Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for maart, 2017

Lezen: 1 Samuël 16: 1-13

              Johannes 6:1-15

Gemeente,

Alles komt van God, alle macht in hemel en op aarde is aan God gegeven. Staat alles dan vast wat God heeft gedaan? In de 40 dagentijd waarin we ook extra aandacht hebben voor het lijden in de wereld is het goed eens stil te staan dat het God ook kan berouwen, dat God er spijt van kan hebben. God berouwde het dat Saul tot koning werd gezalfd. God trok zijn handen van Saul af. Dat kwam niet omdat God een verkeerde beslissing had genomen maar omdat Saul er verkeerd mee om was gegaan. Hij had zichzelf als God gewaand, hij zou als koning zelf wel weten wat goed of slecht was voor het volk. Maar het volk Israël moest het volk van de God van Israël blijven. Dat volk had een koning gevraagd. Maar wilde het bondgenootschap met de God van Israël echt tot ontwikkeling kunnen komen dat moest die koning een koning naar het hart van God zijn, een koning die het volk bevrijden zou van de invloeden van de omringende Heidense volken.

De profeet Samuël wordt er daarom op uit gestuurd om een begin te maken met de komst van een dergelijke koning. Isaï in Bethelehem uit de stam Benjamin, de kleinste stam, is de vader van die toekomstige koning. En Iraï stelt vol trots zijn zeven zonen voor, een voltallig span zonen. Maar geen van hen is de gezochte. Nu was er nog een achtste zoon, eigenlijk overbodig dus, die was als herder in diezelfde landstreek. De God van Israël kiest altijd de minste, de meest onverwachte en zo ook hier. Temidden van zijn broers wordt deze zoon tot koning gezalfd.

De nieuwe Koning is dus eerst herder en broer en daarna pas Koning. Zo staat het er niet voor niks. Dat het een knappe jongen is lijkt meegenomen maar is niet essentieel. God kijkt niet langer naar iemand die er met kop en schouders boven uit steekt, zoals bij Saul het geval was geweest, maar naar wat voor persoon iemand is. In dit geval iemand die kan zorgen voor de zwaksten, zoals een herder moet zorgen voor schapen en lammeren en iemand die weet heeft van samenwerking. Als broer overleef je niet als je niet weet samen te werken. David zal het verhaal van Jozef en zijn broers gekend hebben. Nu moet David nog naar het hof, leren om koning te worden. David weet overigens niet dat de God van Israël Koning Saul heeft verworpen net zo min als Saul zal weten dat David al tot koning is gezalfd. God kan goede en kwade geesten zenden zegt de Bijbel hier.

Bevrijding van machten die zich God wanen is hier de sleutel. Pas als die bevrijding heeft plaats gevonden kan het volk naar het land gaan dat overvloeid van melk en honing, het land waar iedereen te eten heeft. Volgens mij zijn er best een paar mensen die gedacht hebben wat die lezing over de zalving van David nu te maken heeft met de wonderbare spijziging van de 5000. Als je alleen in wonderen en uitwendige tekenen geloofd, alleen daarop op let is het verband ook moeilijk te vinden. Maar beide verhalen hebben dezelfde bevrijding gemeen. De bevrijding uit de slavernij in Egypte. Saul had zijn volk onder zijn eigen slavernij gebracht. David was iemand die zijn leven waagde voor de schapen waarover hij gesteld was.

Eén van de beroemde verhalen over de wonderbare spijziging. Je kunt zomaar vijfduizend mannen te eten geven en dan hebben de vrouwen en kinderen ook nog genoeg. Ja, je houdt zelfs genoeg over om het hele volk Israel, met twaalf stammen, te eten te geven lijkt het wel. Iemand die dat voor elkaar krijgt, die dat kan, zou je direct wel tot koning willen uitroepen.

Maar Jezus van Nazareth wil nergens en nooit eer van zijn werk, de eer komt alleen aan God toe. Maar snappen doet hij het wel en daarom trekt hij zich alleen terug op de berg. Als er honger is en iemand geeft je te eten dan kan dat diepe indruk maken. Maar waar zit het wonder van Jezus van Nazareth nu echt in?

Er staat dat het vlak voor het feest van Pesach, wat wij Pasen noemen, is. Op dat feest werd het eerste van de gerst oogst naar de Tempel gebracht. Maar wat gebeurde er vlak voor het Pesach feest? We gaan het op Witte Donderdag weer vieren. Dan wordt de bevrijding van de slavernij uit Egypte gevierd. Dan is er de Pesach maaltijd met ongezuurde broden en bittere kruiden. Wij herdenken de bevrijding van de dood omdat Jezus van Nazareth zich zou opofferen voor zijn vrienden.

Nu zit het volk aan de oever van het meer. En wat is er te eten? Gerstebrood en vis. Dat er aan de oever van een meer vis is dat geloven we graag. Onder de apostelen waren diverse vissers en het is Johannes die beschrijft hoe ze na de opstanding terugkeren naar het meer om weer te gaan vissen. Jezus wacht ze dan op met een vuurtje en geroosterde vis.

Maar dat brood waarover gesproken wordt? Het is Gerstebrood en het Gerstebrood was het brood van de armen. De tarwe van het tarwebrood zou nog 50 dagen moeten wachten tot er 7 weken voorbij waren en het wekenfeest gevierd zou worden, het feest dat wij Pinksteren noemen.

Neemt Jezus nu echt vijf broden en twee vissen om oneindig door te blijven breken? Dat staat er niet. De leerlingen denken dat het alles is wat er te eten is voor de grote menigte die hen is gevolgd. Maar als iedereen gaat zitten en deelt wat men bij zich heeft blijkt dit veel meer te zijn dan men had gedacht. Als je samen wilt delen dan is er kennelijk altijd genoeg. Je moet alleen ook echt samen willen delen. Dat niemand honger heeft is toch gerechtigheid.

Als je de baas wilt blijven, alsof je zelf een godje bent, dan lukt dat niet. Je opstellen als dienaar, jezelf uitschakelen en de ander voorop stellen, dat is de weg van Jezus van Nazareth, dat was de weg van David, die weigerde zijn Koning te doden en tegen zijn eigen volk te vechten, en dat is ook de weg die ook wij zullen moeten willen gaan.

Wij hebben daarvoor ook de wetenschap gekregen. We weten hoe water moet worden gevonden en opgepompt, wij hebben geleerd hoe we overstromingen kunnen voorkomen en mensen kunnen beschermen tegen de gevaren van het water. En wij weten daardoor dat er op de hele aarde eten in overvloed voor iedereen is. Aan ons om te helpen bij de verdeling. Nu zijn het volken in Afrika die aan honger dreigen te onder te gaan omdat het klimaat zo is veranderd dat er misoogsten zijn geweest. Aan ons om via Kerk in Actie of andere organisaties noodhulp te verlenen en daarna te zorgen dat ze zich met behulp van onze wetenschap kunnen aanpassen aan veranderde omstandigheden. Jezus ging ons voor, wij volgen.

Want uiteindelijk geloven we ook dat voor ons dat beloofde land komt, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, een aarde die zo mooi is dat God daar zelf zijn tenten zal willen opzetten. Daar zal onze honger naar gerechtigheid eindelijk gestild zijn. Daarvoor moet nog veel werk worden verzet, aarzel dus niet, vat aan het werk.

Amen

 

 

 

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: Exodus 17: 1-7

              Johannes 4: 5-26

Gemeente,

Zonder water geen leven blijft voor een Hollander een wat vreemde uitspraak. Wij hebben immers eerder te veel dan te weinig water. Door de eeuwen heen hebben we veel energie, tijd, geld en creativiteit gestoken in het beheersen van het water. En ook na vele eeuwen met waterschappen en polderen is dat nooit helemaal gelukt. Ook in onze dagen weten we van overstromingen en dreigingen met overstromingen.

Dat water speelde een heel andere rol in een woestijn. Daar is over het algemeen een tekort aan water. In delen van Afrika dreigen miljoenen mensen de komende tijd te sterven omdat er te weinig water was voor een goede oogst. Als je dan veertig jaar in de woestijn rondtrekt dan leer je wel hoe je naar water moet zoeken. Het volk Israël zal altijd een soort haat liefde verhouding met het water blijven houden. In water kon je verdrinken en daarom was het varen op schepen niet echt geliefd. Als je door het water van de grote rivier van Israël ging, de Jordaan, dan ging je als het ware door de dood. Het is ons ritueel van de doop geworden. Door het water van de dood heen komen we juist tot leven.

In het gebed dat Jezus van Nazareth ons geleerd heeft komt het water niet voor. Het verbond tussen de God van Israël en het volk ging over het brood, en een geroosterd lam waarvan het bloed aan de deurposten was gesmeerd om de dood tegen te houden.

Het dagelijks brood is voldoende, genoeg is genoeg. Dit brood aten ze zolang ze in de woestijn rondtrokken. Maar telkens opnieuw moesten ze opbreken. In de Nieuwe Bijbelvertaling ontbreekt dat opbreken steeds en dat is jammer, want dat maakt eigenlijk het hele verhaal van de tocht door de woestijn tot een soort verhalend gedicht, ook in zo’n verhalend gedicht kunnen plaatsen en gebeurtenissen door elkaar lopen, ook daarin wordt vooruitgelopen en teruggegrepen als dat voor de dichterlijke bedoeling van het verhaal nodig is. Het opbreken markeert in het verhaal over de tochtt door de woestijn steeds een nieuw element. Het element waar het verhaal vandaag op wijst is beproeving en twist. Meriba en Mara zijn de sleutelwoorden hier, ze betekenen beproeving en twist. In Psalm 95 komen de namen nog eens terug in een verzoek om het volk niet op deze manier op de proef te stellen.

Hier moet Mozes vooruitlopen op hetgeen er zal komen. In de rustplaats die ze nodig hadden, en Refidim betekent rustplaats, bleek geen water te zijn. En in plaats van op zoek te gaan naar water en dat wat ze hadden aan drinken met elkaar te delen vlogen ze Mozes aan, geef ons water, anders hadden we beter in Egypte kunnen blijven. De slavernij in Egypte was kennelijk minder erg dan leven in vrijheid en zelf op zoek moeten gaan naar het water van het leven. Mozes wordt er wanhopig van, wat moet je met zo’n volk. Maar nu moet Mozes met de oudsten van het volk vooruitlopen op dat wat er te gebeuren staat. Hij moet alvast doorgaan naar de Horeb en daar met de Godsstaf op de rotsen slaan.

Op dit punt moeten we ons herinneren dat er ook staat geschreven dat het volk steeds moet opbreken en gaan in de richting die God wees totdat ze in het beloofde land zullen aankomen. Die weg gaat voor het volk sinds het opgebroken had bij de Rietzee de woestijn in.

Het uiteindelijke verbond tussen God en het volk zou gesloten worden bij de Horeb.

Geleerden zeggen nu dat het water dat uit de rotsen bij de Horeb stroomde de richtlijnen zijn die het volk in acht moet nemen. Als je samen wilt leven, zeker als je samen wilt overleven in een woestijn, dan heb je vertrouwen en bouwen op elkaar nodig zodat je samen kunt vertrouwen en het mogelijk wordt dat elk die er aan deelneemt daardoor overleeft.

Beproeving en twist kun je daarbij niet gebruiken. In het boek Numeri staat ook een verhaal over Mozes die op de rotsen slaat en er water uit laat komen. Maar die rotsen staan niet bij de Horeb, die regels zijn dus kennelijk niet van God en Mozes mag dan ook niet het beloofde land in. Kern in het verhaal van vandaag is dus dat we op moeten houden te mopperen op alles wat niet deugt in ons land maar samen moeten werken om samen afspraken te maken die zorgen dat iedereen mee kan doen om samen te kunnen leven. Daar kunnen we ons elke dag weer mee bezig houden.

Het zou mooi zijn als we daardoor nooit meer dorst zouden krijgen. Het moet duidelijk zijn dat Jezus van Nazareth dit overdrachtelijk bedoeld. Het gaat er niet om dat Jezus zelf een soort put wordt waar voortdurend water uit komt. Maar waar gaat het dan wel om?

Laten we het verhaal nog eens lezen. Jezus van Nazareth trok meer mensen dan Johannes de Doper. Die was inmiddels onthoofd door Herodes en opnieuw ging Jezus naar Galilea om onder te duiken. Hij nam daarbij de veilige weg door Samaria heen.

Die Samaritanen werden door de Joden niet voor vol aangezien. Ze erkenden alleen de eerste vijf boeken uit de Bijbel en erkenden de overige boeken uit de Hebreeuwse Bijbel niet, de Joden deden dat wel. Van deze halve gelovigen ging Jezus dus naar het land van de Heidenen, want zo werd Galilea genoemd. Daar in Kafernaüm was Jezus al eens eerder ondergedoken. Maar hier, midden in Samaria, bij de Jakobsbron, rust Jezus uit op het midden van de dag. En wie komt er nu midden op de dag naar de bron. Dan heb je een probleem.

Alle andere vrouwen kwamen vroeg in de morgen als het water nog koel was en het buiten nog te doen was om met een volle kruik water van de bron naar de stad te lopen. Maar bij de Jacobsbron verwacht je een vluchteling als Jacob, of een vrouw die naar liefde hunkert zoals eens Rachel toen die Jacob bij de bron ontmoette. Rachel had ruzie met andere herders en moest recht worden verschaft en we hongeren en dorsten allemaal naar gerechtigheid niet waar. Daar komen we weer bij Jezus van Nazareth. Hij hoeft immers inderdaad niet méér te kunnen dan Jacob, recht doen aan haar die onrecht werd gedaan. Als dat recht is gedaan, als die mens weer tot haar recht is gekomen dan is onze dorst naar gerechtigheid gelest.

Voorlopig is daar nog geen sprake van. Wij blijven nog veel vrouwen veroordelen tot een leven achter de geraniums. Voor alleenstaande moeders is er nog steeds niet voldoende kinderopvang zodat zij aan hun eigen loopbaan kunnen werken. Recht doen aan vrouwen zodat onze dorst naar gerechtigheid is gelest is er niet bij. Daarvoor moeten we eerst beter naar Jezus van Nazareth leren luisteren. Vrouwen lijken de maat te worden van de rechtvaardige samenleving. We worden op onze vingers getikt omdat het aantal vrouwen dat in deeltijd werkt onze economische ontwikkeling remt. Dat komt omdat werken en verzorging nog steeds niets gedeeld wordt tussen mannen en vrouwen. De liefde die zichzelf niet zoekt, zoals Paulus de liefde van God omschrijft, zorgt er nog steeds niet voor dat vrouwen zich kunnen ontplooien, mannen reserveren de werktijd eerst voor zichzelf en als er naast het zorgen nog tijd over blijft mogen vrouwen die gebruiken om zich in de samenleving te ontplooien. Onze vrouwen bij de bron blijven nog te vaak droog staan als het gaat om de mogelijkheden van ontplooiing, in navolging van Christus zullen we daar wat aan moeten doen. Zeker vandaag.

Heel lang is deze Samaritaanse vrouw als een zondige vrouw neergezet. Maar doet dat haar wel recht? Ze zou vijf mannen hebben gehad en met de zesde ongetrouwd samen leven. Moet je dat wel letterlijk nemen en waarom is haar relatiegeschiedenis, haar seksuele geschiedenis van belang? Want waarom maakt deze wetenschap Jezus van Nazareth tot een profeet? Als ze op het heetst van de dag naar de put gaat omdat niemand met haar te maken zou willen hebben waarom lopen de mensen uit de stad haar dan achterna als er iemand is die alles van haar weet? Voor veel mensen is het op deze manier bekeken een van die vele rare verhalen uit de Bijbel die met rare gewoonten te maken hebben. Maar als we recht willen doen aan deze Samaritaanse vrouw en vrouwen die je ook tegenwoordig nog vindt zoals zij dan moet je een stap verder doen.

Er was al 400 jaar spanning tussen Joden en Samaritanen. Dat was begonnen in de dagen van Ezra en Nehemia toen er Joden terugkwamen uit de Ballingschap. Zij namen de Hebreeuwse Bijbel mee zoals die in Babel tijdens de ballingschap was samengesteld. Die Bijbel werd in het hart van de Tempel gelegd. De Samaritanen waren niet in ballingschap geweest en hadden al de jaren van de ballingschap de vijf boeken van Mozes bewaard en vonden dat dat een Bijbel genoeg was. Omdat ze ook nog getrouwd waren met mensen uit de volken om hen heen mochten ze niet meedoen met de herbouw in Jeruzalem en de nieuwe Tempeldienst.

Daarom krijgt Jezus nu te horen dat er twee plekken zijn om God te vereren. Eén voor de mensen die de vijf boeken van Mozes vereren, en sommige mensen vragen zich af of dat misschien de vijf mannen geweest zijn die ze had gehad. En dan kan God vereerd worden in de Tempel in Jeruzalem. De vrouw blijkt echter open te staan voor nieuwe mogelijkheden. Er zou immers een bevrijder, messias, gezalfde, nieuwe Koning, komen die eindelijk uit zou maken wie er gelijk zou hebben. Kennelijk werd ze in de stad eerder als een vreemde vogel beschouwd vanwege deze hoop dan vanwege haar leefstijl want als ze naar de stad rent en de mensen vertelt dat er eindelijk zo iemand is gekomen dan loopt iedereen haar achterna.

Haar recht doen betekent dus niet haar aanspreken op haar zogenaamde ontuchtige of zondige leven. Of haar beschouwen als een vreemdelinge die er nooit bij zal kunnen horen, zoals wij de vrouw met de hoofddoek maar al te vaak aankijken. Maar haar recht doen betekent haar erkennen als iemand die ondanks alle vernedering blijft vasthouden aan de twee plekken om God te vereren. De plek van haar eigen traditie zo goed als de Tempel in Jeruzalem. De bron waaruit ze put is de bron van Jakob, daar doet ze ook een beroep op. Jakob de stamvader van heel Israel, Joden en Samaritanen, Jakob die bij een bron ook Rachel recht verschafte.

Zo werd deze vrouw een eerste apostel, een zendelinge onder de Samaritanen, de halfgelovigen. Zij bleef putten uit de Tora, de richtlijnen voor de menselijke samenleving, het levenswater dat ooit onder Mozes ontsprong op de berg Horeb.

Wellicht is voor veel kerkleiders nu juist het meest ontuchtige aan die vrouw dat zij de andere apostelen tot zwijgen bracht. In onze dagen doen die vrouwen met die hoofddoelen een beroep op Abraham die zijn land verliet om de God te volgen die deze vrouwen ook aanbidden. Zij zitten bij de bron van Abraham en hoe behandelen wij haar? Ook met respect en de liefde van Christus? Misschien moeten we nog wat sterker de navolging van Christus doordenken met dit verhaal in het achterhoofd.

Want uiteindelijk worden ook wij geroepen om onze honger en dorst naar gerechtigheid te stillen door naar de bron te gaan die God ons gegeven heeft. Door zijn zoon Jezus van Nazareth hebben ook wij de richtlijnen leren kennen die Mozes bij de Horeb heeft ontvangen. Ook wij hebben geleerd door het water van de dood te gaan naar het leven. En in deze 40 dagentijd mogen we beseffen dat de opstanding van Pasen ons wacht als het begin van een wereld waar de dood niet meer regeert maar waar geen kinderen meer sterven voor hun tijd en we zelfs niet meer bang hoeven te zijn voor wilde dieren, waar geen overstromingen zijn omdat God zelf ons zal beschermen. Door de woestijn van ons leven mogen we op weg gaan naar dat beloofde land, in vrede en allemaal samen. Opstaan dus, opbreken uit ons oude bestaan.

Amen.

 

 

Read Full Post »

Lezen: Exodus 24: 12-18

              Matteüs 17: 1-9

Gemeente,

Nadat Mozes met de priesters en de oudsten bij God waren geweest moet hij nog een keer de berg op. Nu met Jozua de naamgenoot van Jezus van Nazareth, de beoogde opvolger van Mozes die het volk het beloofde land zal binnenleiden. Hij krijgt stenen platen met alle wetten en regels er in gebeiteld. Rechters blijven achter bij het volk in de persoon van Aäron en Chur maar op de berg is de wolk die het volk Israël door de woestijn had geleid en op de berg is vuur te zien, zoals veel later het vuur te zien was op de Apostelen toen de Heilige Geest werd uitgestort op het Pinksterfeest.

De herinnering aan het gebeuren bij de berg in het midden van woestijn zou veel later door het volk Israël verbonden worden met het Pinksterfeest, het feest waarop de eerstelingen van de oogst werden gedeeld met de armen, de vreemdelingen, de familie en de dienaren van de Tempel in Jeruzalem. In die Tempel werden immers de richtlijnen voor de menselijke samenleving op die stenen platen bewaren. Dat delen van brood en wijn, van de oogst, zou ook het feest worden van de Heilige Geest, want alle volken op aarde zouden in de Geest van Jezus van Nazareth bereid moeten zijn alles wat ze hadden te delen met wie dat nodig had. Dan pas zou het verbond tot vervulling komen.

Mozes was op de berg de volmaakte tijd, in de Bijbel is dat altijd veertig, veertig dagen en veertig nachten, of zelfs veertig jaren, dat is altijd genoeg om te komen tot een beslissing, om te leren hoe het eigenlijk moet en om tot een volk te worden. Zo bleef Jezus van Nazareth veertig dagen in de woestijn en trok het volk Israël veertig jaren door de woestijn.

Mozes ging de wolk in die boven op de berg hing, het volk ziet de glorie van God in het vuur op de top van de berg. We moeten beseffen dat het verhaal later is verteld. Midden in de ballingschap in Babel vertelden de Israëlieten deze verhalen. Ook dit verhaal verteld over het heiligste dat het volk is overkomen. Heel het volk was er getuige van hoe in het midden van de woestijn een groep gevluchte slaven, Hebreeën en anderen die zich bij hen hadden aangesloten een echt volk werd. Een volk met rechters, met vertegenwoordigers, met wetten en regels. Alle volken hadden goden, meestal meer, maar al die volken werden van bovenaf door machthebbers bestuurd.

Dit volk begon onderaan. De regels die ze hadden waren bedoeld om de armsten en de zwaksten onder hen recht te doen en overeind te houden, om er een menselijke samenleving van te maken waar alle mensen tot hun recht kwamen. De vertegenwoordigers die ze hadden moesten zorgen dat die regels werden toegepast op en door iedereen. Rechters moesten geschillen hierover rechtvaardig beslechten. De leiding van het volk had geen andere taak dan de regels duidelijk te maken en heel het volk te leiden naar een land waar er voor iedereen meer dan genoeg te eten en te drinken zou zijn, een land waar het leven hen zou toelachen.

Geen wonder dat het zo’n bijzonder verhaal is geworden. Onder alle volken die verhalen hebben over hun ontstaan en het krijgen van hun wetten en regels is dit verhaal wel het meest bijzondere. Dit verhaal gaat niet over de macht van een koning die een land veroverde, en rijk werd ten koste van zijn onderdanen die er uiteindelijk in slaagden een beetje redelijke afspraken met hun koning te maken, maar dit verhaal gaat over een God die reageert op de wanhoopskreten van slaven.

Jezus van Nazareth was sterk verbonden met de geschiedenis van zijn volk. Met Mozes die het volk uit slavernij leidde en de Wet van de woestijn, de richtlijnen voor de menselijke samenleving, op twee stenen platen kreeg en de tent van God mocht oprichten. Jezus van Nazareth was ook verbonden met de profeet Elia van wie wordt verteld dat hij op een vurige wagen ten hemel steeg en die zich openlijk bleef verzetten tegen een overmacht van priesters die andere goden wilden volgen en tegen de Koningen die dat wel mooi vonden en politiek aantrekkelijk.

Het is geen wonder dat de volgelingen van Jezus van Nazareth een weg zochten om die eenheid met de geschiedenis te bewaren. Maar Jezus van Nazareth wilde in elk geval niet dat de volgelingen hem al direct op een lijn gingen stellen met Mozes en Elia. Pretenties waren Jezus vreemd. Hoeveel glans er van die illustere voorgangers ook op hem afstraalde hij bleef maar liever gewoon mens.

Na de opstanding van Jezus van Nazareth ontstond de beweging van de Weg, een beweging waarin gelovigen op grond van die opstanding Jezus van Nazareth erkenden als de beloofde bevrijder van Israël, de Messias. Onder de Judeeërs steeds harder een discussie of die Jezus van Nazareth wel echt de Messias was geweest en of die beweging van de Weg nog wel een Joodse beweging was, een beweging die stond in de traditie van het volk Israël.

Een scheiding tussen Judeeërs die naar de Synagoge gingen en ook in de verspreiding over het Romeinse Rijk Synagogen bouwden en er samenkwamen en de mensen van de beweging van Weg, waar Judeeërs samen met Heidenen in Synagogen of bij iemand thuis bijeenkwamen was er nog niet echt. Dat heeft nog een aantal eeuwen geduurd.

Beide groepen lazen de Hebreeuwse Bijbel. En die Hebreeuwse Bijbel, ons Oude Testament in de Griekse vertaling die de Septuagint genoemd wordt, een vertaling voor de Judeeërs die in Alexandrië woonden maar die in heel het Romeinse Rijk populair was geworden.

Het zal duidelijk zijn dat een verhaal over Jezus van Nazareth die Mozes en Elia ontmoet en door God als zijn zoon wordt genoemd de mensen van de beweging van de Weg heeft geholpen. Zeker als duidelijk is dat je zo’n moment, zo’n visioen niet gevangen kan houden maar moet uitdragen tot aan het eind van de wereld. Daar is het nog niet, aan de gelovigen van vandaag dus de taak dat uitdragen verder te brengen, elke dag, de leer van Mozes en de praktijk van Elia, in Jezus Naam.

Maar onze hulp komt niet van de bergen. Volgens de psalmist kun je immers naar de bergen kijken als je hulp nodig hebt, maar je hulp komt van de God die alles heeft geschapen. Mozes aanroepen helpt niet. Elia vragen om op de berg Karmel opnieuw het op te nemen tegen de pseudopriesters in het brengen van een offer helpt niet. Dat de glans van Mozes en Elia afstraalt op Jezus van Nazareth brengt ons God niet naderbij. We knippen in de kerk graag de verhalen uit de Bijbel in stukjes. Soms lijkt het dan of het altijd feest blijft, of we tenten kunnen bouwen waar de heerlijkheid van God in kan verblijven.

Beneden aan de berg zal Mozes zijn stenen platen stuk gooien omdat er een gouden kalf aanbeden wordt, Elia moet vluchten naar de woestijn en zich laten voeden door de raven. Als Jezus en de drie discipelen de berg afdalen wacht daar een gehandicapte jongen op hen. Een jongen die door de andere volgelingen die niet genezen kon worden. Ze zullen kleingelovigen genoemd worden.

Pas als we zien dat onze hulp niet uit den hoge is, dat we de hulp die ons gevraagd wordt niet aan een ander kunnen overlaten, zelfs niet aan God, maar dat de God die met ons meetrekt, ons de kracht geeft te helpen, te delen van wat we hebben, dan kunnen we de kracht vinden om te werken aan die wereld die God ons in het vooruitzicht stelt. Dan zijn we geen kleingelovigen meer maar geloven we dat we bergen kunnen verzetten.

In die nieuwe wereld is de dood overwonnen. Daar is geen honger meer en geen gebrek. Daar gaat niemand voor zijn tijd dood, daar sterven geen kinderen, daar hoeft niemand meer te vluchten, daar hoef je zelfs niet bang te zijn voor wilde dieren, de leeuw en het lam zullen samen weiden en het kind zal spelen in het hol van de slang. Voor die wereld er is moet er nog heel veel gebeuren. Wij zijn geroepen om daaraan mee te werken. Aarzel dus niet, het werk wacht.

Amen

 

Read Full Post »

Lezen: Genesis 2: 15-3:9

Matteüs 11: 1-11

Gemeente,

Vandaag, aan het begin van de dagen waarop we ons bezinnen over het lijden van de wereld en hoe we hongeren en dorsten naar gerechtigheid lezen we verhalen over verleiding. We realiseren ons op de deze zondag dat we ook zelf bloot staan aan verleiding. Neem nu de verhouding man en vrouw. Wat zegt de man in het verhaal? ‘Eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees, een die zal heten: vrouw, een uit een man gebouwd

De uitroep die je hier boven ziet staan die hoor je tegenwoordig maar weinig meer. Mannen roepen dat niet als ze vrouwen zien, vrouwen roepen dat niet als ze mannen zien. Tegenwoordig doen we of mannen en vrouwen zeer verschillen. In het Hebreeuws klinken de woorden voor man en vrouw echter bijna hetzelfde, Ish en Isha, en dat maakt dat wat hier gezegd wordt, een gelijk aan mij, een bijzondere lading krijgt die we niet uit het oog moeten verliezen. In Bijbelse zin, in de Christelijke gemeente, spelen de verschillen tussen man en vrouw geen rol. Ze worden één lichaam, want ze zijn van oorsprong één lichaam en zo keken ze van oorsprong ook naar elkaar.

Dat woordspel begint al in het begin van het gedeelte dat we vandaag lezen uit de Nieuwe Bijbelvertaling. Wat is dan dat bijzondere woordspel dat hier plaatsvind? Dat begint met het uitgangspunt, de aarde, die was opnieuw in het verhaal woest en ledig, droog en dor zelfs want het had nog niet geregend. Maar in dit stuk zijn de woorden mens, aarde, land, aardbodem en akker allemaal woorden die in het Hebreeuws op elkaar lijken. De aarde moet bewerkt worden maar de mens ook, die de levensadem van God krijgt. En als dan de tuin is afgepaald en er bomen met vruchten opschieten dan moet de aarde bewerkt worden zodat er dieren ontstaan waarover de mens kan heersen. Dan moet vervolgens de mens bewerkt worden zodat die niet langer alleen is. Dat zijn dus geen losse gebeurtenissen maar uit de manier waarop het verhaal ons wordt verteld is het één proces, het verhaal over de wording van de mens en zijn verhouding tot de aarde.

Waar die ideale tuin overigens gelegen heeft is niet helemaal duidelijk. De meest stoutmoedige opvatting is dat de schrijver hier namen noemt die de tuin plaatsen in het midden van het land van de ballingschap. Daar waar het volk Israël na de verwoesting van de Tempel en Jeruzalem heengevoerd was lag het land, de bloedrode akker, waar de bloedrode mens uit gevormd was. Niet om de goden te dienen zoals de Babyloniërs geloofden, maar om de geliefden van God te zijn. Geliefden omdat zij zijn geboden zouden onderhouden. De mens wordt immers geroepen om te kiezen voor het leven en weg te blijven bij de kennis van goed en kwaad. Paulus zou zeggen dat we het goede moeten doen en niet dan het goede. Dat begon al bij het begin. Daar ging het om en daar gaat het om, ook vandaag nog. Ook dit verhaal spoort ons aan geen onderscheid tussen mensen te maken, niet de ene hoger te stellen dan de ander, geen oordeel over elkaar uit te spreken en je niet voor elkaar te schamen. Dat goede kunnen we elke dag opnieuw doen.

“Alles is toegestaan, maar niet alles is nuttig” zou Paulus later schrijven. En ook hij had het over het goede en het kwade. Want ook al weet de mens dat het goede nu eenmaal ook het beste is en het kwade altijd te vermijden en verwerpelijk, toch gaat de nieuwsgierigheid van de mens altijd naar het kwade uit. De schrijvers van de Bijbel wisten dat. En uit het verhaal van de tuin die God geschapen had en waarvan God had gezien dat het goed was komt de vraag naar het kwade. Hoe zit dat dan? Er is een dier dat zich ongestraft over een boom zou kunnen bewegen die God verboden zou hebben. Dat is de slang, hier staat hij als een sluw, dier maar dat woord wordt elders vertaald met slim. Veel volken uit de tijd dat de Bijbel ontstond geloofden dat de slang een bijzonder dier was. Dat dier liet zijn vel achter en vernieuwde zo zelf zijn leven. En dat beeld wordt hier gebruikt. Als de mens heer is over de dieren dan zal de mens dat vermogen toch ook wel hebben? Dan kan het zelf zijn leven vernieuwen? En dan weten we gelijk van goed en kwaad. Dan zijn we gelijk aan God.

We oordelen zo graag, we plakken zo graag etiketten op mensen van goed en kwaad. De vrouw uit ons verhaal heeft dat moeten ondervinden. Als naar de vrouw gevraagd werd dan werd ze een verleidster die met haar sluwe streken de man onder haar macht had weten te krijgen. Maar nergens kun je dergelijke beelden in het verhaal lezen. De vrouw zag de slang, de man was er bij en keek er naar en toen de ene mens van de vrucht van de boom had gegeten bleef de andere mens niet achter. En vergeet niet, elk mens was mannelijk en vrouwelijk geschapen. De man en de vrouw werden echter gelijk aan de dieren, zoals ze gelijk aan de slang hadden willen zijn, ze waren mannetjes en vrouwtjes geworden niet meer voor elkaar bestemd maar voor de voortplanting van de soort. En daar hoort de schaamte bij.

De verleiding ligt dus niet alleen in het begin, het is de waarschuwing dat de verleiding in hele mooie beelden elke dag tot ons komt. Want wat is er mooier dan gelijk aan God te zijn. Paulus zegt ergers dat het nog mooier is een goed mens te zijn. Daarom lezen we ook over de verleidingen waaraan Jezus van Nazareth blootgesteld werd.

Toen Matteüs dat verhaal opschreef was het verhaal van Jezus van Nazareth al bekend. Wat hij had gedaan, wat hij had geleerd, hoe het afgelopen was, het werd allemaal verteld in verhalen die men kende. Matteüs moest ze opschrijven zodat ze op de juiste manier zouden worden doorverteld

We geloven niet in de duivel, maar we geloven in God. Als je dat zegt rijst de vraag wat je dan moet met dit verhaal van Matteüs over de verleiding door de duivel. Nu staat er in het verhaal dat Matteüs er niet bij is geweest. Het lijkt een journalistiek verslag van een gesprek, of een serie gesprekken, tussen de net gedoopte Jezus van Nazareth en de beproever, de tester. Dat kan het niet zijn want dan had de journalist er zelf bij moeten zijn, ook Jezus zelf heeft het kennelijk niet aan Matteüs of zijn leerlingen verteld. Het is dus een verhaal dat antwoord geeft op vragen. Een vorm die wij bijna verloren zijn maar die je kunt vergelijken met de gelijkenissen die ook in de Bijbel staan. Het verhaal gaat dan over visioenen. Na veertig dagen vasten wordt je helder in je hoofd en loop je de kans visioenen te zien.

Het eerste visioen van Jezus ging over hemzelf, hij had honger en het gevoel dat hij de stenen in brood kon veranderen. Matteüs had de behoefte om aan zijn publiek duidelijk te maken dat Jezus een gehoorzame Jood was en citeerde uit het boek Exodus, een van de boeken van de leer van Mozes, waar inderdaad staat dat een mens niet van brood alleen leeft, maar van Gods woord, afhankelijk is van de Liefde dus. Met het gooien met Bijbelteksten moet je overigens heel voorzichtig zijn en ook dat leert dit verhaal van Matteüs.

De duivel nam hem mee naar het hoogste punt van de tempel en zong een psalm die waarschijnlijk regelmatig in de tempel was gezongen. Psalm 91, waar de dichter lyrisch wordt over de hulp en steun die je van de God van Liefde kunt verwachten. Maar Jezus houdt zich aan de leer van Mozes en antwoordt weer met een citaat uit het boek Exodus: stel God niet op de proef. En ook de derde keer is het de leer over de Liefde, zoals verwoord in het boek Exodus waarmee Matteüs aantoont hoe trouw die Jezus wel niet was aan het uitgangspunt van de bijzondere belijdens van Israël, er is maar één God en onze God is één.

Drie maal is er de verzoeking die elke leider en elke machthebber heeft. In de eerste plaats kun je voor jezelf zorgen, de collecte, de belasting, de winst in eigen zak steken, zorgen dat het jou aan niets ontbreek, ook al gaat je bedrijf te gronde als bestuurder kun je de grootste bonussen opstrijken. Je kunt, op de tweede plaats, je roeping, je macht op alle manieren proberen te bewijzen, en alles wat goed gaat, ook ondanks jezelf, aan jezelf toerekenen, menig politicus blijft daardoor lang populair. En je kunt, op de derde plaats, op alle manieren, ook de verkeerde, proberen je macht te behouden en te vergroten, schending van mensenrechten, verdwijningen, terreur, angst zaaien, wie de wereld rondkijkt ziet voldoende voorbeelden.

Het zijn de drie verleidingen waar nog tot op de dag van vandaag vele leiders en machthebbers binnen en buiten kerken voor zwichten. Het gaat niet op de eerste plaats om ons eigen inkomen, het gaat er ook niet om ons eigen gelijk te bewijzen, het gaat er zeker niet om meer te zijn dan een ander, het gaat om recht te doen aan de minsten onder ons, ook vandaag nog. Het weerstaan van de verleidingen door Jezus zou uitlopen op zijn kruisiging. Dat kruis staat ons al vanaf het begin van de veertig dagentijd voor ogen. Jezus zou ons oproepen zijn kruis achter hem op te nemen. Want pas door het kruis te accepteren, symbool van vernedering en smaad, kunnen we de dood overwinnen, gaan we op weg naar een wereld waar het eigenbelang niet meer telt, waar de lammen lopen en de blinden zien, waar de naakten gekleed en de hongerigen gevoed worden. Waar mensen niet meer hoeven te vluchten voor onderdrukking en geweld. Voor ons is dat misschien helemaal geen beloning, maar ook onze honger en dorst naar gerechtigheid zijn dan gestild. Tot die dag mogen we aan het werk, voor al die mensen die het nodig hebben.

Amen

Read Full Post »