Feeds:
Berichten
Reacties

Lezen: Jesaja 35: 1-10

             Marcus: 7: 31-37

 

Gemeente

Augustus is de oogstmaand en voor veel boeren is het nog volop werken aan de tarweoogst en de oogst van mais en van bloemen en fruit. Daar waar de oogst klaar is zie je de corso’s verschijnen of in elk geval kermissen en feesten in de dorpen waar de oogst klaar is. De oogstmaand is vanouds een maand van vreugde en feest.

En dat is wel van heel ouds. Het feestlied dat we vandaag uit het boek van de profeet Jesaja gelezen hebben werd in Israël met name ook rond het feest van de oogst gezongen. We vinden dat bijvoorbeeld terug in het twaalfprofetenboek waar het lied ook door de profeet Joël wordt geciteerd. Die liederen over de dorre vlakten der woestijnen en de steppe die zal bloeien zijn ook al lang in onze kerken zeer populair.

De beide liederen gaan in hun eerste couplet over de oogst, over de woestijn die tot bloei is gekomen. Maar daarom staat Jesaja 35 vandaag niet op het leesrooster. Want bij die bloeiende steppen en dorre vlakten horen ook als herten springende verlamden, jubelende monden van stommen, en oren van doven die worden ontsloten. Kortom hier wordt een samenleving geschetst waar niemand meer bang hoeft te zijn en iedereen weer kan meedoen.

En daarmee wordt het een merkwaardig lied want Jesaja zet het in het midden van het leed voor de ballingschap, als Juda bedreigd wordt door de grootmachten in de wereld. In het hoofdstuk dat hiervoor staat blijft er weinig over van de aarde, het wordt een bloed doordrenkte en ontluisterde aarde. Het volk zal er door gelouterd worden beloofd Jesaja, zoals goud door vuur wordt gereinigd van ongerechtigheden blijft er een rest over van het volk dat een nieuwe kans krijgt in een nieuw land. Het wordt zo een lied van de hoop. Hoop op leven. Er komt een nieuwe lente wat voor ellende we ook gaan meemaken.

Wij kennen natuurlijk de afloop van de ballingschap, de ballingen keerden, ze keerden met geschenken terug uit Babel en met de opdracht van Koning Cyrus hun stad Jeruzalem en de Tempel voor de God van Israël weer op te bouwen. Maar die wederopbouw van de Tempel en Jeruzalem geeft het overgebleven volk van ballingen ook nieuwe kansen. Nu konden ze de oogstfeesten weer in ere herstellen die vanouds gewijd waren aan de God van Israël.

Die oogstfeesten waren niet zomaar feesten. In het boek Deuteronomium staan er drie omschreven. Allereerst komt de gerstoogst. Van gerst wordt het gerstebrood gebakken, het brood voor de armen, Tijdens dat oogstfeest van de gerstoogst wordt de bevrijding uit Egypte gevierd, het feest van de ongezuurde broden, het Pesachfeest, voor Christenen het Paasfeest het feest waarop de dood werd overwonnen.

Het tweede oogstfeest is vijftig dagen later het feest van de Tarweoogst. Dan wordt het tijd om ook de Tempel te voorzien van de nodige leeftocht voor Priesters en Levieten en worden de eerstelingen van de oogst naar de Tempel gebracht. Het is het feest van de richtlijnen voor een menselijke samenleving die God op de Horeb aan Mozes had gegeven. Wij kennen dat feest als het Pinksterfeest. In het najaar volgt dan nog het Loofhuttenfeest als de oogst van vruchten als dadels en granaatappels is geweest. Het is ook het feest waarop wordt herdacht dat in de woestijn, toen men nog in tenten moest wonen, elke dag door God voor voedsel werd gezorgd.

Opmerkelijk is dat bij elk van deze oogstfeesten het voorschrift wordt gegeven dat men een maaltijd moet houden bij de Tempel met de familie, met de Levieten, maar ook met de armen en de vreemdelingen uit het dorp.

Samen delen van de oogst staat in de Bijbel centraal, daar moet iedereen mee kunnen doen aan de samenleving, gelovig of niet, of je nu hoort bij het volk van Israël of juist niet. Dat brengt pas een gezonde samenleving voort, als de vreemdelingen ook gewoon mee mogen doen. De bevrijding van de ballingschap gaat gepaard met een vernieuwing van de mens, zijn kwalen verdwijnen zowel letterlijk als overdrachtelijk, in het visioen van de Bijbel zoals dat door Jesaja is opgetekend is het niet uit elkaar te halen. Die bevrijding mag gezien worden, de boodschap mag gehoord worden en de Weg van de God van Israël, de Weg door de woestijn met de richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf mag bewandeld worden En daarom gaat het in dit lied van Jesaja vooral ook over de lammen die zullen huppelen, de blinden die het licht zullen zien, de stommen die zullen spreken de doven die zullen horen. Want de lammen, de blinden, de doofstommen horen niet langs de kant van de weg te zitten wachten tot ze een aalmoes krijgen, ze horen volwaardige leden van onze samenleving te zijn.

Jezus van Nazareth zal de richtlijnen van God vervullen staat er geschreven. Zijn Koninkrijk is de menselijke samenleving waar we op wachten. Hij wachtte niet tot de oogstfeesten met delen maar deed dat voortdurend, demonen uitdrijvend en genezend staat er in de Evangeliën, andere woorden hadden ze er niet voor. Maar ondertussen schiep hij een heel nieuwe orde waaraan iedereen mee kon doen. Het hele volk liep er voor uit, achter Jezus van Nazareth aan. Ze lieten hem niet met rust, telkens weer zochten ze hem op, is het verhaal van Marcus. En dat wordt Jezus van Nazareth te veel.

Als je in eigen land geen rust krijgt, als de mensen  je zo lastig blijven vallen dan moet je iets verzinnen om tot rust te komen. Een reis naar het buitenland lijkt dan een goed alternatief. Juda was voor Jezus geen alternatief want daar zochten ze hem te doden en in Galilea was het dus te druk geworden.

Alleen was er in de tijd van Jezus van Nazareth geen echt buitenland voorhanden. Alles waar ze heen konden behoorde tot het Romeinse Rijk. Het leek wel een beetje op het Europa van tegenwoordig. Je kunt er doorheen rijden zonder een douane of grenscontrole tegen te komen. En Jezus had het nog gemakkelijker dan wij want ze spraken daar in de buurt allemaal Aramees of Grieks. Geschreven werd er in het Grieks en in dat Grieks kennen we ook het Evangelie van Marcus. Maar zouden die buitenlanders Jezus van Nazareth ook met rust laten? Marcus laat ons weten dat het niet het geval was.

Jezus van Nazareth wijkt uit naar Tyrus en Sidon schrijft Marcus. Van Tyrus reist Jezus van Nazareth door naar Decapolis, het 10 stedenland. Een bijzonder gebied. Was Galilea al het land van de heidenen genoemd, waar Joden wonen die deden als de heidenen, waren Tyrus en Sidon oude Heidense steden die vanouds ook een rol speelden in het verhaal van Israël, dat Decapolis, het land van 10 steden was nog nieuw. Het gebied was in 63 voor het begin van de jaartelling door Pompeïs losgemaakt van het joodse rijk en geplaatst onder het gezag van de stadhouder van de Romeinse provincie Syrië,

Die splitsing was gedaan om de cultuur van Griekenland en Rome sneller ingang te doen vinden. Vanuit Juda was er toenemende invloed om terug te keren naar de oorspronkelijke godsdienst, naar de oorspronkelijke gebruiken van Israël. Daar moest een halt aan worden geboden, er moest juist een toenemende invloed van de Griekse cultuur en de Romeinse godsdienst zijn. In het tienstedenland was men dan ook doof voor de boodschap van de Godsdienst van Israël, voor heb uw naaste lief als uzelf.

Maar al in Tyrus was al gebleken dat ook buitenlanders mochten meedelen in de goedheid die in Israël te vinden was. Niet zomaar, maar daar waar in overvloed gegeten wordt vallen kruimels van de tafel waar anderen, de huisdieren bijvoorbeeld, nog heel goed van mee kunnen eten. En waarom de vreemdelingen dan niet.

Zo komen er ook buitenlanders naar ons land om hier mee te eten van de kruimels die bij ons van tafel vallen. Ze houden over het algemeen niet hun hand op maar doen het werk waar bij ons geen mensen meer voor te porren zijn. Het is alleen jammer dat er zo verkrampt angstig op wordt gereageerd. In onze tuinbouw is er veel werk voor veel mensen voor maar een paar maanden per jaar, de oogst. Daarvan kun je hier geen bestaan opbouwen en als je dat werk gaat doen veroordeel je jezelf tot jaren uitkering, onderbroken door af en toe een paar maanden werk. Er zijn arme landen waar mensen wonen die best een heel jaar zouden kunnen leven van wat hier in een paar maanden in de oogst te verdienen valt.

We durven het alleen niet aan om dat goed te organiseren. We laten ons regeren door angst en het geschreeuw van een paar laffe angsthazen die een vreemde godsdienst als excuus aanvoeren voor hun geschreeuw. Geloven in de macht van de God van Israël doen ze niet. Ze zijn doof voor onze echte Joods Christelijke traditie van in vrede met elkaar wonen en vreemdelingen een plaats geven in onze eigen samenleving.

Want als we werkelijk samen willen dan kunnen zelfs doven een volwaardige plaats krijgen in onze samenleving. De heiden uit het land van de 10 steden wordt bij Jezus gebracht, door wie en waarom staat er niet bij. Zoals zo vaak in de Bijbel staat hij als voorbeeld voor alle mensen die niet willen luisteren naar de Weg van God en daarom onverstaanbare klanken uitstoten, klanken van haat, van afwijzing, klanken die ons agressief voorkomen maar vaker gekleurd zijn door angst. Er volgt een normale behandeling, de zieke wordt aangeraakt daar waar zijn ziekte is, in de oren, aan de tong.

Speeksel speelt een rol want aan speeksel werd een genezende kracht toegedicht, de genezende kracht die de kus van een moeder voor de zere knie van een kind heeft. Voor Grieks sprekende lezers moet dan duidelijk gemaakt worden dat Jezus van Nazareth geen toverspreuken nodig had, Jezus uit geen onverstaanbare agressieve klanken, hij spreekt de taal van de Galileeër, dat de taal van de gewone mensen in Juda ook is, het Aramees.

Effatha is Aramees en betekent “Ga open”, een woord dat ook gemakkelijk in liplezen te verstaan is Marcus legt het nog even uit voor mensen die Grieks lezen en onze vertalers laten die uitleg gelukkig staan. Je moet je dus voor elkaar openstellen in plaats van afsluiten. En dat geldt voor ons allemaal, ook vandaag nog.

Jezus van Nazareth verbood de mensen te vertellen wat er was gebeurd. Maar als je je eenmaal openstelt voor het Woord van de God van Israël, dat juist het liefhebben van je naaste je naar het beloofde land brengt, juist de vrede brengt waarin alle mensen mee mogen doen en niemand meer bang hoeft te zijn of langs de kant te blijven zitten dan zing je, dan schreeuw je het uit en houdt je er geen moment meer je mond over. Dan breekt direct het oogstfeest aan waar Jesaja al over zong, over de doven die horen en de stommen die spreken.

Daar in het land van de Heidenen begint het ook door te dringen of Jezus dat nu wil of niet. Het kan ook hier bij ons doordringen, als wij ons er voor openstellen. Dan wordt ook onze samenleving een Kanaän, een heilig land, een samenleving in een land dat overvloeit van melk en honing, een land van enkel vruchtbaarheid, gezegend land om in te wonen.

Amen.

Advertenties

Lezen: 2 Koningen 4:8-18a

              Marcus 7: 24-30

Gemeente

Je zou toch zeggen dat zo’n vrouw, die een kamer op het dak van haar huis bouwt en die meubileert, dat voor haar eigen belang doet. Het lijkt toch zeer aantrekkelijk zo’n profeet, een godsman, op zolder te hebben die zo af en toe, in ruil voor jouw gastvrijheid, een wens kan vervullen, of God kan vragen een wens voor jou te vervullen.

Maar de Sunamitische, een buitenlandse die niet bij het volk van Israël hoort, uit het verhaal dat we vandaag lezen, gaat het kennelijk niet om zulke wonderen. Zij vraagt niets voor zichzelf, al heeft ze een grote wens, een zoon, een kind te krijgen. Want in een samenleving zonder pensioenvoorzieningen tel je als vrouw pas mee als je tenminste één kind hebt. Maar zelfs dat vraagt ze niet aan de profeet. Kennelijk is het haar genoeg door haar gastvrijheid dichter bij God te komen, te doen wat God vraagt, dat we delen zonder daar zelf beter van te willen worden.

Als je wat aan God te vragen hebt dan is daar geen tussenpersoon voor nodig, je kunt alles zelf direct aan God vragen. Het gaat overigenss niet om wonderen voor jezelf maar gaat er om dat je naaste die gebrek lijdt geholpen wordt en dat doe je in de eerste plaats zelf, en daarvoor mag je kracht en wijsheid vragen. Pas als je eigen vermogen te kort dreigt te schieten dan doe je een beroep op die God.

Wij willen graag een voorbeeld kunnen nemen aan de knecht Gechazi. Zonder dat de vrouw wat gezegd heeft ziet hij haar diepste wens, hij kent haar positie in haar samenleving en weet wat dat voor haar kan betekenen. Ook Eliza ziet in dat die wens in vervulling moet gaan en dus ook zal gaan als ze er maar openlijk over weet te praten. Hij brengt het gesprek er over op gang en jawel, binnen een jaar is de zoon geboren.

Een gesprek op gang brengen over de diepste wensen van iemand is moeilijk genoeg. Het begint er mee het aan te durven te praten over dat wat jezelf bezig houdt, om in elk geval te vertellen dat wat we graag willen ook gezegd mag worden. Niet alleen in een gebed dat uitgesproken wordt in de binnenste binnenkamer, maar ook in gesprek met je geliefden, met je naasten. Want houden van je naaste als van jezelf is ook houden van jezelf. En als je je naasten zover weet te krijgen, dan volgen de wonderen vanzelf.

We moeten elkaar daarvoor wel durven te vertrouwen. Dat gaat niet zomaar, dan zou iedereen goudeerlijk moeten zijn. En was het maar zo eenvoudig dat er alleen nog mensen zijn die niet meer liegen, niet meer stelen, niet meer boos worden, maar goed zijn voor elkaar en vol medeleven.

Vanuit de verbondenheid in Christus met de hele bewoonde wereld wordt door onze PKN nog wel eens gevraagd om sociale en economische duurzaamheid als uitgangspunten voor een regeringsbeleid te nemen. Vanuit die betrokkenheid roept Kerk in actie zelfs op om groene stroom te gebruiken, vanuit die betrokkenheid werken vrijwilligers uit de Kerken voor de opvang van vluchtelingen, vanuit die betrokkenheid steunen heel veel kerken de voedselbanken in hun stad of dorp. Er komen ook steeds meer Groene Kerken.

Maar je kunt niet alle ellende en al het onrecht oplossen. Er zijn grenzen aan. Sommige Christenen voelen zich daar snel schuldig over en zeggen dan: ik geloof zeker niet genoeg want ik moet af en toe nee zeggen. Neem een voorbeeld aan Jezus van Nazareth, ga af en toe met vakantie hij probeerde dat een aantal keren.

Hij kreeg in eigen land geen rust, de mensen vielen hem zo lastig dat hij met zijn leerlingen zelfs geen tijd kreeg de handen te wassen voor het eten, Marcus schrijft dat ze zelf vaak geen tijd hadden om te eten, zo druk was.. Dan moet je dus iets anders verzinnen om tot rust te komen. Jezus had met zijn vrienden al eens het meer overgevaren op zoek naar wat rust maar de mensen hadden hen gevolgd en ze hadden 5000 mensen te eten gegeven. Het buitenland leek daarom een goed alternatief. Alleen was er in de tijd van Jezus van Nazareth geen echt buitenland voorhanden. Alles waar ze heen konden behoorde tot het Romeinse Rijk.

Het leek wel een beetje op het Europa van tegenwoordig. Je kunt er doorheen rijden zonder een douane of grenscontrole tegen te komen. Dat je in een ander land bent merk je aan de vorm van de huizen, de verkeersborden en de taal die er gesproken wordt. Dat was in de omgeving van Jezus van Nazareth niet anders. Alleen spraken ze daar in de buurt allemaal Aramees of Grieks.

Geschreven werd er in het Grieks en in dat Grieks kennen we ook het Evangelie van Marcus. Maar zouden die buitenlanders Jezus van Nazareth ook met rust laten? Marcus laat ons weten dat het niet het geval was. Ook buitenlanders hoorden er bij. Niet zomaar, de Goddelijke richtlijnen waren immers gegeven aan het volk Israël en de vruchten van die richtlijnen waren dan ook voor hen bestemd.

Maar daar waar in overvloed gegeten wordt vallen kruimels van de tafel waar anderen nog heel goed van mee kunnen eten. De vrouw uit het verhaal van Marcus zet zich op één lijn met de huisdieren, die horen er bij, ook toen al vonden mensen honden in huis vertederend, maar ze moesten het doen met de restjes. En Jezus ziet dat ook zij een kind van God is, geschapen door de Vader die alles geschapen heeft.

Zo komen er ook buitenlanders naar ons land om hier mee te eten van de kruimels die bij ons van tafel vallen. Ze houden over het algemeen niet hun hand op maar doen het werk waar bij ons geen mensen meer voor te porren zijn. Het is alleen jammer dat er zo verkrampt angstig op wordt gereageerd.

In onze tuinbouw is er veel werk voor veel mensen voor maar een paar manden per jaar, de oogst. Vroeger deden de kinderen dat, daar hebben we nog onze lange schoolvakanties aan te danken. Ik zelf heb in mijn jeugd nog wekenlang geholpen bij de bollenoogst. Tegenwoordig kijken we naar werkzoekenden. Maar van het loon van seizoensarbeid kun je hier geen bestaan opbouwen en als je dat werk gaat doen veroordeel je jezelf tot jaren uitkering, onderbroken door af en toe een paar maanden werk.

Er zijn arme landen waar mensen wonen die best een heel jaar zouden kunnen leven van wat hier in een paar maanden in de oogst te verdienen valt. We durven het alleen niet aan om dat te organiseren. We laten ons regeren door angst en het geschreeuw van een paar laffe angsthazen die een vreemde godsdienst als excuus aanvoeren voor hun geschreeuw. En als we echt zouden kunnen helpen vrede en welvaart in de armste landen van de wereld te bevorderen dan hoeven er ook geen mensen meer te verdrinken in de Middellandse Zee.

Geloven in de macht van de God van Israël doen de angsthazen die schreeuwen dat ons land vol raakt niet. Want dan zouden ze weten dat als we mensen tot hun recht laten komen, ze echt als medemens leren zien we de weg van God gaan. Zoals Elisa in het verhaal van vandaag leerde zien, zoals Jezus van Nazareth van de Syrisch Foenitische vrouw leerde zien, dat we dan een betere wereld krijgen.

Dat kan dus ook als we op reis zijn, dat kan dus ook als we op vakantie gaan. Dat kan gewoon in de eigen straat, in de eigen stad, in ons eigen land. Een gemeenschap zoals die ooit in Efeze was en waar Paulus aan schreef dat je dat zelfs samen kunt oefenen. Jezus hield ons voor dat we dan als een stad op een berg te zien zullen zijn, dat we dan de grote daden van God laten zien.

Voor onszelf hoeven we daar geen beloning voor, we doen het uit dankbaarheid. Dank voor wat ons nu al toevalt aan rijkdom en geluk. We horen toch bij de 20 rijkste landen van de wereld. Maar we doen het juist omdat we uitzien naar een wereld waar alle tranen gedroogd zullen zijn, waar elk leed geleden is en waar elke strijd gestreden is. De Bijbel belooft dan dat de zee haar doden terug zal geven, ook de doden uit de Middellandse zee dus. De aarde wordt uiteindelijk zo mooi dat God zelf hier zal willen wonen. Maar er zal nog heel veel werk voor moeten worden verzet. Wij worden geroepen daaraan mee te doen, aarzel dus niet, vat aan.

Amen.

 

Lezen:  Deuteronomium 10:12-21

               Marcus 7:1-23

 

Gemeente,

De lezingen van vandaag lijken te gaan over een Wet, over wat wel en wat niet mag, over hoe je je gedraagt. Een Wet waarop je wordt beoordeeld, die je gevangen zet in de regels. Maar het zijn een lezing uit het boek Deuteronomium waarin de onderwijzing van Mozes nog eens wordt samengevat en uitgelegd en ook een lezing uit het Evangelie van Marcus, het oudste Evangelie.

In die lezing volgens Marcus zet Jezus van Nazareth de menselijke wetten en gewoonten af tegen de richtlijnen die God aan het volk van Israël heeft gegeven in de woestijn. Die richtlijnen waren geen wetten zoals mensen die maken maar bevrijdende richtlijnen om van de samenleving in het beloofde land ook echt een menselijke samenleving te kunnen maken

Die richtlijnen werden gegeven op Weg naar het beloofde land. Het zijn dus eigenlijk richtingwijzers op weg naar dat land dat overvloeit van melk en honing. en misschien kunnen wij ook deze richtlijnen zo lezen dat we na de zomer, of eerder als u wilt, er weer mee op pad kunnen op weg naar een samenleving in onze dagen die gaat lijken op dat beloofde land.

Onze Godsdienst is eigenlijk helemaal niet zo ingewikkeld. Er zijn geen kostbaar aangeklede Tempels met geheimzinnig mompelende priesters waar je voor elke gunst die je van een God wil hebben eerst een offer moet brengen. Geen klankschalen of kleurstellingen, en vooral geen offers aan de God zelf. Dat was ook in het oude testament al zo.

De offers die werden gebracht waren een teken dat je wil delen van wat je hebt en waren bestemd voor de Priesters en Levieten, die moeten toch ook leven. Of ze worden verbrand, de stank is dan het teken dat je de richtlijnen van de God van Israël volgt

En als je de God van Israël wil volgen dan zijn er vreemdelingen en weduwen en wezen om je daarbij te helpen. Zo eenvoudig is het. Verschaf de weduwe en de wees recht, laat hen tot hun recht komen, neem ze op in je gemeenschap en zorg dat ze een volwaardige plaats krijgen. Ze zijn de armsten in de samenleving. Daar zijn we dus samen verantwoordelijk voor. In onze dagen voor de ouden van dagen, voor de zieken en invaliden, voor de mensen die niet in staat zijn een eigen inkomen te verwerven. Niet alleen in ons land maar uiteindelijk in de hele bewoonde wereld.

Maar in ons land moeten we, net als in Israël, de vreemdelingen met liefde behandelen. Het staat er echt. Iedereen die zich dus wil beroepen op de Joods Christelijke traditie van ons land, die bang is dat we overvleugeld worden door een andere godsdienst, zal zich moeten conformeren aan de richtlijnen die staan in het gedeelte dat we vandaag lezen, U moet de vreemdelingen met liefde behandelen. Want we zijn uiteindelijk allemaal vreemdelingen geweest of stammen af van vreemdelingen. De geschiedenis van het slavenvolk dat veertig jaar door de woestijn had gezworven nadat het in 400 jaar in Egypte tot slavernij was vervallen is natuurlijk geweldig.

Ook onze geschiedenis wordt soms als zo geweldig voorgesteld. Ooit kwamen de Batavieren op boomstammen de Rijn afzakken en nu behoren we tot de 20 rijkste industrielanden in de wereld. Natuurlijk zijn er problemen die we moeten aanpakken en oplossen. We hebben nog steeds nare gevolgen van hebzucht. We delen nog steeds onvoldoende, er zijn nog steeds voedselbanken nodig en de inkomensverschillen in allerlei bedrijven zijn onverklaarbaar groot. Er is nog steeds misdaad in ons land en jongeren worden verwaarloosd en vervallen soms onnodig tot misdaden.

Maar misschien erger is dat, de manier waarop wij onze landbouw hebben georganiseerd en handel drijven hongersnood veroorzaakt in arme landen. Erger is ook dat, de kleding die wij dragen voor een groot deel wordt gemaakt door kinderen onder erbarmelijke omstandigheden. Erger is ook dat, om hier mannelijke lusten te bevredigen arme meisjes uit minder welvarende landen gedwongen worden in onze seksindustrie te gaan werken en daar worden verhandeld, gemarteld, geslagen en vernederd.

Heel het boek Deuteronomium spoort ons aan de Weg te gaan die God ons wijst. Daarvoor moeten we eerst opstaan en die Weg willen gaan. Volgens dit boek is het een Weg die voert van dood naar leven. Ook al leven wij nu in een betrekkelijke welvaart als we de Weg willen gaan van de God van Israël dan zullen ook wij moeten opstaan, opstaan tegen al dat onrecht in onze samenleving, het onrecht dat ons omringt.

In de dagen van Jezus van Nazareth waren het vooral de Farizeeën die probeerden de richtlijnen die zij als menselijke wetten lazen. zo nauwkeurig mogelijk na te komen. Jezus van Nazareth las in die richtlijnen vooral het bevrijdende, de menselijke samenleving. In het verhaal van vandaag raakt hij in conflict over de reinheidswetten. Je handen wassen voor het eten is een gezonde regel.

De Farizeeën wijzen er dus kennelijk niet ten onrechte op dat de leerlingen van Jezus zich daar niet aan houden. Maar er staat in het Grieks meer dan in de vertaling doorklinkt. Letterlijk staat er dat die Farizeeën de handen wassen met de vuist. Dat is zo’n raar beeld dat de vertalers dat maar hebben weggelaten, in de tijd van Marcus was het een gewone uitdrukking, het betekende dat je je handen ritueel waste, niet helemaal echt maar zo dat er een nieuwe verhouding ontstond met datgene wat je aanraakte of aangeraakt had. Zoiets als met een wijwaterkwast. De Farizeeën spoelden met dat wassen alle heidendom van hun voedsel af. Het was een leeg ritueel dat alleen nog zei dat jij beter was dan een ander.

De leerlingen van Jezus hadden het druk. Overal waar Jezus kwam stroomden mensen bij elkaar en werden talloze mensen genezen. Soms hadden ze geen tijd zelfs om fatsoenlijk te eten. Die Farizeeën vonden dus kennelijk de regeltjes belangrijker dan de mensen. Dat noemen we huichelen De richtlijnen uit de leer van Mozes laten zich samenvatten in het heb je naaste lief als jezelf. En dat het om mensen draait laat Jezus  zien in een voorbeeld uit de praktijk. Als je alles wat je hebt bestemt voor een offer voor de Tempel, een Korban, dan kun je daar niets van weggeven. Je moet het zelf houden, om het offer te kunnen brengen, of je moet het naar de Tempel brengen. Je hoog bejaarde ouders bijstaan is er niet meer bij. Daar kun je dus gemakkelijk misbruik van maken

Deze manier van omgaan met de richtlijnen van de Bijbel door de Farizeeën is tegengesteld aan de leer van Mozes. Die richtlijnen waren gegeven in de woestijn aan een volk van bevrijde slaven die op de vlucht waren. Die richtlijnen maakten dat ze als volk samen verder konden naar een eigen land. Samen kunnen leven, van elkaar houden daar gaat het dus om. Daarbij zijn mensen belangrijker dan regels.

Het Evangelie van Marcus is geen journalistiek verslag van het leven van Jezus van Nazareth. Het verhaal is opgeschreven na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70. De bedoeling was om die verhalen over Jezus van Nazareth te vertellen aan de pas gevormde gemeenten van gelovigen. Die verhalen konden helpen om het geloof in Jezus van Nazareth en zijn manier van leven vast te houden. Ook in dit gedeelte gaat het over zaken die na de verwoesting van de Tempel belangrijker zouden worden.

Na de dood van Jezus van Nazareth hadden zijn leerlingen gevolg gegeven aan de oproep om iedereen mee te krijgen in die nieuwe Weg Ze hadden ervaren dat de liefde van Jezus van Nazareth het ook door de dood heen had uitgehouden. Als je oplette kwam je hem overal tegen waar mensen nood hebben, bij het breken en delen van brood, bij het vissen als het niet wil vlotten en in de wanhoop op de afloop van de kruisiging. Ze waren op weg gegaan en aarzelend en met veel discussie hadden ze ook mensen in hun beweging welkom geheten die niet uit het Joodse volk afkomstig waren.

Ze hadden zich herinnerd hoe ook Jezus van Nazareth een Romeinse officier had geholpen en zelfs met hem mee gegaan was toen zijn dochter dreigde te sterven. Ook niet Joodse vrouwen die hij ontmoette had hij een plaats gegeven in zijn beweging. Maar grotere aantallen niet Joden, Heidenen als wij, leverden een probleem op. Moesten die ook mee gaan doen met de ingewikkelde spijswetten van de Joden? Uiteindelijk hadden ze na veel strijd besloten dat die dwang nu juist in strijd was met de Weg van Jezus van Nazareth. Daarvan vindt je hier de weerslag. Niet wat de mens binnen gaat maakt onrein maar wat uit de mens komt. Voor ons lijkt dat vanzelfsprekend te zijn.

De vraag blijft natuurlijk waarom wij dan zo gevoelig zijn voor mooie praatjes van politici, over fatsoen en normen en waarden, over de angst die je zou moeten hebben voor de Islam, over de noodzaak wapens te kopen in plaats van brood voor armen, over het steunen van onze landbouwproductie zodat boeren in arme landen geen plaats krijgen op de wereldmarkt. De Weg van Jezus van Nazareth was de armen en verdrukten als maatstaf te nemen, werd hen recht gedaan dan gaat het goed, werden zij het slachtoffer dan gaat het slecht. Uit de mens komen slechte dingen, wees gewaarschuwd.

Het gaat hier ook over iets als genade. Ook genade is heel eenvoudig, elke dag staan we weer opnieuw op, elke dag schijnt opnieuw de zon, elke morgen is er opnieuw licht, alsof elke dag de wereld opnieuw geschapen wordt. Elke dag mogen we daarom opnieuw de Weg gaan die de God van Israël ons wijst, hoever we ook van die weg zijn afgedwaald, elke dag mag het weer opnieuw en als het nodig is misschien wel duizend keer per dag opnieuw schrijft Paulus ergens. Dat is genade. Dat betekent dat we de vrijheid hebben steeds opnieuw te beginnen, dat we bevrijdt zijn voor de angst voor de dood, die deert ons niet meer.

De regel dat we het goede moeten doen en niet dan het goede maakt ook dat we mogen genieten van het goede, dat we ons mogen bezinnen op waar we mee bezig zijn in ons leven, kortom betekent ook dat we vakantie mogen houden. We moeten immers ook weet hebben van dat beloofde land waarheen we op weg zijn?

Volgens de leer van Mozes was daar elke zevende dag rust, werd elke zevende dag gevierd dat we bevrijd zijn van de slavernij van de arbeid. Christenen hebben dat doorgetrokken naar de achtste dag, de eerste dag van een nieuwe week, waarop we vieren dat we in Christus bevrijdt zijn van de dood. Maar we mogen nooit vergeten dat we het nodig hebben ook te vieren dat we bevrijd zijn van de slavernij van de arbeid. Die eerste dag van de week als gezamenlijke vrije dag staat ter discussie. Te veel Christenen hebben er menselijke wetsregels van wat niet mag, aan vastgeplakt en het karakter van Bevrijdingsdag wordt bijna niet meer herkent. Het is een rituele dag geworden zoals met dat handenwassen van Farizeeën.

In onze vakantie moeten we ons weer herinneren dat in dat beloofde land elke zeven jaar al het werk op het land achterwege moest blijven, het Sabbatsjaar. Terugkerend na onze vakantie hebben we verhalen over hoe weldadig de rust heeft kunnen zijn. Het goede van de rust mogen we uitdragen en delen, wij hebben nog een dag waarop we het goede van de bevrijding kunnen delen met iedereen in onze gemeenschap, niet alleen in onze kerk, maar ook in ons dorp en onze stad. We zijn gewaarschuwd voor het kwade, maar we kunnen het bestrijden met het goede, niets doen dan het goede, dag in dag uit, tot in eeuwigheid, tot er een eeuwigdurende vakantie aanbreekt waarin alle tranen gedroogd zijn en de dood niet meer zal zijn..

Amen

Lezen: Jesaja 63: 7-14

             Marcus 6: 45-52

Gemeente,

We leven weer volop in de tijd van vakanties, dit jaar compleet met hittegolf. Als ze er zijn verwelkomen we vanmorgen gasten van elders. We verwelkomen al terug de mensen die al op vakantie zijn geweest en ons de mooie verhalen vertellen die bij de zomer horen. En misschien tellen we de dagen af tot de dag dat we zelf op vakantie gaan. Dat de jeugd zo lang vakantie heeft in de zomer komt door de kinderarbeid. Bij het invoeren van de leerplicht werd de hulp van kinderen bij de oogst onmisbaar geacht en daarom kregen alle kinderen de hele oogsttijd vrij. Tegenwoordig huren we mensen uit een arm buitenland in om bij de oogst te helpen.

Vakantie is een zeer Bijbels gegeven. De Sabbath was gegeven aan een volk dat bevrijdt was van de slavernij in Egypte. Nooit zou het volk meer slaaf worden van de arbeid. Elke week weer, elke zeven dagen, zou het alle werk laten vallen om de bevrijding van die slavernij te kunnen vieren. Christenen hebben dat doorgetrokken naar de bevrijding van de dood. Op de achtste dag, de eerste van een nieuwe week werd de bevrijding van de dood in de opstanding van Jezus van Nazareth gevierd. En in onze dagen mogen we niet vergeten dat die bevrijding uit de dood ook hoort bij de bevrijding van de slavernij. Het geschenk van de ene dag zonder slavernij van het werk staat ter discussie en juist in de vakantieperiode mogen we tot ons door laten dringen hoe kostbaar die vrijheid is en hoe dankbaar we de God van Israël mogen zijn voor die bevrijding.

Die bevrijding staat ook centraal in het vreugdelied uit het boek van de profeet Jesaja dat we vanmorgen hebben gehoord. God kiest een volk, staat het bij, leidt het uit het land van de slavernij en geeft het een richtlijn waar het eeuwig van zou kunnen profiteren.

Maar die kinderen beschamen dat vertrouwen en komen in opstand tegen het idee altijd maar van je naaste te moeten houden als van jezelf, altijd maar de minsten, de zwaksten, in je samenleving voorop moet zetten. Dat beschamen van vertrouwen in God leidt tot oorlog en ellende. Maar God herinnert zich de band met het volk, de leiders van het volk die zijn leer door wisten te geven, de koningen die vrede wisten te stichten en berouwt de vijandschap die hij is aangegaan met zijn eigen volk. Het volk wordt dus opnieuw gered.

Dat klinkt natuurlijk mooi. Maar als het niet goed gaat met het volk van God dan komt de naam van God in het geding. En God valt samen met zijn naam: Ik ben die ik zijn zal. En de God van Israël zo leren we in de Bijbel is met de minsten, met de slaven en de verdrukten, met de weduwe en de wees. Als wij een andere weg gaan, de dood centraal stellen en niet het leven verdwijnt dus de luister van God, na Auschwitz zeiden we, God is dood.

Als wij dus de minsten in de steek laten, in opstand komen tegen God, niet eerst om de voedselbank denken en dan om de receptie,  niet eerst de uitkeringen en dan pas het mooie nieuwe stadhuis, niet eerst de zorg voor de verstandelijk gehandicapten en dan pas de hypotheekrenteaftrek om zo maar eens wat zaken tegenover elkaar te zetten, dan brengen we God zelf in nood. Waar is immers de God van Israël dat zijn kinderen zo moeten lijden?

Dat God samenvalt met zijn Naam, niet alleen in het Woord maar juist in de Daad, wordt hier een boodschap genoemd. Het Woord van God is Daad is de boodschap. Dat is een boodschap van tegenwoordigheid, een engel van tegenwoordigheid wordt dan vertaald. Maar zijn wij de stem en de handen van die God? Laten wij zien wat zijn luister betekent?

Het betekent dat God ook met ons mee blijft gaan. Ook al vergeten wij nog wel eens zijn richtlijn om van je naaste te blijven houden als van jezelf. Ook al vergeten we dat voedsel en onderdak voor verstandelijke gehandicapten en demente bejaarden lang niet genoeg zijn en dat we ook moeten zorgen voor activiteiten en aandacht.

We moeten blijven zien wie de minsten zijn die aan de kant van de weg zijn komen liggen en die ondanks de drukte van alledag gehoord moeten worden. Daar roept de profeet ons vandaag toe op, wij mogen weten dat op die Weg God met ons gaat, ook al vergeten wij dat maar al te vaak.

Maar die boodschap mogen we ook lezen uit dat mooie romantische verhaal over de storm op zee dat we uit het Evangelie van Marcus hebben gehoord. Dat verhaal van Marcus begon eigenlijk over het delen van alles wat ze bij zich hadden en er 5000 mensen mee bleken te kunnen voeden. Dat verhaal over dat breken en delen, over dat er voor iedereen genoeg de eten is en dus leven is zet zich schijnbaar voort in het verhaal over de storm op zee.

De verhalen zoals Marcus die ons vertelt lijken soms wel op moderne TV trillers. Korte scènes en de ene gebeurtenis tuimelt bijna over de vorige heen. je kunt dat bij Marcus herkennen aan het gebruik van het woord terstond. ze hadden de resten van de maaltijd, 12 manden groot, nog niet ingezameld of terstond dwingt Jezus van Nazareth zijn volgelingen de boot in te gaan. Ze moeten voor hem uit varen naar Bethsaïda. Hij zelf ging naar de berg om te bidden nadat hij afscheid van hen had genomen. Het van wal steken van het schip is een duidelijk signaal aan de menigte dat de bijeenkomst met prediking en delen van brood en vis voorbij is. Nu wordt het tijd om naar huis te gaan.

Wat ons misschien toch opvalt is dat de bijeenkomst niet wordt afgesloten met gebed, wij doen dat toch maar al te vaak. Maar voor Jezus van Nazareth is het gebed iets van je terugtrekken, in je binnenste binnenkamer zou hij zijn leerlingen leren. Ook Jezus van Nazareth had rust nodig, dat blijkt wel uit het verhaal, maar rust is niet niks doen. Rust is ook de reis naar binnen, wat heeft de dag mij gedaan, wat brachten al die ontmoetingen te weeg. En daarbij de ontmoeting met God, waar was zijn Woord een lamp voor mijn voet, waar hoorde ik zijn stem en in wiens ogen zag ik hem oplichten. Voor ieder van ons is dat anders. We hoeven ons daarom ook niet af te vragen hoe Jezus van Nazareth gebeden heeft, hoe hij omging met zijn Vader.

In de Joodse traditie bidt je met de teksten uit de schrift, met de Psalmen, met de Tora, op die manier schijnt het Woord van God op jouw pad, maar bidt je toch met iedereen mee en ben je in je gebed verbonden met alle gelovigen.

Voor de leerlingen aan boord van het schip begint er ondertussen een nieuwe dag. Het was avond geworden staat er. En met de avond begint de nieuwe dag. Er gaat iets nieuws gebeuren. Daarvoor moet het eerst nacht geworden zijn, want pas door de nacht heen zien we het licht, pas door de dood heen kunnen we opstaan ten leven. Dat beeld vertelt Marcus ons nu in een verhaal. je kunt van het leven wel de dood in, van het land wel de zee op, maar als het stormt en je bang wordt dan kun je uit dat dodenrijk nooit meer het land, het land van de levenden bereiken. Er staat niet voor niets dat Jezus van Nazareth pas in de vierde nachtwake tot hen kwam, de hondenwacht is dat, het holst van de nacht, het diepst van de dood. In die zwarte duisternis zag Jezus van Nazareth dat zij zich aftobden in het voortgaan omdat ze tegenwind hadden.

Je hoort Jezus van Nazareth zuchten in dit verhaal. Eerst waren de leerlingen twee aan twee op stap geweest. Een succesreis die diepe indruk had gemaakt tot aan het hof van koning Herodes toe. Vervolgens zagen ze van heinde en ver de mensen op ze afgekomen, zo veel dat ze zelfs bang werden dat er niet genoeg te eten was, maar Jezus had ze geleerd samen te werken en op elkaar te vertrouwen, samen te delen van dat wat er meegebracht was, dat had gewerkt. Nu was het eind van de dag gekomen. Nu leek de vakantie aangebroken waar ze zo’n behoefte aan hadden.

Het meer blijkt echter geen rust te geven maar dreigt door de storm met de dood. Maar hoe zat het ook al weer, moet je je in tijden van nood door angst laten regeren of door samenwerken, zoals we leren in het Verbond met de God die er ook in de storm en de doodsnood zal zijn? Jezus van Nazareth kwam naar ze toe om ze te helpen en berispte ze om hun angst. In het verhaal van Jezus van Nazareth, zoals Marcus ons dat vertelt gaat samenwerking ver boven de angst die we kunnen voelen, juist door het rotsvaste vertrouwen op de aanwezigheid van God

Die angst zit ook in onze samenleving. De angst dat we door te delen met de armsten in Europa, alles zullen verliezen. Wij worden bang gemaakt, door vertegenwoordigers van de rijken, dat dat eerlijker delen ten koste zal gaan van de armen, dat die ook zullen  moeten inleveren. Zou het dan niet waar zijn dat vijf broden en twee vissen genoeg zijn om een volk te eten te geven? Of moeten we ons laten regeren door de angst. We moeten toch langzamerhand weten dat ruim 50 jaar van eerlijk delen ons allemaal kansen heeft gegeven en dat iedere keer als de rijken rijker en de armen armer gemaakt worden de ellende in de samenleving ook toeneemt De leerlingen op het schip in de storm hoorden het “Vrees niet!” Maar zij hadden de betekenis van de broden, de betekenis van het delen dus, nog niet begrepen staat er

Pas toen doordrong dat die liefde ook de dood kon overwinnen begon het te dagen. Daarmee is het verhaal van Marcus een Paasverhaal geworden. Een verhaal over de opstanding uit de dood. Een verhaal ook over de vraag hoe we die opstanding in het leven van alledag kunnen herkennen. Ook als in ons leven de duisternis van de dood dichterbij lijkt dan de dageraad van het leven.

In het verhaal gaat de storm wel liggen maar is de nacht nog niet voorbij als Jezus aan boord komt. We horen dus niet de valse belofte dat alle ellende die we meemaken voorbij is als we maar op Jezus vertrouwen. Dat ziekte geen ziekte meer is, dat het verlies van een geliefde ons niet meer deert, dat de fouten die we in het leven gemaakt hebben geen fouten meer zijn en dat de werkloosheid die ons getroffen heeft geen werkloosheid meer is.

De ontmoeting met Jezus van Nazareth bevrijdt ons niet van de nacht. We blijven roepen met de profeet die riep Wachters hoe lang duurt de nacht nog. Maar we zijn bevrijdt van de angst, de verlammende angst voor de toekomst, wat zal de nieuwe dag ons brengen, komt er meer storm, komt er meer ellende? De angst daarvoor is voorbij, we weten dat er altijd aan het einde een nieuwe dag is.

En in de traditie van de Bijbel is die nieuwe dag al begonnen zodra het nacht wordt. Er is geen reden om bang te zijn als we ook het laatste wat we hebben weten te delen met hen die het nodig hebben. Die boodschap zullen wij ook moeten horen en daar zullen we op moeten gaan vertrouwen. Elke morgen nieuw zegt ons de schrift. Elke morgen mogen we opnieuw op Weg gaan met de God van Israël, mogen we ervaren dat zijn naam waarheid is, hij zal er zijn, hij is er in de nieuwe dag die we krijgen. Elke nieuwe dag mogen we daarom ook weer zijn Weg gaan, ook al zijn we dat zoveel dagen vergeten, elke dag mogen we opnieuw onze naaste liefhebben als onszelf, mogen we leven of we eeuwig leven, totdat hij komt en ons een nieuwe hemel en een nieuwe aarde brengt waar de dood niet meer zal zijn en alle tranen gedroogd zullen zijn.

Amen.

 

 

 

 

Lezen: Jeremia 23: 1-6

             Marcus 6: 30-44

Gemeente,

Op het Oecumenisch leesrooster dat in veel kerken wordt gevolgd, zeker door mij, stond vorige week het verhaal dat direct vooraf gaat aan het verhaal uit Marcus dat we vandaag gelezen hebben. Dat verhaal ging over de leerlingen van Jezus van Nazareth die twee aan twee er op uit werden gestuurd om het goede nieuws van Jezus bekend te maken. Ze mochten niks meenemen, geen extra kleding, geen geld, geen eten, alleen een staf, en sandalen die mochten ze ook aan. Daarmee werden die leerlingen ook herders. In een ander verhaal vertelt Jezus dat de Goede Herder de schapen gaat zoeken die afgedwaald zijn. Nu willen wij ook graag leerlingen en volgelingen van Jezus van Nazareth zijn en daarmee mogen we onszelf beschouwen als Herders, we zorgen voor het goede in de wereld, in onze eigen gemeenschap.

Jeremia heeft het over slechte en goede herders. Herders die de schapen in de steek laten en herders die het volk terugbrengen naar het land overvloeiende van melk en honing. In Psalm 23 zong de herder koning David over het dal van diepe duisternis waar de stok en de staf van God tot steun zijn. Wij kennen de herders alleen nog van de Grote Stille Heide of misschien van de schrijver Eelke de Jong die lang herder is geweest.

De herder waar David over zingt die voert de kudde schapen naar grazige weiden, de sterke schapen maar vooral ook de zwakke schapen, die hebben extra aandacht nodig. Die herder verdedigt de kudde tegen vijanden. Die herder is geen baas van de kudde maar dienaar van de kudde. Als Jezus op Witte Donderdag de voeten van zijn volgelingen wast voor hij in een maaltijd duidelijk maakt dat het brood dat hij deelt zijn eigen lichaam is, dan maakt hij duidelijk wat het betekent een Goede Herder te zijn.

We leven nu in de vakantietijd en misschien bezoeken we wel één van de toeristische schaapskudden in ons land waar een herder uitlegt hoe het is voor een kudde schapen te zorgen. In onze dagen is de vakantie tijd een tijd om te rusten, om er op uit te gaan, om even los te komen van werken en zwoegen.

In de Bijbel is daar het Sabbatsjaar voor, eens in de zeven jaar dan leef je van het land en laat je het bewerken van het land achterwege. Onze zomervakantie is een gevolg van kinderarbeid. Toen de leerplicht werd ingevoerd bleek dat kinderen in de zomer onmisbaar waren bij het oogsten en bij het verwerken van de oogst. Die kinderarbeid is meer en meer verboden geraakt maar de vakantieweken in de zomer zijn gebleven. En in plaats van de kinderarbeid is de arbeid van illegale vreemdelingen gekomen.

In het verhaal dat we vandaag uit het Evangelie van Marcus hebben gelezen gaat het bijna over vakantie. Jezus van Nazareth wil namelijk met zijn leerlingen op vakantie. Ze kregen zelfs de tijd niet om te eten zo namen de mensen hen in beslag. De leerlingen waren met hun staf in de hand de dorpen en steden rondgegaan om het goede nieuws te brengen. Ze waren bij de meester teruggekeerd om te vertellen wat ze hadden meegemaakt.

Maar van vakantie kwam niet veel. Ze hadden zo’n succes gehad dat een grote menigte hen volgde. Jezus van Nazareth kon niet anders dan al die mensen vertellen over zijn nieuwe Koninkrijk en hen te leren hoe daarin te leven. Maar ja, organisatoren van massabijeenkomsten moeten de catering niet vergeten. Nu niet en toen ook niet. Zelf hadden ze maar vijf broden en twee vissen bij zich. Jezus had echter net de menigte geleerd over delen met elkaar, ook het laatste wat je hebt, al is het je leven, delen met degene die minder of niets heeft. En als iedereen het weinige dat er is met elkaar deelt is er voor iedereen genoeg.

De 12 manden die overbleven zeggen dat er voor het hele volk zelfs wel genoeg is. Degenen die de verhalen uit de Hebreeuwse Bijbel hadden bestudeerd die konden dat weten. De profeet Elisa had bijvoorbeeld een arme vrouw eens geadviseerd om alle lege kruiken van de buren bij elkaar te halen en dan van de ene kruik naar de andere de olie over te schenken. Uiteindelijk hield ze zoveel over dat ze zelf genoeg had en genoeg kon verkopen om er van te leven.

Ook tijdens onze crisis gooien wij zoveel weg dat anderen er ruim van zouden kunnen leven. Onze voedselbanken krijgen voedsel dat in de supermarkten niet meer verkocht kan worden omdat het over is. Maar de armen in ons land die van de voedselbanken moeten leven zijn er nog wat blij mee. En van wat aan ons huisvuil wordt verbrand worden hele steden van electra voorzien en zullen wijken en bedrijven de komende winter van warmte kunnen genieten.

Dat delen van brood en wijn gebeurd met enige regelmaat in alle kerken in ons land. Dat herinnert ons aan de les van Jezus van Nazareth waarover we vandaag lezen, als we bereid zijn om te delen is er voor iedereen genoeg, we moeten alleen bereid zijn om eventueel onszelf te delen, hij is ons daar in voorgegaan, wij mogen volgen, ook vandaag.

Zo mogen wij dus herders zijn in onze eigen gemeenschap. Met alleen een stok in de hand er op uit gaan betekent dat we onze gehechtheid aan bezit loslaten. Dat we niet meer streven naar de grootste winst voor onszelf. Het betekent dat we de verloren schapen voorop zetten. Met name de zwakste schapen, in de Bijbel worden die de weduwe en de wees genoemd, wij hebben het over de armen, de hongerenden, de gemartelden, de onderdrukten. Vreemdelingen die aan onze poorten kloppen, werklozen die vergeefs naar werk zoeken. En natuurlijk ook die weduwe en de wees, allen die een geliefde hebben verloren en verdriet hebben.

Het verhaal van Jeremia is vaak uitgelegd als een verhaal over slechte politici. Maar als we om ons heen kijken dan zien we dat het daar niet op houd. Uitbuiting gebeurt ook door gewone werkgevers, alleen omdat het mogelijk is en winst oplevert. Onderdrukking gebeurt ook door bazen en machthebbers, omdat ze het kunnen en mensen zich laten onderdrukken. De voedselbanken getuigen van de hongerenden in onze samenleving met wie het delen maar moeizaam gaat. Vaak zijn ze verleid tot het maken van schulden, je moet toch mee kunnen doen in onze samenleving. Loslaten van die gehechtheid aan bezit, aan het nieuwste, de nieuwste televisie, de nieuwste smartphone, het nieuwste model auto kan een wapen zijn tegen de verleiding onverantwoorde schulden te maken.

En waarom zouden we zo moeilijk doen? In de vakantieperiode krijg je dat nog wel eens te horen. Waarom ga je niet gewoon met je eigen gezin naar dat pretpark maar wil je ook altijd de kinderen van die alleenstaande moeder meenemen? Omdat we geloven dat we op weg zijn naar dat land dat overvloeit van melk en honing. Dat land waar zo gedeeld wordt dat er voor iedereen op de hele wereld genoeg is en niemand meer honger hoeft te hebben. Dat land waar alle tranen gedroogd zullen zijn en de zee zelfs haar doden teruggeeft, ook de Middellandse Zee.

We zijn dus als pelgrims op reis. Onderweg tot we dus komen in het land waar recht en gerechtigheid heersen en ieder in vrede leeft, zoals Jeremia ons geschilderd heeft. Jeremia was er vast van overtuigd dat er weer een koning zou komen zoals men uit de verhalen over Koning David kende. Een koning die het volk in vrede had laten leven, had verlost van de plundering van de opbrengsten van het land. Die nieuwe koning zou regeren over een land waar het recht en de gerechtigheid van de God van Israël opnieuw zou heersen.

Voor Christenen is die droom van Jeremia uitgekomen met de komst van Jezus van Nazareth. Met die bijzonder maaltijd heeft Jezus van Nazareth ons voorgedaan wat het kan beteken en dat de leer van Mozes, de richtlijnen voor de menselijke samenleving, gevolgd worden in het heb uw naaste lief als uzelf, als iedereen gaat delen met de naaste.

Wij mogen hem als trouwe schapen volgen. Wij mogen geloven dat er echt op aarde voor iedereen te eten is, dat al het leed geleden is en alle strijd gestreden is. Elke dag opnieuw, elke dag laten zien hoe hij het ook al weer deed. Wacht dus niet, er is nog veel werk te doen, aan de slag.

Amen

Lezen:  Ezechiël 2: 1-7

              Marcus 6:1-6

Gemeente,

Zijn we lichtgelovig of geloven we in het licht? Over geloven wordt tegenwoordig een stevige discussie gevoerd. Hoe kan het toch zijn dat er nog mensen zijn die in een God geloven? De vraag naar wat het betekent in de God van Israël te geloven wordt niet echt gesteld. Toch is dat pas de echte vraag want als de God van Israël echt de enige God is die meetelt dan kan die God ook wel zonder ons en is dus de vraag wat het voor ons betekent als we in die God gaan geloven.

Ezechiël brengt ons op het spoor. Hij was opgeleid tot priester, voorbestemd om in die rare tempel in Jeruzalem te gaan dienen. Ja, het was in de dagen van Ezechiël een rare Tempel. Zeker niet van het soort dat de andere volken hadden. Die hadden mooie godenbeelden in hun Tempel staan en de mensen die gingen offeren hadden wel door dat die god van hun groot zou blijven als ze maar veel zouden offeren, daar werd zo’n god sterk van, zo sterk dat die in staat was zijn gelovigen te helpen.

De Tempel in Jeruzalem was een hele andere Tempel. Daar stonden geen godenbeelden. De offers die je daar bracht moesten of helemaal verbrand worden, de stank was dan een zoete geur voor God, of het was voedsel voor de Priesters en de levieten, of je moest het in een maaltijd zelf opeten maar dan samen met je familie, je meiden en knechten, je slaven en slavinnen, de armen uit je dorp en de vreemdelingen die bij je woonden. Zo’n maaltijd noemden ze een godsdienstoefening. De offers die je bracht waren het bewijs aan de God van Israël dat je bereid was om te delen en dat je besefte dat wat jou toegevallen was niet door je eigen verdienste kwam maar een geschenk was van die God.

Maar het volk van Ezechiël was vergeten waar het in het leven om draaide. Ze wilden ook wel van die mooie godenbeelden, ze waren er rijk genoeg voor. Ze wilden ook wel van die mooie optochten met godenbeelden en die opwindende riten waar mannen deden of ze vrouwen waren en vrouwen met iedereen de liefde bedreven die hun god wilden eren. Ze hadden er zelfs hun kinderen aan geofferd.

De God van Israël had uiteindelijk zijn handen van zijn volk afgetrokken. In het machtsspel van de grote mogendheden hadden ze verloren en waren ze in ballingschap gevoerd naar Babel. Maar de God van Israël laat niet varen het werk dat zijn hand is begonnen. De God van Israël geeft het niet op met de mensen.

De God van Israël stuurt profeten. Mensen die het volk voorhouden wat er zal gebeuren als het vast houdt aan afgoden, blijft op de weg van de aanbidding van het uiterlijk. De aanbidding van mooie kleren, luxe en overdaad en het beste dat er te vinden is. Een volk dat overal wedstrijden gaat organiseren, wie is de beste kok, de beste bakker, de beste naaister, de beste kweker van groenten in de achtertuin. Profeten zijn dus geen toekomstvoorspellers maar vertellen hoe het zal aflopen als je bezig blijft waarmee je bezig bent.

Ezechiël krijgt de opdracht het volk voor te houden weer de weg van de God van Israël te gaan. Zorgen dat iedereen recht wordt gedaan, zorgen voor de minsten in de samenleving, voor de weduwe en de wees. Ook in de ballingschap kan dat. En die liefde voor de naaste als voor jezelf dat is de betekenis van het geloof ook voor ons. God heeft ons een aarde beloofd waar alle tranen gedroogd zijn, waar alle leed geleden is en alle strijd gestreden is.

Profeten die de mensen die weg voorhouden worden ook vandaag niet geloofd. Begin van de jaren 60 van de vorige eeuw was er een groep geleerden die de mensen voorhield dat de grondstoffen op zouden raken, dat door de verspilling het klimaat zou veranderen, de zee zou stijgen. Ze werden uitgelachen, pas nu zien we in dat ze gelijk hadden maar nog weigeren wij onze energievoorziening zo in te richten dat die duurzaam wordt en er niet meer verspild wordt. Halverwege de jaren 70 van de vorige eeuw schreef het Gronings Statenlid Teun Jan Zanen een boek onder de titel “Noord Nederland een kolonie” waarin hij betoogde dat er eerder aan de winst op aardgas werd gedacht dan aan de veiligheid van de Groninger bevolking.

Het bracht Jezus van Nazareth er toe te verzuchten dat profeten in eigen land niet worden geëerd. Ook hij wees er op dat de Weg die de God van Israël had gewezen toch altijd weer de beste weg was. Midden onder de gewelddadige bezetting door de Romeinen pleit hij voor een samenleving waar de minsten, de hoeren, de verschoppelingen, de uitgestotenen weer een plaats zouden krijgen. Dat het kon bewees hij telkens zozeer dat de mensen gingen praten over wonderen en de menigten naar hem toestroomden.

Behalve in zijn vaderstad, daar waar hij was opgegroeid, in Nazareth. Als hij daar de oproep van de profeet Jesaja herhaalt worden er schamper de schouders opgehaald.

. Waar haalt hij toch al die wijsheid vandaan. Het is toch ook gewoon een zoon van een moeder, een broer van stadgenoten, broers en zusters die onder ons wonen. Jezus van Nazareth verbaasde zich over hun ongeloof.

Als hij kon wat hij kon dan konden zij dat toch ook, zorgen dat mensen er weer bij gingen horen, eerlijk delen met elkaar, zorgen voor eerlijke handelsvoorwaarden. Dat goede nieuws bleef hij brengen, ook in de omgeving.

Dat navolgen van Jezus van Nazareth, dat geloven in Jezus als Zoon van God, als de God van Israël die ons zo nabij wil zijn, zit dus niet zozeer in het ook gaan doen van wonderen, of het vertellen van mooie verhalen die de mensen nooit eerder hebben gehoord. Het is aandacht vragen voor de minsten langs de kant van de weg, de verschoppelingen van onze dagen.

Aandacht vragen voor de vreemdelingen en de vluchtelingen dus ook. Voor jongeren die tussen twee culturen moeten opgroeien en altijd de verkeerde keuzes zullen maken. of ze kiezen voor de traditionele Nederlandse cultuur en verloochenen daarmee hun ouders en hun afkomst, of ze kiezen voor de cultuur van hun ouders en horen er dan in Nederland niet meer bij, dan vormen ze zelfs een bedreiging volgens velen.

Jezus van Nazareth zou met hen meegevoeld hebben. Hij begon iets nieuws dat al eeuwen bestond. In de verhalen die zijn bewaard over zijn optreden in de Synagoge, de kerk van zijn tijd, vertelt hij uit het boek van de profeet Jesaja. Die profeet had het visioen van leeuwen die samen leefden met lammeren, van een kind dat speelde in het hol van de slang. Visioenen die niet passen bij het dagelijks leven waar onderdrukking en geweld regeerden, maar waarvan Jezus van Nazareth zei toch met dat visioen te beginnen, vrede brengen en liefde voor mensen.

Als wij dus willen geloven worden we opgeroepen mee te werken aan die wereld. Aan die komende wereld. Geloven betekent dat het kan, maaltijd houden met vreemdelingen in plaats van de deuren te sluiten en ze de rug toe te keren, vrede zaaien in plaats van haat zaaien. Geloven betekent dus dat het kan, de wapens omsmeden tot ploegscharen en zorgen dat de hongerenden die aan onze deur kloppen de kans krijgen om genoeg te eten te verbouwen, dat de vluchtelingen voor geweld en onderdrukking weer een plek krijgen van vrede en vrijheid.

Jesaja roept zelfs op de tirannen in toom te houden. Wij beschouwen dat als bemoeien met binnenlandse aangelegenheden. Maar samen met alle volken in de wereld spraken we ooit de rechten van de mens af. Als we werkelijk God willen dienen door de naasten lief te hebben als onszelf moeten we aan het werk. In het klein in onze eigen buurt, gewoon hier in Winkel en Hollands Kroon en samen met alle gelovigen in ons land en in heel de wereld. Het kan, het kan niet anders. Het werk wacht, vat dus aan.

Amen

Lezen: Jesaja 3:25-4:6

Marcus 5: 22-43

Gemeente,

We horen van oorlogen en geruchten van oorlog. Nog deze week werd een grote groep militairen afgelost uit een van de oorlogen waar we aan deelnemen. Ze krijgen dan halverwege hun post en ons land een paar dagen de tijd om te wennen aan vrede. Hulpverleners en de militaire dominee vangen ze op en praten met ze. Als ze eenmaal weer in hun eigen omgeving zijn dan lopen ze de kans op ernstige psychische problemen. De manier waarop onze soldaten aan oorlogen deelnemen maakt wel dat er weinig sneuvelen. Nog 100 jaar geleden was dat wel anders. Duizenden bij duizenden stierven op de velden van de Eerste Wereldoorlog. Ook in de tijd van Jesaja was het sterftecijfer onder gewone soldaten hoog.

Dat heeft ingrijpende gevolgen voor de samenleving. In de eerste wereldoorlog is het gewoon gaan worden dat vrouwen ook in de industrie werken. De mannen lagen aan het front en de vrouwen waren achtergebleven. Tegenwoordig worden ook vrouwen uitgezonden maar we hebben dan ook een beroepsleger. Er was nog een gevolg van oorlog en daar heeft Jesaja het over. Als alle mannen gestorven zijn met wie moeten de vrouwen dan trouwen? Ongetrouwd blijven is een schande. Maar voor elke zeven vrouwen is er maar één man. Ze dragen zelf de oplossing aan. Ze hoeven alleen de naam van de man te dragen, voor onderdak, voedsel en inkomen zullen ze zelf wel zorgen. Dat deden ze toch al toen het nog oorlog was.

Vrouwen staan op en maken zich gelijk aan mannen. Als dat gebeurt dan pas breekt er echt vrede aan. Dan bloeit de economie en zijn er geen armen meer. Jesaja kan altijd de mooiste visioenen schetsen over de wereld die ons te wachten staat als wij handelen naar wat de God van Israël van ons verwacht. In alle ellende, die ook met het einde van een oorlog niet over is, biedt de God van Israël een schuilhut en die hebben we vaak genoeg nodig.

Heeft dit verhaal iets te maken met de lezing uit het Nieuwe Testament? Wel degelijk.

De meeste mannelijke theologen knippen het verhaal van vandaag in twee stukken, als of er twee verhalen staan. Mannen kunnen namelijk niet zoveel met de menstruatie van vrouwen. Vrouwelijke seksualiteit is al helemaal iets waar mannen niet zoveel mee kunnen. Eeuwenlang hebben ze zelfs gedacht dat de Bijbel vrouwen het hebben van hun eigen seksualiteit verbood. Dat staat wel nergens maar het ontslaat mannen van een heleboel verantwoordelijkheid. De vrouw uit dit eerste deel van het verhaal is daar een mooi voorbeeld van. Als een vrouw menstrueert moet je haar respecteren en met rust laten staat er in de leer die Mozes ooit aan het volk had gegeven.

In het bloed zetelt het leven en als een vrouw bloed verliest dan moet je voorzichtig zijn. Op zich helemaal niet van die onverstandige adviezen maar je gaat nu eenmaal ook niet aan vrouwen vragen of ze misschien wel of niet menstrueren. Daarom was de regel ontstaan om vrouwen helemaal maar niet meer aan te raken. De Islam heeft die regel later overgenomen. Die regel had wel tot gevolg dat de vrouw uit dit verhaal een paria werd, tot de onaanraakbaren ging behoren. Geen arts kon haar genezen, nee die maandstonden horen nu eenmaal bij een vrouw. Alleen herkende ze in Jezus iets dat ze in niemand anders ooit gezien had. Hij zorgde dat mensen er weer bij konden horen.

Dus raakte zij hem aan, als dat taboe eenmaal doorbroken zou zijn moest het immers beter gaan. En het lukte ,Jezus stond midden in de menigte toe dat deze vrouw hem aanraakte, vloeiingen of niet, ze hoorde er bij, genezen en wel. Als wij overigens zo krampachtig blijven doen over vrouwelijke seksualiteit kunnen ze er ook dood aan gaan. En omgaan met vrouwelijke seksualiteit hebben mannen nog steeds niet geleerd.

Daar waar vrouwen willen laten zien hoe mooi ze zijn schrikken mannen er van. Aan de andere kant zijn lust en begeerte ook zaken waar je aan kunt verdienen en voor het opwekken van lust en begeerte kun je vrouwen als voorwerpen gebruiken. Een discussie over bloot in reclame is daarom maar al te zinvol, maken we voorwerpen van onze zusters of mogen we ze als mens blijven bekijken. Maar bloot op zich, bloot op straat of strand, of bloot in de kunst, daar is niets tegen, daarbij gaat het altijd om mensen die net zo mooi zijn als wijzelf, ieder mens is immers even mooi.

Al die angst voor vrouwelijke seksualiteit kan ook dodelijk zijn voor vrouwen. Dat is het verhaal van het dochtertje van Jaïrus, de leider van de synagoge. Dat verhaal over dat dochtertje wordt altijd zo gelezen dat het net leek dat het meisje gestorven was toen Jezus kwam. Hij wekte de dode weer tot leven.

Maar dat verhaal staat dus niet in de Bijbel. Het verhaal gaat over een vader, een meisje van 12 en een vrouw die 12 jaar aan bloedvloeiingen leed. Die vrouw was tot de onaanraakbaren gaan horen en Jezus had haar daarvan genezen. Als vader ben je als de dood dat je dochtertje iets overkomt, iets dat te maken heeft met de begerige mannen uit de boze buitenwereld.

Zeker als ze op het punt staat een jonge vrouw te worden kan de angst ernstig toeslaan. Wat kan een meisje vandaag de dag allemaal wel niet overkomen. Het is het een of het ander, ze wordt verkracht of onaanraakbaar. Voor beide zou je ze willen behoeden, ze moet maar kind blijven. Tegenwoordig weten we dat meisjes onbewust aan die wens tegemoet kunnen gaan komen. Ze gaan dan aan ernstige eetstoornissen leiden die uiteindelijk ook de dood tot gevolg kunnen hebben.

Jezus van Nazareth reikt het meisje de hand en nodigt haar uit op te staan. Ze mag er bij horen, ze mag jonge vrouw worden, ze mag aangeraakt en gerespecteerd worden. De volwassenen om haar heen mogen haar ook leren hoe mensen met elkaar en met haar om horen te gaan, daar mag je dus ook open en eerlijk over praten, een meisje mag zich leren wapenen tegen de onzekerheid die haar aantrekkingskracht met zich meebrengt. Uiteindelijk nodigt Jezus van Nazareth uit de eetstoornis te overwinnen, geef haar te eten is zijn laatste opdracht.

We moeten durven geloven dat het dochtertje van Jaïrus dus niet dood was maar sliep en niet uit de dood hoefde te worden opgewekt maar mocht gaan vloeien net als die vrouw die vloeide en er toch mocht bij horen.

Het is als in het verhaal van Jesaja. De vrouwen pikken het niet om onaanraakbaar te worden, of als lustobject te worden behandeld. Ze leven niet dankzij de mannen in hun leven. Jezus van Nazareth laat zien dat ze evenveel waar zijn als de mannen en dat ze zeer goed in staat zijn voor zichzelf te zorgen. De leider van de synagoge, vroom en trouw als hij was moest leren dat ook zijn dochter op eigen benen mocht staan. Zelf mocht eten en zelf voor haar eten mocht zorgen. Ze was immers 12 jaar en daarmee volwassen.

Als wij als vrouwen en mannen ook zo met elkaar omgaan, accepteren dat we gelijkwaardig zijn, beiden in staat voor zichzelf te zorgen, dan kan ook voor ons de vrede aanbreken. Dan kan elk huis de schuilhut van God worden waar we steun, kracht en bemoediging ontvangen. Dan kan op de duur de aarde zo mooi worden dat God er zelf zal willen wonen. Sta dus op tegen elke vorm van onrecht en ongelijkheid. God heeft ons als vrouwen en mannen geschapen. Profiteer er van.

Amen