Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for maart, 2019

Lezen: 2 Kronieken 36: 14-21

              Lucas 15: 11-3

Gemeente,

Een vader had twee zonen. Als we dat zeggen dan denken we natuurlijk direct aan die prachtige gelijkenis over de verloren zoon die we vandaag gelezen hebben. Maar als we het Nieuwe Testament beschouwen als uitleg van de Hebreeuwse Bijbel dan komen er meer paren van zonen in het licht. We denken aan Kaïn en Abel, we denken aan Jacob en Esau. En in het licht van de lezing uit het tweede boek Kronieken denken we aan Juda en Israël. Het gedeelte dat we vandaag lazen uit dat tweede boek Kronieken is het slot. Het vertelt in één adem het begin en het einde van de ballingschap.

 

Wie koningen hoog heeft weet misschien nog dat de verovering van Jeruzalem door Nebukadnessar het einde betekende van de regering van Sedekia. Elf jaar had deze geregeerd en hij had alles gedaan had wat slecht was in de ogen van de Heer. Maar een Koning die slecht deed had niet tot de ondergang van het hele volk hoeven te leiden. In de dagen van Koning Achab had het woord van de profeet Elia uiteindelijk geleid tot de val van Achab en zijn koningin Isebel.

Maar het was niet alleen de Koning die kwaad deed in de ogen van God. Het was nog veel erger, het waren de Priesters van de Tempel die kwaad deden in de ogen van God. Boodschappers waren gestuurd die het Woord van de God van Israël hadden nog eens doorgegeven. Profeten waren opgestaan die gewaarschuwd hadden voor de gevolgen. Jeremia wordt nog al eens geciteerd door de schrijver van de Kronieken. Maar denk ook eens aan de profeet Hosea die tot de priesters sprak dat God niet zat te wachten op offers maar gerechtigheid wilde.

Zoals Jeremia had gezien gebeurde het ook. De Koning der Chaldeën mocht van God optrekken tegen Juda en hij won. Het volk werd naar Babylon gevoerd. Hoezo de koning der Chaldeeën? Dat was toch gewoon Nebukadnessar de koning van Babylon. Ja dat was hem. Maar Jeremia had gewezen op de Chaldeeën die samen met de Babyloniërs een koninkrijk vormden. En de Chaldeeën waren de voorvaderen uit Ur, de stad waar Abraham vertrok om in Kanaän terecht te komen. Dat volk dat het verbond met Abraham had genegeerd, geen weet meer had van het verbond dat het volk in de woestijn met de God van Israël had gesloten, keerde dus terug naar zijn oorsprong.

Eén van de afspraken die in het verbond waren gemaakt was dat het volk niet voortdurend het land zou blijven uitputten. Dat volk zou ook geen slaaf moeten worden van het altijd maar moeten werken. Om de herinnering aan de bevrijding levend te houden was er de Sabbat, maar om de vrijheid te kunnen vieren was er elke zeven jaar het Sabbatsjaar. Die hadden ze generaties lang overgeslagen. Er moest dus nogal wat ingehaald worden. Zo bleef het land in Israël dus rusten tot de sabbatsjaren waren ingehaald.

Dan komt Koning Cyrus van de Perzen. Hij geeft opdracht de Tempel in Jeruzalem en de stad weer te herbouwen. Een onverwachte vervulling van de hoop die in het volk was blijven leven. De profeet Jesaja was daar zo blij van geworden dat hij Cyrus de messias, de bevrijder van Israël noemde.

De Kroniekschrijver geeft de eer aan God. Hoe slecht de Koning en de Priesters, en het volk, zich ook hadden gedragen, de God van Israël geeft niet op wat zijn hand ooit was begonnen. Ze mochten terug. Niet alleen terug naar het land maar ook terug naar de Tora. Het laatste vers van het tweede boek Kronieken vinden we als eerste vers terug in het boek Ezra, dat boek gaat over de wederopbouw van de Tempel en Jeruzalem.

Dat motief van de mogelijkheid van een terugkeer naar God voor hen die hun god hadden verlaten zien we ook in de gelijkenis die Jezus van Nazareth heeft verteld over de twee zonen.

Dat verhaal staat in een serie van opmerkingen over Jezus van Nazareth die bij tollenaars en zondaars ging eten. Zijn eerste antwoord was dat, als je ook maar een klein deel van je bezit kwijt bent, je alles opgeeft om het weer terug te vinden. Maar hoe ga je dan met mensen om?

Daarover gaat het verhaal van de twee zonen. Of is het een verhaal over de ene vader? Want je moet toch een beetje medelijden hebben met de zoon die is blijven leven, die thuis bleef. Die krijgt geen schouderklopjes voor zijn aanvankelijk goede keus. Ja een aanvankelijk goede keus. Gewoon thuisblijven, meehelpen in het bedrijf van vader en niet het erfdeel er doorheen jagen is natuurlijk een goede keus. Maar niet binnenkomen en meedelen in het feest om de teruggekeerde broer lijkt toch niet een goede keus.

Die teruggekeerde broer was van de weg van de vader afgeweken. Zoals zijn vader en zijn broer deden, deed hij niet, integendeel. Daarmee was hij voor zijn familie dood, hij hoorde niet meer bij de familie. Maar moet je dan een blijvende boycot uitspreken? Moet je dan je hele leven boos blijven om die ene scheve schaats die er ooit was gereden? De vragen stellen is de vragen beantwoorden.

Je kunt er zuur er van worden. Chagrijnig ook. Doe je je best, gaat een ander met de eer strijken. Dan wordt niet jij maar je collega bevorderd en je buurman wint de jackpot in de loterij. De Postcodeloterij maakt het nog erger. Het winnende lot kan daarbij zomaar op jouw postcode vallen en als je dan geen loten hebt dan win je helemaal niets. De kans dat overigens dat het winnende lot op jouw postcode valt is overigens vrijwel nihil. Het komt dus uiterst zelden of bijna nooit voor dat je zonder loten in een loterij de prijs misloopt..

We gunnen daarbij een ander ook nooit het geluk dat die ander zomaar toevalt. Daar gaat dit verhaal uit het Evangelie van Lucas ook over. Geluk dat je zomaar ten deel valt. Er wordt een feest gegeven omdat iemand eindelijk eens normaal doet. Over de mensen die altijd al normaal doen hoor je nooit wat. Als je maar gek doet, of uit de band springt, dan wordt er over je gesproken en als je alles over de balk hebt gegooid en je wel gedwongen wordt om weer een beetje normaal te doen, dan organiseren ze nog een feest voor je ook.

Dat is zuur, daar kun je dus knap chagrijnig van worden. Waarom krijgen we toch zo de indruk dat in de Bijbel juist dat feest het centrale deel van het verhaal is. Dat men daar niet onder het organiseren van dat feest uit denkt te kunnen. Want die zoon die thuiskomt was toch niet verloren? Ze wisten toch heel goed waar die heen was. Hij had er toch zelf om gevraagd?

De zoon die thuis bleef niet, die had niet gevraagd om al dat werk, om zelfs dubbel werk toen zijn broer de hort op ging. Voor die zoon hadden ze een feest moeten organiseren. Die had het immers volgehouden al die tijd, werken voor twee en nog thuis blijven ook. Eerlijk is het niet.

Maar het is een verhaal van Jezus van Nazareth, die vertelt het nadat hij kritiek had gekregen dat hij steeds met slechte mensen omging. Dat hij die slechte mensen er op wees dat ze zich eigenlijk hadden te gedragen als de goede mensen ligt nog voor de hand, maar een feest houden als ze zich normaal gaan gedragen?

Pas als jezelf van je naaste houdt als van jezelf, als je jezelf in weet te zetten voor de zwaksten in de samenleving ga je begrijpen wat bedoeld wordt. Dat God opnieuw weet te beginnen met iedereen geeft vreugde. Het geeft vertrouwen. Die God laat inderdaad niet varen dat zijn hand begon. Door de dood en de opstanding van Jezus was ons dat al verteld. Maar nu zien we het ook. Ook als je zelf misschien afgeweken bent van het gewone leven mag je terugkeren naar een leven met God.

Als een verdwaalde terugkeert is het feest. Ook voor mensen die normaal zijn blijven doen, het gaat immers niet om je zelf maar om een wereld waar iedereen aan mee doet.

Dat grote feest van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde komt er dus ook onontkoombaar aan. Dan zijn alle tranen gedroogd, dan heerst de dood niet meer, dan is alle leed geleden en alle strijd gestreden. Dan kijken alle mensen naar elkaar om. Dat begint met van je naaste houden als van jezelf. Dat mag elke dag weer opnieuw, ook vandaag.

Amen

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: Exodus 6:2-8

              Lucas 13:1-9

Gemeente,

Op de derde zondag van de 40 dagentijd mogen we ons afvragen wat dit eigenlijk voor God is die wij aanbidden ? Doet hij het slavenvolk dat hij had uitgekozen leed aan door ze te willen bevrijden? Het lijkt er wel op, want de komst van zijn knecht Mozes naar Egypte betekent verzwaring van de arbeidsomstandigheden. Maar het verhaal uit de Bijbel op die manier lezen is niet juist, je slaat dan een hoop over.

Het verhaal is immers begonnen met de twee vroedvrouwen die weigerden de jongetjes te doden, waarop de pasgeboren jongetjes in de Nijl geworpen moesten worden. Omdat Mozes in een biezen mandje werd gelegd, gemaakt van het stro dat voor de stenen bestemd was, werd zijn leven gered. Mozes zelf moest vluchten omdat de behandeling van de Hebreeën onmenselijk was.

Maar dat bevrijding door de God van Israël niet een flitsbevrijding kan zijn moest eerst duidelijk worden. Als je het volk van deze God wil zijn dan moet je er iets voor over hebben. Deze God was begonnen met Abraham, met Izaak en met Jakob. Met elk van hen was hij een verbond aangegaan. Zij hadden deze God leren kennen als een machtige God, Ontzagwekkende staat hier, maar de betekenis van het Hebreeuws is onzeker, het zou ook vruchtbare kunnen betekenen. In de Hebreeuwse tekst van het boek Genesis waarin de verhalen van Abraham, Izaak en Jakob worden verteld staat wel degelijk de onuitgesproken naam van God die in het verhaal van Mozes en de brandende braambos werd weergegeven met iets als ik zal er zijn.

Waarom God hier vertelt dat die naam aan Abraham, Izaak en Jakob niet geopenbaard is was lange tijd niet duidelijk. Tot  Rabbi Sjlomo ben Itschaqi opmerkte dat noch Abraham, noch Izaak, noch Jakob deze God hadden leren kennen in zijn oneindige trouw zoals het volk Israël die God zou leren kennen bij de bevrijding uit de slavernij en de tocht door de woestijn. Die God laat niet af, houdt niet op, blijft voortdurend hameren op het doorgaan van dat bevrijdingsproces, roept daarbij iedereen op om daaraan mee te doen, legt dat op als basisregels voor een heel volk, waarmee een heel volk in beweging kan komen en voert uiteindelijk dat volk binnen in een land overvloeiende van melk en honing.

En zelfs dan houd het nog niet op want alle volken zullen deel moeten hebben aan dat bevrijdingsproces tot God zelf op deze aarde komt wonen en alle tranen gedroogd zijn en de dood er niet meer is. In de bevrijding die in Egypte is begonnen heeft die God zich dus laten kennen. Dat is niet een almachtige God die wel even de wereld naar zijn hand zal zetten. Dat is een God die meetrekt en meelijdt met de zwaksten, met de slaven.

Het antwoord van dat volk op deze prachtige belofte, op dit groots visioen is tekenend: ze wilden er niet naar luisteren omdat ze moedeloos waren geworden door de zware dwangarbeid. Ze waren aangekomen op het dieptepunt van hun ellende. Zwaarder konden ze het niet krijgen. En was dat moedeloze, ongelovige, antwoord het teken om dan maar op te houden? Als niemand in God gelooft dan heeft die God toch geen zin? Nee, dus, het lijkt er op dat als niemand er meer in gelooft dat die God dan juist met verdubbelde ijver aan de bevrijding van de zwaksten gaat werken.

Niet door één of ander wonder te doen, maar door te laten zien dat je de armsten maar beter als waardevolle mensen kunt behandelen omdat het anders tegen je zal keren. Met die boodschap wordt Mozes naar de Farao gestuurd en ook al komt hij slecht uit zijn woorden, de Farao zal moeten luisteren.

Het is ook een boodschap aan ons, ook wij mogen ons afvragen of wij slaven hebben die we te kort doen. Als we onze handelsverhoudingen met de armsten in de wereld nog eens bezien dan ontdekken wij ze. Als wij er op gaan letten wie onze kleren maken, dan zien we de kindslaven, als we op producten lezen “made in China” mogen we ons afvragen wie dat gemaakt heeft en hoe het zo goedkoop kan, elke arbeider was volgens Jezus immers zijn loon waardig. Aan ons dus om daar iets aan te doen en ook die broeders en zusters te bevrijden van het onrecht door ons hen aangedaan. Aan ons instrumenten in Gods hand te worden.

In sommige kerken wordt ons dezer dagen voorgehouden dat wij het er beter gaan krijgen, dat wij er op vooruitgaan als we maar in Jezus gaan geloven. De Bijbel vertelt andere verhalen. Als het volk Israël zich schaart achter het verzoek van Mozes die God te mogen aanbidden in de woestijn, wordt hun lot eerder verzwaart.

Lucas veronderstelt vaak dat wij de geschiedenis van zijn tijd wel kennen. Want wie zijn die Galileërs waarover mensen aan Jezus vertellen? Het zijn opstandelingen die denken met geweld de Romeinen te kunnen verdrijven. Na de volkstelling door Quirinius de stadhouder van Syrië begon Judas de Gallileër een opstand. Door de Romeinen de Gallileërs genoemd en door de Judeeërs de zeloten of ijveraars.

Zij wilden door geweld de Romeinen verdrijven maar vergaten dat God het volk had bevrijd uit Egypte en aan het volk had geboden niet te doden.

Lucas schreef zijn Evangelie na de opstand van het jaar 70 tegen de Romeinse bezetting. Het gevolg van die opstand was dat de Tempel in Jeruzalem was verwoest en de inwoners van Juda en Galilea werden verspreid over het Romeinse Rijk. De vraag was wie daarvoor verantwoordelijk was.

We stellen bij tegenvallers immers graag de schuldvraag. Iemand moet toch schuldig zijn aan wat ons overkomen is. Lucas plaatst het antwoord van Jezus weer in de dagen dat Jezus van Nazareth nog leefde. In zijn dagen waren er ook allerlei opstootjes en opstanden geweest. Bij de kruisiging was het volk zelfs de keuze voorgelegd of ze een opstandelingenleider wilden vrijgelaten hebben of een afwijzer van alle geweld. We kennen de keuze van het volk. Maar is een volk schuldig als het in opstand komt tegen een bezetter?

In de geschiedenis hebben de volgelingen van Jezus van Nazareth de vraag met ja beantwoord. Zij vervolgden de “Godsmoordenaars” tot in de vorige eeuw tot het uiterste. Van de schuld die het christendom met die vervolging op zich heeft geladen zijn we voorlopig nog niet af.

Jezus van Nazareth heeft namelijk een hele andere benadering. Wie omhakt, wie uitroeit ontneemt de vruchteloze de kans opnieuw vrucht te gaan dragen. Het vermengen van eigen bloed met het bloed van offers maakt de offeraar bijzonder onrein. Maar kun je dan zeggen dat God het volk verdelgd heeft omdat ze onrein waren geworden? Wie de geschiedenis van de Joden heeft bestudeerd weet dat niet het volk gestraft werd maar Pilatus die vanwege die vervolging ontheven werd van zijn functie.

Het is een geschiedschrijver als  Flavius Josephus die dat in zijn geschiedenisverhaal heeft opgenomen. De Bijbel is namelijk geen geschiedenis boek. Ook vanwege de mensen die omkwamen toen een toren bij Siloam omviel rees de vraag of die nu schuldiger waren dan de andere inwoners van Jeruzalem die het hadden overleefd. Natuurlijk niet is het antwoord. Maar als je de weg kiest van geweld en verwoesting, als je blijft denken in termen van schuld en boete dan wordt je daar zelf slachtoffer van.

Daar gaat die gelijkenis dus over. Hoe gaat God met deze misdaden om? Hoe gaat God om met een volk dat eerder geweld zoekt dan vrede en de liefde tot haar sterkste wapen maakt? Over het antwoord moeten we goed nadenken. Jezus zet ons graag op het verkeerde been. Wij denken dat de man die de boom had geplant en zich heeft laten ompraten door de wijngaardenier de God is die streng doch ook barmhartig is.

Maar dat staat er niet. Die bomenplanter koos de weg van geweld en uitroeiing van het vruchteloze. Het was de wijngaardenier die niet voor niets als wijngaardenier wordt opgevoerd die de zorg voor de planten bleef behouden ook al brachten die planten niets meer op. Natuurlijk zijn er grenzen aan, drie jaar in dit geval. Maar de eerste keus is niet omhakken, maar extra zorgen.

We kennen dat in het strafrecht. Als mensen geheel of gedeeltelijk een daad niet kunnen worden aangerekend dan doden we die mensen niet maar stellen we ze ter beschikking van de regering om een genezende behandeling te ondergaan. Doden van misdadigers doen we al helemaal niet meer. De Weg van de wijngaardenier  is dus eigenlijk de Weg van onze God. Die weg willen we gaan. Die weg zullen we dus ook moeten gaan in vraagstukken van oorlog en vrede. Hoe moeilijk dat ook is.

Totdat hij komt zullen we dat vol moeten houden, dan zal de aarde zo mooi geworden zijn dat God zelf hier zal willen wonen. Dan zal alle leed geleden en alle strijd gestreden zijn. Volhouden dus.

Amen

Read Full Post »

Lezen: Exodus 34: 27-35

              Lucas 9: 28-36

Gemeente

Op de tweede zondag van de veertig dagentijd hebben we gehoord over een stralende Mozes. Hoezo stralend? Wie belangrijke sportwedstrijden volgt kan zich voorstellen dat de gezichten van mensen kunnen stralen. Als het lukt dan stralen de winnaars. Short track schaatster Schulting lijkt op de televisie alleen nog maar te stralen. En al is het jaren terug Ellen van Langen straalt nog steeds als ze het heeft over haar overwinning bij de olympische spelen in Barcelona. Geen wonder dat Mozes straalde toen hij eindelijk de richtlijnen voor een menselijke samenleving op de stenen platen had en het volk zo ver dat ze het accepteerden.

Tien simpele regels. Geen andere Goden, geen beelden van God maken, niet zomaar zeggen dat God het wel zou willen, één dag in de week rusten, vader en moeder in ere houden, niet liegen, niet stelen, niet moorden, niet ontrouw zijn, niet jaloers zijn op een ander. Simpele regels die een heel volk in beweging zouden zetten. Regels die de wereld op z’n kop zouden moeten zetten. Want wat is dat nu voor een Godsdienst die niet meer zegt over de dienst aan God dan deze 10 regels.

We doen daarom vaak of het wetten zijn. Die kennen we, die hebben gezag, die worden gehandhaafd door machten en krachten buiten ons, door politie, openbaar ministerie en onafhankelijke rechtspraak. Maar dat soort wetten zijn gestoeld op het Romeinse rechtssysteem, met jurisprudentie waardoor uitspraken van rechters soms belangrijker zijn dan het tot hun recht laten komen van mensen. De regels die in de Bijbel staan zijn niet van dit soort wetten. Het zijn richtlijnen, diep in de woestijn gegeven aan een volk dat op weg was naar een nieuw land. Met de richtlijnen voor het inrichten van een nieuwe samenleving zou het land een land overvloeiende van melk en honing worden.

Richtlijnen die overigens voor de gelovigen moeilijker te houden zijn dan het lijkt. Want die sportmensen of acteurs en actrices, of zangers en zangeressen worden maar al te graag aanbeden. En wij lopen er maar al te graag achteraan. Zangeres Maan uit Bergen wordt overal ontvangen of ze Mozes zelf is. Hetzelfde geldt voor politici en opiniemakers, als ze een beetje zeggen wat we willen horen dan aanbidden we ze en lopen er achteraan. Hetzelfde geldt voor predikers, zeker als ze maar vaak genoeg zeggen dat God het zo gewild heeft. Het is ook zo verleidelijk regels te maken voor anderen en de uitzonderingen voor jezelf. Niet stelen en niet moorden is gemakkelijker, we houden hele legermachten aan politie op de been om ons er van te weerhouden. Ook het in ere houden van vader en moeder is vaak niet zo moeilijk, wie wil er niet uit een keurige familie komen, en een beetje ruzie in de puberteit moet dan toch kunnen. En hoe ouder je wordt hoe meer je inziet dat jaloers zijn op de rijken toch ook geen zin heeft.

Mozes echter straalde zo uitbundig dat hij zijn gezicht verstopte, de mensen mochten eens denken dat hij aanbeden moest worden. Al die mensen die voor God spelen genieten van die aanbidding. Slechts leiders die er niks van willen weten, die tot het uiterste dienaar van hun volk willen blijven leiden de mensen in de richting van een land overvloeiende van melk en honing, een land waar iedereen meetelt. Die leiders hebben we op dit moment in elk geval niet of nauwelijks .

In heel veel commentaren wordt net gedaan of Jezus van Nazareth in zijn veldrede iets geheel nieuws introduceert. We lezen een vergelijkbare toespraak immers ook in het Evangelie van Mattheüs. Bij Mattheüs staat Jezus op een berg terwijl de schrijver van het Lucas Evangelie er de nadruk op legt dat Jezus tussen de mensen, tussen zijn leerlingen, in staat. Nieuw is het echter niet wat Jezus hier onderwijst. In het boek van de profeet Jeremia staat ook zoiets. Daar gaat het om een brief van de profeet aan de ballingen in Babel. Die zitten met de vraag of ze mee moeten werken met het regiem dat hen heeft weggevoerd of zich juist moeten verzetten en de boel moeten saboteren. Het antwoord van de profeet is dan een oproep om zo veel mogelijk het goede te doen. Te delen met de armen, zorgen voor gezondheid, voldoende voedsel en er voor zorgen dat de mensen je gaan waarderen vanwege de zorg die je voor ze hebt. Dan kunnen de machthebbers uiteindelijk niet meer om je heen schrijft Jeremia en als je dan vraagt om het volk terug te laten gaan kunnen ze dat niet meer weigeren.

Jezus spreekt hier in een situatie van gewelddadige bezetting en onderdrukking van het volk. De strategie die hij hier voorschrijft is dan zo slecht nog niet. Die strategie is niet opgaan in de ideologie en afgoderij van de bezetter maar je eigen normen en waarden gebruiken om de nadruk te leggen op het goede. Delen van wat je hebt, wordt het genomen met geweld laat dan merken dat geweld niet nodig is, sta bekend als vrijgevig, behandel anderen zoals je zelf wilt worden behandeld. Heb je naaste dus lief als jezelf. Een gewelddadige samenleving heeft daar namelijk geen antwoord op. Ook mensen die kwaad willen hebben namelijk hen lief die hen liefhebben. Uiteindelijk is dat altijd wederzijds. “Doe goed” is daarom vanouds de centrale boodschap in de Bijbel. Want alleen uit het goede kan het goede voortkomen.

Uit het kwade komt immers niets goeds voort. Ons parlement heeft dat goed begrepen toen aan de aanwezigheid van onze soldaten in Afghanistan de eis werd verbonden dat ze konden opbouwen en de Afghanen de mogelijkheid zouden kunnen geven op een vreedzame toekomst. Want alleen van die wederopbouwactiviteiten is op de duur de vrede te verwachten. Het geweld lijkt soms onvermijdelijk maar mag nooit een doel in zichzelf zijn. Vrede is meer dan de afwezigheid van geweld, in vrede gaan mensen groeien en samenlevingen bloeien. Daarom zullen we ook onze vijanden lief moeten hebben want pas in liefde kan vijandschap verdwijnen en pas als vijandschap is verdwenen kan het vrede worden.

Voor die liefde vraag je dus niets terug. Paulus zal in zijn beroemde lied over de liefde in 1 Corinthe 13 schrijven dat die liefde zichzelf niet zoekt. Jezus zet die liefde zelfs zover door dat het hem aan het kruis brengt en hij hangende aan het kruis nog vergeving vraagt voor hen die hem daartoe veroordeelden omdat ze niet weten wat ze doen. Ze volgen immers de Romeinse wetten die niet letten op de mens maar alleen op de regels. Het blijft er dus niet bij dat je niet doet wat je niet wilt dat aan jou gedaan zou worden maar je zet een stap meer. Meer dan het gewone. Daarom keer je de linkerwang toe aan iemand die je op de rechterwang slaat, daarom geef je je onderkleed aan iemand die je bovenkleed in beslag neemt, daarom ga je twee mijl met iemand die je dwingt één mijl te gaan. Je doen altijd een stapje meer voor een ander dan wordt verwacht. En dan zeker niet alleen voor wie jou liefhebben, dat doen ongelovigen ook, vriendjespolitiek heet dat, dat is niet moeilijk, dat vraagt geen onvoorwaardelijke liefde die zichzelf niet zoekt. Goed doen voor hen die jou liefhebben brengt je altijd voordeel. Het gaat er om dat jouw handelen de wereld voordeel brengt. Dat er leven is in plaats van dood.

De oproep om niet te doden zoals Mozes die verkondigde aan het Volk, de oproep van Jezus om dus zelfs je vijanden lief te hebben staan er niet voor niets. Pas in liefde voor elkaar ontstaat die samenleving die overvloeit van melk en honing, de menselijke samenleving die God bedoeld heeft met het scheppen van de aarde.

Door die Liefde zal de aarde ooit zo mooi worden dat God zelf op deze aarde zal willen wonen. Is dit moeilijk? Jezus heeft nooit iets gevraagd dat hij zelf niet heeft gedaan. En hij heeft ons zijn Geest gestuurd om hem na te volgen. We zullen dus in deze veertig dagentijd moeten leren dat die Liefde zelfs door de dood heen in stand blijft. Tot die tijd kunnen we het kwade bestrijden met het goede, elke dag opnieuw.

Amen

 

 

 

 

Read Full Post »

Lezen: Jeremia 7:1-15

             Lucas 6: 9-49

Gemeente

Je hoort toch nog maar al te vaak. We zijn toch fatsoenlijk, we houden ons aan de Joods Christelijke traditie en verdedigen die tegen ongerechtvaardigde aanvallen, dan horen we er toch gewoon bij ? Zeker als men ook naar een zogenaamde Christelijke kerk gaat dan moet het toch wel goed komen? In de tijd van Jeremia was dat ook zo. Maar hij ging in de poort van de Tempel staan en sprak daar de mensen aan die naar binnen gingen. Dat moesten toch wel de voorbeelden voor het volk geweest zijn. Fatsoenlijke mensen die nog de offers gingen brengen in de Tempel. Mensen die bij de God van Jeremia hoorden. Niets is minder waar. Jeremia roept ze op anders te gaan leven. Dat versje van “Dit is de Tempel van de Heer” wordt net zo vals gezongen als het versje van de Joods Christelijke traditie in onze dagen. Dat soort versjes blijkt een alibi voor het uitsluiten van vreemdelingen van de samenleving, voor het onderdrukken van de weduwen en de wezen.

En weduwen en wezen staan in de Bijbel voor de allerarmsten, in onze dagen praten we over de minima en de armen in Afrika. Het verbiedt mensen aandacht te vragen voor de gevolgen van de slavernij die zij meedragen ook nog in het derde en vierde geslacht. Zwarte Pieten bevestigen voor hen het beeld dat ze moeten bewijzen tot deze samenleving te horen ook al wonen ze al generaties lang in dit land en hebben ze al van ouds mee vormgegeven aan onze samenleving. Steeds weer worden ze aangesproken als komend uit een vreemd land, uit Spanje of God weet waar. Steeds weer moeten ze zich bewijzen, moeten ze meer aangepast zijn als zij die de aanpassing van hen vragen. Als ze aandacht vragen voor het foute beeld dat de “Zwarte Piet” bij hen oproept en het verkeerde gedrag dat daardoor van hen gevraagd wordt dan is onze wereld te klein.

Dan regent het klachtentelefoontjes bij een museum dat er een tentoonstelling voor inruimt en klinkt het applaus voor een goedkoop scorende populistische politica. Fatsoen dat moeten we wel hebben, tenminste dat moeten de anderen hebben. Belasting betalen dat moeten die anderen ook. Wij gaan voor de goden van winst en profijt. Jeremia voorspelde zijn tijdgenoten dat ze daardoor hun land uiteindelijk zouden gaan verliezen. Wie zo hoog opgeeft van zichzelf wekt alleen jaloezie op. Hier is het kennelijk te halen want wij zijn beter dan de rest van de wereld. Wie niet wil delen heeft kennelijk wel heel veel te beschermen en wordt gemakkelijk een prooi voor dieven en rovers. Er is sinds de dagen van Jeremia veel veranderd in de wereld, maar niet in het gedrag van mensen. Ook nu heeft de oproep om heel anders te gaan leven en anders om te gaan met de minsten in onze samenleving een hoogst actuele klank. Laten we er naar luisteren dus.

Die luisteraars naar de woorden van Jeremia zien wel de fouten bij anderen, bij Jeremia want iedereen mag toch geloven wat ie wil? Dat is in onze dagen niet anders, ook al zijn we geroepen de schepping te verzorgen en te bewaren mogen kerken zich volgende week niet met de klimaatmars bezig houden. De PKN roept ook u op om daaraan mee te doen. Jezus vertelt ons een ander verhaal

Het zijn overbekende woorden die we vandaag gelezen hebben. Over de splinter en de balk, over het niet oordelen en over de blinde die de blinde niet kan leiden zonder dat beiden in dezelfde kuil vallen. Het borduurt voort op het gegeven dat we het goede moeten doen omdat van het kwade nooit iets goeds kan komen. Op het uitgangspunt van de leer van Mozes dat je je naaste lief moet hebben als jezelf. Op de wetenschap dat ieder mens fouten maakt, jij net zo goed als je naaste. Dat het echter niet gaat om bij de fouten te blijven staan maar juist om het goede voor elkaar te krijgen.

Het speelt bij ons soms bij de eindexamens. Elk jaar weer zijn er leerlingen die zakken of lagere punten halen dan nodig door het rode potlood. Ze zijn hun hele schoolloopbaan geconfronteerd met het rode potlood dat hen vanaf elk proefwerk toeschreeuwde wat ze allemaal wel niet fout hadden gedaan. Dat er ook opgaven waren die ze juist heel knap hadden opgelost en antwoorden die ze beter hadden gegeven dan was verwacht werd hen nooit verteld. Daar ging dat rode potlood niet over. Pas als die leerlingen geleerd wordt weer in zichzelf te geloven, als er in plaats van het rode potlood voor de fouten een groen potlood voor de goede antwoorden wordt gebruikt, kunnen ze slagen.

Dat is ook wat Jezus ons voor elk gedrag voorhoud. Niet bezig zijn met wat er slecht is, maar, zoals het verhaal van Mattheüs vertelt, de hongerigen eten geven, de naakten kleden, de gevangenen bezoeken, de bedroefden troosten. De vreemdelingen en de weduwen en wezen tot hun recht laten komen. Uiteindelijk gaan dan de blinden zien en de lammen lopen. Uiteindelijk wordt dan zelfs de dood overwonnen en alle tranen gedroogd. En nou niet roepen dat niemand meedoet en dat iedereen bezig is zelf rijk te worden. Dat is nu de balk in het eigen oog en de splinter in die van de buurman. Zorg dat je zelf het goede doet en niets dan het goede, maak mensen om je heen enthousiast voor het goede en laat ze meedoen, dan verdwijnen zowel de balk als de splinter.

Zo zorgen wij voor het klimaat, of China en Amerika mee gaan doen moeten we afwachten, wij houden ons bezig met het goede, zij mogen volgen. Doe mee! Maar gaat het dan over fundamentalisme? Meestal zien we mensen die hun levensovertuiging tot het fundament van de hele wereld willen maken uiteindelijk daarvoor alles willen uitroeien wat daarmee in strijd is.

Jezus van Nazareth roept op om een eenvoudig principe tot fundament van je eigen leven te maken. Namelijk de regel dat van kwaad niets goeds kan komen en van goeds niets kwaads. Of iets goed of kwaad is merken we dus aan de uitwerking op de mensen. Zijn onze daden gebouwd om de wil het goede te doen en niet dan het goede? Accepteren we anderen zoals ze zijn? Met hun goede en met hun kwade kanten, zoals we zelf geaccepteerd willen worden?

De vruchten van tolerantie zijn vrede, verdraagzaamheid en culturele verrijking en de vruchten van intolerantie zijn oorlog, angst en niet alleen culturele verarming maar ook daadwerkelijke economische verarming. Ons soort fundamentalisme is dus niet iets dat we anderen opleggen maar dat we onszelf opleggen. Dat maakt dat ons huis op een rots staat, dat we nooit bang hoeven te zijn dat het weggespoeld zal worden door maatschappelijke veranderingen. Als het verbeteringen zijn zullen we die veranderingen verwelkomen, we letten immers alleen op het goede.

De klimaatveranderingen treffen allereerst de armen in de wereld. Meer overstromingen op de ene plaats en grotere droogt op de andere plaats. Beiden zorgen voor een kleinere oogst waardoor voedsel duurder wordt. Van ons wordt verwacht dat wij pal staan voor de armen en dus ons ook bezig houden met het klimaat. We blijven het goede doen, totdat hij komt.

Amen.

Read Full Post »