Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for april, 2016

Lezen: Deuteronomium 6: 1-9

              Johannes 13: 31-35

Gemeente,

Vandaag hebben we eerst gelezen uit de afscheidsrede van Mozes. Vlak voor het volk het beloofde land zal binnentrekken spreekt Mozes nog 1 maal zijn volk toe. We kennen Mozes natuurlijk van zijn rol bij de bevrijding van het volk uit de slavernij van Egypte. En van de Wetten die het volk kreeg op de Sinaï. Op stenen platen die hij eerst stuk smeet vanwege het gouden kalf en de tweede keer aan het volk voorlas. Nu is het woord wetten hier niet helemaal op z’n plaats. Het zijn richtlijnen voor de inrichting van de nieuwe samenleving van dat volk als een menselijke samenleving, een samenleving waarin voor iedereen plaats is en waar iedereen aan kan meedoen.

Die Wetten van de woestijn, de tien geboden, staan dan wel op stenen platen maar daar moeten ze dus niet blijven. Mozes roept in het gedeelte dat we vandaag lezen het volk op om ze voortdurend in gedachten te houden. Je moet deze wetten dus ook niet aan rechters over laten, zoals we doen met de wetten die wij in ons land hebben. Gerechtigheid moet je zelf doen, deze wetten zijn er voor bedoeld om alle mensen recht te doen, tot hun recht te laten komen. Je moet ze daarom als een teken om je arm dragen en als een band om je hoofd, je moet ze op de deurposten van je huis schrijven en op de poorten van je stad.

Uiteindelijk zal Paulus zeggen dat hij wil dat diezelfde wetten in je hart gebeiteld zullen staan. Je moet er één mee worden. En wat God lief hebben is is duidelijk want er staat in diezelfde richtlijnen dat God liefhebben hetzelfde is als je naaste liefhebben als jezelf. Daar cirkelen al die goddelijke richtlijnen om heen. Dat is een regel die je zelfs je kinderen duidelijk kan maken zodat ze van jongs af aan mee doen in de beweging van de God van Israël en mee bouwen aan het land dat uiteindelijk heel de wereld zal moeten omvatten, het land overvloeiende van melk en honing, het land waarin alle mensen tot hun recht komen.

Het “hoor Israël” dat we vandaag lezen, dat hier wordt vertaald met “luister Israël, de Heer onze God, de Heer is de enige” is het hart van elk Joods gebed. Het is gebed en belijdenis ineen. Het is niet eens een belijdenis dat er geen andere goden zouden kunnen bestaan. De Bijbel heeft het vaak over de God van Israël als hoofd van de raad van goden, of omringt door goden, maar voor de gelovige is er maar één echte God, de God die het volk uit de slavernij van Egypte heeft geleid. Voor Christenen de Vader van Jezus van Nazareth die uiteindelijk zelfs de dood zou overwinnen. Juist die bevrijding van dood en slavernij maakt de Weg die de geboden wijzen zo belangrijk.

Ook in onze dagen kunnen we verlangen naar een samenleving waarin niet meer gemoord wordt, waarin niet meer wordt gestolen, waarin het bezit van een ander mensen niet meer in beweging brengt, waar mensen mensen mogen zijn en geen objecten voor persoonlijke lustbevrediging, waar niemand zich hoeft te schamen voor diens afkomst. Ook wij weten dat we nog lang niet in een samenleving leven waarin die geboden algemeen geldend zijn en in ieders hart gebeiteld staan. Wie om zich heen kijkt in de wereld en de hongerigen ziet, de kinderen die sterven van ellende, de zieken voor wie geen medicijnen zijn, de slachtoffers van oorlog en geweld, de geweldige hoeveelheden wapens die over de wereld reizen, weet dat een aarde waarin vrede en gerechtigheid heerst nog ver weg is.

Wat dat betreft reizen we eigenlijk nog steeds door dezelfde woestijn als waar het volk Israël de Wetten kreeg. De oproep van Mozes om de Wetten voortdurend bij de hand te houden is daarom eigenlijk net zo actueel als die was toen het boek Deuteronomium werd geschreven. Daarom zullen wij de echo van Mozes moeten zijn en voortdurend roepen om naleving van deze wetten. Ook wij hongeren en dorsten immers naar gerechtigheid.

Dat zoeken naar gerechtheid, dat je naaste liefhebben als jezelf is niet eenvoudig. Het volk Israël is het in dat nieuwe land van ze nooit echt gelukt. Jezus van Nazareth lukte het wel. In het verhaal waar we vandaag een stukje van hebben gelezen begint hij met het wassen van de voeten van zijn leerlingen. Alsof hij een slaaf is. En het commentaar is dat daarin de grootheid van God duidelijk wordt.

Vandaar zal hij de kruisweg gaan naar Golghota. Hij zal zijn leerlingen verbieden in opstand te komen, ze moeten hun zwaarden in de schede laten, hij zwijgt tijdens zijn proces en hangend aan het kruis vraagt hij vergeving voor zijn beulen, neemt een mede gekruisigde in bescherming en vraagt zijn beste vriend voortaan voor zijn moeder te zorgen. De liefde die daaruit spreekt, die we natuurlijk ook uit al die andere verhalen over Jezus kennen moeten ook zijn leerlingen laten zien.

Want die liefde voor God en voor de naaste die je van Mozes op je voordeur en op je hart moest schrijven moet voor iedereen zichtbaar zijn. Nu zijn wij ook leerlingen van Jezus van Nazareth. Al die lezingen uit de Bijbel die hier klinken zijn ook lessen die wij van hem mogen leren. En dan krijgt onze gemeenschap op Yburg een heel bijzondere betekenis. Aan de liefde voor elkaar, aan de zorg die we elkaar verlenen wordt duidelijk wat je aan al die lessen van Jezus van Nazareth hebt. De wereld wordt er niet alleen een beetje mooier van, zoals altijd wanneer mensen voor elkaar zorgen, maar iedereen mag meedoen met die gemeenschap. Iedereen op Yburg is welkom om hier op zondagmorgen les te komen nemen in liefde voor elkaar en die liefde de hele week te oefenen net zo lang tot die in ons hart gebeiteld staat.

Ook hier wordt dus een klein stukje zichtbaar van wat wij het Koninkrijk van God noemen. Op het eind van die Bijbel staat dat ooit de wereld zo mooi zal worden dat God zelf er zal willen wonen. Daar mogen wij aan meewerken, elke dag opnieuw, elke dag samen. Aarzel dus niet, aan het werk.

Amen.

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: Numeri 27:12-23

              Johannes 10: 22-30

Gemeente,

Vandaag is de zondag Jubilate, de zondag van het juichen. Vanouds klinken op deze zondag de verhalen van de Goede Herder. Het gemeenschappelijk leesrooster heeft voor deze zondag Jubilate gekozen voor de opvolging van Mozes, een herder bij uitstek, en de uitspraken van Jezus van Nazareth over de manier waarop hij voor zijn schapen zorgt. Die zondag met verhalen over de Goede Herder leverde vroeger nogal eens romantische beelden op van vrolijke herders en herderinnetjes die hun tijd verdeden met het spelen met zacht wollen schaapjes met witte voetjes, van die schaapjes die hun melk zo zoetjes dronken. Tegenwoordig kijken we er wat minder romantisch tegenaan. Herders worden bedreigd met ontslag of faillissement omdat we op het onderhoud van de natuur willen bezuinigen.

Over wie onze leiders zijn bestaan soms ook nog wel misverstanden. Onze Koning is wel deftig maar is meer een instituut, een soort kroon op ons land, dan een machthebber, macht heeft hij namelijk niet, klatergoud is het, meer niet. De regering heeft meer macht en wordt gecontroleerd door de Tweede en Eerste Kamer die daardoor delen in de macht van de regering. Die beide kamers maken ook de wetten en zijn daardoor de wetgevende macht. Maar sinds afgelopen week heeft ook het volk macht, niet alleen over wie er in de Kamer mag zitten maar ook over zaken die daar aan de orde zijn geweest. Gebleken is dat we die macht toch maar in meerderheid overlaten aan de hardste schreeuwers in het land, ook al vormen die een minderheid. Wat zegt de Bijbel nu over de manier waarop de leiding van een volk zich zou moeten gedragen.

Laten we daarvoor eerst eens kijken naar wat het boek Numeri daarover te zeggen heeft. We lazen daarin het verhaal over de opvolging van Mozes.

Mozes had met veel moeite zijn volk uit Egypte geleid de woestijn in. Aanvankelijk om drie dagen te offeren aan de God van Israël maar uiteindelijk hadden de Egyptenaren tegen hun zin de slaven uit het land gejaagd omdat hun goden het offer van de eerstgeborene vroegen en die Hebreeën in plaats van de eerstgeborene een Lam offerden, het vlees opaten en het bloed aan de deuren smeerden als teken dat het offer gebracht was. Nu was Mozes aan de rand van het beloofde land gekomen en mocht hij het land ook zien. Hij beklom daartoe een hoge muur, tenminste, als je vanuit Israel over de Jordaan kijkt dan rijst het Abarimgebergte daar op als een hoge muur.

Het moet voor Mozes even slikken geweest zijn daar. Zijn hele leven was hij bezig de dood van Egypte te ontlopen, zijn volk te bevrijden uit de slavernij en hen door de woestijn te leiden naar het land overvloeiende van melk en honing. Onderweg hadden ze tal van problemen getrotseerd. Een onwillige Farao die met al zijn strijdwagens was gebleven in de Rode Zee, morrende Israelieten, vijandige stammen en natuurlijk de woestijn zelf.

Onderweg was ook de Wet van de Woestijn ontdekt, een complete set richtlijnen voor een menselijke samenleving. Het volk had geleerd dat er maar één God was en dat dienen van die God betekent dat je je naaste lief hebt als jezelf, dat je in de woestijn niet kunt overleven als je niet onvoorwaardelijk op elkaar kunt bouwen. Daarom ook mocht Mozes het beloofde land niet in. Op één moment had hij zich boven het volk gesteld, gedaan of hij beter was en macht had om het volk te drinken te geven. Hij had zich opgesteld of hij God zelf was.

Nu wordt hij weer gelijk aan het volk. Hij vraagt om een opvolger te mogen aanstellen en wel iemand die in staat zal zijn het volk te leiden in de strijd die nodig zal zijn om het land Israel in bezit te nemen.

Het wordt Jozua, één van de verkenners die al eerder dat beloofde land hadden verkend en die bewezen had niet bang te zijn, zelfs niet voor de reuzen die ze waren tegengekomen, maar op God te vertrouwen. Als de liefde zegt dat delen het meest rechtvaardig is, dan is dat het ook en dan zijn degenen die niet willen delen in het ongelijk.

De overdracht van de macht gaat onder leiding van de Priester, de opvolger van Aaron, die de positie van Priester van Aäron had geërfd. Die Priester spreekt recht en gaat over de uitleg van de Wet. Het verschil tussen Priester en Leider was dat de Priester door God geroepen was, van nature tot Priester was bestemd, en de Leider aangesteld werd op voordracht van het volk, hier vertegenwoordigd door Mozes. Zo is het tot onze dagen in de landen van de democratie. De rechterlijke macht is onafhankelijk en de leiders van de staat worden gekozen door het volk. Soms proberen leiders daar onder uit te komen, maar als we blijven lezen in de Bijbel zullen we elke keer herinnerd worden aan hoe het ook al weer behoort te zijn, een leider is er voor het volk en het volk niet voor de leider.

Ook in de discussie die Jezus van Nazareth voert in de Tempel te Jeruzalem wordt dat duidelijk. Hij werpt zich op als beschermer van zijn volgelingen en niet als heerser over zijn volgelingen die als ruil voor dat heersen een luxe leventje krijgt.

Het verhaal begint bij het feest van de Tempelwijding. Nu was de Tempel in Jeruzalem eigenlijk een raar gebouw. In een Tempel kwam je immers een God aanbidden, daar waren Priesters die de rituelen voor die God in stand hielden en er stond een groot beeld van de God waaraan de Tempel was geweid. De Tempel in Jeruzalem was iets heel anders. Daar stond geen beeld van de God van Israël. Daar mocht zelfs geen beeld staan. Iedere keer als de Romeinen probeerden er beelden neer te zetten, van hun keizer of van een god, dan kwam er weer opstand. Er werden wel offers gebracht, maar dat deden de gelovigen zelf en de priesters en de levieten aten die offers op, ze leefden er van. Ze aten niet stiekum in het verborgene de offers op, zoals dat in de Tempels van de Heidenen gebeurde, het was juist de bedoeling dat ze het vlees van de offers en het brood dat werd geofferd ook opaten. Alleen het bloed dat werd over het altaar gesprenkeld, in het bloed zat immers het leven dat door God was geschonken en dat nu weer naar God kon terugkeren. Dat openlijk eten van offervlees was voor de Heidenen iets godslasterlijks, je moest je god immers in leven houden door de offers.

In de Tempel in Jeruzalem werd oorspronkelijk de Wet van de God van Israël bewaard. Niet een Wet zoals wij wetten hebben die altijd overal op dezelfde manier van toepassing zijn, maar een Wet die geld als richtlijn voor een menselijke samenleving en waardoor je in beweging moet komen om die menselijke samenleving ook tot stand te brengen.

Dat begint volgens het boek Deuteronomium in de Tempel door er een maaltijd te houden met de familie, de priesters en levieten, je knechten, je slaven en slavinnen, de armen uit je omgeving en de vreemdelingen die bij je wonen. Een dergelijke maaltijd moest je drie maal per jaar houden. De offers die je bracht, ’s morgens en ’s avonds, als je vrede had weten te stichten of bij bijzondere gelegenheden, waren tekenen dat je bereid was te delen van al wat je bezat. Die hele Wet uit de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel laat zich dan ook samenvatten als dat je God lief moet hebben boven alles en dat je dat doet door je naaste lief te hebben als jezelf.

Het feest dat Jezus hier vierde kennen wij nog als het Chanoeka feest. Het gaat terug op het verhaal over de opstand van de Makkabeeën tegen de verplichting om in de Tempel in Jeruzalem een beeld van Zeus te aanbidden. Judas de Makkabeeër reinigt de Tempel van alle Heidense invloeden en ontsteekt weer het licht dat symbool staat voor het Licht dat voor ons een licht op ons pad is, waardoor duidelijk is welke richting we moeten gaan, de richting van de armen, en welke stappen we moeten zetten, delen en zorgen voor de naaste. De boeken over de Makkabeeën zijn niet in de Bijbel opgenomen, ze zijn apocrief, dat wil zeggen dat ze het waard zijn om te lezen maar niet het gezag hebben dat Bijbelboeken wel hebben.

Dat Jezus in de Zuilengang van Salomo wandelt heeft ook een bijzondere betekenis. Het wijst terug op Salomo de Zoon van David, gezalfd koning die de Tempel bouwde. In de tijd dat Johannes zijn Evangelie schreef was de Tempel opnieuw verwoest. Die verwoesting was in het jaar 70. De Zuilengang van Salomo wijst ook op de gezalfde Hogepriester die zijn verblijf had bij die zuilengang.

De vraag die aan Jezus wordt gesteld is dan ook wanneer Jezus zijn messiaans koningschap op zich zal nemen en de Tempel in Jeruzalem zal herbouwen. De bevrijder van Israël, de Messias zal immers het Rijk van Koning David herstellen? Maar zoals ze gesteld wordt is het de vraag die Israël stelde aan Samuël, geef ons een Koning zoals de Heidenen hebben opdat onze vijanden verslagen worden. Johannes had al een paar keer beschreven hoe Jezus het koningschap ontvluchtte, na de spijziging van de vijfduizend bijvoorbeeld.

Jezus van Nazareth is niet een Koning zoals de Heidenen die wensen. Hij is geen koning die met pracht en praal en met een hermelijnen mantel ingehuldigd wordt te midden van de machtigen van de natie. Een Koning waarvoor speciale militaire uniformen zijn ontworpen die hem als Koning herkenbaar maken. Als we in Jezus zo’n Koning zoeken dan geloven we niet echt in de Christus. Hij reed zijn stad binnen op een ezel en werd gekroond met een doornenkroon. Hij werd ingehuldigd aan een kruis, boven zijn hoofd een bordje met het opschrift “Koning der Joden”.

Het soort Koning dat Jezus van Nazareth is en wil zijn blijkt uit zijn daden. Hij die de lammen lopen laat, de blinden laat zien, de hongerigen voedt, de dorstigen laaft en de naakten kleed, die zich bekommerd om zijn medemensen zoals de profeet Jesaja had geschreven. De lezers van Johannes weten ook van het lijden en sterven van Jezus, toen hij weigerde zijn volgelingen oorlog te laten voeren tegen hen die hem gevangen namen, zelfs een gewonde nog genas toen hij al gevangen was, die bad voor zijn vervolgers, die een mede veroordeelde troostte en meenam naar het Paradijs, die zijn moeder nog troostte voor hij stierf door haar een andere zoon te geven. Die consequent volgehouden liefde voor de mensen had pas echt iets koninklijks. Dat is de herder die alles in de steek weet te laten om zijn schapen in leven te houden, die vecht met beren en leeuwen, zoals over David werd geschreven, die nooit zijn schapen zal opgeven en zijn leven zal geven voor zijn schapen. Een herder, een koning naar Gods hart, zo heeft God de herder van zijn volk, de Koning, gewild, daarin vallen God en deze Messias samen.

Onze samenleving is vergeven van idols en van wedstrijdjes wie de beste, de mooiste, de meest opvallende is’. Paulus schrijft dat net als Christus samen kan vallen met God, wij kunnen samenvallen met Christus, wij zijn dan zelf een volk van Koningen en Priesters en hoger en belangrijker is alleen onze God, al die idols stellen niet meer voor dan wij zelf. Wij zijn daarbij geroepen om het goede te doen en niet dan het goede, wij zijn geroepen om het kwade te bestrijden met het goede. Op die manier stuurt Mozes ons vanmorgen op weg met de opdracht die hij Jozua had gegeven. Voortdurend luisterend naar de Priesters die de Wet van de God van Israël bezaten het volk brengen in het land dat overvloeit van melk en honing. En dat land kan overvloeien omdat het volk bereid is te delen, te zorgen dat de hongerigen gevoed, de naakten gekleed, de dorstigen gelaafd worden en dat de armen zonder huis een woning krijgen. Onze bevrijder, onze messias de Christus kwam voor alle volken op aarde, wij zullen dus moeten werken aan een wereld waar vrede heerst en iedereen genoeg heeft. Tot dat de echte Koning van de wereld zelf komt om zijn tenten hier op aarde te spannen. Tot de dag dat alle tranen gedroogd zullen zijn en de dood niet meer heerst, tot die dag blijven wij aan die aarde werken.

Amen.

 

Read Full Post »

Lezen: Genesis 28: 10-22

              Johannes 20: 19-31

Gemeente,

Vandaag is het beloken Pasen. De achtste dag na Pasen en de eerste Zondag na het Paasfeest. Maar wat kunnen wij gelovigen aan de ongelovigen om ons heen er over vertellen? Waren het dromen over de opstanding van iemand uit de dood? Dromen horen vanouds bij het geloof in de God van Israël, Vader van Jezus Christus. Maar maken wij het verschil tussen droom en werkelijkheid niet heel erg klein? Zo klein dat het niet meer reeël is om er in mee te gaan? Op zich is het wel bijzonder dat dromen in onze godsdienst soms een grotere rol spelen dan de concrete alledaagse werkelijkheid..

Godsdiensten gaan vanouds gepaard met concrete beelden in hout, steen of metaal, bekleed met goud of zilver. Vaardige handen van bekwame kunstenaars maakten beelden van de God die moet worden aanbeden. Wij zijn dat niet meer gewend, maar wie op vakantie naar Italië, Griekenland of Egypte gaat komt daar nog beelden in overvloed tegen die vroeger als goden werden aanbeden. We kunnen ons eigenlijk ook niet voorstellen dat iedereen beelden aanbidt en beelden bezit, mooie en simpele. Een cultuur waar jij, als gelovige in de God van Israël, dan een uitzondering op bent. In het Romeinse Rijk werden die Joden en Christenen dan ook aangeduid als Atheïsten, zij die geen goden hadden.

Aanpassen aan de heersende gewoonten is toch heel natuurlijk, vooral als de overheid het ook nog voorschrijft? Het niet willen geloven in concrete beelden was één van de factoren die de grondslag vormden voor de onafhankelijkheid van ons land, de Beeldenstorm, en nog steeds is er een afkeer van een overmaat aan beelden in de kerk.

De Jacob waar we vanmorgen over hebben gelezen heeft ook niet van die beelden van zijn God. Zijn vader Izaak had ze niet en grootvader en stamvader Abraham had ze al helemaal niet. Als Jacob dan ook op de vlucht slaat na het bedrog waarbij hij de erfenis heeft ontfutseld is de droom over de belofte die zijn familie voortdurend op reis stuurde het enige dat hij heeft van die God. Die God is niet op een stuk grond dat van jou is te vangen. Dat stuk grond is ook niet de aarde die door die God vruchtbaar gehouden moet worden. Die God gaat met jou mee waarheen je ook gaat zelfs als je moet vluchten. Het huis van die God is de steen die je als kussen gebruikt, want in je slaap komen de dromen van een betere wereld, van het grote volk waarvan jij de stamvader of stammoeder mag zijn.

Jacob richt een steen op staat er, hij plaatst een zogenaamde style, dat doen wij ook wel eens. Je komt ze tegen op gevaarlijke kruispunten of op punten waar ernstige ongelukken zijn gebeurd of iets vreselijks. Volgende maand gaan we weer naar een aantal van die plekken toe om bloemen en kransen te leggen, opdat wij niet vergeten hoe veel leed en ellende mensen elkaar kunnen aandoen. Voor Jacob markeert de steen de toegang tot de hemel, de toegang tot de God van Abraham en Izaak. Bethel betekent dan ook huis van God.

Vroeger heette die plaats Luz staat er dan, Luz betekent Amandelboom, het was dus geen onvruchtbare plaats en de Amandelboom is de eerste boom die in de lente bloeit, zoiets als bij ons het sneeuwklokje. Die boom heeft net als ons sneeuwklokje een geweldige levenskracht. Geen wonder dat je daar de poort naar de hemel kunt ervaren. God zou veel later, na de terugkeer uit de ballingschap ook Jeremia wijzen op het beeld van de Amandelboom, ondanks de kou van de ballingschap bloeit de Amandelboom als teken dat het leed niet voor altijd zal duren. Jacob vertrekt naar zijn ballingschap met de belofte dat hij stamvader van een groot volk zal worden.

Iedereen die kinderen heeft mag het zich realiseren, je bent stamvader of stammoeder van een groot volk. Jouw kinderen kunnen ook op die nieuwe manier verder gaan. Geen beelden waarvoor je moet neerknielen maar een God die je de richting wijst. De richting van eerlijk delen, van een deel van hun vermogen steken in die onbekende onzichtbare God die wil dat je je naaste liefhebt als jezelf.

Jacob heeft in zijn droom iets van die belofte ervaren.. De hemel en de aarde raken elkaar in zijn droom, er is een directe verbinding en de belofte dat de God van zijn vader en grootvader ook met hem mee zal gaan. En de belofte dat het land dat hij ontvlucht eens het land zal zijn waar het volk dat van hem afstamt zal wonen. Een ongelofelijke droom, als die uitkomt, tenminste als hij ooit zal terugkeren, wil Jacob er wel een tiende van zijn inkomen in investeren.

Wij blijven ondertussen zitten met mensen die ook vandaag nog met gesloten ogen en koude harten de overheid navolgen en wetten uitvoeren. Wij wonen zeker niet in een land waar Jacob van droomde, een land waar het verschil tussen hemel en aarde was weggevallen. Wij wonen in een land met voedselbanken. Een land waar vreemdelingen zonder papieren opgevangen moeten worden in leegstaande kerken. Een land waar vluchtelingen voor oorlog en geweld vaak niet echt welkom zijn. Een land waar we er niet in slagen mensen een veilige plek onder de zon te geven waar ze een positieve bijdrage kunnen leveren aan de samenleving die we in de wereld vormen.

Jacob wordt gedwongen vreemdeling te worden. Bedrog en hebzucht lieten hem geen andere keus. Vreemdelingen laten ons vaak zien dat wij nog steeds niet in een land wonen waar de droom van Jacob is gerealiseerd.

Maar was dat opstandingsverhaal niet ook gewoon een verhaal over dromen. Wensdromen op het moment dat alles verloren leek. Je wenst dan gemakkelijk dat je geliefde weer op staat, dat die dood niet echt waar is. Johannes neemt in de lezing van vandaag die wens serieus. Ook zijn verhaal gaat over een directe verbinding tussen hemel en aarde, een verbinding die we allemaal mee mogen maken, een verbinding waarvoor we kerken hebben gebouwd.

We lezen in het verhaal van Johannes dat we vandaag lezen zo gemakkelijk alleen wat er over Tomas wordt verteld. Maar het verhaal dat we vanmorgen gelezen hebben is ook een Pinksterverhaal. Een verhaal over de uitstorting van de Heilige Geest. Wij vieren dat pas vijftig dagen na Pasen. Dat komt omdat in het verhaal dat Lucas heeft opgeschreven op die feestdag van de Joden, het Wekenfeest, de ramen en de deuren van de volgelingen van Jezus van Nazareth werden opengegooid en iedereen werd uitgenodigd mee te gaan doen met de nieuwe beweging van de Weg.

Maar ook Lucas had in zijn Evangelie geschreven dat de uitstorting van de Heilige Geest al veel eerder was geweest toen de volgelingen van Jezus van Nazareth bijeen waren en hij daar plotseling in hun midden stond.

Het verhaal gaat dus over iets anders dan over geloof en ongeloof. Als we goed lezen zien we dat het verhaal gaat over leven en dood. God had immers met zijn adem het leven in de mensen geblazen toen ze mens werden, het is het verhaal uit het begin van Genesis. Ook Ezechiël had het beeld gebruikt in zijn verhaal over het dal van de dorre doodsbeenderen toen hij de mensen van Israël weer in beweging moest brengen. De adem van God brengt het leven voor mensen. Nu is in het Hebreeuws het woord voor adem hetzelfde als het woord voor Geest. Doordat de apostelen nu leven van de adem van Jezus van Nazareth, de adem van God,  kunnen zij ook echte volgelingen worden van Jezus van Nazareth, de bevrijding van de armen naderbij brengen.

Maar dan die Tomas, wat moeten we dan met die Tomas. Tomas legde het leven niet bij de adem van God, maar bij het lichaam, het vlees zou Paulus dat later gaan noemen. Tomas was voor het verhaal van Johannes nodig om duidelijk te maken dat Jezus van Nazareth ook echt bij de apostelen was geweest na de kruisiging. Hij was niet een geestverschijning of een droom die ze in een trance hadden gezien. In de dagen dat Johannes zijn Evangelie schreef werd dat nog wel eens beweerd en in onze dagen zijn er zogenaamde esoterische christenen die ongeveer hetzelfde beweren.

Jezus van Nazareth heeft echt geleden, daar is bloed gevloeid. Dat had niets te maken met een vrolijke optocht achter een groot plastic kruis door een grote stad. Dat had te maken met bloed, zweet en tranen en ondraaglijke pijn. Om dat niet te vergeten is Tomas nodig. Wie dat in een romantisch verhaal wil wegpoetsen is zelf een ongelovige Tomas. Wij mogen ons openstellen voor de Geest van God, de Geest van Jezus van Nazareth, elke dag weer en gaan werken aan de bevrijding van de armen, ook vandaag weer.

Wij dromen van een aarde die zo mooi geworden is dat God zelf er wil wonen. Maar we dromen die droom op grond van de belofte van een God die ook de belofte waar maakte dat de dood zou worden overwonnen en niet het laatste woord zou hebben. We hebben betrouwbare getuigen dat God ook met ons meetrekt, dat God ook zijn beloften aan ons zal nakomen omdat zijn hand niet laat varen hetgeen hij begonnen is. En het is die God die bij het begin van onze aarde van de chaos, de woestheid en de ledigheid die aarde schiep tot mensenland. Laten wij dan zo voor de mensen zorgen dat de aarde een mensenland voor alle mensen wordt.

Amen

 

 

Read Full Post »