Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Uncategorized’ Category

Lezen : Rechters 12:1-6

Marcus 3: 20-35

Gemeente,.

Stel je eens voor dat je iedereen als vreemdeling beschouwd, wat gaat er dan gebeuren. En wat zou er gebeuren als je iedereen als je eigen familie beschouwd wat gebeurt er dan? Dat zijn twee vragen die door de lezingen van vandaag aan ons worden gesteld

Toen de Duitsers ons land binnen vielen gingen er snel geruchten dat ze zich verkleed hadden als Nederlandse soldaten of Nederlandse burgers. Achteraf bleken die geruchten ook op waarheid te berusten. Het wachtwoord in die dagen werd Scheveningen want de uitspraak van de Sch is iets typisch voor het Nederlands. Iets dergelijks speelde zich ook af in de dagen van Jefta, of Jiftach zoals het ook wel vertaald wordt. Nadat Jefta gewonnen had voelden de mensen van Efraïm zich gepasseerd en begonnen een oorlog. Toen Jefta ze had opgeroepen voor een oorlog waren ze niet thuis geweest, maar ja. Nadat het volk Israel uit de woestijn gekomen was, was er in de 300 jaar die er sindsdien verstreken was ook een soort vervreemding opgetreden. Die vervreemding was te horen aan de oever van de Jordaan, de grensrivier tussen beloofde land en woestijn. Het woord stroom, sjibbolet, werd door de mensen van Efraïm uitgesproken zonder de sj klank, dus als Siebolt en daarmee hebben ze zichzelf blootgegeven.

Vervreemding tussen volken, ook als ze vlak bij elkaar wonen, maakt dat de taal gaat verschillen. Soms kan dat zelfs binnen één land, de taal van de straat wordt dan zo anders dan de taal van de huiskamer en de TV dat men elkaar niet echt meer kan verstaan en dat kan gevaarlijke situaties opleveren. De verschillen in Israel tussen Efraïm en de rest werden gebruikt net als in Nederland later bij de Duitsers werd gedaan die de Sch niet uit konden spreken. Niet dat dat in Nederland hielp overigens, we werden evengoed wel bezet.

Ook in onze geschiedenis kennen we de partijen die zich hardnekkig buiten de oorlog wilden houden. In de Tweede Wereldoorlog waren dat de brave burgers die langzaam meegezogen werden in de onmenselijke maatregelen van de Duitse bezetters.  Die brave burgers die niet mee gaan in de strijd tegen geweld en onderdrukking maar zich aanpassen aan de heersende machten weigeren over het algemeen ook te delen met de armen.

Ook in onze dagen wordt geprobeerd verdeeldheid te zaaien, ook nu op grond van geloof en afkomst. Er worden wel geen echt onmenselijke maatregelen genomen maar proberen echt samen te leven, samen voor elkaar te zorgen blijft nog maar al te vaak ver van ons. Iedereen zou moeten vaccineren maar we vergeten dat te vertellen tegen de mensen die moeilijke woorden als vaccineren niet direct herkennen. Het kan ook anders. Jezus van Nazareth geeft daarvan een voorbeeld dat door Marcus aan ons verteld werd.

Die Jezus van Nazareth leek wel gek. De toeloop naar zijn huis was zo groot dat hij niet eens toekwam aan een fatsoenlijke maaltijd. Iedereen leek wel deel te willen hebben aan zijn nieuwe Koninkrijk van de Liefde. Fatsoenlijke mensen trokken het gedrag van Jezus overigens direct in het kwade, het kwade maakt je immers schijnbaar sterk. Van het goede dat je wil doen is nog wel eens misbruik te maken, van het kwade dat je wil doen lukt dat meestal niet. Jezus gaat er direct tegen te keer. Het uitdrijven van het kwade kan niet kwaad zijn, zorgen dat iedereen kan meedoen aan de nieuwe samenleving van liefde en rechtvaardigheid is geen zaak voor het kwade, daar is voor het kwade zelfs geen plaats. Als dat zo zou zijn dan was het een gespleten gemeenschap, en een gespleten gemeenschap is geen gemeenschap. Wij kennen dat maar al te goed. Als iedereen hetzelfde doet voelen we ons veilig, dan weten we waar we aan toe zijn. Als er enkelingen zijn die van dat gemeenschappelijk gedrag afwijken dan weten we ze nog wel als zonderlingen te plaatsen.

Maar als er grote groepen zijn die er andere gebruiken en gewoonten op na houden dan wordt het eng. Dan voelen we ons snel bedreigd. Als we dan ook niet erg geloven in de waarde van wat we zelf aan gewoonten hebben dan wordt het helemaal eng, die anderen zouden zich eens beter kunnen voelen. We hebben dan een keus uit twee mogelijkheden. Of we zetten ons af tegen die vreemden, of we proberen er samen een nieuwe samenleving van te maken. Kiezen voor de eerste mogelijkheid levert een innerlijk verdeelde gemeenschap op, die houdt dus geen stand volgens Jezus van Nazareth, de tweede levert een nieuwe samenleving op, een samenleving waarin iedereen weer mag meedoen.
Het sprookje van de maagdelijke geboorte van Jezus en de bijna goddelijkheid van zijn moeder Maria moet eigenlijk ook maar eens uit zijn. Het doet afbreuk aan het verhaal, het goede nieuws, dat Jezus van Nazareth wil verspreiden. Jezus van Nazareth had een moeder. Maria zegt het verhaal. En hij had een aantal broers. Andere handschriften als die voor de Nieuwe Bijbelvertaling zijn gebruikt spreken zelfs van broers en zusters. Die maagd was gewoon een oude manier om een jonge vrouw aan te spreken. Uit de discussie die in dit deel van het verhaal ontstaat blijkt dat Jezus van Nazareth echte broers heeft. Eén van de broers zou volgens het verhaal dat door Lucas in Handelingen is opgetekend nog een belangrijke rol in de eerste gemeente in Jeruzalem spelen.

Maar vandaag houden we ons bezig met het belang van de familie. Die moeder en broers dringen zich niet op aan Jezus. Ze blijven daarom op een afstand. Er zijn echter altijd mensen die denken het fatsoen te dienen. Je familie gaat voor, je familie gaat voor de armen, de zieken, de zwakken, de mensen die buitengesloten zijn. Maar niet bij Jezus. Het goede nieuws is dat al die mensen mee mogen doen en dus familie zijn, net zo belangrijk en net zoveel aandacht waard. Moeder Maria moet het er maar mee doen zou je zo denken. Maar al voor de geboorte van haar beroemde zoon zong ze van een wereld waar de machtigen van de troon gestoten werden en de onvruchtbaren vruchtbaar zouden zijn.

De omgekeerde wereld. Van een protest van de familie is in dit verhaal dan ook geen sprake, de familie voelde zich kennelijk in het geheel niet beledigd maar wist haar plaats. De verering van Maria als meer dan andere mensen, zoals in sommige schijnbaar christelijke kerken, slaat dan ook nergens op. De energie en het geld dat daarin gestoken wordt kan beter gestoken worden in de armen. Voedselbanken moeten soms mensen weigeren omdat ze geld, mensen en voedsel tekort komen. En wij schrikken nog al te vaak terug voor een echt gesprek met mensen die niet begrijpen waarom er gevaccineerd moet worden. Een echt gesprek over het aanvaarden van het vaccin als geschenk van God is misschien nog moeilijker maar soms ook nodig. Uiteindelijk zijn we dus familie van elkaar en willen we voor onze familie, onze naasten, het beste. Dat gaat niet vanzelf, daar kun je het druk mee hebben. Maar het is het meer dan waard. Aan het werk dus.

Amen

Read Full Post »

Lezen: Exodus 3: 1-6

Johannes 3: 1-16

Gemeente,

Vandaag is het een bijzondere feestdag in de kerk. Zondag Trinitatus heet die in het Latijn, de zondag van de drie eenheid. Geen gemakkelijk onderwerp maar zeker in onze dagen ook niet een onbelangrijk onderwerp. De drie-eenheid is in de geschiedenis vaak een omstreden begrip geweest. Als je Jehova getuigen aan de deur krijgt loop je de kans dat ze je willen overtuigen van de onzin van de drie-eenheid, 1+1+1=3 en niet 1.

Over kerkvader Augustinus gaat zelfs een anekdote die verband houdt met de drie-eenheid, hij liep eens te piekeren op het strand over de vraag hoe dit leerstuk nu goed onder woorden te brengen toen hij een klein jongetje zag dat water uit de zee in een kuiltje stond te scheppen. Toen hij aan het jongetje vroeg wat die aan het doen was antwoordde die dat hij de zee leeg wilde scheppen in zijn kuiltje. Maar dat kan niet zei Augustinus, nou zei het jongetje u probeert toch ook het geheim van de drie-eenheid in uw kleine hersenpan te krijgen? Toen snapte Augustinus dat het geheim van de drie-eenheid ondoorgrondelijk is staat er dan in het verhaal. En dan houden theologen vaak op om er verder over te praten, je moet het maar geloven.

Maar dan maken we ons er te gemakkelijk van af. Want dat God zich op meerdere manieren aan ons kan openbaren is uitermate Bijbels en voor de eenheid van de gemeente tamelijk nuttig, we hoeven de manier waarop wij God ontmoeten niet aan een ander op te leggen.

Augustinus had een andere kerkvader als leraar, Tertulianus en voor die kerkvader was de drie-eenheid heel wat eenvoudiger. Hij gebruikte een beeld waarvan ik denk dat het ook hier in Haarlem Noord wel begrepen zal worden. Net als in Noord-Afrika waar Tertulianus vandaan kwam heeft men hier nog weet van bloemen en planten.

Tertulianus wees er op dat we een bloeiende plant in zijn geheel bij haar naam noemen. Maar we noemen ook de bloem alleen bij dezelfde naam, ook de wortels noemen we bij die naam, zo ook de stengel met de bladeren, van sommige planten zelfs alleen de bladeren. Toch vormen die allemaal een eenheid. Ze verschijnen allemaal op een eigen manier, hebben een eigen functie maar vormen desondanks een eenheid. Bij planten is 1 wortel + 1 stengel + 1 bloem wel degelijk 1 plant. En in het bollenland van Noord Holland Noord heb ik geleerd dat als je het hebt over een tulp, je de bol kunt bedoelen, het loof kunt bedoelen , de bloem kunt bedoelen of het geheel kunt bedoelen, dat geldt ook voor de narcis, de hyacint of het sneeuwklokje. Waarom dan niet voor de God van Israël?

Juist  het idee van de drie-eenheid kan ons behoeden voor het losknippen van één van de drie zoals in de kerkgeschiedenis vaak is geprobeerd. God de Vader, schepper van hemel en aarde werd losgeknipt van God de Zoon die dan als de werkelijke God werd gezien, de scheppende God had zijn werk niet goed gedaan en was dus niet de echte God die mensen kon bevrijden, en in onze dagen lijkt het er soms op dat God de Geest losgeknipt wordt van de Vader en de Zoon omdat die te hoge eisen stellen aan ons geloof. De Geest moet dan voldoende zijn.

Zo zijn er ook mensen die Jezus van Nazareth los knippen van God en van de Heilige Geest. Jezus van Nazareth is dan alleen maar mens en niet meer God die laat zien hoe een mens naar zijn beeld en gelijkenis er eigenlijk uit zou moeten zien, eigenlijk bedoeld is. Jezus is dan een goed mens zoals er veel goede mensen zijn geweest, een voorbeeld zoals er veel voorbeelden zijn geweest.

Maar wat heeft die ingewikkelde discussie nu met ons vandaag te maken? De wetenschap heeft ons geleerd dat de aarde op een heel andere manier gemaakt is dan in het lied van de Schepping uit Genesis 1 staat. Dat we vanuit en met de Heilige Geest moeten proberen ons leven in te richten ligt ook voor de hand en dat we daarbij de mens Jezus van Nazareth als ons voorbeeld mogen kiezen is toch ook niet verkeerd. Maar losknippen van elkaar kan niet.

Zoals de afzonderlijke tonen in een akkoord op het orgel nooit het akkoord zelf kunnen laten weerklinken kunnen we over God nooit spreken zonder het over Vader, Zoon en Heilige Geest te hebben. Dat onze God een drie-enig God is zegt ook dat onze God alle verstand te boven gaat, dat we van onze God als mensen geen voorstelling kunnen maken, zegt ook iets over de ontzagwekkende grootheid van onze God die ons tegelijkertijd zo nabij wil zijn.

Wie het Oude Testament kent weet dat we God in de eerste plaats aan eigenschappen kennen. De lezing van vanmorgen uit Exodus brengt ons dat nog eens onder de aandacht.

“Dit zijn de namen”, zo begint het boek dat wij Exodus noemen, maar dat in het Hebreeuws dus “de namen” heet. In het gedeelte dat we vandaag lezen krijgt de God van Israël eindelijk een naam. Die naam wordt nooit uitgesproken. Niet omdat die naam geheim is maar omdat die naam voor mensen zo geweldig is dat je siddert bij de gedachte er aan alleen al.

Die God heeft een verbond gesloten, met Abraham, met Isaäk en met Jakob. De Nieuwe Bijbelvertaling laat die laatste twee keer “met” weg, maar God heeft zowel met Abraham als met Isaäk en met Jakob telkens een nieuw verbond gesloten. Telkens wel dat het land Kanaän een land zou worden van een groot volk dat zou afstammen van Abraham en van Isaaäk en van Jakob.

Die belofte was er niet zomaar, dat verbond hield verplichtingen in, wederzijdse verplichtingen en daarom hoorde die God ook de jammerkreten van dat volk en trok die God hun lot aan. En dan? Komt er een engelenleger om tegen het leger van Egypte te vechten? Nee, zo werkt de God van Israël niet! Bevrijding van ellende gaat niet op gebed of op jammerkreten maar gaat door het werk van mensen. Mozes in dit geval. Die zag een boodschapper in een vuur dat uit een doornstruik ontvlamde op de berg van die God, een struik die brandde maar niet verteerde. Geleerden zeggen dat het een soort struik is die, als die bloeit, de indruk wekt in brand te staan. Zo’n struik groeit in de woestijn.

Maar Mozes ziet er een boodschap van zijn God in. Dit is heilige grond, daar bloeien planten in de woestijn. Zou zo het volk Israël kunnen bloeien? Was er niet een land beloofd waar ze net zo konden bloeien als al die andere volken buiten Egypte? Zou er niet een land zijn overvloeiende van melk en honing? Zou je dan niet de hulp van die God kunnen krijgen als je naar de Farao gaat om de vrijheid voor dat volk te verkrijgen?

Dat zou het moeten zijn. Als je de God van dat volk zelfs achter in de woestijn kunt ontmoeten, want achter de woestijn ligt immers dat beloofde land. Wat is dat voor een God die zegt geen naam maar een boodschap te hebben: “Ik zal er zijn zoals ik er zijn zal”

De God die er was voor Abraham, die er was voor Izaaäk. die er was voor Jakob, die er voor elk van hen was zoals hij er voor hen wilde zijn, die er voor Mozes was zoals hij er voor hem wilde zijn, die er voor zijn volk wilde zijn zoals hij voor dat volk wilde zijn, die er voor elk van ons is zoals hij voor elk van ons wil zijn. Telkens op een andere manier

En zeg nu niet dat de God van een ander, de God die met die ander meegaat, een andere God is  dan de God die er voor jou is, die met jou meetrekt. Samen kun je die God aanbidden, door er voor elkaar te zijn, door elkaar te bevrijden van angst voor elkaar, elkaar te bevrijden van slavernij en dat wat je vasthoudt en weg van elkaar.

Die God stuurt elk van ons op weg, dezelfde weg die Mozes moet gaan, maar elk van ons met een verschillende opdracht. Want voor elk van ons is die God de God die met ons meetrekt omdat hij het geroep van zijn kinderen heeft gehoord, omdat hij hen een wereld beloofd heeft waar alle tranen gedroogd zijn. Daarom hoeven wij niet meer de naam van die God te noemen: we moeten voor hem op weg gaan.

Dat gaat niet zomaar. Ook uit het nieuwe Testament leren we dat God niet verschijnt zoals wij dat graag willen of verwachten maar zoals we die God nodig hebben om zijn werk te doen, de naaste lief te hebben als onszelf.

We weten al dat Jezus het druk had, met wonderen en genezingen. “Nou” zo begint Johannes zijn verhaal, “al die mensen die op wonderen afkomen zijn maar dubieuze gelovigen. Vervolgens vertelt hij over een gesprek dat een godsdienstig leider van die tijd eens rustig met Jezus wilde hebben. Dat kon alleen in de stilte van de nacht als die wonderzoekers waren gaan slapen. Die Nicodemus wil wel eens weten hoe het met die wonderen zit. En Jezus verwerpt de eigen wonderen en vertelt dat je van boven geboren moet worden.

Dat “opnieuw” is in het grieks namelijk ook van boven, en dat betekent dat we ook mogen zeggen dat we “als nieuw” geboren moeten worden. Als je na een warme dag werken gaat zwemmen dan voel je je als nieuw geboren, het stof en zweet van alle dag wordt afgespoeld en je bent een nieuw mens.

Nou was die Nicodemus ook goed thuis in de leer van Mozes, de Tora die we in de eerste vijf boeken van de Bijbel terugvinden. Die leer was voor veel mensen verworden tot een dorre verzameling regels en Jezus van Nazareth voegt er daarom de Geest van God bij.

De Geest waarin die leer was ontstaan als een verzameling richtlijnen voor een menselijke samenleving, de geest van liefde, die geest is nodig voor een nieuw soort koninkrijk. Mensen die hun oude gewoonten afspoelen, en met een nieuwe geest van liefde in het leven staan, dat is wedergeboorte, dat doe je samen.

Dan weet je niet wat je overkomt, het is niks geestelijks meer, maar ineens gaan mensen opbloeien, is er aandacht voor de armen, voor de verworpenen der aarde. Dan gaat het weer over zeer aardse zaken zoals Jezus op het eind van het verhaal benadrukt. Paulus zal later nog eens opmerken dat je daar meer mens van wordt, een echter mens.

Want mensen blijken bedoeld om voor elkaar te zorgen. In het Christendom gaat het om mensen, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, die moeten leren van alle mensen te gaan houden. Wij ontmoeten God dus in de naaste, in de armen, de hongerenden, de gevangenen, de naakten, de slachtoffers van onderdrukking en geweld. En het mooie is dat  we dat  elk moment weer opnieuw mogen gaan zien.

We hebben een openbaring van God gekregen die we elke dag in de straat kunnen tegenkomen, Jezus van Nazareth, zoon van God en daardoor God zelf, die zich aan ons laat zien in de minste van zijn broeders. Zo lief had die God ons.

De Bijbel knoopt er ook een belofte aan vast. Als wij de richtlijnen van die Jezus van Nazareth weten na te volgen dan wordt de aarde zo mooi dat God zelf zijn tenten op deze aarde zal willen spannen. Dan zal alle leed geleden zijn en elke strijd gestreden zijn. Daarheen zijn we op weg, de God van Israël voor ons uit als in een wolk in de dag en een vuur achter ons in de nacht. Aarzel dus niet, sta op en volg, het werk wacht.

Amen

Read Full Post »

Gemeente,

God schiep ons man en vrouw, naar zijn beeld en gelijkenis, vandaag is het moederdag. Maar God schiep man en vrouw als gelijken. Vaders en moeders zullen dus een tweedeling moeten maken, al naar de talenten die ze gekregen hebben. Opvoeding, zorg en inkomen horen in Bijbelse zin voor beiden gelijkelijk een  opgave en verantwoordelijkheid te zijn. En het laatste wat we moeten doen is een moeder, of het ideaal beeld van de vrouw als moeder, vergoddelijken, boven al het andere stellen. In de lezingen lezen we het een en ander over die vergoddelijking en over de liefde, ook de moederliefde dus, die niet verschilt van de liefde van God of de liefde voor God.

De Bijbel wijst ons de richting die we moeten gaan en als we goed luisteren dan behoed het verhaal van de Bijbel ons voor de valkuilen waar we in dreigen te vallen en die we zo gemakkelijk over het hoofd zien. Jesaja heeft het bijvoorbeeld over de vergoddelijg. In de afgodendienst van de volken speelde de figuur van de moedergodin een belangrijke rol. Zij zorgde voor de voortplanting en het voedsel. Moeder aarde horen we nog wel eens zo benoemen. Maar die godsdienst van de volken wordt in de Bijbel sterk verworpen.

Denk er niet te licht over. Machtige volken vonden hun goden ook machtig en wie overwonnen werd verloor zijn god die immers verslagen werd. Wie nu nog in Egypte kijkt ziet hoe machtig de Egyptenaren hun goden wel niet vonden. De beelden van die goden hebben het door de eeuwen door uitgehouden.

Voor ons is het, na al die eeuwen dat we uit het boek van Jesaja hebben horen voorlezen, normaal: die met de hand gemaakte beelden zijn geen goden, ze hebben geen macht en je staat inderdaad voor gek als je die beelden aanbidt. Maar ook in onze dagen staan er beelden in onze christelijke kerken die een religieuze functie vervullen. Ook wij kennen idolen in de vorm van populaire relibands, gospelartisten en er zijn evangelisten en voorgangers die alleen door hun persoon vele bezoekers naar hun bijeenkomsten trekken.

Zelfs in de kerken hebben we de neiging de wereld te volgen waar immers alleen de nummers 1 tellen en waar voortdurend op allerlei terreinen wedstrijden bezig zijn waar mensen proberen de nummer 1 te worden, of het nu kleren naaien of taarten bakken is, de nummer 1 wordt een idool, een mens om na te volgen.

Afgoderij zit in ons en ligt altijd op de loer. Moeten we dan bang zijn om te werken aan een nieuwe wereld waar recht en gerechtigheid heersen in plaats van de beelden van vreemde zelfgemaakte goden en de populariteit van sterfelijke mensen? Over die vraag gaat het Bijbelgedeelte uit het boek van de profeet Jesaja.

Als we de schepping van hemel en aarde aan onze God toeschrijven dan vallen alle andere mogelijke goden, idolen en helden daarbij in het niet. Dan gaat die God van ons inderdaad alle verstand te boven, want hoe die wereld en alles wat daar bij hoort er is gekomen dat weten we nog niet, daar hebben we de wetenschap voor. Daarom is het ook maar goed dat we ons alleen met mensen bezig hoeven te houden. Niet met de machtigen en de rijken, niet met de idolen de nummers 1, maar met de minsten, de zwaksten, de armen. De  orde die de God van Israël heeft geschapen en de wanorde die de wereld zo vaak no vertoond maken het ons duidelijk.

Bij die wanorde ontmoeten we God de Schepper die de machtigste is op aarde. Daar wordt mensen recht gedaan, daar is het leven waarachtig. Daar wordt de scheiding aangebracht tussen licht en duister, tussen vaste grond onder je voeten en duister water waar je in kunt verdrinken.  Daar is het pas de moeite waard om ook vandaag weer mee te gaan doen aan het scheppen van vrede, orde en recht voor mensen.

De Bijbel kan soms heel ingewikkeld doen. Met fraaie formuleringen worden de meest ingewikkelde zaken besproken. Dat moet soms ook wel. Toen de leerlingen van Jezus van Nazareth de wereld van het Romeinse Rijk introkken kwamen ze daar niet alleen allerlei godsdiensten tegen maar ook een menigte aan filosofen die niet zoveel met godsdienst te maken wilden hebben.

Paulus bijvoorbeeld kwam uit Tarsus waar een beroemde filosofische school van de Stoa was gevestigd. Ook met die filosofen moesten de leerlingen van Jezus van Nazareth in discussie en de sporen daarvan vindt je op tal van plaatsen in het Nieuwe Testament terug. De boodschap van de Bijbel is echter heel eenvoudig. Jezus van Nazareth zelf zou eens opmerken dat zelfs een kind het kan begrijpen. En in de passage van vanmorgen lezen we de kern van de Bijbelse boodschap in al haar eenvoud: “Heb elkaar lief”. Het lijkt bijna een lied zoals het hier is opgeschreven. “Jullie moeten mij lief hebben en ik heb jullie liefgehad”, dan heb je de Vader lief en dan heb je elkaar lief.

Als je Jezus liefhebt ben je geen slaafse volgeling van iemand die het bij het rechte eind heeft, nee dan ben je een vriend en kun je zelfs hem de waarheid zeggen. Juist als je gehoord hebt wat Jezus van Nazareth je te zeggen hebt dan weet je dat je dat zelf niet hebt hoeven te kiezen maar dat je zijn Weg mag gaan. In het verhaal van Jezus van Nazareth zijn het de leerlingen die geroepen zijn om Hem te volgen. In de Christelijke Kerk gelooft men daarom vanouds dat alle gelovigen geroepen zijn om Hem te volgen.

Als je je naaste liefhebt als jezelf dan kun je niet anders dan die roep van Jezus van Nazareth doorgeven, hoe meer mensen immers hun naaste liefhebben als zichzelf hoe dichterbij het Koninkrijk van Jezus van Nazareth komt. Dat is ook de kern van het vrucht dragen, een betere wereld vormen waarin plaats is voor iedereen en waar iedereen voldoende te eten heeft en mag leven. De roep om de Weg te gaan van Jezus van Nazareth klinkt gelukkig niet maar eenmaal in ons leven. Die roep klinkt elke dag, elk moment van de dag, weer opnieuw, die roep klinkt onophoudelijk.

Ame

Read Full Post »

Lezen : Micha 4:1-5

Johannes 21: 15-24

Gemeente,

Mooi hè, dat verhaal van Micha. Dat vond hij zelf ook anders had hij het niet overgenomen, want het is een lied dat ook al in het boek van de profeet Jesaja voorkwam. Dominee Jan Wit heeft dat lied van Jesaja berijmd en dat staat ook in ons Liedboek. Een prachtige droom. Maar Jan Wit heeft er nog wat bijgeschreven. Die toelichtingen op de gezangen staan niet in het liedboek zelf, Maar de toelichting op Gezang 23 is zo veelzeggend dat ik u haar niet wil onthouden.  Volgens Jan Wit kunnen we dit lied niet in de mond nemen wanneer wij niet bezield zijn door een vruchtbaar verlangen naar nieuwe verhoudingen tussen mensen en de volken en wanneer wij niet bereid zijn aan de realisering daarvan mee te werken, dat was dus al de bedoeling van het liedboek uit 1973, waar het lied als gezang 23 voor kwam. Het lied van Jesaja en Micha is dus niet een lied waarmee wij de goede aarde naar het eind van de geschiedenis kunnen schuiven, zodat we nu tevreden over de afloop achterover kunnen leunen en de geschiedenis haar gang kunnen laten gaan. Uiteindelijk zal het goede overwinnen.

 Dat “Eens zal de dag komen” zoals de Nieuwe Bijbelvertaling het Hebreeuws vertaalt, of “In het laatste der dagen” zoals de Statenvertaling en de vertaling van het Bijbelgenootschap uit 1951 vertaalden, kan ook vertaald worden met “uiteindelijk”. Dan hoeven we niet meer te puzzelen over de vraag wanneer dat buiten ons om zal komen, maar kunnen we er direct aan beginnen. Vertalingen zijn per slot ook niet veel anders dan mensenwerk. Het komt pas goed als alle volken zich scharen rond de richtlijnen voor de menselijke samenleving die aan Israël zijn gegeven, de richtlijnen die zich laten samenvatten als heb God lief boven alles en dat doe je door je naaste lief te hebben als jezelf. Dan staat de Tempel waar die Wet het hart van is rotsvast verheven boven alles wat op aarde zich verheven vindt.

Dat wat als het allerbelangrijkste werd bewaard in de Tempel in Jeruzalem, de richtlijnen die het volk in de woestijn had gekregen, zal het hart van de wereld gaan vormen. Dat is pas toekomstverwachting, in theologische termen is dat de theologie van de hoop, de hoop dat uiteindelijk de liefde zal regeren. Een lied om luidkeels met Micha mee te zingen, zoals het lied eeuwenlang werd gezongen als het volk Israël naar de Tempel trok om maaltijd te houden met de familie, het personeel, de levieten, de vreemdelingen en de armen. De komst van de bevrijding van alle armen en onderdrukten in de hele wereld is en blijft het einddoel.  

Voor gewone eenvoudige mensen is dat toch wel wat erg veel om zomaar aan te beginnen. Er staat in de Bijbel ook het tegendeel, niet de zwaarden tot ploegijzers omsmeden maar de profeet Joël roept het volk op om de ploegijzers tot zwaarden om te smeden. Joël heeft het over de rovers die ons bedreigen, naar aanleiding van een sprinkhanenplaag heeft hij het over de opvreters. Die kennen we vandaag de dag ook nog, de managers in maatpakken die meer bonussen opstrijken dan een land kan bezuinigen. En Joël en Micha zijn allebei hoofdstukken uit het boek van de 12 profeten.

Lang hebben we dat boek gelezen als een verzameling van twaalf verschillende boeken maar ze horen wel degelijk bij elkaar en belichten onze wereld steeds van verschillende kanten. Samen met de droom van Micha klinkt de oproep van Joël. Voor de tijd dat de dagen aanbreken waar Micha over zingt heeft het Bijbelverhaal dan ook een prachtig antwoord. In die tussentijd moeten we oppassen dat slimme leiders er niet met onze schijnbare onmacht vandoor gaan. Micha roept ons op naar de Berg van de Heer te gaan om ons te laten onderrichten, een prachtig woord voor leren, we leren de richting van de weg die we moeten gaan.

We weten dat de Wet van Liefde en Recht ons richting kan geven. Het is een Wet die uiteindelijk bedoeld is je op weg te zetten, om je in beweging te brengen. Misstappen moeten daarbij voortdurend aan de kaak worden gesteld om de rechte koers te behouden. Misstappen van de leiders van de wereld, van de politici in ons land en onze stad, maar ook misstappen van organisaties en individuen die ons leven beïnvloeden en die onze zorg gestalte zouden moeten geven. We zullen stem moeten blijven geven aan de ontrechten tot het recht is verkregen.

Bij die zorg om de rechte koers, de koers van de Liefde, van de bevrijding van armen en ontrechten past ook uitstekend het beeld van de herder zoals die in de Bijbel wordt gebruikt. Abel, Abraham, Izaak en Jacob, Koning David, waren allemaal herders. Herder in Israël was een zware en verantwoordelijke taak. In de onontgonnen wildernis waren rovers en roofdieren uit op de kuddes. En de herders van Israël werden opgeroepen het volk als kudde te zien en te beschermen tegen aanvallen van buiten, herders die hun werk alleen als baantje wilden zien en geen risico’s wilden lopen werden door de profeten bestraffend toegesproken. De God van Israël zou hen verjagen en zelf als herder optreden en herders aanstellen die in zijn geest wilden werken.

We kennen natuurlijk allemaal wel Psalm 23 waarin de dichter de God van Israël als herder belijdt die hem zelfs steunt in het dal van diepe duisternis. Zo komen we bij het nieuwe testament en bij het Evangelie van Johannes waaruit we vanmorgen hebben gelezen. Johannes had al geschreven dat Jezus van Nazareth zichzelf had aangeduid als de goede herder, een herder die zelfs zijn leven zou geven voor zijn schapen, dat in tegenstelling met de religieuze autoriteiten van zijn dagen. Die hadden een overeenstemming met de bezetters, de onderdrukkers van het volk. Die priesters hadden het volk in toom willen houden om bloedige conflicten met de Romeinse bezetter te vermijden en de positie van de Tempel veilig te stellen.

Jezus van Nazareth had het volk van die bezetting willen bevrijden door iedereen mee te nemen in een leven van liefde. Vanmorgen hebben we in het bijzonder gelezen over de ontmoeting die Petrus had na de opstanding van Jezus van Nazareth. Hij was met zijn medeleerlingen teruggegaan naar Galilea en had zijn oude beroep van visser weer opgepakt. Wat kun je anders? Het graf was leeg, het verhaal was uit. Maar de hele nacht hadden ze gevist en niks gevangen. Tot de ochtend aanbrak. Toen stond er iemand aan de oever die gevraagd had om vis. Ze hadden hem moeten teleurstellen. Maar de onbekende had hen geraden om het net aan de andere kant van het schip uit te werpen. Toen konden ze het net bijna niet binnenhalenDe onbekende vreemdeling blijkt aan de oever van het meer al een vuurtje te hebben aangelegd en daarop vis te hebben geroosterd. Als hij aanbiedt dat voedsel met hen te delen herkennen ze in deze vreemdeling Jezus van Nazereth. En terwijl zijn collega’s nog sjouwen om het volgeladen net binnen te halen sprint Petrus al naar de Opgestane Heer.

In de dagen dat dit verhaal moest worden uitgelegd aan gelovigen die maar pas kennis hadden gemaakt met de weg van Jezus van Nazareth werd dan ook uitgelegd dat Petrus aan alle volken en  alle soorten mensen het Evangelie van Jezus van Nazareth moest verkondigen en dat alle gelovigen dat moesten gaan doen. Alle mensen, blank, zwart, bruin, geel, groen of paars moeten we meenemen op de Weg van Jezus van Nazareth. Daarbij mogen we er geen een vergeten. Zoals een goede herder een schaap zal gaan zoeken dat is afgedwaald zo moeten wij zorgen dat iedereen mee kan gaan doen.

Iedereen die denkt dat je het met één soort kan doen, alleen nederlandse mensen bijvoorbeeld, bewandelt dus niet de Weg van Jezus van Nazareth. Hoe die weg is lezen we op vier verschillende manieren, maar we worden in elk van die verhalen geroepen om Hem te volgen, ook vandaag. Maar dan dat gesprek tussen Petrus en Jezus van Nazareth. Hoe zit dat nu in elkaar? Drie maal wordt aan Petrus gevraagd of hij Jezus van Nazareth lief heeft. Dat roept herinneringen op aan het proces van Jezus. Tijdens het laatste avondmaal had Jezus aan Petrus voorgehouden dat die dezelfde nacht nog drie maal zou ontkennen dat hij Jezus van Nazareth kende. Petrus had dat heftig ontkend, zoiets zou nooit kunnen gebeuren. Maar toen de soldaten kwamen om Jezus gevangen te nemen had Jezus uitdrukkelijk verboden om er iets tegen te doen en had hij de soldaten bijna gesmeekt om zijn volgelingen er buiten te laten. Dat was ook gebeurd. Nu was er een volgeling die toegang had tot het paleis van de Hoge Priester waar het proces plaats had, zo vertelt Johannes ons. Die volgeling had Petrus meegenomen naar binnen. Daar was Petrus drie maal herkend als volgeling van Jezus en drie maal had hij ontkent Jezus van Nazareth te kennen. In het verhaal van Johannes kun je ook lezen dat Petrus niet anders kon dan loochenen om de andere volgeling niet in gevaar te brengen.

Als Johannes vertelt over de begrafenis van Jezus van Nazareth dan wordt niet alleen Jozef van Arimatea genoemd maar ook Nicodemus, lid van het Sanhedrin dat Jezus van Nazareth had laten arresteren. En van die Nicodemus hadden we al gelezen dat die in de nacht, in het geheim, bij Jezus op bezoek had moeten komen. Als Petrus een echte volgeling van Jezus van Nazareth was had hij dus niet anders gekund dan de andere volgelingen in bescherming te nemen zoals Jezus had gedaan en dat betekende dat hij niet anders had gekund dan ontkennen Jezus ooit gekend te hebben.

Drie keer krijgt Petrus dus de vraag of hij Jezus liefheeft. Was die verloochening uit angst voor zijn eigen veiligheid of uit liefde voor de volgeling die hem had meegenomen naar het proces? Want pas als vaststaat dat het niet uit angst is, uit eigenliefde, dan pas kan Petrus de taak aan die voor hem is weggelegd. Angst voor ons eigen lot mag ook voor ons niet de richtlijn zijn, geloof heet niet voor niets ook vertrouwen, vertrouwen op de God die nooit laat varen het werk dat zijn hand begon. Ons individueel lot weegt ook nooit op tegen het lot van de beweging van liefde die met Jezus van Nazareth is begonnen. Drie maal wordt de vraag gesteld, want drie is het goddelijk getal.

Maar drie keer klinkt ook de goddelijke opdracht en die zijn niet altijd hetzelfde. De eerste opdracht is: “weid mijn lammeren.” De kleintjes eerst dus, de zwaksten, de lammeren, staan voorop. De lammeren ook die geslacht werden en wier bloed aan de deurpost werd gesmeerd om de dood tegen te houden. Dan: “weid mijn schapen.” Ook de groten, de sterkeren die je tegenkomt mag je wijzen op de vruchtbare weg die voor hen in het verschiet ligt, maar als het er echt op aan komt, dan klinkt het: “hoed mijn schapen”, bescherm ze, verdedig ze tegen aanvallen van buiten. Je bent verantwoordelijk voor ze. In dat “hoed mijn schapen” klinkt de vraag van Kaïn door, “ben ik mijn broeders hoeder? “ Ja dat ben je dus, dat is niet alleen een gegeven, dat is een opdracht, een roeping.

Die roeping brengt je niet op een gemakkelijke weg. Die gemakkelijke weg is er als je nog jong bent. Dan zijn er anderen die voor je zorgen, dan kun je gaan en staan waar wil, dan kun je je eigen leven uitstippelen. Maar naarmate je ouder wordt kan dat minder en minder, steeds meer verantwoordelijkheden eisen je op. Petrus heeft daar al kennis mee gemaakt, hij was gedwongen iets te doen waar hij zich hartstochtelijk tegen had verzet, ontkennen dat hij Jezus van Nazareth kende, maar hij kon niet anders. Hij had ook gehoord dat de weg van Jezus van Nazareth betekent een kruis opnemen achter hem aan.

Hij wordt opnieuw geroepen Jezus te volgen en dat kan betekenen een marteldood, volgens de overlevering zou hij ook een marteldood sterven in Rome, maar dat staat dus niet in de Bijbel. Wij moeten ons dus niet laten leiden door het vooruitzicht dat het wel eens slecht met ons af zou kunnen lopen. Petrus wil dat wel, hij zorgt gelijk voor de dicipel die Jezus liefhad. Die zou dan immers ook de kans lopen op een marteldood? Jezus neemt dat terug. Wij weten niet wat er met ons zal gebeuren, dat ligt in de handen van de Vader, dat gaat ons niet aan. Het ging overigens over de schrijver van dit Evangelie die er aan toevoegt dat er nog veel meer te vertellen valt maar dat het meerdere niet bijdraagt tot een beter verstaan van het verhaal van Jezus van Nazareth.

Hebben wij nu ook nog wat met Petrus? De Rooms Katholieke kerk heeft er zijn pausambt op gebouwd, juist op de tekst die we vandaag gelezen hebben. Dat zou ook voor ons ook mooi gemakkelijk zijn want dan konden ook wij het boek sluiten en overgaan tot de orde van de dag. Er is immers iemand anders die voor de kudden moet zorgen? Maar protestanten hebben het gevoel dat het daar niet bij kan blijven. We kunnen het niet aan een ander overlaten, een ander verantwoordelijk maken voor de komst van het koninkrijk van God. In de opdracht die Petrus kreeg, hoedt mijn lammeren, weidt mijn schapen, voelen we ook een opdracht voor onszelf, we spreken in dat verband wel over het ambt van alle gelovigen Dat is niet gemakkelijk.

We kennen het allemaal wel. We hebben een prachtige kerkdienst gehad waarin de droom van Micha en Jesaja in schitterende kleuren ons werd voorgehouden en we luidkeels de lof van God konden zingen. We spraken er nog over bij de koffie en misschien de rest van de zondag ook nog. Maar dan komt het leven van alledag weer en wat dan? Dan hebben we die kerkdienst soms meer nodig dan op zondag. Er is een ander woord voor kerkdienst dat ik eigenlijk veel mooier vind. “Godsdienstoefening” Hier oefenen we onze godsdienst. En hoe dan?

We brengen dat hier tot uiting in de collecte en in de voorbeden. Als bijna alles gezegd is dan schenken we uitgebreid aandacht aan wat we in de week te doen hebben en aan de collecte. In die collecte oefenen we in het liefhebben van onze naaste, in het delen met elkaar, zodat we dat in de week die volgt nog veel beter kunnen doen. En de voorbeden zijn onze todo list. Eigenlijk zouden we aan al die zaken die genoemd worden wel iets willen doen, maar we weten niet hoe en wat, daarom noemen we het en leggen het bij God.

Dat is een begin, een oefening en als je door de week iets tegenkomt dat is genoemd dan flitst het vast weer door je heen: hier ging het over, dit is het weiden van de lammeren en het hoeden van de schapen, dit is het houden van onze naaste als van onszelf, dit is vrede brengen en recht verschaffen, dit is mensen tot hun recht laten komen. Dit is de weg gaan waarover Micha en Jesaja gezongen hebben. Die weg kunnen we door het te oefenen elke dag opnieuw herkennen, die weg kunnen we daardoor ook elke dag opnieuw weer opgaan, ook de komende week.

Amen.

Read Full Post »

Lezen: Jesaja 26:1-13

Johannes 20: 24-31

Gemeente

In de Adventsdagen, de dagen dat we in afwachting zijn van de geboorte van Jezus van Nazareth, klinkt nog wel eens het gezang “Hef op uw hoofden, Poorten wijd, wie is het die hier binnenrijdt?” Nu zijn het op dit moment geen zondagen in de advent maar is het vandaag de eerste zondag na Pasen, Beloken Pasen. Overal in het land zijn gastvoorgangers actief omdat we de 40 dagentijd ons voorbereid hebben op het lijden van Jezus en op Goede Vrijdag zijn dood hebben herdacht om in de Paasnacht bijeen te komen voor de voorbereiding op de opstanding en de vernieuwing van de doop en daarmee van ons geloof. Op paasmorgen mag dan de roep klinken dat de Heer waarlijk is opgestaan. Drukke dagen voor gemeentepredikanten, drukke dagen voor lege kerken, een organist, een ouderling en enkele zangstemmen, een lector en dat was het wel. Hopen dat er veel mensen luisteren naar kerkdienstgemist en dat mensen die rechtstreeks luisteren anderen attenderen op de dienst die je nog de hele week kunt beluisteren,

Waarom dan toch die vraag naar wie onze sterke stad wil binnenrijden? De lezing die we uit het boek van de profeet Jesaja hoorden vanmorgen? Jesaja heeft het over Jeruzalem, een stad die in het verhaal van Jesaja werd belegerd en bedreigd met verwoesting. Maar ook een stad met een bijzondere Tempel, een Tempel waar niet een beeld stond van de een of andere God maar waar de grondregels werden bewaard  van de leer van Mozes. Grondregels die ze hadden gekregen toen ze echt een volk werden, een volk op weg naar een land overvloeiende van melk en honing.

Die leer van Mozes, die in de Tempel werd bewaard, geeft de armen van de stad een bescherming sterker dan de sterkste muur zegt de profeet in dit gedeelte van het Boek van de profeet Jesaja. Armoede is geen natuurverschijnsel. onrechtvaardige verdeling van kennis, inkomen en macht blijft niet vanzelf in stand.

Dat verlangen naar de Heer die je bevrijd van de bedreiging met de dood hoort volgens het Boek van de profeet Jesaja bij het gaan van de paden van het recht van die Heer. Volgens de profeet zijn het de goddelozen die dat recht nooit zullen leren. Het zijn de verdrukten en vertrapten die een beroep doen op dat recht en blijkens deze passage dat beroep ook nooit vergeefs zullen doen. Het is niet onbelangrijk te blijven beseffen dat het verlangen naar God niet kan zonder recht te doen aan de minsten.

Overal op de wereld zijn er religieuze leiders die je anders willen doen geloven. Persoonlijke verhoudingen met God, op je knieën en bidden maar, je hart openen voor God, zijn allemaal zaken die met het geloof in de God van Israel, met Jezus van Nazareth te maken zouden hebben. Niets is dus minder waar. Recht doen aan mensen, daar gaat het om. De hongerigen voeden, de naakten kleden, de bedroefden troosten, de blinden laten zien en de lammen laten lopen, de gevangenen bezoeken en de armen bevrijden is het hart van de godsdienst, dat is bidden, dat is de uitdrukking van het verlangen naar de Heer.

Want waarom schrijven we “Heer” met een hoofdletter. Dat is niet zozeer uit eerbied voor God. Het is geen bewijs van ondergeschiktheid, we kunnen deze God immers ook als Vader aanspreken. Maar het is de ontkenning van alle machten en krachten in deze wereld die zich buiten Gods grondregel van Liefde menen te mogen stellen. Juist onder de macht van de goddelozen lijken mensen dood, ze spreken niet meer vrij, ze verstijven in hun gedrag, ze mogen niet meer en anders bewegen dan zoals de machthebbers toestaan.

We kennen ze uit alle bedreigende situaties die in onze samenleving en in de samenleving van volken kunnen voorkomen. Die doden komen tot leven als we mensen recht willen doen. Daar waar volken bevrijdt worden van onderdrukking kunnen we er weer een echt contact mee hebben, zien we weer de culturele uitingen, horen we van ideeën en gedachten. Daar waar mensen bevrijdt worden van angst bloeien mensen weer op.

Daar waar armen bevrijdt worden van knellende armoede komen zij weer tot hun recht, blijkt hun creativiteit, brengen ze vreugde mee op de arbeidsmarkt, weten ze een voorbeeld te stellen in het delen met hen die het nodig hebben. Het zijn de paden van het recht van die ene Heer die ons naar de bevrijding voeren. De Bijbel stelt eigenlijk dat er ook geen andere weg is. Je kunt de bevrijding niet afdwingen met geweld, je kunt het niet opleggen aan anderen. Alleen door je naaste lief te hebben als jezelf, ja zelfs je vijanden lief te hebben, komt uiteindelijk de bevrijding. Daar moet je zelf mee beginnen, maar het is een zaak van de hele samenleving en alle volken zullen er uiteindelijk aan meedoen.

De vraag is voor wie wij onze Poorten open doen? Is dat voor de ontrechten, de vluchtelingen die worden vervolgd, de armen die geen toekomst meer hebben? Doen wij de poorten open om mensen recht te doen? Of doen wij onze Poorten alleen open voor de rijken en de machtigen van deze aarde. De mensen aan wie we kunnen verdienen, die zichzelf tot hun recht kunnen laten komen omdat zij het recht halen kunnen betalen. Zoals UuberPop dat een miljard uittrekt om rechtzaken te kunnen voeren, zo lang  houden ze dat vol totdat het recht zich aan hun kant zal scharen.

De vraag voor wie wij gastvrij zijn speelt ook in het verhaal dat we vandaag uit het Evangelie hebben gelezen.

Het is dus vandaag al weer een Christelijke feestdag, Beloken Pasen heet die. Het is de achtste dag na Pasen en de eerste zondag na Pasen. In de kerken lezen we dan ook graag over de verschijning van Jezus van Nazareth na de kruisiging aan de volgelingen. Zo zal er veel gepreekt worden over dat verhaal van de mensen die wandelden naar Emmaüs en daar Jezus ontmoeten.

Wij lazen dat rare Pinksterverhaal uit het Evangelie van Johannes. Johannes vertelt dat de leerlingen als angstige vogeltjes samen waren weggekropen, bang dat ze hetzelfde lot zouden ondergaan als Jezus. Die angst verdween toen Jezus in hun midden kwam staan en hun zijn handen toonde waar de spijkers van het kruis doorheen waren gegaan en de wond in zijn zij.

Dat zij de deuren hadden gesloten hield Jezus niet tegen. Hij komt zelfs door onze gesloten deuren, als wij onze grenzen sluiten, onze poorten barricaderen komt Jezus toch bij ons binnen en vraagt ons wanneer wij hem te eten dachten te geven, wanneer wij hem dachten te verzorgen omdat hij ziek is, wanneer wij hem dachten te gaan kleden omdat hij naakt is/ Ook al schuilen wij weg als bange vogeltjes, hij komt toch bij ons binnen. Toen op die eerste dag van de week, toen op beloken Pasen, stak de Pinksterwind  op en bevestigde Jezus dat ze genoeg hadden geleerd om mensen hetzelfde verhaal te vertellen als hij altijd aan de mensen had verteld.

Houd van elkaar als van jezelf was het hart van dat verhaal dat de liefde doorzette door de dood heen. Je zou het zelf willen zien want het is natuurlijk ongelooflijk. Thomas was zo iemand die het zelf wilde zien en toen pas geloofde. Thomas mocht het zien en voelen, voor Thomas kreeg het verhaal handen en voeten en Johannes vertelt het alsof Jezus daar iedere zondag langs kwam. Maar het volhouden van de liefde in Christus en de gevolgen daarvan zijn inderdaad ongeloofelijk.

Het is te doen, je kunt er immers altijd weer opnieuw mee beginnen. Jezus had zijn leerlingen nog op het hart gebonden dat er altijd bij te vertellen, je kunt er altijd weer opnieuw mee beginnen. En ook al zie je het resultaat niet, juist als je doorgaat dwars door alle liefdeloosheid, dwars tegen alle haat en doodsheid heen, zul je merken dat het geluk niet zit in winst en profijt, in uiterlijk vertoon, maar in de liefde voor de naaste. Dat zijn wonderen die je voor je zelf houd en verder niet opschrijft, maar dat zijn wonderen die door miljoenen mensen in de geschiedenis zijn gedeeld en tot vandaag de dag de hele aarde over gaan.

Aan ons om die Liefde ook in onze eigen omgeving levend te houden en door te geven, om er meer en meer mensen bij te betrekken. Het Koninkrijk van Jezus is immers aangebroken en dat je iemand vrede wenst klinkt zo gek nog niet. Die vrede kan komen, die vrede zal aanbreken, niet omdat wij er hard aan werken maar omdat de God van Jezus van Nazareth het ons heeft beloofd. Omdat Jezus van Nazareth is opgestaan van de doden zoals wij mogen geloven. En omdat wij er in mogen geloven werken we er aan mee, tot de aarde zo mooi is geworden dat God zelf hier zal willen wonen. Er wacht ons nog heel veel werk, laten wij dus niet wachten maar zoals Jezus ons opgedragen heeft zorgen dat alle mensen op aarde mee gaan doen. Hij schenkt ons daarvoor zijn Geest, zijn kracht, aan het werk dus.

Amen.

Read Full Post »

Gemeente,

Bent U geroepen? Heeft u de stem gehoord? In de nacht, toen je lag te slapen? Of zo maar tijdens je dagelijks werk? Veel mensen hebben geen idee. Als je stemmen hoort in je hoofd dan wordt het toch tijd dat je eens met je dokter gaat praten. Maar een roep van de God van Israël. Of van zijn zoon Jezus van Nazareth? Voor mij is in de loop van de jaren duidelijk geworden hoe dat nu zat met die mensen uit dat verhaal van Mattheüs 25, u weet wel, die mensen die vroegen wanneer ze de Heer dan te eten hadden gegeven, of te drinken, of gekleed, of bezocht in de gevangenis. Telkens bleken ze zijn roep gehoord te hebben maar ze hadden geen idee, er was een mens die hulp vroeg, een hand die uitgestoken werd, een ezel om een zieke te vervoeren en ondanks alles hadden ze de hulpvraag gehoord en geantwoord en pas veel later hoorden ze dat ze wat ze aan de minsten van zijn mensen hadden gedaan aan hem hadden gedaan. Daar gaat dat roepen dus over en dat geroepen worden.

Dat geroepen worden is niet een abstract, geestelijk gebeuren, het is concreet, het gebeurt op een concrete tijd en plaats. Neem nu de roeping van Samuël. Die was door zijn moeder aan God aangeboden. Hij zou opgroeien tot een zeer opvallende gestalte, zijn haar bleef aan alle kanten groeien, een man met een lange baard en zeer lange haren zou hij worden. Maar bij zijn roeping is het nog niet zo ver. Dan is hij nog maar een hulpje in de Tempel. Een hulpje van een oude blinde priester Eli. Zijn zonen zouden priester moeten worden maar die trokken zich van de God van Israël niet zo veel meer aan. En in het volk was het niet veel anders, niemand meer die nog droomde van een samenleving van recht en gerechtigheid staat er dan.

Er is echter nog wel een besef van God. De Godslamp was nog niet uit staat er in het gedeelte dat we gelezen hebben. Die lamp bleef altijd branden in de Tempel. Samuël sliep achter de Ark. Die rare kist van acaciahout waar een soort engelen op stonden als beschermers maar waar de God waarom het ging ontbrak. Er lagen stenen platen in die Ark zei men, waar de richtlijnen op stonden voor het inrichten van een menselijke samenleving. En in zijn slaap werd Samuël gewekt. Samuël, Samuël klinkt het, zoals ook eens Mozes werd geroepen, twee keer zijn naam. Nu betekent de naam Samuël “God hoort” . Samuël hoort het ook maar heeft nog geen weet van God. Pas als na de derde keerde de Priester een licht op gaat en hem naar God verwijst komt het zo ver. Samuël krijgt te horen dat het slecht zal aflopen met dat Priestergeslacht. Samuël zal op zoek moeten naar een leider van het volk die een man naar Gods hart genoemd zal kunnen worden. Het gaat er dus niet om dat de positie van Samuël zelf hem groot maakt en macht en gezag verleend.

Marcus onderstreept graag dat ook Jezus van Nazareth niet op aarde rondliep om zichzelf groot te maken of zichzelf groot te laten maken. Hij liep gewoon langs het meer en ging gewoon naar de synagoge net als alle andere Joden deden. Hij had alleen wel een bijzondere boodschap die het begin is van het gedeelte staat dat we vandaag gelezen hebben. Zijn boodschap was dat het Koninkrijk van God nabij was, de tijd was aangebroken voor dat Koninkrijk en dat was voor de mensen goed nieuws.

Dat Koninkrijk van God kenden ze. Johannes de Doper had het al aangekondigd, dat rijk waarvan de profeten hadden gesproken zou in hun dagen komen. Volgens de Bijbel zou Johannes gezegd hebben dat ze tot inkeer moesten komen, dat wie twee mantels had er een zou moeten weggeven aan iemand die er geen had. Wij kennen die uitspraak beter uit de Bergrede die Jezus later in het verhaal zou houden.

Maar over die nieuwe samenleving, dat Koninkrijk hadden de profeten al gesproken. De leeuw zou met het lam slapen en een baby in het hol van de slang. De tranen zouden gewist worden en God zelf zou op aarde komen wonen. De bezetting door de Romeinen zou voorgoed voorbij zijn.

Vrede zou het zijn op de hele aarde en armoede en onderdrukking zouden eindelijk voorbij zijn. Dat was wat er vanouds was beloofd en nu was er iemand die kwam vertellen dat het ook werkelijk zou gebeuren. Geen wonder dat mensen hem wilden volgen. Het hele volk had zich immers al laten dopen door Johannes zo vertelt Marcus maar nu Johannes gevangen is genomen begint het optreden van Jezus van Nazareth.

En volgelingen krijgen en een boodschap brengen waar iedereen op zit te wachten wekt zonder meer bewondering. Als iemand zegt waarop het staat, iedereen de ogen opent voor de werkelijkheid, dan heeft zo iemand gezag. Dan gaat het nieuws rond als een lopend vuurtje. Of de mensen het echt hebben begrepen is maar de vraag. Ze spraken over een nieuwe leer. De richtlijnen die ze ooit in de woestijn hadden gekregen, dat van heb Uw naaste lief als uzelf waren bijna vergeten en vervangen door het gehoorzaam Uw priesters en breng tijdig grote offers om de priesters te onderhouden.

Het was als in de dagen dat Samuël werd geroepen. Dromen van een andere samenleving was beperkt tot het dromen van het einde van de Romeinse bezetting. Een samenleving van recht en gerechtigheid, van vrede en verdraagzaamheid daar werd niet meer van gedroomd.

Het zijn vissers die geroepen worden. Gewone mensen die weet hebben van hard werken, die weet hebben ook van nachten dat de vangst uitblijft, dat er angst is dat honger zal toeslaan. Na de kruisiging en de opstanding, de opwinding ook in Jeruzalem zullen ze weer terugkeren, dan gaan ze weer vissen, dan zullen ze Jezus opnieuw ontmoeten en leren dat ze hun netten aan de andere kant moeten uitwerpen, dat ze een andere weg te gaan hebben.

Ook zij worden niet geroepen om Koningen te zijn. Ze moeten hun werk in de steek laten, hun verwanten laten zitten met het werk van alle dag. Dat zal ze niet in dank zijn afgenomen. Die Petrus had zelfs een gezin, later zal Jezus nog eens zijn schoonmoeder genezen in Kapernaüm. Maar ze gaan op weg. Ze voelen aan dat het bij Jezus van Nazareth om meer gaat dan om het verjagen van Romeinen. Wat dat meerdere is moeten ze nog leren. Het begin is de roep te verstaan. Een roep die we misschien in ons leven niet zo concreet horen, misschien kunnen we zelfs niet zeggen wanneer het besef kwam dat we de roep van Jezus zouden moeten volgen. We zijn er immers vaak mee groot gebracht. Het is ons vaak letterlijk met de paplepel ingegoten. Daar is niks mis mee. Het gaat er immers niet om dat wij beter worden van het volgen van Jezus, maar dat de wereld er beter van wordt. Dat recht en gerechtigheid gaan regeren, dat vrede de wachter is bij onze muren zoals Jesaja dat zo mooi kan zeggen.

Het gaat er om dat er een aarde komt die zo mooi is dat God er zelf zal willen wonen. Waar een nieuw Jeruzalem komt met straten van goud en tronen waar God en Jezus op zitten om met hun Geest de hele wereld te regeren. Daarvoor mogen we alles in de steek laten wat ons door de wereld schijnbaar wordt voorgeschreven, carrière maken, rijk worden, machtig worden, aanzien verwerven, de eerste te worden in de vele competities die ons worden aangeboden. Eigenlijk worden we daarvoor dus elke dag opgeroepen en zeker op zondag als we naar de kerk gaan. Iedere keer wordt hier aangeraden om te antwoorden, Heer uw dienares, uw dienaar luistert en iedere keer horen we roep van de onderdrukten, zie we het lot van de minsten die onze hulp nodig hebben. We volgen Jezus van Nazareth, die tegen de leerlingen van Johannes zal zeggen kijk maar wat er gebeurt, de lammen lopen, de blinden leren zien, de bedroefden worden getroost.

Zo mag ook onze gemeenschap gezien worden, daar worden de hongerigen gevoed, daar worden de dorstigen gelaafd, daar is aandacht en zorg voor de minsten. Dat straalt een kerk uit, elke kerk, ook de kerk hier in Opperdoes. Elke dag mogen we daarvoor opstaan, zoals Samuël opstond, spreek Heer uw dienaar luistert is het enige dat we hoeven zeggen, en misschien zelfs dat niet, misschien hoeven we het alleen maar te doen.

Amen.

Read Full Post »

Lezen: Lukas 2: 33-40

Gemeente,

De beweging van Jezus van Nazareth is niet zomaar uit de lucht komen vallen. Al in de dagen dat hij geboren werd waren er velen in Israël die de komst van een bevrijder verwachten. Er waren dan ook al de nodige opstandjes geweest en er liepen regelmatig mensen rond die zich uitgaven voor de beloofde messias. Mensen met gelijke verwachtingen en overtuigingen zochten elkaar ook op. Uit opgravingen na de Tweede Wereldoorlog weten we ook dat mensen de bestaande samenleving verlieten en in de woestijn in communes gingen wonen.

Ook over Johannes de Doper vertelde Lucas al eerder dat hij in de woestijn ging wonen. Over Simeon en Hanna, waar we vandaag over gehoord hebben, wordt juist uitdrukkelijk verteld dat ze in de Tempel in Jeruzalem verbleven. Dat is de plaats waar zij de messias verwachten en zij herkennen in het kind, dat op de akker van David in Bethlehem geboren was, de beloofde bevrijder van Israël. Simeon begon te zingen van dat God hem nu wel kon laten gaan omdat zijn ogen het heil hadden gezien. Geen wonder dat Maria en Jozef verbaasd waren over wat ze hadden gehoord. Maar als je het heil voor de wereld ziet dan kun je je mond niet houden.

Daarom ook vertelde Hanna aan allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem over dit kind. Over die Hanna weten we verder niet zoveel. Ze was uit de stam van de gezegenden, dat betekent Aser, één van de tien stammen die na de ballingschap als zodanig niet meer was teruggekeerd, ze was de dochter van het gelaat van God, want dat betekent de naam Fanuël, haar eigen naam betekent genade. Ze was profetes en weduwe van beroep. Dat laatste klinkt hard maar de vermelding van haar leeftijd en haar naar verhouding korte huwelijk staan er niet voor niets.

De familie van haar man had voor haar moeten zorgen, daar had een man gevonden moeten worden die haar had willen trouwen. In de oude wetten van Mozes staat precies hoe ze dat hadden moeten doen. Maar in een paar woorden weet Lucas ons te vertellen dat die wetten voor die familie niets te betekenen hadden gehad en dat de wet van Mozes haar in elk geval geen bescherming had geboden. Nu maakte ze kennis met jonge mensen die alle risico’s genomen hadden met het wel weer gaan leven of de leer van Mozes nog steeds de geldende richtlijn voor het leven in Israël was. Daar mocht zij bevrijding uit haar benarde situatie van verwachten. Dat zou de bevrijding van Jeruzalem dichterbij brengen.

Want Jeruzalem was nu eenmaal de stad waar die oude richtlijnen voor de menselijke samenleving bewaard werden. Waar mensen naar toe kwamen om zich rond die leer te scharen en door met elkaar een maaltijd te delen weer te oefenen in de betekenis van die grondregel: heb uw naaste lief als uzelf.

Daarom is het vertrouwen van Maria en Jozef, om geen trouw te zweren aan Keizer Augustus maar te vertrouwen op de belofte van God dat die zou zorgen dat ooit het land door Jozua aan de voorouders van Koning David was toegewezen weer terug zou komen. Dat ze dat hadden gedaan van belang voor de hele bewoonde wereld.

Bevrijding van Jeruzalem betekende voor Hanna dat die leer weer tot gelding gebracht zou worden. Daar was die nieuwe koning uit het geslacht van David voor geboren, daar was de gezalfde, de Messias, de christus, voor op aarde gekomen. Zo mogen wij ons voegen in dit verhaal. Weer oog en oor krijgen voor de weduwe, zorgen voor mensen die lang afhankelijk zijn van hulp en bijstand, zorgen dat mensen weer zelf verder kunnen. Zorgen dat mensen door ons niet besmet worden met het Coronavirus, daarom geen kerkdiensten met veel mensen maar samen zijn via internet, door God ons gegeven.

Wij mogen er voor zorgen dat de grondregel van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf weer in het middelpunt van de wereld komt te staan. Zodat iedereen er bescherming van kan genieten. Daarom roepen wij mensen straks ook op zich te laten vaccineren, zodat we elkaar en vooral de zwaksten mogen beschermen. Wat voor ons is kerst het begin geweest van het Koningschap van de liefde. Wij mogen die liefde verspreiden, en daar mogen wij vandaag weer mee beginnen.

Amen

Read Full Post »

Gemeente

Het is dus de naamdag voor iedereen die op de een of andere manier naar Nicolaas zijn vernoemd. De Nico’s en de Klazen, maar ook de Nicolientjes en de Klazientjes en eigenlijk ook de Lientjes zelf. Al heel vroeg in de kerk was het de gewoonte om mensen die een voorbeeld waren voor gelovigen te blijven herdenken. Sporen daarvan zijn zelf in de brieven van Paulus terug te vinden. De Nicolaas, bisschop van Myra in Turkeije was zo’n voorbeeld. Over hem gingen verhalen over meisjes die hij een bruidsschat bezorgde en over jongens die hij uit de slavernij bevrijdde. Een kindervriend dus. Lastig is wel dat er twee bisschoppen Nicolaas van Myra zijn geweest, een oom en een neef. Over wie die verhalen gaan weten we eigenlijk niet meer. Maar het grote motto van het feest van Nicolaas : Eerlijk zullen we alles delen, blijft ons bezig houden. Eigenlijk hebben we het daar elke zondag wel over. En voor de kinderen zorgen is ons ook niet vreemd, we vragen als kerken niet voor niets onophoudelijk om die 500 weeskinderen uit Griekse vluchtelingenkampen te halen.

Het boek van de profeet Jesaja wordt in de adventstijd beleefd als het boek van de hoop op bevrijding. De tekst van het gedeelte van vandaag is gebruikt voor één van de meest populaire gedeelten uit de compositie Messiah van Händel. Het magistrale werk over de bevrijder die het volk terug zou voeren naar het beloofde land en de hele aarde zou bevrijden van alle uitbuiting, leed en ellende. Bergen en dalen zullen daarvoor verdwijnen, een tocht door de woestijn wordt dan een feestelijke reis die je zingend af kunt leggen.

Jesaja, zat met een groot probleem. De God van Israël had verloren van de goden van Babel. Zo was het geloof van de volken in die dagen, naast de oorlog tussen mensen voerden de goden van de mensen oorlog.  De oppergod van Babel, Marduk, had in de oorlog tussen Juda en Babel duidelijk gewonnen want zelfs het zilver van de Tempel in Jeruzalem was naar Babel overgebracht, samen met het volk.

Die Marduk moest wel een hele sterke God zijn want toen koning Nabonid van Babel zich afwendde van de godsdienst van Marduk en de maangodin Sin ging aanhangen verzwakte het rijk van Babel en kon het worden veroverd door Cyrus van Perzië. De priesters van Marduk openden de poorten van Babel  voor de veroveraar.

Cyrus besloot vrijwel direct de Joden terug te laten keren naar hun eigen land en gaf hen toestemming hun eigen God te gaan aanbidden en hun Tempel te herbouwen. Ze mochten zelfs het tempelzilver meenemen. Jesaja noemde Cyrus daarom Messias, de verwachtte bevrijder van Israël. Voor Jesaja bestaan de andere goden van de volken gewoon niet. Het is de God van Israël die alle machten en krachten van de wereld te boven gaat. Daarom vertegenwoordigen de teruggekeerde ballingen juist die God, een God waar je op kunt bouwen, die niet laat varen het werk dat ooit werd begonnen. Zelfs de heidense Koning Cyrus werd een werktuig in de hand van die God.

De eredienst van die God kon nu weer beginnen. En wat was de eredienst van die God dan wel? Daar draait het natuurlijk om. Dat was niet een mooie tempel met een prachtig beeld, veel priesters en veel offers. Dat was een Tempel waar het verbond met die God werd bewaard en gevierd. Dat verbond dat draaide om je naaste liefhebben als jezelf, daarmee heb je die God lief boven alles. Dat was wat die Priesters uitdroegen, zij spraken ook recht tussen de mensen en zorgden daarmee voor rechtvaardigheid. Zij zorgden er ook voor dat die offers werden gedeeld, met de armen en met de vreemdelingen. Daar hebben we het verhaal over eerlijk delen en zorgen voor de kleinen weer.  

Daarom begint dit verhaal van deutero Jesaja met een feestelijke optocht. God gaat voorop en de hele wereld loopt er achteraan, achter de God van vrede en gerechtigheid, als de Liefde weer gaat regeren op aarde.

Maar de vrede was van korte duur, het land Israël werd eerst bezet door de Grieken en werd geregeerd door een uiterst wrede Koning die zelfs een beeld van Zeus in de Tempel liet plaatsen. Hij werd verdreven door de Romeinen die net deden of het land weer een soort zelfstandigheid had door zelf Koningen op de troon te zetten die werden geholpen bij het regeren door Romeinse soldaten en die er op toe moesten zien dat de mensen belasting betaalden aan de Keizer in Rome. Opnieuw moest het volk haar positie tegenover de God van Israël bepalen, werd die God geheel verlaten, of was er een andere manier van aanbidden.

De door de Romeinse Keizer benoemde Koning had in Jeruzalem de Tempel laten herbouwen, een prachtig bouwwerk was het geworden, waar deftige priesters en hun aanhang de offers inden die gelovige Israëlieten lieten brengen. Vlak voor de dood van die Koning was Jezus van Nazareth geboren en als wij kennis maken met de pogingen van het volk een andere verhouding met de God van Israël te vinden horen we eerst het verhaal over Johannes, de profeet uit de woestijn, het is 30 jaar na die geboorte.

Maar wie was die Johannes eigenlijk? Trouwe Bijbellezers weten dat die in de woestijn woonde en sprinkhanen at. Hij riep op om de weg te bereiden voor de bevrijder van Israël. Een oproep die heel erg veel leek op de oproep van Jesaja om het bevel van Keizer Cyrus te volgen en terug naar Jeruzalem te keren om daar de stad en de Tempel te herbouwen.

Johannes riep de mensen op om op een andere manier dan ze gewend waren de God van Israël te eren. Volgens de Evangelist Lucas riep hij op om als je twee mantels had er één weg te geven aan wie er geen had. Wij kennen dat beeld uit de bergrede die Matteüs beschreven heeft, maar het was kennelijk een zeer oud gezegde binnen de christelijke gemeente. Het eerlijk zullen we alles delen begint dus al bij het optreden van Johannes.

De kenners van de Bijbel uit zijn tijd gingen toch eens vragen wat Johannes nou eigenlijk van zichzelf vond, hoe zag hij zichzelf in de geschiedenis? Hij riep net als een profeet vroeger het volk op om opnieuw de samenleving in te richten zoals God dat aan het volk in de woestijn na de bevrijding uit Egypte had onderwezen.

Ooit waren ze immers uit de woestijn gekomen het land van melk en honing in. Maar Johannes was in elk geval niet de reïncarnatie van de profeet Jesaja en ook niet van Elia, die ook nog een tijdje in de woestijn had gewoond. Johannes doopte met water, hij riep de mensen op hun oude leven af te wassen en opnieuw te beginnen, als voorbereiding op een leven met Jezus. Die doop was een reinigingsritueel. Het was ook onderdeel van de procedure die Heidenen moesten ondergaan als ze Jood wilden worden. Johannes vroeg dus eigenlijk of alle Joden weer Israëlieten wilden worden, volgers van de God van Israël.

Johannes stelde zich daarmee wel zeer uitdrukkelijk in de traditie van de profeten die hadden geroepen dat God geen offers wilde maar gerechtigheid. En voor de mensen die van de dienst in de Tempel leefden, de levieten en de priesters, was dat een gevaarlijke boodschap. Daar ging je broodwinning. Johannes wees op Jezus die na hem zou komen en het volk zou bevrijden.

De profeet Jesaja had het ooit eens gehad over een tafel vol met drank en uitgelezen spijzen die gratis klaar gemaakt was voor iedereen die mee wilde doen. Gewone mensen in Nederland dromen zich een keer per jaar ook zo’n tafel, dat doen ze met kerst. In de donkerste dagen van het jaar begint een nieuw leven.

Vandaag beginnen veel mensen al de boodschappen te doen en in de Geest van Jezus delen we ook met elkaar. De voedselbanken lopen over, van armen die ze hard nodig hebben en gelovigen uit de kerken die zondag na zondag voedsel inzamelen. Zwervers krijgen soms meer maaltijden aangeboden voor kerstavond dan ze op kunnen. Daklozen vroegen zelfs een keer om de feestmaaltijden maar in januari te organiseren. In elk geval moeten we oefenen om ook in januari gul te geven.

Het oude leven afleggen betekent wel ook echt met het nieuwe beginnen. Johannes kwam eerst en Jezus kwam daarna. We vieren het zo dat het verhaal van Jezus op Eerste Kerstdag begint, maar het moet niet op Tweede Kerstdag al uitverteld zijn.

Want het verhaal loopt uit op een hele nieuwe aarde. Een aarde die zo mooi zal zijn dat God zelf op deze aarde zou willen wonen. De Evangelisten vertellen dat heel het volk zich door Johannes liet dopen. Toen Jezus afscheid nam gaf hij volgens Matteüs zijn leerlingen de opdracht alle mensen op aarde te dopen, totdat de aarde voltooid zal zijn. Dan zal de dood op aarde niet meer heersen. Dan zal zelfs de zee haar doden teruggeven. Tot die dag mogen we meewerken aan de Weg van de God van Israël, zoals Johannes riep en Jezus ons voorleefde, tot de aarde voltooid zal zijn,

Amen 

Read Full Post »

Gemeente,

Aan het begin van de Bijbel staat hoe God de aarde en de hemel geschapen heeft. God was het die riep dat er licht moest zijn en scheiding maakte tussen licht en duister, het licht noemde hij dag en het duister nacht. God heeft dus de tijd geschapen. Maar zoals God geen schepsel is maar schepper zo staat God ook buiten de tijd. Dat is iets dat wij ons maar moeilijk kunnen voorstellen. Wij benoemen dat met een tijdsaanduiding, God is eeuwig. Maar een eeuw kunnen we meten, God is niet te meten, God staat ook buiten onze eeuwen, buiten de eeuwigheid.

En over die eeuwigheid hoorden we lezen uit het boek van de profeet Daniël. Als we het boek over Daniël lezen dan moeten we nooit vergeten dat het hele volk naar een vreemd rijk is gebracht, Babel, waar het volk in ballingschap wordt gehouden. Ze kunnen er werken, wonen, trouwen en zelfs hoge posities bereiken, maar ze blijven gevangenen die afhankelijk zijn van de grillen van vreemde vorsten. Daniël had een hoge positie bereikt maar blijft dromen van de tijd dat het volk weer in het eigen land zal wonen, hij blijft er vast van overtuigd dat het allemaal goed zal aflopen. Ook al is zijn hele volk weggevoerd naar het rijk van een machtig heerser, eens zullen ze terugkeren en dan zullen ze stralen als de sterren aan de hemel.

 In zijn dromen is er een legeraanvoerder Michaël, “hij die aan God gelijk is” betekent dat. De traditie heeft er een legeraanvoerder van God, een aartsengel, van gemaakt. Maar die Michaël zal het volk bevrijden, desnoods met geweld. Zoiets moet je dus niet al te vaak zeggen en zeker niet van de daken schreeuwen.

Daniël krijgt de opdracht die overtuiging maar geheim te houden. Mensen gaan vanzelf wel op zoek naar de zin van het bestaan en ontdekken dan hoe het zit. Steeds meer mensen komen tot de ontdekking dat polarisatie zonder gesprek geen enkele zin heeft. Mensen die onverschillig tegenover hun omgeving stonden, ze zijn als dood en liggend in het stof, staan op en nemen verantwoordelijkheid op zich voor hun omgeving, zorgen dan mensen weer samen gaan doen.

In de droom van Daniël zullen de goeden voor eeuwig voortleven en de slechten voor eeuwig worden verafschuwd. De mensen die het volk tot haar recht hebben gebracht zullen stralen als de sterren aan de hemel. Een prachtig beeld. Maar als je dat gaat rondbazuinen ontstaat er gelijk ruzie over de vraag wie bij de goeden en wie bij de slechten gerekend moeten worden. Het is daarom beter te blijven spreken over het ideaal zelf, de samenleving van je naaste liefhebben als jezelf, het land waar iedereen met iedereen deelt en dat daardoor overvloeit van melk en honing. Genoeg mensen zullen daar naar op zoek gaan, altijd weer, zelfs vandaag.

Er zijn een hele boel mensen gaan uitrekenen wanneer de tijd eindigt en de eeuwigheid begint. Volgens Jezus van Nazareth weet niemand dat, zelfs de zoon van God niet. Jezus van Nazareth waarschuwt dan ook  tegen dit soort valse Messiassen. Die berekeningen zijn uiteindelijk zaken die afleiden van de komst van het Koninkrijk. Daar gaat het om rechtvaardigheid en vrede. Om eerlijk delen met armen. Niet om de vraag wie de eeuwige vreugde krijgt en wie niet. Dat oordeel is aan God. In het Koninkrijk dat Jezus ons voorhoudt mag iedereen meedoen.

Jezus is hard tegen dit soort valse messiassen. Waar een lijk is zullen de gieren komen luidt het bij hem. De oorlog en de ellende zullen ons blijven omringen tot plotseling iedereen het inziet dat er maar één weg is die ons allemaal gelukkig kan maken. Voor het zover is zal het nog lang duren maar dat die tijd komt staat vast. En die komt ook als we er aan willen werken, als we er echt deel aan willen hebben. Tot die tijd komt zijn er vluchtelingen, zijn er slachtoffers, zijn er armen die op drift raken.

Tot die tijd lopen we ook het gevaar zelf mensen uit te roepen tot messias, tot bevrijder van onrecht en geweld.  De bijbel waarschuwt ons er tegen net als tegen dat rekenen om te weten wanneer de eindtijd komt. Kleine grapjes staan er ook in de Bijbel. Als het lente is lopen de takken van de bomen uit, komen er weer bladeren en verschijnt de bloesem. Als dus de takken gaan uitlopen, de bladeren verschijnen en de bloesem uitbot dan wordt het lente. Als het regent worden we nat.

Waar het om gaat is de vraag of we klaar zijn voor het einde van de geschiedenis en de nieuwe hemel en aarde die ons zijn beloofd. Dat na de donkere winter de lente zal komen is iets dat vast staat. Dat na de coronacrisis weer een gezonde samenleving ontstaat is een zekerheid. Het antwoord op de vraag of we er klaar zijn voor de eeuwige lente is helder. Er is nog veel vrede te winnen, er is nog veel armoede uit te bannen, er moeten nog veel mensen mee mogen doen. Velen zijn ons voorgegaan naar de eeuwigheid. Wij mogen ze ons vandaag herinneren en als wij ze ons herinneren dan herinneren we ook de warmte en het licht dat ze uitstraalden.

Een Joods spreekwoord zegt dat je pas echt dood bent als niemand meer je naam kent. Daarom noemen we vanmorgen de namen van hen die het afgelopen jaar ons uit onze gemeente zijn ontvallen. Om weer te gaan geloven en te verlangen naar de dag dat de eeuwigheid begint. Volgende week is de eerste zondag van de Advent.

Amen

Read Full Post »

Lezen: Ezechiël 34:11-17

Matteüs 25: 31-46

Gemeente,

Alle andere volken hadden ooit goden die zich met de Koningen en machtigen hadden verbonden, die stonden vooraan in Tempels en erediensten. Alleen Israël had een God die zich met slaven verbond en die sprak van bevrijding uit het slavenhuis. In de Tempel van de God van Israël werden maaltijden gehouden waar families aan tafel zaten met de dienaren van de Tempel, maar ook de armen, ook de slaven en de knechten en zelfs de vreemdelingen die bij hen aan het werk waren. Wie die bevrijding  van slaven tegenhoudt is goddeloos is de ogen van de Eeuwige.

Soms moet een volk dat ook weer eens opnieuw leren. Toen het volk Israël net ging doen als de volken om hen heen en meer vertrouwde op vreemde goden en vreemde machten dan op hun eigen God, ook de pracht en praal belangrijker ging vinden dan het samen delen,  werd duidelijk hoe zwak ze wel waren en werden ze in ballingschap gevoerd. Maar nog liet die God ze niet in de steek, juist in de ballingschap bleek die God van Israël opnieuw een bevrijder van slaven te zijn. Daar lezen we over in het boek van de profeet Ezechiël. Dat was zelf ook een balling en hij profeteerde pas toen hij in ballingschap was weggevoerd. Het is een mooie belofte die Ezechiël zijn volk voorhoudt. Hij is, samen met een groot gedeelte van het volk, in Babel in ballingschap gebracht. Daar had hij de opdracht van de God van Israël gekregen om die ballingen voor te houden dat ze niet moesten opgaan in de cultuur en het volk van Babel maar dat ze vast moesten houden aan het geloof van hun voorvaderen.

Want ook al waren ze zelf, en waren hun ouders, andere goden achterna gelopen de God van Israël laat niet varen het werk dat zijn hand begon en die God blijft dus de God van het volk Israël, ballingschap of niet. Het gedeelte dat we vanmorgen gelezen hebben gaat zelfs nog verder. Als het te zwaar weer wordt voor de verstrooiden dan zal God ze weer bijeen brengen en terug laten keren naar het beloofde land, dat land dat overvloeit van melk en honing. Niet alleen de ballingen uit Babel, maar de ballingen van overal in de wereld vandaan. Is het niet prachtig?

 Maar er klinkt een donkere ondertoon in het verhaal van Ezechiël. Het gaat over een wolkendek en donderwolken en op het eind worden de vette schapen geslacht en de zieke en gewonde dieren worden verzorgd en beter gemaakt. Dat lijkt toch niet helemaal eerlijk. De profeet Ezechiël had wel meer van die wonderlijke beelden om duidelijk te maken hoe het met de God van Israël nu eigenlijk zat. Het wordt duidelijker als we zien wat de aanleiding is voor deze prachtige belofte. Die aanleiding is dat de God van Israël het zat is dat het volk geleid wordt door uitbuiters en oplichters. Volvreters ten koste van de armen.

In het vers dat staat voor wij zijn gaan lezen staat dat hen de kudde zal worden ontnomen en dat de God van Israël zelf wel de herder van Israël zal worden, die valse onbetrouwbare herders zullen niet meer van de kudde mogen eten. Om het maar even te citeren : “ Dit zegt de Heer uw God :Ik zal de herders straffen en mijn schapen opeisen. Ook zullen ze niet langer zichzelf weiden: ik zal mijn schapen uit hun mond redden, ze zullen ze niet meer eten.” Het hele gedeelte is dus een aanklacht tegen de leiders van Israël. Leiders die hun positie zelfs in de ballingschap misbruiken om er een goed leventje van te kunnen leiden. In de beeldspraak van het volk als kudde en de God van Israël als herder zijn die leiders natuurlijk zelf ook schapen die deel uitmaken van de kudde. Wolven in schaapskleren. Het zijn de vette schapen geworden die ten koste van de zwakkeren en gewonden het beste deel voor zichzelf hebben opgeëist. Daar wordt nu door de God van Israël een stokje voor gestoken.

Daar hoeven wij dus ook geen genoegen mee te nemen. Ons is vaak voorgehouden dat we gehoorzaam moeten zijn aan wie boven ons zijn gesteld. Maar als ze door God boven ons zijn gesteld gedragen ze zich als goede herders die zelf op zoek gaan naar de schapen die verstrooid zijn en zoek zijn geraakt en die de zieke en gewonde dieren verzorgen en zeker niet het beste deel voor zichzelf opeisen. Gedragen de herders zich niet op die manier dan worden ze door God afgezet, daar mogen we op rekenen, daar mogen we zelfs vanuit gaan en in het belang van de zieke en gewonde medemensen, de minsten in de samenleving, de hongerigen en de naakten, moeten we zelfs vanuit gaan. Calvijn vond in zijn dagen dat het zelfs de christenplicht was om heersers die de zorg voor zieken en ouderen als een last benoemden af te zetten, het heeft ons de zelfstandigheid van ons land opgeleverd.

Jezus van Nazareth vertaalde de richtlijnen uit zijn Hebreeuwse Bijbel door naar het leven van iedereen en van elke dag. Ook in het gedeelte dat we vanmorgen uit het Evangelie naar Matteüs hebben gelezen. We lazen dat in de Nieuwe Bijbelvertaling,. Maar de meesten van ons zijn opgegroeid met de beroemde zin waarin Jezus zegt dat wat de minste van zijn broeders is aangedaan aan hem is aangedaan. De vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling hebben die beroemde zin over de minste van mijn broeders vertaald met de onaanzienlijksten.  “alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.”Het is even wennen maar niet minder juist. Want het gaat niet alleen over de broeders maar zeker en vooreerst ook over de zusters en het gaat niet over meer of minder maar over wie wel en niet gezien worden.

Het verhaal van Matteüs gaat wel over de eindafrekening, maar het werk waarop dit verhaal doelt dient gewoon elke dag te gebeuren. Het aardige is dat je er kennelijk ook niet zo je best voor hoeft te doen. Het hoeft er niet dik op te liggen en je hoeft je er zeker niet op te beroemen. Er wordt nog wel eens gesproken over de “Geest van God” en dit verhaal leert ons wat dat betekent. Als er honger is dan geef je eten, als er dorst is dan geef je te drinken, als er kou is geef je een tent en een warme deken, als er ziekte is dan zorg je, als er gevangenen zijn dan zoek je die op. En je weet ook dat het beter is iemand te leren vissen dan een vis te geven

Soms denken we dat we beter zijn dan de mensen die we willen helpen. Dat speelt niet alleen bij ontwikkelingssamenwerking, dat speelt ook gewoon in ons eigen land tussen mensen die hulp vragen en hulp geven. Mensen die hulp nodig hebben worden niet gezien en zeker ook niet gehoord. Zolang dat zo is mislukken projecten. Mislukken projecten in de derde wereld, maar mislukken ook projecten om mensen aan het werk te helpen, om jongeren te scholen tot gediplomeerde ambachtslieden of om vrouwen te leren voor zichzelf op te komen.. In het verhaal dat Jezus van Nazareth vandaag vertelt zijn er mensen die de nood van mensen herkennen en zijn er mensen die alleen de nood van Jezus van Nazareth willen zien. Ook wij vergeten soms dat alle mensen geschapen zijn naar Gods beeld en gelijkenis, dat alle mensen daarom onze zusters en broeders zijn, dat in ieder mens, waar ook ter wereld, welk geloof of welke kleur die mens ook heeft, Jezus van Nazareth zelf te herkennen is. 

Laten we dus vandaag horen en zien, en helpen waar nodig is. We hoeven ons niet af te vragen of we wel op de juiste manier ons geloof onder woorden te kunnen brengen. We hoeven alleen maar te delen van wat we hebben met hen die niets hebben, zorg te hebben voor de minsten, zodat ze net zo worden als wij, wat wij willen dat ons zou gebeuren doen wij nu al aan een ander. Meer wordt er niet gevraagd. Dat hoeven we zelfs niet te doen omdat het voor Jezus van Nazareth wordt gedaan, omdat het Christelijk is om te doen. Het oordeel over andere mensen mogen we uitstellen tot de komst van de Heer.

Boven het gedeelte dat we uit het Evangelie hebben gelezen staat “rede over de laatste dingen” en het gaat duidelijk over een procedure die plaats zal vinden als het einde van de geschiedenis daar is. Ooit is de geschiedenis begonnen en aangezien alles wat begint ook een einde kent zal er ook een einde aan de geschiedenis komen. Alleen onze God kent geen begin en dus ook geen einde, daarom is het aan onze God om uiteindelijk de rekening op te maken en te oordelen, dat is aan ons niet voorbehouden. Wij weten alleen waar we zelf, voor onszelf, op mogen letten. Er komt een dag dat het goede van het kwade zal worden gescheiden, hier heet het dat de mensen van elkaar gescheiden worden zoals een herder de schapen van de bokken scheidt. Het oordeel wordt gegeven door de Mensenzoon. Een term uit het boek van de profeet Daniël.

Midden in de ballingschap toen het hele volk verloren zou gaan zag Daniël dat het volk uiteindelijk gered zou worden door de God van Israël, dat je daaraan vast mag houden ook al gaat het heel slecht. De Mensenzoon is in zijn verhaal de vertegenwoordiger van het volk van de lijdenden en hij kan alleen vertegenwoordiger zijn door zelf ook te lijden. Wie aan zijn kant staat, wie bij hem hoort die komt aan de ere kant staan, aan de rechterhand, zo vertelt Matteüs ons. En je hoort bij dat volk van de lijdenden door voor de mensen van dat volk te zorgen. En let op, het gaat niet alleen om de mensen van het volk Israël, het gaat om mensen uit alle volken, iedereen wordt gevraagd om aan de kant van de lijdenden te staan, sommigen doen dat, sommigen doen dat bewust niet.

Als we het verhaal van de God van Israël en zijn zoon Jezus van Nazareth niet meer nodig zouden hebben dan wordt ons delen met de minsten als het moderne vrijwilligerswerk. Wanneer onze werkgever bereid is ons een dag vrij te geven willen we best de speeltuin in de buurt schoonmaken, of het dorpshuis helpen schilderen of een dagje met de rolstoelpatiënten uit het verpleeghuis op stap. Maar dan moet het daar wel bij blijven. Ons hele leven in dienst stellen van de naaste, daar altijd op bedacht zijn, altijd de blik op de ander richten is er dan niet bij.

We lopen zo gemakkelijk de mensen die hulp nodig hebben voorbij. We vergeten dat we God zelfs zouden kunnen ontmoeten in de verkoper van de straatkranten voor de supermarkt. Wij behoren te weten dat we nooit kunnen ophouden mee te werken met onze God, dat hij nooit laat varen het werk dat zijn hand begon maar dat wij ook nooit uit zijn genade mogen vallen en moeten blijven doen wat hij ons vraagt.

Als we zo de hele aarde weten mee te krijgen dan komt de tijd dat God zelf zijn tenten op deze aarde zou willen spannen, dat alle tranen gedroogd zullen zijn en dat er een maaltijd aanbreekt waarin iedereen te eten krijgt. Tot die tijd delen we met de armen, zoveel als we kunnen en zo vaak als we kunnen, elke dag weer opnieuw, totdat hij komt.

Amen

Read Full Post »

Older Posts »