken als je een klein beetje aan je gezondheid denkt. Een half uur per dag bewegen, niet roken, matig met alcohol, twee stuks fruit en 200 gram groente en weinig vet en zout. Het is allemaal zo moeilijk niet. De moeite en leed waarover Mozes het heeft gaat  over het als blijvend uitgangspunt voor je handelen nemen van de richtlijnen voor de menselijke samenleving die het volk in de woestijn had gekregen..

Dat lukte uiteindelijk ook Mozes zelf niet. Van een ander houden als van jezelf is behoorlijk moeilijk als die ander zeer irritant is en het bloed onder je nagels vandaan haalt. Blijf dan maar eens vriendelijk en het echte belang van die ander in de gaten houden. Dat gezond leven om wat ouder te worden is er overigens ook om van jezelf te houden. En als je zo leeft en voor jezelf zorgt is het ook wat gemakkelijker om dat voor een ander te doen. Stiekem toch een sigaretje, of een vette hap doet alleen jezelf de das om. Daar kan je je dan weer schuldig over voelen of last van krijgen. Deze psalm beschrijft het allemaal. Het mooie is natuurlijk dat je elke dag, ja elke minuut weer overnieuw mag beginnen. Daarom kan Mozes vragen om vreugde, het lukt je vast wel een keertje, en ieder die weet wat het is echt wat goeds voor een ander te kunnen doen kent ook de diepe vreugde die dat kan geven. Het werk van je handen wordt dan bevestigd heet dat in deftige taal.

Gaaf, het werkt, het is gelukt zeggen we tegenwoordig. En al is er moeite en leed voor nodig, het is het dubbel en dwars waard. Daarom is het ook zo mooi dat het elke dag opnieuw mag. De maat van de Bijbel is immers de dag en niet het jaar, met de dag is het begonnen, het was avond geweest en het was morgen geweest, de eerste dag en dat zo zes maal door en op de zevende dag mogen we rusten. Op die zevende dag mogen we weten geen slaaf te zijn, mogen we vieren bevrijdt te zijn, niet alleen meer van de slavernij in Egypte, maar ook bevrijdt te zijn van de dood. Die bevrijding staat ter discussie, we worden weer slaven gemaakt van productie en consumptie, ook op de eerste dag van de week, de dag waarop wij de bevrijding zijn gaan vieren na de opstanding uit de dood van Jezus van Nazareth. Ook op die eerste dag van de week moeten wij ons in onze dagen dienstbaar maken aan productie en consumptie. De strijd voor de zondagsrust gaat dus niet om een of andere particuliere godsdienstige regel, een regel afkomstig uit duistere tijden, maar gaat om bevrijding voor iedereen, wij zijn ook vandaag de dag geen slaven, niet van werken, niet van consumeren, niet van winkelen dus. En wij willen ook anderen niet in slavernij brengen, niet van onze regels, niet van onze godsdienst, maar ook niet van onze behoefte aan consumptie, niet van onze lust naar winst en profijt.

Die bevrijding speelt in het leven van Jezus van Nazareth van begin af een grote rol. Hij zal zijn leerlingen twee aan twee het land in sturen om de armen hun bevrijding aan te kondigen. Hij heet zelfs naar de bevrijding, Jezus in het Grieks, Jehoshua of Jozua in het Hebreeuws en God bevrijdt als je het in het Nederlands zou willen vertalen.

Jezus krijgt die naam op de achtste dag. De nummering van de dagen en de aanduiding er van speelt in de Bijbel altijd een rol, het betekent iets. Want de achtste dag is immers ook de eerste dag. Nu maakt de Bijbel daar wel een onderscheid in. Op de achtste dag wordt een feest van zeven dagen afgesloten. In dit geval sluiten Jozef en Maria het feest van de geboorte af. Kerstfeest is voorbij en dus breekt het gewone leven aan. En Kerstfeest wordt afgesloten met het opnemen van Jezus in het volk Israël, hij wordt besneden, van Abraham valt te leren dat je vijanden dan niet de voorhuiden van de soldaten mee kunnen nemen, je bent dan als besnedene onoverwinnelijk.

Jozef en Maria waren zeer wetsgetrouwe inwoners van Israël. Ze waren niet thuis gebleven zoals de Keizer had bevolen maar waren naar de plaats gegaan die God hen had gegeven, de akker van Noömi en Ruth in Bethlehem. Ze waren immers uit het huis en het geslacht van David. Daarom ook heeft Matteüs Ruth opgenomen in het geslachtsregister van Jezus. De afronding van het geboortefeest vindt dan ook plaats volgens de leer van Mozes, in de Tempel waar elke eerstgeborene werd opgedragen aan de God van Israël. Het volk werd er zo aan herinnerd dat eerstgeborenen niet geofferd werden, niet hun leven hoefden te verliezen. Samen brachten Jozef en Maria het offer van de armen, twee duiven, minder kon niet.

Zo sluiten wij het jaar af. Met het verhaal van bevrijding nog in de oren. Niet de kwade geesten hoeven verdreven te worden. Niet het geweld hoeft ingezet te worden om geweld te bestrijden. Omkijkend beseffen we dat we het goede mogen inzetten om het kwade te bestrijden. Mogen we het goede inzetten om ook de kwade dagen, de storm en de onrust, te doorstaan. Zo steunen de stok en de staf van onze God onze gang soms door een donker dal, niet dat het duister verdwijnt maar we mogen er een groot licht zien. Het licht van Pasen als de dood zal zijn overwonnen.

Zo mogen we het feest gaan vieren van oud en nieuw, want uiteindelijk is de aarde bedoeld als een paradijs, een tuin waarin we met God mogen wandelen, een aarde waar de lammen weer lopen, de blinden weer zien, de bedroefden getroost worden, de onreinen gereinigd worden, de armen de bevrijding wordt aangezegd, de doden mogen leven. Profeten hebben het ons aangezegd, Jezus heeft ons voorgeleefd. De engelen zongen het in de Kerstnacht, vrede op aarde en in de mensen een welbehagen, de apostelen trokken de wereld in om het ons te vertellen, tot aan de einden der aarde. Mogen wij zo het nieuwe jaar ingaan, als gezegende mensen op weg naar het land dat overvloeit van melk en honing, terwijl we iedereen mee nemen die aan de kant van onze samenleving dreigt te blijven staan. We trekken het nieuwe jaar in als de pelgrims die op de hoogtijdagen optrokken naar de Tempel in Jeruzalem om daar maaltijd te houden met hun familie, de tempeldienaren, de armen en de vreemdelingen die bij hen waren. Die pelgrims zongen en dansten en als ze een koning meenden te zien hesen ze die op een ezel, spreiden hun mantels uit op de weg en rukten de takken van de bomen. Zo gaan wij zingend en dansend een nieuw jaar in, om elke dag het goede te kunnen doen en niet dan het goede.

Amen

Lezen: Jesaja 61:20-62-3

             Lucas 2:33-40

Gemeente

We zijn gekomen aan de laatste zondag van het jaar. Voor sommigen een beetje een rommelzondag. Na het groot gloria van kerst, met de engelenkoren en rennende herders kan de laatste zondag van het jaar alleen maar tegenvallen..

Wat hebben we het afgelopen jaar beleefd? Protesten al om, boeren, bouwers, leraren, gezondheidswerkers, boze burgers met gele hesjes. Niemand lijkt een rijk land met veel voorzieningen ideaal te vinden, het komend jaar zal dat volgens velen moeten veranderen.En protesterende kinderen die vinden dat we veel te traag zijn met iets te doen tegen ons veranderen van het klimaat. In elk geval kijken wij terug op een succesvolle promotie van Dominee Omta.

In de Bijbel is terugkijken naar het verleden heel gewoon, maar niet terugkijken om af te rekenen en af te sluiten zoals wij doen rond oud en nieuw. In de Bijbel wordt er teruggekeken om vooruit te komen. Zo keken Jozef en Maria terug naar Jozua. Die had het land verdeeld onder de families van Israël. Ook de familie van David had zo’n stukje land, in Bethlehem lag dat. En de leer van Mozes was dat elke vijftig jaar iedere familie in Israël het stukje land dat bij de verdeling was toegewezen weer terug zou krijgen.

Toen die Keizer in Rome die volkstelling had georganiseerd, hadden Jozef en Maria teruggekeken naar die geschiedenis en waren niet naar de plaats gegaan die de Keizer had bedoeld, gewoon thuisblijven dus, maar ze waren gegaan naar de plaats die God ooit gegeven had. Daar waren ze door God geteld, want God telt de minsten onder ons, daar hadden ze hun zoon gekregen en door die zoon waren ze bevrijdt van de gevaren van die volkstelling, iemand die op een akker is geboren en in een voederbak moet liggen telt niet mee, ook bij ons niet.

Jozef en Maria waren terug blijven kijken. De leer van Mozes zou bevrijding brengen, daar begint die leer mee, “ik ben de Heer Uw God die u uit het land Egypte heeft geleid” stond er immers. Zou die God niet zorgen voor de bevrijding van de Romeinse bezetting ook? Misschien, maar je houding moet er één zijn van liefde, van geweldloosheid, van recht en gerechtigheid zegt de Bijbel. Jesaja zegt dan dat je een nieuwe jas moet aantrekken om vooruit te komen. En nieuwe kleren aantrekken doen we vanouds met Kerst en met Pasen.

Het wordt dus misschien ook voor ons tijd dat we een nieuwe jas aantrekken. Niet alleen het kleed van de bevrijding maar ook de mantel van gerechtigheid. En dan niet alleen. Niet alleen het volk dat het wel gelooft. Maar iedereen, alle volken. Want zeg nu zelf, brengt al die oorlog en ellende waarvan we ook in dit jaar weer in overvloed van gehoord en gezien hebben iets goeds voort?

Misschien dat je met alle volken samen, in het kader van de Verenigde Naties bijvoorbeeld, ooit nog ergens iets goeds kan voortbrengen. Maar dan moet je het wel echt samen doen. Zolang de een zich beter vindt dan de ander wordt het niks, blijft het oorlog en ellende en actie en tegenactie.

Sion is de berg waar de richtlijn van heb je naaste lief als jezelf werd bewaard. De Heilige Berg. En vanwege het bestaan van die richtlijn, vanwege het geloof in de macht van de Liefde die daar vanuit gaat kun je volgens de Bijbel niet zwijgen als er onrecht geschied. Als mensen geen recht wordt gedaan moet en zal dat aan het licht komen. Want het licht van de gerechtigheid komt van de fakkel van de redding. Dat is het visioen dat de profeet Jesaja hier schetst. Wij horen zulke beelden graag. Jesaja is in de kersttijd zeer populair. Warme woorden en warme beelden brengt deze profeet. Maar wij vergeten dan de puinhopen waar Jesaja op stond te roepen tegen zijn volk. Hij schetst zijn prachtige samenleving van vrede en recht midden in de ballingschap..Zijn volk bestaat eigenlijk niet meer. Het is in ballingschap weggevoerd.

Heidenen zouden zeggen dat ook zijn God niet meer bestaat Op de berg Sion, groeit immers onkruid. Jeruzalem, dat om die berg heen was gebouwd ligt in puin.. De grote mogendheden met hun afgoden, met hun glitter en praal, regeerden over de aarde.

Ook de ballingen keken naar het verleden en Jesaja hielp ze daar graag bij. De ballingen in Babel konden niet anders dan de verhalen van hun verleden opschrijven. De verhalen over de slavernij en vervolgens de uittocht uit Egypte, de tocht door de woestijn, de ontdekking dat goden van goud, met eigen handen gemaakt, niks te betekenen hadden, maar dat de God die meetrok en Liefde als opdracht had de kans op leven betekende. Die verhalen gaven weer moed. Want als die God op die manier met je meetrekt, trekt die God dan ook niet in ballingschap met je mee? Zal uiteindelijk de Liefde voor je naaste, ja zelfs de liefde voor je vijanden, uiteindelijk niet tot de vrijheid en terugkeer naar Jeruzalem leiden?

Dan zal die verwoeste stad weer tot bloei komen. Dan zal het land weer vrucht dragen. Niet door offers en aanbidding zoals de Heidenen geloofden, maar door Liefde tussen mensen. Dan zien niet alleen de volken de vrucht van het gaan met die God, maar ze sluiten zich er zelf ook bij aan. Het verlangen naar de terugkeer naar het eigen land wordt door Jesaja verbonden met de noodzaak terug te keren naar de godsdienst van de God van Israël. Alleen in die godsdienst ligt een toekomst, de toekomst van dat geweldige Koninkrijk waar de God van Israël het voor het zeggen heeft en waar iedereen weer meetelt. Dat is pas een toekomst om naar uit te zien.

In het hart van alle volken staat dan de leer van eerlijk delen, de richtlijn van houden van je naaste als van jezelf. Dan is er nog maar één Heer, niet alleen in Israël maar op de hele wereld, dan is er niemand die zich meer acht dan een ander. Het mooiste van dit visioen van Jesaja is dat het al lang geleden begonnen is en wij ons er vandaag nog bij aan kunnen sluiten zodat het ook onze toekomst wordt. Er is niks moeilijks aan, het gaat gemakkelijk als het aantrekken van een nieuwe jas.

De beweging van Jezus van Nazareth is dan ook niet zomaar uit de lucht komen vallen. Al in de dagen dat hij geboren werd waren er velen in Israël die de komst van een bevrijder verwachten. Het was Maria die er over gezongen had toen ze pas zwanger was.: “Machtigen zal hij van de troon stoten” Dat was het oude lied van de moeder van Samuël. Samuël was de profeet die David had gezalfd op diezelfde akker in Bethlehem. Er waren in de dagen van Maria in Israël ook al de nodige opstandjes geweest en er liepen regelmatig mensen rond die zich uitgaven voor de beloofde Messias. Maar het geweld dat zij gebruikten leidde alleen maar tot dood en verderf en een nog strengere bezetting.

Mensen met gelijke verwachtingen en overtuigingen zochten elkaar ondertussen op en probeerden een andere manier. Over Johannes de Doper vertelde Lucas al eerder dat hij in de woestijn ging wonen, zoals bijvoorbeeld de Essenen hadden gedaan.

Over Simeon, waarover wordt verteld in het verhaal die aan de lezing van vandaag vooraf gaat en over Hanna, waar we vandaag over lezen, wordt juist uitdrukkelijk verteld dat ze in de Tempel in Jeruzalem verbleven. Dat is de plaats waar zij de Messias verwachten en zij herkennen in het kind, dat op de akker van David in Bethlehem geboren was, de beloofde bevrijder van Israël.

Daarom ook vertelde Hanna aan allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem over dit kind. Er was dus een groep mensen waar Hanna bij hoorde en die door Lucas nog werd gekend en bekend werd veronderstelt toen hij zijn verhaal opschreef. Van die groep weten we verder eigenlijk niets. Over die Hanna weten we verder ook niet zoveel. Ze was uit de stam van de gezegenden staat er. Aser dat betekent gezegende. Aser was één van de tien stammen die na de ballingschap als zelfstandige stam niet meer was teruggekeerd. Hanna was de dochter van “het gelaat van God “, want dat betekent de naam Fanuël, haar eigen naam betekent “genade”.

Ze was profetes en weduwe van beroep. Dat laatste klinkt hard maar de vermelding van haar leeftijd en haar naar verhouding korte huwelijk staan er niet voor niets. De familie van haar man had voor haar moeten zorgen, daar had een man gevonden moeten worden die haar had willen trouwen. In de leer van Mozes staat precies hoe ze dat hadden moeten doen. Ze hadden een voorbeeld kunnen nemen aan Boaz, de overgrootvader van David die op diezelfde akker de weduwe Ruth had leren kennen en haar tot vrouw nam in gehoorzaamheid aan de leer van Mozes. Maar in een paar woorden weet Lucas ons te vertellen dat die leer van Mozes Hanna in elk geval geen bescherming had geboden.

Nu maakte ze kennis met jonge mensen die alle risico’s genomen hadden met het wel weer gaan leven of de leer van Mozes nog steeds de centrale regel in Israël was. Die op de achtste dag naar de Tempel gingen om daar te doen wat de Tora van hen had gevraagd. Hun zoon laten besnijden en als eerstgeborene aan God wijden, oefenen in delen door een offer te brengen, een offer dat gedeeld kon worden met de armen, de weduwe en de wezen.

Op de achtste dag, niet op de eerste dag van de week want de achtste dag was de dag om een feest af te sluiten, de eerste dag een dag om een feest te beginnen. En hier werd op de achtste dag het feest van de geboorte afgesloten, wat volgde was de opvoeding en het opgroeien en dat is niet altijd een feest. Die eerste dag van een nieuw feest zou pas komen met de opstanding, met Pasen. Op die manier wijst zelfs dit gebeuren in de Tempel in Jeruzalem vooruit naar Pasen want na die eerste dag gingen de leerlingen van Jezus dag in dag uit naar de Tempel schrijft Lucas op het eind van zijn Evangelie, dan is de cirkel dus rond.

Van de houding van Jozef en Maria mocht Hanna dus bevrijding uit haar benarde situatie verwachten. Dat zou ook de bevrijding van Jeruzalem dichterbij brengen. Want Jeruzalem was nu eenmaal de stad waar die oude leer bewaard werd. Waar mensen naar toe kwamen om zich rond die richtlijnen te scharen en door met elkaar een maaltijd te delen weer te oefenen in de betekenis van die grondregel, heb uw naaste lief als uzelf. Daarom is de toepassing van de leer van Mozes zoals Maria en Jozef dat hadden gedaan van belang voor de hele bewoonde wereld.

Bevrijding van Jeruzalem betekende voor Hanna dat de leer van Mozes weer tot gelding gebracht zou worden. Daar was die nieuwe koning uit het geslacht van David voor geboren, daar was de gezalfde, de messias, de christus, voor op aarde gekomen. Die boodschap ging ze brengen aan de groep waar ze bij hoorde, tegenwoordig zouden we zeggen dat ze het heil van Christus verkondigde in haar gemeente, de vrouwelijke predikanten beginnen direct na het kerstfeest te preken.

Zo mogen wij ons ook voegen in dit verhaal. Weer oog en oor krijgen voor de weduwe, zorgen voor mensen die lang afhankelijk zijn van hulp en bijstand, zorgen dat mensen weer zelf verder kunnen. Door terug te kijken in het verhaal zoals dat in de Bijbel wordt verteld kunnen wij straks het nieuwe jaar in. In onze dagen betekent dat ook zorgen voor de papierlozen, mensen die tussen de wal en het schip van staten en regeringen vallen. Wij mogen er voor zorgen dat de regel van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf weer in het middelpunt van de wereld komt te staan.

Wij hebben uit dat verhaal begrepen dat we allemaal kinderen van God zijn, allemaal broeders en zusters. Een familie dus die voor elkaar mag zorgen, zodat iedereen er bescherming door kan genieten en iedereen weer meetelt. Daar mogen wij vandaag weer mee beginnen. Dat mogen we een heel jaar volhouden, terugkijken om vooruit te komen, een heel nieuw jaar lang en van dat nieuwe jaar elke dag opnieuw, elke dag opnieuw beginnen. Veel heil en zegen dus alvast voor het nieuwe jaar.

Amen