Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Uncategorized’ Category

Lezen: Deuteronomium 4: 9-20

             Marcus 8: 27-9:1

Gemeente,

De leer van Mozes waarover we uit het boek Deuteronomium hebben horen lezen is een verhaal dat aan kinderen en kleinkinderen moet worden doorgegeven. Mozes vertelt het verhaal aan het volk alsof ze er zelf bij zijn geweest. Zo eigen moeten we ons dus de verhalen uit de Bijbel maken. Want van de luisteraars zijn er maar twee die er echt bij waren. Kaleb en Jozua. Alle andere getuigen van hetgeen op de Horeb gebeurde waren inmiddels overleden en ook Mozes zou het beloofde land niet betreden.

Er zijn aan het verhaal natuurlijk wel een paar bijzonderheden waar we van kunnen leren. God sloot een verbond met het volk. Wij denken dan gauw dat het gaat om het voor wat hoort wat, maar zo is het niet. De bepalingen van het verbond zijn er maar een paar, 10 stuks worden er meestal geteld. De overige bepalingen uit de Tora, de eerste vijf boeken van de Bijbel zijn de grondslagen voor het volk zelf, als je zo je samenleving inricht wordt het een menselijke samenleving. Het is een blauwdruk voor het leven in een land waar men nog niet is.

Dat betekent dat die verbondsregels algemeen geldend zijn maar dat de regels voor de inrichting van je samenleving in de praktijk best anders kunnen uitvallen maar dat de richting die de regels wijzen maatgevend moet zijn. Jezus van Nazareth zou die regels samenvatten uit twee bepalingen. Eén uit Leviticus en één uit Deuteronomium. Samen vormen ze het beroemde gebod dat Jezus ons gegeven heeft, heb God lief boven alles, en het tweede daaraan gelijk is heb uw naaste lief als uzelf.

Wat krijgen we daarvoor terug? In de leer van Mozes is het de bevrijding van angst voor andere mensen en het onbekende. Die eerste generatie woestijnzwervers had het beloofde land niet bereikt omdat ze bang waren voor de reuzen die er waren gezien. De tweede generatie was begonnen met de reuzen die geregeerd hadden in Basan te verslaan en hun 60 steden in de nemen.

De leerlingen van Jezus hadden ontdekt dat zijn kruisiging en opstanding uit de dood hen had bevrijdt van de angst voor de dood. De dood had niet langer het laatste woord. Door gemeenschappen te vormen waar iedereen gelijk was en iedereen bereid was om alles te delen wat men had werd de mogelijke dood door de bezetters afgewimpeld en niet meer belangrijk. Het ging om het leven met elkaar en in Deuteronomium staat ook de vraag over de keuze tussen leven en dood, gelovigen moeten kiezen voor het leven.

Het Christelijk geloof lijkt echter soms meer op Haarlemmer Olie. In vroeger dagen geloofden mensen dat Haarlemmer Olie je kon genezen van alle soorten kwalen. Was je ziek dan had je maar een paar eetlepels Haarlemmer Olie te nemen en je werd er beter van. Dat werkte natuurlijk niet echt maar als je er in gelooft kan het helpen. Veel huis tuin en keuken kwaaltjes verdwijnen vanzelf na een paar dagen en als je dan die paar dagen Haarlemmer Olie hebt geslikt dan schrijf je de genezing gemakkelijk toe aan dat medicijn.

Zo is het ook als je tijdens zo’n lichte ongesteldheid hebt gebeden om genezing. Ja het helpt, je geneest. Maar ook dat gebed heeft net zomin geholpen als de Haarlemmer Olie. Toch hoor je sommige voorgangers en evangelisten nog wel eens verkondigen dat je geneest van je ziekten, dat je problemen worden opgelost, dat zelfs je schulden verdwijnen als je maar gaat geloven in Jezus van Nazareth als je Messias, je bevrijder van alle aardse ellende.

Want Messias, in het Grieks Christos, betekent toch “bevrijder” en de discipelen hadden het toch bij het rechte eind toen ze Jezus van Nazareth aanwezen als hun Messias?
Natuurlijk, maar dat wilde toen niet zeggen dat alle ellende voorbij was en dat wil het nog steeds niet zeggen. Jezus van Nazareth zelf zou de eerste zijn die de dood onder ogen moest zien omdat hij zijn liefde voor mensen door de dood heen wilde volhouden. Maar ook daarmee zou het lijden voor zijn leerlingen niet de wereld uit zijn.

Integendeel, ook zij moesten bereid zijn hun kruis op zich te nemen. Zo moeten ook wij bereid zijn het lijden van onszelf te dragen en het lijden van de wereld onder ogen te zien. Het Christen zijn voorkomt niet dat je kinderen kunnen omkomen bij brand of ongeval of sterven door ziekte. Het Christen zijn voorkomt niet dat je gevrijwaard bent voor geweld. Christen zijn voorkomt niet dat je ziek wordt en arbeidsongeschikt, of gehandicapt raakt.

Christen zijn betekent wel dat je een open oog hebt voor anderen die dat overkomt en die jouw hulp en steun nodig hebben. Christen zijn betekent dat je een open oor hebt voor die mensen die om hulp roepen. Christen zijn betekent dat je niet langer bang bent voor de dood, zelfs je eigen dood niet, maar altijd gericht blijft op de liefde.

Jezus verbiedt zijn volgelingen zelfs om mensen te vertellen dat hij de bevrijder van Israël is. Dat komt omdat veel mensen dachten dat zo’n Messias met een stevige oorlog de Romeinen wel even zou verdrijven. Maar zo is het niet. De macht van het kwade is pas te bestrijden door het goede te doen. De mensen die lijden, de zieken, de gehandicapten zijn daarom eigenlijk de geheime hulpjes van Jezus. Als er mensen zijn die zich ontfermen over de mensen die dat nodig hebben dan zijn die mensen de handen en de ogen van Jezus. Als ze alleen om zich zelf denken dan horen ze er niet bij. Je moet dan ook nooit een beroep doen op het Christen zijn van een ander, want dat oordeel komt alleen God toe.

Het blijft natuurlijk moeilijk te geloven dat ook Jezus zelf moest lijden en sterven. Hij had zoveel mensen genezen, maar alleen als iedereen het goede zou gaan doen en niet dan het goede dan zou alle ellende op de wereld verdwijnen. Pas toen hij dat tot in de dood, tot op het kruis, liet zien, kon hij laten zien dat dan het leven pas echt begint. En toen zijn leerlingen dat zagen begonnen ze het pas een beetje te geloven.

Petrus was in het verhaal van vandaag zo ver nog niet, hij berispte Jezus zelfs, je moet toch niet denken dat wij je laten vermoorden? Maar daarvoor zou geweld nodig zijn, een opstand zelfs en dat geweld hoorde nu juist niet bij de Messias, de bevrijder van Israël. Petrus zou dus verwarring zaaien met zijn opmerkingen.

Daarom spreekt Jezus hem aan als de verwarrer, de satan zeggen we dan om duidelijk te maken hoe slecht die hang naar geweld eigenlijk is. Christen zijn betekent dus niet dat je minder met lijden te maken hebt maar het betekent dat je ook nog te maken wil hebben met het lijden van anderen. Want alleen als we bereid zijn te maken willen hebben met het lijden van de minsten in de wereld dan kunnen we een weg vinden om alle lijden de wereld uit te helpen.

Daarvoor moeten ook wij bereid zijn om het lijden desnoods door de dood heen te dragen. Maar het meest merkwaardige is dat die last niet een zware last is, als we werkelijk willen werken aan een wereld zonder lijden dan zal die last licht blijken te zijn. We kunnen dat kruis vandaag nog op ons nemen. Dan komt er ooit een wereld waar alle leed geleden is en alle strijd gestreden is. Dan wordt de aarde zo hemels dat God hier zelf zou willen wonen. Naar die wereld zijn wij op weg. Nemen we dan ons kruis op en laten we opstaan en op weg gaan.

Amen

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: Zacharia: 8: 4-8

             Marcus 8: 22-26

Gemeente,

Zacharia is een profeet waarvan de profetie is opgenomen in het 12 profetenboek. Vroeger spraken we van de kleine profeten. Tot een vooraanstaand Bijbelwetenschapper ontdekte dat de kleine profeten een heel duidelijke samenhang vertonen. Het eind van het ene deel is het begin van het volgende. Zo is dit boek in de Hebreeuwse Bijbel terecht gekomen, als één boek, geschreven op één boekrol, en zo zullen we het moeten lezen. Dat hele boek bij elkaar beschrijft de oorzaak van de ballingschap en de terugkeer uit de ballingschap. Zacharia schrijft voor de teruggekeerde ballingen.

Nu zijn profeten geen waarzeggers. Ze zeggen de waarheid geen toekomstvoorspellingen. Ze kijken naar hun samenleving en zeggen dan waar het op zal uitlopen als je zo door gaat. Daarbij stellen ze steeds de vraag of je samenleving is volgens de richtlijnen van de God van Israël, de God die het volk uit het slavenhuis heeft geleid, of worden er andere goden nagelopen, de goden van vruchtbaarheid, de goden van winst en profijt. Doet het volk recht aan de armen, aan de mensen die zorg nodig hebben of is het volk gericht om de winstmakers, de mensen geld nog meer te belonen,

In het gedeelte dat we vanmorgen gehoord hebben schetst Zacharia een vrolijke toekomst. Dat is niet voor niks. Over de ballingen die waren teruggekeerd wordt geschreven dat toen ze aan de opbouw van de Tempel en de muren rond Jeruzalem begonnen ze in de ene hand een zwaard moesten hebben en de andere hand vrij konden laten voor de troffel. Die teruggekeerde ballingen konden wel een steuntje in de rug gebruiken. Opbouwen van je samenleving, van je stad onder bedreigende omstandigheden doet je snel de moed in de schoenen zinken.

Waar loopt dat bouwen aan een stad voor God op uit? Op een samenleving waar je gerust je oude dag wil doorbrengen. Waar genoeg zorg is, waar ouderen gewaardeerd en verzorgd worden. Waar manifesten om de tekorten in de ouderenzorg te beschrijven niet meer nodig zijn. Waar de goddelijke richtlijnen voor de menselijke samenleving weer gelden. Het volk bekommerd zich dan weer om de richtlijnen van de God van Israël. Ze gaan weer naar de Tempel om te vragen hoe ze die richtlijnen in hun eigen stad of dorp moeten toepassen.

Wat hoort er wel en wat hoort er niet bij, bij die richtlijnen, bij de Weg van God. Jeruzalem is daarbij een voorbeeld. Een stad die zo dichtbij de Tempel is dat het daar niet moeilijk zou moeten zijn om de richtlijnen van God op een goede wijze uit te voeren. De berg waar de Tempel op is gebouwd, de berg Sion, is daarom een Heilige Berg, daar gaat het alleen nog over het verbond met God. Daar laten de Israëlieten zien dat wat ze gekregen hebben van God niet als hun eigen verdienste wordt gerekend maar dat ze het delen, met God in offers, in maaltijden met de armen en de vreemdelingen zoals dat staat in het boek Deuteronomium.

Maar het volgen van de God van Israël is niet gemakkelijk. Ezra en Nehemia beschrijven ook vijanden die zich verzetten tegen de nieuwe samenleving die aan het ontstaan is. Geleerden noemen die samenleving wel eens de Tora-staat, in dat land, bij dat volk is er geen andere wet dan de wet van God. Zacharia schetst wat het gevolg is van een land dat je op die manier inricht.

Sommigen zullen dat luchtfietserij noemen maar volgens Zacharia zullen op de pleinen van Jeruzalem oude mensen zitten steunend op hun stok vanwege hun hoge leeftijd, niemand zal sterven voor zijn tijd sprak Jesaja al. Er zullen talrijke kinderen spelen in de straten van Jeruzalem, geen kind zal meer sterven zei Jesaja al. Als alle ballingen nu eens terug keren, als iedereen de richtlijnen van God volgt dan gaat dat gebeuren.

Door Jezus van Nazareth en de Geest van God die hij heeft gebracht is het voor ons ook mogelijk geworden. Ook wij kunnen de hongerenden te eten geven, de naakten kleden, de vreemdelingen huisvesten, de gevangenen bezoeken, de weduwen en de wezen een eerlijk leven geven, de rechtspraak toegankelijk maken ook voor de armen. We kunnen dat elke dag weer, ook vandaag. Maar de samenleving die Zacharia ons schetst komt niet door een wonder tot stand, er zal hard voor moeten gewerkt.

Jezus van Nazareth had een hekel aan wonderen schrijft Marcus. Net voor hij in het Bethsaïda komt waarover we vandaag gelezen hebben had hij de Farizeeën uitgescholden nadat zij om tekenen hadden gevraagd. Hij wees zijn volgelingen op het delen van het brood dat hij gedaan had voor grote massa’s mensen, daar draaide het om, om dat delen.

Soms moet het lezen van verhalen als deze van vandaag voor de mensen voor wie ze oorspronkelijk geschreven zijn een grappig gebeuren zijn geweest. Eeuwenlang hebben archeologen gezocht naar Bethsaïda en uiteindelijk zijn er twee dorpen met die naam gevonden. Maar we moeten de verhalen niet apart lezen maar in hun verband. En dan lezen we over het delen van zeven broden en een paar vissen, en de nadruk die Jezus legde op dat delen en zijn weerzin tegen wonderen.

En vanmorgen hoorden we dat hij in het Vishuis is, dat betekent Bethsaïda namelijk, zou Marcus willen vertellen dat hij thuis is? De vis was immers het teken voor de Christus. Ook in dat vishuis zijn mensen die zich er niet bij neer leggen dat er een vriend is die het niet wil zien.

Men, en wie die men is is niet belangrijk, brengt een blinde bij Jezus. En die men vraagt niet gewoon maar smeekt Jezus iets te doen dat de blinde weer kan laten zien. In de psalmen staat dat een rechtvaardige is als een boom geplant aan levend water. Als Jezus deze blinde iets laat zien, ziet deze de rechtvaardigen rondlopen. Maar dan ziet hij alles helder, ze zijn namelijk op pad. En weer laat Jezus blijken van wonderen eigenlijk niet gediend te zijn. Hij gebruikt het speeksel waar in zijn dagen een genezende werking aan werd toegeschreven. En bij ons ook nog want wie kent niet de genezende werking van de kus van een moeder op een zere knie van haar kind.

Het gaat om mensen. Bij hem gaat het echt om mensen. Bij hem gaat het om de vrienden die zich niet neerleggen bij de bedelaar die hun blinde vriend kennelijk moet worden. Die vrienden hebben nog weet van de richtlijnen, dat je de naaste net zo moet behandelen als je zelf behandeld zou willen worden. Ze lopen vooruit op de belofte van de God van Israël als zijn richtlijnen worden gevolgd. Ja ze smeken voor hun vriend en smeken daarbij eigenlijk ook om de komst van het Koninkrijk waar Jezus het steeds over heeft.

Profeten hebben gezongen van de gevolgen. Jesaja laat de blinden zien, de doven horen, de stommen spreken en de lammen huppelen op de weg, op het pad, van de God van Israël. Zacharia schetst ons een samenleving waar ouderen een voorname plek hebben en kinderen vrij kunnen spelen. Johannes van Patmos laat de hele geschiedenis uitlopen op een aarde die zo hemels is dat God zelf op die aarde zou willen wonen. Daar is zelfs geen dood meer en geeft de zee haar doden terug, ook de Middellandse Zee geeft dan haar doden terug.

Aan ons om net als de vrienden van de blinde man ons niet langer neer te leggen bij onrecht, geweld, onderdrukking en armoede. We mogen van God elke dag opnieuw beginnen met de zorg voor onze zwakste broeders en zusters. En alle mensen op aarde zijn onze broeders en zusters. Er zal dus nog veel werk moeten worden gedaan, aarzel dus niet, vat het werk aan.

Amen

 

Read Full Post »

Lezen: 2 Koningen 4: 42-44

              Marcus 8: 1-21

Gemeente

We hoorden vanmorgen een verhaal over de profeet Eliza, opvolger van de altijd zeer populair gebleven Elia. Er was honger in Israël, het voedsel was schaars. Elisa verblijft bij een profeten school, mensen die de Tora bestuderen om te ontdekken waar het met de samenleving naar toe gaat. Maar ook profeten moeten eten. En dan komt er iemand met een zak vol gerstebrood, het brood voor de armen dat geoogst werd in de tijd van het Pesachfeest, de herinnering aan de bevrijding uit Egypte, het land van de dodelijke slavernij.

Wie er langskomt wordt niet verteld. Het is kennelijk een vreemdeling die ook vreemdeling blijft. Bij iemand uit het volk van Israël zou tenminste de stam zijn vermeld. Er wordt wel verteld waar de vreemdeling vandaan komt. Uit Baäl-Salisa, waar vandaan? Uit Baäl-Salisa, nooit van gehoord. Die vreemde namen uit de Bijbel zeggen ons niks en dat is jammer. Geleerden nemen bijvoorbeeld aan dat er Beth- Baäl-Salisa heeft gestaan en dat is te vertalen. Het betekent het huis van Baäl in Salisa. En dus krijgt de profeet eten uit een Tempel voor Baäl, de Kanaänitische god van de vruchtbaarheid. De profeten in de boeken Koningen lopen voortdurend te hoop tegen de aanbidding van die god.

Met de betekenis van de naam van de stad waar de vreemdeling vandaan komt wordt gelijk een boodschap gegeven. Eten aan nemen van vreemdelingen is niet verkeerd. Er is hongersnood in het land. Eliza had een leerling de opdracht gegeven linzen te gaan zoeken maar dat was niet helemaal niet goed gegaan, ze waren er ziek van geworden. Met een handvol meel had Eliza erger weten te voorkomen, toen was het dan ook op. Tot er dus iemand kwam met een zak vol gestebrood. Maar met een handvol broden zou de profeet toch zijn leerlingen niet te eten kunnen geven. Zelfs niet met twintig broden.

En dan wordt duidelijk hoe Baäl en de God van Israël tegenover elkaar staan. Baäl gaat over de vruchtbaarheid van het land. Maar Eliza en de profeten leren dat je goed moet uitkijken want voor je het weet heb je een giftige plant te pakken waar je gemakkelijk dood aan kunt gaan. De God van Israël kijkt naar de daden van de mensen. Een als je deelt met elkaar dan kun je de hongernood overleven.

Het verhaal over de spijzigingen door Jezus van Nazareth is dan ook de uitleg van de verhalen over de wonderbare spijzigingen door Elisa. Want naast de broden is er voor Eliza ook een zak vol graan, gerstekorrels. Die kun je malen en daar kun je de ongezuurde broden van bakken die horen bij dat bevrijdingsfeest. En zo wordt in het verhaal herinnerd aan de bevrijding uit de slavernij van Egypte. Als iedereen met elkaar deelt dan blijkt altijd weer dat er genoeg is en dat er op het eind zelfs overblijft.

De hongersnoden waar wij van horen en waar wij voor in beweging moeten komen worden dan ook altijd veroorzaakt door de weigering om echt met elkaar te delen. Om te zorgen dat ook arme boeren het loon ontvangen voor hun oogst dat ze verdienen. Ook wij kunnen de wereld voeden. Er groeit genoeg dat eetbaar is, het land hoeft niet te worden uitgeput en als we echt delen dan houden we zelfs nog over en is er nergens honger meer. Vandaag kunnen we er mee beginnen.

Moet dan de hele wereld met ons mee eten? In het begin van de beweging van de Weg zoals het Christendom aanvankelijk werd genoemd was er nog een hele discussie over het samen eten met buitenlanders, met Heidenen. Het besluit dat er geen bezwaar tegen was kwam niet gemakkelijk tot stand.

Marcus herinnerde zich een verhaal dat duidelijk maakte dat Jezus van Nazareth zijn leerlingen er uitdrukkelijk voor op pad had gestuurd. Hij had al een keer verteld over het delen van vijf broden en twee vissen aan vijfduizend mensen. Er waren toen twaalf manden overgebleven. Kenners van de Schriften hadden gelijk gedacht aan de vijfboeken van de Tora, die gevolgd worden door de Profeten en de Geschriften. E n aan de twaalf stammen.

Maar er was ook nog een verhaal over vierduizend mensen die gevoed werden door zeven broden en waar zeven manden brood over waren gebleven. Dat gaat over meer dan het aantal broden, over meer dan het aantal manden dat overbleef. De leerlingen leken het niet te willen begrijpen maar in het licht van de discussie over het samen eten met iedereen breekt ons misschien ineens het licht door. Vier kennen we van de vier winstreken en vierduizend zou dan kunnen betekenen dat alle mensen van de hele aarde samengestroomd waren rond Jezus. En de zeven manden brood die overgebleven waren duiden dan op de zeven dagen van de week. Elke dag van de week is er voor iedereen op de wereld brood genoeg.

En dan nog denken de leerlingen in de boot dat ze aan één brood niet genoeg zullen hebben. Dat idee van ieder voor zich krijg je als je allemaal regeltjes gaat opstellen en de naleving daarvan probeert af te dwingen. Het is de manier waarop de religieuze en bestuurlijke heersers van het land het leven benaderen. Hun zuurdesem betekent dat iedereen zelf verantwoordelijk is voor levensonderhoud en belasting betalen. Samen delen en voor elkaar instaan komt bij dergelijke autoriteiten niet op.

We kennen ze vandaag de dag ook nog. Steeds maar zeuren over een staatsschuld, alsof die niet van ons allemaal is, en over lasten die te zwaar worden, alsof die niet alleen maar als zwaar worden ervaren door de rijken. Delen en samen de schouders er onder zetten komt bij dat type bestuurders niet op. Jezus van Nazareth waarschuwt er tegen.

Rechtvaardig worden de mensen genoemd die de richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf in de praktijk willen brengen. Het zijn mensen als bomen die gepland zijn aan levend water. Daar gaat kracht van uit, daar groeien de mooiste vruchten aan.

Het verhaal dat we vandaag van Marcus over Jezus van Nazareth hoorden vertelt dat we gerust met iedereen op de wereld kunnen delen. Er is genoeg, ja er is voedsel in overvloed. Als we echter denken dat we maar één brood hebben voor dat handjevol mensen dat wij zelf op aarde zijn dan hebben we de verhalen uit de Bijbel niet begrepen. Als we in dat rijke Europa vluchtelingen niet denken te kunnen helpen zijn we net als de leerlingen van Jezus, als de profeten uit de school van Eliza die nog een heleboel moeten leren. Eliza en Jezus doen het ons voor. Neem wat je hebt en deel dat. Als we dat allemaal doen houden we zelfs over.

En wat hebben we er aan? Het delen zou ons voldoende moeten zijn. We volgen de weg van de God van Israël niet voor ons zelf maar omdat we hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Omdat we geloven dat die visioenen uit de Bijbel waar zijn. Er is voor iedereen te eten. En een aarde waarin iedereen met elkaar deelt en voor elkaar zorgt wordt uiteindelijk zo mooi dat God zelf hier op deze aarde zal willen wonen. Dat is het eind van de Bijbel. Het begin was dat alles wat we hebben we gekregen hebben we kregen van diezelfde God die ons oproept net als Hij te delen.

Voor gelovigen in die wereld en die belofte is er nog veel werk te doen. Maar aarzel niet, vat het werk aan.

Amen.

 

Read Full Post »

Lezen: Jesaja 35: 1-10

             Marcus: 7: 31-37

 

Gemeente

Augustus is de oogstmaand en voor veel boeren is het nog volop werken aan de tarweoogst en de oogst van mais en van bloemen en fruit. Daar waar de oogst klaar is zie je de corso’s verschijnen of in elk geval kermissen en feesten in de dorpen waar de oogst klaar is. De oogstmaand is vanouds een maand van vreugde en feest.

En dat is wel van heel ouds. Het feestlied dat we vandaag uit het boek van de profeet Jesaja gelezen hebben werd in Israël met name ook rond het feest van de oogst gezongen. We vinden dat bijvoorbeeld terug in het twaalfprofetenboek waar het lied ook door de profeet Joël wordt geciteerd. Die liederen over de dorre vlakten der woestijnen en de steppe die zal bloeien zijn ook al lang in onze kerken zeer populair.

De beide liederen gaan in hun eerste couplet over de oogst, over de woestijn die tot bloei is gekomen. Maar daarom staat Jesaja 35 vandaag niet op het leesrooster. Want bij die bloeiende steppen en dorre vlakten horen ook als herten springende verlamden, jubelende monden van stommen, en oren van doven die worden ontsloten. Kortom hier wordt een samenleving geschetst waar niemand meer bang hoeft te zijn en iedereen weer kan meedoen.

En daarmee wordt het een merkwaardig lied want Jesaja zet het in het midden van het leed voor de ballingschap, als Juda bedreigd wordt door de grootmachten in de wereld. In het hoofdstuk dat hiervoor staat blijft er weinig over van de aarde, het wordt een bloed doordrenkte en ontluisterde aarde. Het volk zal er door gelouterd worden beloofd Jesaja, zoals goud door vuur wordt gereinigd van ongerechtigheden blijft er een rest over van het volk dat een nieuwe kans krijgt in een nieuw land. Het wordt zo een lied van de hoop. Hoop op leven. Er komt een nieuwe lente wat voor ellende we ook gaan meemaken.

Wij kennen natuurlijk de afloop van de ballingschap, de ballingen keerden, ze keerden met geschenken terug uit Babel en met de opdracht van Koning Cyrus hun stad Jeruzalem en de Tempel voor de God van Israël weer op te bouwen. Maar die wederopbouw van de Tempel en Jeruzalem geeft het overgebleven volk van ballingen ook nieuwe kansen. Nu konden ze de oogstfeesten weer in ere herstellen die vanouds gewijd waren aan de God van Israël.

Die oogstfeesten waren niet zomaar feesten. In het boek Deuteronomium staan er drie omschreven. Allereerst komt de gerstoogst. Van gerst wordt het gerstebrood gebakken, het brood voor de armen, Tijdens dat oogstfeest van de gerstoogst wordt de bevrijding uit Egypte gevierd, het feest van de ongezuurde broden, het Pesachfeest, voor Christenen het Paasfeest het feest waarop de dood werd overwonnen.

Het tweede oogstfeest is vijftig dagen later het feest van de Tarweoogst. Dan wordt het tijd om ook de Tempel te voorzien van de nodige leeftocht voor Priesters en Levieten en worden de eerstelingen van de oogst naar de Tempel gebracht. Het is het feest van de richtlijnen voor een menselijke samenleving die God op de Horeb aan Mozes had gegeven. Wij kennen dat feest als het Pinksterfeest. In het najaar volgt dan nog het Loofhuttenfeest als de oogst van vruchten als dadels en granaatappels is geweest. Het is ook het feest waarop wordt herdacht dat in de woestijn, toen men nog in tenten moest wonen, elke dag door God voor voedsel werd gezorgd.

Opmerkelijk is dat bij elk van deze oogstfeesten het voorschrift wordt gegeven dat men een maaltijd moet houden bij de Tempel met de familie, met de Levieten, maar ook met de armen en de vreemdelingen uit het dorp.

Samen delen van de oogst staat in de Bijbel centraal, daar moet iedereen mee kunnen doen aan de samenleving, gelovig of niet, of je nu hoort bij het volk van Israël of juist niet. Dat brengt pas een gezonde samenleving voort, als de vreemdelingen ook gewoon mee mogen doen. De bevrijding van de ballingschap gaat gepaard met een vernieuwing van de mens, zijn kwalen verdwijnen zowel letterlijk als overdrachtelijk, in het visioen van de Bijbel zoals dat door Jesaja is opgetekend is het niet uit elkaar te halen. Die bevrijding mag gezien worden, de boodschap mag gehoord worden en de Weg van de God van Israël, de Weg door de woestijn met de richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf mag bewandeld worden En daarom gaat het in dit lied van Jesaja vooral ook over de lammen die zullen huppelen, de blinden die het licht zullen zien, de stommen die zullen spreken de doven die zullen horen. Want de lammen, de blinden, de doofstommen horen niet langs de kant van de weg te zitten wachten tot ze een aalmoes krijgen, ze horen volwaardige leden van onze samenleving te zijn.

Jezus van Nazareth zal de richtlijnen van God vervullen staat er geschreven. Zijn Koninkrijk is de menselijke samenleving waar we op wachten. Hij wachtte niet tot de oogstfeesten met delen maar deed dat voortdurend, demonen uitdrijvend en genezend staat er in de Evangeliën, andere woorden hadden ze er niet voor. Maar ondertussen schiep hij een heel nieuwe orde waaraan iedereen mee kon doen. Het hele volk liep er voor uit, achter Jezus van Nazareth aan. Ze lieten hem niet met rust, telkens weer zochten ze hem op, is het verhaal van Marcus. En dat wordt Jezus van Nazareth te veel.

Als je in eigen land geen rust krijgt, als de mensen  je zo lastig blijven vallen dan moet je iets verzinnen om tot rust te komen. Een reis naar het buitenland lijkt dan een goed alternatief. Juda was voor Jezus geen alternatief want daar zochten ze hem te doden en in Galilea was het dus te druk geworden.

Alleen was er in de tijd van Jezus van Nazareth geen echt buitenland voorhanden. Alles waar ze heen konden behoorde tot het Romeinse Rijk. Het leek wel een beetje op het Europa van tegenwoordig. Je kunt er doorheen rijden zonder een douane of grenscontrole tegen te komen. En Jezus had het nog gemakkelijker dan wij want ze spraken daar in de buurt allemaal Aramees of Grieks. Geschreven werd er in het Grieks en in dat Grieks kennen we ook het Evangelie van Marcus. Maar zouden die buitenlanders Jezus van Nazareth ook met rust laten? Marcus laat ons weten dat het niet het geval was.

Jezus van Nazareth wijkt uit naar Tyrus en Sidon schrijft Marcus. Van Tyrus reist Jezus van Nazareth door naar Decapolis, het 10 stedenland. Een bijzonder gebied. Was Galilea al het land van de heidenen genoemd, waar Joden wonen die deden als de heidenen, waren Tyrus en Sidon oude Heidense steden die vanouds ook een rol speelden in het verhaal van Israël, dat Decapolis, het land van 10 steden was nog nieuw. Het gebied was in 63 voor het begin van de jaartelling door Pompeïs losgemaakt van het joodse rijk en geplaatst onder het gezag van de stadhouder van de Romeinse provincie Syrië,

Die splitsing was gedaan om de cultuur van Griekenland en Rome sneller ingang te doen vinden. Vanuit Juda was er toenemende invloed om terug te keren naar de oorspronkelijke godsdienst, naar de oorspronkelijke gebruiken van Israël. Daar moest een halt aan worden geboden, er moest juist een toenemende invloed van de Griekse cultuur en de Romeinse godsdienst zijn. In het tienstedenland was men dan ook doof voor de boodschap van de Godsdienst van Israël, voor heb uw naaste lief als uzelf.

Maar al in Tyrus was al gebleken dat ook buitenlanders mochten meedelen in de goedheid die in Israël te vinden was. Niet zomaar, maar daar waar in overvloed gegeten wordt vallen kruimels van de tafel waar anderen, de huisdieren bijvoorbeeld, nog heel goed van mee kunnen eten. En waarom de vreemdelingen dan niet.

Zo komen er ook buitenlanders naar ons land om hier mee te eten van de kruimels die bij ons van tafel vallen. Ze houden over het algemeen niet hun hand op maar doen het werk waar bij ons geen mensen meer voor te porren zijn. Het is alleen jammer dat er zo verkrampt angstig op wordt gereageerd. In onze tuinbouw is er veel werk voor veel mensen voor maar een paar maanden per jaar, de oogst. Daarvan kun je hier geen bestaan opbouwen en als je dat werk gaat doen veroordeel je jezelf tot jaren uitkering, onderbroken door af en toe een paar maanden werk. Er zijn arme landen waar mensen wonen die best een heel jaar zouden kunnen leven van wat hier in een paar maanden in de oogst te verdienen valt.

We durven het alleen niet aan om dat goed te organiseren. We laten ons regeren door angst en het geschreeuw van een paar laffe angsthazen die een vreemde godsdienst als excuus aanvoeren voor hun geschreeuw. Geloven in de macht van de God van Israël doen ze niet. Ze zijn doof voor onze echte Joods Christelijke traditie van in vrede met elkaar wonen en vreemdelingen een plaats geven in onze eigen samenleving.

Want als we werkelijk samen willen dan kunnen zelfs doven een volwaardige plaats krijgen in onze samenleving. De heiden uit het land van de 10 steden wordt bij Jezus gebracht, door wie en waarom staat er niet bij. Zoals zo vaak in de Bijbel staat hij als voorbeeld voor alle mensen die niet willen luisteren naar de Weg van God en daarom onverstaanbare klanken uitstoten, klanken van haat, van afwijzing, klanken die ons agressief voorkomen maar vaker gekleurd zijn door angst. Er volgt een normale behandeling, de zieke wordt aangeraakt daar waar zijn ziekte is, in de oren, aan de tong.

Speeksel speelt een rol want aan speeksel werd een genezende kracht toegedicht, de genezende kracht die de kus van een moeder voor de zere knie van een kind heeft. Voor Grieks sprekende lezers moet dan duidelijk gemaakt worden dat Jezus van Nazareth geen toverspreuken nodig had, Jezus uit geen onverstaanbare agressieve klanken, hij spreekt de taal van de Galileeër, dat de taal van de gewone mensen in Juda ook is, het Aramees.

Effatha is Aramees en betekent “Ga open”, een woord dat ook gemakkelijk in liplezen te verstaan is Marcus legt het nog even uit voor mensen die Grieks lezen en onze vertalers laten die uitleg gelukkig staan. Je moet je dus voor elkaar openstellen in plaats van afsluiten. En dat geldt voor ons allemaal, ook vandaag nog.

Jezus van Nazareth verbood de mensen te vertellen wat er was gebeurd. Maar als je je eenmaal openstelt voor het Woord van de God van Israël, dat juist het liefhebben van je naaste je naar het beloofde land brengt, juist de vrede brengt waarin alle mensen mee mogen doen en niemand meer bang hoeft te zijn of langs de kant te blijven zitten dan zing je, dan schreeuw je het uit en houdt je er geen moment meer je mond over. Dan breekt direct het oogstfeest aan waar Jesaja al over zong, over de doven die horen en de stommen die spreken.

Daar in het land van de Heidenen begint het ook door te dringen of Jezus dat nu wil of niet. Het kan ook hier bij ons doordringen, als wij ons er voor openstellen. Dan wordt ook onze samenleving een Kanaän, een heilig land, een samenleving in een land dat overvloeit van melk en honing, een land van enkel vruchtbaarheid, gezegend land om in te wonen.

Amen.

Read Full Post »

Lezen: 2 Koningen 4:8-18a

              Marcus 7: 24-30

Gemeente

Je zou toch zeggen dat zo’n vrouw, die een kamer op het dak van haar huis bouwt en die meubileert, dat voor haar eigen belang doet. Het lijkt toch zeer aantrekkelijk zo’n profeet, een godsman, op zolder te hebben die zo af en toe, in ruil voor jouw gastvrijheid, een wens kan vervullen, of God kan vragen een wens voor jou te vervullen.

Maar de Sunamitische, een buitenlandse die niet bij het volk van Israël hoort, uit het verhaal dat we vandaag lezen, gaat het kennelijk niet om zulke wonderen. Zij vraagt niets voor zichzelf, al heeft ze een grote wens, een zoon, een kind te krijgen. Want in een samenleving zonder pensioenvoorzieningen tel je als vrouw pas mee als je tenminste één kind hebt. Maar zelfs dat vraagt ze niet aan de profeet. Kennelijk is het haar genoeg door haar gastvrijheid dichter bij God te komen, te doen wat God vraagt, dat we delen zonder daar zelf beter van te willen worden.

Als je wat aan God te vragen hebt dan is daar geen tussenpersoon voor nodig, je kunt alles zelf direct aan God vragen. Het gaat overigenss niet om wonderen voor jezelf maar gaat er om dat je naaste die gebrek lijdt geholpen wordt en dat doe je in de eerste plaats zelf, en daarvoor mag je kracht en wijsheid vragen. Pas als je eigen vermogen te kort dreigt te schieten dan doe je een beroep op die God.

Wij willen graag een voorbeeld kunnen nemen aan de knecht Gechazi. Zonder dat de vrouw wat gezegd heeft ziet hij haar diepste wens, hij kent haar positie in haar samenleving en weet wat dat voor haar kan betekenen. Ook Eliza ziet in dat die wens in vervulling moet gaan en dus ook zal gaan als ze er maar openlijk over weet te praten. Hij brengt het gesprek er over op gang en jawel, binnen een jaar is de zoon geboren.

Een gesprek op gang brengen over de diepste wensen van iemand is moeilijk genoeg. Het begint er mee het aan te durven te praten over dat wat jezelf bezig houdt, om in elk geval te vertellen dat wat we graag willen ook gezegd mag worden. Niet alleen in een gebed dat uitgesproken wordt in de binnenste binnenkamer, maar ook in gesprek met je geliefden, met je naasten. Want houden van je naaste als van jezelf is ook houden van jezelf. En als je je naasten zover weet te krijgen, dan volgen de wonderen vanzelf.

We moeten elkaar daarvoor wel durven te vertrouwen. Dat gaat niet zomaar, dan zou iedereen goudeerlijk moeten zijn. En was het maar zo eenvoudig dat er alleen nog mensen zijn die niet meer liegen, niet meer stelen, niet meer boos worden, maar goed zijn voor elkaar en vol medeleven.

Vanuit de verbondenheid in Christus met de hele bewoonde wereld wordt door onze PKN nog wel eens gevraagd om sociale en economische duurzaamheid als uitgangspunten voor een regeringsbeleid te nemen. Vanuit die betrokkenheid roept Kerk in actie zelfs op om groene stroom te gebruiken, vanuit die betrokkenheid werken vrijwilligers uit de Kerken voor de opvang van vluchtelingen, vanuit die betrokkenheid steunen heel veel kerken de voedselbanken in hun stad of dorp. Er komen ook steeds meer Groene Kerken.

Maar je kunt niet alle ellende en al het onrecht oplossen. Er zijn grenzen aan. Sommige Christenen voelen zich daar snel schuldig over en zeggen dan: ik geloof zeker niet genoeg want ik moet af en toe nee zeggen. Neem een voorbeeld aan Jezus van Nazareth, ga af en toe met vakantie hij probeerde dat een aantal keren.

Hij kreeg in eigen land geen rust, de mensen vielen hem zo lastig dat hij met zijn leerlingen zelfs geen tijd kreeg de handen te wassen voor het eten, Marcus schrijft dat ze zelf vaak geen tijd hadden om te eten, zo druk was.. Dan moet je dus iets anders verzinnen om tot rust te komen. Jezus had met zijn vrienden al eens het meer overgevaren op zoek naar wat rust maar de mensen hadden hen gevolgd en ze hadden 5000 mensen te eten gegeven. Het buitenland leek daarom een goed alternatief. Alleen was er in de tijd van Jezus van Nazareth geen echt buitenland voorhanden. Alles waar ze heen konden behoorde tot het Romeinse Rijk.

Het leek wel een beetje op het Europa van tegenwoordig. Je kunt er doorheen rijden zonder een douane of grenscontrole tegen te komen. Dat je in een ander land bent merk je aan de vorm van de huizen, de verkeersborden en de taal die er gesproken wordt. Dat was in de omgeving van Jezus van Nazareth niet anders. Alleen spraken ze daar in de buurt allemaal Aramees of Grieks.

Geschreven werd er in het Grieks en in dat Grieks kennen we ook het Evangelie van Marcus. Maar zouden die buitenlanders Jezus van Nazareth ook met rust laten? Marcus laat ons weten dat het niet het geval was. Ook buitenlanders hoorden er bij. Niet zomaar, de Goddelijke richtlijnen waren immers gegeven aan het volk Israël en de vruchten van die richtlijnen waren dan ook voor hen bestemd.

Maar daar waar in overvloed gegeten wordt vallen kruimels van de tafel waar anderen nog heel goed van mee kunnen eten. De vrouw uit het verhaal van Marcus zet zich op één lijn met de huisdieren, die horen er bij, ook toen al vonden mensen honden in huis vertederend, maar ze moesten het doen met de restjes. En Jezus ziet dat ook zij een kind van God is, geschapen door de Vader die alles geschapen heeft.

Zo komen er ook buitenlanders naar ons land om hier mee te eten van de kruimels die bij ons van tafel vallen. Ze houden over het algemeen niet hun hand op maar doen het werk waar bij ons geen mensen meer voor te porren zijn. Het is alleen jammer dat er zo verkrampt angstig op wordt gereageerd.

In onze tuinbouw is er veel werk voor veel mensen voor maar een paar manden per jaar, de oogst. Vroeger deden de kinderen dat, daar hebben we nog onze lange schoolvakanties aan te danken. Ik zelf heb in mijn jeugd nog wekenlang geholpen bij de bollenoogst. Tegenwoordig kijken we naar werkzoekenden. Maar van het loon van seizoensarbeid kun je hier geen bestaan opbouwen en als je dat werk gaat doen veroordeel je jezelf tot jaren uitkering, onderbroken door af en toe een paar maanden werk.

Er zijn arme landen waar mensen wonen die best een heel jaar zouden kunnen leven van wat hier in een paar maanden in de oogst te verdienen valt. We durven het alleen niet aan om dat te organiseren. We laten ons regeren door angst en het geschreeuw van een paar laffe angsthazen die een vreemde godsdienst als excuus aanvoeren voor hun geschreeuw. En als we echt zouden kunnen helpen vrede en welvaart in de armste landen van de wereld te bevorderen dan hoeven er ook geen mensen meer te verdrinken in de Middellandse Zee.

Geloven in de macht van de God van Israël doen de angsthazen die schreeuwen dat ons land vol raakt niet. Want dan zouden ze weten dat als we mensen tot hun recht laten komen, ze echt als medemens leren zien we de weg van God gaan. Zoals Elisa in het verhaal van vandaag leerde zien, zoals Jezus van Nazareth van de Syrisch Foenitische vrouw leerde zien, dat we dan een betere wereld krijgen.

Dat kan dus ook als we op reis zijn, dat kan dus ook als we op vakantie gaan. Dat kan gewoon in de eigen straat, in de eigen stad, in ons eigen land. Een gemeenschap zoals die ooit in Efeze was en waar Paulus aan schreef dat je dat zelfs samen kunt oefenen. Jezus hield ons voor dat we dan als een stad op een berg te zien zullen zijn, dat we dan de grote daden van God laten zien.

Voor onszelf hoeven we daar geen beloning voor, we doen het uit dankbaarheid. Dank voor wat ons nu al toevalt aan rijkdom en geluk. We horen toch bij de 20 rijkste landen van de wereld. Maar we doen het juist omdat we uitzien naar een wereld waar alle tranen gedroogd zullen zijn, waar elk leed geleden is en waar elke strijd gestreden is. De Bijbel belooft dan dat de zee haar doden terug zal geven, ook de doden uit de Middellandse zee dus. De aarde wordt uiteindelijk zo mooi dat God zelf hier zal willen wonen. Maar er zal nog heel veel werk voor moeten worden verzet. Wij worden geroepen daaraan mee te doen, aarzel dus niet, vat aan.

Amen.

 

Read Full Post »

Lezen:  Deuteronomium 10:12-21

               Marcus 7:1-23

 

Gemeente,

De lezingen van vandaag lijken te gaan over een Wet, over wat wel en wat niet mag, over hoe je je gedraagt. Een Wet waarop je wordt beoordeeld, die je gevangen zet in de regels. Maar het zijn een lezing uit het boek Deuteronomium waarin de onderwijzing van Mozes nog eens wordt samengevat en uitgelegd en ook een lezing uit het Evangelie van Marcus, het oudste Evangelie.

In die lezing volgens Marcus zet Jezus van Nazareth de menselijke wetten en gewoonten af tegen de richtlijnen die God aan het volk van Israël heeft gegeven in de woestijn. Die richtlijnen waren geen wetten zoals mensen die maken maar bevrijdende richtlijnen om van de samenleving in het beloofde land ook echt een menselijke samenleving te kunnen maken

Die richtlijnen werden gegeven op Weg naar het beloofde land. Het zijn dus eigenlijk richtingwijzers op weg naar dat land dat overvloeit van melk en honing. en misschien kunnen wij ook deze richtlijnen zo lezen dat we na de zomer, of eerder als u wilt, er weer mee op pad kunnen op weg naar een samenleving in onze dagen die gaat lijken op dat beloofde land.

Onze Godsdienst is eigenlijk helemaal niet zo ingewikkeld. Er zijn geen kostbaar aangeklede Tempels met geheimzinnig mompelende priesters waar je voor elke gunst die je van een God wil hebben eerst een offer moet brengen. Geen klankschalen of kleurstellingen, en vooral geen offers aan de God zelf. Dat was ook in het oude testament al zo.

De offers die werden gebracht waren een teken dat je wil delen van wat je hebt en waren bestemd voor de Priesters en Levieten, die moeten toch ook leven. Of ze worden verbrand, de stank is dan het teken dat je de richtlijnen van de God van Israël volgt

En als je de God van Israël wil volgen dan zijn er vreemdelingen en weduwen en wezen om je daarbij te helpen. Zo eenvoudig is het. Verschaf de weduwe en de wees recht, laat hen tot hun recht komen, neem ze op in je gemeenschap en zorg dat ze een volwaardige plaats krijgen. Ze zijn de armsten in de samenleving. Daar zijn we dus samen verantwoordelijk voor. In onze dagen voor de ouden van dagen, voor de zieken en invaliden, voor de mensen die niet in staat zijn een eigen inkomen te verwerven. Niet alleen in ons land maar uiteindelijk in de hele bewoonde wereld.

Maar in ons land moeten we, net als in Israël, de vreemdelingen met liefde behandelen. Het staat er echt. Iedereen die zich dus wil beroepen op de Joods Christelijke traditie van ons land, die bang is dat we overvleugeld worden door een andere godsdienst, zal zich moeten conformeren aan de richtlijnen die staan in het gedeelte dat we vandaag lezen, U moet de vreemdelingen met liefde behandelen. Want we zijn uiteindelijk allemaal vreemdelingen geweest of stammen af van vreemdelingen. De geschiedenis van het slavenvolk dat veertig jaar door de woestijn had gezworven nadat het in 400 jaar in Egypte tot slavernij was vervallen is natuurlijk geweldig.

Ook onze geschiedenis wordt soms als zo geweldig voorgesteld. Ooit kwamen de Batavieren op boomstammen de Rijn afzakken en nu behoren we tot de 20 rijkste industrielanden in de wereld. Natuurlijk zijn er problemen die we moeten aanpakken en oplossen. We hebben nog steeds nare gevolgen van hebzucht. We delen nog steeds onvoldoende, er zijn nog steeds voedselbanken nodig en de inkomensverschillen in allerlei bedrijven zijn onverklaarbaar groot. Er is nog steeds misdaad in ons land en jongeren worden verwaarloosd en vervallen soms onnodig tot misdaden.

Maar misschien erger is dat, de manier waarop wij onze landbouw hebben georganiseerd en handel drijven hongersnood veroorzaakt in arme landen. Erger is ook dat, de kleding die wij dragen voor een groot deel wordt gemaakt door kinderen onder erbarmelijke omstandigheden. Erger is ook dat, om hier mannelijke lusten te bevredigen arme meisjes uit minder welvarende landen gedwongen worden in onze seksindustrie te gaan werken en daar worden verhandeld, gemarteld, geslagen en vernederd.

Heel het boek Deuteronomium spoort ons aan de Weg te gaan die God ons wijst. Daarvoor moeten we eerst opstaan en die Weg willen gaan. Volgens dit boek is het een Weg die voert van dood naar leven. Ook al leven wij nu in een betrekkelijke welvaart als we de Weg willen gaan van de God van Israël dan zullen ook wij moeten opstaan, opstaan tegen al dat onrecht in onze samenleving, het onrecht dat ons omringt.

In de dagen van Jezus van Nazareth waren het vooral de Farizeeën die probeerden de richtlijnen die zij als menselijke wetten lazen. zo nauwkeurig mogelijk na te komen. Jezus van Nazareth las in die richtlijnen vooral het bevrijdende, de menselijke samenleving. In het verhaal van vandaag raakt hij in conflict over de reinheidswetten. Je handen wassen voor het eten is een gezonde regel.

De Farizeeën wijzen er dus kennelijk niet ten onrechte op dat de leerlingen van Jezus zich daar niet aan houden. Maar er staat in het Grieks meer dan in de vertaling doorklinkt. Letterlijk staat er dat die Farizeeën de handen wassen met de vuist. Dat is zo’n raar beeld dat de vertalers dat maar hebben weggelaten, in de tijd van Marcus was het een gewone uitdrukking, het betekende dat je je handen ritueel waste, niet helemaal echt maar zo dat er een nieuwe verhouding ontstond met datgene wat je aanraakte of aangeraakt had. Zoiets als met een wijwaterkwast. De Farizeeën spoelden met dat wassen alle heidendom van hun voedsel af. Het was een leeg ritueel dat alleen nog zei dat jij beter was dan een ander.

De leerlingen van Jezus hadden het druk. Overal waar Jezus kwam stroomden mensen bij elkaar en werden talloze mensen genezen. Soms hadden ze geen tijd zelfs om fatsoenlijk te eten. Die Farizeeën vonden dus kennelijk de regeltjes belangrijker dan de mensen. Dat noemen we huichelen De richtlijnen uit de leer van Mozes laten zich samenvatten in het heb je naaste lief als jezelf. En dat het om mensen draait laat Jezus  zien in een voorbeeld uit de praktijk. Als je alles wat je hebt bestemt voor een offer voor de Tempel, een Korban, dan kun je daar niets van weggeven. Je moet het zelf houden, om het offer te kunnen brengen, of je moet het naar de Tempel brengen. Je hoog bejaarde ouders bijstaan is er niet meer bij. Daar kun je dus gemakkelijk misbruik van maken

Deze manier van omgaan met de richtlijnen van de Bijbel door de Farizeeën is tegengesteld aan de leer van Mozes. Die richtlijnen waren gegeven in de woestijn aan een volk van bevrijde slaven die op de vlucht waren. Die richtlijnen maakten dat ze als volk samen verder konden naar een eigen land. Samen kunnen leven, van elkaar houden daar gaat het dus om. Daarbij zijn mensen belangrijker dan regels.

Het Evangelie van Marcus is geen journalistiek verslag van het leven van Jezus van Nazareth. Het verhaal is opgeschreven na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70. De bedoeling was om die verhalen over Jezus van Nazareth te vertellen aan de pas gevormde gemeenten van gelovigen. Die verhalen konden helpen om het geloof in Jezus van Nazareth en zijn manier van leven vast te houden. Ook in dit gedeelte gaat het over zaken die na de verwoesting van de Tempel belangrijker zouden worden.

Na de dood van Jezus van Nazareth hadden zijn leerlingen gevolg gegeven aan de oproep om iedereen mee te krijgen in die nieuwe Weg Ze hadden ervaren dat de liefde van Jezus van Nazareth het ook door de dood heen had uitgehouden. Als je oplette kwam je hem overal tegen waar mensen nood hebben, bij het breken en delen van brood, bij het vissen als het niet wil vlotten en in de wanhoop op de afloop van de kruisiging. Ze waren op weg gegaan en aarzelend en met veel discussie hadden ze ook mensen in hun beweging welkom geheten die niet uit het Joodse volk afkomstig waren.

Ze hadden zich herinnerd hoe ook Jezus van Nazareth een Romeinse officier had geholpen en zelfs met hem mee gegaan was toen zijn dochter dreigde te sterven. Ook niet Joodse vrouwen die hij ontmoette had hij een plaats gegeven in zijn beweging. Maar grotere aantallen niet Joden, Heidenen als wij, leverden een probleem op. Moesten die ook mee gaan doen met de ingewikkelde spijswetten van de Joden? Uiteindelijk hadden ze na veel strijd besloten dat die dwang nu juist in strijd was met de Weg van Jezus van Nazareth. Daarvan vindt je hier de weerslag. Niet wat de mens binnen gaat maakt onrein maar wat uit de mens komt. Voor ons lijkt dat vanzelfsprekend te zijn.

De vraag blijft natuurlijk waarom wij dan zo gevoelig zijn voor mooie praatjes van politici, over fatsoen en normen en waarden, over de angst die je zou moeten hebben voor de Islam, over de noodzaak wapens te kopen in plaats van brood voor armen, over het steunen van onze landbouwproductie zodat boeren in arme landen geen plaats krijgen op de wereldmarkt. De Weg van Jezus van Nazareth was de armen en verdrukten als maatstaf te nemen, werd hen recht gedaan dan gaat het goed, werden zij het slachtoffer dan gaat het slecht. Uit de mens komen slechte dingen, wees gewaarschuwd.

Het gaat hier ook over iets als genade. Ook genade is heel eenvoudig, elke dag staan we weer opnieuw op, elke dag schijnt opnieuw de zon, elke morgen is er opnieuw licht, alsof elke dag de wereld opnieuw geschapen wordt. Elke dag mogen we daarom opnieuw de Weg gaan die de God van Israël ons wijst, hoever we ook van die weg zijn afgedwaald, elke dag mag het weer opnieuw en als het nodig is misschien wel duizend keer per dag opnieuw schrijft Paulus ergens. Dat is genade. Dat betekent dat we de vrijheid hebben steeds opnieuw te beginnen, dat we bevrijdt zijn voor de angst voor de dood, die deert ons niet meer.

De regel dat we het goede moeten doen en niet dan het goede maakt ook dat we mogen genieten van het goede, dat we ons mogen bezinnen op waar we mee bezig zijn in ons leven, kortom betekent ook dat we vakantie mogen houden. We moeten immers ook weet hebben van dat beloofde land waarheen we op weg zijn?

Volgens de leer van Mozes was daar elke zevende dag rust, werd elke zevende dag gevierd dat we bevrijd zijn van de slavernij van de arbeid. Christenen hebben dat doorgetrokken naar de achtste dag, de eerste dag van een nieuwe week, waarop we vieren dat we in Christus bevrijdt zijn van de dood. Maar we mogen nooit vergeten dat we het nodig hebben ook te vieren dat we bevrijd zijn van de slavernij van de arbeid. Die eerste dag van de week als gezamenlijke vrije dag staat ter discussie. Te veel Christenen hebben er menselijke wetsregels van wat niet mag, aan vastgeplakt en het karakter van Bevrijdingsdag wordt bijna niet meer herkent. Het is een rituele dag geworden zoals met dat handenwassen van Farizeeën.

In onze vakantie moeten we ons weer herinneren dat in dat beloofde land elke zeven jaar al het werk op het land achterwege moest blijven, het Sabbatsjaar. Terugkerend na onze vakantie hebben we verhalen over hoe weldadig de rust heeft kunnen zijn. Het goede van de rust mogen we uitdragen en delen, wij hebben nog een dag waarop we het goede van de bevrijding kunnen delen met iedereen in onze gemeenschap, niet alleen in onze kerk, maar ook in ons dorp en onze stad. We zijn gewaarschuwd voor het kwade, maar we kunnen het bestrijden met het goede, niets doen dan het goede, dag in dag uit, tot in eeuwigheid, tot er een eeuwigdurende vakantie aanbreekt waarin alle tranen gedroogd zijn en de dood niet meer zal zijn..

Amen

Read Full Post »

Lezen: Jesaja 63: 7-14

             Marcus 6: 45-52

Gemeente,

We leven weer volop in de tijd van vakanties, dit jaar compleet met hittegolf. Als ze er zijn verwelkomen we vanmorgen gasten van elders. We verwelkomen al terug de mensen die al op vakantie zijn geweest en ons de mooie verhalen vertellen die bij de zomer horen. En misschien tellen we de dagen af tot de dag dat we zelf op vakantie gaan. Dat de jeugd zo lang vakantie heeft in de zomer komt door de kinderarbeid. Bij het invoeren van de leerplicht werd de hulp van kinderen bij de oogst onmisbaar geacht en daarom kregen alle kinderen de hele oogsttijd vrij. Tegenwoordig huren we mensen uit een arm buitenland in om bij de oogst te helpen.

Vakantie is een zeer Bijbels gegeven. De Sabbath was gegeven aan een volk dat bevrijdt was van de slavernij in Egypte. Nooit zou het volk meer slaaf worden van de arbeid. Elke week weer, elke zeven dagen, zou het alle werk laten vallen om de bevrijding van die slavernij te kunnen vieren. Christenen hebben dat doorgetrokken naar de bevrijding van de dood. Op de achtste dag, de eerste van een nieuwe week werd de bevrijding van de dood in de opstanding van Jezus van Nazareth gevierd. En in onze dagen mogen we niet vergeten dat die bevrijding uit de dood ook hoort bij de bevrijding van de slavernij. Het geschenk van de ene dag zonder slavernij van het werk staat ter discussie en juist in de vakantieperiode mogen we tot ons door laten dringen hoe kostbaar die vrijheid is en hoe dankbaar we de God van Israël mogen zijn voor die bevrijding.

Die bevrijding staat ook centraal in het vreugdelied uit het boek van de profeet Jesaja dat we vanmorgen hebben gehoord. God kiest een volk, staat het bij, leidt het uit het land van de slavernij en geeft het een richtlijn waar het eeuwig van zou kunnen profiteren.

Maar die kinderen beschamen dat vertrouwen en komen in opstand tegen het idee altijd maar van je naaste te moeten houden als van jezelf, altijd maar de minsten, de zwaksten, in je samenleving voorop moet zetten. Dat beschamen van vertrouwen in God leidt tot oorlog en ellende. Maar God herinnert zich de band met het volk, de leiders van het volk die zijn leer door wisten te geven, de koningen die vrede wisten te stichten en berouwt de vijandschap die hij is aangegaan met zijn eigen volk. Het volk wordt dus opnieuw gered.

Dat klinkt natuurlijk mooi. Maar als het niet goed gaat met het volk van God dan komt de naam van God in het geding. En God valt samen met zijn naam: Ik ben die ik zijn zal. En de God van Israël zo leren we in de Bijbel is met de minsten, met de slaven en de verdrukten, met de weduwe en de wees. Als wij een andere weg gaan, de dood centraal stellen en niet het leven verdwijnt dus de luister van God, na Auschwitz zeiden we, God is dood.

Als wij dus de minsten in de steek laten, in opstand komen tegen God, niet eerst om de voedselbank denken en dan om de receptie,  niet eerst de uitkeringen en dan pas het mooie nieuwe stadhuis, niet eerst de zorg voor de verstandelijk gehandicapten en dan pas de hypotheekrenteaftrek om zo maar eens wat zaken tegenover elkaar te zetten, dan brengen we God zelf in nood. Waar is immers de God van Israël dat zijn kinderen zo moeten lijden?

Dat God samenvalt met zijn Naam, niet alleen in het Woord maar juist in de Daad, wordt hier een boodschap genoemd. Het Woord van God is Daad is de boodschap. Dat is een boodschap van tegenwoordigheid, een engel van tegenwoordigheid wordt dan vertaald. Maar zijn wij de stem en de handen van die God? Laten wij zien wat zijn luister betekent?

Het betekent dat God ook met ons mee blijft gaan. Ook al vergeten wij nog wel eens zijn richtlijn om van je naaste te blijven houden als van jezelf. Ook al vergeten we dat voedsel en onderdak voor verstandelijke gehandicapten en demente bejaarden lang niet genoeg zijn en dat we ook moeten zorgen voor activiteiten en aandacht.

We moeten blijven zien wie de minsten zijn die aan de kant van de weg zijn komen liggen en die ondanks de drukte van alledag gehoord moeten worden. Daar roept de profeet ons vandaag toe op, wij mogen weten dat op die Weg God met ons gaat, ook al vergeten wij dat maar al te vaak.

Maar die boodschap mogen we ook lezen uit dat mooie romantische verhaal over de storm op zee dat we uit het Evangelie van Marcus hebben gehoord. Dat verhaal van Marcus begon eigenlijk over het delen van alles wat ze bij zich hadden en er 5000 mensen mee bleken te kunnen voeden. Dat verhaal over dat breken en delen, over dat er voor iedereen genoeg de eten is en dus leven is zet zich schijnbaar voort in het verhaal over de storm op zee.

De verhalen zoals Marcus die ons vertelt lijken soms wel op moderne TV trillers. Korte scènes en de ene gebeurtenis tuimelt bijna over de vorige heen. je kunt dat bij Marcus herkennen aan het gebruik van het woord terstond. ze hadden de resten van de maaltijd, 12 manden groot, nog niet ingezameld of terstond dwingt Jezus van Nazareth zijn volgelingen de boot in te gaan. Ze moeten voor hem uit varen naar Bethsaïda. Hij zelf ging naar de berg om te bidden nadat hij afscheid van hen had genomen. Het van wal steken van het schip is een duidelijk signaal aan de menigte dat de bijeenkomst met prediking en delen van brood en vis voorbij is. Nu wordt het tijd om naar huis te gaan.

Wat ons misschien toch opvalt is dat de bijeenkomst niet wordt afgesloten met gebed, wij doen dat toch maar al te vaak. Maar voor Jezus van Nazareth is het gebed iets van je terugtrekken, in je binnenste binnenkamer zou hij zijn leerlingen leren. Ook Jezus van Nazareth had rust nodig, dat blijkt wel uit het verhaal, maar rust is niet niks doen. Rust is ook de reis naar binnen, wat heeft de dag mij gedaan, wat brachten al die ontmoetingen te weeg. En daarbij de ontmoeting met God, waar was zijn Woord een lamp voor mijn voet, waar hoorde ik zijn stem en in wiens ogen zag ik hem oplichten. Voor ieder van ons is dat anders. We hoeven ons daarom ook niet af te vragen hoe Jezus van Nazareth gebeden heeft, hoe hij omging met zijn Vader.

In de Joodse traditie bidt je met de teksten uit de schrift, met de Psalmen, met de Tora, op die manier schijnt het Woord van God op jouw pad, maar bidt je toch met iedereen mee en ben je in je gebed verbonden met alle gelovigen.

Voor de leerlingen aan boord van het schip begint er ondertussen een nieuwe dag. Het was avond geworden staat er. En met de avond begint de nieuwe dag. Er gaat iets nieuws gebeuren. Daarvoor moet het eerst nacht geworden zijn, want pas door de nacht heen zien we het licht, pas door de dood heen kunnen we opstaan ten leven. Dat beeld vertelt Marcus ons nu in een verhaal. je kunt van het leven wel de dood in, van het land wel de zee op, maar als het stormt en je bang wordt dan kun je uit dat dodenrijk nooit meer het land, het land van de levenden bereiken. Er staat niet voor niets dat Jezus van Nazareth pas in de vierde nachtwake tot hen kwam, de hondenwacht is dat, het holst van de nacht, het diepst van de dood. In die zwarte duisternis zag Jezus van Nazareth dat zij zich aftobden in het voortgaan omdat ze tegenwind hadden.

Je hoort Jezus van Nazareth zuchten in dit verhaal. Eerst waren de leerlingen twee aan twee op stap geweest. Een succesreis die diepe indruk had gemaakt tot aan het hof van koning Herodes toe. Vervolgens zagen ze van heinde en ver de mensen op ze afgekomen, zo veel dat ze zelfs bang werden dat er niet genoeg te eten was, maar Jezus had ze geleerd samen te werken en op elkaar te vertrouwen, samen te delen van dat wat er meegebracht was, dat had gewerkt. Nu was het eind van de dag gekomen. Nu leek de vakantie aangebroken waar ze zo’n behoefte aan hadden.

Het meer blijkt echter geen rust te geven maar dreigt door de storm met de dood. Maar hoe zat het ook al weer, moet je je in tijden van nood door angst laten regeren of door samenwerken, zoals we leren in het Verbond met de God die er ook in de storm en de doodsnood zal zijn? Jezus van Nazareth kwam naar ze toe om ze te helpen en berispte ze om hun angst. In het verhaal van Jezus van Nazareth, zoals Marcus ons dat vertelt gaat samenwerking ver boven de angst die we kunnen voelen, juist door het rotsvaste vertrouwen op de aanwezigheid van God

Die angst zit ook in onze samenleving. De angst dat we door te delen met de armsten in Europa, alles zullen verliezen. Wij worden bang gemaakt, door vertegenwoordigers van de rijken, dat dat eerlijker delen ten koste zal gaan van de armen, dat die ook zullen  moeten inleveren. Zou het dan niet waar zijn dat vijf broden en twee vissen genoeg zijn om een volk te eten te geven? Of moeten we ons laten regeren door de angst. We moeten toch langzamerhand weten dat ruim 50 jaar van eerlijk delen ons allemaal kansen heeft gegeven en dat iedere keer als de rijken rijker en de armen armer gemaakt worden de ellende in de samenleving ook toeneemt De leerlingen op het schip in de storm hoorden het “Vrees niet!” Maar zij hadden de betekenis van de broden, de betekenis van het delen dus, nog niet begrepen staat er

Pas toen doordrong dat die liefde ook de dood kon overwinnen begon het te dagen. Daarmee is het verhaal van Marcus een Paasverhaal geworden. Een verhaal over de opstanding uit de dood. Een verhaal ook over de vraag hoe we die opstanding in het leven van alledag kunnen herkennen. Ook als in ons leven de duisternis van de dood dichterbij lijkt dan de dageraad van het leven.

In het verhaal gaat de storm wel liggen maar is de nacht nog niet voorbij als Jezus aan boord komt. We horen dus niet de valse belofte dat alle ellende die we meemaken voorbij is als we maar op Jezus vertrouwen. Dat ziekte geen ziekte meer is, dat het verlies van een geliefde ons niet meer deert, dat de fouten die we in het leven gemaakt hebben geen fouten meer zijn en dat de werkloosheid die ons getroffen heeft geen werkloosheid meer is.

De ontmoeting met Jezus van Nazareth bevrijdt ons niet van de nacht. We blijven roepen met de profeet die riep Wachters hoe lang duurt de nacht nog. Maar we zijn bevrijdt van de angst, de verlammende angst voor de toekomst, wat zal de nieuwe dag ons brengen, komt er meer storm, komt er meer ellende? De angst daarvoor is voorbij, we weten dat er altijd aan het einde een nieuwe dag is.

En in de traditie van de Bijbel is die nieuwe dag al begonnen zodra het nacht wordt. Er is geen reden om bang te zijn als we ook het laatste wat we hebben weten te delen met hen die het nodig hebben. Die boodschap zullen wij ook moeten horen en daar zullen we op moeten gaan vertrouwen. Elke morgen nieuw zegt ons de schrift. Elke morgen mogen we opnieuw op Weg gaan met de God van Israël, mogen we ervaren dat zijn naam waarheid is, hij zal er zijn, hij is er in de nieuwe dag die we krijgen. Elke nieuwe dag mogen we daarom ook weer zijn Weg gaan, ook al zijn we dat zoveel dagen vergeten, elke dag mogen we opnieuw onze naaste liefhebben als onszelf, mogen we leven of we eeuwig leven, totdat hij komt en ons een nieuwe hemel en een nieuwe aarde brengt waar de dood niet meer zal zijn en alle tranen gedroogd zullen zijn.

Amen.

 

 

 

 

Read Full Post »

Older Posts »