Feeds:
Berichten
Reacties

Lezen: Jeremia 23: 1-6

             Marcus 6: 30-44

Gemeente,

Op het Oecumenisch leesrooster dat in veel kerken wordt gevolgd, zeker door mij, stond vorige week het verhaal dat direct vooraf gaat aan het verhaal uit Marcus dat we vandaag gelezen hebben. Dat verhaal ging over de leerlingen van Jezus van Nazareth die twee aan twee er op uit werden gestuurd om het goede nieuws van Jezus bekend te maken. Ze mochten niks meenemen, geen extra kleding, geen geld, geen eten, alleen een staf, en sandalen die mochten ze ook aan. Daarmee werden die leerlingen ook herders. In een ander verhaal vertelt Jezus dat de Goede Herder de schapen gaat zoeken die afgedwaald zijn. Nu willen wij ook graag leerlingen en volgelingen van Jezus van Nazareth zijn en daarmee mogen we onszelf beschouwen als Herders, we zorgen voor het goede in de wereld, in onze eigen gemeenschap.

Jeremia heeft het over slechte en goede herders. Herders die de schapen in de steek laten en herders die het volk terugbrengen naar het land overvloeiende van melk en honing. In Psalm 23 zong de herder koning David over het dal van diepe duisternis waar de stok en de staf van God tot steun zijn. Wij kennen de herders alleen nog van de Grote Stille Heide of misschien van de schrijver Eelke de Jong die lang herder is geweest.

De herder waar David over zingt die voert de kudde schapen naar grazige weiden, de sterke schapen maar vooral ook de zwakke schapen, die hebben extra aandacht nodig. Die herder verdedigt de kudde tegen vijanden. Die herder is geen baas van de kudde maar dienaar van de kudde. Als Jezus op Witte Donderdag de voeten van zijn volgelingen wast voor hij in een maaltijd duidelijk maakt dat het brood dat hij deelt zijn eigen lichaam is, dan maakt hij duidelijk wat het betekent een Goede Herder te zijn.

We leven nu in de vakantietijd en misschien bezoeken we wel één van de toeristische schaapskudden in ons land waar een herder uitlegt hoe het is voor een kudde schapen te zorgen. In onze dagen is de vakantie tijd een tijd om te rusten, om er op uit te gaan, om even los te komen van werken en zwoegen.

In de Bijbel is daar het Sabbatsjaar voor, eens in de zeven jaar dan leef je van het land en laat je het bewerken van het land achterwege. Onze zomervakantie is een gevolg van kinderarbeid. Toen de leerplicht werd ingevoerd bleek dat kinderen in de zomer onmisbaar waren bij het oogsten en bij het verwerken van de oogst. Die kinderarbeid is meer en meer verboden geraakt maar de vakantieweken in de zomer zijn gebleven. En in plaats van de kinderarbeid is de arbeid van illegale vreemdelingen gekomen.

In het verhaal dat we vandaag uit het Evangelie van Marcus hebben gelezen gaat het bijna over vakantie. Jezus van Nazareth wil namelijk met zijn leerlingen op vakantie. Ze kregen zelfs de tijd niet om te eten zo namen de mensen hen in beslag. De leerlingen waren met hun staf in de hand de dorpen en steden rondgegaan om het goede nieuws te brengen. Ze waren bij de meester teruggekeerd om te vertellen wat ze hadden meegemaakt.

Maar van vakantie kwam niet veel. Ze hadden zo’n succes gehad dat een grote menigte hen volgde. Jezus van Nazareth kon niet anders dan al die mensen vertellen over zijn nieuwe Koninkrijk en hen te leren hoe daarin te leven. Maar ja, organisatoren van massabijeenkomsten moeten de catering niet vergeten. Nu niet en toen ook niet. Zelf hadden ze maar vijf broden en twee vissen bij zich. Jezus had echter net de menigte geleerd over delen met elkaar, ook het laatste wat je hebt, al is het je leven, delen met degene die minder of niets heeft. En als iedereen het weinige dat er is met elkaar deelt is er voor iedereen genoeg.

De 12 manden die overbleven zeggen dat er voor het hele volk zelfs wel genoeg is. Degenen die de verhalen uit de Hebreeuwse Bijbel hadden bestudeerd die konden dat weten. De profeet Elisa had bijvoorbeeld een arme vrouw eens geadviseerd om alle lege kruiken van de buren bij elkaar te halen en dan van de ene kruik naar de andere de olie over te schenken. Uiteindelijk hield ze zoveel over dat ze zelf genoeg had en genoeg kon verkopen om er van te leven.

Ook tijdens onze crisis gooien wij zoveel weg dat anderen er ruim van zouden kunnen leven. Onze voedselbanken krijgen voedsel dat in de supermarkten niet meer verkocht kan worden omdat het over is. Maar de armen in ons land die van de voedselbanken moeten leven zijn er nog wat blij mee. En van wat aan ons huisvuil wordt verbrand worden hele steden van electra voorzien en zullen wijken en bedrijven de komende winter van warmte kunnen genieten.

Dat delen van brood en wijn gebeurd met enige regelmaat in alle kerken in ons land. Dat herinnert ons aan de les van Jezus van Nazareth waarover we vandaag lezen, als we bereid zijn om te delen is er voor iedereen genoeg, we moeten alleen bereid zijn om eventueel onszelf te delen, hij is ons daar in voorgegaan, wij mogen volgen, ook vandaag.

Zo mogen wij dus herders zijn in onze eigen gemeenschap. Met alleen een stok in de hand er op uit gaan betekent dat we onze gehechtheid aan bezit loslaten. Dat we niet meer streven naar de grootste winst voor onszelf. Het betekent dat we de verloren schapen voorop zetten. Met name de zwakste schapen, in de Bijbel worden die de weduwe en de wees genoemd, wij hebben het over de armen, de hongerenden, de gemartelden, de onderdrukten. Vreemdelingen die aan onze poorten kloppen, werklozen die vergeefs naar werk zoeken. En natuurlijk ook die weduwe en de wees, allen die een geliefde hebben verloren en verdriet hebben.

Het verhaal van Jeremia is vaak uitgelegd als een verhaal over slechte politici. Maar als we om ons heen kijken dan zien we dat het daar niet op houd. Uitbuiting gebeurt ook door gewone werkgevers, alleen omdat het mogelijk is en winst oplevert. Onderdrukking gebeurt ook door bazen en machthebbers, omdat ze het kunnen en mensen zich laten onderdrukken. De voedselbanken getuigen van de hongerenden in onze samenleving met wie het delen maar moeizaam gaat. Vaak zijn ze verleid tot het maken van schulden, je moet toch mee kunnen doen in onze samenleving. Loslaten van die gehechtheid aan bezit, aan het nieuwste, de nieuwste televisie, de nieuwste smartphone, het nieuwste model auto kan een wapen zijn tegen de verleiding onverantwoorde schulden te maken.

En waarom zouden we zo moeilijk doen? In de vakantieperiode krijg je dat nog wel eens te horen. Waarom ga je niet gewoon met je eigen gezin naar dat pretpark maar wil je ook altijd de kinderen van die alleenstaande moeder meenemen? Omdat we geloven dat we op weg zijn naar dat land dat overvloeit van melk en honing. Dat land waar zo gedeeld wordt dat er voor iedereen op de hele wereld genoeg is en niemand meer honger hoeft te hebben. Dat land waar alle tranen gedroogd zullen zijn en de zee zelfs haar doden teruggeeft, ook de Middellandse Zee.

We zijn dus als pelgrims op reis. Onderweg tot we dus komen in het land waar recht en gerechtigheid heersen en ieder in vrede leeft, zoals Jeremia ons geschilderd heeft. Jeremia was er vast van overtuigd dat er weer een koning zou komen zoals men uit de verhalen over Koning David kende. Een koning die het volk in vrede had laten leven, had verlost van de plundering van de opbrengsten van het land. Die nieuwe koning zou regeren over een land waar het recht en de gerechtigheid van de God van Israël opnieuw zou heersen.

Voor Christenen is die droom van Jeremia uitgekomen met de komst van Jezus van Nazareth. Met die bijzonder maaltijd heeft Jezus van Nazareth ons voorgedaan wat het kan beteken en dat de leer van Mozes, de richtlijnen voor de menselijke samenleving, gevolgd worden in het heb uw naaste lief als uzelf, als iedereen gaat delen met de naaste.

Wij mogen hem als trouwe schapen volgen. Wij mogen geloven dat er echt op aarde voor iedereen te eten is, dat al het leed geleden is en alle strijd gestreden is. Elke dag opnieuw, elke dag laten zien hoe hij het ook al weer deed. Wacht dus niet, er is nog veel werk te doen, aan de slag.

Amen

Advertenties

Lezen:  Ezechiël 2: 1-7

              Marcus 6:1-6

Gemeente,

Zijn we lichtgelovig of geloven we in het licht? Over geloven wordt tegenwoordig een stevige discussie gevoerd. Hoe kan het toch zijn dat er nog mensen zijn die in een God geloven? De vraag naar wat het betekent in de God van Israël te geloven wordt niet echt gesteld. Toch is dat pas de echte vraag want als de God van Israël echt de enige God is die meetelt dan kan die God ook wel zonder ons en is dus de vraag wat het voor ons betekent als we in die God gaan geloven.

Ezechiël brengt ons op het spoor. Hij was opgeleid tot priester, voorbestemd om in die rare tempel in Jeruzalem te gaan dienen. Ja, het was in de dagen van Ezechiël een rare Tempel. Zeker niet van het soort dat de andere volken hadden. Die hadden mooie godenbeelden in hun Tempel staan en de mensen die gingen offeren hadden wel door dat die god van hun groot zou blijven als ze maar veel zouden offeren, daar werd zo’n god sterk van, zo sterk dat die in staat was zijn gelovigen te helpen.

De Tempel in Jeruzalem was een hele andere Tempel. Daar stonden geen godenbeelden. De offers die je daar bracht moesten of helemaal verbrand worden, de stank was dan een zoete geur voor God, of het was voedsel voor de Priesters en de levieten, of je moest het in een maaltijd zelf opeten maar dan samen met je familie, je meiden en knechten, je slaven en slavinnen, de armen uit je dorp en de vreemdelingen die bij je woonden. Zo’n maaltijd noemden ze een godsdienstoefening. De offers die je bracht waren het bewijs aan de God van Israël dat je bereid was om te delen en dat je besefte dat wat jou toegevallen was niet door je eigen verdienste kwam maar een geschenk was van die God.

Maar het volk van Ezechiël was vergeten waar het in het leven om draaide. Ze wilden ook wel van die mooie godenbeelden, ze waren er rijk genoeg voor. Ze wilden ook wel van die mooie optochten met godenbeelden en die opwindende riten waar mannen deden of ze vrouwen waren en vrouwen met iedereen de liefde bedreven die hun god wilden eren. Ze hadden er zelfs hun kinderen aan geofferd.

De God van Israël had uiteindelijk zijn handen van zijn volk afgetrokken. In het machtsspel van de grote mogendheden hadden ze verloren en waren ze in ballingschap gevoerd naar Babel. Maar de God van Israël laat niet varen het werk dat zijn hand is begonnen. De God van Israël geeft het niet op met de mensen.

De God van Israël stuurt profeten. Mensen die het volk voorhouden wat er zal gebeuren als het vast houdt aan afgoden, blijft op de weg van de aanbidding van het uiterlijk. De aanbidding van mooie kleren, luxe en overdaad en het beste dat er te vinden is. Een volk dat overal wedstrijden gaat organiseren, wie is de beste kok, de beste bakker, de beste naaister, de beste kweker van groenten in de achtertuin. Profeten zijn dus geen toekomstvoorspellers maar vertellen hoe het zal aflopen als je bezig blijft waarmee je bezig bent.

Ezechiël krijgt de opdracht het volk voor te houden weer de weg van de God van Israël te gaan. Zorgen dat iedereen recht wordt gedaan, zorgen voor de minsten in de samenleving, voor de weduwe en de wees. Ook in de ballingschap kan dat. En die liefde voor de naaste als voor jezelf dat is de betekenis van het geloof ook voor ons. God heeft ons een aarde beloofd waar alle tranen gedroogd zijn, waar alle leed geleden is en alle strijd gestreden is.

Profeten die de mensen die weg voorhouden worden ook vandaag niet geloofd. Begin van de jaren 60 van de vorige eeuw was er een groep geleerden die de mensen voorhield dat de grondstoffen op zouden raken, dat door de verspilling het klimaat zou veranderen, de zee zou stijgen. Ze werden uitgelachen, pas nu zien we in dat ze gelijk hadden maar nog weigeren wij onze energievoorziening zo in te richten dat die duurzaam wordt en er niet meer verspild wordt. Halverwege de jaren 70 van de vorige eeuw schreef het Gronings Statenlid Teun Jan Zanen een boek onder de titel “Noord Nederland een kolonie” waarin hij betoogde dat er eerder aan de winst op aardgas werd gedacht dan aan de veiligheid van de Groninger bevolking.

Het bracht Jezus van Nazareth er toe te verzuchten dat profeten in eigen land niet worden geëerd. Ook hij wees er op dat de Weg die de God van Israël had gewezen toch altijd weer de beste weg was. Midden onder de gewelddadige bezetting door de Romeinen pleit hij voor een samenleving waar de minsten, de hoeren, de verschoppelingen, de uitgestotenen weer een plaats zouden krijgen. Dat het kon bewees hij telkens zozeer dat de mensen gingen praten over wonderen en de menigten naar hem toestroomden.

Behalve in zijn vaderstad, daar waar hij was opgegroeid, in Nazareth. Als hij daar de oproep van de profeet Jesaja herhaalt worden er schamper de schouders opgehaald.

. Waar haalt hij toch al die wijsheid vandaan. Het is toch ook gewoon een zoon van een moeder, een broer van stadgenoten, broers en zusters die onder ons wonen. Jezus van Nazareth verbaasde zich over hun ongeloof.

Als hij kon wat hij kon dan konden zij dat toch ook, zorgen dat mensen er weer bij gingen horen, eerlijk delen met elkaar, zorgen voor eerlijke handelsvoorwaarden. Dat goede nieuws bleef hij brengen, ook in de omgeving.

Dat navolgen van Jezus van Nazareth, dat geloven in Jezus als Zoon van God, als de God van Israël die ons zo nabij wil zijn, zit dus niet zozeer in het ook gaan doen van wonderen, of het vertellen van mooie verhalen die de mensen nooit eerder hebben gehoord. Het is aandacht vragen voor de minsten langs de kant van de weg, de verschoppelingen van onze dagen.

Aandacht vragen voor de vreemdelingen en de vluchtelingen dus ook. Voor jongeren die tussen twee culturen moeten opgroeien en altijd de verkeerde keuzes zullen maken. of ze kiezen voor de traditionele Nederlandse cultuur en verloochenen daarmee hun ouders en hun afkomst, of ze kiezen voor de cultuur van hun ouders en horen er dan in Nederland niet meer bij, dan vormen ze zelfs een bedreiging volgens velen.

Jezus van Nazareth zou met hen meegevoeld hebben. Hij begon iets nieuws dat al eeuwen bestond. In de verhalen die zijn bewaard over zijn optreden in de Synagoge, de kerk van zijn tijd, vertelt hij uit het boek van de profeet Jesaja. Die profeet had het visioen van leeuwen die samen leefden met lammeren, van een kind dat speelde in het hol van de slang. Visioenen die niet passen bij het dagelijks leven waar onderdrukking en geweld regeerden, maar waarvan Jezus van Nazareth zei toch met dat visioen te beginnen, vrede brengen en liefde voor mensen.

Als wij dus willen geloven worden we opgeroepen mee te werken aan die wereld. Aan die komende wereld. Geloven betekent dat het kan, maaltijd houden met vreemdelingen in plaats van de deuren te sluiten en ze de rug toe te keren, vrede zaaien in plaats van haat zaaien. Geloven betekent dus dat het kan, de wapens omsmeden tot ploegscharen en zorgen dat de hongerenden die aan onze deur kloppen de kans krijgen om genoeg te eten te verbouwen, dat de vluchtelingen voor geweld en onderdrukking weer een plek krijgen van vrede en vrijheid.

Jesaja roept zelfs op de tirannen in toom te houden. Wij beschouwen dat als bemoeien met binnenlandse aangelegenheden. Maar samen met alle volken in de wereld spraken we ooit de rechten van de mens af. Als we werkelijk God willen dienen door de naasten lief te hebben als onszelf moeten we aan het werk. In het klein in onze eigen buurt, gewoon hier in Winkel en Hollands Kroon en samen met alle gelovigen in ons land en in heel de wereld. Het kan, het kan niet anders. Het werk wacht, vat dus aan.

Amen

Lezen: Jesaja 3:25-4:6

Marcus 5: 22-43

Gemeente,

We horen van oorlogen en geruchten van oorlog. Nog deze week werd een grote groep militairen afgelost uit een van de oorlogen waar we aan deelnemen. Ze krijgen dan halverwege hun post en ons land een paar dagen de tijd om te wennen aan vrede. Hulpverleners en de militaire dominee vangen ze op en praten met ze. Als ze eenmaal weer in hun eigen omgeving zijn dan lopen ze de kans op ernstige psychische problemen. De manier waarop onze soldaten aan oorlogen deelnemen maakt wel dat er weinig sneuvelen. Nog 100 jaar geleden was dat wel anders. Duizenden bij duizenden stierven op de velden van de Eerste Wereldoorlog. Ook in de tijd van Jesaja was het sterftecijfer onder gewone soldaten hoog.

Dat heeft ingrijpende gevolgen voor de samenleving. In de eerste wereldoorlog is het gewoon gaan worden dat vrouwen ook in de industrie werken. De mannen lagen aan het front en de vrouwen waren achtergebleven. Tegenwoordig worden ook vrouwen uitgezonden maar we hebben dan ook een beroepsleger. Er was nog een gevolg van oorlog en daar heeft Jesaja het over. Als alle mannen gestorven zijn met wie moeten de vrouwen dan trouwen? Ongetrouwd blijven is een schande. Maar voor elke zeven vrouwen is er maar één man. Ze dragen zelf de oplossing aan. Ze hoeven alleen de naam van de man te dragen, voor onderdak, voedsel en inkomen zullen ze zelf wel zorgen. Dat deden ze toch al toen het nog oorlog was.

Vrouwen staan op en maken zich gelijk aan mannen. Als dat gebeurt dan pas breekt er echt vrede aan. Dan bloeit de economie en zijn er geen armen meer. Jesaja kan altijd de mooiste visioenen schetsen over de wereld die ons te wachten staat als wij handelen naar wat de God van Israël van ons verwacht. In alle ellende, die ook met het einde van een oorlog niet over is, biedt de God van Israël een schuilhut en die hebben we vaak genoeg nodig.

Heeft dit verhaal iets te maken met de lezing uit het Nieuwe Testament? Wel degelijk.

De meeste mannelijke theologen knippen het verhaal van vandaag in twee stukken, als of er twee verhalen staan. Mannen kunnen namelijk niet zoveel met de menstruatie van vrouwen. Vrouwelijke seksualiteit is al helemaal iets waar mannen niet zoveel mee kunnen. Eeuwenlang hebben ze zelfs gedacht dat de Bijbel vrouwen het hebben van hun eigen seksualiteit verbood. Dat staat wel nergens maar het ontslaat mannen van een heleboel verantwoordelijkheid. De vrouw uit dit eerste deel van het verhaal is daar een mooi voorbeeld van. Als een vrouw menstrueert moet je haar respecteren en met rust laten staat er in de leer die Mozes ooit aan het volk had gegeven.

In het bloed zetelt het leven en als een vrouw bloed verliest dan moet je voorzichtig zijn. Op zich helemaal niet van die onverstandige adviezen maar je gaat nu eenmaal ook niet aan vrouwen vragen of ze misschien wel of niet menstrueren. Daarom was de regel ontstaan om vrouwen helemaal maar niet meer aan te raken. De Islam heeft die regel later overgenomen. Die regel had wel tot gevolg dat de vrouw uit dit verhaal een paria werd, tot de onaanraakbaren ging behoren. Geen arts kon haar genezen, nee die maandstonden horen nu eenmaal bij een vrouw. Alleen herkende ze in Jezus iets dat ze in niemand anders ooit gezien had. Hij zorgde dat mensen er weer bij konden horen.

Dus raakte zij hem aan, als dat taboe eenmaal doorbroken zou zijn moest het immers beter gaan. En het lukte ,Jezus stond midden in de menigte toe dat deze vrouw hem aanraakte, vloeiingen of niet, ze hoorde er bij, genezen en wel. Als wij overigens zo krampachtig blijven doen over vrouwelijke seksualiteit kunnen ze er ook dood aan gaan. En omgaan met vrouwelijke seksualiteit hebben mannen nog steeds niet geleerd.

Daar waar vrouwen willen laten zien hoe mooi ze zijn schrikken mannen er van. Aan de andere kant zijn lust en begeerte ook zaken waar je aan kunt verdienen en voor het opwekken van lust en begeerte kun je vrouwen als voorwerpen gebruiken. Een discussie over bloot in reclame is daarom maar al te zinvol, maken we voorwerpen van onze zusters of mogen we ze als mens blijven bekijken. Maar bloot op zich, bloot op straat of strand, of bloot in de kunst, daar is niets tegen, daarbij gaat het altijd om mensen die net zo mooi zijn als wijzelf, ieder mens is immers even mooi.

Al die angst voor vrouwelijke seksualiteit kan ook dodelijk zijn voor vrouwen. Dat is het verhaal van het dochtertje van Jaïrus, de leider van de synagoge. Dat verhaal over dat dochtertje wordt altijd zo gelezen dat het net leek dat het meisje gestorven was toen Jezus kwam. Hij wekte de dode weer tot leven.

Maar dat verhaal staat dus niet in de Bijbel. Het verhaal gaat over een vader, een meisje van 12 en een vrouw die 12 jaar aan bloedvloeiingen leed. Die vrouw was tot de onaanraakbaren gaan horen en Jezus had haar daarvan genezen. Als vader ben je als de dood dat je dochtertje iets overkomt, iets dat te maken heeft met de begerige mannen uit de boze buitenwereld.

Zeker als ze op het punt staat een jonge vrouw te worden kan de angst ernstig toeslaan. Wat kan een meisje vandaag de dag allemaal wel niet overkomen. Het is het een of het ander, ze wordt verkracht of onaanraakbaar. Voor beide zou je ze willen behoeden, ze moet maar kind blijven. Tegenwoordig weten we dat meisjes onbewust aan die wens tegemoet kunnen gaan komen. Ze gaan dan aan ernstige eetstoornissen leiden die uiteindelijk ook de dood tot gevolg kunnen hebben.

Jezus van Nazareth reikt het meisje de hand en nodigt haar uit op te staan. Ze mag er bij horen, ze mag jonge vrouw worden, ze mag aangeraakt en gerespecteerd worden. De volwassenen om haar heen mogen haar ook leren hoe mensen met elkaar en met haar om horen te gaan, daar mag je dus ook open en eerlijk over praten, een meisje mag zich leren wapenen tegen de onzekerheid die haar aantrekkingskracht met zich meebrengt. Uiteindelijk nodigt Jezus van Nazareth uit de eetstoornis te overwinnen, geef haar te eten is zijn laatste opdracht.

We moeten durven geloven dat het dochtertje van Jaïrus dus niet dood was maar sliep en niet uit de dood hoefde te worden opgewekt maar mocht gaan vloeien net als die vrouw die vloeide en er toch mocht bij horen.

Het is als in het verhaal van Jesaja. De vrouwen pikken het niet om onaanraakbaar te worden, of als lustobject te worden behandeld. Ze leven niet dankzij de mannen in hun leven. Jezus van Nazareth laat zien dat ze evenveel waar zijn als de mannen en dat ze zeer goed in staat zijn voor zichzelf te zorgen. De leider van de synagoge, vroom en trouw als hij was moest leren dat ook zijn dochter op eigen benen mocht staan. Zelf mocht eten en zelf voor haar eten mocht zorgen. Ze was immers 12 jaar en daarmee volwassen.

Als wij als vrouwen en mannen ook zo met elkaar omgaan, accepteren dat we gelijkwaardig zijn, beiden in staat voor zichzelf te zorgen, dan kan ook voor ons de vrede aanbreken. Dan kan elk huis de schuilhut van God worden waar we steun, kracht en bemoediging ontvangen. Dan kan op de duur de aarde zo mooi worden dat God er zelf zal willen wonen. Sta dus op tegen elke vorm van onrecht en ongelijkheid. God heeft ons als vrouwen en mannen geschapen. Profiteer er van.

Amen

Lezen: Marcus 4: 26-34

Gemeente,

Vliegt de blauwvoet, storm op zee. Het was de strijdkreet van de Vlamingen die zich verzetten tegen de overheersing door Franse edelen. Ze gebruikten het bij de Gulden Sporenslag in 1302.

De mensen in België weten nog dat eenvoudige boeren en burgers gewapend met de gereedschappen die ze elke dag gebruikten, de dorsvlegel, de smidshamer en de slagersmessen, de edelen in de pan hakten. Die edelen zaten op hun paarden gewapend met zwaarden en lansen, beschermd door de nieuwste met zorg gemaakte harnassen,

Dat “storm op zee” moest de vijand angst aanjagen want storm op zee is zeer beangstigend. Dat is al eeuwen zo, misschien mogen we zeggen dat storm op zee vanaf de dagen van de schepping angst op roepe. Vandaag horen we het in het verhaal dat Marcus over Jezus van Nazareth vertelde. De leerlingen die zijn er van overtuigd dat het schip zal vergaan. En wie denkt dat op een meer de storm wel mee zal vallen moet weten dat er tot op de dag van vandaag rond dat meer valwinden voorkomen waartegen steeds gewaarschuwd wordt en waardoor regelmatig schepen in problemen komen.

Nu zullen de meesten van U al zoveel stormen in uw leven hebben meegemaakt dat de angst voor stormen langzaam aan verdwenen is. Meestal is het zaak binnen te blijven, uit de storm blijven en na de storm weer op gaan bouwen. Als je dat bouwen niet alleen lukt dan roep je daar hulp bij en we weten dat hulp helpt.

Maar hoewel hulp vragen eigenlijk heel gewoon is heb je er toch vaak moed voor nodig. Je moet immers toegeven dat je te zwak bent om het zelf te doen? En wij verwachten die iedereen ongeacht leeftijd of lichamelijke gesteldheid alles zelf kan blijven doen. Dan vraag het erkennen van je eigen onvermogen kracht, een sterke persoonlijkheid weet tijdig hulp te vragen en met je vragen laat je zien hoe sterk je wel niet bent. Angst hoef je daarbij niet te hebben.

Het gaat in de verhalen die we dezer dagen uit het Evangelie naar Marcus lezen over durf en kracht. Voor het verhaal over storm staat het verhaal over het mosterdzaadje. Mensen die de Bijbel moeten uitleggen zitten nog vaak met de vraag waarom Jezus van Nazareth in dit verhaal eigenlijk ging slapen. Dat hij de wind en de golven kon stillen zou hij wel geweten hebben, maar als hij wakker zou zijn gebleven zouden zijn volgelingen niet zo angstig geworden zijn.

Daar zit wellicht de sleutel van het verhaal. Het gaat niet om het stillen van de storm maar om het vertrouwen op de goede afloop. Minister president Colijn wordt nog wel eens verweten dat hij in 1939 tegen het volk zei dat ze rustig konden gaan slapen omdat de regering over hun veiligheid waakte. Dat volk had zich beter kunnen voorbereiden op het verzet dat na 1940 nodig zou zijn. Maar is zo’n storm nu een aanleiding om bang te worden? Als alle voorzorgen zijn genomen kun je je beter richten op het overleven.

Een paar jaar geleden ging onze aandacht uit naar de slachtoffers van de orkaan Katrina in New Orleans. Daar bleek dat bij de voorzorgen tegen de storm de armen vergeten waren. En toen de storm eenmaal voorbij was waren het weer de armsten die het langst op hulp moesten wachten, zelfs vandaag wachten de armsten in New Orleans nog op de mogelijkheid terug te keren.

Als je leeft in de geest van Jezus van Nazareth dan gebeurt je zoiets niet. Dan zijn de armen en de zwaksten je eerste zorg, maar dan weet je ook dat je geen angst hoeft te hebben, want de onbaatzuchtige liefde van Jezus van Nazareth hield het ook uit door de dood heen.

Dat kan ook voor ons gelden, met een geloof zo groot als een mosterdzaatje, het kleinste zaadje dat er is. Nu weer, door de zwaarste storm heen kunnen we elkaar vasthouden en dat kan onze redding zijn. Als we werkelijk bereid zijn met elkaar te delen, voor elkaar in te staan en samen te doen dan kan geen crisis ons overwinnen, dan is geen storm groot genoeg om ons er onder te krijgen, alleen als je slechts voor jezelf denkt te kunnen zorgen ga je ten onder.

En altijd is er Jezus van Nazareth om ons te inspireren. Hij immers hield het uit door de dood heen, een zwaardere storm als hij meemaakte en die uitliep op de kruisiging heeft niemand ooit meegemaakt. Daarom kon hij op staan, net als op het schip en tegen ons zeggen dat we op hem moeten vertrouwen. Elke storm die we doorstaan moeten zal door de liefde van God weer gaan liggen. De angst mogen we daarvoor afleggen. Wees dus niet bang maar verheug u in de liefde van God

Amen

 

Lezen: Ezechiël 17: 22-24

             Marcus 4: 26-34

 

Gemeente,

We vieren vandaag een wat dubieuze feestdag, Vaderdag. Want wat vier je op Vaderdag eigenlijk? Dat je een Vader hebt. Dat zal wel maar heel veel mensen weten helemaal niet wie hun vader is. Kijk maar eens naar het programma Spoorloos daar wordt telkens weer naar vaders gezocht. Er is zelfs een programma op de televisie dat DNA testen uitvoert om mensen zekerheid te geven wie hun vader eigenlijk is.

En wat voor beeld hebben we eigenlijk bij een vader. Bij een moeder was dat gemakkelijk. Een moeder zorgt, voor haar kinderen maar even goed ook voor anderen, op allerlei manieren. Moederliefde is ongeveer het warmste dat je kan overkomen. Maar Vader? Vaderliefde moet in onze dagen toch ook iets afstandelijks hebben. En de Vader als beschermer, als baas, als enige verwerver van het gezinsinkomen, staat ter discussie. Vader en moeder behoren de zorg voor het gezin gelijk te delen. En Vader als Heer? Die willen we al helemaal niet. Als gelovigen hebben we die ingeruild voor de enige Heer in hemel en op Aarde. De God van Israël en zijn zoon Jezus van Nazareth hebben immers alle macht in hemel en op aarde. En als we het hebben over “Heer” dan bedoelen we ee van die twee.

Natuurlijk zijn er mannen die graag Heer willen zijn. De Heren van deze wereld staan overal op om het beter te weten. Ze bevinden zich in de politiek, waar sommige van hier Heren niet zeggen mijn vrede geef ik u, maar wees bang voor uw medemens. Ze vinden het maar raar dat er armen zijn omdat ze alleen maar rijken kennen. Dan zijn er generaals en dictators en presidenten die er niet zijn voor hun burgers maar voor hun eigen macht, rijkdom en aanzien. Ze voeden dat graag met een ideologie die ze nationalisme noemen. Eigen volk eerst, ons volk is de beste en aan ons moet iedereen zich aanpassen.

Nationalisme is iets anders dan het recht van volken op zelfbestuur. Dat recht staat wel in het handvest van de Verenigde Naties maar dat recht staat onderaan de mensenrechten Soms maakt een volk zelf een stapje naar zelfstandigheid en wordt zelf waarnemer bij de Verenigde Naties. De Palestijnen is dat ooit gelukt.

Het is het soort nationalisme dat koning Zedekia van Juda er toe bracht om stiekum een verdrag te sluiten met Egypte. Dat verdrag zou uitlopen op het verlies van het laatste restje zelfstandigheid van Israël. Maar er was toch de belofte dat alle volken zich naar Jeruzalem zouden keren? Die vraag zal in de ballingschap ook aan Ezechiël gesteld zijn. Hij en de andere profeten van de ballingschap riepen toch voortdurend op om aan de God van Israël trouw te blijven, zijn Wet te bewaren en ook in het vreemde land de naaste lief te hebben als jezelf en bekend te staan als het volk dat bereid is te delen.

Daarom in de lezing van vandaag een beeld over de betekenis van Israël als volk. Dat volk is niet de beste van de wereld, dat volk moet niet net doen of iedereen lid moet worden van dat volk. Israel krijgt een nieuwe kans. En de hoogste berg van Israel kan geen andere zijn dan de Tempelberg waar de richtlijnen voor de nieuwe samenleving werden bewaard en aan de wereld voorgehouden. Alle bomen van het veld zullen zich daarnaar richten. Alle soorten vogels zullen van die boom leven. Wie daaraan niet meedoet zal verdorren.

De beeldspraak is duidelijk. Alle volken, ongeacht hun taal, cultuur of uiterlijk, zullen meedoen met de beweging van eerlijk delen. De armsten zullen daarbij voorop staan. Maar iedereen zal dat erkennen. Dan is er geen nationalisme meer

Geen wonder dat de Wereldraad van Kerken enige jaren geleden er voor heeft gewaarschuwd dat dat nationalisme een zonde is, het bedreigt de vrede, het bedreigt het samen leven van mensen op de hele wereld.

Jezus sluit zich aan bij dat beeld van de boom van God waar vogels van allerlei pluimage onder mogen schuilen. De gelijkenissen die Jezus uitgesproken heeft zijn beroemd geworden. Onder bijbeluitleggers soms ook wel een beetje berucht. Want wat moet je nou met een gelijkenis als die van het mosterdzaadje.

Zo klein is dat zaadje helemaal niet. En van een boom kun je al helemaal niet spreken als je over de mosterdstruik spreekt. De heggemus zou er in kunnen nestelen maar dat er vogels onder het bladerdak kunnen schuilen zou eerder van onkunde dan van een prachtig beeld getuigen. Maar de Bijbelstudie bewandelt soms vreemde wegen. Een tijd geleden vonden ze in Israel het zaad van een dadelpalm. Genetisch niet echt te onderscheiden van de dadelpalmen die we tegenwoordig kennen. Wonder boven wonder bleek het zaad na eeuwen ook nog kiemkracht te bezitten. Het zaad werd gezaaid en opgekweekt en wat bleek, in Bijbelse tijden zag de dadelpalm er toch wat anders uit als tegenwoordig, je zou zonder genetisch onderzoek niet denken dat het dezelfde planten zijn.

Waarom zou het niet zo gegaan zijn met de mosterdplant. We kennen wel twee mosterdsoorten, de gele die hier veel voorkomt en de bruine. Het zaad van de bruine mosterd is de helft van het zaad van de gele mosterd, wel klein dus. Van die bruine mosterd zijn hele hoge struiken, tot drie meter hoog bekend, en door reizigers die ze ooit zagen bij het meer van Genesareth, waar Jezus woonde, werd ooit in dagboeken geschreven over mosterdbomen. En dan klopt die gelijkenis dus wel. En of de biologie van de verhalen nu precies wel of niet klopt is eigenlijk niet zo belangrijk, het gaat in de Bijbel om de boodschap.

Karel Eykman begon de hervertelling van deze gelijkenis voor kinderen met de zin “Ik heb een boom in mijn hand”, we hebben het vanmorgen aan de kinderen verteld. En zo is het maar net. Een klein zaadje heeft een enorme potentie. In Nederland zou je misschien beter kunnen denken aan de beuk. Wie een oude beuk met haar geweldige omtrek en een hoogte van misschien wel 25 meter heeft gezien kan zich nauwelijks voorstellen dat dat ooit is begonnen met een simpel beukennootje, zo’n pitje waar je een handvol makkelijk kan meenemen.

Zo’n omvorming van een bijbels beeld naar iets dat we kunnen begrijpen is minder vreemd dan het lijkt. Voor sommige beelden zijn in sommige talen nu eenmaal geen woorden beschikbaar en dan gebruiken de vertalers een beeld dat er op lijkt en dat in de betreffende cultuur dezelfde betekenis kan hebben. Wij hebben dus de kracht van een beukennootje ter beschikking en als we het uitzaaien hoeven we ons niet af te vragen hoe het verder zal groeien.

Je naaste liefhebben als je zelf kan dus geweldige gevolgen hebben en elke keer dat je iemand je onbaatzuchtige liefde toont zaai je weer zo’n zaadje. Geweldig toch dat je een heel beukenbos vol liefde vandaag kunt planten. En onder een volgroeide Beukenboom is het geweldig schuilen tegen de hete zon, de gutsende regen en de striemende hagel. Vogels van alle pluimage kunnen daar hun nesten bouwen. Een multiculturele boom brengt Jezus ons als oproep tot een multiculturele samenleving waar niet de angst maar de liefde regeert.

Dat beeld roept ook de gedachte aan vrede op. Die vogels kunnen alleen in die boom samenleven als ze elkaar het leven gunnen. Dat is de vrede van Christus die wij elkaar in de kerk zo vaak toewensen. Dat is dus een directe oproep aan ons om er voor te gaan staan dat alle mensen van elke kleur en afkomst bij ons in vrede kunnen wonen. De Bijbel belooft ons dan een nieuwe aarde, waar God, de planter van de boom, zelf zal willen wonen. God had een twijgje geplant zei Ezechiël, Jezus deed het met een klein zaadje, aan ons om de boom te laten groeien door de liefde voor onze naaste. Dan zal God op deze aarde willen wonen, dan zal elke strijd gestreden zijn en alle leed geleden zijn. Het wordt dus tijd aan het werk te gaan, vat dan aan en aarzel niet.

Amen.

Lezen: Rechters: 12: 1-6

             Marcus 3: 20-35

Gemeente,

Moeilijke vragen vandaag. Want bij wie hoor je en wie vindt je dat bij jou horen? Kerkelijk is dat al niet makkelijk. Ook Den Helder kent vele kerkgenootschappen. Allen lezen uit dezelfde Bijbel maar we horen in het algemeen maar bij één van die kerkgenootschappen, de PKN waar we vanmorgen zijn. Toch kunnen mensen het moeilijk hebben met de vraag waar ze bij horen. Aan de vrije universiteit waar ik studeer is een onderzoeksgroep bezig te onderzoeken hoe het gaat als mensen uit verschillende religies het voor hen beste kiezen. Zijn Christelijke gebeden te verenigen met Zen Boeddhisme? Ze zijn nog niet uitgestudeerd dus een antwoord heb ik nog niet. In oorlogstijd is het al helemaal belangrijk te weten wie wel en wie niet aan jouw kant staan. De Bijbel heeft daar een oplossing voor, wie spreekt jouw taal en wie niet.

Toen de Duitsers ons land binnen vielen gingen er snel geruchten dat ze zich verkleed hadden als Nederlandse soldaten of Nederlandse burgers. Achteraf bleken die geruchten ook op waarheid te berusten. Het wachtwoord in die dagen werd Scheveningen want de uitspraak van de Sch is iets typisch voor het Nederlands. Iets dergelijks speelde zich ook af in de dagen van Jefta, of Jiftach zoals het ook wel vertaald wordt. Nadat Jefta gewonnen had voelden de mensen van Efraïm zich gepasseerd en begonnen een oorlog. Toen Jefta ze had opgeroepen voor een oorlog waren ze niet thuis geweest, maar ja. Nadat het volk Israel uit de woestijn gekomen was, was er in de 300 jaar die er sindsdien verstreken was ook een soort vervreemding opgetreden. Die vervreemding was te horen aan de oever van de Jordaan, de grensrivier tussen beloofde land en woestijn. Het woord stroom, sjibbolet, werd door de mensen van Efraïm uitgesproken zonder de sj klank, dus als Siebolet en daarmee hebben ze zichzelf blootgegeven.

Vervreemding tussen volken, ook als ze vlak bij elkaar wonen, maakt dat de taal gaat verschillen. Soms kan dat zelfs binnen één land, de taal van de straat wordt dan zo anders dan de taal van de huiskamer en de TV dat men elkaar niet echt meer kan verstaan en dat kan gevaarlijke situaties opleveren

Ook voor Jezus van Nazareth was de vraag wie er nu bij hem hoorde en bij wie hij eigenlijk hoorde. Iedereen mag toch bij Jezus horen zult u zeggen? Hij heeft dat geweten. Hij had een huis gekocht in Kafernaïm, maar had hij daar ook een deel van leven?

Hij leek wel gek. De toeloop naar zijn huis was zo groot dat hij niet eens toekwam aan een fatsoenlijke maaltijd. Iedereen leek wel deel te willen hebben aan zijn nieuwe Koninkrijk van de Liefde. Fatsoenlijke mensen trokken het gedrag van Jezus overigens direct in het kwade, het kwade maakt je immers schijnbaar sterk. Van het goede dat je wil doen is nog wel eens misbruik te maken, van het kwade dat je wil doen lukt dat meestal niet.

Jezus gaat er direct tegen te keer. Het uitdrijven van het kwade kan niet kwaad zijn, zorgen dat iedereen kan meedoen aan de nieuwe samenleving van liefde en rechtvaardigheid is geen zaak voor het kwade, daar is voor het kwade zelfs geen plaats. Als dat zo zou zijn dan was het een gespleten gemeenschap, en een gespleten gemeenschap is geen gemeenschap.

Wij kennen dat maar al te goed. Als iedereen hetzelfde doet voelen we ons veilig, dan weten we waar we aan toe zijn. Als er enkelingen zijn die van dat gemeenschappelijk gedrag afwijken dan weten we ze nog wel als zonderlingen te plaatsen. Maar als er grote groepen zijn die er andere gebruiken en gewoonten op na houden dan wordt het eng. Dan voelen we ons snel bedreigd. Als we dan ook niet erg geloven in de waarde van wat we zelf aan gewoonten hebben dan wordt het helemaal eng, die anderen zouden zich eens beter kunnen voelen.

We hebben dan een keus uit twee mogelijkheden. Of we zetten ons af tegen die vreemden, of we proberen er samen een nieuwe samenleving van te maken. Kiezen voor de eerste mogelijkheid levert een innerlijk verdeelde gemeenschap op, die houdt dus geen stand volgens Jezus van Nazareth, de tweede levert een nieuwe samenleving op, een samenleving waarin iedereen weer mag meedoen.

Jezus van Nazareth had ook een moeder. Maria zegt het verhaal. Maar hoor je automatisch bij je familie? Jezus had ook een aantal broers. Andere handschriften als die voor de Nieuwe Bijbelvertaling zijn gebruikt spreken zelfs van broers en zusters. De Roomse sprookjes over Maria moeten we vergeten. Die maagd die in de vertaling een plaats heeft gevonden was gewoon een oude manier om een jonge vrouw aan te spreken. Uit de discussie die in dit deel van het verhaal ontstaat blijkt dat Jezus van Nazareth echte broers heeft. Eén van de broers zou volgens het verhaal dat door Lucas in Handelingen is opgetekend nog een belangrijke rol in de eerste gemeente in Jeruzalem spelen.

Die moeder en broers dringen zich niet op aan Jezus. Het was zo druk in het huis van Jezus dat hij immers nauwelijks de tijd had om te eten. Ze blijven daarom op een afstand. Er zijn echter altijd mensen die denken het fatsoen te dienen. Je familie gaat voor, je familie gaat voor de armen, de zieken, de zwakken, de mensen die buitengesloten zijn. Maar niet bij Jezus. Het goede nieuws is dat al die mensen mee mogen doen en dus familie zijn, net zo belangrijk en net zoveel aandacht waard.

Moeder Maria moet het er maar mee doen zou je zo denken. Maar al voor de geboorte van haar beroemde zoon zong ze van een wereld waar de machtigen van de troon gestoten werden en de onvruchtbaren vruchtbaar zouden zijn. De omgekeerde wereld. Van een protest van de familie is in dit verhaal dan ook geen sprake, de familie voelde zich kennelijk in het geheel niet beledigd maar wist haar plaats. Ze willen Jezus graag in bescherming nemen. Maar ze weten ook dat zijn taak groter is dan hij zelf. Zo mogen ook wij de zorg voor de armen, voor de minsten, voor de zwaksten belangrijker vinden dan onze eigen familie.

En ook wij hebben een sjibolet om te weten wie er bij ons horen. Lucas zou in het boek Handelingen schrijven dat we op onze daden beoordeeld worden. We mogen dus iedereen vragen die met ons mee wil doen of ze de hongerigen voeden, de dorstigen laven, de lammen laten lopen en de doven laten horen, of ze de zieken verzorgen en de bedroefden troosten.

De Bijbel knoopt daar nog een belofte aan vast. Dat wat Jezus van Nazareth heeft gedaan maakt dat er ooit een wereld komt die zo mooi zal zijn dat God er zelf zal willen wonen. Dat zal een wereld van vrede zijn, waar mensen samen leven en waar alle leed geleden is. Dat betekent dat we aan het werk moeten, want of en hoe we zelf aan die wereld deel krijgen is niet belangrijk. Belangrijk is dat we met de bouw van dat Koninkrijk van God beginnen. Er is nog heel veel werk voor te doen. Aarzel dus niet, gord u aan het werk wacht.

Amen

 

 

 

 

Lezen: Deuteronomium: 26: 5-11

             Marcus 2:23-3:6

Gemeente,

Op de drempel van het beloofde land, een land overvloeiende van melk en honing klinkt het nog één maal: “denk er om dat je zwervers bent geweest en tot slaven bent gemaakt”. Als je het eerste dat je oogst in dat nieuwe land daar aan wijdt dan mag je feestvieren. Feestvieren met wie? Met de ambtenaren en de vreemdelingen. Ja ook de vreemdelingen, iedere keer worden ze weer apart genoemd als mensen die er uitdrukkelijk bij betrokken moeten worden.

De vreemdelingen zijn er niet alleen, je mag ze niet negeren ook zij horen er bij en bij alle heilige ogenblikken moeten ze mee kunnen doen, je moet zelf actief zorgen dat ze mee doen. Dat is nog eens tegengesteld aan wat wij doen.

Wij zijn slaaf van onze rijkdom. Deuteronomium vraagt aan de mensen van het volk van Israel om steeds hardop uit te spreken dat ze zwervers waren en tot slaaf werden gemaakt. Dat is niet voor niks, in een land overvloeiende van melk en honing ben je in een oogwenk vergeten wat het is om arm te zijn, wat het is om dag en nacht afhankelijk te zijn van anderen.

Vol van ongeloof worden de verhalen verteld over mensen die te arm zijn om de aansluiting op gas en electriciteit te kunnen betalen, die het in koude dagen moeten doen met kaarsjes die ze gekregen hebben. Niemand die er aan denkt om geld met hen te delen zodat het licht weer bij ze opgaat en de kachel gaat branden. Als je hulp nodig hebt moet je dat zelf eerst verdienen.

Gehandicapten die een beschermde arbeidsplaats nodig hebben om mee te kunnen doen moeten maar bedelen bij werkgevers die prestatie voorop stellen. Eerlijk delen met de minsten is er niet bij. Maar pas als dat gebeurt, als wij gaan delen met de armen, en de vreemdelingen behandelen zoals we zelf behandeld willen worden kunnen ook wij een feestmaal houden.

Maar wat hebben die belijdenis en dat delen met ieder,een nu te maken met de Sabbat? Die Sabbat gaat toch niet over slavernij en over Egypte? Voor het antwoord op die vragen moeten we het Nieuwe Testament openslaan en ons bezinnen op de betekenis van het verhaal dat we vanmorgen uit Marcus gelezen hebben.

De eerste vraag die bij dat schriftgedeelte op komt is de vraag of de mensen er zijn voor de regels of zijn de regels er voor de mensen. Het is eigenlijk een rare vraag want in onze samenleving worden de regels gemaakt door mensen omdat er mensen zijn die de regels nodig hebben om elkaar geen problemen te bezorgen. Maar als de regels er eenmaal zijn maken mensen misbruik van die regels door ze zo toe te passen dat ze zelf meer macht krijgen. De regels zijn er dan niet voor de mensen, de mensen zijn er dan voor de regels.

Het is die houding waar Jezus tegen te hoop loopt in het verhaal van Marcus. Want die rustdag is natuurlijk zeer nuttig. Wij zijn de Sabbath gaan vervangen door de zondag, niet de laatste maar de eerste dag van de week is bij ons centraal komen te staan, de Zondag is dus niet een nieuwe Sabbath. Maar op dit moment zijn we die zondag aan het offeren aan de goden van winst en profijt. Het gevolg is niet dat we geen vrij meer hebben maar dat we niet meer samen vrij zijn, dat er geen dag in de week meer is dat echt iedereen vrij is en dat iedereen mee kan doen met het plezier dat een echte samenleving kan bieden.

Daar komt Deuteronomium tevoorschijn. Wij zijn ook loonslaven in een zeven maal 24 uurs economie. Tijd om samen met iedereen vrijheid te vieren is er niet meer bij. Op de zondag viel immers het verschil tussen de toiletjuffrouw en de CEO weg? Beiden waren ze vrij, vrije mensen.

We vergeten dat onze samenleving er is voor de mensen en niet voor winst en profijt. Daarom is er geen tijd meer om nieuwe mensen in de buurt te leren kennen, samen te eten met je buurt of zelfs met je dorp of met de hele stad, met je famillie en vrienden, maar ook met de armen en de vreemdelingen in ons midden. De zondag wordt niet meer de dag om de God van de Liefde te aanbidden en te oefenen in de dienst aan die God, je weet wel, dat van heb je naaste lief als jezelf. Maar de zondag wordt de dag van produceren en vooral van consumeren en nog meer consumeren.

Wie werkt verdient aan het consumeren en wie niet werkt zorgt dat er geconsumeert wordt. Het lijkt wel een bij uitstek religieuze dag geworden waar de kassabel en de pinautomaat de klank van de kerk en de collectezak hebben vervangen. Alleen gaat het bij deze religieuze beweging niet om het delen met elkaar, om te zorgen voor elkaar, om samen het leven te vieren, maar gaat het om de dingen, om het geld, om het meer en het beter, om winst en profijt, om het veilig stellen van de bonussen.

Uit het verhaal van vandaag lees je dat je niet helemaal niks moet gaan doen op de Sabbath en dus al helemaal niet op de eerste dag van de week de Zondag. Je moet de mensen in het oog blijven houden. Zoals David toen hij op de vlucht was en honger had het brood uit de Tempel mocht eten, normaal alleen bestemd voor priesters, mochten de leerlingen het graan langs de rand van de akker eten.

Dat graan aan de randen van de akker was bij uitstek bestemd voor de armen is het voorschrift uit de Bijbel, die kunnen het ook op Zondag arm hebben. Dat ze honger kunnen hebben is zelfs bij ons duidelijk. De voedselbanken hebben het extra druk en krijgen soms zelfs te weinig aangeleverd. Als we de zondag eens echt een religieuze dag willen maken dan zamelen we zondag zo veel mogelijk voedsel in voor de voedselbanken in onze omgeving. De Zondag is immers het feest van de opstanding tegen de dood, het feest van een nieuw soort leven, niet voor jezelf, niet voor andere goden, maar voor de ander, de minsten allereerst.

De Bijbel knoopt er een belofte aan vast. Als we alles wat ons uit Gods hand toevalt weten te delen met hen die niets of te weinig hebben dan ontstaan er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Dan geeft de zee haar doden terug, ook de doden uit de Middellandse zee. Dan wordt de aarde zo mooi dat God er zelf zal willen wonen. Daar heen zijn wij op weg, of we er deel aan hebben zoals we nu deel hebben aan het leven is niet meer belangrijk. Wij mogen handelen alsof die nieuwe aarde er al is. Aarzel dus niet, er is nog veel werk te doen, vat dus aan.

Amen.