Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for oktober, 2021

Lezen: Job 19: 23-27a

Marcus 12: 18-27

Gemeente,

We staan vandaag aan het begin van feest en herdenkingsdagen. Vandaag, 31 oktober, is de eerste, de dag waarop we de hervorming van de Rooms Katholieke Kerk herdenken, een hervorming die mislukt is en die leidde tot de vorming van de Protestantse Kerken. Op 1 november is het allerheiligen, op 2 november allerzielen en komende woensdag is de dankdag voor gewas en arbeid. En omdat we door de week niet meer naar de kerk gaan klinken vandaag al die feest en herdenkingsdagen door  in de dienst.

Op Hervormingsdag werd ontdekt dat onze God geen God is van voor wat hoort wat. Hij laat het regenen over de rechtvaardigen net zo als over de onrechtvaardigen. Schrijf dus niet alle ellende in de wereld op de rekening van God, maar vraag je af wat je zelf aan die ellende bijdraagt of tegen die ellende doet. Job, de lijdende bij uitstek, geeft ons daarvoor het voorbeeld.


Want ondanks al het lijden blijft Job vertrouwen op zijn God. Zijn God is immers niet gebonden aan de weersomstandigheden of de tijd van het jaar. Zijn God is niet gebonden aan de grond. Zijn God hoeft niet gunstig gestemd te worden door offers of beelden of goede gezangen en vrome gebeden. Zijn God verlangt alleen het goede. Daarom kan Job zijn vrienden waarschuwen, daar waar zij de rol van God willen overnemen, zelf voor God willen spelen, door een oordeel te vellen over het leven van Job lopen ze gevaar. Want de God van Job is een jaloerse God die geen andere goden naast zich duldt.

Dat beseffen we vaak niet als we zelf de macht over leven en dood in onze handen nemen. Als we ons in het verkeer begeven terwijl we weten dat het eigenlijk niet verantwoord is, als we het leven rekken van een stervende omdat wij geen afscheid kunnen nemen, als we het leven afdwingen bij een ongewenst zwangere omdat wij dat fatsoenlijk of christelijk vinden, als wij het leven van partners in gevaar brengen door het verbod op condooms, omdat die niet passen in onze opvatting over sexualiteit. Het oordeel over anderen past ons niet, dat moeten we aan God laten.

Job, als lijdende persoon, weet dat je daar ondanks alle ellende op kan  blijven vertrouwen. Ons rest alleen het goede te doen. Naast de lijdende staan, begrip opbrengen, elke dag weer.

Op allerheiligen en allerzielen herdenken we de gelovigen die ons zijn voorgegaan. Dat is mooi. Een oud Joods spreekwoord zegt dat iemand pas dood is als iedereen die persoon vergeten is. Maar waarheen zijn zij ons voorgegaan? We weten het niet.

Die Saduceeën geloofden niet in de opstanding van de doden. Hun voorbeeld maakt het geloof in die opstanding dan ook bespottelijk. Jezus van Nazareth geeft op hun vraag eigenlijk twee antwoorden, als we al opstaan dan is dat als de engelen en verder weten we het niet want God is een God van levenden.

Dat leidinggevende religieuze Joden niet in een opstanding van de doden geloofden is minder raar als het lijkt. Voor ons is het geloof toch in elk geval een geloof in de opstanding van de doden, maar dat is het voor de Bijbel niet. In de oudste gedeelten van de Bijbel gaat het helemaal niet over een latere opstanding van de doden. Het lijkt er zelfs heel sterk op dat, in tegenstelling tot de Heidense volken, de Joden helemaal niet geloofden in een opstanding van de doden. In het boek Genesis wordt verteld dat God een grens stelde aan de leeftijd van de mensen, ouder dan 120 jaar zouden ze niet worden. Prediker schrijft dan dat de adem van God, waarmee hij de mens het leven heeft gegeven, weer terug keert naar de borst van God. Een mooi beeld.

Maar tijdens en na de ballingschap en vooral tijdens de bezetting door Griekse overheersers vonden veel mensen het wel erg wreed van God dat mensen het geloof in de God van Israël moesten bekopen met marteling en een vreselijke dood en dat het daarmee afgelopen zou zijn. Zo kon de God van Israël niet zijn. Als God zich zou ontfermen over zijn kinderen en het rijk zou aanbreken waarin de tranen gedroogd zouden zijn en God zelf weer zou regeren vanuit Jeruzalem dan zouden ook die rechtvaardigen daaraan deel hebben die hun leven gegeven hadden voor de God van Israël.

Zo ontstond bij grote delen van het volk de overtuiging dat er een opstanding van de doden zou zijn. Ook in onze samenleving kom je die overtuiging wel tegen. Als jonge mensen sterven dan kan het toch niet afgelopen zijn? Als mensen zich inzetten tegen zinloos geweld en daarbij zelf omkomen, of sneuvelen op een missie die vrede en veiligheid moet brengen, dan zullen ze toch deel mogen hebben aan de samenleving waar de dood niet meer zal zijn? Of er een God is weten veel mensen niet, zeker niet hoe ze zich die God moeten voorstellen, maar dat het na de dood niet afgelopen is dat willen ze wel geloven.

Van Jezus van Nazareth mag dat, al moet je daar geen voorstellingen van willen maken. Wat zeker niet moet is mensen voorhouden dat het lijden gedragen moet worden tot na de dood, dat je in dit leven niet moet opstaan tegen onrecht en geweld. Zoals Jezus van Nazareth zijn liefde door de dood heen kon dragen zal God ook zijn geliefden door de dood heen dragen. Daarom mogen we in dit leven al opstaan tegen onrecht en het lijden van medemensen, dat mogen we ook vandaag al doen, dat is kiezen voor het leven.

Het goede doen en niet dan het goede leerde Paulus ons. Dat goede is opstaan tegen onrecht en lijden. Dat goede is het delen van wat wij uit Gods hand ontvingen. Alles  wat we hebben kregen we immers van God. De banen waarin we werken, de opbrengst van landbouw en veeteelt. Maar ook de verworvenheid van de Medische Wereld. Vaccins horen daar bij, God heeft ze ons gegeven ter bescherming. Aan ons de vraag of wij die bescherming uit Gods hand willen ontvangen en willen delen. Zo mogen wij dankbaarheid betonen voor alles wat we kregen. Niet alleen komende woensdag maar alle dagen van ons leven.

De Bijbel houdt de levenden een belofte voor. Er komt een dag dat alle leed geleden en alle strijd gestreden zullen zijn. Profeten hadden daar visioenen over, van ouderen die dromen zullen dromen en jongeren die gezichten zullen zien. Dromen van de leeuw die weidt met het lam, van het kind dat speelt in het hol van de slang. Van de stad waar geen kindersterfte meer zal zijn en niemand zal sterven voor de tijd die God er voor heeft gesteld. Aan de vervulling van die belofte mogen wij alvast gaan werken, niet om het uitkomen er van mee te maken maar ter Ere van God die hemel en aarde geschapen heeft als een veilige woonplaats voor zijn mensen.

Amen.

Advertentie

Read Full Post »

Lezen uit de NBV21 Jesaja 59: 9-19 en Marcus 10: 46-52

Gemeente,

Mooie verhalen voor de zondagmorgen, zo werden de verhalen uit de Bijbel nog onlangs getypeerd, verder als de zondagmorgen moest je er overigens geen aandacht aan schenken, het zijn verhalen uit een oud boek dat ergens in een ver verleden is samengesteld en dat over vandaag de dag verder niets te vertellen kan hebben.

Vanmorgen hebben we weer van die mooie verhalen. Een profeet die in mooie taal vertelt hoe slecht de mens wel niet is en hoe slecht het met de mens zal aflopen. Als we naar buiten kijken zien we die slechte mensen wel, wij zijn het natuurlijk niet, wij blijven fatsoenlijk. En dan is er ook een verhaal over een arme blinde man die blij mag zijn dat hij weer mag zien. Zo’n wonder kan natuurlijk niet maar geeft toe, het is een mooi verhaal.

Als we zo de Bijbel willen lezen dan begrijpen we er weinig van. Die profeet zegt helemaal niet dat het met ons mensen slecht zal aflopen, integendeel, hij schildert een paradijs, en die blinde man ziet niet zomaar, die ziet iets wat voor iedereen eigenlijk verborgen was gehouden.

We moeten dus wat nauwkeuriger en wat dieper in de verhalen duiken.

De schrijver van dit gedeelte van het boek van de Profeet Jesaja durfde wel, wat hij zei lag misschien helemaal niet zo voor de hand. Geleerden die de oorspronkelijke teksten van het boek Jesaja hebben bestudeerd zijn het er over eens dat er meer mensen moeten hebben meegeschreven aan dit boek. Er is een profeet geweest die schreef totdat de mensen in ballingschap werden weggevoerd en er zijn mensen geweest die daarna het boek hebben afgemaakt. Het gedeelte van vandaag gaat over die teruggekeerde ballingen.

Die ballingschap was een zware tijd. Joden hebben generaties lang gewoond in Babel en waren direct dienstbaar aan koningen die, voor zover ze wisten, de hele aarde in hun macht hadden. Pas na generaties mochten ze terug. De schrijver van dit gedeelte is bang dat uiteindelijk niemand meer zal weten wat nu echt recht voor mensen zou zijn. Sion, of Jeruzalem, in elk geval de naam van de plaats waar de richtlijnen van de God van recht en liefde werden bewaard die het volk Israel in de woestijn had ontdekt, lijkt een vergeten en door onkruid overwoekerde plaats geworden.

De ballingen die terug keerden moeten aan het werk. Muren en huizen moeten er worden gebouwd, God doet dat niet voor hen. En ze moeten op de muren werken met een troffel in de ene en het zwaard in de andere hand. Voortdurend worden ze bedreigd. Velen van hen lijken het op te geven. Ze schreeuwen op straat dat die God van Liefde niet deugd, dat die alleen ellende brengt. Straks worden de vrouwen verkracht en worden wetten opgelegd die ze nooit gekend hebben. Spreekkoren tegen het recht van de armen worden aangeheven.

Maar de profeet heeft een visioen, God zelf zal Sion bevrijden. Er is en blijft één Heer op aarde en dat is niet de koning die in Babel regeert, maar dat is de God van Israel. Een geloof dat ook vandaag nog mensen in beweging zet, dat mensen gaan ingrijpen. De profeet roept op om die weg van Liefde te blijven volgen, om te blijven bouwen aan dat nieuwe Jeruzalem.

Er komt op deze aarde een paradijs. Als we alle mensen als broeders en zusters gaan zien. Als we alle mensen lief gaan hebben, zelfs onze vijanden zou Jezus ons later leren.

Iedereen die mee wil doen in het verhaal van Israel, die bij Jacobs nageslacht wil horen, heeft als het ware een contract met die ene Heer dat de woorden van het Recht gesproken mogen blijven worden, tot in eeuwigheid, het zal dus altijd mogen blijven doorgaan. Dat is pas hoopgevend.

Het kan dus echt, dat ballingen terugkeren, dat vrede uitbreekt, dat recht wordt gedaan aan mensen die vertrapt en verworpen worden. Het is de oproep om de grote stroom vluchtelingen te helpen en welkom te heten, ze horen ook bij ons, het was een aantal jaren geleden de oproep tot het veranderen van probleemwijken in prachtwijken en in tal van plaatsen in ons land is men aardig op weg. Het is het opvangen van probleemjongeren in buurthuizen en door buurtvaders.

Het is wel opletten geblazen in de steden en de dorpen van ons land dat de stem van mensen wordt gehoord en niet als lastig door machthebbers en rijken wordt gesmoord. Recht doen aan mensen is ook problemen serieus nemen en oplossen. Mensen die met moeite een goede baan hebben gevonden, die nauwelijks de armoede zijn ontstegen, mensen die eindelijk een droomhuis hebben maar die zomaar door een verandering in de economie of welke verandering in de samenleving alles weer kwijt zouden kunnen raken. Hoe minder je die mensen serieus neemt hoe sterker hun angst wordt en hoe harder ze gaan schreeuwen, ze schreeuwen van angst zeker in deze dagen.

Jezus van Nazareth hoorde dat schreeuwen. Dat was op zich al een wonder. Marcus beschrijft een pelgrimstocht naar de Tempel in Jeruzalem. Direct na het verhaal dat we vanmorgen gelezen hebben staat het verhaal van de intocht, dat verhaal met dat zingen en mantels op de grond en palmtakken die van de bomen werden gerukt.

Stel je dan Jezus eens voor. Temidden van een grote groep mensen trekt hij over de weg. Iedereen wil zijn aandacht. Een arme blinde die langs de kant van de weg zit te bedelen schreeuwt om zijn aandacht, maar de omstanders manen hem de meester met rust te laten. Te midden van al dat lawaai hoort Jezus toch de man schreeuwen en hij laat hem roepen.

Die man roept iets bijzonders. Hij roept Zoon van David, daarmee roept hij Jezus tot Koning uit. Marcus vertelt in zijn verhaal dat hier voor staat voortdurend dat Jezus vraagt of ze met niemand over zijn werk willen vertellen, geleerden noemen dat het messiasgeheim. En dan is er ineens een arme blinde man die ziet wat er echt gebeurd. De Koning der mensen trekt met het volk op naar de hoofdstad, op naar Jeruzalem waar nog de richtlijnen voor het inrichten van de samenleving als een menselijke samenleving worden bewaard.

De vraag of Jezus van Nazareth nu wel of niet genezen heeft zoals tegenwoordig een dokter geneest. wordt zelden gesteld. Dat is eigenlijk ook een gevaarlijke vraag. Want als dat zo zou zijn dan zouden alle andere blinden die niet zijn genezen kennelijk te weinig geloofd hebben.

Dit verhaal gaat dus niet over genezen, maar dit verhaal gaat over gehoord worden. Mensen die langs de weg zitten worden zelden gehoord. Als ze al eens opgemerkt worden krijgen ze een aalmoes toegeworpen. Aandacht is er nooit voor. Om aandacht te trekken is in ons land de straatkrant of de daklozenkrant bedacht. Een echte krant met leuke artikelen die verkocht wordt zoals alle andere kranten.

Alleen de opbrengst gaat naar mensen die langs de weg zijn komen te staan, want ook in onze samenleving komen er mensen langs de weg te staan. Denk niet dat het hun eigen schuld is. De schade die ze hebben opgelopen en die maakt dat ze buiten de samenleving zijn komen te staan, maar ook blijven staan, vaak is van veel vroeger. Ze zijn al langer niet gehoord en opgemerkt en het op straat komen te staan is vaak het einde van een lange lijdensweg.

Zo ook Bartimeüs. In de dagen van Jezus van Nazareth bleef er voor veel mensen niet veel anders over dan als blinde of lamme langs de weg gaan zitten en te gaan bedelen. Ze waren niet meer vooruit te branden. De weg had voor hen opgehouden en alleen aalmoezen hielden hen nog in leven. Maar Bartimeüs had ergens nog een sprankje hoop. Ooit zou er een moment komen dat iemand hem weer op weg zou helpen, ooit kwam er een dag dat er meer zou zijn dan een aalmoes, dat iemand hem weer als mens zou herkennen.

Wij zetten ons zelf soms ook aan de kant. Als er bijna gewelddadige discussies losbranden dan zwijgen we en gaan vaak zelfs niet naar de informatieavonden. We worden toch overschreeuwd. Maar het verhaal van Marcus stelt ons dan de vraag of we eigenlijk wel geloven. Komt dat nieuwe rijk van God er eigenlijk wel? En mogen we er aan werken? Of laten we zoals Jesaja verteld de stad over aan de bedrijvers van onrecht en is er geen mens die ingrijpt.

In het verhaal van Jesaja is het God zelf die het recht doet overwinnen. Hij trekt als een soldaat de wapenrusting van het recht aan. Paulus roept de gelovigen ergens op om de wapenrusting van het geloof aan te trekken. God doet een beroep op ons. Zijn kinderen zijn in nood en als wij zijn kinderen willen zijn dan zijn onze zusters en broeders in nood.

Het is vanaf de kansel gemakkelijk praten over recht en gerechtigheid en de keuzes die u schijnbaar moet maken. We zien misschien het onrecht wel maar of we het aandurven om op te staan en Jezus uit te roepen tot de enige Koning van de wereld is maar de vraag.

De PKN roept ons op om ons in te zetten voor de vluchtelingen van vandaag. En veel kerken kiezen vertegenwoordigers die het aandurven te blijven pleiten voor menselijkheid, die er voor blijven pleiten hun broeders en zusters die gevlucht zijn op te vangen.

En langzaam gaan meer mensen protesteren tegen de gevolgen van het toeslagenmisdrijf  Wij lezen op zondag de oude verhalen, over een stad die kan worden opgebouwd, over een blinde die het gaat zien, over een pelgrim naar Jeruzalem die wordt uitgeroepen tot Koning van de vrede. De verhalen vragen elk van ons wat wij gaan doen, niet toen maar vandaag,iets  als ingrijpen.

Amen

Read Full Post »

Lezen: Deuteronomium 15: 1-11

Marcus 10: 17-31

Gemeente,

Het antwoord op de vraag waarom we eigenlijk geloven in de God van Israël, in Jezus van Nazareth als zijn Zoon en in de Heilige Geest als hun Geest is niet zo eenvoudig te geven. In veel kerken zul je horen dat we geloven om behouden te worden, gered van onze zonden. Maar zegt de Bijbel dat eigenlijk wel? De lezingen van vanmorgen brengen ons op een spoor van de betekenis van geloven als een werkwoord.

Het idee dat geloven alles goed maakt en dat je tegenslagen in meevallers veranderen en dat je geen problemen meer tegenkomt wordt door de Bijbel zeer tegengesproken. Er zijn altijd armen en altijd moeten we daarvoor openstaan en daarvoor zorgen. Ook in de richtlijnen voor de menselijke samenleving die in de eerste vijf boeken van de Bijbel voor het volk van God worden gegeven wordt allereerst voor de armen gezorgd. Niet alleen in de oproep om ruimhartig te geven maar ook in de oproep om schulden kwijt te schelden in het zevende jaar.

Dat zevende jaar was namelijk een belangrijk jaar. Dan moest de akker rusten en mocht er niet gezaaid en geoogst worden. Er groeit dan nog wel wat vanzelf en daar moest men dan maar van leven. Maar voor de armen zou dat een probleem geven. Die mochten het graan plukken aan de rand van de akker. In het zevende jaar was het maar de vraag of daar wat zou groeien. Door de kwijtschelding werden ze van een last verlost waardoor ze ook dat jaar konden doorkomen en een nieuw begin konden maken.

Dat nieuwe begin is ook in onze dagen van groot belang. Mensen met een laag inkomen heel lang in schuldenlast laten maakt dat er steeds meer kapot gaat, kwijtschelding kan dan helpen ook nieuwe schulden te voorkomen. Er zijn mensen die de richtlijnen van de God van het volk Israël ook van toepassing laten zijn op het verkeer tussen landen in de huidige wereldsamenleving. En daar is natuurlijk wel wat voor te zeggen. Israël wordt geschilderd als een voorbeeld voor alle volken. Zoals de God van Israël wil dat het met dat volk gaat zou het met alle volken moeten gaan.

En als de volken in de wereld nu eens zouden zien hoe goed het kan gaan met het volk Israël als het doet wat ze met God hebben afgesproken dan gaan alle volken luisteren naar de God van Israël. Want stel eens voor dat er geen armen meer zijn op de wereld. En volgens het deel dat we vandaag lezen hoeven er geen armen in het land te zijn, hoeven er dus geen armen op de wereld te zijn. Omdat we niet altijd willen delen, omdat we de lasten van schulden ook na zeven jaar laten bestaan, omdat we vanuit onze rijkdom zo machtig zijn dat we geen eerlijke prijs betalen voor de producten van de armen, blijven er armen in het land, blijven er arme volken. De regels voor het volk Israël zijn geen regels die je af en toe, als het uitkomt, kan toepassen. De Wet van de God van Israël hoort het hart van elke samenleving te zijn.

Nu zijn de voorschriften voor het zevende jaar heel mooi. Maar wat nu in de andere jaren, met name in het jaar voordat het zevende jaar aanbreekt, als de last van de armoede, de last van schulden het zwaarst is. Je kunt dan natuurlijk denken dat men maar even de tanden op elkaar moet zetten, dat de tijd tot het kwijtschelden van schulden niet ver meer is, maar de Bijbel roept op tot iets anders. Juist als de last het zwaarst is en de verlossing nabij dan zullen we de handen uit moeten steken en de armen helpen.

Daarom zijn er voedselbanken in ons land die steun nodig hebben. Zij helpen op dit moment de armen door de tijd heen die nodig is om schuldsanering voor elkaar te maken. Daarom zijn de Fair Trade winkels nodig, zodat er ook mensen in arme landen zijn die wel een eerlijke prijs voor hun producten krijgen en wij leren welke prijs we eigenlijk zouden moeten betalen als we rechtvaardig willen handelen.

We kunnen de armoede pas opheffen als iedereen en als alle landen de armoede ook echt willen opheffen. Daar lijkt het niet op, wie rijk is krijgt meer moeite met delen naarmate men rijker is, tot men heel erg rijk is. Daarom worden door mensen uit de kerk ook vluchtelingen opgevangen, zijn veel gemeenten samen vrijwilligerswerk aangegaan in opvangkampen en asielzoekerscentra.

We zullen het delen misschien wel tot een vaste regel in onze samenleving moeten maken. Zelf delen en anderen daarin meenemen is het begin, ook vandaag weer.

En dan besluit het verhaal dat we vandaag over Jezus van Nazareth gehoord hebben met een gedeelte waar veel christenen ontzettend van kunnen schrikken. Daar lezen ze snel aan voorbij. Eeuwen later nog zou de kerk hier vreselijk mee worstelen.

Als Jezus van Nazareth God was hoe kon hij dan zeggen dat hij niet goed is? Dat hij geen “goede meester” genoemd wil worden? Wij kunnen het ons bijna niet voorstellen dat we eretitels en vleiende benamingen zullen afwijzen. Maar in dat Koninkrijk van God is niemand meer dan een ander, alleen God gaat alles en iedereen te boven. De mens Jezus van Nazareth schaart zich daar ook onder en dat maakt hem goddelijk, dat te kunnen volhouden, een menigte mensen achter je aan, het halve volk aan je lippen, lammen laten lopen en blinden laten zien, boze geesten uitdrijven bij de vleet, en dan nog zeggen dat je niet meer bent dan een ander.

De meesten van ons zouden dat niet kunnen en als we het kunnen hebben we daarvoor voorbeelden als Jezus van Nazareth nodig. En wat we moeten doen om bij die beweging te horen? Heel eenvoudig, geen moord plegen, niet je eigen partner of een ander als voorwerp voor je eigen genot beschouwen, niet een rechter bedriegen zodat er onrecht ontstaat, niet je afkomst vergeten of ontkennen.

Fatsoenlijke mensen hebben dat eigenlijk altijd al wel gedaan en weldenkende mensen halen het niet in hun hoofd om iets anders te doen. Zijn ze er dan? Hebben ze het toegangsbewijs voor het Koninkrijk in handen? In het verhaal dat we vandaag lezen ontbreekt er nog één ding. Afstand doen van alle rijkdom. Dat is niet eenvoudig. Zomaar alles wat je bij elkaar gespaard en verdiend hebt wegdoen om Jezus van Nazareth te volgen. Mogen er dan geen rijken zijn? Worden rijken veroordeeld?

Nee, rijken worden niet veroordeeld omdat ze rijk zijn,  maar volgens Jezus van Nazareth mogen er geen armen zijn. Zo lang er nog mensen zijn die honger lijden, zo lang er nog slachtoffers van aardbevingen zijn die geen huizen hebben, zolang er nog mensen dood gaan aan ziekten waarvoor wij medicijnen hebben, zolang er nog leed en ellende is en mensen daarvoor op de vlucht slaan zullen we ons met voorbijzien van onszelf moeten inzetten, ook vandaag weer.

En vele laatsten zullen de eersten zijn. In het verhaal van vandaag lopen we eigenlijk aan tegen het gebruik van losse teksten. Over het algemeen rukken die het verhaal van de Bijbel uit hun verband en verbergen ze de werkelijke boodschap van de Bijbel. Er zijn dan ook een boel kerkelijke leiders die met hartstocht het gebruik van losse teksten bevorderen. Ze schrijven daarmee hun eigen Bijbel en hebben daardoor een maximale invloed op hun volgelingen.

We kennen de bekende teksten uit het verhaal van vandaag natuurlijk. Het is moeilijker voor een rijke het koninkrijk van God binnen te komen dan een kameel gaat door het oog van de naald. En wat hier boven staar: Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten. Maar had U wel bedacht dat die twee teksten bij één verhaal horen? En dat die laatste tekst een troost is voor de discipelen omdat ze nogal schrokken van het harde oordeel over de rijken?

Het is moeilijk om onze gewoonlijke kijk op de wereld zo radicaal te veranderen als Jezus van Nazareth wil. Als het land moet worden gered worden immers succesvolle ondernemers gevraagd te helpen. Ook als bedrijven een nieuwe impuls moeten hebben dan worden succesvolle ondernemers uit de branche gevraagd adviezen te geven. Hoe meer succes iemand heeft, hoe meer die heeft verdiend, hoe hoger die in aanzien staat. Iemand die veel betekent heeft voor de wereld, veel aanzien heeft onder de mensen, zal daarom wel voor gaan op een arme vergeten weduwe, of een gehandicapte in een rolstoel, op de lamme en de blinde, op de vluchteling en asielzoeker. Maar ook op de allochtoon, de werkloze, de alleenstaande moeder van het grote gezin, de ex-crimineel, de man met veel te grote schulden.

In het Koninkrijk van God is het net omgekeerd. Dat Koninkrijk heeft immers weinig te betekenen voor mensen met geld en aanzien. Die hoeven zich geen zorgen te maken voor de dag van morgen. Die kunnen de verantwoordelijkheid voor hun kinderen gemakkelijk uitbesteden. Voor hen staat de beste gezondheidszorg in de hele wereld klaar. Maar voor de armen, de zwakken, de mensen die het niet goed hebben gered in het leven, betekent het Koninkrijk van God alles. Daar zijn alle tranen gewist, daar heeft niemand meer honger, daar is de toekomst van alle kinderen verzekerd, daar mag iedereen mee doen. Voor hen is zelfs elk klein stukje van dat Koninkrijk een zegen en reden om dankbaar te zijn.

En daar vallen de teksten op hun plaats. Wat voor de rijken bereikbaar was is nu ook voor de armen bereikbaar. Daarvoor is het nodig dat mensen huis en haard verlaten, hun gehechtheid aan eigen bezit en kapitaal opgeven en de Weg van Jezus van Nazareth volgen. Dat is een Weg van delen, van zorgen voor de minsten. Dat is geen gemakkelijke weg, geen weg van plezier en succes, maar een tocht door een dorre woestijn met veel tegenslag, vervolging wordt zelfs genoemd. Maar als je op die manier de laatste wil zijn die het Koninkrijk binnengaat en die zwakken en armen voor laat gaan dan kom je gegarandeerd binnen. Dan kun je leven of je eeuwig te leven hebt, zonder zorgen voor jezelf. Op die Weg kun je vandaag nog de reis beginnen.

Waarom we dus geloven? Niet om zelf behouden te worden, maar omdat we het niet langer kunnen verdragen dat er in de wereld leed, onrecht, geweld en onderdrukking heersen. Omdat we het niet langer kunnen verdragen dat mensen leed wordt aangedaan. In een wereld die zelfs de Zoon van God aan het kruis nagelt moeten we in beweging komen. Niet met tegengeweld, maar met Liefde. Net zo lang tot de aarde zo hemels is geworden dat God zelf zijn tenten op deze aarde zal willen opslaan. We geloven in de mogelijkheid van die aarde waar alle leed geleden zal zijn en waar alle strijd gestreden zal zijn. God geeft ons die aarde, laten we God dus liefhebben, we weten hoe dat moet.

Amen

Read Full Post »