Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Uncategorized’ Category

Lezen: Jesaja 48: 17-21

            Matteüs 35: 14-30

Gemeente,

Het is morgen de achtste dag, vandaag is de Sabbat. In de Bijbel zijn er zes dagen waarop gewerkt wordt en een zevende dag waarop gerust wordt. Op de achtste dag gebeurt er heel iets nieuws. Vandaag is het de dag voor Sint Maarten en de verkiezing van Prins Carnaval. Vandaag en morgen herdenkt Engeland de gevallenen uit de talloze oorlogen die sinds het begin van de vorige eeuw zijn gevierd. De veteranen leggen morgen kransen bij het monument.

Maar er is iets nieuws. De zondag kwam als eerste dag van de week omdat we geloven dat de dood is overwonnen. Wij weten ook van delen. In oude tijden gingen de armen een aantal keren in de winter langs de deuren om voedsel te bedelen. Met Sint Maarten, met Sinterklaas, op Tweede Kerstdag, met drie koningen en met Carnaval. De donkere wintertijd wordt zo verlicht met het licht van het delen, geen wonder dat die feesten in Christelijke feesten zijn veranderd.

Hoe zetten we die vreugde van het delen nu in voor de God van Israël? We horen nog wel eens verkondigen dat de mens zijn redder pas leert kennen in de hoogste nood. Daarom zouden we onszelf ineens heel erg slecht moeten gaan vinden. Want pas als de mens weet hoe slecht die is kan die mens de God van Israël leren kennen of zijn zoon Jezus van Nazareth, dat is dan ongeveer hetzelfde. Maar als we alleen op het slechte van de mens letten dan miskennen we toch een Bijbelse boodschap.

Natuurlijk het volk Israël was in ballingschap gestuurd omdat ze de leer van de God van Israël hadden verlaten en vreemde goden waren nagelopen. Zo zeggen we dat gewoonlijk. Maar de ballingschap was niet een daad van God maar het gevolg van het nalopen van andere goden.

Ook wij hebben de neiging om de goden van winst en profijt, van klatergoud en carrièrre belangrijker te vinden dan recht en gerechtigheid voor de armen. Alles voor onszelf en de deur stijf gesloten. Maar de ballingen tot wie Jesaja zich in het gedeelte van vandaag richt zijn nog niet zo slecht. De oproep om de ballingschap te ontvluchten klinkt niet tevergeefs. Trek weg uit Babel, ontvlucht de Chaldeeën staat er en dan vooral niet stiekem, niet in het geheim, maar iedereen mag het weten dat de God van Israël zijn volk vrijkoopt.

Achteraf weten we dat die oproep niet zomaar was. Die ballingen hadden in de ballingschap weer naar hun profeten geluisterd, die hadden hen op de geboden gewezen die in het volk rond hadden gezongen. Ze hadden het over het “Gij zult niet doden”, over het “Heb Uw naaste lief als Uzelf”. Over “heb de vreemdelingen lief ”, dat rare gebod uit Deuteronomium, Die profeten hadden hen voorgehouden dat die richtlijnen de kern waren van hun bestaan.

De graven van de Engelse soldaten op de vele kerkhoven in ons land mogen ons vandaag herinneren aan mensen die boven zichzelf uitstegen. De vrijheid en de welvaart die we nu hebben danken we aan vreemdelingen die zo boven zich uit stegen dat ze hun leven voor een samenleving als de onze overhadden. Meer dan hun leven konden ze niet met ons en onze kinderen delen.

De ballingen in Babel waren tijdens hun ballingschap weer teruggegaan naar hun eigen geschiedenis. Er waren nog documenten van hun koningen bewaard, er waren nog verhalen uit tempels en heiligdommen over de God van Israël, die geheimzinnige woestijngod die niet aan een land of een stad geboden was maar die meetrok met een volk, een God die een verbond sloot met een volk alsof het twee gelijkwaardige partners waren. Ze hadden nog brieven en geschriften van profeten. Al die verhalen, documenten, geschriften werden bij elkaar gelegd en tot een complete eenheid gemaakt.

Dat was het begin van wat wij nu de Bijbel noemen. Daar stond in hoe die God van Israël met mensen omgaat en wat die van mensen verwacht. En dat was eigenlijk een geweldig verhaal dat zich laat samenvatten als “Heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf”. Daar staken de goden van Babel maar schril bij af, die moesten in leven worden gehouden door het voedsel dat aan hen geofferd werd. Met die goden moest je handeltjes zien te drijven. Als je wat voor zo’n god deed dan kon je geluk hebben, dan kon die god wat voor jou doen, als die God daar zin in had en niks anders te doen had.

Zo zat het niet bij de God van Israël. Die liet niet varen het werk dat zijn hand begon, die God was ook in de ballingschap de God van Israël. Van die God leren we vrede. Niet zomaar vrede als een pauze tussen twee oorlogen maar vrede als een rivier. Rivieren die traag door oneindig laagland gaan, rivieren net als de ballingen de rivieren Eufraat en de Tigris hadden leren kennen, paradijselijke rivieren.

Nageslacht krijgt een volk, talrijk als het zand van de zee. Bij een volk dat gerechtigheid voortbrengt, een volk dat talrijk is als de golven van de zee wil je wel horen. En gerechtigheid betekent dat elk mens tot zijn of haar recht komt. Daarvoor moeten we dus uittrekken uit het land van de ballingschap. Daarvoor moeten we in onze dagen durven breken met het voorop stellen van winst en profijt, van klatergoud en carrière, moeten we voorop stellen hoe het met de minsten in onze samenleving gaat, hoe het met de minsten in de hele wereld gaat. Hoe het gaat met de zwervers in de stad, de hoeren en tollenaars uit het nieuwe testament en de weduwen en de wees uit het oude Testament.

Daarvoor moeten we in onze dagen de minsten voorop stellen, de gedwongen prostituees, de bezoekers aan de voedselbanken, de hongerenden in Afrika, de gewetensgevangenen in de wereld, de zieken en gehandicapten, de vluchtelingen en de kinderen die hier geboren zijn of al lang geworteld, de mensen die langs de kant van de weg zijn gezet en al die talloze slachtoffers van oorlog en geweld in de wereld. Elk van ons kan slachtoffers van de zwarte kanten van onze samenleving noemen die het rijtje eindeloos kunnen aanvullen. Daarop bedacht zijn is dus onze eerste opdracht.

Maar het is voor ons ook een duik in de woestijn, loslaten van winst en profijt, van carrière en inkomensgroei voor onszelf is een risico. Die God belooft ons wel dat we geen dorst zullen lijden, dat uit de hardste rots water zal ontspringen maar zijn wij niet te zwak om dat avontuur aan te durven? Een kleine kudde die ook nog steeds kleiner wordt? Zelfs het volk Israël dat bevrijdt was uit het slavenhuis in Egypte was een hardleers en morrend volk. Lopen we niet een te groot risico?

Over dat risico gaat de lezing uit het Evangelie. Het is een gelijkenis, maar wat is een gelijkenis? Een gelijkenis is wel eens een raadselspreuk genoemd, geladen met macht, een woord uit een Koninkrijk waarin enerzijds dingen worden geopenbaard maar anderzijds zaken gesloten blijven. Het koninkrijk Gods wordt uitgedrukt in gelijkenissen In die gelijkenissen komt de macht van dat Koninkrijk op ons af.

Jezus van Nazareth probeert in gelijkenissen antwoorden te geven op vragen die hem worden gesteld. Op de vraag “wie is mijn naaste” geeft hij als antwoord de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan. Op de vraag hoe je je moet voorbereiden op het einde van de geschiedenis is het antwoord een paar gelijkenissen, waaronder die van de wijze en dwaze meisjes, met de brandende lampen en het verhaal over de talenten.

Dat verhaal uit het Evangelie naar Matteüs zal in onze dagen in kringen van bankiers wel populair zijn. Want het lijkt een verhaal over risico’s nemen en rendementen behalen. Er wordt je een bedrag toevertrouwd en naarmate het bedrag groter is moet je meer opbrengst verdienen, telkens een rendement halen van 100 procent en dus meer risico nemen. Waar dat toe leidt als je dat aan bankiers over laat hebben we kunnen merken. Vooral als aan de resultaten ook nog grote beloningen zijn verbonden en wie dit verhaal goed leest zal opmerken dat de beloningen een grote rol spelen. Geen resultaat betekent in elk geval ontslag.

De prikkel van buitensporige beloningen op het behalen van grote rendementen wordt tegenwoordig een perverse prikkel genoemd. Maar ook in het Koninkrijk van God wordt je toch uitgedaagd risico’s te nemen en rendement te behalen. Je hoeft er zelfs geen bankier voor te zijn met gespecialiseerde opleiding en toestemming van de toezichthouder.  In dit verhaal uit Matteüs kan iedereen meedoen. Of je nu veel kunt of weinig maakt niks uit, als je maar mee doet. Je hoeft ook niet bang te zijn dat je te weinig doet. Je krijgt net zoveel talenten als je aankunt. Pas als je je door angst of onverschilligheid laat verlammen en niks meer doet dan loopt het verkeerd af.

In het verhaal dat we gelezen hebben is het de angst die verlamde: De Heer oogst waar hij niet gezaaid heeft, de Heer is een gestreng Heer, klinkt het. Maar wat zijn dan die talenten waarmee ook wij mogen woekeren? Dat zijn dus niet bijzondere vermogens waarmee je meer zou kunnen dan een ander, want de hoeveelheid talenten is al afgestemd op wat je aan kunt. Het gaat dus niet om een bijzondere intelligentie, of een bijzondere handigheid. Iedereen in het verhaal kreeg immers een talent?

Nee de talenten waarmee ook wij mogen woekeren zijn het goud van God en dat kennen we. Het goud van de God van Israël is de liefde voor de armsten en de zwaksten. Je daar mee bezig houden en de liefde voor de naaste vermeerderen dat is pas woekeren met talenten. Dat kan in het groot, maar dat kan ook in het klein, thuis desnoods. En niet zeuren dat die liefde te kostbaar is, dat die verspild zou kunnen worden of gestolen door de rijken, dat je niet wist wat er van terecht zou komen of dat het geld dat je kon storten op giro 555 wel goed zou worden gebruikt.

Woekeren met de talenten van God is onvoorwaardelijk liefde geven. Het rendement is de liefde die gegeven is, niet of het echt beter is gegaan, onze God bepaald immers zelf wat er met zijn liefde wordt gedaan, het is genade dat wij daarvoor de instrumenten mogen zijn. De hongerigen die gevoed zijn kunnen later best ziek zijn geworden, de naakten die gekleed zijn kunnen later best in een oorlog terecht zijn gekomen, de vrede die gesticht is kan best werkloosheid in de wapenindustrie tot gevolg hebben gehad, de bedroefden die getroost zijn vergaten misschien voor de graven op het kerkhof te zorgen, de jongeren die weer naar school gingen konden na hun schooltijd misschien niet direct werk vinden. Zo kun je wel doorgaan.

Onze wereld is voor ons niet maakbaar, in je eigen omgeving niet en in de grote wereld ook niet. Maar alle liefde die onbaatzuchtig wordt getoond draagt bij aan een betere wereld. Aan het eind van zijn evangelie vertelt Matteüs dat wij de opdracht kregen om alle mensen op aarde te dopen, tot de aarde voltooid zal zijn vertaald de Nieuwe Bijbelvertaling. Dus door alle mensen te betrekken bij die liefde van de God van Israël doen we mee in het scheppingswerk dat nog steeds bezig is.

Meewerken met God in het voltooien van zijn schepping is dus niet om die God voor ons te winnen, handeltjes zijn er niet te drijven met de God van Israël. Het is ook niet uit dankbaarheid, we moeten maar afwachten wat de Heer vindt van ons woekeren met zijn talenten. Maar dankbaarheid voelen we zelf als we de liefde delen die we van onze God voor onze naasten hebben gekregen. Wie die liefde heeft zal voortdurend meer ervan krijgen om weer weg te geven. Wie de liefde alleen voor zichzelf houdt die zal alles verliezen en nooit geliefd worden. Delen van de liefde leidt onherroepelijk tot een feestmaal, de maaltijd waar niemand meer honger heeft en alle leed zal zijn geleden. Dat brengt ons terug bij de oorsprong van het Sint Maarten feest en het Carnaval. Als je rijk bent dan deel je en neem je deel aan het feest van delen.

En elk delen is een reden tot grote vreugde en nog grotere dankbaarheid, als je dat eenmaal hebt ervaren wil je er nooit meer mee ophouden. Ga dus ook na vandaag door met te woekeren met je talent lief te hebben, elk voor zich en samen als gemeente, samen als kerken in Nederland, dan zijn we klaar om de Heer te ontvangen wanneer hij komt en wanneer je er tot in eeuwigheid mee mag doorgaan.

Amen

 

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: Job 19:23-27

             Marcus 12: 18-2

Gemeente,

We staan vandaag temidden van feest en herdenkingsdagen. Dat begon op 31 oktober waarop we de hervorming van de Rooms Katholieke Kerk herdachten, een hervorming die mislukt is en die leidde tot de vorming van de Protestantse Kerken. Op 1 november was het allerheiligen, op 2 november allerzielen en komende woensdag is de dankdag voor gewas en arbeid. En omdat we door de week niet meer naar de kerk gaan klinken vandaag al die feest en herdenkingsdagen door in de dienst.

Op Hervormingsdag werd ontdekt dat onze God geen God is van voor wat hoort wat. Hij laat het regenen over de rechtvaardigen net zo als over de onrechtvaardigen. Schrijf dus niet alle ellende in de wereld op de rekening van God, maar vraag je af wat je zelf aan die ellende bijdraagt of tegen die ellende doet. Job, de lijdende bij uitstek, geeft ons daarvoor het voorbeeld.

Want ondanks al het lijden blijft Job vertrouwen op zijn God. Zijn God is immers niet gebonden aan de weersomstandigheden of de tijd van het jaar. Zijn God is niet gebonden aan de grond. Zijn God hoeft niet gunstig gestemd te worden door offers of beelden of goede gezangen en vrome gebeden. Zijn God verlangt alleen het goede. Daarom kan Job zijn vrienden waarschuwen, daar waar zij de rol van God willen overnemen, zelf voor God willen spelen, door een oordeel te vellen over het leven van Job lopen ze gevaar. Want de God van Job is een jaloerse God die geen andere goden naast zich duldt.

Dat beseffen we vaak niet als we zelf de macht over leven en dood in onze handen nemen. Als we ons in het verkeer begeven terwijl we weten dat het eigenlijk niet verantwoord is, als we het leven rekken van een stervende omdat wij geen afscheid kunnen nemen, als we het leven afdwingen bij een ongewenst zwangere omdat wij dat fatsoenlijk of christelijk vinden, als wij het leven van partners in gevaar brengen door het verbod op condooms, omdat die niet passen in onze opvatting over sexualiteit. Het oordeel over anderen past ons niet, dat moeten we aan God laten.

Job, als lijdende persoon, weet dat je daar ondanks alle ellende op kan  blijven vertrouwen. Ons rest alleen het goede te doen. Naast de lijdende staan, begrip opbrengen, elke dag weer.

Op allerheiligen en allerzielen herdenken we de gelovigen die ons zijn voorgegaan. Dat is mooi. Een oud Joods spreekwoord zegt dat iemand pas dood is als iedereen die persoon vergeten is. Maar waarheen zijn zij ons voorgegaan? We weten het niet.

Die Saduceeën geloofden niet in de opstanding van de doden. Hun voorbeeld maakt het geloof in die opstanding dan ook bespottelijk. Jezus van Nazareth geeft op hun vraag eigenlijk twee antwoorden, als we al opstaan dan is dat als de engelen en verder weten we het niet want God is een God van levenden.

Dat leidinggevende religieuze Joden niet in een opstanding van de doden geloofden is minder raar als het lijkt. Voor ons is het geloof toch in elk geval een geloof in de opstanding van de doden, maar dat is het voor de Bijbel niet. In de oudste gedeelten van de Bijbel gaat het helemaal niet over een latere opstanding van de doden. Het lijkt er zelfs heel sterk op dat, in tegenstelling tot de Heidense volken, de Joden helemaal niet geloofden in een opstanding van de doden. In het boek Genesis wordt verteld dat God een grens stelde aan de leeftijd van de mensen, ouder dan 120 jaar zouden ze niet worden. Prediker schrijft dan dat de adem van God, waarmee hij de mens het leven heeft gegeven, weer terug keert naar de borst van God. Een mooi beeld.

Maar tijdens en na de ballingschap en vooral tijdens de bezetting door Griekse overheersers vonden veel mensen het wel erg wreed van God dat mensen het geloof in de God van Israël moesten bekopen met marteling en een vreselijke dood en dat het daarmee afgelopen zou zijn. Zo kon de God van Israël niet zijn. Als God zich zou ontfermen over zijn kinderen en het rijk zou aanbreken waarin de tranen gedroogd zouden zijn en God zelf weer zou regeren vanuit Jeruzalem dan zouden ook die rechtvaardigen daaraan deel hebben die hun leven gegeven hadden voor de God van Israël.

Zo ontstond bij grote delen van het volk de overtuiging dat er een opstanding van de doden zou zijn. Ook in onze samenleving kom je die overtuiging wel tegen. Als jonge mensen sterven dan kan het toch niet afgelopen zijn? Als mensen zich inzetten tegen zinloos geweld en daarbij zelf omkomen, of sneuvelen op een missie die vrede en veiligheid moet brengen, dan zullen ze toch deel mogen hebben aan de samenleving waar de dood niet meer zal zijn? Of er een God is weten veel mensen niet, zeker niet hoe ze zich die God moeten voorstellen, maar dat het na de dood niet afgelopen is dat willen ze wel geloven.

Van Jezus van Nazareth mag dat, al moet je daar geen voorstellingen van willen maken. Wat zeker niet moet is mensen voorhouden dat het lijden gedragen moet worden tot na de dood, dat je in dit leven niet moet opstaan tegen onrecht en geweld. Zoals Jezus van Nazareth zijn liefde door de dood heen kon dragen zal God ook zijn geliefden door de dood heen dragen. Daarom mogen we in dit leven al opstaan tegen onrecht en het lijden van medemensen, dat mogen we ook vandaag al doen, dat is kiezen voor het leven.

Het goede doen en niet dan het goede leerde Paulus ons. Dat goede is opstaan tegen onrecht en lijden. Dat goede is het delen van wat wij uit Gods hand ontvingen. Alles wat we hebben kregen we immers van God. De banen waarin we werken, de opbrengst van landbouw en veeteelt. Maar ook de verworvenheid van de Medische Wereld. Vaccins horen daar bij, God heeft ze ons gegeven ter bescherming. Aan ons de vraag of wij die bescherming uit Gods hand willen ontvangen en willen delen. Zo mogen wij dankbaarheid betonen voor alles wat we kregen. Niet alleen komende woensdag maar alle dagen van ons leven.

De Bijbel houdt de levenden een belofte voor. Er komt een dag dat alle leed geleden en alle strijd gestreden zullen zijn. Profeten hadden daar visioenen over, van ouderen die dromen zullen dromen en jongeren die gezichten zullen zien. Dromen van de leeuw die weidt met het lam, van het kind dat speelt in het hol van de slang. Van de stad waar geen kindersterfte meer zal zijn en niemand zal sterven voor de tijd die God er voor heeft gesteld. Aan de vervulling van die belofte mogen wij alvast gaan werken, niet om het uitkomen er van mee te maken maar ter Ere van God die hemel en aarde geschapen heeft als een veilige woonplaats voor zijn mensen.

Amen.

 

 

 

Read Full Post »

Lezen: Jesaja 59: 9-19

              Marcus 10: 46-52

Gemeente,

Mooie verhalen voor de zondagmorgen, zo werden de verhalen uit de Bijbel nog onlangs getypeerd, verder als de zondagmorgen moest je er overigens geen aandacht aan schenken, het zijn verhalen uit een oud boek dat ergens in een ver verleden is samengesteld en dat over vandaag de dag verder niets te vertellen kan hebben.

Vanmorgen hebben we weer van die mooie verhalen. Een profeet die in mooie taal vertelt hoe slecht de mens wel niet is en hoe slecht het met de mens zal aflopen. Als we naar buiten kijken zien we die slechte mensen wel, wij zijn het natuurlijk niet, wij blijven fatsoenlijk. En dan is er ook een verhaal over een arme blinde man die blij mag zijn dat hij weer mag zien. Zo’n wonder kan natuurlijk niet maar geeft toe, het is een mooi verhaal.

Als we zo de Bijbel willen lezen dan begrijpen we er weinig van. Die profeet zegt helemaal niet dat het met ons mensen slecht zal aflopen, integendeel, hij schildert een paradijs, en die blinde man ziet niet zomaar, die ziet iets wat voor iedereen eigenlijk verborgen was gehouden.

We moeten dus wat nauwkeuriger en wat dieper in de verhalen duiken.

De schrijver van dit gedeelte van het boek van de Profeet Jesaja durfde wel, wat hij zei lag misschien helemaal niet zo voor de hand. Geleerden die de oorspronkelijke teksten van het boek Jesaja hebben bestudeerd zijn het er over eens dat er meer mensen moeten hebben meegeschreven aan dit boek. Er is een profeet geweest die schreef totdat de mensen in ballingschap werden weggevoerd en er zijn mensen geweest die daarna het boek hebben afgemaakt. Het gedeelte van vandaag gaat over die teruggekeerde ballingen.

Die ballingschap was een zware tijd. Joden hebben generaties lang gewoond in Babel en waren direct dienstbaar aan koningen die, voor zover ze wisten, de hele aarde in hun macht hadden. Pas na generaties mochten ze terug. De schrijver van dit gedeelte is bang dat uiteindelijk niemand meer zal weten wat nu echt recht voor mensen zou zijn. Sion, of Jeruzalem, in elk geval de naam van de plaats waar de richtlijnen van de God van recht en liefde werden bewaard die het volk Israel in de woestijn had ontdekt, lijkt een vergeten en door onkruid overwoekerde plaats geworden.

De ballingen die terug keerden moeten aan het werk. Muren en huizen moeten er worden gebouwd, God doet dat niet voor hen. En ze moeten op de muren werken met een troffel in de ene en het zwaard in de andere hand. Voortdurend worden ze bedreigd. Velen van hen lijken het op te geven. Ze schreeuwen op straat dat die God van Liefde niet deugd, dat die alleen ellende brengt. Straks worden de vrouwen verkracht en worden wetten opgelegd die ze nooit gekend hebben. Spreekkoren tegen het recht van de armen worden aangeheven.

Maar de profeet heeft een visioen, God zelf zal Sion bevrijden. Er is en blijft één Heer op aarde en dat is niet de koning die in Babel regeert, maar dat is de God van Israel. Een geloof dat ook vandaag nog mensen in beweging zet. De profeet roept op om die weg van Liefde te blijven volgen, om te blijven bouwen aan dat nieuwe Jeruzalem.

Er komt op deze aarde een paradijs. Als we alle mensen als broeders en zusters gaan zien. Als we alle mensen lief gaan hebben, zelfs onze vijanden zou Jezus ons later leren.

Iedereen die mee wil doen in het verhaal van Israel, die bij Jacobs nageslacht wil horen, heeft als het ware een contract met die ene Heer dat de woorden van het Recht gesproken mogen blijven worden, tot in eeuwigheid, het zal dus altijd mogen blijven doorgaan. Dat is pas hoopgevend.

Het kan dus echt, dat ballingen terugkeren, dat vrede uitbreekt, dat recht wordt gedaan aan mensen die vertrapt en verworpen worden. Het is de oproep om de grote stroom vluchtelingen te helpen en welkom te heten, ze horen ook bij ons, het was een aantal jaren geleden de oproep tot het veranderen van probleemwijken in prachtwijken en in tal van plaatsen in ons land is men aardig op weg. Het is het opvangen van probleemjongeren in buurthuizen en door buurtvaders.

Het is wel opletten geblazen in de steden en de dorpen van ons land dat de stem van mensen wordt gehoord en niet als lastig door machthebbers en rijken wordt gesmoord. Recht doen aan mensen is ook problemen serieus nemen en oplossen. Mensen die met moeite een goede baan hebben gevonden, die nauwelijks de armoede zijn ontstegen, mensen die eindelijk een droomhuis hebben maar die zomaar door een verandering in de economie of welke verandering in de samenleving alles weer kwijt zouden kunnen raken. Hoe minder je die mensen serieus neemt hoe sterker hun angst wordt en hoe harder ze gaan schreeuwen, ze schreeuwen van angst zeker in deze dagen.

Jezus van Nazareth hoorde dat schreeuwen. Dat was op zich al een wonder. Marcus beschrijft een pelgrimstocht naar de Tempel in Jeruzalem. Direct na het verhaal dat we vanmorgen gelezen hebben staat het verhaal van de intocht, dat verhaal met dat zingen en mantels op de grond en palmtakken die van de bomen werden gerukt.

Stel je dan Jezus eens voor. Temidden van een grote groep mensen trekt hij over de weg. Iedereen wil zijn aandacht. Een arme blinde die langs de kant van de weg zit te bedelen schreeuwt om zijn aandacht, maar de omstanders manen hem de meester met rust te laten. Te midden van al dat lawaai hoort Jezus toch de man schreeuwen en hij laat hem roepen.

Die man roept iets bijzonders. Hij roept Zoon van David, daarmee roept hij Jezus tot Koning uit. Marcus vertelt in zijn verhaal dat hier voor staat voortdurend dat Jezus vraagt of ze met niemand over zijn werk willen vertellen, geleerden noemen dat het messiasgeheim. En dan is er ineens een arme blinde man die ziet wat er echt gebeurd. De Koning der mensen trekt met het volk op naar de hoofdstad, op naar Jeruzalem waar nog de richtlijnen voor het inrichten van de samenleving als een menselijke samenleving worden bewaard.

De vraag of Jezus van Nazareth nu wel of niet genezen heeft zoals tegenwoordig een dokter geneest. wordt zelden gesteld. Dat is eigenlijk ook een gevaarlijke vraag. Want als dat zo zou zijn dan zouden alle andere blinden die niet zijn genezen kennelijk te weinig geloofd hebben.

Dit verhaal gaat dus niet over genezen, maar dit verhaal gaat over gehoord worden. Mensen die langs de weg zitten worden zelden gehoord. Als ze al eens opgemerkt worden krijgen ze een aalmoes toegeworpen. Aandacht is er nooit voor. Om aandacht te trekken is in ons land de straatkrant of de daklozenkrant bedacht. Een echte krant met leuke artikelen die verkocht wordt zoals alle andere kranten.
Alleen de opbrengst gaat naar mensen die langs de weg zijn komen te staan, want ook in onze samenleving komen er mensen langs de weg te staan. Denk niet dat het hun eigen schuld is. De schade die ze hebben opgelopen en die maakt dat ze buiten de samenleving zijn komen te staan, maar ook blijven staan, vaak is van veel vroeger. Ze zijn al langer niet gehoord en opgemerkt en het op straat komen te staan is vaak het einde van een lange lijdensweg.

Zo ook Bartimeüs. In de dagen van Jezus van Nazareth bleef er voor veel mensen niet veel anders over dan als blinde of lamme langs de weg gaan zitten en te gaan bedelen. Ze waren niet meer vooruit te branden. De weg had voor hen opgehouden en alleen aalmoezen hielden hen nog in leven. Maar Bartimeüs had ergens nog een sprankje hoop. Ooit zou er een moment komen dat iemand hem weer op weg zou helpen, ooit kwam er een dag dat er meer zou zijn dan een aalmoes, dat iemand hem weer als mens zou herkennen.

Wij zetten ons zelf soms ook aan de kant. Als er bijna gewelddadige discussies losbranden dan zwijgen we en gaan vaak zelfs niet naar de informatieavonden. We worden toch overschreeuwd. Maar het verhaal van Marcus stelt ons dan de vraag of we eigenlijk wel geloven. Komt dat nieuwe rijk van God er eigenlijk wel? En mogen we er aan werken? Of laten we zoals Jesaja verteld de stad over aan de bedrijvers van onrecht.

In het verhaal van Jesaja is het God zelf die het recht doet overwinnen. Hij trekt als een soldaat de wapenrusting van het recht aan. Paulus roept de gelovigen ergens op om de wapenrusting van het geloof aan te trekken. God doet een beroep op ons. Zijn kinderen zijn in nood en als wij zijn kinderen willen zijn dan zijn onze zusters en broeders in nood.

Het is vanaf de kansel gemakkelijk praten over recht en gerechtigheid en de keuzes die u schijnbaar moet maken. In Steenbergen was een vrouw, Sasja heette ze, die bleef praten tegen al die schreeuwers in dat ook haar dorp een menselijk dorp zou moeten zijn. Achteraf hoorden we dat ze al eens eerder een steen door de ruit had gekregen. We zien misschien het onrecht wel maar of we het aandurven om op te staan en Jezus uit te roepen tot de enige Koning van de wereld is maar de vraag.

De PKN roept ons op om ons in te zetten voor de vluchtelingen van vandaag. En veel kerken kiezen vertegenwoordigers die het aandurven te blijven pleiten voor menselijkheid, die er voor blijven pleiten hun broeders en zusters die gevlucht zijn op te vangen.

Wij lezen op zondag de oude verhalen, over een stad die kan worden opgebouwd, over een blinde die het gaat zien, over een pelgrim naar Jeruzalem die wordt uitgeroepen tot Koning van de vrede. De verhalen vragen elk van ons wat wij gaan doen, niet toen maar vandaag.

Amen

Read Full Post »

Lezen: Deuteronomium 13:2-6

             Marcus 9: 30-37

Gemeente

Vandaag is het de eerste zondag van de herfst. En gelijk barsten de herfststormen uit. Het was zelfs moeilijk om deze morgen uit Alkmaar naar Zwijndrecht te komen. Wij noemen dit de eerste zondag van de herfst. Wetenschappelijk is de herfst afgelopen vrijdag begonnen. Maar onze meteorologen maken het zich iets gemakkelijker en laten de herfst al op 1 september beginnen. Zij rekenen op grond van vaste natuurwetten uit wat voor weer we de komende dagen kunnen krijgen. Het zijn geen waarzeggers of toekomstvoorspellers, maar wetenschappers. Maar wij willen graag alles weten en vertrouwen daarom graag op waarzeggers en toekomstvoorspellers.

Toen het volk Israël zich in Kanaän had gevestigd kwam de vraag op of dat vruchtbare land wel zo vruchtbaar zou blijven. En waarom zou je daarvoor toch die God van Israël blijven volgen? Er waren ook andere manieren om vruchtbaarheid te krijgen. Er waren ook andere waarzeggers die de waarheid brengen? In onze dagen hebben we fluisteraars van allerlei soort en instraalsters en astrologen die allemaal ons kunnen vertellen wat overledenen van ons willen, wat onze toekomst zal zijn en welke beslissingen we het beste kunnen nemen.

Het volgen van de God van Israël is maar één van de vele mogelijkheden. Mozes waarschuwt zijn volk daar voor. Voor gelovigen in de God van Israël is er maar één weg en dat is de Weg die de God van Israël in zijn woord heeft gewezen. In onze dagen kunnen we zeggen dat je niet Christelijk kan zijn en met fluisteraars, instralers, astrologen of andere etherische voorspellers in zee gaan, die twee sluiten elkaar uit en zijn elkaars tegenpolen.

Levert het volgen van de God van Israël dan wat op? Is het zo dat beter volgen en meer gehoorzamen je beschermt tegen ziekte, werkloosheid, armoede, ongeluk, oorlog en onderdrukking? Wie het gedeelte van vandaag goed leest heeft begrepen dat ook dat niet het geval is. Je volgt de God van Israël omdat die je heeft liefgehad, omdat die de regen laat neerdalen op gelovigen en ongelovigen, omdat de God van Israël heeft laten zien wat recht en gerechtigheid is, omdat zijn zoon heeft voorgeleefd dat liefde zelfs door de dood heen houdbaar is en leven geeft.

Die waarzeggers en pseudo profeten kunnen volgens Mozes doodvallen. Hun uitspraken hebben geen waarde, ze leiden je maar af van de weg van de God van Israël. Ze beloven jou een beloning maar herstellen niet het recht van de armen en zorgen er niet voor dat de hongerigen te eten krijgen en de dorstigen te drinken. Echte profeten zijn geen toekomstvoorspellers. Echte profeten hebben gestudeerd op de Bijbel en vertellen hoe het zal gaan als we blijven afwijken van de weg van de God van Israël. Ze zijn eerder te vergelijken met de meteorologen dan met waarzeggers.

Om voor de armsten op te komen moet je dus eerst studeren. Jezus van Nazareth neemt in dit verhaal immers zijn leerlingen mee naar huis om hen te onderrichten. Eerder had Marcus ons al verteld dat Jezus van Nazareth in Kafernaüm was gaan wonen.

In de verhalen die Marcus vertelt en die voor het verhaal van vandaag staan, had Jezus van Nazareth steeds last gehad van grote mensenmenigten die genezing bij hem zochten of gewoon achter hem aan liepen om te horen wat hij te zeggen heeft. Maar aan populariteit had Jezus van Nazareth kennelijk een broertje dood. Verering door de massa loopt altijd uit op de dood van degene die vereerd wordt. Of het idool van de massa kan het niet aan of de massa raakt teleurgesteld en dood het idool of die wordt door de concurrentie gedood, maar dood gaat het idool.

Jezus van Nazareth is voor alles realist, hij weet dat het hem ook zo zal vergaan. Maar hij weet ook dat zoveel liefde van God niet definitief dood kan gaan. Dus als het definitief lijkt, na drie dagen, het getal van de volmaaktheid, dat komt het weer tot leven. Dan staat het op tegen de dood. Die weg moet je durven gaan, hoe moeilijk ook.

Daar zijn ook die leerlingen voor. Die moeten leren zichzelf uit te schakelen. Niet zij zijn belangrijk maar de mensen die de liefde nodig hebben. Daar moet je op letten. Jezus van Nazareth wijst op de zwaksten in elke samenleving, de kinderen. Die hebben nog geen weet van goed en kwaad, die leven nog als in het paradijs. Die zijn het eerst slachtoffer van honger, oorlog en geweld. Die kunnen vaak nog niet zwemmen en zijn dus de eersten die verdrinken.

Die zijn het zwaarste slachtoffers van misbruik, van uitbuiting en gebruik door volwassenen voor persoonlijk gewin of persoonlijk genot. Wie een kind opneemt en het daarmee voor het kind opneemt, neemt Jezus van Nazareth op en neemt het daarmee voor zijn liefde op. Eigenlijk zegt Jezus van Nazareth dat wie zo doet zorgt dat hij opstaat uit de dood die het nalopen en de verering hem gebracht hadden.

Daarom ook hoef je mensen die zorgen voor armen, die het opnemen voor kinderen, die pal staan voor de vrede, die het kwade uit de wereld proberen te verdrijven, niet te veroordelen als ze niet in Jezus van Nazareth geloven. Ze doen evengoed wat hij had bedoeld dat er gedaan moet worden. Je moet juist de mensen bestrijden die zeggen te geloven in Jezus van Nazareth maar het kwaad in de wereld laten voortbestaan, die zelfs kinderen die hier geboren en getogen zijn willen deporteren naar landen waar honger, geweld en onderdrukking heersen. Het zijn de mensen die niet willen delen omdat honger de verantwoording van de hongerige zou zijn, mensen die het niet opnemen voor kinderen omdat het hun kinderen niet zijn.

Het is vandaag de eerste zondag van de herfst. Het worden de donkere dagen voor kerst. In het Noorden van het land en ook in Noord-Holland hebben we op 11 november het feest van Sint Maarten. Daarna is er ook snel het Sinterklaasfeest, en dan wordt het Kerst, de geboorte van het kind van Bethlehem. Kinderen komen de komende tijd centraal te staan.Maar niet alle kinderen in ons land vieren dat mee omdat hun ouders te arm zijn. Ouders met een te laag inkomen, ouders die onder schuldsanering en beheer staan kunnen hun kinderen niet echt feest geven. Om dat te weten hoef je geen waarzegger te zijn. Laten wij zorgen dat Jezus van Nazareth hen wel feest geeft. Wij zijn de handen en voeten van Jezus. Talrijk zijn de inzamelingsacties om kinderen dat feest te geven. Let daarop, doe er aan mee of organiseer er zelf één. Volgens Marcus neem je niet alleen Jezus op maar ook de Vader die hem heeft gezonden.

Amen

Read Full Post »

Lezen: Deuteronomium 4: 9-20

             Marcus 8: 27-9:1

Gemeente,

De leer van Mozes waarover we uit het boek Deuteronomium hebben horen lezen is een verhaal dat aan kinderen en kleinkinderen moet worden doorgegeven. Mozes vertelt het verhaal aan het volk alsof ze er zelf bij zijn geweest. Zo eigen moeten we ons dus de verhalen uit de Bijbel maken. Want van de luisteraars zijn er maar twee die er echt bij waren. Kaleb en Jozua. Alle andere getuigen van hetgeen op de Horeb gebeurde waren inmiddels overleden en ook Mozes zou het beloofde land niet betreden.

Er zijn aan het verhaal natuurlijk wel een paar bijzonderheden waar we van kunnen leren. God sloot een verbond met het volk. Wij denken dan gauw dat het gaat om het voor wat hoort wat, maar zo is het niet. De bepalingen van het verbond zijn er maar een paar, 10 stuks worden er meestal geteld. De overige bepalingen uit de Tora, de eerste vijf boeken van de Bijbel zijn de grondslagen voor het volk zelf, als je zo je samenleving inricht wordt het een menselijke samenleving. Het is een blauwdruk voor het leven in een land waar men nog niet is.

Dat betekent dat die verbondsregels algemeen geldend zijn maar dat de regels voor de inrichting van je samenleving in de praktijk best anders kunnen uitvallen maar dat de richting die de regels wijzen maatgevend moet zijn. Jezus van Nazareth zou die regels samenvatten uit twee bepalingen. Eén uit Leviticus en één uit Deuteronomium. Samen vormen ze het beroemde gebod dat Jezus ons gegeven heeft, heb God lief boven alles, en het tweede daaraan gelijk is heb uw naaste lief als uzelf.

Wat krijgen we daarvoor terug? In de leer van Mozes is het de bevrijding van angst voor andere mensen en het onbekende. Die eerste generatie woestijnzwervers had het beloofde land niet bereikt omdat ze bang waren voor de reuzen die er waren gezien. De tweede generatie was begonnen met de reuzen die geregeerd hadden in Basan te verslaan en hun 60 steden in de nemen.

De leerlingen van Jezus hadden ontdekt dat zijn kruisiging en opstanding uit de dood hen had bevrijdt van de angst voor de dood. De dood had niet langer het laatste woord. Door gemeenschappen te vormen waar iedereen gelijk was en iedereen bereid was om alles te delen wat men had werd de mogelijke dood door de bezetters afgewimpeld en niet meer belangrijk. Het ging om het leven met elkaar en in Deuteronomium staat ook de vraag over de keuze tussen leven en dood, gelovigen moeten kiezen voor het leven.

Het Christelijk geloof lijkt echter soms meer op Haarlemmer Olie. In vroeger dagen geloofden mensen dat Haarlemmer Olie je kon genezen van alle soorten kwalen. Was je ziek dan had je maar een paar eetlepels Haarlemmer Olie te nemen en je werd er beter van. Dat werkte natuurlijk niet echt maar als je er in gelooft kan het helpen. Veel huis tuin en keuken kwaaltjes verdwijnen vanzelf na een paar dagen en als je dan die paar dagen Haarlemmer Olie hebt geslikt dan schrijf je de genezing gemakkelijk toe aan dat medicijn.

Zo is het ook als je tijdens zo’n lichte ongesteldheid hebt gebeden om genezing. Ja het helpt, je geneest. Maar ook dat gebed heeft net zomin geholpen als de Haarlemmer Olie. Toch hoor je sommige voorgangers en evangelisten nog wel eens verkondigen dat je geneest van je ziekten, dat je problemen worden opgelost, dat zelfs je schulden verdwijnen als je maar gaat geloven in Jezus van Nazareth als je Messias, je bevrijder van alle aardse ellende.

Want Messias, in het Grieks Christos, betekent toch “bevrijder” en de discipelen hadden het toch bij het rechte eind toen ze Jezus van Nazareth aanwezen als hun Messias?
Natuurlijk, maar dat wilde toen niet zeggen dat alle ellende voorbij was en dat wil het nog steeds niet zeggen. Jezus van Nazareth zelf zou de eerste zijn die de dood onder ogen moest zien omdat hij zijn liefde voor mensen door de dood heen wilde volhouden. Maar ook daarmee zou het lijden voor zijn leerlingen niet de wereld uit zijn.

Integendeel, ook zij moesten bereid zijn hun kruis op zich te nemen. Zo moeten ook wij bereid zijn het lijden van onszelf te dragen en het lijden van de wereld onder ogen te zien. Het Christen zijn voorkomt niet dat je kinderen kunnen omkomen bij brand of ongeval of sterven door ziekte. Het Christen zijn voorkomt niet dat je gevrijwaard bent voor geweld. Christen zijn voorkomt niet dat je ziek wordt en arbeidsongeschikt, of gehandicapt raakt.

Christen zijn betekent wel dat je een open oog hebt voor anderen die dat overkomt en die jouw hulp en steun nodig hebben. Christen zijn betekent dat je een open oor hebt voor die mensen die om hulp roepen. Christen zijn betekent dat je niet langer bang bent voor de dood, zelfs je eigen dood niet, maar altijd gericht blijft op de liefde.

Jezus verbiedt zijn volgelingen zelfs om mensen te vertellen dat hij de bevrijder van Israël is. Dat komt omdat veel mensen dachten dat zo’n Messias met een stevige oorlog de Romeinen wel even zou verdrijven. Maar zo is het niet. De macht van het kwade is pas te bestrijden door het goede te doen. De mensen die lijden, de zieken, de gehandicapten zijn daarom eigenlijk de geheime hulpjes van Jezus. Als er mensen zijn die zich ontfermen over de mensen die dat nodig hebben dan zijn die mensen de handen en de ogen van Jezus. Als ze alleen om zich zelf denken dan horen ze er niet bij. Je moet dan ook nooit een beroep doen op het Christen zijn van een ander, want dat oordeel komt alleen God toe.

Het blijft natuurlijk moeilijk te geloven dat ook Jezus zelf moest lijden en sterven. Hij had zoveel mensen genezen, maar alleen als iedereen het goede zou gaan doen en niet dan het goede dan zou alle ellende op de wereld verdwijnen. Pas toen hij dat tot in de dood, tot op het kruis, liet zien, kon hij laten zien dat dan het leven pas echt begint. En toen zijn leerlingen dat zagen begonnen ze het pas een beetje te geloven.

Petrus was in het verhaal van vandaag zo ver nog niet, hij berispte Jezus zelfs, je moet toch niet denken dat wij je laten vermoorden? Maar daarvoor zou geweld nodig zijn, een opstand zelfs en dat geweld hoorde nu juist niet bij de Messias, de bevrijder van Israël. Petrus zou dus verwarring zaaien met zijn opmerkingen.

Daarom spreekt Jezus hem aan als de verwarrer, de satan zeggen we dan om duidelijk te maken hoe slecht die hang naar geweld eigenlijk is. Christen zijn betekent dus niet dat je minder met lijden te maken hebt maar het betekent dat je ook nog te maken wil hebben met het lijden van anderen. Want alleen als we bereid zijn te maken willen hebben met het lijden van de minsten in de wereld dan kunnen we een weg vinden om alle lijden de wereld uit te helpen.

Daarvoor moeten ook wij bereid zijn om het lijden desnoods door de dood heen te dragen. Maar het meest merkwaardige is dat die last niet een zware last is, als we werkelijk willen werken aan een wereld zonder lijden dan zal die last licht blijken te zijn. We kunnen dat kruis vandaag nog op ons nemen. Dan komt er ooit een wereld waar alle leed geleden is en alle strijd gestreden is. Dan wordt de aarde zo hemels dat God hier zelf zou willen wonen. Naar die wereld zijn wij op weg. Nemen we dan ons kruis op en laten we opstaan en op weg gaan.

Amen

Read Full Post »

Lezen: Zacharia: 8: 4-8

             Marcus 8: 22-26

Gemeente,

Zacharia is een profeet waarvan de profetie is opgenomen in het 12 profetenboek. Vroeger spraken we van de kleine profeten. Tot een vooraanstaand Bijbelwetenschapper ontdekte dat de kleine profeten een heel duidelijke samenhang vertonen. Het eind van het ene deel is het begin van het volgende. Zo is dit boek in de Hebreeuwse Bijbel terecht gekomen, als één boek, geschreven op één boekrol, en zo zullen we het moeten lezen. Dat hele boek bij elkaar beschrijft de oorzaak van de ballingschap en de terugkeer uit de ballingschap. Zacharia schrijft voor de teruggekeerde ballingen.

Nu zijn profeten geen waarzeggers. Ze zeggen de waarheid geen toekomstvoorspellingen. Ze kijken naar hun samenleving en zeggen dan waar het op zal uitlopen als je zo door gaat. Daarbij stellen ze steeds de vraag of je samenleving is volgens de richtlijnen van de God van Israël, de God die het volk uit het slavenhuis heeft geleid, of worden er andere goden nagelopen, de goden van vruchtbaarheid, de goden van winst en profijt. Doet het volk recht aan de armen, aan de mensen die zorg nodig hebben of is het volk gericht om de winstmakers, de mensen geld nog meer te belonen,

In het gedeelte dat we vanmorgen gehoord hebben schetst Zacharia een vrolijke toekomst. Dat is niet voor niks. Over de ballingen die waren teruggekeerd wordt geschreven dat toen ze aan de opbouw van de Tempel en de muren rond Jeruzalem begonnen ze in de ene hand een zwaard moesten hebben en de andere hand vrij konden laten voor de troffel. Die teruggekeerde ballingen konden wel een steuntje in de rug gebruiken. Opbouwen van je samenleving, van je stad onder bedreigende omstandigheden doet je snel de moed in de schoenen zinken.

Waar loopt dat bouwen aan een stad voor God op uit? Op een samenleving waar je gerust je oude dag wil doorbrengen. Waar genoeg zorg is, waar ouderen gewaardeerd en verzorgd worden. Waar manifesten om de tekorten in de ouderenzorg te beschrijven niet meer nodig zijn. Waar de goddelijke richtlijnen voor de menselijke samenleving weer gelden. Het volk bekommerd zich dan weer om de richtlijnen van de God van Israël. Ze gaan weer naar de Tempel om te vragen hoe ze die richtlijnen in hun eigen stad of dorp moeten toepassen.

Wat hoort er wel en wat hoort er niet bij, bij die richtlijnen, bij de Weg van God. Jeruzalem is daarbij een voorbeeld. Een stad die zo dichtbij de Tempel is dat het daar niet moeilijk zou moeten zijn om de richtlijnen van God op een goede wijze uit te voeren. De berg waar de Tempel op is gebouwd, de berg Sion, is daarom een Heilige Berg, daar gaat het alleen nog over het verbond met God. Daar laten de Israëlieten zien dat wat ze gekregen hebben van God niet als hun eigen verdienste wordt gerekend maar dat ze het delen, met God in offers, in maaltijden met de armen en de vreemdelingen zoals dat staat in het boek Deuteronomium.

Maar het volgen van de God van Israël is niet gemakkelijk. Ezra en Nehemia beschrijven ook vijanden die zich verzetten tegen de nieuwe samenleving die aan het ontstaan is. Geleerden noemen die samenleving wel eens de Tora-staat, in dat land, bij dat volk is er geen andere wet dan de wet van God. Zacharia schetst wat het gevolg is van een land dat je op die manier inricht.

Sommigen zullen dat luchtfietserij noemen maar volgens Zacharia zullen op de pleinen van Jeruzalem oude mensen zitten steunend op hun stok vanwege hun hoge leeftijd, niemand zal sterven voor zijn tijd sprak Jesaja al. Er zullen talrijke kinderen spelen in de straten van Jeruzalem, geen kind zal meer sterven zei Jesaja al. Als alle ballingen nu eens terug keren, als iedereen de richtlijnen van God volgt dan gaat dat gebeuren.

Door Jezus van Nazareth en de Geest van God die hij heeft gebracht is het voor ons ook mogelijk geworden. Ook wij kunnen de hongerenden te eten geven, de naakten kleden, de vreemdelingen huisvesten, de gevangenen bezoeken, de weduwen en de wezen een eerlijk leven geven, de rechtspraak toegankelijk maken ook voor de armen. We kunnen dat elke dag weer, ook vandaag. Maar de samenleving die Zacharia ons schetst komt niet door een wonder tot stand, er zal hard voor moeten gewerkt.

Jezus van Nazareth had een hekel aan wonderen schrijft Marcus. Net voor hij in het Bethsaïda komt waarover we vandaag gelezen hebben had hij de Farizeeën uitgescholden nadat zij om tekenen hadden gevraagd. Hij wees zijn volgelingen op het delen van het brood dat hij gedaan had voor grote massa’s mensen, daar draaide het om, om dat delen.

Soms moet het lezen van verhalen als deze van vandaag voor de mensen voor wie ze oorspronkelijk geschreven zijn een grappig gebeuren zijn geweest. Eeuwenlang hebben archeologen gezocht naar Bethsaïda en uiteindelijk zijn er twee dorpen met die naam gevonden. Maar we moeten de verhalen niet apart lezen maar in hun verband. En dan lezen we over het delen van zeven broden en een paar vissen, en de nadruk die Jezus legde op dat delen en zijn weerzin tegen wonderen.

En vanmorgen hoorden we dat hij in het Vishuis is, dat betekent Bethsaïda namelijk, zou Marcus willen vertellen dat hij thuis is? De vis was immers het teken voor de Christus. Ook in dat vishuis zijn mensen die zich er niet bij neer leggen dat er een vriend is die het niet wil zien.

Men, en wie die men is is niet belangrijk, brengt een blinde bij Jezus. En die men vraagt niet gewoon maar smeekt Jezus iets te doen dat de blinde weer kan laten zien. In de psalmen staat dat een rechtvaardige is als een boom geplant aan levend water. Als Jezus deze blinde iets laat zien, ziet deze de rechtvaardigen rondlopen. Maar dan ziet hij alles helder, ze zijn namelijk op pad. En weer laat Jezus blijken van wonderen eigenlijk niet gediend te zijn. Hij gebruikt het speeksel waar in zijn dagen een genezende werking aan werd toegeschreven. En bij ons ook nog want wie kent niet de genezende werking van de kus van een moeder op een zere knie van haar kind.

Het gaat om mensen. Bij hem gaat het echt om mensen. Bij hem gaat het om de vrienden die zich niet neerleggen bij de bedelaar die hun blinde vriend kennelijk moet worden. Die vrienden hebben nog weet van de richtlijnen, dat je de naaste net zo moet behandelen als je zelf behandeld zou willen worden. Ze lopen vooruit op de belofte van de God van Israël als zijn richtlijnen worden gevolgd. Ja ze smeken voor hun vriend en smeken daarbij eigenlijk ook om de komst van het Koninkrijk waar Jezus het steeds over heeft.

Profeten hebben gezongen van de gevolgen. Jesaja laat de blinden zien, de doven horen, de stommen spreken en de lammen huppelen op de weg, op het pad, van de God van Israël. Zacharia schetst ons een samenleving waar ouderen een voorname plek hebben en kinderen vrij kunnen spelen. Johannes van Patmos laat de hele geschiedenis uitlopen op een aarde die zo hemels is dat God zelf op die aarde zou willen wonen. Daar is zelfs geen dood meer en geeft de zee haar doden terug, ook de Middellandse Zee geeft dan haar doden terug.

Aan ons om net als de vrienden van de blinde man ons niet langer neer te leggen bij onrecht, geweld, onderdrukking en armoede. We mogen van God elke dag opnieuw beginnen met de zorg voor onze zwakste broeders en zusters. En alle mensen op aarde zijn onze broeders en zusters. Er zal dus nog veel werk moeten worden gedaan, aarzel dus niet, vat het werk aan.

Amen

 

Read Full Post »

Lezen: 2 Koningen 4: 42-44

              Marcus 8: 1-21

Gemeente

We hoorden vanmorgen een verhaal over de profeet Eliza, opvolger van de altijd zeer populair gebleven Elia. Er was honger in Israël, het voedsel was schaars. Elisa verblijft bij een profeten school, mensen die de Tora bestuderen om te ontdekken waar het met de samenleving naar toe gaat. Maar ook profeten moeten eten. En dan komt er iemand met een zak vol gerstebrood, het brood voor de armen dat geoogst werd in de tijd van het Pesachfeest, de herinnering aan de bevrijding uit Egypte, het land van de dodelijke slavernij.

Wie er langskomt wordt niet verteld. Het is kennelijk een vreemdeling die ook vreemdeling blijft. Bij iemand uit het volk van Israël zou tenminste de stam zijn vermeld. Er wordt wel verteld waar de vreemdeling vandaan komt. Uit Baäl-Salisa, waar vandaan? Uit Baäl-Salisa, nooit van gehoord. Die vreemde namen uit de Bijbel zeggen ons niks en dat is jammer. Geleerden nemen bijvoorbeeld aan dat er Beth- Baäl-Salisa heeft gestaan en dat is te vertalen. Het betekent het huis van Baäl in Salisa. En dus krijgt de profeet eten uit een Tempel voor Baäl, de Kanaänitische god van de vruchtbaarheid. De profeten in de boeken Koningen lopen voortdurend te hoop tegen de aanbidding van die god.

Met de betekenis van de naam van de stad waar de vreemdeling vandaan komt wordt gelijk een boodschap gegeven. Eten aan nemen van vreemdelingen is niet verkeerd. Er is hongersnood in het land. Eliza had een leerling de opdracht gegeven linzen te gaan zoeken maar dat was niet helemaal niet goed gegaan, ze waren er ziek van geworden. Met een handvol meel had Eliza erger weten te voorkomen, toen was het dan ook op. Tot er dus iemand kwam met een zak vol gestebrood. Maar met een handvol broden zou de profeet toch zijn leerlingen niet te eten kunnen geven. Zelfs niet met twintig broden.

En dan wordt duidelijk hoe Baäl en de God van Israël tegenover elkaar staan. Baäl gaat over de vruchtbaarheid van het land. Maar Eliza en de profeten leren dat je goed moet uitkijken want voor je het weet heb je een giftige plant te pakken waar je gemakkelijk dood aan kunt gaan. De God van Israël kijkt naar de daden van de mensen. Een als je deelt met elkaar dan kun je de hongernood overleven.

Het verhaal over de spijzigingen door Jezus van Nazareth is dan ook de uitleg van de verhalen over de wonderbare spijzigingen door Elisa. Want naast de broden is er voor Eliza ook een zak vol graan, gerstekorrels. Die kun je malen en daar kun je de ongezuurde broden van bakken die horen bij dat bevrijdingsfeest. En zo wordt in het verhaal herinnerd aan de bevrijding uit de slavernij van Egypte. Als iedereen met elkaar deelt dan blijkt altijd weer dat er genoeg is en dat er op het eind zelfs overblijft.

De hongersnoden waar wij van horen en waar wij voor in beweging moeten komen worden dan ook altijd veroorzaakt door de weigering om echt met elkaar te delen. Om te zorgen dat ook arme boeren het loon ontvangen voor hun oogst dat ze verdienen. Ook wij kunnen de wereld voeden. Er groeit genoeg dat eetbaar is, het land hoeft niet te worden uitgeput en als we echt delen dan houden we zelfs nog over en is er nergens honger meer. Vandaag kunnen we er mee beginnen.

Moet dan de hele wereld met ons mee eten? In het begin van de beweging van de Weg zoals het Christendom aanvankelijk werd genoemd was er nog een hele discussie over het samen eten met buitenlanders, met Heidenen. Het besluit dat er geen bezwaar tegen was kwam niet gemakkelijk tot stand.

Marcus herinnerde zich een verhaal dat duidelijk maakte dat Jezus van Nazareth zijn leerlingen er uitdrukkelijk voor op pad had gestuurd. Hij had al een keer verteld over het delen van vijf broden en twee vissen aan vijfduizend mensen. Er waren toen twaalf manden overgebleven. Kenners van de Schriften hadden gelijk gedacht aan de vijfboeken van de Tora, die gevolgd worden door de Profeten en de Geschriften. E n aan de twaalf stammen.

Maar er was ook nog een verhaal over vierduizend mensen die gevoed werden door zeven broden en waar zeven manden brood over waren gebleven. Dat gaat over meer dan het aantal broden, over meer dan het aantal manden dat overbleef. De leerlingen leken het niet te willen begrijpen maar in het licht van de discussie over het samen eten met iedereen breekt ons misschien ineens het licht door. Vier kennen we van de vier winstreken en vierduizend zou dan kunnen betekenen dat alle mensen van de hele aarde samengestroomd waren rond Jezus. En de zeven manden brood die overgebleven waren duiden dan op de zeven dagen van de week. Elke dag van de week is er voor iedereen op de wereld brood genoeg.

En dan nog denken de leerlingen in de boot dat ze aan één brood niet genoeg zullen hebben. Dat idee van ieder voor zich krijg je als je allemaal regeltjes gaat opstellen en de naleving daarvan probeert af te dwingen. Het is de manier waarop de religieuze en bestuurlijke heersers van het land het leven benaderen. Hun zuurdesem betekent dat iedereen zelf verantwoordelijk is voor levensonderhoud en belasting betalen. Samen delen en voor elkaar instaan komt bij dergelijke autoriteiten niet op.

We kennen ze vandaag de dag ook nog. Steeds maar zeuren over een staatsschuld, alsof die niet van ons allemaal is, en over lasten die te zwaar worden, alsof die niet alleen maar als zwaar worden ervaren door de rijken. Delen en samen de schouders er onder zetten komt bij dat type bestuurders niet op. Jezus van Nazareth waarschuwt er tegen.

Rechtvaardig worden de mensen genoemd die de richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf in de praktijk willen brengen. Het zijn mensen als bomen die gepland zijn aan levend water. Daar gaat kracht van uit, daar groeien de mooiste vruchten aan.

Het verhaal dat we vandaag van Marcus over Jezus van Nazareth hoorden vertelt dat we gerust met iedereen op de wereld kunnen delen. Er is genoeg, ja er is voedsel in overvloed. Als we echter denken dat we maar één brood hebben voor dat handjevol mensen dat wij zelf op aarde zijn dan hebben we de verhalen uit de Bijbel niet begrepen. Als we in dat rijke Europa vluchtelingen niet denken te kunnen helpen zijn we net als de leerlingen van Jezus, als de profeten uit de school van Eliza die nog een heleboel moeten leren. Eliza en Jezus doen het ons voor. Neem wat je hebt en deel dat. Als we dat allemaal doen houden we zelfs over.

En wat hebben we er aan? Het delen zou ons voldoende moeten zijn. We volgen de weg van de God van Israël niet voor ons zelf maar omdat we hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Omdat we geloven dat die visioenen uit de Bijbel waar zijn. Er is voor iedereen te eten. En een aarde waarin iedereen met elkaar deelt en voor elkaar zorgt wordt uiteindelijk zo mooi dat God zelf hier op deze aarde zal willen wonen. Dat is het eind van de Bijbel. Het begin was dat alles wat we hebben we gekregen hebben we kregen van diezelfde God die ons oproept net als Hij te delen.

Voor gelovigen in die wereld en die belofte is er nog veel werk te doen. Maar aarzel niet, vat het werk aan.

Amen.

 

Read Full Post »

Older Posts »