Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for juli, 2019

Lezen: Genesis: 18:20-33

             Lucas 11: 1-13

Gemeente

 Vandaag gaat het in de lezingen uit de Bijbel over bidden. Midden in de zomer, als veel mensen op vakantie zijn en we bezig zijn met ontspanning en genieten van de wereld om ons heen roept de Kerk ons op na te denken over bidden. Van Jezus van Nazareth wordt op veel plaatsen in de Evangelieverhalen vertelt dat als hij het druk had gehad en vermoeid raakte van de zorg voor al die mensen die hem volgden hij zich terugtrok op een eenzame plaats om te bidden. Dat terugtrekken hoorde er bij, hij kreeg het verwijt dat zijn leerlingen al helemaal niet deden aan bidden zoals de leerlingen van Johannes deden of zoals de Farizeeën deden. Daar mogen we wel eens over nadenken.

 Die Farizeeen stonden zich er op voor mooi te kunnen bidden en lang ook met veel omhaal van woorden. Ze lieten dat zien waar ze konden, tot op de hoeken van de straten toe, Jezus veroordeelde dat. Wat Jezus bad weten we meestal niet, ja in Getsemane bad hij of de beker hem voorbij mocht gaan, maar de wil van God stond voorop.

 Dat merken we veel met gebeden, er mag overal om gebeden worden maar de verheerlijking van God en zijn gerechtigheid staan voorop. Dat lees je terug zowel in het Oude als het Nieuwe Testament. Al omringt de duisternis ons, wij hebben een God die ons licht geeft en dat licht van die God schijnt voor ons ook in de diepste duisternis.

 Dat licht van die God laat ons ook zien wat anderen nodig hebben en de voorbeden voor anderen zijn dan ook talrijk in de Bijbel. Voorbeden voor de zieken, voor de zwakken, voor de onderdrukten, voor de weduwe en de wees, voorbeden om gerechtigheid en recht, om bevrijding van onderdrukking om verlossing uit de slavernij. De uittocht uit Egypte begint dan ook met de vaststelling dat God het geschrei van zijn volk heeft gehoord en daarom Mozes gestuurd heeft om de Farao de kans te geven aan dat geschrei een einde te maken.

 Denk nu niet dat alle gebeden verhoord worden omdat we overal om mogen bidden. We hebben daarvoor vanmorgen over Abraham gelezen en zijn gebed voor Sodom en Gomorra. Hij had drie vreemdelingen die uit de woestijn opgedoken waren te eten en te drinken gegeven. Ze hadden hem verteld dat zijn vrouw Sara ondanks haar ouderdom een zoon zou krijgen, Sara had er om moeten lachen. Ze hadden hem ook verteld dat Sodom en Gommora verwoest zouden worden. Toen waren ze opgestapt om naar Sodom te gaan. Maar één van de vreemdelingen bleef nog wat aarzelen en raakte in gesprek met Abraham.

 Het komt in de Bijbel niet zo vaak voor dat een vreemdeling bij de naam van God wordt aangesproken maar in dit verhaal is dat uitdrukkelijk het geval. We kennen het als een gruwelijk verhaal omdat we de afloop kennen. Twee steden die verwoest worden kennelijk als straf voor gruwelijk gedrag. We praten dan bijna altijd over de drie vreemdelingen die eerst aan Sara een zoon beloven en dan doorgaan naar die twee vreselijke steden. De brave Abraham vraagt dan nog clementie voor de rechtvaardigen die er misschien toch nog zouden kunnen zijn. Maar waar we over heen lezen is dat God zelf naar Sodom en Gomorra gaat om de onrechtvaarhdigheid te ondergaan en de rechtvaardigen te ontmoeten.

 Daar waar in onze naam onrecht wordt bedreven wordt dat wellicht dus aan God bedreven, en daar waar we opkomen voor recht en gerechtigheid, voor de armen en verdrukten komen we wellicht direct voor God op. De verwoesting is dus niet het werk van God, die werd er bijna het slachtoffer van. De steden roepen het over zichzelf af. Dat vragen om gerechtigheid loopt vooruit op wat Jezus later zou zeggen toen hij er op wees dat wat aan zijn minste broeders zou worden gedaan aan hem werd gedaan. Er zijn mensen die de persoonlijke relatie met God zo voor op stellen dat vergeten wordt dat we God wellicht ook voor de deur of in de winkel tegen kunnen komen.

 God is daar waar het de vraag is of er nog een enkele rechtvaardige zou kunnen zijn vanwege het onrecht dat er volop voor komt. Voortdurend verzet tegen onrecht, het opkomen voor verdrukten, voor armen, tegen onrechtvaardige verdeling is dus niet zomaar sociaal werk of het terugbrengen van het verhaal van God tot een sociaal gerechtigheidscontract maar het is de Godsdienst ten voeten uit. Het is het verhaal van Abraham en zijn vraag om gerechtigheid voor de rechtvaardigen.

Vandaag vragen wij ons dus af hoe je moet bidden. Jezus van Nazareth gaf daarin volgens het Evangelie van Lucas les op verzoek van zijn leerlingen. Het gedeelte dat we uit de Bijbel lezen vandaag eindigt niet met het beroemde Onze Vader maar begint er mee. Wij bidden het gebed dat Jezus ons heeft geleerd meestal in een langere versie, die vinden we in het Evangelie naar Matteüs.

Het gedeelte uit Lucas gaat verder dan alleen het gebed, het leert ons ook wat bidden eigenlijk is. Bidden is vragen, maar dan vragen naar wat je echt nodig hebt. Voor eten hebben we eigenlijk niet meer nodig dan brood voor vandaag.

En om een beetje vrede te hebben weten we eigenlijk best dat we mensen om ons heen de fouten moeten vergeven waarvan we willen dat zij ze ons ook zouden vergeven. Natuurlijk mag je die fouten noemen. Maar je mag ook aan die mensen om je heen die vergeving vragen voor je eigen fouten. Meestal kennen mensen hun eigen fouten het eerst, en de eerste zijn die om vergeving vraagt maakt dat mensen mild gestemd worden en ontvankelijker worden voor het noemen van hun eigen fouten, zeker als die vergeven worden.

Bidden is God ook aanspreken als vriend. Daar gaat de gelijkenis over. Een vriend klopt aan en vraagt om drie broden. Welke broden? Het brood dat we voor vandaag nodig hebben? Er wordt wel gewezen op het feit dat de conclusie van de gelijkenis ook in drie delen uit een valt: vraag en je zal gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en je zal opengedaan worden. Vragen, zoeken en aankloppen sterken je dus, voeden je dus. Door God als Vader aan te spreken verkleint Jezus al de afstand, door God als vriend te zien wordt de afstand nog kleiner. En de drie broden doen ook denken aan de drie vreemdelingen die bij Abraham langs komen en door hem gevoed worden. Ook aan hen vraagt Abraham, bij de Heer klopt Abraham aan, zoekt redding voor de rechtvaardigen.

Het gebed dat Jezus ons leert begint met de bede dat de Naam van God geheiligd moet worden. De term Heilig zegt ons niet zoveel meer. Heilig dat is God en volgens de Paus nog een heleboel Heiligen, zelf zijn we zeker niet Heilig. We weten best dat de Naam van God, Ik zal er zijn, samenvalt met het wezen van hoe wij God ontmoeten, we ontmoeten God immers in het werk van zijn Geest, in zijn Woord dat ons aan het werk zet. De leerlingen van Jezus worden opgeroepen zijn kruis achter hem op te nemen en tijdens het laatste avondmaal roept Petrus dat hij bereid is met Jezus zelfs de dood in te gaan. Als wij bidden dat de Naam van God geheiligd worden  dan brengen we die naam in het geding, dan vragen we om de wereld heel te maken, al het gebrokene om te zetten in het geheelde, als laatste ook de dood die ons nog steeds regeert.

Daarom geldt ook in het gebed  dat we eerst het Koninkrijk moeten zoeken. Dat staat er niet uit beleefdheid. Zo van we weten God dat het u om een Koninkrijk gaat, nu dat mag er van ons ook wel komen, als u nu eerst even wat anders voor ons doet, iemand geneest, zorgt dat we slagen voor een examen, of een baan enzovoorts. Nee alles wat we vragen staat in het licht van dat Koninkrijk, een koninkrijk dat er nog niet is. Het land vloeit ook hier bij ons wel over van melk en honing maar dat komt nog lang niet bij iedereen terecht. Dat Koninkrijk van God zal een Koninkrijk vol van genade, vol van vergeving worden.

Vergeving is dan ook niet zoiets als “zand erover”, maar veel meer “we beginnen opnieuw maar dan op andere manier”. Van vergeving groei je zeiden ze vroeger weleens, maar Paulus waarschuwde in een van zijn brieven dat je er niet maar op los moet leven zodat je veel meer vergeving krijgt voor alles wat je verkeerd doet. Het goede brengt het goede voort leren we. Natuurlijk, een vader die zijn kinderen liefheeft geeft ze geen oneetbare dingen als maaltijd.

Daarom moet je ook niet je mond houden bij het kindergehuil bij de buren, daarom moet je ook spreken over de blauwe plekken bij de buurvrouw of buurman, daarom moet je iets zeggen als de vrienden en vriendinnen van je eigen kinderen weer eens dronken zijn. Vergeven kan alleen beginnen als duidelijk is wat er vergeven moet worden, als we bereid zijn om het samen anders te gaan doen, het kwade te gaan weren en het goede toe te laten in ons leven. Dat is pas bidden en dan geldt zeker dat, als je bidt, je ook gegeven zal worden. Niet om rijkdom en aanzien valt er te bidden, niet om te zeggen hoe goed we wel niet zijn, maar om de Geest van God, want in die geest willen we werken en leven, niet voor onszelf maar voor onze naaste. Wij hebben aan brood genoeg, aan brood voor vandaag zegt Lucas, dat is wat anders dan ons dagelijks brood. Iedere dag heeft genoeg aan zichzelf klinkt hier bij Lucas in zijn gebed. Als je zelf overigens dat geweld in huis overkomt dan moet je hulp vragen, hulp vragen is eigenlijk heel gewoon, God geeft ons ook hulpverleners.

Bidden is voor ons dus ook bidden om rechtvaardigen die verhinderen dat onze wereld ondergaat in rook en vuur, niet omdat wij er bang voor zouden zijn, maar omdat wij naar een wereld willen waar de dood niet meer heerst. Waar alle tranen gedroogd zullen en zijn en waar God zelf zijn tenten op deze aarde zal spannen. Dan is alle beproeving voorbij, dan hebben we allen gekozen voor het leven. Elke dag mogen we daarheen op weg gaan, met een Vader die voor ons als een moeder zorgt, met een vriend die ons steunt. In het vertrouwen dat als we vragen er ook gegeven zal worden, dat als we zoeken we ook zullen vinden en als we kloppen er zeker open gedaan zal worden. In dat vertrouwen kunnen we iedereen in onze omgeving meekrijgen. Tot aan de einden der aarde en tot de jongste dag ons zal wekken.

Amen.

Read Full Post »

Lezen: 1 Samuël 1: 1-20

             Lucas 10: 38-42

Gemeente. 

 Twee zielige vrouwen, de een kan geen kinderen krijgen en  wordt gepest en de ander nodigt een gast uit en moet dan in haar  eentje het vuur uit de sloffen lopen om de gasten te bedienen.  Beide stellen vragen en over die vragen gaat het. Het meest nog  over de vraag van Martha, die klinkt ons nog het meest bekend in  de oren. Omdat dat te begrijpen kijken we eerst eens naar Hanna.  In de loop van de tijden is het krijgen van voldoende kinderen in  elke cultuur een belangrijke zaak. Die kinderen zijn een  verzekering voor een ongestoorde oude dag voor hun ouders. De  “babyboom” van na de Tweede Wereldoorlog heeft bij ons het  zicht daarop wat verduisterd. Voor de generatie van de jaren 20  en 30  van de vorige eeuw waren er genoeg kinderen geboren om  hen een onbezorgde oude dag te bezorgen.

 Maar in onze dagen dringt zich het besef door dat er voldoende jongeren moeten zijn  om de ouderen een onbezorgde oude dag te bezorgen. De hele  discussie over de AOW leeftijd gaat daarover, over de verdeling  van de lasten tussen de jongeren en ouderen. Ook in de dagen  van Elkana, waar het verhaal van vandaag mee begint, was de  noodzaak van voldoende kinderen aanwezig. 

 Hanna had geen kinderen, Peninna wel. Hanna was dus zielig en  Peninna niet. Maar Hanna was eigenlijk helemaal niet zielig  omdat ze geen kinderen had, Peninna had genoeg kinderen voor  hen allebei en de verhalen uit de Bijbel gaan ook altijd over  delen. En als het op delen aankwam dan kreeg Hanna altijd het  beste deel van haar echtgenoot. Maar Hanna was zielig omdat ze  gepest werd. Pesten is een van de meest gemene manieren om  iemand te kwetsen. Mensen kunnen daardoor zo gekwetst  worden dat ze er aan dood gaan, al lijkt het dan er op of ze zelf  een eind aan hun leven maken. Hanna was daar niet ver van af.  Maar zij zocht eerst in de Tent der ontmoeting, waar de  goddelijke richtlijnen voor de menselijke samenleving, de leer  van Mozes, werden bewaard, de hulp van die God.

 Ze was zo ver  heen dat de hoge priester Eli dacht dat ze dronken was. Dat was  ze dus niet en als ze zo hartstochtelijk iets van God vroeg dan  moest die dat toch wel geven zei Eli. Die zoon kreeg ze ook, niet  van God maar van Elkana. Maar het was de leer van Mozes, de  richtlijn van Liefde en delen die haar op het goede spoor had  gezet, haar zoon zou dan ook opgedragen worden aan die God.  De vraag van Hanna om een kind was dus geen vraag voor  haarzelf, kinderen zijn je bezit niet, maar een vraag voor het  gezin. Pesten verpest het klimaat en als de reden voor pesten is  weggenomen komt dat iedereen ten goede. En dan die zielige Martha. Als je het Bijbelgedeelte van vandaag  leest dan is het toch wel heel erg verbazend dat de rol van vrouwen in de Kerk zo lang de rol van Martha was en in  sommige kerkgenootschappen de Maria’s nog steeds niet de erkenning krijgen die Jezus van Nazareth in zijn dagen aan Maria  gaf.  

 Dat zorgen van die Martha is natuurlijk niet geheel verkeerd,  maar er waren ongetwijfeld ook mannen in de buurt die hadden  kunnen helpen. Het was Martha die Jezus en zijn volgelingen had  uitgenodigd. En wat had ze daar nu aan? Ze zwoegde en sjouwde  om het iedereen naar de zin te maken. Annie M.G. Schmid  beschreef die rol eens voor een jarige moeder, als moeder jarig is  dan is ze nog niet jarig.  Het belangrijkste op dat moment was het leren dat Maria deed. 

Zo wordt ons dat uitgelegd. Zielige Martha en verstandige Maria.  Maar als een groep mannen vergaderen met een enkele vrouw  wie mag dan de koffie inschenken? Martha, we verwachten niet  anders. Maria doorbreekt de bestaande verhoudingen niet alleen voor zichzelf maar voor alle vrouwen. Lucas zet onze bestaande verhoudingen heel fijntjes ter discussie en wij maken er een  vroom verhaal van. Naar Jezus luisteren, horen hoe je je naaste lief kunt hebben als jezelf, weten wie je naaste is het beste. Doen  is weer iets heel anders. Toch gaat de vraag van Martha over het doen, het dienen van de gasten.  Martha moet dus leren dat bedienen toch heel iets anders is dan dienen.

 En de leerlingen  moeten leren dat je laten bedienen jezelf boven de ander stelt.  Het beste is dus die rollen, die vanzelfsprekendheid om te  draaien. Dat houden van je naaste als van jezelf ook kan  betekenen dat je kiest voor jezelf ook al is dat voor de ander  vervelend. De vraag was immers wie de naaste was van het slachtoffer langs de kant van de weg. Maria kiest voor die doorbraak en geeft daarmee Martha de kans dat ook te doen. Waren ze allebei aan het bedienen van al die mannen geslagen dan had zich de vraag naar de eerlijke taakverdeling nooit voorgedaan en hadden we er ook vandaag nog steeds niks van  kunnen leren. Dat is nu anders.

 We weten dat de Maria uit dit verhaal niet anders werd behandeld dan de apostelen en de leerlingen van Jezus van Nazareth. Zonder er veel woorden aan  vuil te maken maakt het Evangelie van Lucas duidelijk dat er  geen onderscheid is op het moment dat je met het Evangelie van  Jezus van Nazareth bezig bent. Vrouwen die theologie hebben  gestudeerd, vrouwen die ouderling of diaken willen worden,  vrouwen die willen preken en de eucharistie bedienen hebben  daar dus net zo veel recht op als mannen. 

 Sterker nog, als vrouwen zich aandienen dan is dat anders dan in  de wereld. In de wereld verdienen vrouwen in dezelfde functie  minder dan mannen. In de wereld mogen de vrouwen de koffie  schenken terwijl de mannen vergaderen, in de wereld mogen de  vrouwen de toiletten schoonmaken voor de managers met  topinkomens en extra bonussen, in een echte christelijke kerk  wordt er geen onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen.  Door het verhaal van Jezus van Nazareth met Maria en Martha  worden vrouwen bevrijd van hun bedienende rol die hen in de  wereld maar al te vaak, en tot schade van die samenleving, wordt  opgedrongen. Er is maar één ding noodzakelijk en dat is dat je  jezelf leert waarderen zodat je je naaste nog meer kunt  liefhebben. Dat is pas dienen en daar houdt het bedienen  helemaal op om nooit meer terug te keren. 

 Het gaat bij Hanna om het antwoord, het besef dat alleen de  liefde telt en dat daarom een kind kan worden opgedragen aan  God zodat een heel volk bij de leer van Mozes gehouden kan  worden. Bij Martha gaat het om de vraag. Die vraag stelt de  verhoudingen aan de orde, die vraag leert ons wat voor een ieder van ons gewoon en vanzelfsprekend is. Door Maria als voorbeeld te stellen leren we dat de bestaande verhoudingen ons nooit kunnen bevredigen als daar bedienen in de plaats komt van dienen, of dat nu in topfuncties in het bedrijfsleven of bij de  aanstelling van de huishoudelijke hulp gebeurd.

Uiteindelijk belooft de Bijbel ons een wereld waar alle leed geleden is, waar  iedereen gelijk is en mee deelt in de vreugde van God. Aan die  nieuwe wereld mogen we nu al gaan bouwen. En elke dag  opnieuw mogen we er als nieuw weer aan beginnen. 

 Amen 

 

Read Full Post »

Lezen: Deuteronomium 30: 9-14

             Lucas 10: 25-37

Gemeente,

Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. Dat was de leus van de Franse Revolutie die vandaag in Frankrijk wordt herdacht met een groot feest. Het volk nam de macht over van de Koning en de adel. Tussen de kerk, die de Koning en de adel had gesteund, en de Staat werd een scheiding aangebracht. In Nederland was niet iedereen blij met die revolutie. Volgens de Nederlandse geloofsbelijdenis zou de Staat immers moeten weren wat de Schrift weerspreekt. En op de eerste dag van de week waarop die geschiedenis ons weer in herinnering wordt gebracht lezen wij over de leer van Mozes en de naastenliefde zoals die door Jezus van Nazareth werd verkondigd. Hebben die herdenking en de lezingen van vandaag met elkaar te maken?

Die revolutie in Frankrijk ging over een visioen, een droom. Het volk was in gevangenschap gehouden. Alles wat de mensen hadden was ze afgepakt door rijken en door de adel. Tegenwoordig zouden we zeggen dat, in een tijd dat pensioenen en uitkeringen worden verlaagd en iedereen moet bezuinigen, de top van het bedrijfsleven zichzelf grote bonussen blijft toekennen. Zoiets was er in Frankrijk dus ook aan de hand op die veertiende juli. En een zo oneerlijke verdeling van welvaart kan maar tijdelijk in stand blijven. Op een dag zijn er zoveel mensen die hongeren naar gerechtigheid dat er een opstand uitbreekt en de oude machten omver worden geworpen. We zien dat in onze dagen ook elders in de wereld gebeuren. En voor het geweld, de onderdrukking en de armoede zijn tienduizenden op de vlucht. Een revolutie duurt nooit maar een dag, soms betekent een revolutie jaren van oorlog en geweld, soms wel 80 jaar.

De Bijbel schetst ons een andere weg. In Egypte was de eerstgeboren zoon gestorven van hen die niet geluisterd hadden naar de God van Israël, en zich  verzet hadden tegen de vragen van Mozes. Daar waar niet het bloed van het geslachte en gebraden lam aan de deurposten was gesmeerd was de engel des doods binnengegaan. En de overlevenden hadden de gelovigen in die God van Israël het land uitgejaagd, de woestijn in.

In de woestijn hadden ze de richtlijnen gekregen voor de menselijke samenleving. Jezus van Nazareth zou twee van die richtlijnen samenvoegen als samenvatting van heel de leer van Mozes:  Heb God lief boven alles, en je naaste als jezelf.

Het gedeelte dat wij vandaag uit Deuteronomium hebben gelezen begint met de belofte dat het volgen van die Weg van de Liefde voorspoed zal brengen, rijkdom aan kinderen en vee, met een vruchtbaar land. Van een volk dat zo leeft gaat het goede uit, het is gezegend noemt de Bijbel dat. Dat volk wil de God van Israël met hart en ziel toebehoren en de richtlijnen voor de menselijke samenleving volgen. De geboden houden heet dat.

Over de term geboden nog even dit. Wij zijn groot geworden met het Romeinse, Heidense denken, over wetten en regels. Dat hebben we ook aan de Franse Revolutie te danken die uiteindelijk ook een Napoleon opleverde die een wetboek schreef waarin regels stond om te kunnen oordelen over het handelen van mensen. Elk handelen moest op dezelfde manier beoordeeld kunnen worden, elke wetsregel gold dus onder alle omstandigheden voor iedereen altijd op dezelfde manier. Zo denken wij nog steeds over wetten en regels. Maar de Bijbel heeft een andere benadering. Elke regel en elke wet heeft tot doel de Liefde van God tastbaar te maken voor de mensen. Elke regel geldt dus alleen als het de Liefde dient als mensen erdoor tot hun recht komen, als mensen recht wordt gedaan Het zijn richtlijnen voor een menselijke samenleving.

Moeilijk is het dus niet de wet van de liefde te houden, die wet is ook niet ver weg of ingewikkeld. Je hoeft er niet voor gestudeerd te hebben, ook levenservaring is niet nodig. Je hoeft alleen maar van jezelf te houden en te beseffen dat je maar één keuze hebt, de keus tussen leven en dood, kies dus het leven zegt het Bijbelverhaal. Dat hele verhaal gaat over het leven, het leven dat voortkomt uit de liefde en dat met geen mogelijkheid van die liefde vandaan te krijgen is. Zelfs de dood betekent niet het einde van de liefde voor jou, maar ook niet het einde van jouw liefde voor hen die je liefhebt. Die liefde blijft altijd bestaan, daarin schuilt het geheim van het eeuwige leven. Zonder liefde gaat alles dood, zonder liefde blijft er niks over, zonder liefde gaat zelfs alles stuk waaraan je waarde hecht. Kies dus vandaag voor het leven en laat hen die je liefhebt weten hoeveel je wel niet van ze houdt.

Hoe je kiest voor het leven en hoe je kiest voor een leven in liefde? Dat was ook eigenlijk de vraag die aan Jezus van Nazareth werd gesteld in het gedeelte dat we uit het Evangelie van Lucas hebben gelezen.

Het antwoord wordt in het overbekende verhaal over de Barmhartige Samaritaan  gegeven.. De man met zijn ezel en zijn denarieën maakten zoveel indruk dat je je afvraagt wat daar nu meer aan toe te voegen is dan weer een hartstochtelijk verhaal om je naaste lief te hebben als jezelf. Toch kan de Nieuwe Vertaling een aanleiding zijn om het verhaal ook weer eens als nieuw te lezen. Want wat gebeurd er?

Natuurlijk er is een geleerde die de wet goed kent. En er is Jezus van Nazareth die zegt dat je je niet alleen aan de wet moet houden maar in dit geval deze bijzondere wet ook gewoon elke dag moet doen, moet vervullen. Maar wie is dan die naaste die je lief moet hebben als jezelf? De Samaritaan zijn we gewend te zeggen, die stopt, neemt het slachtoffer op zijn ezel en betaalt de verzorging in het hotel, die ziet in het slachtoffer dus zijn naaste. Maar Jezus vraagt wie de naaste is van het slachtoffer. Is dat een wedervraag op de vraag wie mijn naaste is? Is die geleerde dan soms het slachtoffer? Moeten we ons leren te verplaatsen in de positie van slachtoffers om te begrijpen wat het is om je naaste lief te hebben als jezelf? De vraag is dus niet wie jouw naaste is maar van en voor wie jij de naaste bent.

Vragen wij ons vandaag nog af wie heeft geleden voor de goedkope producten die wij kopen? Welke kinderen onze schoenen hebben gemaakt en welke vingers tot bloedens toe werden geprikt om onze T-shirts te maken? Of zijn wij als de leviet en de priester op weg om onze taak goed te vervullen zonder op of omkijken naar de slachtoffers langs de weg. Zolang we onze stem niet verheffen tegen de onrechtvaardige handelsverhoudingen zijn we nog niet in de positie van het slachtoffer en kunnen we ons nog steeds afvragen wie onze naaste is.

Pas als we weet hebben van de slachtoffers weten we ook van onze naaste. We zullen moeten gaan doen als de man die medelijden toonde met de naaste, want die zouden we zelf ook willen ontmoeten als het nodig is.  Ook wij willen iemand die zijn ezel beschikbaar stelt als we gewond langs de weg liggen, die ons bevrijd van slavernij als we gedwongen in een bordeel zouden moeten werken, die de kettingen los maakt die ons vastketenen aan de naaimachines waar we de kleding voor de westerse markt in elkaar zetten.

Het is niet alleen de Wet die binnen ons handbereik ligt, ook de slachtoffers van het ontbreken van die wet zijn binnen ons handbereik. We lopen er gemakkelijk langs. Die Priester en die Leviet hadden ook regels, ze zouden onrein worden als ze een dode zouden aanraken, ze zouden dan hun dienst in de Tempel niet kunnen vervullen. En een dienst in de Tempel is immers een dienst aan God. Maar het verhaal van Jezus laat ons niet alleen zien wie onze naaste is maar ook hoe wij als gelovigen met ons regels en wetten moeten omgaan. Namelijk vanuit de slachtoffers van het ontbreken van de Wet van God, slachtoffers van goddeloosheid. Daarom heb uw naaste lief als uzelf, pas dan heb je God lief boven alles.

Samaritanen hadden daar al eerder een voorbeeld van gegeven. De Joden moesten niets van hen hebben, die Samaritanen verwierpen de geschriften en de boeken van de profeten en hielden allen nog de Thora in ere, de eerste vijf boeken van de Bijbel. Ze hadden hun eigen heiligdom op de berg Gerizim. Zo ongeveer dus als wij vaak tegen Moslims aankijken, ze erkennen Jezus als profeet van God, beweren dezelfde God als wij te aanbidden maar van onze Bijbel willen ze weinig of niks weten. Die Samaritanen werden op een zelfde manier door de Joden bekeken. Maar toen onder Koning Achaz de Samaritanen eens het leger van Israël hadden verslagen namen de Samaritanen geen wraak vertelt het boek Koningen ons, ze hadden de overlevende soldaten gevoed en gekleed en de gewonden naar Jericho vervoerd. De Wet van Mozes, de Wet van heb uw naaste lief als uzelf, was hen dus vanouds bekend.

Die Bijbelse liefde betekent niet anders dan het goede doen en niet dan het goede, het kwade verdrijven door het goede te doen. De genade van God is dat we er elke dag opnieuw mee mogen beginnen, dat we mogen weten dat er geen liefde is zonder God, dat God zelf ons de liefde zal ingeven. Zo mogen we meebouwen aan zijn Koninkrijk. Dat Koninkrijk dat zal komen en God zal zelf zijn tenten op onze aarde willen spannen, als er werkelijk vrijheid is voor alle gevangen en slaven, als er werkelijk broeder en zusterschap is tussen alle mensen, wanneer alle mensen elkaar als gelijken zullen kunnen behandelen. Dan zullen alle tranen gedroogd zijn, dan zal de dood niet meer heersen. Tot die dag mogen wij voortgaan liefde te verspreiden als het zoutend zout, in onze gemeenschap die dan zal staan als een stad op een berg. Totdat hij komt,

Amen

 

Read Full Post »

Lezen: Jesaja 66: 10-14

             Lucas 10: 1-20

Gemeente,

Het was een lastig probleem na de ballingschap. In het land Israël woonde een handjevol afstammelingen van achterblijvers bij de ballingschap. En nu kwamen daar de ballingen bij die terugkeerden uit ballingschap. Zo werd het tenminste genoemd maar die teruggekeerde ballingen waren afstammelingen van hen die oorspronkelijk in ballingschap waren weggevoerd. Ze hoorden allemaal tot hetzelfde volk, zo werden ze beschouwd en zo beschouwden ze zichzelf. Maar ze hadden een heel verschillende geschiedenis. Ze hadden hun gewoonten en hun geloof in stand moeten houden onder heel verschillende omstandigheden. Ze hadden dan ook heel verschillende antwoorden op vragen van geloof en leven.

Maar ze hadden een gemeenschappelijke geschiedenis. Ooit waren hun voorouders bevrijdt uit een strenge slavernij in Egypte. Lang hadden ze in de woestijn rondgezworven. Daar hadden ze goddelijke richtlijnen gekregen voor een menselijke samenleving. Die kwamen neer op de roep: zorg dat je met elkaar deelt en dat je zorgvuldig omgaat met het leven dat je neemt om je te voeden. De gewoonten en regels die vastliggen in de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf moeten het uitgangspunt voor dat slavenvolk vormen. Dan zal het rijk worden en samen welvaart kunnen beleven. De mensen die zich niet aan die gewoonten en regels uit die Wet willen houden, die niet zorgvuldig met het leven van dieren omgaan en die vasthouden aan gewoonten van afgoden die horen niet bij het volk, die worden daar buitengesloten.

Die richtlijnen werden bewaard in de Tempel in Jeruzalem. Ooit een tent die met het volk meetrok door de woestijn maar nu bewaard in een prachtig gebouw waar je naleven van die richtlijnen kon laten zien door er te offeren. Niets is immers van je zelf, alles heb je gekregen van die God.

Die tempel was bij het begin van de ballingschap verwoest. De richtlijnen werden al heel lang niet meer nagevolgd en de kracht die de G0d van Israël had gegeven was weggeëbd.

Nu was er de kans opnieuw te beginnen. En Jesaja wordt bijna lyrisch als hij onder woorden probeert te brengen wat het volk te wachten staat. Vrede zal er binnen stromen als een rivier, God zal zich tonen als een moeder die haar kind de borst geeft, die haar kind het leven geeft en laat opgroeien. Onze Vader zorgt als een moeder voor zijn gelovigen. Dat moet volgens Jesaja de motivatie zijn waarmee de nakomelingen van de ballingen en de nakomelingen van de achterblijvers samen een nieuw volk kunnen gaan vormen.

Wij zouden af en toe ook wel opnieuw willen beginnen als volk. Maar voor ons ligt dat niet zo gemakkelijk. Wij hebben al een vrijheid van godsdienst en daar zijn we trots op. Rooms Katholieken en protestanten vervolgen en doden elkaar niet meer zoals ze ooit hebben gedaan. Dat willen we ook niet meer terug. In die tijd is de overtuiging geboren dat we pas een welvarend volk kunnen worden als we elkaar tolereren, als we iedereen op de wereld tolereren, ieder geloof en elke overtuiging. We zijn daarna niet voor niets 400 jaar het grootste Moslim land van de wereld geweest, een land waar godsdienstvrede heerste. De oplossing van Jesaja kunnen we dus ook tot de onze maken dezer dagen, delen met elkaar en steeds opnieuw samen een nieuw een volk vormen, daar mogen we ook vandaag weer aan werken.

Ook Jezus van Nazareth had het voortdurend over het vervullen van die goddelijke richtlijnen. Maar de schrijver van het Evangelie naar Lucas maakt het ons niet altijd gemakkelijk. In het Evangelie naar Lucas wordt herhaaldelijk geciteerd uit de Hebreeuwse Bijbel, bij ons bekend als het Oude Testament. Nu kent ook de schrijver van dit Evangelie kennelijk niet de oorspronkelijk tekst, of hij maakt het de lezers gemakkelijk om zijn bedoeling te herkennen, want hij citeert voortdurend uit een Griekse vertaling, de zogenaamde Septuagint.

Volgens de overlevering was deze vertaling gemaakt door 72 geleerden in 72 dagen. Dat getal vinden we in dit verhaal terug. De 72 volgelingen van Jezus van Nazareth gingen er niet met het Nieuwe Testament op uit. Dat moest nog geschreven worden en het eind van de vier Evangeliën, de opstanding van Jezus uit de doden, had nog niet plaats gevonden.

Voor Jezus van Nazareth zelf ging zijn Evangelie over de bevrijding van de armen, de genezing van de zieken, het voeden van de hongerigen, het kleden van de naakten en het bevrijden van gevangenen. Met die boodschap, die je op bijna elke bladzijde van dat Oude Testament tegen kunt komen, zeker in het boek van Jesaja, gingen de 72 de wereld in. En niet met een waarschuwing voor individuele mensen die zich zouden moeten bekeren, maar voor steden en dorpen. Kennelijk moesten hele samenlevingen ingericht worden volgens het Evangelie van Jezus van Nazareth.

Nu sluit het getal dat in dit verhaal wordt genoemd nog bij een ander verhaal uit het Oude Testament aan. In het verhaal over de uittocht uit Egypte, in het elfde hoofdstuk van het boek Numeri, wordt ook gesproken over 70 oudsten. Mozes besluit om zijn leiderschap gedeeltelijk te delen met deze oudsten. Het klagende volk, met onverzadigbare vreemdelingen bovendien, zou op die manier beter in de hand te houden zijn. Jezus van Nazareth deelt op bijna dezelfde manier zijn gezag met de volgelingen die hij er op uitstuurt. Ze krijgen dan ook de verzekering dat ze net zo mogen optreden als hij, en dat wie naar hen luistert eigenlijk naar hem luistert. Daarmee is ook onze opdracht om te verkondigen bepaald. Het gaat niet om hogere tovenarij maar om bevrijding van de armen.

De boodschap is niet dat je op de knieën moet om Jezus binnen te laten, maar dat je de handen uit de mouwen moet steken om de armen te bevrijden. Ook onze samenleving zal ingericht moeten worden op bescherming van de armsten in de wereld. Wij zullen moeten beseffen dat alle mensen in de wereld onze broeders en zusters zijn, tot aan de uiteinden van de wereld.

Als er mensen zijn die op de vlucht slaan voor armoede, geweld en onderdrukking dan slaan onze zusters en broeders op de vlucht. En als zij of hun kinderen verdrinken in de Middellandse Zee of een rivier in Mexico dan verdrinken onze zusters en broeders. Wij worden er door Jezus op uit gestuurd om het idee dat die zusters en broeders demonen zijn te bestrijden. Om de armen dus te bevrijden. En denk niet dat het vrijblijvend is. Met steden en landen die weigeren om ze te helpen zal het slecht af lopen zegt de Evangelist. Op het eind van het Nieuwe Testament wordt beschreven hoe het met ons af loopt. Er komt een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar alle leed geleden en alle strijd gestreden is. De zee zal haar doden weergeven staat er heel stellig. Dus ook de doden van de Middellandse Zee en die rivier in Mexico. De opdracht die Jezus volgens het verhaal van vandaag aan zijn leerlingen geeft laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Aan het werk dus, tot aan de einden der aarde.

Amen

Read Full Post »