Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for november, 2018

Lezen: Deuteronomium 10: 12-19

Hebreeën 13: 1-3

Marcus: 12:38-13:2

Gemeente,

Het is allemaal niet zo ingewikkeld. Er zijn geen kostbaar aangeklede Tempels met geheimzinnig mompelende priesters waar je voor elke gunst die je van een God wil hebben eerst een offer moet brengen. Geen klankschalen of kleurstellingen, en vooral geen offers aan de God zelf. De offers die je brengt zijn een teken dat je wil delen van wat je hebt en zijn bestemd voor de Priesters en Levieten, die moeten toch ook leven. De Levieten onderwijzen je de richtlijnen van God zodat je de juiste keuzes kan maken. En als je de God van Israël wil volgen dan zijn er altijd vreemdelingen en weduwen en wezen om je te helpen.

Zo eenvoudig is het. Verschaf de weduwe en de wees recht, laat hen tot hun recht komen, neem ze op in je gemeenschap en zorg dat ze een volwaardige plaats krijgen. Ze zijn de armsten in de samenleving. In een samenleving waar alleen mannen een eigen inkomen hebben, waar mannen zorgen voor de bewerking van het land en de handel komen weduwen en wezen zonder inkomen te zitten. Daar zijn we dus samen verantwoordelijk voor. In onze dagen voor de ouden van dagen, voor de zieken en invaliden, voor de mensen die niet in staat zijn een eigen inkomen te verwerven. Voor de vreemdelingen die weten waar een schuilplaats te vinden. Niet alleen in ons land maar uiteindelijk in de hele bewoonde wereld.

Maar ook in ons land moeten we de vreemdelingen met liefde behandelen. Het staat er echt. Iedereen die zich wil beroepen op de Joods Christelijke traditie van ons land, die bang is dat we overvleugeld worden door een andere godsdienst, zal moeten handelen volgens die richtlijn, dat staat in het gedeelte dat we vandaag lezen, U moet de vreemdelingen met liefde behandelen. Natuurlijk zijn er problemen die we moeten aanpakken en oplossen. We hebben nog steeds nare gevolgen van hebzucht. We delen nog steeds onvoldoende, er zijn nog steeds voedselbanken nodig en de inkomensverschillen in allerlei bedrijven zijn onverklaarbaar groot. Er is nog steeds misdaad in ons land en jongeren worden verwaarloosd en vervallen soms onnodig tot misdaden.

Sinds de Tweede Wereldoorlog blijkt het steeds nodig om nieuwe generaties opnieuw te vertellen en te onderwijzen in wat er toen gebeurt is. Steeds weer neigen mensen er toe elkaar uit te sluiten op grond van afkomst of geloof. Steeds weer wordt gevraagd wat individuele burgers de samenleving kosten en wordt voor het samen leven een afweging gemaakt naar kosten en baten. Nieuwe generaties hebben niet meegemaakt wat de voorgaande generaties meegemaakt hebben. Daar wijst Mozes ook op.

Als eenmaal het land dat overvloeit van melk en honing verovert zal zijn dan zullen de slavernij in Egypte, de tocht door de woestijn en de gevolgen van het niet onvoorwaardelijk op elkaar kunnen rekenen vergeten zijn. Het gevaar is dat dan ook die onderwijzingen van God vergeten zullen worden en dat het volk stil valt en niet op weg blijft naar de ideale samenleving.

Toch heeft ook onze samenleving regels nodig om zaken voor elkaar te krijgen en om te weten hoe de regels er zo zouden kunnen uitzien dat ze het Koninkrijk van God dichterbij kunnen brengen hebben we de Bijbel. In de Bijbelse regels voor een volk staat de liefde voorop. Na zes jaar moet je iemand met schulden de schulden kwijtschelden staat er, en de vreemdelingen moeten we behandelen als onze volksgenoot.

Dat soort regels gelden ook voor ons. Uiteindelijk scharen we ons zondag aan zondag ook onder het Woord om te horen hoe we er door de week uit zouden kunnen leven. Hier wordt het woord al weken lang levend gehouden. Hier horen we dus ook het roepen aan de poort. Dat is niet een roepen om binnen te mogen komen, maar dat is een roepen om recht en gerechtigheid. En vier weken lang blijft hier die roep klinken, en nog langer als dat nodig is.

In de Bijbel wordt in de poort recht gesproken, daar wordt de arme recht gedaan, daar wordt zorg gedragen voor de weduwe en de wees, daar ging Boaz heen om zorg te regelen voor de weduwe Ruth, zorg die hij uiteindelijk zelf mocht geven en waardoor ook de weduwe Noömi in haar ouderdom toch een toekomst kreeg..

Het uitgangspunt van onze godsdienst is dat je je naaste lief moet hebben als jezelf, dat je dus in de eerste plaats oog moet hebben voor de armen in de samenleving, voor de weduwe en de wees, voor de vreemdelingen stond er in de Hebreeuwse Bijbel die we tegenwoordig het Oude Testament noemen. De weduwe staat in de Hebreeuwse Bijbel voortdurend voor de armsten van de armen, zie hoe je daar mee om gaat want die naaste is als jij.

En, ja het staat er echt in die brief die we kregen. Gastvrijheid is een belangrijk onderdeel van het verbond. Het is een gevolg eigenlijk want als je je naaste liefhebt als jezelf dan is elke vreemdeling een naaste die je niet de deur zult wijzen omdat je nu eenmaal ook zelf niet de deur gewezen wilt worden. Natuurlijk hoeven we niet alle armen van de wereld in ons land op te nemen.

Er zijn betere manieren om te delen met de armen van deze wereld. Eerlijke handel bijvoorbeeld. En dan niet zo van wij dumpen wat we over hebben tegen aardige prijzen op markten waar mensen zo arm zijn dat ze voor ons niets zelf kunnen produceren, hun producten voldoen nooit aan onze strenge hygiëne- en veiligheidseisen, alleen als er fabrieken staan die eigendom zijn van bedrijven in de rijke landen, maar ja daar verdienen de arbeiders dan weer bijna niets. Daar worden alleen de rijken uit rijke landen als de onze rijker van.

Als we dit gedeelte uit Marcus lezen moeten we ons eerst afvragen waar het over gaat. Het Evangelie van Marcus is het oudste Evangelie en de mensen voor wie het oorspronkelijk werd geschreven wisten heel goed waar Jezus van Nazareth gezeten moet hebben toen hij het onderricht gaf waar Marcus het hier over heeft. Voor ons is dat wat minder vanzelfsprekend en moeten we er eerst eens over studeren. In de dagen van Jezus van Nazareth mocht je niet zomaar naar het hele Tempelterrein op. Rondom de eigenlijke Tempel in Jeruzalem lagen diverse hoven, soms met gebouwen en daarvan was nauwkeurig bepaald wie wel en wie niet verder mocht. In de buitenste voorhof was toegang voor de Heidenen die de God van Israël eer wilden bewijzen. Daar vond ook de handel plaats in offervee en zaten de wisselaars. De Tempel had haar eigen munteenheid.

Op de munten van de Heidenen stonden de beeltenissen van heersers en Keizers, op de Tempelmunten geen afbeelding van wat dan ook op aarde. Voor buitenstaanders was de Tempel in Jeruzalem dus een handelsplaats geworden. Voor de Heidenen niet vreemd want elke beroemde en belangrijke Tempel had een dergelijke handelsfunctie. In Efeze maakten ze zelfs zilveren tempeltjes en beeldjes van de godin die daar aanbeden werd, de komst van Joden die Heidenen tot Christenen maakten vormde een belangrijke bedreiging voor de handel in de zilveren tempeltjes.

Naast de buitenste voorhof was de voorhof voor de vrouwen. Tot daar mochten de vrouwen komen. Vrouwen konden immers wel eens onrein zijn en dan mochten ze er helemaal niet in, dan moesten ze zich terugtrekken en pas na een ritueel reinigingsbad mochten ze weer mee doen in de samenleving. Om dus de Tempel voor onreinheid te bewaren was er de voorhof voor de vrouwen. En daar vinden we Jezus van Nazareth in dit verhaal terug. In die voorhof stonden 13 grote offerblokken in de vorm van bazuinen, de ramshoorn waarop geblazen werd ter bevrijding van het volk, daar kon je de jaarlijkse bijdrage aan de Tempeldienst storten De dertien offerblokken waren voorzien van een opschrift “nieuwe sikkels” bestemd voor de jaarlijkse bijdrage, “oude sikkels” waar je achterstallige bijdragen voor voorgaande jaren kon betalen, “vogeloffers” in plaats van de jonge tortelduiven die de armen soms moesten offeren, “brandofferduiven”, “hout”, “wierook” “goud voor het wasbekken” en nog zes anderen voor vrijwillige giften.

De dierenoffers die voorschreven waren in de Tora konden in de dagen van Jezus van Nazareth dus afgekocht worden met geld dat je in het betreffende offerblok wierp. In het Hebreeuws is het onderscheid tussen hoorn en schatkist niet helemaal duidelijk dus of die schatkist uit ons verhaal voor die jaarlijkse bijdrage bestemd was is niet duidelijk. Er stonden per slot ook zes offerblokken waar je voor de armen kon offeren. Maar mag je dan van de weduwe uit het verhaal verwachten dat ze voor zichzelf een offer bracht? Het gaat er in dit verhaal dus kennelijk helemaal niet om waar je voor offert maar wat je bereid bent te offeren.

Dat deel wat door de rijken werd bestemd voor een offer was misschien wel groot, als arme kon je daar tegen opzien, maar het bleef altijd maar een klein deel van het bezit of het inkomen van de rijke. Het deel dat de weduwe bestemd had voor een offer was maar een kleine hoeveelheid, het was voor haar echter een groot deel, groter kon niet want het was alles wat ze had staat er in het verhaal.

Het kleine verhaal over de arme weduwe is in het geheel van het verhaal van Marcus dus een illustratie. Het laat zien hoe het zit met de offervaardigheid van de schriftgeleerden, die mensen die het allemaal zo goed wisten, die de macht hadden in de Tempel, die de vergunningen uitdeelden voor de handel in de voorhof der heidenen, die de offers naar de Priesters brachten. Die liepen te paraderen in lange dure gewaden, verzonken vaak in lange vrome gebeden.

Iedereen moest een gelijke bijdrage leveren voor de Tempel, in Exodus was dat nog bedoeld om juist niemand een voornamere plaats te geven in de Tempel. In de loop van de eeuwen daarna is het voor de armsten tot een last geworden en voor de rijken een manier om juist wel die voorname plaats op te eisen. Het zal in de dagen van Jezus van Nazareth niet anders geweest zijn als in onze dagen, als er gevraagd wordt om een bijdrage naar draagkracht zodat er voor iedereen gezorgd kan worden dan steekt er een storm van verontwaardiging op.

Dan wordt er niet meer gesproken over hoeveel de rijken overhouden voor hun levensonderhoud en hun pleziertjes, dan worden alleen de bedragen vergeleken die ze kwijt zijn aan de zorg voor de armsten. Dat nu al de armsten onder ons soms tot 10 procent kwijt zijn aan de ziektenkostenpremie, na ontvangst van de zorgtoeslag hoor je niet meer. Wel dat er mensen zijn die in een maand meer kunnen missen aan belastingen en premie dan de armsten in een jaar aan ondersteuning ontvangen.

Het meest opvallende in dit verhaal is dat Jezus van Nazareth geen opdracht geeft, alleen maar wijst op de verschillen, de lange mantels en de vrome gebeden plaatst naast, of liever tegenover de bereidheid van de Weduwe om alles te geven wat ze bezit. En als het gaat om mooie gebouwen, een nieuw opzichtig hoofdkantoor bijvoorbeeld dan wijst Jezus ons er op dat zulke fraaie gebouwen ooit tot stof zullen vergaan. Wij moeten zelf maar snappen dat de liefde blijft. Zoals Paulus het ons geleerd heeft, elke liefde komt van God en de liefde van God heeft eeuwigheidswaarde, ook vandaag nog. Met die liefde mogen wij ons leven vorm geven maar we mogen met die liefde ook onze samenleving inrichten waarbij we moeten bedenken dat onze samenleving in het Koninkrijk van God zich uitstrekt tot aan de einden der aarde.

Amen

 

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: Jesaja 48: 17-21

            Matteüs 35: 14-30

Gemeente,

Het is morgen de achtste dag, vandaag is de Sabbat. In de Bijbel zijn er zes dagen waarop gewerkt wordt en een zevende dag waarop gerust wordt. Op de achtste dag gebeurt er heel iets nieuws. Vandaag is het de dag voor Sint Maarten en de verkiezing van Prins Carnaval. Vandaag en morgen herdenkt Engeland de gevallenen uit de talloze oorlogen die sinds het begin van de vorige eeuw zijn gevierd. De veteranen leggen morgen kransen bij het monument.

Maar er is iets nieuws. De zondag kwam als eerste dag van de week omdat we geloven dat de dood is overwonnen. Wij weten ook van delen. In oude tijden gingen de armen een aantal keren in de winter langs de deuren om voedsel te bedelen. Met Sint Maarten, met Sinterklaas, op Tweede Kerstdag, met drie koningen en met Carnaval. De donkere wintertijd wordt zo verlicht met het licht van het delen, geen wonder dat die feesten in Christelijke feesten zijn veranderd.

Hoe zetten we die vreugde van het delen nu in voor de God van Israël? We horen nog wel eens verkondigen dat de mens zijn redder pas leert kennen in de hoogste nood. Daarom zouden we onszelf ineens heel erg slecht moeten gaan vinden. Want pas als de mens weet hoe slecht die is kan die mens de God van Israël leren kennen of zijn zoon Jezus van Nazareth, dat is dan ongeveer hetzelfde. Maar als we alleen op het slechte van de mens letten dan miskennen we toch een Bijbelse boodschap.

Natuurlijk het volk Israël was in ballingschap gestuurd omdat ze de leer van de God van Israël hadden verlaten en vreemde goden waren nagelopen. Zo zeggen we dat gewoonlijk. Maar de ballingschap was niet een daad van God maar het gevolg van het nalopen van andere goden.

Ook wij hebben de neiging om de goden van winst en profijt, van klatergoud en carrièrre belangrijker te vinden dan recht en gerechtigheid voor de armen. Alles voor onszelf en de deur stijf gesloten. Maar de ballingen tot wie Jesaja zich in het gedeelte van vandaag richt zijn nog niet zo slecht. De oproep om de ballingschap te ontvluchten klinkt niet tevergeefs. Trek weg uit Babel, ontvlucht de Chaldeeën staat er en dan vooral niet stiekem, niet in het geheim, maar iedereen mag het weten dat de God van Israël zijn volk vrijkoopt.

Achteraf weten we dat die oproep niet zomaar was. Die ballingen hadden in de ballingschap weer naar hun profeten geluisterd, die hadden hen op de geboden gewezen die in het volk rond hadden gezongen. Ze hadden het over het “Gij zult niet doden”, over het “Heb Uw naaste lief als Uzelf”. Over “heb de vreemdelingen lief ”, dat rare gebod uit Deuteronomium, Die profeten hadden hen voorgehouden dat die richtlijnen de kern waren van hun bestaan.

De graven van de Engelse soldaten op de vele kerkhoven in ons land mogen ons vandaag herinneren aan mensen die boven zichzelf uitstegen. De vrijheid en de welvaart die we nu hebben danken we aan vreemdelingen die zo boven zich uit stegen dat ze hun leven voor een samenleving als de onze overhadden. Meer dan hun leven konden ze niet met ons en onze kinderen delen.

De ballingen in Babel waren tijdens hun ballingschap weer teruggegaan naar hun eigen geschiedenis. Er waren nog documenten van hun koningen bewaard, er waren nog verhalen uit tempels en heiligdommen over de God van Israël, die geheimzinnige woestijngod die niet aan een land of een stad geboden was maar die meetrok met een volk, een God die een verbond sloot met een volk alsof het twee gelijkwaardige partners waren. Ze hadden nog brieven en geschriften van profeten. Al die verhalen, documenten, geschriften werden bij elkaar gelegd en tot een complete eenheid gemaakt.

Dat was het begin van wat wij nu de Bijbel noemen. Daar stond in hoe die God van Israël met mensen omgaat en wat die van mensen verwacht. En dat was eigenlijk een geweldig verhaal dat zich laat samenvatten als “Heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf”. Daar staken de goden van Babel maar schril bij af, die moesten in leven worden gehouden door het voedsel dat aan hen geofferd werd. Met die goden moest je handeltjes zien te drijven. Als je wat voor zo’n god deed dan kon je geluk hebben, dan kon die god wat voor jou doen, als die God daar zin in had en niks anders te doen had.

Zo zat het niet bij de God van Israël. Die liet niet varen het werk dat zijn hand begon, die God was ook in de ballingschap de God van Israël. Van die God leren we vrede. Niet zomaar vrede als een pauze tussen twee oorlogen maar vrede als een rivier. Rivieren die traag door oneindig laagland gaan, rivieren net als de ballingen de rivieren Eufraat en de Tigris hadden leren kennen, paradijselijke rivieren.

Nageslacht krijgt een volk, talrijk als het zand van de zee. Bij een volk dat gerechtigheid voortbrengt, een volk dat talrijk is als de golven van de zee wil je wel horen. En gerechtigheid betekent dat elk mens tot zijn of haar recht komt. Daarvoor moeten we dus uittrekken uit het land van de ballingschap. Daarvoor moeten we in onze dagen durven breken met het voorop stellen van winst en profijt, van klatergoud en carrière, moeten we voorop stellen hoe het met de minsten in onze samenleving gaat, hoe het met de minsten in de hele wereld gaat. Hoe het gaat met de zwervers in de stad, de hoeren en tollenaars uit het nieuwe testament en de weduwen en de wees uit het oude Testament.

Daarvoor moeten we in onze dagen de minsten voorop stellen, de gedwongen prostituees, de bezoekers aan de voedselbanken, de hongerenden in Afrika, de gewetensgevangenen in de wereld, de zieken en gehandicapten, de vluchtelingen en de kinderen die hier geboren zijn of al lang geworteld, de mensen die langs de kant van de weg zijn gezet en al die talloze slachtoffers van oorlog en geweld in de wereld. Elk van ons kan slachtoffers van de zwarte kanten van onze samenleving noemen die het rijtje eindeloos kunnen aanvullen. Daarop bedacht zijn is dus onze eerste opdracht.

Maar het is voor ons ook een duik in de woestijn, loslaten van winst en profijt, van carrière en inkomensgroei voor onszelf is een risico. Die God belooft ons wel dat we geen dorst zullen lijden, dat uit de hardste rots water zal ontspringen maar zijn wij niet te zwak om dat avontuur aan te durven? Een kleine kudde die ook nog steeds kleiner wordt? Zelfs het volk Israël dat bevrijdt was uit het slavenhuis in Egypte was een hardleers en morrend volk. Lopen we niet een te groot risico?

Over dat risico gaat de lezing uit het Evangelie. Het is een gelijkenis, maar wat is een gelijkenis? Een gelijkenis is wel eens een raadselspreuk genoemd, geladen met macht, een woord uit een Koninkrijk waarin enerzijds dingen worden geopenbaard maar anderzijds zaken gesloten blijven. Het koninkrijk Gods wordt uitgedrukt in gelijkenissen In die gelijkenissen komt de macht van dat Koninkrijk op ons af.

Jezus van Nazareth probeert in gelijkenissen antwoorden te geven op vragen die hem worden gesteld. Op de vraag “wie is mijn naaste” geeft hij als antwoord de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan. Op de vraag hoe je je moet voorbereiden op het einde van de geschiedenis is het antwoord een paar gelijkenissen, waaronder die van de wijze en dwaze meisjes, met de brandende lampen en het verhaal over de talenten.

Dat verhaal uit het Evangelie naar Matteüs zal in onze dagen in kringen van bankiers wel populair zijn. Want het lijkt een verhaal over risico’s nemen en rendementen behalen. Er wordt je een bedrag toevertrouwd en naarmate het bedrag groter is moet je meer opbrengst verdienen, telkens een rendement halen van 100 procent en dus meer risico nemen. Waar dat toe leidt als je dat aan bankiers over laat hebben we kunnen merken. Vooral als aan de resultaten ook nog grote beloningen zijn verbonden en wie dit verhaal goed leest zal opmerken dat de beloningen een grote rol spelen. Geen resultaat betekent in elk geval ontslag.

De prikkel van buitensporige beloningen op het behalen van grote rendementen wordt tegenwoordig een perverse prikkel genoemd. Maar ook in het Koninkrijk van God wordt je toch uitgedaagd risico’s te nemen en rendement te behalen. Je hoeft er zelfs geen bankier voor te zijn met gespecialiseerde opleiding en toestemming van de toezichthouder.  In dit verhaal uit Matteüs kan iedereen meedoen. Of je nu veel kunt of weinig maakt niks uit, als je maar mee doet. Je hoeft ook niet bang te zijn dat je te weinig doet. Je krijgt net zoveel talenten als je aankunt. Pas als je je door angst of onverschilligheid laat verlammen en niks meer doet dan loopt het verkeerd af.

In het verhaal dat we gelezen hebben is het de angst die verlamde: De Heer oogst waar hij niet gezaaid heeft, de Heer is een gestreng Heer, klinkt het. Maar wat zijn dan die talenten waarmee ook wij mogen woekeren? Dat zijn dus niet bijzondere vermogens waarmee je meer zou kunnen dan een ander, want de hoeveelheid talenten is al afgestemd op wat je aan kunt. Het gaat dus niet om een bijzondere intelligentie, of een bijzondere handigheid. Iedereen in het verhaal kreeg immers een talent?

Nee de talenten waarmee ook wij mogen woekeren zijn het goud van God en dat kennen we. Het goud van de God van Israël is de liefde voor de armsten en de zwaksten. Je daar mee bezig houden en de liefde voor de naaste vermeerderen dat is pas woekeren met talenten. Dat kan in het groot, maar dat kan ook in het klein, thuis desnoods. En niet zeuren dat die liefde te kostbaar is, dat die verspild zou kunnen worden of gestolen door de rijken, dat je niet wist wat er van terecht zou komen of dat het geld dat je kon storten op giro 555 wel goed zou worden gebruikt.

Woekeren met de talenten van God is onvoorwaardelijk liefde geven. Het rendement is de liefde die gegeven is, niet of het echt beter is gegaan, onze God bepaald immers zelf wat er met zijn liefde wordt gedaan, het is genade dat wij daarvoor de instrumenten mogen zijn. De hongerigen die gevoed zijn kunnen later best ziek zijn geworden, de naakten die gekleed zijn kunnen later best in een oorlog terecht zijn gekomen, de vrede die gesticht is kan best werkloosheid in de wapenindustrie tot gevolg hebben gehad, de bedroefden die getroost zijn vergaten misschien voor de graven op het kerkhof te zorgen, de jongeren die weer naar school gingen konden na hun schooltijd misschien niet direct werk vinden. Zo kun je wel doorgaan.

Onze wereld is voor ons niet maakbaar, in je eigen omgeving niet en in de grote wereld ook niet. Maar alle liefde die onbaatzuchtig wordt getoond draagt bij aan een betere wereld. Aan het eind van zijn evangelie vertelt Matteüs dat wij de opdracht kregen om alle mensen op aarde te dopen, tot de aarde voltooid zal zijn vertaald de Nieuwe Bijbelvertaling. Dus door alle mensen te betrekken bij die liefde van de God van Israël doen we mee in het scheppingswerk dat nog steeds bezig is.

Meewerken met God in het voltooien van zijn schepping is dus niet om die God voor ons te winnen, handeltjes zijn er niet te drijven met de God van Israël. Het is ook niet uit dankbaarheid, we moeten maar afwachten wat de Heer vindt van ons woekeren met zijn talenten. Maar dankbaarheid voelen we zelf als we de liefde delen die we van onze God voor onze naasten hebben gekregen. Wie die liefde heeft zal voortdurend meer ervan krijgen om weer weg te geven. Wie de liefde alleen voor zichzelf houdt die zal alles verliezen en nooit geliefd worden. Delen van de liefde leidt onherroepelijk tot een feestmaal, de maaltijd waar niemand meer honger heeft en alle leed zal zijn geleden. Dat brengt ons terug bij de oorsprong van het Sint Maarten feest en het Carnaval. Als je rijk bent dan deel je en neem je deel aan het feest van delen.

En elk delen is een reden tot grote vreugde en nog grotere dankbaarheid, als je dat eenmaal hebt ervaren wil je er nooit meer mee ophouden. Ga dus ook na vandaag door met te woekeren met je talent lief te hebben, elk voor zich en samen als gemeente, samen als kerken in Nederland, dan zijn we klaar om de Heer te ontvangen wanneer hij komt en wanneer je er tot in eeuwigheid mee mag doorgaan.

Amen

 

Read Full Post »

Lezen: Job 19:23-27

             Marcus 12: 18-2

Gemeente,

We staan vandaag temidden van feest en herdenkingsdagen. Dat begon op 31 oktober waarop we de hervorming van de Rooms Katholieke Kerk herdachten, een hervorming die mislukt is en die leidde tot de vorming van de Protestantse Kerken. Op 1 november was het allerheiligen, op 2 november allerzielen en komende woensdag is de dankdag voor gewas en arbeid. En omdat we door de week niet meer naar de kerk gaan klinken vandaag al die feest en herdenkingsdagen door in de dienst.

Op Hervormingsdag werd ontdekt dat onze God geen God is van voor wat hoort wat. Hij laat het regenen over de rechtvaardigen net zo als over de onrechtvaardigen. Schrijf dus niet alle ellende in de wereld op de rekening van God, maar vraag je af wat je zelf aan die ellende bijdraagt of tegen die ellende doet. Job, de lijdende bij uitstek, geeft ons daarvoor het voorbeeld.

Want ondanks al het lijden blijft Job vertrouwen op zijn God. Zijn God is immers niet gebonden aan de weersomstandigheden of de tijd van het jaar. Zijn God is niet gebonden aan de grond. Zijn God hoeft niet gunstig gestemd te worden door offers of beelden of goede gezangen en vrome gebeden. Zijn God verlangt alleen het goede. Daarom kan Job zijn vrienden waarschuwen, daar waar zij de rol van God willen overnemen, zelf voor God willen spelen, door een oordeel te vellen over het leven van Job lopen ze gevaar. Want de God van Job is een jaloerse God die geen andere goden naast zich duldt.

Dat beseffen we vaak niet als we zelf de macht over leven en dood in onze handen nemen. Als we ons in het verkeer begeven terwijl we weten dat het eigenlijk niet verantwoord is, als we het leven rekken van een stervende omdat wij geen afscheid kunnen nemen, als we het leven afdwingen bij een ongewenst zwangere omdat wij dat fatsoenlijk of christelijk vinden, als wij het leven van partners in gevaar brengen door het verbod op condooms, omdat die niet passen in onze opvatting over sexualiteit. Het oordeel over anderen past ons niet, dat moeten we aan God laten.

Job, als lijdende persoon, weet dat je daar ondanks alle ellende op kan  blijven vertrouwen. Ons rest alleen het goede te doen. Naast de lijdende staan, begrip opbrengen, elke dag weer.

Op allerheiligen en allerzielen herdenken we de gelovigen die ons zijn voorgegaan. Dat is mooi. Een oud Joods spreekwoord zegt dat iemand pas dood is als iedereen die persoon vergeten is. Maar waarheen zijn zij ons voorgegaan? We weten het niet.

Die Saduceeën geloofden niet in de opstanding van de doden. Hun voorbeeld maakt het geloof in die opstanding dan ook bespottelijk. Jezus van Nazareth geeft op hun vraag eigenlijk twee antwoorden, als we al opstaan dan is dat als de engelen en verder weten we het niet want God is een God van levenden.

Dat leidinggevende religieuze Joden niet in een opstanding van de doden geloofden is minder raar als het lijkt. Voor ons is het geloof toch in elk geval een geloof in de opstanding van de doden, maar dat is het voor de Bijbel niet. In de oudste gedeelten van de Bijbel gaat het helemaal niet over een latere opstanding van de doden. Het lijkt er zelfs heel sterk op dat, in tegenstelling tot de Heidense volken, de Joden helemaal niet geloofden in een opstanding van de doden. In het boek Genesis wordt verteld dat God een grens stelde aan de leeftijd van de mensen, ouder dan 120 jaar zouden ze niet worden. Prediker schrijft dan dat de adem van God, waarmee hij de mens het leven heeft gegeven, weer terug keert naar de borst van God. Een mooi beeld.

Maar tijdens en na de ballingschap en vooral tijdens de bezetting door Griekse overheersers vonden veel mensen het wel erg wreed van God dat mensen het geloof in de God van Israël moesten bekopen met marteling en een vreselijke dood en dat het daarmee afgelopen zou zijn. Zo kon de God van Israël niet zijn. Als God zich zou ontfermen over zijn kinderen en het rijk zou aanbreken waarin de tranen gedroogd zouden zijn en God zelf weer zou regeren vanuit Jeruzalem dan zouden ook die rechtvaardigen daaraan deel hebben die hun leven gegeven hadden voor de God van Israël.

Zo ontstond bij grote delen van het volk de overtuiging dat er een opstanding van de doden zou zijn. Ook in onze samenleving kom je die overtuiging wel tegen. Als jonge mensen sterven dan kan het toch niet afgelopen zijn? Als mensen zich inzetten tegen zinloos geweld en daarbij zelf omkomen, of sneuvelen op een missie die vrede en veiligheid moet brengen, dan zullen ze toch deel mogen hebben aan de samenleving waar de dood niet meer zal zijn? Of er een God is weten veel mensen niet, zeker niet hoe ze zich die God moeten voorstellen, maar dat het na de dood niet afgelopen is dat willen ze wel geloven.

Van Jezus van Nazareth mag dat, al moet je daar geen voorstellingen van willen maken. Wat zeker niet moet is mensen voorhouden dat het lijden gedragen moet worden tot na de dood, dat je in dit leven niet moet opstaan tegen onrecht en geweld. Zoals Jezus van Nazareth zijn liefde door de dood heen kon dragen zal God ook zijn geliefden door de dood heen dragen. Daarom mogen we in dit leven al opstaan tegen onrecht en het lijden van medemensen, dat mogen we ook vandaag al doen, dat is kiezen voor het leven.

Het goede doen en niet dan het goede leerde Paulus ons. Dat goede is opstaan tegen onrecht en lijden. Dat goede is het delen van wat wij uit Gods hand ontvingen. Alles wat we hebben kregen we immers van God. De banen waarin we werken, de opbrengst van landbouw en veeteelt. Maar ook de verworvenheid van de Medische Wereld. Vaccins horen daar bij, God heeft ze ons gegeven ter bescherming. Aan ons de vraag of wij die bescherming uit Gods hand willen ontvangen en willen delen. Zo mogen wij dankbaarheid betonen voor alles wat we kregen. Niet alleen komende woensdag maar alle dagen van ons leven.

De Bijbel houdt de levenden een belofte voor. Er komt een dag dat alle leed geleden en alle strijd gestreden zullen zijn. Profeten hadden daar visioenen over, van ouderen die dromen zullen dromen en jongeren die gezichten zullen zien. Dromen van de leeuw die weidt met het lam, van het kind dat speelt in het hol van de slang. Van de stad waar geen kindersterfte meer zal zijn en niemand zal sterven voor de tijd die God er voor heeft gesteld. Aan de vervulling van die belofte mogen wij alvast gaan werken, niet om het uitkomen er van mee te maken maar ter Ere van God die hemel en aarde geschapen heeft als een veilige woonplaats voor zijn mensen.

Amen.

 

 

 

Read Full Post »