Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for oktober, 2016

Lezen: Genesis 12:1-8

Lucas 19:1-10

Gemeente,

Vandaag lezen we het beroemde begin van het verhaal over Abram. Een God inspireerde hem om verder te trekken dan zijn vader en de rest van zijn familie ooit hadden gedaan. Die waren al van Ur naar Charan getrokken maar Abram met zijn vrouw en gevolg trok verder naar het voor hen kennelijk onbekende Kanaän in de overtuiging dat het ergens goed voor was. Want zeg nou zelf wat heb je er aan als je beloofd wordt dat alle volken ooit jaloers op je zullen worden. Hoe God tot Abram sprak blijft onbekend. Ook hoe de godsdienst van Abram er eigenlijk uitzag. Bedenk wel, de 10 woorden, die het volk Israel in de woestijn op gang dreef naar het beloofde land, waren er nog niet, ook de Heilige Tent en alles wat daarbij hoort was er niet. Abram bouwde wel altaren voor God maar wat hij daar op offerde blijft ook onbekend en of die nieuwe God die hem voortdreef daar eigenlijk wel van gediend was blijft ook in het verborgene.

Het enige dat we weten is dat Abram naar een nieuw land trok en daar een beetje ging rond trekken. Zoiets als de Batavieren die ooit de Rijn af kwamen zakken en hier de Kaninefaten tegen kwamen maar desalniettemin onze voorouders werden. Wij lezen dit verhaal met de kennis die we achteraf gekregen hebben. Wij weten wel van de richtlijnen die de God van Israël in de Woestijn aan het volk had gegeven en hoe die in de Tempel in Jeruzalem werd bewaard en hoe de wereld uiteindelijk zal moeten leren dat alle volken zich naar Jeruzalem moeten keren. Hier is het begin. Er op uit trekken om op een andere manier te gaan leven. Als een bron van alle goeds, want dat is een zegen zijn toch. Ophouden met de manier van leven die in de wereld gewoon is. Voor de ballingen in Babel die het verhaal later aan elkaar vertelden was dat Ur der Chaldeeën een bekende plek. Daar waren zij in ballingschap. En het leven daar was ook bekend, er waren vele goden die je voortdurend in leven moest houden met je offers om voorspoed en gezondheid te krijgen. Daar was Abram uit weggetrokken.

Zoals dezer dagen mensen er op uittrekken om ingrijpen in de verschrikkingen in het Midden Oosten te vragen, hun werk stoppen om op Griekse eilanden vluchtelingen uit de Middellandse zee te vissen, zoals ook in onze dagen jonge mensen hun carrièr op een zacht pitje zetten om in een arm land voor weeskinderen te gaan zorgen, om landbouw op moderne leest te schoeien, om huizenbouw mogelijk te maken, kortom om de kennis van onze rijke samenleving over te dragen op de armsten in de wereld die juist op die kennis zitten te wachten. Waar dat op uitloopt weten ze niet maar in Amerika en in Den Haag en elders op de wereld lopen mensen de deur bij de heersers van de wereld plat om te pleiten voor de vluchtelingen en slachtoffers van armoede. Dat is nieuw, soldaten vragen aan landen om in te grijpen in een oorlog. De Verenigde Naties van de wereld hebben inderdaad samen besloten de armoede de wereld uit te helpen. Een nieuw begin. Nou maar hopen dat ze niet alleen  worden gehoord maar dat ze er ook wat aan gaan doen.

Het verhaal van Abram wordt vandaag niet voor niets verteld. We zullen het een heel jaar met ons mee moeten dragen. Morgen begint namelijk het Luther jaar. Over een jaar is het precies 500 jaar geleden dat Maarten Luther zijn 95 stellingen aan de deur van de slotkapel in Wittenberg spijkerde, Helemaal niet zo’n bijzondere daad in die dagen maar achteraf was dat het begin van een uittocht uit een wereld waar Luther in was opgegroeid. Een scheiding van kerk en staat was er niet, net zo min als in de dagen van Abram en de de dagen van de ballingschap. Breken met de godsdienst van je omgeving was breken met de samenleving. Uittrekken uit alles wat je vertrouwd was. Het zou Maarten Luther zelf ook verbazen maar het Hier sta ik ik kan niet anders markeert het breekpunt, net als Abram die niet in Haram bij de familie bleef hangen maar doortrok tot in het land dat God hem had beloofd. Er zijn er in de kerk die nu en het in komende jaar gaan pleiten om weer terug te keren in de schoot van wat zij noemen de Heilige Moederkerk. Die mensen lijken op de Israëlieten die in de woestijn terug wilden naar de vleespotten van Egypte. Maar volgens de Bijbel wordt ons wat anders gevraagd.

Alle mensen zijn aan elkaar verwant. Dat is een boodschap van de Bijbel die nog al eens verwaarloosd wordt. We doen dan net of mensen die ergens anders vandaan komen niet aan ons verwant zijn en dus ook niet gastvrij ontvangen hoeven te worden. We doen dan ook nog of wij beter zijn omdat we rijker zijn en meer winnaars van de Nobelprijs hebben voortgebracht, of we die allemaal gewonnen hebben. Jezus van Nazareth heeft het altijd in de eerste plaats over de mensen van het volk Israël. In het verhaal dat we vandaag lezen wordt nog eens subtiel verteld hoe Israël aan het oorspronkelijke Jericho gekomen was. We kennen dat verhaal over het volk dat zeven keer zeven dagen rond de stad trok, toen op de ramshoorns blies en naar binnen kon lopen omdat de muren ingestort waren. Maar er gaat ook nog een verhaal over verspieders aan vooraf. In dat verhaal speelt een hoer een belangrijke rol. Rachab die de verspieders verborg voor een bevolking die haar rijkdom met niemand wilde delen. Zeker niet met een groep nomaden die uit de woestijn naar het zo vruchtbare land kwamen. Ze wilden niet delen. Zoals de verspieders toen verstopt waren trof Jezus van Nazareth nu ook een spion die wilde weten wat dat nu allemaal was met die vreemde leraar die het hele volk achter zich aan had gekregen. Dit was ook een spion met een naam, Zacheüs zeggen wij maar die naam gaat terug op het Hebreeuwse Zakkaï, reine of onschuldige. Een naam die verwant is met Tsaddiek, rechtvaardige.

Daar kwam Jezus van Nazareth voorbij. In de naam Jezus klinkt Jehosjua, of Jozua zoals wij zeggen, door, de bevrijder van Jericho. Die Zacheüs was in een vijgenboom geklommen. En volgens de profeet Zacharia zou er een tijd komen dat iedereen onder de vijgenboom en onder de wijnstok met elkaar maaltijd kon houden omdat het onrecht zou zijn uitgebannen. Nu, die Zacheüs was rijk en dat kon alleen als hij als tollenaar het volk onrechtvaardig had behandeld. Daar is hij ook zeer van doordrongen. Maar hij was in staat Jezus van Nazareth te zien, Deze Zacheüs werd beschoud als een vijand van het volk. Met hem gezien worden gaf je een slechte naam. Maar waarom zou je bang zijn voor je eigen naam in de gemeenschap als je iemand weer op de weg van de God van Israël weet te brengen. Zacheüs hoeft alleen als zoon van Abraham als gelijke behandeld te worden. Dan geeft hij aan dat hij zijn onrecht ongedaan gaat maken, met een woordspeling die in onze vertaling is weggevallen, want wie hij de vijgen heeft geschud geeft hij viervoudig terug staat er letterlijk.

Hij deelt met de armen en als hij per ongeluk iemand nadeel bezorgd dan vergoed hij dat viervoudig zoals de leer van Mozes hem dat voorschrijft in het boek Leviticus. Geen wonder dus dat Jezus van Nazareth bij hem wil eten. Dat geeft de arme Zacheüs die achteraan moet staan weer een nieuwe plaats in de samenleving, als voorbeeld namelijk. Zo hoort het, delen met de armen en de schade vergoeden die je veroorzaakt. Deze Zacheüs hoort dus niet bij de Romeinen maar bij het volk van Israel. Daarmee is de belastingbaas van Jericho ineens het lichtend voorbeeld voor het volk geworden dat ooit Jericho veroverde. Jezus hoefde dus inderdaad niet om Jericho heen te trekken om het te veroveren, hij trok Jericho in om onderdak te vinden voor de nacht en veroverde Jericho in het hart van de stad. Het roept natuurlijk wel de vraag op hoe wij dat doen, we houden ons wellicht verre van onchristelijke goddelozen, maar delen we ook met de armen van ons bezit en vergoeden we de schade die we veroorzaken? Doen we wat de leer van Mozes ons vraagt? De vreemdelingen onder ons behandelen als hoorden ze bij ons ogen volk?

Er zijn veel mensen die bang zijn voor die vreemdelingen met hun rare geloof en vreemde gebruiken. De vreemdelingen die we in de zeventiende en achttiende eeuw als slaven naar Suriname en de Caraïben hebben gebracht en eeuwen geleden Nederlander geworden zijn veranderen nu een deel van ons Sinterklaasfeest zoals we dat in de negentiende eeuw vorm hebben gegeven. Wat zouden al die vreemdelingen nog meer kunnen veranderen? Onze restaurant cultuur is lang gedomineerd geweest door Chinezen die naar Indonesië worden verhuisd en later naar Nederland waren gekomen. De angst voor veranderingen is groot. En kinderen die angstig zijn in een donker bos gaan ineens harder praten, ze overschreeuwen hun angsten. In Amerika vieren ze morgen het feest van de bestrijding van de angst. Dan komen ook de kinderen langs. Trick or treat roepen ze dan, struikel of trakteer roepen ze dan. We vergeten dat het een zeer Bijbelse oproep is, deel of wordt overheerst is het verhaal van de Hebreeuwse Bijbel. Jezus van Nazareth probeerde dat concreet te maken voor de dagelijkse werkelijkheid. Wij mogen hem daarin volgen.

De beloning ligt in een nieuw land, een land waarin de honger en de angst zijn verdwenen, waar niemand meer dood gaat voor zijn tijd. Een nieuwe aarde zal het zijn waar de hemel zich zal vestigen en God zijn tenten op deze aarde zal spannen. Wie dat voor ogen houdt hoeft nergens bang meer voor te zijn. Zeker niet voor je eigen naam en reputatie want kinderen van God zullen we genoemd worden. Misschien dat wij dat nieuwe land niet meer zullen zien, maar we leven niet in een gemeenschap met een voor wat hoort wat geloof. Het doen van de wil van de Vader, delen van onze rijkdom is ons beloning genoeg. Een prettige feestdag dus morgen en een vruchtbaar feestjaar gewenst.

Amen

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: Jeremia 14: 7-10

              Lucas 18: 9-14

Gemeente,

Het gedeelte dat we uit het boek van de profeet Jeremia hebben gelezen zal veel mensen hebben doen denken aan een lied dat ze wel eens hebben gehoord. Een lied dat we vanmorgen niet zingen maar terugvinden in het boek van de Psalmen, Psalm 1 in de berijming uit ons liedboek begint dat met “Gezegend hij die in der bozen raad niet wandelt noch met goddelozen gaat. En in vers twee: Hij is een groene boom die staat geplant waar waterbeken vloeien door het land, zijn loof behoeft de droogte niet te duchten. Het komt in de Bijbel vaker voor dat een lied uit de Psalmen ook buiten dat boek wordt geciteerd en zo nodig aan gepast aan de behoefte van de tijd waarin het wordt herhaald en de boodschap die daarbij past.

Het verhaal van het boek van de profeet Jeremia vertelt over een periode van grote politieke onrust in Juda, het rijk rond de tempel in Jeruzalem. Twee wereldmachten wedijveren om de macht over de hele wereld, waar kennen wij dat van. Juda ligt ergens tussen Babylon, de ene wereldmacht, en Egypte, de andere wereldmacht in. Met bondgenootschappen probeert het kleine Juda haar zelfstandigheid te behouden. Eerst lijkt een bondgenootschap met Babylon die onafhankelijkheid te verzekeren. Maar daar moet een hoge prijs voor worden betaald aan Babylon zodat Juda daartegen uiteindelijk in opstand komt. Jeremia gaat voortdurend tegen dit soort bondgenootschappen tekeer. Volgens hem heeft de God van Israël, de God van de Tempel in Jeruzalem, een andere weg gewezen en een ander antwoord gegeven op de vraag naar zelfstandigheid van Juda.

Het antwoord van de God van Israël is dat het volk zelf afgedwaald is van de God van Israël, niet God laat het volk in de steek, het volk laat die God in de steek, heeft die God al lang geleden in de steek gelaten door andere goden achterna te lopen. Ophouden met het recht doen aan de weduwe en de wees heeft gevolgen. De goden van vruchtbaarheid en voorspoed voorrang geven boven de God van Israël, de God van delen met de zwaksten en de minsten, is lang nadien nog te merken.

Daarom de herinnering aan Psalm 1. Het eerste vers eindigt in ons liedboek met “.. en dag en nacht met zijn geboden leeft. Het verbond met God was immers dat het volk de richtlijnen van Mozes zou volgen en God daardoor zou zorgen voor die onafhankelijkheid en een land dat zal overvloeien van melk en honing.

Die God kijkt toe op zijn kinderen en let niet op materiële rijkdom, niet op uiterlijk vertoon, ook niet op stoere praat over eigen waarden en eigen cultuur. Die God let op het lot van de zwaksten van zijn kinderen, de weduwe en de wees, de armen van geest, de slaven en de knechten, de mensen met honger en dorst, de gehandicapten, de lammen en de blinden. Daar was zijn verbond voor bedoeld en als het volk zich daarop zou richten kwam die rijkdom vanzelf wel. Zijn zoon zou ons veel later voorhouden dat we aan deze minsten zouden doen we aan hem zouden doen.

En ook wij mogen ons dus zorgen gaan maken. De miljoenen bezuinigingen op de sociale werkplaatsen zullen de hele samenleving treffen. De talloze gehandicapten die afhankelijk zijn van de beschermde werkomgeving en die op straat zijn komen te staan zullen ons als een molensteen om onze hals gaan hangen. Het miljard dat bezuinigd is op ontwikkelingssamenwerking zorgt niet alleen voor ontelbare hongerdoden, het zal zich ook tegen ons keren. Wie geen eten meer heeft vlucht voor armoede en uitzichtloosheid naar een land dat klaagt over de verspilling van voedsel. De afwijzing van deze broeders en zusters zal een voedingsbodem worden voor haat en wrok. Jonge mensen zullen zich genoodzaakt zien van onze rijkdom te komen halen als wij hen geen toekomst willen geven en niet willen delen. Dat zijn geen dreigingen, zo gaan die zaken. In ons eigen land zijn Oost Groningen en Limburg leeggelopen omdat wij het werk en de rijkdom eenzijdig concentreren in de Randstad. Zo zal het ook gaan met arme delen van Europa en met Afrika. Nu zijn de eerste sporen ervan al te merken. Maar net als het volk van Jeremia dat doof bleef voor de waarschuwingen toen het nog kon, blijven ook onze bestuurders doof en gedogen ze slechts dat de ene groep in de samenleving opgehitst wordt tegen de andere. Alleen samen met mensen die ook geloven in de wereld zonder honger en geweld kan dat tij gekeerd worden. Dan moeten allen opstaan en stem geven aan de armen en aan het werk gaan voor dat Koninkrijk van de God van Israël, vandaag kan het nog.

Want om recht gaat het, het tot hun recht laten komen van ook de meest rechtelozen. Het leesrooster knipt ook bij de lezingen uit het Evangelie dat Evangelie in stukjes alsof elk stukje een eigen boodschap heeft, maar soms dreigen we daardoor de eigenlijke betekenis mis te lopen. In de lezing die we vandaag hoorden over die Tollenaar en die Farizeeër is dat ook zo. Wij denken dan gauw dat het gaat om hoogmoed en nederigheid. Maar zo zit het niet, het gaat om recht en onrecht. Het sluit direct aan bij het culturele conflict waar ook Jeremia mee te maken had. In het stukje hiervoor had Jezus van Nazareth een gelijkenis verteld over bidden. Dat was het verhaal over een weduwe die onophoudelijk een rechter lastig viel die zich niets gelegen liet liggen aan de wet of aan de mensen. Maar ze had hem zo lang lastig gevallen dat hij uiteindelijk recht sprak om maar van haar af te zijn. Onophoudelijk bidden om recht, onophoudelijk voor dat recht van de weduwe opkomen daar gaat het dus om. En dat recht van de weduwe wordt ontleend aan de Wet van de God van Israël.

In de dagen van Jezus van Nazareth waren het de tollenaars die het onrecht bedreven. Zij hadden het recht om tol te heffen gepacht van de Romeinen. Ze konden dat doen omdat zij ook het recht kregen zelf de tol vast te stellen en een flink deel van de opbrengst in eigen zak te steken. Het verbond dat zij met de Romeinen hadden gesloten was verkeerd en bracht schade toe aan de armsten in het land. De Farizeeren weigerden met hen om te gaan. Maar ook die Farizeen hadden een verbond met de Romeinen. Zolang in Israël de God van Israël mocht worden aanbeden zouden de Romeinen geen beelden in de Tempel van Jeruzalem plaatsen en hoefden de Judeërs ook de keizer niet als God te aanbidden. Bondgenootschappen bepaalden de samenleving meer dan de zorg voor de minsten en de zwaksten, de kinderen van de God van Israël.

En die Farizeeër dan? Op zich zegt die niets verkeerd. Hij buit niet uit, hij pleegt geen misdrijf, hij geeft aalmoezen. Maar het is bijna als in de cultuur van de Baäl, wie succes heeft staat in de gunst van de goden en de Farizeeër bidt eigenlijk een dankgebed voor zijn voorspoed, een voorspoed die een teken is geworden dat hij het goed doet, die hem doet denken dagt hij pas echt de weg van de God van Israël volgt. Hij beschouwt zijn voorspoed niet meer als een opdracht om iets te doen aan het onrecht dat de Tollenaars veroorzaken, iets te doen aan de armoede onder het volk.

Aan het eind van de maand gaan we de Hervorming uit 1517 herdenken. De bestrijding van het voor wat hoort wat geloof. Als het geld in het kistje klinkt het zieltje in de hemel springt had er namens de Rooms Katholieke Kerk geklonken. Maarten Luther had er mee geworsteld en had uiteindelijk in de Bijbel ontdekt dat niet de goede werken tot genade leiden maar berouw over het verkeerde dat je doet. Daarbij gaat het niet om straf en beloning zoals later veel is gedacht maar om de pijn die je voelt als je een ander ziet lijden. Het kruis waaraan Jezus onschuldig werd gehangen zien we zo vaak opnieuw opgericht voor onschuldigen dat het gelovigen pijn moet blijven doen. De opdracht voor de rijken om de armoede de wereld uit te helpen blijft. Kiezen we voor het berouw van de Tollenaar of voor de eigendunk van de Farizeeër. Het blijft vragen om onze gemeenschap een stad op een berg te maken en niet danken dat we zo’n mooie gemeenschap geworden zijn. Ook niet op Hervormingsdag. De armoede is de wereld nog niet uit. Daar mogen we nog aan werken. We gaan die Hervorming van 500 jaar geleden een heel jaar lang herdenken. En natuurlijk zaler de verleiding zijn om terug te keren naar een kerk die pretendeert als enige Gods genade uit te delen. Maar Gods genadewordt om niet door God geschonken aan de kinderen die dat het meest nodig hebben, aan de klanten van de voeselbanken, aan de vluchtelingen op de middellandse zee. En wie zich daarvoor inspant mag deel hebben aan de genade van God en de vreugde die dat brengt.

Het is geen verwijt dat we er niet in geslaagd zijn sinds 1517 armoede, geweld en onderdrukking van mensen de wereld uit te helpen. Jezus zelf zei al dat we de armen altijd bij ons zouden hebben. Maar ze zijn wel de toetssteen voor een gemeenschap van volgelingen van Jezus van Nazareth. Aan de vruchten herkent men immers de boom, daar waar we om bekend staan maakt ons tot een al dan niet christelijke gemeenschap. Zijn we inderdaad zoutend zout in ons deel van de stad? Zijn we hier een stad op een berg? Lezen we de brief die ons geschreven werd door Jacobus omdat we ons willen blijven herinneren dat ons geloof, dat we in genade ontvangen, dood is zonder werken, zonder de naasten lief te hebben als onszelf?

Wij mogen dus blijven werken aan een wereld zonder honger, een wereld waar alle mensen mee mogen doen, waar niemand meer sterft voor zijn tijd en waar alle tranen gedroogd zullen zijn. We zullen moeten blijven werken aan de wereld tot de dag komt dat God zijn tenten op deze aarde zal spannen. Dan is het einde van onze geschiedenis aangebroken en zal er eeuwige vrede heersen op aarde. Tot die dag komt, blijven wij de bevrijding van de armen verkondigen, in woord en daad.

Amen

 

Read Full Post »

Lezen: Habakuk 3: 1-19

              Lucas 17: 1-10

Gemeente

De profeet Habakuk uit het Oude Testament en de apostelen van Jezus zitten met hetzelfde probleem. Een probleem dat vaak ook het onze is. Als ons gezegd wordt: ‘God zal uiteindelijk alles ten goede keren’ klinkt dat wel mooi, maar in de praktijk zien we daarvan zo weinig. Is God wel echt te vertrouwen? De lezingen van vandaag nemen onze aarzeling en onze twijfel serieus. Habakuk krijgt te horen: “Geef het wachten niet op, want komen doet het beslist. Uiteindelijk blijft de rechtvaardige leven door zijn geloof.” Ook Jezus roept op tot blijvend vertrouwen in God, ook al is dat vertrouwen niet groter dan een mosterdzaadje.

Maar vertrouwen is niet hetzelfde als passief afwachten. God vraagt van ons geëngageerde inzet – inzet die zich niet laat ontmoedigen door tegenkanting.

Vandaag zingen we dus een bijzondere Psalm mee. Deze Psalm staat niet in het boek van de Psalmen maar staat in het boek van de Twaalfprofeten als de Psalm van de profeet Habakuk. Een gebedslied. Habakuk had de vraag gesteld hoe het nu zat met het straffen van de Heidense Israël onderdrukkende volken. Het antwoord dat hij had gekregen is dat alle onderdrukkers eindelijk aan hun eigen misdaden ten onder zullen gaan. Een prachtig vooruitzicht voor de onderdrukten. Voor een volk Israël dat na de ballingschap door de Assyriërs werd ingelijfd door de Chaldeeën van Babylon en na hun terugkeer en wederopbouw van Jeruzalem op last van de Perzen veroverd werd door eerst de Grieken en daarna door de Romeinen.

Geen wonder dat het lied van Habakuk waarin gebeden wordt om bevrijding van de onderdrukking en de hoop op bevrijding werd uitgezongen deel ging uitmaken van de liederen in de Tempel.

Habakuk wijst er op dat het volk die “God van Israël” heeft leren kennen in de woestijn, bij het land Edom het broedervolk dat zo vaak tegen Israël heeft gevochten. Teman en Paran zijn streken die voor de Sinaï en Edom staan. Daar bij de berg Horeb had de God van Israël beloofd met het volk mee te trekken zoals hij het volk uit de slavernij in Egypte had bevrijdt. Maar daar had het volk ook de richtlijnen voor een menselijke samenleving ontvangen. Richtlijnen die ze zouden moeten kunnen toepassen in het beloofde land, richtlijnen waardoor dat land een land zou blijven dat overvloeide van melk en honing, een land waar alle volken jaloers op zouden worden. Want dat zou een land zijn waar mensen recht betrachten, elkaar tot hun recht zouden laten komen en waar vrede zou heersen.

Die buurvolken hadden het ondanks hun lange geschiedenis met Israël nog steeds niet begrepen. Daar heerste nog steeds de afgoderij, daar werden de armen uitgebuit en onderdrukt, daar werd nog steeds oorlog gezocht als oplossing voor de eigen binnenlandse problemen. De tegenstelling tussen de buurvolken die steeds opnieuw dezelfde niet werkende oplossingen kiezen en Israël dat steeds opnieuw de kans krijgt van de God van Israël maakt dat de profeet des te harder van de God van Israël gaat zingen. En al zal er in het land niets meer te eten zal zijn, dan nog zal hij jubelen voor de God die hem redt. Want ondanks alle problemen die je in het leven kan tegenkomen, het geloof in de God van Israël voorkomt geen problemen, lost zelfs de meeste problemen niet op, doet geen ziekte verdwijnen en zorgt niet dat geliefden niet dood gaan, ondanks dat, weet je dat de liefde voor de naaste een nieuwe toekomst geeft. Elke dag opnieuw, door die liefde mag elke dag nieuw zijn, ook de dag van vandaag weer. Een dag om een lied te zingen, bij snarenspel, als een singer songwriter die over de liefde zingt, als wij die liefde ook maar in de praktijk brengen.

Maar is juichen dan verplicht onderdeel van ons geloof? Staan we bij een begrafenis te juichen? Juichen we als we de marine de lijken zien opvissen van de vluchtelingen die de overtocht over de Middellandse zee niet hebben overleefd? We juichen bij het vredesverdrag van Colombia, maar verder valt er niet veel te juichen in onze huidige wereld. Juist in de zwartste dagen die een mens kan meemaken, de dagen van ballingschap, de dagen dat het land kaal is de boom vruchteloos blijft, de zon medogenloos boven het hoofd brand. Waar komt onze hulp vandaan? Van de bergen waar de heidenen hun offerplaatsen hebben? Van de rijken van de aarde die hoog gestegen zijn? We denken aan Psalm 121 waar we de dienst mee begonnen zijn. Mijn hulp is van de Here die dit alles heeft geschapen. Mijn herder zal niet slapen. Die heidenen staan op de bergen offers te brengen zodat hun goden wakker worden. Onze God waakt altijd over de zijnen, onze wachter sluimert niet. En het enige dat die God van ons wil is dat we onze naaste liefhebben als onszelf en wat we vragen van die God is niet meer dan ons dagelijks brood. De fouten van anderen moeten we dus maar aan onze God overlaten.

Moet je dan alles maar over je heen laten komen? Een mens wil ook wel eens bedankt worden voor het goede dat hij doet nietwaar , een schouderklopje zo af en toe maakt dat je blijft weten wat je waard bent. Maar langzamerhand nemen we die schouderklopjes en die beloningen zo voor vanzelfsprekend, dat het ontbreken er van ons direct doet ophouden met werken. Stank voor dank heet het dan, je doet iets goeds maar je krijgt er niets voor terug. Het is niet de levenshouding die Jezus van Nazareth ons hier voor houdt. In de eerste plaats maken alle mensen voortdurend fouten wij ook. Daar moet je de ander niet voortdurend op aanspreken, maar je moet iedereen de kans geven het de volgende keer foutloos te doen. Dat vraagt in elk geval wel even meer dan zeggen dat je ze vergeeft. Soms moet je uitleggen wat er fout was en wat er anders zou kunnen maar dan moeten ze weer een nieuwe kans krijgen. Dat proces heet pas vergeven. Vergeven is dus niet van zand er over, voor vergeven zijn er twee nodig, een die de kans geeft en een die de kans te baat wil nemen. God geeft ons die kansen voortdurend ook.

Maar wat dan als er weer een fout wordt gemaakt? Dan moet je weer vergeven zegt Jezus van Nazareth, zeven maal als dat nodig is. En zeven is het heilige getal, dus niet vergeven van 1,2,3,4,5,6,7, maar net zo lang tot het volmaakt is, tot het goed gaat en de fouten niet meer gemaakt worden. Met eindeloos geduld dus. Je wilt immers zelf ook geen fouten maken? Je bent zelf immers ook blij als iemand je de kans geeft het weer goed te gaan doen als je een keer de fout ingegaan bent? Je hoopt toch ook steeds weer de kans te krijgen het op de goede manier te doen? Daarom is het dat als je je naaste net zo liefhebt als jezelf je telkens opnieuw samen met de die ander er aan werkt de fouten te herstellen en in plaats van het verkeerde het goede te doen, tot het volmaakt is. Jezus van Nazareth wijst er op dat de beste houding die van de knecht is. Die klopt zich niet op de borst, verwacht geen andere beloning dan die welke is afgesproken, die hoeft niet iets extra te krijgen maar zal zeggen dat enkel en alleen de plicht is gedaan.

“We deden wat we moesten doen” horen we zelfs de helden uit de oorlogen van onze dagen zeggen, de gewonden uit Afghanistan, de in de steek gelaten soldaten uit Srebrenica. Net als de veteranen uit de Tweede Wereldoorlog die Europa bevrijd hebben van wrede tyranie. Ze deden slechts wat nodig was voor mensen in nood. In die houding mogen we ons dag in dag uit oefenen. We kunnen niet de hele wereld op onze schouders nemen maar samen kunnen we veel. We kunnen aandacht blijven vragen voor kinderen in gevangenissen, voor vluchtelingen die hier door onze overheid worden bedreigd, voor de slachtoffers in Syrië, voor de armen in Afrika die slachtoffer worden van de onrechtvaardige handelsakkoorden, voor de slachtoffers van de oorlogen om de grondstoffen waarmee onze mobiele telefoons en tablets gemaakt worden. Elke dag opnieuw kunnen we daarmee beginnen, zodat er een andere wereld ontstaant, waar de dood niet meer heerst en onze schuld vergeven is. Ook vandaag mag dat weer.

En omdat we elke dag opnieuw mogen beginnen kunnen we ook juichen. We juichen over alles wat goed is, voor liefde die blijft ook als de geliefde er niet meer is. Zelfs voor verdriet mogen we juichen , stel je eens voor dat je geen verdriet hebt over het verlies van een geliefde, van een mens die je ontvallen is. Al te gemakkelijk zeggen we kop op, het leven gaat verder. Ja maar het verdriet ook en samen zouden we daar wel eens wat meer ruimte voor mogen maken. Juist als een gemeente waar men voor elkaar zorgt, waar bloemen gaan naar zieken, waar geld wordt ingezameld voor de armen, voor nood overal in de wereld. Er zijn veel kerken in ons land die voedsel inzamelen voor de voedselbanken, een enkele gemeente organiseert een bijeenkomst waar brieven worden geschreven voor Amnesty International. Vrijwilligers voor de opvang van vluchtelingen komen voornamelijk uit de kerken. Andere gemeenten ondersteunen het werk van iemand als Inge Landman die namens Kerk in Actie werkt aan vrede en verzoening in Colombia.

Samen werken we aan een wereld die zo mooi wordt dat God er zelf zal willen wonen. Of we daar ook zelf zullen wonen is niet langer belangrijk, het goede dat we nu ontmoeten is ons als loon genoeg, daar kunnen we over juichen. Want die droom van Jesaja, waar geen kinderen meer dood gaan, waar geen huizen worden verwoest en Allepo onmogelijk wordt, waar niemand meer voor de gegeven tijd sterft, waar geen honger en dorst meer is, waar je zelfs voor de wilde dieren niet bang hoeft te zijn en het kind kan spelen in het hol van de slang, die droom en het werken daaraan kan ons eeuwig aan het juichen brengen. Ook vandaag weer.

Amen.

Read Full Post »