Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for mei, 2016

Lezen: 1 Koningen 8: 37-43

              Lucas 7: 1-10

Gemeente,

Hoe gaan we om met de vragen die we aan de God van Israël mogen stellen? In het algemeen doen we dat met bidden, dan formuleren we onze wensen voor de God van Israël en als we de juiste wensen formuleren dan krijgen we nog antwoord ook. De Bijbel belooft eigenlijk zelfs dat onze gebeden verhoort worden, maar wie vraagt om een nieuwe auto krijgt die over het algemeen niet. In sommige kringen circuleren een heleboel verhalen over wonderbaarlijke uitkomsten op het gebed en soms probeert men ongelovigen van het nut van het geloof in God of Jezus te overtuigen met succesverhalen over gebeden. We hebben een gebed dat we direct van Jezus zelf hebben geleerd, dat in de Bijbel staat en dat we zondag in zondag uit bidden als slot van onze voorbeden, het onze Vader. Het enige dat we daar voor onszelf vragen is ons dagelijks brood. Meer hebben we kennelijk niet nodig. Voor het meerdere of voor andere zaken klinkt bij ons altijd het gebed van Jezus in Getsemane door: Vader niet mijn wil maar uw wil geschiede. De twee verhalen die we vanmorgen uit de Bijbel hebben gelezen werpen een wat ander licht op de vragen die we aan de God van Israël kunnen stellen.

We begonnen een gedeelte te lezen uit het gebed van Salomo bij de opening van de Tempel. Salomo had van die Tempelbouw een bijzonder project gemaakt. Het hele volk had hij bij de bouw ingeschakeld, dat had om te beginnen een behoorlijke last voor de economie betekent. Maar omdat hij veel bouwstoffen uit het buitenland had betrokken, denk maar aan het cederhout van de Libanon, had hij ook de handel op gang weten te krijgen en daar voer iedereen wel bij. De opening van de Tempel was dan ook een groots gebeuren. Bij die lezing hoort eigenlijk nog 1 vers dat een stuk er voor staat. Daar wordt beschreven dat Salomo plaats neemt voor de ingang van de Tempel, iedereen kon hem zien en horen . Vervolgens staat er dat hij zijn handen ten hemel heft. Zo staat hij te bidden alsof hij via zijn handen de God van Israël zijn wensen wil doorspelen.

In de Tempel stond geen beeld van de God van Israël, zoals in de Tempel van de ander volken altijd een beeld van hun God stond maar daar stond de Ark, een houten kist met daarop twee gouden figuren die de inhoud moesten bewaken. In de ruimte waar die kist stond mocht buiten de Hogepriester verder niemand komen, het was het Heiligste van de Tempel.

Wij lezen meestal dat er cherubs of kleine engelen op stonden maar het moeten volgens geleerden een soort griffioenachtige figuren zijn geweest. Hoe dan ook, de gelovigen kregen ze niet te zien. In de Ark lagen twee stenen tafelen en een bloeiende staf, de staf van Aäron, Daar lag ook een koperen staf in met een slang er om heen, naar die slang had het volk in de Woestijn omhoog moeten kijken zodat ze zonder gevaar door een menigte slangen konden lopen.

In de ruimte voor dat binnenste gedeelte stond dan nog een zevenarmige kandelaar en een tafel met brood. Die staf en die slang zijn overigens later uit de Ark gehaald omdat in het volk de bloeiende staf of de koperen staaf met de slang ging aanbidden en beschouwde als beelden van de God van Israël.

In de geschiedenis van Israël is voortdurend geprobeerd om beelden in de Tempel te plaatsen, tot in de dagen van Jezus van Nazareth toe. De opstand in het jaar 70, toen de Romeinen definitief de Tempel hebben verwoest, werd uitgelokt door het plaatsen van een beeld van Zeus in de Tempel. Dat ontbreken van een beeld in de Tempel speelt een rol bij de vraag hoe en waar we kunnen bidden. Dat hoeft dus niet bij de Tempel, dat kan overal.

Wat heeft Salomo nu gebeden bij de opening van de Tempel? En wat was er zo bijzonder dat we dat vanmorgen opnieuw hebben gelezen? Het gebed van Salomo bestaat uit zeven smeekbeden. We hebben ze niet allemaal gelezen. In de eerste smeekbede van Salomo vraagt hij aan God te luisteren naar de gelovigen als het volk getroffen wordt door langdurige droogte en het dreigend mislukken van de oogst.

Salomo vraagt aan God te luisteren naar boeren die op hun land de handen ten hemel heffen en in de richting van Jeruzalem en God smeken om ontferming. Niet de plechtigheden moeten de doorslag geven, maar de oprechte nood van de mensen. Naar de Tempel reizen hoeft dus niet, je kunt de God van Israël aanroepen daar waar je bent. En het redden van de oogst is voor iedereen van belang. Vooral voor de armen die te arm zijn om zelf te oogsten. Denk maar aan de voorschriften die zeggen dat de randen van de akker bestemd zijn voor de armen net als het graan dat bij de oogst op de grond blijft liggen.

In de tweede smeekbede vraagt Salomo aan God ook te willen luisteren naar vreemdelingen. Vreemdelingen die naar Jeruzalem komen om God te vereren. De Bijbel kent verschillende soorten vreemdelingen. Er zijn er die slaaf zijn in Israël, buit van oorlogen. Er zijn er die bijwoner zijn, afstammelingen van hen die al in het land woonden toen Israël uit de woestijn het land binnentrok, en de vreemdelingen die zich aan willen sluiten bij het volk Israël, de proselieten werden ze later met een Grieks woord genoemd. Die laatsten moesten een hele weg afleggen voordat ze echt werden gerekend tot het volk Israël. Maar ze begonnen met de studie van de wetten van Mozes en het zich houden aan de leer van Mozes. En in die leer staat in het boek Deuteronomium dat een gelovige in de God van Israël drie maal per jaar naar de Tempel moest afreizen, ook uit het buitenland, om daar een maaltijd te houden met zijn familie, de Priesters en Levieten, de slaven, de knechten en de vreemdelingen die bij hen woonden. De slaven en de bijwoners moesten dus net zo behandeld worden als de Israëlieten zelf en Salomo vraagt nu God om de vreemdelingen hetzelfde te behandelen als zij net zo doen als voorgeschreven is voor Israël.

In onze dagen hebben we nog wel eens moeite met de behandeling van vreemdelingen. Wij sluiten ze zelfs op in de gevangenis als ze geen misdrijf hebben begaan alleen omdat ze naar ons land zijn gekomen en niet direct weer kunnen vertrekken. Aan zo’n opsluiting komt geen rechter te pas. Van een gelijke behandeling als Nederlanders krijgen is geen sprake. Veel gelovigen schamen zich daarvoor.

Zeker omdat ook Jezus van Nazareth de vreemdelingen hetzelfde wilde behandelen als het volk Israël. En dat lag in zijn dagen niet eenvoudig. Het land was bezet door de Romeinen en een flink deel van de vreemdelingen bestond uit militairen van de bezettende macht. Overigens kwamen ook in de dagen van Jezus veel vreemdelingen naar Jeruzalem op de feestdagen zoals in Deuteronomium werd voorgeschreven. Samen met Joden uit de hele wereld vierden ze dan het hoogfeest. In de Handelingen staat bij het verhaal over het Pinksterfeest nog een hele opsomming van al die vreemde volken. Sommige mensen denken dan ook dat het Pinksterfeest het feest van de Pamfiliërs is, zo is het dus niet.

Jezus van Nazareth vertelde in de Bergrede hoe mensen met elkaar om zouden moeten gaan.. In het zesde hoofdstuk van het Evangelie van Lucas kunnen we daarover lezen. De beroemde uitspraken als “heb je vijanden lief” en “heb je naaste lief als jezelf” klinken op de meest onverwachte momenten in onze taal nog door. Dat “heb je vijanden lief” gaat dan zeker ook over de vreemdelingen die bij de Romeinse bezettingsmacht horen. In die Bergrede spreekt Jezus uitdrukkelijk uit dat die Wetten van Mozes onverkort geldig blijven, alleen je moet daar de maat van de Liefde voor de mensen over leggen. Wat God wil is geen dwang maar bevrijding, het zijn de richtlijnen voor een menselijke samenleving.

Maar wat was de reactie toen Jezus de Bergrede beëindigd had? Welke reactie schotelt de schrijver van het Evangelie van Lucas ons voor? Lucas vertelt het verhaal over een bezetter. Een Romeins officier. De centurio hier genoemd, vroeger bekend als de hoofdman over honderd. Voor de inwoners van een bezet land geen beste, daar viel niet veel goeds van te verwachten. Maar dit blijkt een vijand die het volk Israël lief heeft. Hij liet zelfs een synagoge voor zijn dorp bouwen. En dat was niet niks want die synagogen waren uitvindingen van de Farizeeën die de wetten van Mozes zeer strikt en letterlijk wilden nakomen. Contacten met de bezetters en andere vreemdelingen waren daarbij uitgesloten. Zelfs Israëli die werkten voor de bezetter zoals de Tollenaars moesten gemeden worden.

Komen in het huis van zo’n Romein was voor die Farizeërs een grote overtreding van de wet. Maar deze Romein had dus voor hen het leerhuis gebouwd, waar het verhaal van Israel gelezen kon worden en waar de Wet van de Woestijn, de leer van Mozes, bestudeerd kon worden. Die Romeinse centurio ging nu nog verder. Hij bekommerde zich om een zieke slaaf. Ongehoord voor Romeinen, slaven waren gebruiksvoorwerpen, als ze stuk waren deed je ze weg. Maar in de nieuwe gemeenschappen van volgelingen van Jezus van Nazareth werden slaven beschouwd als gelijken van de vrijen. Daar was een hele nieuwe manier van omgaan met elkaar ontstaan. En als de schrijver van dit Evangelie zich richt tot Theofilus, ook een Romein, dan is dit verhaal een toepassing van de Bergrede. Zo ga je dus met je slaven om. Je probeert ze beter te maken, je beschouwd ze als familie.

Niet om zelf in het zonnetje te komen, niet om er een goede naam of faam mee te verwerven. Want de centurio spreekt duidelijk uit dat hij het zelf niet waard is om naar Jezus toe te komen. Hij laat duidelijk blijken dat Jezus ook niet voor hem een zo grote overtreding van de wetten van de Farizeeën hoefde te plegen. Als hij maar zou zeggen dat de slaaf beter was. Dat is dus geloof in Jezus van Nazareth, alles aan de kant voor de armsten, je huis, je bezit, je goede naam. Je naaste liefhebben als jezelf. De Bergrede als praktijk van alle dag, als richtlijn ook voor vandaag.

Dat betekent wellicht dat ook wij onze houding ten aanzien van vreemdelingen moeten herzien. Dat als we vinden dat we in een Christelijk land wonen, of als we in een Christelijk land willen wonen we ook onze vijanden lief moeten hebben. Dat is geweldig moeilijk als je land bezet is en als je buren worden vervolgd en vermoord omdat ze toevallig iets anders geloven dan jij doet en iets anders als de bezetter goed vindt. Maar wij worden nu niet bezet. Wij willen dat alle volken op de wereld zich wenden naar Jeruzalem klinkt het in de kerk. En dat wenden naar Jeruzalem betekent dat we ons allemaal op de wereld gaan houden aan die Wetten van heb je naaste lief, ja heb zelfs je vijanden lief. Zo ver is het nog lang niet. Maar elke dag mogen we er weer opnieuw mee beginnen, totdat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komen waar alle leed geleden is, alle tranen gedroogd zijn en de dood niet meer heerst.

Amen.

 

 

Advertenties

Read Full Post »

In de Basisgroep vertellen we elkaar meestal wat een thema, een verhaal of een boek met onszelf doet. Een enkele keer is er dan ook wel eens een filosofisch verhaal maar theologische verhalen zijn we wat ontwend, misschien kriebelt het zelfs wel vanwege de dikke en deftige verhalen die we in het verleden hebben gehoord. Nu is het zo dat ik gegrepen ben door die theologische verhalen, het geloof in de komst van een betere wereld is misschien zelfs het beste onder woorden te brengen in de vorm van een hervertelling van de oude verhalen in de taal van onze tijd. Op Pinksteren is er sprake van het horen vertellen door ieder in zijn eigen taal, dus ook wij kunnen die poging wagen.

Wat wordt ons nu verteld? In de Bijbel gaat het over het Wekenfeest. Na 7 maal 7 dagen begint op de eerstvolgende dag een groot feest. Het feest van de vijftigste dag en aan de Griekse vertaling er van ontlenen wij de naam Pinksterfeest.

Net als Pasen, waar we beginnen te tellen, en het loofhuttenfeest in het najaar is Pinksteren een oogstfeest. Met Pasen wordt de eerste oogst van de gerst gevierd en met Pinksteren de eerste oogst van de tarwe. Bijna elke cultuur in de wereld kent oogstfeesten, het wordt tijd de goden te danken voor de overvloed die ze weer geschonken hebben, als je dat goed doet dan geven ze het komende jaar wellicht weer een goede oogst. Maar voor de Hebreeën was dat toch een rare redenering. God liet immers de regen waarvan ieder afhankelijk is regenen over de gelovigen maar net zo veel over de ongelovigen en goddelozen. Bovendien is die God niet om te kopen.

Die oogstfeesten moesten dus in de cultuur van Israël wel een andere betekenis krijgen. En dat kregen ze dus ook. Met Pasen werd de bevrijding uit Egypte gevierd. Centraal staat dan de maaltijd die herinnert aan de laatste maaltijd van het volk in Egypte. Ze hadden een lam geslacht, het vlees gebraden en het bloed aan de deurposten gesmeerd. Toen stierven alle eerstgeborenen in Egypte behalve daar waar het bloed van het lam aan de deurposten zat. Met niet te bederven ongezuurde broden werd het volk de woestijn ingejaagd.

Op het Wekenfeest werd dan gevierd dat het volk in die woestijn een set richtlijnen voor een menselijke samenleving had gekregen. Centraal daarin staat dat je je naaste lief moet hebben als jezelf omdat dat de manier is waarop je de God van Israël lief kunt hebben boven alles. In het loofhuttenfeest werd dan gevierd dat het volk de tocht door de woestijn heeft kunnen overleven, ze woonden in gammele tenten die van takken en bladeren opnieuw worden gebouwd tijdens dat feest.

Maar bij ons staan Pasen en Pinksteren centraal. En de vijftig dagen die er tussen zitten hebben misschien toch een meer dan getalsmatige betekenis. In die set richtlijnen die het volk had gekregen in de woestijn staan ook een paar regels die betrekking hebben op het omgaan met de aarde. Elke 7 jaar moest de aarde een jaar braak blijven liggen en moest het volk leven van wat er spontaan ging groeien in dat jaar. Als dat 7 keer was gedaan dan brak in het vijftigste jaar het jubeljaar aan, de slaven werden vrijgelaten, het land dat van de familie was werd weer teruggegeven en nog een extra jaar mocht het land, en de dus de mensen, rusten van alle arbeid. Dat zogenaamde sabbatsjaar was lang niet gehouden en volgens de profeten had de ballingschap in Babel net zolang geduurd tot alle vergeten sabbatsjaren waren ingehaald, daarna werden de ballingen vrijgelaten en konden ze terugkeren naar hun land.

De 7 maal 7 weken en het feest op de vijftigste dag herinnert ons aan dat verhaal en de richtlijn de aarde niet uit te putten maar de opbrengst te gebruiken om te delen met elkaar.

Die volgelingen van Jezus van Nazareth hadden zich die 49 dagen elke dag opgehouden in de Tempel van Jeruzalem. Daar werd geofferd en daar werd ook gestudeerd op die richtlijnen uit de Woestijn, toen Jezus op 12 jarige leeftijd volwassen was geworden had hij er ook gestudeerd. Langzaam was het tot die volgelingen doorgedrongen dat die offers bedoeld waren om samen te delen en niet om een God in leven te houden. De vijftigste dag was het uitgelezen moment om iets nieuws te beginnen, het vormen van groepen mensen die met elkaar en voor elkaar zouden zorgen en alles zouden delen. Jezus was immers met Pasen herkent als de opgestane die je herkent bij het breken van het brood. Zo kan hij dus verder leven in zijn Koninkrijk waar je alvast mee mag beginnen.

Mij grijpt dit verhaal nog steeds aan, alle honger, alle dorst, alle armoede, alle geweld in de wereld zou dus kunnen verdwijnen als we iedereen zou kunnen meekrijgen in die beweging van Liefde, van zorg voor elkaar en aandacht in de eerste plaats voor de armsten.

Alles over de Basisgroep:  de website

Read Full Post »

Lezen: 1 Samuël 12: 19b – 24

              Johannes 4: 15-21

Gemeente,

Vandaag wordt in veel Protestantse kerken gelezen uit het eerste boek Samuël en het Evangelie van Johannes. Maar wat heeft de angst van het volk Israël als ze gevraagd hebben om een Koning nu te maken met het gesprek dat Jezus van Nazareth voert met zijn leerlingen bij het laatste Avondmaal? Dat avondmaal was de Pesachmaaltijd vlak voor het Pesachfeest gevierd wordt. Wij weten dat het de laatste maaltijd van de Heer was voor hij werd gekruisigd. Het gemeenschappelijk element in de beide lezingen is de verzekering dat de toehoorders van Samuël en de leerlingen van Jezus niet bang hoeven te zijn in de kou te komen staan. Ze staan niet alleen voor de problemen die hen te wachten staan.

Nu is het vandaag voor ons een bijzondere zondag. Het is vandaag Moederdag. En in de kerkelijke traditie is dit de zondag Exaudi, dat betekent Hoort, de zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren, in de volksmond heet deze zondag vanouds de Wezenzondag. Want wie moet er nu horen. God in de hemel? Omdat we bang zijn dat hij ons in de steek laat als we een Koning, een regering willen hebben net als de Heidenen? Of omdat we bang zijn dat Jezus van Nazareth ons echt niet meer zal helpen als hij eenmaal aan de rechterhand van zijn vader zit?. Onze Vader in de hemel lijkt zich te hebben teruggetrokken, zijn Zoon heeft ons verlaten en wat moeten we nu. In het verhaal van het Evangelie hebben de leerlingen zich teruggetrokken in Jeruzalem waar ze elke dag naar de Tempel gingen om te bidden.

Of moeten wij luisteren? Zoals Samuël zegt omdat we altijd nog de Thora hebben, de set richtlijnen voor een menselijke samenleving. Richtlijnen die je net zo goed zonder als met een Koning kunt toepassen en die zeer veel belangrijker zijn dan de regeringsvorm die je kiest. Of moeten we luisteren naar Jezus van Nazareth die zelf wel naar zijn Vader gaat maar ons de Pleitbezorger geeft? En, wat misschien nog wel belangrijker is, zijn vrede geeft.

Het gaat er in beide lezingen om ons af te vragen wat goed is in de ogen van onze God. Een levenshouding die van alle tijden is. Bidden kan helpen, want in het gebed breng je onder woorden wat je wil en als je echt in je hart kijkt weet je best of dat past bij wat de God van Israël van elk van ons vraagt. Luisteren naar de verhalen uit de Bijbel helpt ook. Steeds weer geven ze de richting aan waarlangs ons leven en onze samenleving zich kan ontwikkelen.

Over bidden gaat het ook in het verhaal over de Koning in Israël. In het verhaal van Samuël vraagt het volk aan hem om voor hen te bidden. Ze hadden aan Samuël gevraagd om een koning voor hen te zoeken zoals ook de Heidenen een koning hadden. In Israël was geen koning. Iedere keer als de oogst werd geroofd moest een rechter gevonden worden in Israël om het volk recht te doen en gericht te houden over de plunderaars. Dat betekende oorlog tot de plunderaars waren verjaagd en ieder weer kon doen wat goed was in eigen ogen. Een Koning zou misschien voor een meer permanente vrede kunnen zorgen.

Samuël had zijn volk voorgehouden dat ze een God als Koning hadden en dat een Koning zoals de Heidenen die hadden hun zonen zou inlijven in zijn leger en het volk ook belastingen op zou leggen om zijn hofhouding te betalen. Daar was het volk bang van geworden. De God van Israël zou hun toch niet in de steek laten omdat zij zo graag een koning wilden hebben?

Nu zijn er volgens de Bijbel, waar ook over onze Koning Jezus van Nazareth wordt vertelt, twee soorten koningen. Daar gaan de beide boeken van Samuël over. Er is het soort koningen dat door de Heidenen wordt gevraagd en er is het soort koning dat koning is naar Gods hart.

De koningen naar Gods hart zijn dienaren van hun volk. Onze Koning Jezus van Nazareth gaf daarvan het voorbeeld toen hij op de avond dat hij werd gearresteerd door de autoriteiten van zijn tijd de voeten waste van zijn leerlingen, een slavenarbeid. In de Bijbel wordt verteld over koning David als een koning naar Gods hart. Die David weigerde zijn voorganger te doden ook al wilde die voorganger David wel doden. Die David weigerde oorlog te voeren met zijn eigen volk, hoewel zijn eigen volk hem verraadde en wilde overleveren aan zijn vervolger. Die David weigerde zijn zoon Amnon te straffen hoewel die een halfzus gruwelijk had verkracht. Die David weigerde zich te weer te stellen tegen zijn zoon Absalom toen die zich in zijn plaats had uitgeroepen tot koning. Die David weigerde de nakomelingen van zijn voorganger te straffen toen ze hem met stenen bekogelden. Die David werd er alleen maar meer een koning naar Gods hart door.

Maar David zou later komen. Hij en Saul vormen in dat verhaal van Samuël de tegenstelling tussen een Koning zoals de Heidenen hebben en een Koning naar Gods hart. In het gedeelte dat we vandaag gehoord hebben staat het volk nog aan het begin. Maar het hoeft niet bang te zijn. Er is een stel richtlijnen voor een menselijke samenleving waar ze zich aan vast kunnen houden. Samuël houdt het zijn volk, en zichzelf, nog eens voor:

“u hoeft niet bang te zijn zolang u de HEER maar trouw blijft en hem met heel uw hart toegedaan bent.” Met andere woorden, de richtlijn van de God van Israël voor je naaste te zorgen als voor jezelf blijft ook gelden als er een Koning is. De taak voor de Profeet zijn volk voortdurend die richtlijn voor te houden blijft er ook. En zolang het volk zich ook aan de richtlijnen van de God van Israël wil houden hoeven ze nergens bang voor te zijn.

Dat volk moet dus blijven delen met elkaar zoals ze in de woestijn hadden geleerd. Daar telde elke korrel graan en elke druppel water, daar viel alleen te overleven door onvoorwaardelijk op elkaar te kunnen bouwen. Daar telde de vrede ook.

Jezus van Nazareth had ook een manier van vrede schenken. In de lezing uit het evangelie van Johannes horen we hem zeggen: Mijn vrede geef ik jullie en binnen een dag later hing hij aan het kruis. Bij dat pesachmaal werden bittere kruiden gegeten als herinnering aan de bittere tijden van de slavernij. Daar werd brood gebroken en een beker met wijn ging rond. Het brood is ongezuurd, zonder desem zodat het niet snel bederft en je het mee kunt nemen op reis. Jezus van Nazareth ziet zijn missie uitlopen op dood en geweld en hij vraagt zijn leerlingen het brood te blijven breken en de wijn te blijven schenken zoals zijn lichaam gebroken zal worden en zijn bloed zal worden vergoten.

Hij geeft ze daarvoor zijn vrede. Zijn vrede begint met af te zien van geweld. Toen hij gevangen werd genomen verbood hij zijn leerlingen het zwaard te trekken, een slachtoffer bij zijn vervolgers werd eerst genezen en aan het kruis vroeg hij zijn vader het zijn vervolgers niet aan te rekenen omdat ze niet zouden weten wat ze aan het doen waren.

Er wordt mensen die naar vrede streven nog wel eens verweten dat ze niet de waarheid durven zeggen. De dreiging met geweld, bijvoorbeeld door de Islam, zou hen verhinderen te zeggen dat het verkeerd is vrouwen achter te stellen, homoseksuelen te discrimineren of anders gelovigen te bedreigen met geweld. Niet is minder waar. Maar het maakt nogal verschil of je er met je broeders en zusters over in gesprek gaat of dat je de ander bestempelt en behandelt als vijanden. De waarheid is dat iedereen je broeder en je zuster is. De waarheid is ook dat je dus nooit bang hoeft te zijn te zeggen wat er verkeerd is, juist omdat je het goede wil doen en niet dan het goede. Dat is de boodschap van Jezus van Nazareth.

Het zogenaamd zwakke is het sterkste van de wereld. Uiteindelijk zou zijn Liefde de hele wereld omspannen.

In de oude profetieën werd al voorspeld dat ooit alle volken van de wereld zich zouden keren naar Jeruzalem. Daar lag de Wet van heb-je-naaste-lief-als-jezelf in de Tempel. Met de komst van Jezus van Nazareth moest die Wet uit de Tempel vandaan de wereld in. Dat was wat de Geest zou bewerkstelligen, dat is wat de Geest ook voor ons kan bewerken. Ieder van ons kan in Zijn Geest de hand uitsteken naar de minsten. In ons huis, in onze straat, in onze stad, in ons land, in Europa en in de wereld. Iedereen kan elke dag iets goeds doen voor een ander, vrijwilligerswerk doen voor mensen die dat nodig hebben, boodschappen doen in een fair trade winkel, een brief of briefkaart schrijven voor Amnesty International, een handtekening zetten voor vrede of rechtvaardigheid, stem geven aan mensen wier stem werd gesmoord, een welkom geven aan vluchtelingen die hier bij ons de vrede zoeken.

We hoorden vanmorgen hoe Jezus van Nazareth de komst van de pleitbezorger belooft. In het Grieks staat dan de Parakleed, vroeger vertaald als de Trooster. Maar Trooster dekt niet de hele betekenis van het woord, het is ons ook te passief geworden. Daarom pleitbezorger want een pleitbezorger is iemand die voor je in de bres springt en als je zelf in de Geest van de God van Israël, de geest van Jezus van Nazareth handelt dan spring je in de bres voor de armen, voor de hongerenden, voor de slachtoffers van oorlog en geweld. Je kunt dat Parakleed ook vertalen als Helper, letterlijk betekent het de er bij geroepene. Ìn de Naardense Bijbel wordt het vertaald als gids-en-helper. Die helper stelt ons in staat om inderdaad te helpen bij de nood van mensen, mensen dichtbij en mensen ver weg.

En hebben die anderen die zorg verdiend? Hebben wij die zorg verdiend? Om het antwoord te vinden op die vraag helpt ons Moederdag. Dat is voor velen niet een feestdag, je moeder verliezen is een zware slag ook als je zelf wat ouder bent, maar zeer zeker als je nog jong bent. Veel vrouwen voelen zich tweederangs omdat ze door wat voor omstandigheden ook geen moeder geworden zijn. Maar de moeder is ook een gezegde, een manier om een persoon te beschrijven die zorgt. God zelf is een Vader die als een moeder zorgt voor zijn kinderen. Een Moeder en trouwens ook een Vader houdt niet van de kinderen omdat die kinderen dat verdiend hebben, liefde is niet te koop. Grootouders weten dat misschien nog het beste. Als de kleinkinderen komen gaat de zon schijnen, daar hoeven die kleinkinderen zelf niets voor te doen. Dat geldt ook voor Moeders en vaders, wat je kinderen ook doen, je blijft van ze houden. En als ze zelf hun eigen fouten maken, dan laat je ze maar, soms met pijn in het hart. Zo zorgen we ook voor onze naaste, omdat we niet anders kunnen, omdat we weten dat God ook zo van ons houdt. Dat beeld van de zorgende moeder kan door elk van ons gedragen worden. Samuël zegt het duidelijk: ook al heeft u gezondigd u hoeft niet bang te zijn als u met hart en ziel God toegewijd blijft. En Jezus zegt tegen zijn leerlingen dat hij ze niet als wezen zal achterlaten, hij komt bij hen terug.

Zo mogen wij dan blijven werken aan de komst van dat Koninkrijk van Jezus van Nazareth. De liefde van God die elke liefde te boven gaat verspreiden in onze omgeving. De hongerigen voeden, de naakten kleden, de armen zonder huis een woning te geven, ons te bekommeren om onze naaste. Jesaja zegt ergens dat het daar om moet gaan. Dat kunnen we volhouden door de Geest die ons geschonken is. En elke keer dat we bang zijn die Geest kwijt te raken mogen we er weer om vragen, vragen om de terugkeer van onze God die eens zo nederig verscheen in zijn zoon en beloofd heeft ons nooit meer alleen te laten. Het verspreiden van zijn liefde zullen we moeten volhouden tot de jongste dag, tot hij weerkomt en alle tranen gedroogd worden en de dood niet meer zal zijn. Tot de dag dat we eeuwig bij hem wonen, zingend voor zijn aangezicht. Tot die dag komt blijven we liefhebben, als een volk van Koningen en Priesters in de Geest van God..

Amen

Read Full Post »

Lezen: Joël 2: 21-27

           Johannes 14: 23-29

Gemeente

Afgelopen woensdag leek het eindelijk weer eens zondag. Zelfs de meeste winkels waren dicht, eindelijk een dag waarop we als volk een dag lang de vrijheid kunnen vieren. Dat doen we tegenwoordig door massaal onze zolders op te ruimen en te delen met hen die de door ons afgedankte spullen nog willen hebben. Onze Koning mag zijn verjaardag ergens in de provincie vieren waar deftige mensen hem opwachten en de burgerij hun creativiteit mag tonen. Onze Koning Willem Alexander laat tegenwoordig ook zien waarom die vrijheid niet meer elke week voor ons beschikbaar is maar één keer per jaar. Hij toont ons het plaatselijk bedrijfsleven dat uit is op meer winst en waarvoor we dus meer en langer moeten werken tegen lagere kosten. Het Godsgeschenk van de wekelijkse vrije dag wordt ingeruild voor het verhogen van inkomsten van ondernemers en aandeelhouders.

Komende donderdag is het Bevrijdingsdag. Dan herdenken we dat de vrijheid waarin we leven bevochten is, dat die vrijheid niet vanzelf gekomen is en het dus waard is om bij de vrijheid stil te staan. Een paar jaar geleden was het thema van Bevrijdingsdag: Vrijheid verdient onderhoud en we weten natuurlijk best dat er geen echte vrijheid is zonder vrede. De lezingen van vandaag gaan ook over vrede en vrijheid.

De zondag die we vandaag vieren heet in de kerkelijke traditie zondag Rogate, zondag van het bidden, het was heel vroeger de biddag voor gewas en arbeid. Het is ook de dag van de arbeid, wij herinneren ons dat de arbeider zijn loon waardig is zoals Jezus ons dat vertelt heeft. Wij protestanten vieren die biddag voor arbeid en gewas op een andere dag in het voorjaar maar als Vrijheid onderhoud verdient dan is het misschien goed om te luisteren naar het lied dat we uit het boek van de twaalf profeten hebben gelezen in het hoofdstuk van Joël.

Joël zingt een vreugdelied over de overvloed aan voedsel die er is nadat de oogst van zijn land eerst werd opgevreten door opvreters van buiten, hier sprinkhanen genoemd. Zeven beloftes voor welvaart worden genoemd. In het gedeelte dat hier direct voor staat wordt drie maal opgeroepen om niet bang te zijn.

Die zeven beloftes herinneren ons aan de zeven armen van de kandelaar uit de Tempel, een overvloed van licht brand voor de Heer onze God, een overvloed van barmhartigheid gaat van die God uit, een overvloed van gaven is op onze aarde gegeven. Die overvloed herkennen we en de vreugde daarover past bij de vreugde van Bevrijdingsdag.

Beelden over het Zweedse wittebrood dat uit de lucht kwam vallen zoveel jaar geleden komen dan weer boven. En kennelijk heb je aan een klein beetje luxe al genoeg als er heel lang helemaal niets meer is. Maar ook de overvloed die ons de vrijheid verschaft heeft onderhoud nodig.

Het volk van Joël was bevrijdt van slavernij. Eerst de slavernij in Egypte en toen de slavernij in de ballingschap. Het geschenk dat de God van Israël in de woestijn aan het volk had gegeven, één dag in de week de bevrijding van de slavernij aan arbeid en consumptie te vieren, werd vergeten. Wordt ook door ons verkwanselt omdat we die vrijheid van slavernij ineens religieus gaan vertalen. Maar de God van Israël heeft niet een knielend volk nodig dat één dag in de week zwijgt om hem te eren, de God van Israël wordt geëerd door gerechtigheid, door zorg voor de naaste en bevrijding van iedereen van dood en slavernij.

In onze technologische maatschappij hebben we zoveel afstand van de woestijn geschapen dat we vergeten waar de aarde echt uit bestaat. In het lied van het begin van de aarde zoals dat in het boek Genesis is opgetekend lazen we al dat de mens de zorg kreeg voor de hele aarde en alles wat daarop leeft. We moeten dus niet vergeten dat we voor de hele aarde te zorgen hebben en dat het pas goed is als alle mensen te eten hebben, als het eten en alle welvaart die daarbij hoort eerlijk over alle mensen op aarde verdeeld is. Dan kan het woord werkelijkheid worden dat heel de aarde juicht voor de Heer onze God.

In deze dagen van herdenking en bevrijding horen we weer van de Hongerwinter in het laatste oorlogsjaar. Toen het platteland werd overstroomd door mensen met fietsen op houten banden, kruiwagens en kinderwagens waarin voedsel werd vervoerd dat bij boeren en tuinders bij elkaar gebedeld werd. Net als in de verhalen over onderduikers kunnen we leren dat in tijden van nood alleen de bereidheid onbaatzuchtig te delen en voor elkaar te zorgen een volk kan doen overleven. In de crisistijd waarin we nu leven lijkt dat misschien nog niet echt aan de orde maar wie de lange rijen voor de voedselbanken in de steden ziet weet dat al die mensen bijna niet zullen overleven als mensen die het kunnen missen niet delen met de voedselbanken.

En van honger en armoede op aarde, in Afrika bijvoorbeeld, maar ook in delen van Azië, horen we zo vaak dat we er soms zelfs maar geen aandacht meer aan schenken. Die armoede en de ongelijke verdeling van welvaart over de aarde wekken ook de oorlogen op waarvan we horen en waarheen we soms onze eigen kinderen moeten sturen om vrede af te dwingen.

Jezus van Nazareth had een andere manier om vrede te brengen. In de lezing uit het evangelie van Johannes horen we hem zeggen: Mijn vrede geef ik jullie en binnen een dag later hing hij aan het kruis. Het gedeelte dat we gelezen hebben komt uit het verhaal over het laatste avondmaal. Die maaltijd was al een bevrijdingsmaal, elk jaar wordt met een maaltijd, het Pesachmaal, de bevrijding uit de slavernij van Egypte herdacht. Bittere kruiden worden gegeten als herinnering aan de bittere tijden van de slavernij. Brood wordt gebroken en een beker met wijn gaat rond. Het brood is ongezuurd, zonder desem zodat het niet snel bederft en je het mee kunt nemen op reis. Jezus van Nazareth ziet zijn missie uitlopen op dood en geweld en hij vraagt zijn leerlingen het brood te blijven breken en de wijn te blijven schenken zoals zijn lichaam gebroken zal worden en zijn bloed zal worden vergoten.

Hij geeft ze daarvoor zijn vrede. Zijn vrede begint met af te zien van geweld. Toen hij gevangen werd genomen verbood hij zijn leerlingen het zwaard te trekken, een slachtoffer bij zijn vervolgers werd eerst genezen en aan het kruis vroeg hij zijn vader het zijn vervolgers niet aan te rekenen omdat ze niet zouden weten wat ze aan het doen waren.

Er wordt mensen die naar vrede streven nog wel eens verweten dat ze niet de waarheid durven zeggen. Mensen van de vrede lopen met oogkleppen op en gaan voorbij aan de maatschappelijke werkelijkheid. De dreiging met geweld, bijvoorbeeld door de Islam, zou hen verhinderen te zeggen dat het verkeerd is vrouwen achter te stellen, homoseksuelen te discrimineren of anders gelovigen te bedreigen met geweld. Niet is minder waar. Maar het maakt nogal verschil of je er met je broeders en zusters over in gesprek gaat of dat je de ander bestempelt en behandelt als vijanden. De waarheid is dat iedereen je broeder en je zuster is.

De waarheid is ook dat je dus nooit bang hoeft te zijn te zeggen wat er verkeerd is, juist omdat je het goede wil doen en niet dan het goede. Dat is de boodschap van Jezus van Nazareth. Zelf kunnen we hem niet meer tegenkomen, we kennen hem uit de verhalen uit de Bijbel. Maar de manier waarop hij met de mensen omging, waarop hij tegen de wereld aankeek, zijn Geest, die kennen we wel en die is ons juist door die verhalen geschonken. Daar kunnen we de wereld mee benaderen, in zijn Geest kunnen we de hand uitsteken naar de minsten in de samenleving. Maar in zijn Geest kunnen we ook samenwerken in onze eigen samenleving en delen met ieder die dat nodig heeft.

We hoorden vanmorgen hoe Jezus van Nazareth de komst van de pleitbezorger beloofd. In het Grieks staat dan de Parakleed, vroeger vertaald als de Trooster. Maar Trooster dekt niet de hele betekenis van het woord, het is ons ook te passief geworden. Daarom pleitbezorger want een pleitbezorger is iemand die voor je in de bres springt en als je zelf in de Geest van de God van Israël, de geest van Jezus van Nazareth handelt dan spring je in de bres voor de armen, voor de hongerenden, voor de slachtoffers van oorlog en geweld. Je kunt dat Parakleed ook vertalen als Helper, letterlijk betekent het de er bij geroepene. Die helper stelt ons in staat om inderdaad te helpen bij de nood van mensen, mensen dichtbij en mensen ver weeg

In de oude profetieën werd al gezien dat ooit alle volken van de wereld zich onontkoombaar zouden keren naar Jeruzalem, daar loopt het verhaal van de mensen op aarde op uit.. Daar in Jeruzalem lag de Wet van heb-je-naaste-lief-als-jezelf in de Tempel. Met de komst van Jezus van Nazareth moest die Wet uit de Tempel vandaan de wereld in. Dat was wat de Geest zou bewerkstelligen, dat is waar de Geest ook voor ons bij kan helpen. Ieder van ons kan in Zijn Geest de hand uitsteken naar de minsten. In ons huis, in onze straat, in ons dorp, in onze stad, in ons land, in Europa en in de wereld.

Iedereen kan elke dag iets goeds doen voor een ander, vrijwilligerswerk doen voor mensen die dat nodig hebben, boodschappen doen in een fair trade winkel, een brief of briefkaart schrijven voor Amnesty International, een handtekening zetten voor vrede of rechtvaardigheid, stem geven aan mensen wier stem werd gesmoord. Dat is de Geest van God, dat kan vandaag ook. Tot de wereld bevrijd is van dood en verdriet. Tot alle tranen gedroogd zijn en de dood niet meer heerst. Dan is er echt Bevrijdingsdag. Tot die dag moeten we elke dag aan het werk, elke week vieren dat we een gemeenschap mogen vormen en elk jaar herdenken dat het levens kost om vrijheid te beleven en elk jaar vieren dat we de vrijheid mogen onderhouden door de vrede te brengen op deze aarde.

Amen

 

Read Full Post »