Feeds:
Berichten
Reacties

Lezen: Deuteronomium 6:1-9

              Matteüs 22: 34-46

Gemeente,

Het is Bijbelzondag, de zondag waarop het Nederlands Bijbelgenootschap weer eens aandacht vraagt voor de Bijbel. Vier de Bijbel is het thema en we vieren de Bijbel rond het hart van de Bijbel, het eerste gebod en het tweede daaraan gelijk. U mag gerust weten dat het voor mijzelf ook een bijzondere zondag is. Het is vandaag 12 en half jaar dat ik elke dag een overweging schrijf over een bijbelgedeelte. Ik publiceer dat ook dagelijks op internet. Het is begonnen toen ik alleen thuis zat met mijn hartproblemen en wijlen mijn vrouw nog dagelijks werkte. Een jaar lang zou ik elke dag een blog schrijven aan de hand van het dagelijks leesrooster van het Nederlands Bijbelgenootschap. Dat avontuur bleek zo leuk dat ik het nu dus al 12 en half jaar vol houdt. En ik kan u onderhand verzekeren, elke dag de Bijbel lezen kan een feest zijn en dat leesrooster van het NBG geeft een hoop afwisseling.

Mijn grootste ontdekking was dat je op elke bladzijde van de Bijbel eigenlijk de richtlijn voor een menselijke samenleving en een goed bestaan terugvindt. Vanmorgen horen we de samenvatting zoals Jezus van Nazareth die heeft gegeven. Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf. Het eerste deel uit Deuteronomium en het tweede uit Leviticus. De uitwerking hiervan in de 10 geboden wordt hier in Deuteronomium beschreven maar staat als grondwet voor Israël in het boek Exodus, op twee stenen platen.

Die tien geboden, staan dan wel op stenen platen maar daar moeten ze niet blijven. Mozes roept in het gedeelte dat we vandaag lezen uit Deuteronomium het volk op om ze voortdurend in gedachten te houden. Je moet deze wetten dus ook niet aan rechters over laten. Gerechtigheid moet je zelf doen, deze wetten zijn er voor bedoeld om alle mensen recht te doen, tot hun recht te laten komen. Je moet ze daarom als een teken om je arm dragen en als een band om je hoofd, je moet ze op de deurposten van je huis schrijven en op de poorten van je stad.

Uiteindelijk zal Paulus zeggen dat hij wil dat diezelfde wetten in je hart gebeiteld zullen staan. Je moet er één mee worden. En wat God lief hebben is is duidelijk want er staat in diezelfde geboden dat God liefhebben hetzelfde is als je naaste liefhebben als jezelf. Daar circelen al die wetten om heen. Dat is een regel die je zelfs je kinderen duidelijk kan maken zodat ze van jongs af aan mee doen in de beweging van de God van Israël en mee bouwen aan het land dat uiteindelijk heel de wereld zal moeten omvatten, het land overvloeiende van melk en honing, het land waarin alle mensen tot hun recht komen. Daarom zijn de kinderen er in de kindernevendienst ook mee bezig op dit moment.

Het “hoor Israël” dat we vandaag lezen, dat hier wordt vertaald met “luister Israël, de Heer onze God, de Heer is de enige” is het hart van elk Joods gebed. Het is gebed en belijdenis ineen. Het is niet eens een belijdenis dat er geen andere goden zouden kunnen bestaan. De Bijbel heeft het vaak over de God van Israël als hoofd van de raad van goden, of omringt door goden, maar voor de gelovige is er maar één echte God, de God die het volk uit de slavernij van Egypte heeft geleid. Voor Christenen is hij de Vader van Jezus van Nazareth die uiteindelijk zelfs de dood zou overwinnen. Juist die bevrijding van dood en slavernij maakt de Weg die de geboden wijzen zo belangrijk.

Ook in onze dagen kunnen we verlangen naar een samenleving waarin niet meer gemoord wordt, waarin niet meer wordt gestolen, waarin het bezit van een ander mensen niet meer in beweging brengt, waar mensen mensen mogen zijn en geen objecten voor persoonlijke lustbevrediging, waar niemand zich hoeft te schamen voor diens afkomst. Ook wij weten dat we nog lang niet in een samenleving leven waarin die geboden algemeen geldend zijn en in ieders hart gebeiteld staan. Wie om zich heen kijkt in de wereld en de hongerigen ziet, de kinderen die sterven van ellende, de zieken voor wie geen medicijnen zijn, de slachtoffers van oorlog en geweld, de geweldige hoeveelheden wapens die over de wereld reizen, weet dat een aarde waarin vrede en gerechtigheid heerst nog ver weg is.

Wat dat betreft reizen we eigenlijk nog steeds door dezelfde woestijn als waar het volk Israël de Wetten kreeg. De oproep van Mozes om de Wetten voortdurend bij de hand te houden is daarom eigenlijk net zo actueel als die was toen het boek Deuteronomium werd geschreven. Daarom zullen wij de echo van Mozes moeten zijn en voortdurend roepen om naleving van deze wetten. Ook wij hongeren en dorsten immers naar gerechtigheid.

Maar het grote gebod is vaak heel spannend. Zelfs voor de Kerken. God liefhebben boven alles klinkt zo mooi. Het is abstract en je kunt er snel ja op zeggen. Als je dan vraagt hoe dat moet, klinken al gauw zaken als je keurig gedragen, geen misdrijven plegen en op zondag naar de Kerk. Maar Jezus van Nazareth geeft er zelf een andere invulling aan. Hij sluit daarbij aan bij de oorspronkelijke samenvatting van de wet die in het boek Deuteronomium is verwoord. God liefhebben boven alles is je naaste liefhebben als jezelf. Hierop zijn alle andere wetten en voorschriften, alle uitspraken in de Bijbel gebaseerd. En dat maakt het spannend. Je naaste liefhebben dat gaat nog, dat klinkt sympathiek, maar als jezelf. Als je dus werkelijk je naaste flink wil liefhebben en daarmee God boven alles dan moet je dus jezelf ook wel zeer liefhebben.

Helemaal aan het begin van de Bijbel staat het lied over de schepping. Daar worden licht, aarde, water, lucht, planten en dieren geschapen en als laatste de mens. En bij elk couplet staat in het refrein dat God zag dat het goed was. En bij de mens staat zelfs dat die geschapen werd naar Gods beeld en gelijkenis, man en vrouw, en God zag dat het goed was. Als je dat goed tot je door laat dringen weet je dat het meest kostbare op aarde de mens is. Elk mens, ook jij,  en niet alleen de mensen die duur doen. De mensen die duur kunnen doen hebben hun deel al gehad zegt Jezus van Nazareth ergens, maar vooral de mensen die het niet breed hebben zijn de mensen die je liefde nodig hebben.

De wegwerpmensen aan de onderkant van de samenleving. De armen, de zieken, de slachtoffers van natuurrampen, de slachtoffers van misdrijven, de mensen die misbruikt zijn. Als je naar hen kijkt zie je dat het niet goed is en daar moet wat aan gedaan worden. Vooral als het met jezelf wel goed gaat. En als het niet goed met je gaat mag je dus vragen om zorg, mag je je verzetten tegen hen die je de noodzakelijke hulp onthouden. Het grote gebod, je naaste liefhebben als jezelf, is er voor bedoeld om ons in gang te zeten.

Maar wie is die Jezus van Nazareth dan wel? Om uit te maken hoeveel je kunt houden van je naaste als je veel van jezelf houdt vraagt Jezus van Nazareth aan de deskundigen van wie de Messias, de verwachte bevrijder van Israël, afstamt. Van Koning David dus. Om maar even vast te stellen dat “bevrijder” of  messias zijn niet even zomaar wat is. Jezus voelde wel mee met die Farizeeërs. Eeuwenlang is ons voorgehouden dat dat maar een stelletje huichelaars waren maar zo eenvoudig lag ook dat niet. Het waren mensen die hartstochtelijk hun geloof zuiver wilden houden. Dat zuiver houden van geloof in God was iets wat ook Jezus van Nazareth wilde.

Alleen Jezus van Nazareth stelde niet de wet maar de liefde centraal. Vandaar ook die discussies over de wet. Jezus wijst dan op de Bijbel die zegt dat liefhebben het belangrijkste gebod is, God liefhebben en dat is gelijk aan je naaste liefhebben. Die messias zou dat tot het uiterste doorvoeren was voorzegd en zou daarmee het volk bevrijden. Als koning zou die messias regeren. En daar draait Jezus de zaak weer om. Hoe kan een nieuwe koning nu meer zijn dan koning David, dat stond er wel en daar was dus geen antwoord op. Het had te maken met dat liefhebben. Als het meer moest zijn ging het over de hele aarde, over ons dus ook,

En bij ons gaat het daar vandaag de dag ook over, wij zijn eigenlijk van een Koninkrijk zonder grenzen, burgers van de hele aarde zoals die door God is geschapen. Met alle mensen als broeders en zusters, let er dus op en zorg er voor dat het met hen allen goed gaat, pas dan gaat het goed met de aarde zoals God die bedoeld heeft. Daarvoor moet nog heel wat gebeuren, in de Bijbel staat hoe en wat. Aarzel dus niet, aan het werk en lees elke dag hoever je al bent.

Amen.

 

 

Advertenties

Lezen : Jesaja 45:1-7

              Matteüs 22: 15-22

Gemeente,

De eerste lezing van vandaag begint toch met een heel merkwaardige mededeling. De Persische Koning Cyrus is een door de God van Israël gezalfde koning. Hoe is dat nu mogelijk. Vanouds was er in Israël wel wat tegen koningen in te brengen. Saul trok op eigen houtje ten oorlog en in aanloop van de ballingschap was er de een na de andere koning die kwaad deed in de ogen van God, ze lieten afgodendienst toe, namen daar ook zelf aan deel, en sloten verdragen met Heidense wereldmachten om Israël ook militair te beschermen. Als de Koningen van Israël werden verworpen hoe kan het dan dat zo’n Heidense Koning ineens een messiaanse koning wordt. Die nadruk op gezalfde betekent immers dat die Koning wordt gezien als bevrijder van Israël.

In de commentaren op deze tekst wordt de nadruk gelegd op het bevel dat Koning Cyrus gaf dat de ballingen terug moesten keren naar Jeruzalem om daar hun stad, hun Tempel en hun land weer op te bouwen. En dat geeft het volk Israël een tweede kans, nu kon het echt een volk van God worden en een licht voor alle volken. Cyrus heeft een belangrijke historische beslissing genomen. Maar Cyrus komt vaker in de Bijbel voor. In het boek Daniël speelt hij een belangrijke rol als er misbruik wordt gemaakt van de Tempelschatten, goud en zilveren borden en bekers. Daarmee werd door de koning van Babel een maaltijd aangericht voor de elite van zijn rijk. Op de wand schreef God toen dat hij gewogen was en te licht bevonden. In dezelfde nacht veroverde Cyrus dat rijk van Babel en in zijn opdracht terug te keren stond ook dat de voorwerpen die uit de Tempel afkomstig waren weer terug naar de Tempel zouden moeten.

We hebben gehoord dat Jezus uitriep dat men aan de Keizer moest geven wat van de Keizer was en aan God wat van God is. Cyrus, de koning van de Meden en de Perzen heeft daarvoor al het voorbeeld gegeven. We moeten de verhalen over Cyrus in hun samenhang lezen. Dat wat er gebeurd heeft een bijzondere bedoeling. De volken moeten met open mond van verbazing staan. als je spot met de Tempel in Jeruzalem, met het organiseren van maaltijden met de armen dat daar plaatsvond, dan loopt het slecht met je af. Koning Nebukadnezar moest gras eten. Koning Darius die door Koning Cyrus werd overwonnen komt in de geschiedenisboekjes niet meer voor. Hij is door God uit de geschiedenis gewist.

Cyrus was de koning van Meden en Perzen. En de uitdrukking Meden en Perzen kennen wij van wetten. Er zijn wetten die met geen mogelijkheid te veranderen zijn. Dat zijn de wetten van Meden en Perzen. In Spanje presenteren ze hun grondwet als een wet van Meden en Perzen en iedereen die het anders wil in het land moet de gevangenis in.

Wij hebben ook orde, en regels, maar daar passen geen vreemdelingen in, daar passen ook steeds minder de ouderen in en de langdurig zieken en de gehandicapten en de jongeren met problemen. De zorg wordt ons voorgeschoteld als een last. Stel je voor, het gemeste kalf slachten om de minsten te helpen, om mensen tot zichzelf te laten komen. We kunnen van de minsten in de samenleving toch geen God maken waar alles om draait?

Wij kunnen de armen toch niet van gouden en zilveren borden laten eten zoals in de Bijbel wordt beschreven als er een maaltijd moet worden gegeven met de vreemdelingen en de armen.

In het verhaal van Jezus van Nazareth zegt die tegen mensen dat hij honger had en zij hem te eten hadden gegeven, dat hij naakt was en zij hem hadden gekleed, dat hij in de gevangenis zat en zij hem hadden opgezocht. Die mensen hadden hem niet herkent.

Vandaag hebben we gelezen wat Jezus van Nazareth nu eigenlijk van die zogenaamde last vindt, de belasting die het hebben van een staat met zich meebrengt. Het verhaal, dat vandaag werd gelezen, wordt vaak uitgelegd alsof het over belastingen gaat. En alsof het een oproep is de overheid te gehoorzamen. Niets is minder waar. Die uitleg is het omdraaien van wat er werkelijk staat. Lees maar.

De vraag die aan Jezus van Nazareth wordt gesteld is of het geoorloofd is belasting te betalen. Jezus van Nazareth vraagt dan om een belastingmunt. Die heeft hij kennelijk niet zelf in bezit. Ook zijn leerlingen hebben niet zo’n munt. Dat is niet zo vreemd en heeft niets met armoede te maken. Maar op de belastingmunten die je in Judea moest gebruiken stond de afbeelding van de Keizer van Rome. Romeinse stadhouders als Pontius Pilatus vonden dat een eer. De Farizeën waarschuwden voor dergelijke munten die zo direct tegen het beeld verbod uit de 10 geboden ingingen. Koning Herodes, die over Galilea ging keek wel dus uit. Munten met de beeltenis van een mens, of een dier, of van wat dan ook, werden door Galileërs geweigerd. Die raakten ze niet aan. Romeinse Keizers beschouwden zich als Godheid. Jezus van Nazareth heeft dus niet een dergelijke munt, de Farizeërs wel.

Maar dan stelt hij de vraag wiens beeld er op staat. Is niet de mens geschapen naar Gods beeld? Staat er dus niet het beeld van God op die munt en zou je die munt niet moeten gebruiken op de manier die God wil dat bezit gebruikt wordt? De belastingen van Keizers, Koningen en andere absolute machthebbers zijn en waren niet te vergelijken met de belastingen die we tegenwoordig betalen. Wij betalen belastingen ook om te delen met de armen, om de zorg te kunnen betalen en de hulp aan arme landen. De Keizer uit dit verhaal leefde zelf in weelde van die belastingen. Hij voelde zich zo machtig dat hij zich god op aarde voelde en zich ook zo liet vereren.

Jezus van Nazareth ziet het grote verschil met de God waarvoor hij volgelingen zoekt. Van die God mag je je geen beeld vormen. Naar Gods beeld is immers elk mens gemaakt, man zowel als vrouw. En de Wet van die God is niet als de wet van de Keizer, de absolute gehoorzaamheid aan de Keizer, maar je naaste liefhebben als jezelf als gehoorzaamheid aan God. Daarom kon Jezus rustig zeggen dat die keizer z’n heidense muntjes zelf maar moest houden. In het oorspronkelijke Grieks staat dat ze zijn munten maar terug moeten geven.

Als er belasting betaald moet worden dan volgens de Wet die God al lang daarvoor in de woestijn had gegeven. Belastingen komen in onze dagen al lang niet meer alleen van absolute heersers. Al zijn er machthebbers genoeg die zich als godjes willen laten vereren. We hebben echter verenigingen die nadenken waarvoor we samen geld willen uitgeven, wie dat geld zou moeten betalen en die de uitvoering van die plannen ook controleren. Politieke Partijen heten die verenigingen, daar mag iedereen lid van worden.

Zo heel af en toe mogen we uitmaken wie we de beste vinden. Via onderhandelingen komt er dan een regering die de ideeën van de partijen uitvoert. Mensen die in het verhaal van Jezus geloven kijken dan welke vereniging zorgt voor de zwakken in de samenleving, waar echt wordt gedeeld, waar rechtvaardigheid te vinden is. Waar dus ook de rijken het grootste deel betalen en niet het grootste deel subsidie in de wacht slepen zoals nu nog bij de hypotheekrenteaftrek het geval is.

Daarom is belasting betalen niet genoeg maar moeten we ons actief bemoeien met wie ons regeert en hoe ze dat doen, wij hebben die mogelijkheid, wij kunnen vragen voor de armen te zorgen en niet de rijken te beschermen. Nivelering die de inkomensverschillen tussen arm en rijk kleiner maakt is voor ons een zegen en geen vloek. Vreemdelingen verdienen gastvrijheid en hulp bij het vinden van een toekomst, ook al kan dat niet in ons eigen land.

God vraagt ons om een andere wereld te scheppen. Gastvrij, zorgend, liefhebbend. In het slot van het Evangelie van Matteüs draagt Jezus zijn leerlingen op iedereen te dopen, tot aan de einden der aarde en tot de aarde voltooid zal zijn. Dan zal God zien dat het goed is. Zo goed wordt deze aarde dat God zelf zijn tenten hier op aarde zal willen opzetten. Dan is er eten voor iedereen, dan zijn oorlogen uitgewoed en weet niemand meer wat oorlog is. Dan zijn alle tranen gedroogd en zal zelfs de zee haar doden teruggeven. Aan die aarde mogen we vandaag nog gaan werken en elke dag opnieuw. Aarzel dus niet, het werk wacht, vat dan aan.

Amen.

 

Lezen: Ezechiël 18: 1-4, 25-32

             Matteüs 21:23-32

Gemeente,

Bij alle discussies over de jeugdzorg hoor je dat bij ons ook wel eens vertellen: als de ouders kwaad doen straft God de kinderen. Maar God straft niet en zeker niet hen die het kwaad niet bedreven hebben zegt Ezechiël ons vandaag. Eigenlijk roept hij ons mensen op om op te houden met elkaar te beschuldigen. Als je geen kwaad hebt gedaan ben je ook niet verantwoordelijk voor het onheil. Alleen als je kwaad gedaan hebt dan zet je jezelf buiten de gemeenschap, in Bijbelse termen: dan kun je sterven. Maar als je mensen tot hun recht laat komen dan zal je dat niet overkomen en zeker je kinderen niet. Het soort rare spreekwoorden dat een volk kan ontwikkelen moet je maar vergeten zo roept de profeet ook ons toe. Want we weten er wat van. Als er hangjongeren zijn die de kans krijgen van kwaad tot erger te vervallen dan “weigeren de ouders hen op te voeden”.

Het is glashelder wat Ezechiël ons voorhoudt. Doe het goede of je kunt doodvallen. Iedereen die het goede doet zal leven en iedereen die het kwade doet kan doodvallen. En als je het kwade hebt gedaan en je hebt berouw en je wilt voortaan het goede doen? Dan kies je voor het leven en dan zal je leven. En als je altijd het goede hebt gedaan maar dat geef je op en je leeft voortaan alleen voor jezelf? Dan kun je doodvallen, dan ben je voor de gemeenschap, dus ook voor de gemeenschap van God met de mensen, van nul en generlei waarde.

Zijn nu de goede mensen altijd goed en de kwade mensen altijd kwaad? Als je Ezechiël leest niet. Die roept iedereen op tot inkeer te komen en te leven. In kerktaal noemen we dat genade. Ook al doe je verkeerd, als je dat inziet en het voortaan anders wil gaan doen dan mag je weer mee doen, dan krijg je genade. Eigenlijk horen we dat in onze samenleving dan ook toe te passen. De doodstraf is daarbij helemaal uit de boze. Iemand aan wie de doodstraf is voltrokken kan immers nooit meer antwoorden op de oproep van Ezechiël tot inkeer te komen en te kiezen voor het leven.

In ons land geldt dat ook een beetje voor een levenslange gevangenisstraf. Die is ook echt levenslang en alleen onder zeer bijzondere omstandigheden kan de Koning gratie verlenen. Gratie is een ander woord voor genade. Er wordt nu gepleit om de rechter na verloop van tijd, een lange tijd, nog eens te laten kijken naar de rechtvaardigheid van een gevangenisstraf tot de dood er op volgt.

Soms kan dat niet anders, maar vaker nog zeggen mensen als ze het individuele geval kennen dat genoeg genoeg is en dat als iemand lang gestraft is geweest en tot inkeer is gekomen de straf onmenselijk wordt. En als God vergeeft wie zijn wij dan om dat onmogelijk te maken. Bij een TBS is het al geregeld. Daar moet een rechter elke twee jaar een oordeel vellen over verlenging van de maatregel. Soms maken TBS gestelden het de rechter moeilijk door te vragen hen te laten zitten. Ze zijn tot het inzicht gekomen dat hun daden absoluut verkeerd waren maar zijn bang terug te vallen in hun oude fouten, de verleidingen niet te kunnen weerstaan en vragen om voortzetting van de bescherming.

Het aller moeilijkst hebben het de mensen die na een afzienbare straf weer vrij komen en weer aan onze samenleving moeten deelnemen. In plaats van hen te waarderen om hun inkeer blijft onze samenleving hen de fouten uit het verleden nadragen. Zelfs half weg huizen, half weg tussen gevangenis en samenleving, als die van Exodus kunnen nauwelijks een plaats vinden in buurten en wijken. Laat staan dat ex gedetineerden zelf een woning kunnen vinden waar ze een nieuw leven in eerlijkheid kunnen beginnen.

Er wordt met veel professionele en vrijwillige hulp de nodige steun en begeleiding geboden. Vanuit de kerken zijn er vaak veel vrijwilligers te vinden die mensen willen helpen op het rechte pad te blijven en een leven te leiden waarmee ze een nuttige bijdrage aan de samenleving kunnen bieden. Maar onze samenleving kent maar weinig genade, weinig kansen op een nieuwe start. Eigenlijk vraagt Ezechiël ons dus vandaag ook eens na te gaan hoe het zit in onze gemeente met de acceptatie van Exodus en de arbeidsplaatsen voor ex-gedetineerden in het bedrijf waar we werken.

Mensen met gezag en fatsoen willen niet iedereen in dienst nemen die geschikt is. Als iemand ooit onfatsoenlijk is geweest, of op grond van zijn naam of afkomst als onfatsoenlijk te boek zou kunnen staan dan is het vinden van een passende arbeidsplaats vrijwel onmogelijk. Van Jezus van Nazareth ging het verhaal dat hij geen steen had om zijn hoofd te ruste te leggen. Hij at met hoeren en tollenaars. Daarom was er in zijn dagen al de vraag op grond waarvan hij deed wat hij deed. Hij was immers ook geen Priester of Leviet afkomstig uit een familie met een rijke traditie. Die Priesters en Levieten oefenden officieel op grond van de Bijbelse voorschriften het toezicht op genezingen en de toepassing van de wet uit.

Dan komt er zo’n prediker en die geneest en brengt mensen die zich hadden buitengesloten weer op de goede weg. Dat schept maar wanorde en verwarring. Maar Jezus van Nazareth wijst op een andere kant van hetzelfde verhaal. In zijn optreden is ook de roep om anders te gaan leven. Om weer rekening te houden met de regel van heb je naaste lief als jezelf. Eigenlijk is het de taak van iedereen om jezelf en om elkaar aan die liefdeswet te houden. In de traditie van het volk Israel waren er door de geschiedenis heen steeds mensen opgestaan die het volk tot de orde hadden moeten roepen, die weer hadden gewezen op die regel en hoe die toe te passen in de dagelijkse werkelijkheid en in de politieke actualiteit.

Profeten werden ze genoemd en in de dagen dat Jezus van Nazareth met zijn optreden was begonnen was er de Profeet Johannes geweest die bij de Jordaan mensen het rituele bad had laten ondergaan dat de Bijbelse richtlijnen voorschreef om weer rein te worden, weer zonder vuiligheid en zo dat je die regel van je naaste liefhebben weer ongestoord kon uitvoeren. Dopen noemde hij dat en daar was heel het volk voor uitgelopen.

Dat reinigingsbad moest je zelf nemen, daar kwam geen Priester of Leviet aan te pas. Tot die reiniging of omkeer oproepen was de taak van iedere gelovige. Niet dat Priesters en Levieten, Farizeeën en Schriftgeleerden dat de mensen voorhielden, dat zou hun macht en positie maar aantasten. Daarom gaven ze maar geen antwoord als ze naar de plaats in de Bijbelse richtlijnen wordt gevraagd.

Jezus van Nazareth wijst maar eens op de profeten die de mensen voor hadden gehouden dat ieder die kwaad had gedaan elk moment berouw kon hebben en met het goede kon beginnen. Ieder die bleef bij het kwaad kon doodvallen. Johannes was er mee begonnen en Jezus van Nazareth ging er mee door. Wij ook? Of vergeten wij net als de Farizeën en Schriftgeleerden dat het hart van de Bijbel die richtlijn van de naastenliefde is.

En krijgen we iets terug van die naastenliefde? Daar gaat het ons dus niet om. Ons geloof is geen voor wat hoort wat geloof. Ons geloof gaat er om dat mensen weer mee mogen doen. Zoals wij weer mee mogen doen omdat Jezus ons dat door de dood heen heeft voorgedaan. Niets kan ons afhouden van zijn liefde. Die liefde delen we. Alles wat we hebben en alles wat we zijn. Want alles wat we zijn geworden en wat ons is toegevallen hebben we aan God te danken. De vreugde in de ogen van de naaste die geholpen wordt is ons genoeg. Daar mogen we het van dag tot dag mee doen. Aan de slag dus.

Amen.

Lezen: Jeremia 7: 23-28

             Matteüs 17:14-20

Gemeente,

Zo af en toe zijn er acties voor een goed doel waar iedereen aan mee gaat doen. We hadden De IceBucketChallenge, mensen die een emmer ijsblokjes of ijskoud water over zich heen gooien of over zich heen lieten gooien. Niet om te laten zien hoe koud dat is en hoe grappig het is mensen het plotseling koud te laten krijgen maar om te laten zien dat ze een bedrag geschonken hebben aan de Stichting ALS. Die Stichting heeft ineens miljoenen ter beschikking om onderzoek te laten doen naar de oorzaak van ALS en eventuele behandelingen die er mogelijk zouden zijn. ALS is een slopende ziekte die geen behandeling kent.

We hadden de ongeneeslijk zieke Tijn die iedereen uitdaagde de nagels te lakken voor de aktie van het Glazen Huis. Die nagellak aktie werd overgenomen door mensen die geld inzamelden voor onderzoek naar hersenstamkanker, de ziekte waar Tijn uiteindelijk overleed.

Het komt in onze samenleving steeds meer voor dat de steun aan goede doelen vergezeld gaat van uiterlijk vertoon. Je fietst een berg als de Alp d’Huez op om kanker te bestrijden, loopt hard in New York om geld bij elkaar te krijgen voor een eigen gekozen doel en zelfs de vierdaagse in Nijmegen wordt tegenwoordig gebruikt om te laten zien wat je over hebt voor het helpen van zieken of het voeden van de hongerigen. Tegelijk wordt er door de regering bezuinigd op de hulp aan de armsten in de wereld en worden er grenzen gesteld aan de uitgaven voor gezondheidszorg en wetenschappelijk onderzoek.

Het is niet nieuw. Ook in de dagen van Jeremia was er de tendens waar te nemen dat het brengen van offers een religieuze show werd. Hoe goed zij zijn is volgens zijn tijdgenoten te merken aan hoe veel zij aan de God van Israël offeren.

Het moet toch even schrikken geweest zijn toen daar Jeremia ging optreden. In een wereld waar het ene offer na het andere werd gebracht klinkt het ineens “Ik heb nooit gevraagd om offers, eet zelf je vlees maar op”. Nu hadden ze toch in de Torah, de wetten die vanouds waren overgeleverd, gelezen dat er elke ochtend en elke avond een offer gebracht moest worden. Een deel van het vlees was voor de priester en de rest moest worden verbrand, samen met meel en wijn. Het staat nauwkeurig beschreven in het boek Leviticus. Maar uit het voorgaande was al duidelijk dat de offers in de Tempel van de God van Israel net zo gemakkelijk gebracht werden als de offerkoeken voor de Maan en offers voor de andere goden van de omringende volken.

Die offers uit de Thora, de leer van Mozes, waren bedoeld om mensen dag in dag uit duidelijk te maken dat ze niks van zichzelf hadden maar alles hadden gekregen. Dat ze dus ook dag in dag uit alles moesten delen. Daarin was de hele wet samengevat: “Heb Uw naaste lief als uzelf” Maar daar werd niet naar geluisterd. Er konden nog zoveel priesters, levieten of profeten komen die weer vroegen om aandacht voor de minsten in de samenleving of die vroegen om te delen wat men had geoogst, steeds weer wilden de mensen alleen een vrome godsdienst, mooie liederen, fraaie gebeden en plechtige offers. Want een mooie godsdienst belooft je voorspoed en rijkdom en succes in het leven. De naaste kwam er niet meer aan te pas. Oprechte woorden komen niet meer over hun lippen.

In onze dagen doen mensen niet meer aan godsdienst. Dat is achterhaald zo klinkt het. Wie gelooft er nu nog in een God die je niet kunt zien? Wat heb je aan die oude regels waar toch niemand zich aan houdt? Dat klinkt fraai en modern maar is er veel verschil met de dagen van Jeremia? Ook toen wilde men zich aanpassen aan de moderne omstandigheden. Als alle volken toch de Maan aanbaden dan mocht het volk Israël toch niet achterblijven? De grootmachten uit de dagen van Jeremia waren machtige staten. De hangende tuinen van Babylon, waar onder meer de Maan werd aanbeden, waren wereldwonderen, de legers onoverwinnelijk. Je daarbij aanpassen, niet weglopen voor de cultuur die dominant is, mag toch wel?

Het is alsof er niets is veranderd. De Babylonische goden zijn vervangen door het ongeloof. Maar de armsten in de wereld blijven net zo hard lijden als toen. Nu wonen ze in Afrika en sterven van honger, geweld, toen woonden ze gewoon in het land Israel en moesten de armsten zich verkopen als slaven.

Nu bouwen de rijkste landen import en emigratie beperkende muren, toen regen de rijken akker aan akker en voegden ze huis aan huis. De wil van de God van de Woestijn, de God van heb-je-naaste-lief-als-jezelf, is nog steeds hetzelfde, voor ons nog steeds een reden om die God na te volgen, dat houden van je naaste is pas geloven nietwaar.

Hulp aan de armen, steun aan goede doelen is dus niet verkeerd. Maar er een godsdienst van maken, een religieuze show, doen of het een prestatie van jezelf is wel. Als we delen dan delen we van hetgeen met ons gedeeld is, hetgeen ons is toe gevallen. Wie om zich heen kijkt ziet het wel. De ene mens spant zich in en overkomt ellende en verdriet, de andere mens hoeft zich nauwelijks in te spannen en wordt bijna slapend rijk en ben je eenmaal rijk dan is het nog makkelijker om nog rijker te worden. Veel bezitten is geen verdienste van de bezitter, maar om in Bijbelse termen te spreken, veel bezitten is rijk gezegend zijn.

Dat steunen van goede doelen, dat zorgen voor de zieken, het voeden van de hongerigen en het kleden van de naakten is daarom een kwestie van geloof. Geloof waarin? Geloof in een wereld waarin alle tranen gedroogd zullen zijn, waar geen ziekte en geweld meer voorkomen. Profeten als Jeremia en Jesaja hebben voor ons zo’n wereld geschetst. Uiteindelijk sprak Johannes op Patmos, in het boek Openbaring zelfs van een wereld waar de zee haar doden teruggaf en die zo mooi geworden was dat God zelf er zou willen wonen.

Maar we geloven nog steeds niet echt dat wij aan een dergelijke wereld mogen meewerken. Als je maar een klein piezeltje geloof hebt kun je een berg verzetten. Niet dat je nu letterlijk bergen moet willen verzetten, zelfs van Jezus van Nazareth wordt nergens verteld dat die tegen een berg zei : “Stort je in zee”, waarop mensen sindsdien kunnen aanwijzen waar die berg zich in zee heeft gestort. Maar zodra mensen zich gaan inzetten om de wereld een klein beetje beter te maken krijg je dat ongeloof te horen: Het lukt je toch niet.

De kruisraketten waren hard nodig, die zouden er echt wel komen. Geloof in de mogelijkheid van vrede tussen mensen was niet mogelijk en dat propageren was onvruchtbaar. Het geloof van een electricien in Polen en vele Nederlanders die ondanks alles vriendschap sloten met mensen in Oost Duitsland heeft uiteindelijk de geschiedenis veranderd.

De industrie zou ook niet milieuvriendelijk te krijgen zijn. Er was er ooit één die met Greenpeace begon, en de drijfgassen uit koelkasten en spuitbussen zijn verdwenen en heel langzaam herstelt de ozonlaag zich, iets te langzaam overigens. Ook de apartheid in Zuid Afrika zou nooit op een vreedzame wijze kunnen worden afgeschaft. Tegen demonstranten voor Nederlandse banken, die demonstreerden tegen een investeringsbeleid dat de apartheid ondersteunde, werd gezegd dat ze oorlog stonden uit te lokken.

Maar toen kerken hun investeringen gingen terugtrekken en gelovigen hun bankrekeningen opzegden, automobilisten de Shell pompen voorbij reden, en Nelson Mandela hardnekkig een onvoorwaardelijke vreedzame overgang naar democratie bleef nastreven ging het onaantastbare apartheidsregiem aan het wankelen en kunnen we het nu opzoeken in geschiedenisboekjes.

Natuurlijk gaat het verdrijven van die demonen niet van de ene op de andere dag. Iedereen die met moeilijke jongeren werkt zal dat weten. Maar ook het helpen van ontspoorde jongeren of jongeren die dreigen te ontsporen is meer dan de moeite waard. Steeds weer geldt dat iedereen bij de samenleving mag horen, en dat iedereen bij een samenleving kan gaan horen als liefde voorop staat.

We sluiten in onze samenleving tegenwoordig liever mensen buiten onze samenleving dan dat we moeite doen om mensen op te nemen. En jongeren die onze aandacht afdwingen bekijken we door de ogen van de mobiele eenheid.

Toch is maar weinig nodig om de wereld een beetje beter te maken. Maar het moet van veel mensen komen We moeten er allemaal aan meewerken. We kunnen bergen verzetten. Dat is ook wat de mensen proberen die meedoen aan Alp d’Uzes of een van de vele andere sponsoracties. Het lijkt soms dat men showt met het goede dat men kan doen. Maar voor veel mensen, zeker bij die wielerprestaties, heeft gevoel een grens te verleggen voor een ander, een berg te verzetten voor een zieke de overhand. In plaats van leed over ongeneselijke ziekten ontstaat vreugde over de mogelijkheid er toch wat aan te kunnen doen. We staan letterlijk op tegen het leed dat ons of anderen is overkomen.

Blijft toch de vraag waarom de profeet ons waarschuwt dat God die offers niet wil. Die offers zijn een individueel gebeuren. De Thora, waarin ook de offers beschreven staan, is voor het volk bestemd. Niet elk voor zich mag godsdienstig zijn, de dienst aan God gaat over zijn volk, Jezus van Nazareth preekte de komst van zijn Koninkrijk. De God van Israël vroeg aan zijn volk een vanzelfsprekend delen van wat ze hadden met de minsten, dat oefenden ze in de offers, iedere morgen, iedere avond, dat was verder het hart van het volk. Jezus van Nazareth had het over een Koninkrijk waar de meest vooraanstaanden de minsten wilden zijn, waar het dienen heersend was.

Jezus van Nazareth verzucht in het verhaal dat we vandaag gelezen had dat hij steeds nodig is en dat hij niet eeuwig daarmee kan doorgaan. Pas na zijn lijden en opstanding geeft hij zijn volgelingen de opdracht alle mensen op aarde te dopen tot de aarde voltooid zal zijn. Het mee krijgen van alle mensen op de wereld in het als vanzelfsprekend goed maken van de aarde, het uitbannen van geweld en onderdrukking, recht doen aan alle mensen en daarmee mee werken aan de schepping van de goede aarde, de aarde van God is dus ook onze opdracht.

God laat nooit varen het werk dat zijn hand ooit begon, we mogen dus op God vertrouwen als we mee gaan doen, niet voor onszelf maar voor dat Koninkrijk van Jezus van Nazareth dat komt. Mee doen dus voor de toekomst, voor een toekomst van God, die toekomst ligt voor het grijpen, die toekomst is al begonnen. Doe mee dus, het werk wacht, vat dan aan.

Amen

 

 

lezen: Jesaja 51: 1-6

            Matteüs 16: 21-27

Gemeente

De grenzen over wat goed is en wat slecht is worden vandaag schijnbaar scherp getrokken. We moeten alles kunnen zeggen, maar echt alles brengt soms verwarring, in de Bijbel heet die verwarring dan diabolos, vertaald als Satan of Duivel. En verwarrend zijn de verhalen uit de Bijbel soms. Die diabolos is geen persoon waar we in moeten geloven, die verwarring is een gevolg van ons handelen. In de lezingen van vandaag veranderd Simon van een rots, een Petrus, in een verwarrer, een diabolos, een Satan. Voor sommigen die nauwkeurig de Bijbel lezen is ook Jesaja een profeet die verwarring brengt.

Want wie zingt er nu over een oord van vreugde en gejuich als je meest geliefde stad veranderd is in een ruïne. Als er niets over is dan puinhopen. En dan niet zo maar een stad, een stad als alle andere waar jij toevallig van houdt, maar de stad van de berg Sion, waar de Tempel is gebouwd, waar de Thora van God, werd bewaard. Het is Jesaja de profeet die dat doet. In de Heidense manier van geloven had de God van Israël verloren, was zijn macht op aarde uitgeteld. Zijn volk was weer in Ur der Chaldeeën onder de hoede van de goden van Babel.

Maar Jesaja begint het verhaal van Israël weer opnieuw te vertellen. Over Abram en Sarai, die Abraham en Sara werden onder de terebinten van Mamré, die pas op hoge leeftijd begonnen met het stichten van het volk dat uit zou groeien tot het volk Israël.

De verwarring slaat toe. Het is dus niet over? Het kan opnieuw beginnen? De hulp van God die nodig is voor de bevrijding uit de ballingschap is nabij? Jesaja hoeft de verhalen niet te vertellen, als de Thora uitgegaan is van de God van Israël dan ging daar ook de bevrijding uit de slavernij van Egypte aan vooraf. Zou de God van Israël opnieuw beginnen? En dan begint er vast iemand een Psalm te zingen, die Psalm waarmee we onze kerkdiensten zo vaak beginnen, Hij laat nooit varen het werk dat zijn hand begon.

Het is de herinnering aan het Jeruzalem van voor de verwoesting en de invloed van de Thora die maakt dat je je met Jesaja toch, door alle verwoesting en ellende heen, toch vrolijk kan voelen. Want niet de vijand die de verwoesting veroorzaakte is de baas, niet die vijand is de Heer van de wereld, niet hij is jouw Heer, maar de Heer waar de Thora van uitging is de baas. En die Thora was immers de Liefde, en die Heer was immers de Liefde. En uiteindelijk overwint de Liefde. Daar is je hele leven op ingesteld. Daar richt je je daden op, daar vertrouw je op, dag in dag uit. Die overtuiging, die houding maakt dat je niet bang hoeft te zijn voor de hoon van mensen, dat je je niet hoeft te storen aan hun spot.

Want is het verzet tegen bijvoorbeeld het haat zaaien tegen de Islam en haar aanhangers niet ingegeven door de Liefde voor mensen en het verlangen naar een samenleving waaraan iedereen mee kan doen, zonder angst, zonder zich ingeperkt te hoeven voelen, zonder dat iemand cultuur of eigen overtuiging hoeft op te geven. Mensen die tegen het haat zaaien zijn willen een vreedzame samenleving. Niet alleen hier maar overal in de wereld. En dan slaat de verwarring weer toe.

Want moeten wij nu ook de broeders van de Islamitische staat liefhebben? Die vrouwen als gebruiksvoorwerp beschouwen, van wie wordt gezegd dat ze de vrouwen van hun vijanden verkopen als vee, en iedereen die hun geloof niet wil delen doden? In onze geschiedenis was het Karel de Grote die het Christendom zo bracht aan de Germanen, wie zich niet wilde laten dopen werd gedood, we zijn Keizer Karel toch de Grote blijven noemen en misschien dat de Islamitische Staat IS er voor nodig was om onze houding tegenover de kerstening van ons land te herzien.

Want ons is de vrede van God voorgehouden. Jesaja zal een Heidense koning, koning Cyrus begroeten als Messias als die de Judeeërs, de ballingen, opdracht geeft Jeruzalem en haar Tempel weer op te bouwen, daar komt geen geweld aan te pas. Jeruzalem zal dan een oord zijn van vreugde en gejuich.

Ook Jezus van Nazareth hield zijn leerlingen een Koninkrijk van recht en vrede voor, ook dat zou een oord zijn van vreugde en gejuich. Maar net als in de dagen van Jesaja was er in de wereld van Jezus van Nazareth geen spoor te bekennen van de komst van een dergelijk Koninkrijk. Integendeel, het volk Israël leed onder een wrede bezetting waar ook de uitoefening van de godsdienst voortdurend bedreigd werd. Zware belastingen, het kopgeld, maakten de armen steeds armer, de tol die onderweg geheven werd remde de handel af. In een dergelijke samenleving reisde Jezus met zijn leerlingen rond, iedereen trok achter hem aan staat er dan.

Simon de zoon van Jonas had een bijnaam. Jona betekende duif en boodschapper, maar was de zoon van de duif ook zo zachtmoedig?. Simon was visser dus sterk, hij was rechtlijnig, zoals vissers ook vandaag de dag nog rechtlijnig kunnen zijn. Zijn bijnaam was dan ook rots, Petrus. Maar de combinatie van rechtlijnig en godsdienst brengt splitsingen en wonderlijke ideeën. Die hoeven overigens niet altijd verkeerd te zijn maar je moet wel oppassen. In het stuk dat we vanmorgen hebben gelezen heeft onze Simon Petrus het ineens door. Die Jezus van Nazareth met zijn onvoorwaardelijke liefde voor de mensen en zijn boodschap van heb je naaste lief als jezelf die kan de hele wereld bevrijden. Zo zal de God van de Thora, zijn zoon gezien willen hebben.

Die zoon lijkt het meest van ons allemaal op God, die God immers zag dat het goed was. Als je op die manier met elkaar omgaat heeft ook de dood geen invloed meer op je beslissingen en kan die de gemeenschap die je vormt niet meer omverwerpen. Dat is nauwelijks te geloven en Simon, bijgenaamd Petrus, zal dat geloof ook niet lang volhouden, ook daar gaan we nog van kunnen leren

In die nieuwe wereld past dus geen geweld. Het gebod van Gij zult niet doden is niet een gebod voor een individu, al zullen we ons er ook individueel aan moeten houden, maar is een gebod voor een volk. Als er al strijd werd geleverd door het volk in de Woestijn was dat een strijd als instrument voor de God van Israël. Daarom hief Mozes zijn handen omhoog tijdens de strijd en als hij ze liet zakken dan verzwakte het leger van Israël.

Jezus probeerde zijn leerlingen duidelijk te maken dat hij zou moeten lijden. Dat bracht in elk geval Petrus in verwarring. Dat toch nooit. Een geweldige leraar, de zoon van de allerhoogste God, lever je toch niet over aan de Heidenen om te lijden en gedood te worden? God en alle engelen zouden dat verhoeden en tot dat leger zou je als volgeling van Jezus willen behoren.

Het is de manier van denken waar we altijd tegenop lopen. Het is de manier van denken van Karel de Grote en van de Islamitische Staat, wie niet voor mij is, is tegen mij en dan citeer je dus gewoon de Bijbel, maar er staat ook dat allen die het zwaard opnemen door het zwaard zullen vergaan. De oorlogen die in de wereld woeden zijn voor ons te groot, we horen ze en we horen hun geruchten want als er een vliegtuig neerstort met onschuldige reizigers dan komt het geluid van de oorlog schrijnend dichtbij.

Maar we hebben schaduwen van die oorlog ook in onze steden en in onze wijken. Daar wonen jongeren die steeds meer uitgesloten raken van onze samenleving, die steeds minder kansen op werk en vooruitgang hebben. De jeugdwerkloosheid is onder allochtone jongeren het allergrootst. En allochtone jongeren zijn jongeren die hier zijn geboren, soms net als hun ouders en alleen hun grootouders werden in de jaren 60 van de vorige eeuw in een ander land geworven om hier het tekort aan arbeidskrachten op te lossen.

Ze krijgen pas een identiteit die meetelt als ze bij extreme of fundamentalistische groepen aansluiting vinden, daar hebben zij gelijk en heeft iedereen anders ongelijk. Maar moeten wij ze dan met geweld begroeten? Ze eindelijk zien staan door de ogen van de mobiele eenheid? Sommige politici proberen ons in verwarring te brengen door voortdurend te wijzen op dat waar we het niet mee eens zijn. Maar met Jezus mogen wij roepen ga van ons verwarrers, geweld is niet en nooit een oplossing voor problemen. We zullen moeten werken aan hun toekomst, hoe moeilijk dat ook is.

Daarom moeten we voortdurend de visioenen van profeten als Jesaja voor ogen houden. Moeten we voortdurend blijven geloven in de belofte van Jezus van Nazareth dat zijn Koninkrijk zal komen. Dat zijn koninkrijk voor het grijpen ligt, dat Koninkrijk waar alle tranen gedroogd zullen zijn, waar de dood niet meer heerst en dat zo mooi zal zijn dat God zelf op deze aarde zal willen wonen. Daarvoor zullen wij het kruis van Jezus achter hem moeten opnemen. Elke dag mogen we dat opnieuw doen, werkend aan de komst van zijn Rijk, ook vandaag, ook de komende week, aarzel dus niet maar sla de hand aan de ploeg.

Amen

 

Lezen: Jesaja 56: 1-7

             Matteüs 15: 21-28

Gemeente,

Vandaag gaat het over vreemdelingen, een uiterst actueel onderwerp, we worden doodgegooid met de discussie over vreemdelingen, de kranten staan er vol van, we zien het elke avond op de TV. Maar die discussie over vreemdelingen, over integratiebeleid, is een politieke discussie, die gaat over het bestuur van de stad, over welke regels er in onze stad zouden moeten gelden. In het Grieks heet een stad een polis en dat wat het bestuur van de polis aangaat heet politiek. Daar hebben we het in de kerk niet over.

Voor ons gaat het niet over een stad maar over heel de aarde. En als we het hebben over een stad dan hebben we het eigenlijk altijd alleen over Jeruzalem als voorbeeld voor heel de aarde. In Jeruzalem was immers de Tempel van de God van Israël, daar werden de richtlijnen bewaard waar alle volken van de aarde zich naar zouden moeten richten. Bij de vraag hoe wij onze stad, onze steden en dorpen, ons land, zouden moeten besturen zouden we dus moeten kijken naar de richtingwijzers die de God van Israël voor ons heeft uitgezet, dat zijn voor ons de regels om een betere samenleving te maken.

In het gedeelte dat we vandaag gelezen hebben uit het boek van de profeet Jesaja komt dat duidelijk tot uiting. Dat boek van de profeet Jesaja is een bijzonder boek. Het gaat namelijk over drie verschillende perioden in de geschiedenis van het volk Israël. Het derde gedeelte begint op de plaats die we vanmorgen gelezen hebben. “Handel rechtvaardig, handhaaf het recht”. Dat is het eerste dat de teruggekeerde ballingen te horen krijgen van de profeet. En die ballingen weten dus ook nog heel goed hoe het is om vreemdeling te zijn, hoe het is om te maken te krijgen met vreemde godsdiensten, met vreemde culturen en gewoonten, met vreemde machten.

Jesaja zet hierbij de Sabbat centraal. God zelf brengt ons zijn gerechtigheid nabij, wij horen hier toekomst in, maar in het Hebreeuws staat er eigenlijk dat God er voor zorgt dat zijn gerechtigheid voor ons voor de hand ligt, het is niet in de hemel of aan de andere kant van de zee, maar het is voor ons onder handbereik.

Maar waarom dan beginnen met de Sabbat en daarbij dan die vreemdeling noemen die de Sabbat onderhoud? Om dat te begrijpen moeten we iets weten over de positie die de vreemdeling in het verhaal van Israël inneemt. Je hebt natuurlijk de andere volken,. In het verhaal zijn dat over het algemeen broedervolken. Die andere volken worden altijd opgeroepen de aarde te delen met het volk Israël. Maar het gaat hier niet om de vreemde volken maar om de individuele vreemdeling.

En de Bijbel twee soorten vreemdelingen. Er zijn de vreemdelingen die te gast zijn, die voorbij komen, handeldrijvers, reizigers, vertegenwoordigers van een regering of rovers en bezetters. Maar er zijn ook vreemdelingen die komen om te werken, die bij het volk komen wonen, in de praktijk waren dat soms ook wel slaven en slavinnen.. Zij zijn mede afhankelijk van het handelen door het volk, wel of niet volgens de goddelijke richtlijnen. Dat zijn ook de mensen die afhankelijk zijn van de Sabbat. Op de Sabbat ben je namelijk bevrijd van de slavernij van het werk.

Dat is ook vandaag de reden dat vanuit de kerken opgeroepen blijft worden om één dag in de week iedereen vrij te geven van het werk zodat je als volk samen kunt leven bevrijdt van de slavernij van de economie en van het werk. Vrij dus voor iedereen op dezelfde dag zodat je die bevrijding ook echt samen kunt vieren. Zorg is natuurlijk nodig en ook de landbouwer zal zorg moeten hebben voor het vee, maar dat wat gedaan wordt uit plicht en voor winst en niet uit liefde en zorg zou achterwege gelaten moeten worden. Dat doe je samen, dat doe je niet alleen als gelovigen, niet omdat je gelovig bent, maar dat doe je samen, omdat je geeft om alle mensen, omdat alle mensen tot hun recht moeten komen.

Dat geldt zelfs voor mensen die buiten de samenleving zijn geplaatst, door de profeet worden eunuchen genoemd, zij die niet kunnen zorgen voor het voortbestaan van het volk, ook zij horen er bij, ook voor hen is een plaats in het volk, ook zij moeten tot hun recht komen, ook zij moeten bevrijd worden van de slavernij.

Als je zo met vreemdelingen omgaat, zegt Jesaja, dan gaat er een licht op voor alle volken. Dan wenden alle volken zich tot Jeruzalem, dan is de Tempel een huis van gebed voor alle volken. In onze kerken wordt vaak gelezen dat die vreemdelingen zich met God verbonden moeten hebben, die vreemdelingen moeten zich bekeerd hebben, het zou dus alleen voor gelovige vreemdelingen gelden. Maar dat staat er niet. Verbonden met God is verbonden met het volk van Israël, bijwoner geworden zijn.

Ook in de dagen van Jezus van Nazareth was er de neiging om een dergelijke beperkte uitleg van de schrift te volgen. Jezus van Nazareth liep steeds tegen de Farizeeën op die een dergelijke nauwe en beperkte uitleg van de schrift nastreefden. Maar als Jezus van Nazareth zich steeds tegen een te nauwe uitleg van de schrift verzette, hoe moeten we dan het verhaal plaatsen dat we vanmorgen uit het Evangelie naar Matteüs hebben gelezen? Het gaat in dat verhaal om een moeder die hulp vraagt voor een zieke dochter. En op zo’n vraag kun je toch geen nee zeggen is ons gevoel altijd.

Ik heb in de hulpverlening geleerd dat zo maar op elke vraag ingaan niet altijd de juiste hulpverlening is. Ook in dit verhaal wordt niet direct ingegaan op de vraag van de moeder. Er zijn allerlei manieren om mensen te helpen. Je kunt mensen negeren. Soms helpt dat. Uit onderzoek naar mensen die op een wachtlijst bij de Geestelijke Gezondheidszorg stonden bleek dat een flink deel van die mensen zonder verdere hulp al genas.

Je kunt ook mensen helpen om er maar vanaf te zijn. Zoals leerlingen van Jezus in het  verhaal van vandaag proberen, zo van ze roept zo hard, dat staat kennelijk lelijk, dat trekt maar ongewenste aandacht. We zien die vorm van hulpverlening nog wel eens bij politici. Dan moeten ineens alle zwervers geholpen worden. Niet met hun probleem, dat kan nog heel verschillend en ingewikkeld zijn, maar met hun gezwerf, geen gezicht, dus, dronken vervuilde in lompen geklede mannen en vrouwen in het centrum van de stad: dus of naar een inrichting of naar een deel van de stad waar ze niet worden gezien.

Het is natuurlijk altijd goed om je af te vragen wat helpen in een bepaalde situatie echt betekent. Help je iemand door alles over te nemen, of help je iemand door te laten zien dat die het zelf ook kan oplossen? In dit verhaal schreeuwt de vrouw het uit, help mij, mijn dochter is gek geworden. Het woord roepen is hier echt veel te zwak vertaald. Het is een schreeuw om hulp voor haar dochter. Ze gebruikt daarbij de woorden die ook de leerlingen gebruiken om Jezus van Nazareth aan te spreken, “Heer” en “Zoon van David”, voor een Heidense niet zonder betekenis.

Hoe wordt er nu op ingegaan op de schreeuw om hulp? Vaak krijgen we het beeld dat Jezus van Nazareth haar eigenlijk afwijst. Maar het zijn, volgens de vertaling, de leerlingen die de Heer vragen haar weg te sturen omdat ze zo hard schreeuwt. Dat is tenminste zoals het vanouds wordt vertaald. Als je het Grieks goed leest dan zou er ook kunnen staan dat de leerlingen de Heer vragen haar te bevrijden en dat zou een ander licht op de zaak werpen.

Hoe het ook zij, het is niet Jezus van Nazareth die haar wegstuurt maar die met haar in gesprek gaat, met een vrouw, een Kanaänitische.

Matteüs schreef zijn Evangelie voor vrome Joden, van die Joden die vonden dat vrouwen niet mee naar de Synagoge hoefden, omdat zij van nature de Wet al kenden, , van die Joden die in elk geval geen enkele omgang wilden met Heidenen, dat zijn honden. Aan die lezers brengt Matteüs zijn boodschap. Die anders gelovigen zijn volgens zijn lezers gevaarlijk, die zijn besmettelijk, voor je het weet loop je vreemde goden achterna, ben je onrein in de zin van de Wet.

We horen op verschillende plaatsen in het Nieuwe Testament de discussies ook oplaaien als Jezus van Nazareth weer eens meer let op de mensen dan op de afkomst. En wij herkennen het op die manier praten over vreemdelingen: angst moeten we er voor hebben, hun geloof is gevaarlijk. Jezus van Nazareth gaat ons voor in het gesprek met de vreemdelingen. En de vrouw uit Kanaän laat ons zien waar het in ons geloof eigenlijk om gaat. De honden eten toch de kruimels die van de tafel vallen? En als honden meedelen in de rijkdom en de overvloed, zou een bezorgde moeder dat dan niet mogen?

Het herkennen van dat delen als het hart van het geloof van Israël is voldoende voor Jezus van Nazareth. Dat kun je pas herkennen als God dat zelf in je hart hebt gelegd en daar kan niets en niemand tegenop. En wat dan? Wat de dochter mankeert blijft buiten het verhaal. Ze was genezen omdat haar moeder wilde dat ze genas.

De inzet van ouders voor hun kinderen kan groot zijn. Dat betekent niet dat ongeneeslijk zieke kinderen genezen als hun ouders maar genoeg van ze houden, of genoeg in de Here Jezus geloven, integendeel. Kinderen die ongeneeslijk ziek zijn genezen niet, hoezeer hun ouders ook van ze houden, maar die liefde maakt wel dat de kwaliteit van leven omhoog kan gaan.

Wetenschappelijk onderzoek, voorzieningen voor zieken en gehandicapten, instellingen en ziekenhuizen, het is er vaak door de inzet van zulke ouders gekomen. Die ouders gaan niet alleen door het stof voor hun eigen kind, maar voor alle kinderen. Alleen onvoorwaardelijke liefde voor mensen helpt echt, maar voor iedereen die hulp nodig heeft geldt: hulp vragen is eigenlijk heel gewoon, ook dat mogen wel wat vaker laten merken in onze eigen omgeving.

Zo wordt er recht gedaan aan mensen. En dat is ook het antwoord van Jezus van Nazareth, als je gelooft dat in de manier waarop Israël leeft recht gedaan moet worden aan mensen, als je gelooft in de bevrijding van de slavernij, slavernij van ziekte, slavernij van de economie, dan wordt je recht gedaan, dan genees je, want dan krijg je de plaats in de samenleving die je toekomt.

Dat betekent niet dat lichamelijke kwalen zomaar over gaan, mijn medicijnen en de elektromotor die mijn hart op gang houdt kan ik niet missen, maar je krijgt wel weer zicht op wat je als mens voor medemensen kunt betekenen en daar gaat het in het verhaal van de God van Israël en de mensen om.

En wat leren we nu van dit alles voor ons leven van alledag? De eerste brief van Petrus noemt ons allemaal vreemdelingen, we handelen immers niet als al die ongelovigen in de wereld? Voor ons zijn we zelf dus in elk geval gelijk aan al die vreemdelingen, aan die asielzoekers, die vluchtelingen, die Marokkaanse arbeiders, die Roemenen en Polen die bij de oogst komen helpen. En wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet. Wij zijn van het volk dat de naaste lief heeft als zichzelf, dat zelfs hoorde van het liefhebben van vijanden.

Dat betekent niet dat we alles goed moeten vinden, maar leert ook dat het oordeel over mensen niet aan ons is, dat we het onkruid samen met het graan moeten laten opgroeien, dat we het kwaad dus moeten benoemen maar mensen de gelegenheid moeten geven zich te bekeren, te veranderen. En we leren dat helpen van wie dan ook niet vanzelf hoeft te gaan, dat mensen helpen zelf zoutend zout te worden, zelf verantwoordelijk te zijn uiteindelijk het beste is.

Vanmorgen leren we ook dat we voor niets en niemand bang hoeven te zijn, niets of niemand, geen kracht of macht houd ons immers af van de liefde van Christus. En met die liefde mogen we leven, dag in dag uit.

Amen.

Lezen:  Jona 2: 2-11

              Matteüs 14:22-33

Gemeente

In Israël was het water van de zee bijna gelijk aan een graf. Je kon er maar beter bij wegblijven. Dat de profeet Jona zich in zee liet werpen om de bemanning van het schip te redden is net zoiets als vragen levend begraven te worden. Maar Jona gaat niet direct dood, hij wordt verslonden door een grote vis. Ook in de zee heeft God leven gegeven. Eenmaal in de vis zingt Jona een Psalm en die hebben we vanmorgen gelezen. Een Psalm als een gebed.

Wie gaat er nu nog vanuit het graf bidden? Je zou toch willen dat je God je dat graf bespaard had? Die Jona had dat graf natuurlijk geheel aan zichzelf te wijten. Hij was immers precies de andere kant opgegaan dan God hem had opgedragen? Eigen schuld, dikke bult! Maar zo werkt het in de Bijbel niet. Juist in het graf wordt er tot God gebeden. Dan heb je de Liefde van God het meest nodig en mag je die ook het best in herinnering brengen.

De Zuid Amerikaanse dichter Ernesto Cardenal zong in het heetst van de dictatuur die hem onderdrukte nog eens psalm 130: “Uit de diepten, o Heer roep ik tot U, ’s nachts roep ik in mijn cel -in het concentratiekamp- in de folterkamer – in het uur van de duisternis- het uur der ondervraging, hoor mijn stem, mijn S.O.S.” Ook Jona zingt dus een psalm in zijn graf, waar een zekere dood hem zou moeten wachten. Ernesto Cardenal wist in zijn psalm 130 steeds te zingen :”Maar de Heer is de bevrijding, Hij is de vrijheid van Israël” Zo zingt ook Jona van de Heer voor wie de dood niet het laatste woord is. Ernesto Cardenal zong niet over de bevrijding van zichzelf maar over de bevrijding van zijn volk.

Jona zingt over de Tempel van de Heer, de Tempel waar de goddelijke richtlijn werd bewaard van heb Uw naaste lief als Uzelf. In die liefde, in die richtlijn schuilt de bevrijding van onderdrukking en geweld. Het verhaal van de Liefde voor de naaste staat immers los van je eigen lot. Wij hebben dat geleerd van Jezus van Nazareth die de liefde van God zover durfde doorleven dat zelfs zijn dood aan het kruis daar geen invloed meer op kon hebben.

Daarom mogen wij in het diepst van de duisternis zingen. Zingen van bevrijding, zingen van rechtvaardigheid. In de geschiedenis is dat zeer duidelijk begrepen door de zwarte slaven in het zuiden van de Verenigde Staten. Zij hadden gehoord van de God van Abraham Izaak en Jacob en van Jezus van Nazareth en zij begonnen te zingen van het leed dat Israël was aangedaan, van het leed dat Jezus van Nazareth had moeten ondergaan, maar ook van hun eigen leed en hun verwachting van bevrijding.

Het “We shall overcome” is waarheid geworden, de slavernij werd afgeschaft, de discriminatie bestreden en de eerste zwarte president van de Verenigde Staten behoort inmiddels tot de geschiedenis. Het zingen vanuit het graf van de slavernij heeft daar een belangrijke bijdrage aan geleverd.

Zo zongen Nederlandse studenten het “God zegen Afrika, Ngosi Sigelele” het verboden volkslied van Zuid Afrika tijdens de apartheid, zo werd het “Free Nelson Mandela” een hit over de hele wereld, een roep die onweerstaanbaar werd. Zo mogen we zingen met Jona, wetende dat op bevel van God het graf, voor Jona de vis, de verdrukte en vernederde zal uitspuwen. Dat uitspuwen betekent in het verhaal van Jona de beslissende ommekeer. Voor ons is de vraag of we vandaag met Jona mee durven zingen.

Maar we laten ons te vaak leiden door angst. Als er maar even tegenwind staat dan roepen we het uit van angst. Als er mensen zijn die ons van onze angst af willen helpen dan schelden we ze uit voor spoken. Ze kijken bij het onheil een andere kant op. Matteüs vertelt ons er een verhaal over waarvan velen denken dat het niet kan en je er dus ook niet op kunt vertrouwen.

Want wie liep over het water? Jezus? Misschien wel maar dat staat niet echt in het verhaal dat Matteüs ons vertelt. Jezus liep over het meer. Petrus liep over het water toen Jezus hem toestond uit te stappen maar hij zonk weg toen hij bang werd van de storm. En over die storm ging het verhaal. Nu is het zeer eng om tijdens een storm in een klein bootje op een meer te varen, ook al is dat meer zo ondiep dat je er in zou kunnen lopen. De valwinden die in Israël aan de orde zijn zo af en toe maken het er niet beter op. Maar moet je dan bang zijn? Jezus lijkt de regel te handteren die later op brandvoorschriften in het grootwinkelbedrijf zouden verschijnen “Paniek is erger dan brand”. Dat was naar aanleiding van een grote brand in een warenhuis in Antwerpen. Daar brak zo’n geweldige paniek uit dat er meer mensen omkwamen door ongevallen ten gevolge van de paniek dan door de brand. Bij branden in discotheken geldt dat ook nog vaak, in paniek probeert iedereen de uitgang te bereiken en daarbij worden de zwaksten onder de voet gelopen.

Paniek en angst leiden altijd tot meer slachtoffers dan misschien nodig was geweest. Bij brand in hele hoge gebouwen springen er ook mensen uit ramen van verdiepingen beneden de brand, die mensen zouden wellicht gered hebben kunnen worden. De storm bezweren betekent dus ook heel vaak de paniek bezweren. Daarmee is het probleem van een brand of een storm niet opgelost maar het geeft wel de mogelijkheid samen naar een oplossing te zoeken. Je moet je dan natuurlijk niet van je voeten laten blazen zoals Petrus overkwam. Simon de rots zoals hij werd genoemd is niet zo standvastig als zijn bijnaam doet vermoeden. Hij bezwijkt in dit verhaal onder zijn angst voor de storm. Veel mensen accepteren zaken in hun werk uit angst hun baan te verliezen of een promotie niet te krijgen. Zelfs het lidmaatschap van een vakbond wordt soms vermeden of verzwegen uit angst voor autoriteiten. En juist die vakbond kan de angst voor het onrecht doen overwinnen. De Nederlandse vakbeweging is vrijwel altijd uit op redelijk overleg en weet in individuele gevallen tot een uitstekende hulpverlening te komen.

Lid van de vakbond zijn is gemakkelijker dan over water lopen, maar soms vraagt het dezelfde standvastigheid en het voorkomt dat je in een onverwachte storm geen bescherming hebt. En als je echt een misstand in de samenleving of op je werk kent dan kun je altijd nog klokkenluider worden.

Het is overigens niet aan te raden in je eentje klokkenluider te worden. De storm die zeker zal gaan opsteken als je misstanden aan de kaak stelt die men liever geheim had gehouden, of zelfs in stand wil houden, is zo sterk dat bij vergelijkbare stormen menig klokkenluider het hoofd heeft moeten buigen. Juist in het verhaal van Jezus van Nazareth past dat je niet je mond houdt als mensen het slachtoffer worden van misstanden maar het verhaal over de storm laat zien dat je niet alleen op jezelf hoeft te vertrouwen, je mag het samen doen. En het verhaal leert ons, die aan de kant staan, ook om mensen die in een storm verzeild zijn geraakt, ook een maatschappelijke storm, de hand toe te steken.

Wie op de God van Israël vertrouwt weet dat angst onnodig is. Telkens weer klinkt het in de Bijbel : Vrees niet, wees niet bang. Onze hulp komt immers niet van bergen die onbeweeglijk blijven staan maar onze hulp is van de Heer zelf. Daar mogen we alle mensen van overtuigen , en mee laten zingen zelfs in hun meest benarde omstandigheden, totdat de aarde is voltooid. Dan zal zelfs God zelf op deze wereld willen wonen. Daarvoor moet nog veel angst worden bestreden. Aan het werk dus, aarzel niet.

Amen.