Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for januari, 2016

Lezen: Jesaja 61: 1-9

            Lucas 4: 14-21

Gemeente,

Elk jaar klinken tussen Nieuwjaar en de 40 dagen voor Pasen verhalen over het optreden van Jezus van Nazareth. Elk jaar ook horen we die verhalen uit een ander Evangelie. Dit jaar horen we vaak lezen uit het Evangelie naar Lucas, vandaag dus ook. Vandaag gaat het dan over het optreden in de stad waarin Jezus van Nazareth opgroeide, Nazareth.

Nazareth in Galilea wordt er zeer uitdrukkelijk gezegd. Nu werd Galilea door de Joden in Jeruzalem spottend het land van de Heidenen genoemd, daar namen ze het niet zo nauw met alle regels die het geloof aan de mensen oplegde. En Nazareth was helemaal een minderwaardig stadje, eigenlijk betekende Nazareth struikgewas, het struikgewas in het land van Heidenen. Als u nu denkt aan struikrovers dan denkt u hetzelfde als menig inwoner van Jeruzalem.

Nu schrijft Lucas aan de Romein Theofilus hoe in de dagen van Jezus van Nazareth het verhaal uit de Hebreeuwse Bijbel opnieuw ging leven. Lucas vertelde de Hebreeuwse Bijbel als het ware weer opnieuw. We denken wel eens dat die vier evangeliën vier keer van hetzelfde is, maar dat is dus zeker niet het geval. Elk Evangelie heeft een eigen verhaal, een eigen verkondiging. Daarom zijn de verhalen uit de vier Evangeliën ook niet uitwisselbaar en moet je ook niet proberen ze aan elkaar te plakken om er een soort historische biografie van te maken. Die pogingen zijn gedoemd om te mislukken.

Lucas probeert vanaf het begin van zijn Evangelie het verhaal van de Hebreeuwse Bijbel opnieuw te vertellen. In zijn verhaal mag Johannes de Doper de rol van wegbereider vertolken die door profeten als Jesaja was aangekondigd en nu klinkt de inhoud van het optreden van Jezus van Nazareth in de synagogen. De lezing uit het boek van de profeet Jesaja. Tijd dus om ons af te vragen wat er nu eigenlijk stond in het gedeelte dat werd voorgelezen uit het boek van de profeet Jesaja.

Het is het begin van wat geleerden noemen het boek van de Trito Jesaja. In het boek van de profeet Jesaja kun je drie gedeelten onderscheiden. Het eerste deel gaat over de periode voor en in het begin van de ballingschap. Het tweede gedeelte beschrijft de periode van de ballingschap en de tijd dat er uitzicht ontstond op het einde van de ballingschap en Trito Jesaja gaat dan over de tijd van de terugkeer en vlak daarna. Die Trito Jesaja heeft ook de redactie over het boek Jesaja gevoerd en er één boek van gemaakt.

We laten ons voor het verstaan van dit gedeelte gemakkelijk verleiden te blijven haken bij dat aangename jaar des Heren. Een aangenaam jaar willen we allemaal wel en als het van de God van Israël komt dan moet het wel extra aangenaam zijn. Maar de profeet Jesaja schetst een complete samenleving, hij schetst een nieuwe toekomst met een samenleving waar gewerkt wordt, maar waar niet langer ieder voor zich werkt, maar waar gewerkt wordt voor de minsten in de samenleving. Gevolg is dan dat de blinden gaan zien, de lammen gaan lopen, de hongerigen gevoed worden, de dorstigen gelaafd en de gevangenen bevrijdt. En wat we dan gemakshalve overslaan is dat de vreemdelingen werk krijgen, ja dat vreemden het werk gaan doen dat nodig is om al die mooie dingen te bereiken.

Het is toch altijd weer aardig in de Bijbel beloften over een samenleving met vreemdelingen tegen te komen op een moment dat de spanningen tussen Nederlanders en vreemdelingen steeds weer dreigen op te lopen.

Jesaja vertelt een ander verhaal over de aard van de godsdienst van Israel dan het angst en haat zaaien voor vreemden dat nu in onze samenleving gebeurd. De profeet roept op om met de bevrijding van de armen te beginnen. Dan zullen we “priesters van de Heer” genoemd worden. Dan zal de samenwerking met vreemdelingen ons allemaal tot voordeel strekken. Ook hen zal eeuwige vreugde ten deel vallen zegt de profeet hier.

In het begin van dit stuk wordt ook gesproken over een “genadejaar”. Dat was een oud voorschrift dat eigenlijk nooit in praktijk schijnt te zijn gebracht. Bij de intocht in het beloofde land is het land zorgvuldig verdeeld onder alle families, in het boek Jozua wordt daar nauwkeurig verslag van gedaan. Nu wist men ook wel dat oogsten kunnen mislukken, mensen ziek kunnen worden, verkeerde beslissingen kunnen worden genomen en het wel eens tegen kan zitten in het leven. Er zouden dus families zijn die in de loop van de jaren hun grond zouden kwijt raken en dus geen kansen meer zouden hebben iets voor zichzelf op te bouwen. Elke 50 jaar moest daarom het land weer worden teruggegeven aan de oorspronkelijke familie aan wie het was toegewezen. Gevangenen en slaven zouden worden vrijgelaten en iedereen zou weer opnieuw kunnen beginnen. Dat jaar wordt door de Profeet aangekondigd

Jezus van Nazareth leest dus dat stuk van Jesaja voor. Om te begrijpen moeten we de situatie waarin Jesaja leefde en waarin Jezus van Nazareth leefde in beschouwing nemen. Jesaja leefde in de tijd van de ballingschap. Jeruzalem was verwoest, het volk was weggevoerd. Midden in die ellende begon Jesaja het volk te vertellen dat Jeruzalem opnieuw opgebouwd zou worden en dat de ballingen terug zouden keren. Jezus van Nazareth leefde onder een Romeinse bezetting en Lucas schreef zijn Evangelie toen de Tempel in Jeruzalem opnieuw verwoest was. Lucas hield dus zijn volk voor dat het aangename jaar van de God van Israël, dat genadejaar, toch zou aanbreken. Maar hoe dan?

Daarvoor moeten we misschien een voorbeeld uit onze eigen dagen eens bezien, het voorbeeld van Nelson Mandela Toen Nelson Mandela werd vrijgelaten waren er veel mensen bang dat het geweld in Zuid-Afrika tegen de blanken een ongekende omvang zou aannemen. Niets was minder waar. Het was juist aan Nelson Mandela te danken dat er geen burgeroorlog in Zuid Afrika uitbrak. Men begon, met alle problemen van dien, te proberen samen een nieuwe samenleving op te bouwen waar geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen mensen op grond van hun afkomst en waarin iedereen kan meedoen. Het grote van Nelson Mandela was niet zozeer dat hij 30 jaar in gevangenschap heeft gezeten zonder zijn opvattingen te hebben opgegeven, maar dat hij daarna verzoening wist te krijgen met zijn onderdrukkers.

We moeten de Bijbel wel heel goed kennen om te begrijpen dat er in dit verhaal met Jezus van Nazareth net zo iets gebeurt. Jezus van Nazareth onderwijst in de synagogen, leren noemt men dat. Jezus van Nazareth leest in de synagoge van de stad van zijn jeugd uit het boek Jesaja, en hij houdt de preek. Onze kerkdiensten komen voort uit de bijeenkomsten in de Synagogen. Al ging in de Synagogen iedereen voor, elke man van 12 jaar of ouder kreeg een deel van de Hebreeuwse Bijbel te lezen en mocht als hij zich daartoe geroepen voelde er iets over vertellen. Jezus doet dat ook, maar het is de kortste preek die de Bijbel kent. “Heden wordt dit schriftwoord vervult. De toekomst die Jesaja had geschetst is dus al begonnen.

Jezus van Nazareth stopt zijn lezing van het stuk uit Jesaja op het punt waar iedereen nog een halve zin zou doorlezen. Na “het genadejaar zou uitroepen” staat namelijk “en de dag der wrake”. In plaats van de opstand uit te roepen tegen de Romeinen wijst Jezus van Nazareth er zo op dat er in de geschiedenis van het volk Israel ook momenten waren dat het nodig was om je aan de rand van de samenleving op te houden zoals Elia had gedaan door de woestijn in te vluchten, of zelfs je bezig te houden met buitenlanders zoals Elisa deed bij Naäman, de Syrische generaal. Dan is het mooi dat je aandacht en begrip voor de armen vraagt en hen bevrijding belooft maar gewone dorps en stadsbewoners zijn over het algemeen niet arm maar ze zijn wel slachtoffer van een wrede bezetting.

Jezus van Nazareth sluit aan bij opvattingen van profeten als Jeremia die betoogde dat het niet zoveel zin had tegen machten te vechten waar je het niet van kon winnen maar dat het goede doen en de Liefde betonen, altijd tot overwinning leidt.

Aan het afzien van geweld wil het hier nog wel eens ontbreken, en daar kunnen we allemaal zelf iets doen door vandaag te beginnen naar vrede met elkaar te streven. Dat is het echte goede nieuws voor de armen. De toekomst van vrede is immers al lang begonnen.

De notie van het aangename jaar des Heren, het genadejaar, heeft overigens ook vaak in de politiek weerklonken. Na de tweede wereldoorlog hoorde je dat bijvoorbeeld in de Europeese Beweging. Door de samenwerking in Europa zou een herhaling van de beide wereldoorlogen kunnen worden voorkomen en de welvaart in Europa kunnen toenemen. De bevrijding van de armen zou eindelijk gestalte kunnen krijgen. En Europa heeft ons inderdaad een heleboel welvaart gebracht.

Maar het land dat overvloeit van melk en honing is nog niet bereikt. We leven nog niet in een samenleving waar alle tranen zijn gedroogd, waar lammen lopen, blinden zien en waar iedereen meetelt. We zijn dan ook niet geroepen om partijpolitieke doelen te steunen, we zijn geroepen om naar mensen te kijken en wel met de bril van de richtlijnen voor de menselijke samenleving op. Jesaja wijst op de gelovigen die boomstammen, terebinten, van gerechtigheid kunnen zijn. Niet aflatend blijven ze zien op de treurenden van Sion en Sion is de plek waar de Ark van het verbond werd bewaard, waar de richtlijnen voor de menselijke samenleving te vinden waren. Om die richtlijnen gaat het ons, want wij verkondigen de bevrijding van de armen als het liefhebben van de God van Israël boven alles, boven eigen belang, boven het belang van onze natie, omdat wij de armen in de wereld liefhebben als onszelf. Elke dag opnieuw. Totdat hij komt.

Amen

 

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: Jesaja 40: 1-11

              Lucas: 3:1-22

Gemeente

Troost, troost mijn volk. Zo begon de lezing uit het boek van de profeet Jesaja, God roept mensen op zijn volk te troosten.

We hoorden vandaag het verhaal van een onbekende profeet. Deze onbekende profeet wordt de tweede Jesaja, of deutero Jesaja genoemd. Waarschijnlijk is zijn verhaal terecht gekomen in het boek van Jesaja omdat hij een volgeling van Jesaja was. Net zoals de oorspronkelijke Jesaja de hoop op bevrijding levend hield voor en bij het begin van de ballingschap hield deze deutero Jesaja de hoop op bevrijding levend toen de ballingschap al een tijd aan de gang was en het er op leek dat er ook een einde aan zou kunnen komen. Er is overigens ook een derde Jesaja, van wie je vanaf hoofdstuk 55 kunt lezen, die uiteindelijk het boek van de profeet Jesaja heeft samengesteld en uitgegeven. Zo werd het beleefd als één boek, het boek van de hoop op bevrijding, zo wordt dat boek tot op de dag van vandaag gelezen.

Deze tweede Jesaja zat met een groot probleem. In de religieuze opvattingen van zijn tijd had de God van Israël verloren van de goden van Babel. De oppergod van Babel, Marduk, had duidelijk gewonnen want zelfs het zilver van de Tempel was naar Babel overgebracht, samen met het volk. Die Marduk, de dondergod, moest wel een hele sterke God zijn want toen koning Nabonid van Babel zich afwendde van de godsdienst van Marduk en de maangodin Sin ging aanhangen verzwakte het rijk van Babel en kon het worden veroverd door Cyrus. Het waren zelfs de priesters van Marduk die de poorten van Babel openden voor de veroveraar. Maar het was Cyrus die vrijwel direct besloot de Joden terug te laten keren naar hun eigen land en hen toestemming gaf hun eigen God weer te gaan aanbidden en hun Tempel te herbouwen. Ze mochten zelfs het tempelzilver uit Babel mee terug nemen naar Jeruzalem.

Voor deutero Jesaja bestaan die andere goden gewoon niet. Het is de God van Israël die alle machten en krachten van de wereld te boven gaat. Het is dus niet Cyrus, of zijn god of goden die de bevrijding bewerkstellingen, Cyrus wordt de zoon van God genoemd. Daarom vertegenwoordigen de teruggekeerde ballingen juist die God van Israël, een God waar je op kunt bouwen, die niet laat varen het werk dat ooit werd begonnen. Zo werd zelfs de heidense Koning Cyrus een werktuig in de hand van die God, een messias. De eredienst van die God kon weer beginnen.

En wat was de eredienst van die God dan wel? Daar draait het natuurlijk om. Dat was niet een mooie Tempel met een prachtig godenbeeld, veel priesters in deftige gewaden en veel offers waarmee die god werd gevoed en die de god veel kracht gaven.. Dat was een Tempel waar het verbond met die God werd bewaard en gevierd. Dat verbond dat draaide om je naaste liefhebben als jezelf, daarmee heb je die God lief boven alles. Dat was wat die Priesters uitdroegen, zij spraken ook recht tussen de mensen en zorgden daarmee voor rechtvaardigheid. Zij zorgden er ook voor dat die offers werden gedeeld, met de armen en met de vreemdelingen. Daarom begint dit verhaal van deutero Jesaja met een feestelijke optocht. God gaat voorop en de hele wereld loopt er achteraan, achter de God van vrede en gerechtigheid, als de Liefde weer gaat regeren op aarde. Herauten kondigen de komst van de optocht aan: Maak plaats, bereid de weg des Heren. Maar een beeld van die God was er niet, die God was voor de mensen die hem nodig hadden zoals hij er voor die mensen wilde zijn.

En die oproep de weg des Heren te bereiden kennen we ook van Johannes de Doper, de neef van Jezus van Nazareth, die in de woestijn aan de oever van de Jordaan het volk oproept zich klaar te maken voor de bevrijder die het volk weer de gelegenheid zal geven in vrijheid de God van Israël te dienen En dat met een beroep op het boek van de profeet Jesaja met de woorden die we vanmorgen uit dat boek hebben gehoord. .

Die Johannes moet een verpletterende indruk gemaakt hebben, heel het volk liet zich door hem dopen. Paulus zal veel later op zijn reizen in Klein Azië nog volgelingen van Johannes tegenkomen aan wie hij moet uitleggen hoe de verhouding was tussen Jezus van Nazareth en Johannes de Doper. Op zich is de populariteit van Johannes trouwens merkwaardig. De Romeinse bezetters en hun marionettenkoningen zitten stevig in het zadel zo vertelt Lucas ons. Dan komt Johannes met zijn roep zoals Jesaja die heeft verwoord. Maar Johannes vult die roep aan met “Addergebroed, wie heeft jullie wijs gemaakt dat je veilig bent voor het komend oordeel?” Je zal je zo laten uitschelden. Maar over welk oordeel heeft Johannes het eigenlijk? Wij zijn geneigd om dan te wijzen op passages over het laatste oordeel, de dag des Heren door de profeten genoemd, als de Messias weerkeert als de mensenzoon op de wolken om te oordelen de levenden en de doden. Maar deutero Jesaja heeft het daar nu net niet over. Bij deutero Jesaja gaat het om een bevrijding uit de ballingschap en een herstel van Jeruzalem, de Tempel en het rijk van David. Daar komt de God van Israël weer in het middelpunt, daar gaan we weer bij zijn Tempel oefenen in het delen, daar wordt aan de armsten en de minsten weer recht gedaan. Een politiek program. Ook volgens Johannes de Doper. En het oordeel is dan over wie welke partij gekozen heeft, de partij van de macht en de zelfzucht of de partij van het delen, niemand ontkomt aan die keus, ook vandaag niet.

In het verhaal zoals ons dat vertelt wordt in het Evangelie van Lucas neemt Jezus van Nazareth de prediking van de oproep tot verandering naadloos over van Johannes de Doper als deze eenmaal door koning Herodes gevangen is gezet. Deze Herodes was de opvolger van de Herodes die koning was toen Johannes en Jezus geboren werden. Sommigen vragen zich trouwens af door wie Jezus van Nazareth eigenlijk gedoopt was want eerst wordt verteld dat Johannes de Doper gevangen is gezet en daarna wordt verteld dat ook Jezus van Nazareth gedoopt werd. Maar Johannes had ook zijn program uiteengezet. Het volk moest aan de slag, dat ze afstamden van Abraham was niet genoeg, nee, wie twee stel onderkleren heeft moet delen met wie er geen heeft en wie eten heeft moet hetzelfde doen. Tollenaars mogen niet meer vragen dan hen is opgedragen en soldaten mogen zich niet inlaten met afpersing van het volk.

Later zou Jezus van Nazareth het program van Johannes de Doper verder uitwerken in zijn bergrede, daar vinden we soms bijna letterlijk dezelfde elementen terug. Dat de geschiedenis van Johannes de Doper diepe indruk had gemaakt blijkt ook uit de geschiedschrijving van het volk van Israël. Joden wezen de aanbidding van de Romeinse Keizer als god af, ze hielden een vrije dag in de week en ze hadden ingewikkelde regels over wat ze wel en niet mochten eten. De Joodse Historicus Flavius Josephus schreef in het begin van onze jaartelling een paar boeken  ter verdediging van de Joden. In zijn boek over de Joodse geschiedenis komt ook Johannes de Doper voor. Tegenover de liederlijkheid van het hof van Herodes wordt Johannes de Doper geschilderd als een goed mens die de Joden opgeroepen had deugdzaam te leven door gerechtigheid te betrachten en zich te laten dopen. Uit dat boek komt ook het verhaal over Salome en de dans voor de Koning die als beloning het hoofd van Johannes de Doper op een schaal kreeg. Dat verhaal staat dus niet in de Bijbel.

Het evangelie van Lucas is het enige verhaal dat vertelt dat Jezus van Nazareth aan het bidden was toen dat visioen met die duif en de stem die riep dat hij de zoon van God was gebeurde.

Wil je een taak op je nemen als die van Johannes de Doper dan moet je wel alle moed verzamelen. De beste manier omdat te doen is je helemaal open stellen voor het Woord van God, alle verhalen in je op nemen en je volledig overgeven aan het vertrouwen dat God met je mee gaat als je de Weg van de God van Israël volgt en mensen oproept om te delen met elkaar van wat ze hebben en er samen voor te zorgen dat iedereen kan meedoen en niemand meer honger heeft of langs de weg hoeft te blijven zitten, dat noemen we bidden.

De doop van Johannes heeft dus heel uitdrukkelijk een maatschappelijke taak. Het gaat er weer om te delen met elkaar en te zorgen dat iedereen recht wordt gedaan.

Natuurlijk mag er bescherming zijn tegen het kwade, soldaten mogen soldaten blijven, maar van onderdrukking door een overheid is geen sprake meer, het recht van de God van Israël regeert.

Natuurlijk moet er belasting worden betaald en geheven, maar uitbuiting van het volk omdat ook de inners van belasting er rijk van moeten worden is er niet meer bij.

Vergeleken met de samenleving voordat Johannes en Jezus optraden komt de samenleving op zijn kop te staan, Zijn woord wil deze wereld omgekeerd dichtte Huub Oosterhuis dan ook, dat lachen zullen zij die wenen. Machtigen stoot hij van de troon was er bij de ontmoeting tussen Maria en Elisabet gezongen, de moeders van Jezus en Johannes.

We moeten daarbij ook bedenken dat de doop door Johannes en van Jezus plaatsvonden bij de Jordaan. Dat heel het volk zich liet dopen heeft ook een eigen betekenis. Het zijn geen individuen die alleen blijven staan, pas door de doortocht door de schelfzee en de intocht in het beloofde land werd men een volk, een volk met een eigen missie, licht te zijn voor alle volken in de wereld.

Bij Johannes en Jezus gaat het er om dat door de doop mensen bevrijdt worden van de onvruchtbaarheid van de woestijn en door het water van de doop intocht kunnen doen in het land dat overvloeit van melk en honing. In zo’n land is het helemaal niet nodig alles voor jezelf te houden. In zo’n land wordt delen heel gewoon. In zo’n land is de angst voor de toekomst verdwenen, wat de toekomst ook brengen moge, de God van Israël zal zijn kudde weiden, zong deutero Jesaja. In zo’n land zijn voedselbanken niet meer nodig, dat land strekt zich uit tot de einden der aarde, daar zijn dus ook vluchtelingen broeders en zusters die geholpen en opgevangen moeten worden, in Gods land zal geen honger zijn en geen gebrek, daar zullen uiteindelijk alle tranen gedroogd zijn.

Daar mogen we mee rekenen, zo mogen we het program van Johannes en Jezus in de praktijk brengen, elke dag opnieuw, samen met allen die zich druk maken over de minsten op aarde, want aan de vruchten die wij voortbrengen dient men ook ons te herkennen.

Zo mogen wij de Geest van God aanroepen, die daalde als een duif op Jezus van Nazareth neer, maar die is ook ons beloofd, gedoopt als wij zijn met water mogen wij ook gedoopt zijn met de Heilige Geest. En het feest van de doop van de Heer werd daardoor ook het eerste Pinksterfeest.

Johannes hield zijn mond niet over het verkeerde dat er op aarde was, over de zelfzucht en de eigendunk, waar mensen elkaar gebruiken als voorwerp om hun eigen lusten te bevredigen zoals Herodes had gedaan. Het leek zijn dood te worden, maar de Geest van God zorgde er voor dat zijn boodschap bleef klinken, tot aan de uiteinden der aarde, tot hier in Callantsoog aan toe. In die Geest mogen ook wij die boodschap laten klinken, in woord en daad, in de manier waarop wij gemeenschap, kerk, willen zijn en de manier waarop wij ons leven inrichten. Als lichtend licht en zoutend zout zou Jezus ons leren.

Amen

 

Read Full Post »

Lezen: Jesaja 60:1-6

Matteüs 2:1-12

Gemeente,

De magiërs zijn er weer vandaag. Ik ook. Een jaar geleden stond ik hier ook op het feest van de magiërs. In de volksmond Driekoningen genoemd, maar dat driekoningen is een fantasie die het mogelijk maakte van Keulen een bedevaartsplaats te maken, want daar in de Dom van Keulen liggen de drie koningen begraven zegt men. Ik zou nu de preek van vorig jaar kunnen herhalen maar dat leek mij weinig vruchtbaar, die boodschap kent u en de verhalen uit de Bijbel zijn zoveel rijker dan dat ze in één preek uitgelegd kunnen worden.

Dat komt ook omdat we de neiging hebben de Bijbel verkeerd te lezen. Dat is niet nieuw dat is al heel oud. We hebben het met de Kerst bijvoorbeeld over een stal, maar de stal komt in het verhaal van Lucas niet voor. Daar wordt alleen een voederbak gemeld waarin het kind wordt gelegd gewikkeld in een doek, net als het rotsgraf waar hij in doeken gewikkeld werd gelegd na de kruisiging. En wie denkt bij een voederbak niet aan het brood dat gedeeld moet worden net als zijn lichaam werd gedeeld.

Elk verhaal in de Bijbel, elk Bijbelboek heeft een eigen boodschap. De Bijbel is geen geschiedenisboek, is geen natuurkundeboek, geen biologieboek, de Bijbel verkondigd het geloof in de God van Israël en die verkondiging gebeurt op een heleboel verschillende manieren. Het optellen van Bijbelverhalen bij elkaar kan ons dus het zicht op de verkondiging benemen. Bij het lezen van de Bijbel is dus de eerste vraag wat de verkondiging van het verhaal, van het Bijbelboek is. Na het Kerstverhaal met de stal is het dus niet de vraag waar dat huis vandaan kwam waar Matteüs het over heeft, maar wat wil de Evangelist Matteüs ons duidelijk maken met dit geboorteverhaal.

Neem nu het gedeelte dat we vandaag uit het boek van de Profeet Jesaja hebben gelezen. Wie dat hele boek gelezen heeft blijft zitten met de vraag hoe één profeet dit geschreven kan hebben. Eerst waarschuwt de profeet zijn volk voor de mogelijkheid dat ze in ballingschap worden weggevoerd. Dat helpt niet want ze worden in weggevoerd. Dan steekt de profeet de ballingen een hart onder de riem, ze zullen na verloop van tijd weer terugkeren, als ze zelf terugkeren naar de richtlijnen die de God van Israël ooit heeft gegeven. En in het laatste deel zijn de ballingen teruggekeerd naar het land Israël en dan roept de profeet het volk op een samenleving te vormen naar die richtlijnen van hun God. Het gevolg zal zijn dat alle volken van de wereld jaloers zullen zijn op het prachtige resultaat en zich ook zullen willen aansluiten bij het volgen van de richtlijnen voor de menselijke samenleving die in de leer van Mozes zijn gegeven.

Geleerden nemen nu aan dat er meer profeten hebben meegeschreven aan het boek van de profeet Jesaja. Sommigen denken aan drie, anderen aan een school die door Jesaja was gesticht en waar zijn gedachtengoed werd bewaard en toegepast op de veranderende actualiteit.

Dat licht dat opgaat, de schittering die bezongen wordt, de Koningen die zich naar Jeruzalem keren hebben dus niets te maken met het sterrenlicht van het verhaal van Matteüs en de wijzen als Koningen aanduiden is dus een misverstaan van het verhaal van Jesaja. De roep van de profeet om van je samenleving een samenleving te maken die gebaseerd is op liefde, op zorg voor de minsten blijft natuurlijk klinken en die roep mogen wij proberen te verstaan en te volgen.

De gedachte dat alle volken het voorbeeld van Israël zouden volgen als Israël het op zou brengen de richtlijnen van de God van Israël voor de menselijke samenleving te volgen klinkt door heel de Hebreeuwse Bijbel. Het is dan ook helemaal niet raar dat Matteüs zijn verhaal over Jezus van Nazareth begint met een samenvatting. Jezus van Nazareth staat helemaal in de traditie van Israël zo vertelt Matteüs met een lange lijst namen, de wording van de messias wordt gekenmerkt door zijn stamboom die dan ook het eerste is waarmee Matteüs zijn Evangelie opent.

En als de Messias dan geboren is, in Bethlehem in Judea, dan komen ook de volken naar Jeruzalem om hem eer te bewijzen. Precies zoals de Bijbel heeft gezegd, uit de afgehouwen stam van Isaï, de vader van David, is een nieuwe koning geboren.

Maar in Jeruzalem heerst geen koning uit Israël maar een Koning uit Edom, het zustervolk van Israël. Afstammelingen van Esau, een volk dat altijd in gevecht is gebleven met de nakomelingen van Jacob. Herodes de Edomiet is Koning. Die kent de Hebreeuwse Bijbel niet vertelt Mattheüs. Hij heeft priesters nodig om zich te laten uitleggen dat de oorsprong van de Koning naar Gods hart in Bethlehem ligt, ze citeren de profeet Micha, die het heeft over de kleinste stad van Israël.

De wichelaars waar Matteüs het over heeft doen ons gemakkelijk denken aan de Chaldeeën, waar Daniël mee in concurrentie was, zij kenden de sterren, Daniël het verhaal van God. En uit Ur der Chaldeeën trok Abraham ooit weg. Toen Abraham gestorven was verdeelden zijn oudste zonen Ismaël en Izaak de erfenis. Maar er waren ook nog een aantal zonen die Abraham had verwekt bij de slavin Ketura, zij werden met geschenken heengezonden. En kijk nu eens de wichelaars komen terug met geschenken. De naam van hun moeder Ketura betekende wierook, en mirre, wierook en goud waren de geschenken.

Matteüs vertelt ons dus dat de geboorte van de Messias helemaal in de lijn van de Hebreeuwse Bijbel heeft plaatsgevonden. Dat die Messias ook echt een kind van David was, geboren op dezelfde akker als David en dat het optreden van die Messias het licht voor de volken zal zijn en zal schitteren als de sterren zodat alle volken zich zullen laten bevrijden door die Messias.

Een mooi verhaal. Net als dat mooie verhaal van Jesaja. Maar met de komst van een goddelijke bevrijder is het kwaad nog lang niet de wereld uit. Jesaja had Koning Cyrus als Messias aangeduid omdat Cyrus de ballingen had bevolen terug te keren om Jeruzalem en haar Tempel opnieuw op te bouwen. Maar die opbouw gebeurde met het zwaard in de ene en de troffel in de andere hand. Tegen die opbouw was het nodige verzet gerezen.

De komst van de magiërs naar Jeruzalem en de eer die ze aan het kind in Bethlehem bewijzen loopt ook uit op het bloed van onschuldigen dat aardse Koningen ne eenmaal weten te vergieten. Het loopt uit op de kindermoord in Bethlehem. De magiërs maakten kennis met de droom van de bevrijding, een kind zal koning zijn, voor hen had Herodes daarom afgedaan. Jozef en Maria moeten met hun kind vluchten en vluchtende gezinnen kennen we maar al te goed.

Dit gezin zou in Nederland niet worden toegelaten, ze kwamen uit Nazareth en daar had Herodes niks te vertellen. Er was dus een vluchtalternatief in de eigen regio. Maar Mattheüs vertelt ons iets belangrijkers. Ze vluchten naar Egypte net als Jacob naar Egypte was gevlucht, en als een nieuwe Mozes zou de bevrijder van Israël, de messias terugkeren.

Alle volken zouden hem moeten volgen en tot die alle volken horen ook wij. Wij hebben hem ook gehoord onze naaste lief te hebben als onszelf. Wij kunnen dus beseffen dat de minsten in onze samenleving onze eerste aandacht moeten hebben, vluchtelingen, armen, ouden van dagen, chronisch zieken, en noem maar op. Ook onze samenleving zal schitteren als we ons daaraan kunnen wijden en daarmee iedereen kunnen meenemen. Uiteindelijk is het de bedoeling dat we met het goede het kwade verdrijven en dat de aarde zo mooi wordt dat God zelf hier zal willen wonen. Ook voor dit nieuwe jaar een mooie taak lijkt me, aan het werk dus en nogmaals veel heil en zegen voor dit nieuwe jaar.

Amen

 

 

Read Full Post »

Lezen:  Psalm 90

               Lucas 2: 21-24

Gemeente

We hebben het wel over de laatste avond van het jaar en over het nieuwe jaar, maar kerkelijk gezien is dat eigenlijk flauwekul. De Bijbel zegt dat voor onze God duizend jaar als 1 dag zijn. En dat we na de kortste dag van het jaar weer naar het licht gaan en daarom eerst feesten en dan een nieuw jaar laten beginnen is van zo’n Heidense oorsprong dat we als Kerk daaraan niet meedoen. Vroeger dacht men immers dat men de boze geesten van het duister met knallen en vuur moest verjagen om weer licht te krijgen. Gelovigen in de God van Israël hadden geleerd dat die God had gesproken over licht en dat zijn woord vlees was geworden. Niks verjagen en opnieuw beginnen. Het nieuwe begint met de verwachting van de bevrijding door de God van Israël. Ons kerkelijk jaar begint dan ook op de eerste zondag van de Advent en loopt uit op die bevrijding.

We zijn dus al even op weg, maar ja thuis ontkomen we toch niet helemaal aan de jaarwisseling die buiten de kerk wordt gevierd, dus we laten ons in de kerk vanavond daar ook maar een beetje door beïnvloeden. De dienst op Oudejaarsavond wordt nog op heel veel plekken in Nederland gevierd. Het is ook al een oude traditie, ik weet nog dat mijn ouders steevast op Oudejaarsavond naar de kerk gingen. Wij kinderen hoefden niet mee maar zij zongen altijd het oude lied van Rijnvis Feith “Uren dagen maanden jaren vliegen als een schaduw heen” De jaarlijkse herhaling van het lied en de afkomst uit de romantiek van de negentiende eeuw maakte dat het lied op den duur versleten raakte.

De dienst op Oudejaarsavond staat echter niet op de roosters van diensten en lezingen in de kerk. Hij hoort er volgens de wetenschappers die liturgische adviezen geven niet thuis, wel de dankdag en biddag voor gewas en arbeid maar niet de Oudejaarsavond. Het was dus even zoeken naar de lezingen voor deze avond en ook daarvoor ben ik uiteindelijk bij mijn ouders uitgekomen, mijn moeder leeft gelukkig nog. Er wordt op deze avond veel gelezen uit de Psalmen, Psalm 121 die we aan het begin hebben gezongen en Psalm 90. Over die Psalm wil ik het om te beginnen even hebben.

Psalm 90 wordt toegeschreven aan Mozes. De man die opgroeide in Egypte, moest vluchten naar de woestijn en er uiteindelijk in slaagde het volk uit Egypte te leiden en in het hart van de woestijn van God de wet kreeg waarom het uiteindelijk allemaal draaide. In deze Psalm wordt geen mooi leven beloofd. De beste jaren van ons leven zijn moeite en leed. Heel langzaam wordt de leeftijd die we kunnen bereiken wel wat hoger maar 70 en voor de sterken 80 klinkt nog steeds mooi als je jong bent. Die hoge leeftijd is overigens alleen te bereiken als je een klein beetje aan je gezondheid denkt. Een half uur per dag bewegen, niet roken, matig met alcohol, twee stuks fruit en 200 gram groente en weinig vet en zout. Het is allemaal zo moeilijk niet. De moeite en leed waarover Mozes het heeft gaat  over het als blijvend uitgangspunt voor je handelen nemen van de richtlijnen voor de menselijke samenleving die het volk in de woestijn had gekregen..

Dat lukte uiteindelijk ook Mozes zelf niet. Van een ander houden als van jezelf is behoorlijk moeilijk als die ander zeer irritant is en het bloed onder je nagels vandaan haalt. Blijf dan maar eens vriendelijk en het echte belang van die ander in de gaten houden. Dat gezond leven om wat ouder te worden is er overigens ook om van jezelf te houden. En als je zo leeft en voor jezelf zorgt is het ook wat gemakkelijker om dat voor een ander te doen. Stiekem toch een sigaretje, of een vette hap doet alleen jezelf de das om. Daar kan je je dan weer schuldig over voelen of last van krijgen. Deze psalm beschrijft het allemaal. Het mooie is natuurlijk dat je elke dag, ja elke minuut weer overnieuw mag beginnen. Daarom kan Mozes vragen om vreugde, het lukt je vast wel een keertje, en ieder die weet wat het is echt wat goeds voor een ander te kunnen doen kent ook de diepe vreugde die dat kan geven. Het werk van je handen wordt dan bevestigd heet dat in deftige taal.

Gaaf, het werkt, het is gelukt zeggen we tegenwoordig. En al is er moeite en leed voor nodig, het is het dubbel en dwars waard. Daarom is het ook zo mooi dat het elke dag opnieuw mag. De maat van de Bijbel is immers de dag en niet het jaar, met de dag is het begonnen, het was avond geweest en het was morgen geweest, de eerste dag en dat zo zes maal door en op de zevende dag mogen we rusten. Op die zevende dag mogen we weten geen slaaf te zijn, mogen we vieren bevrijdt te zijn, niet alleen meer van de slavernij in Egypte, maar ook bevrijdt te zijn van de dood. Die bevrijding staat ter discussie, we worden weer slaven gemaakt van productie en consumptie, ook op de eerste dag van de week, de dag waarop wij de bevrijding zijn gaan vieren na de opstanding uit de dood van Jezus van Nazareth. Ook op die eerste dag van de week moeten wij ons in onze dagen dienstbaar maken aan productie en consumptie. De strijd voor de zondagsrust gaat dus niet om een of andere particuliere godsdienstige regel, een regel afkomstig uit duistere tijden, maar gaat om bevrijding voor iedereen, wij zijn ook vandaag de dag geen slaven, niet van werken, niet van consumeren, niet van winkelen dus. En wij willen ook anderen niet in slavernij brengen, niet van onze regels, niet van onze godsdienst, maar ook niet van onze behoefte aan consumptie, niet van onze lust naar winst en profijt.

Die bevrijding speelt in het leven van Jezus van Nazareth van begin af een grote rol. Hij zal zijn leerlingen twee aan twee het land in sturen om de armen hun bevrijding aan te kondigen. Hij heet zelfs naar de bevrijding, Jezus in het Grieks, Jehoshua of Jozua in het Hebreeuws en God bevrijdt als je het in het Nederlands zou willen vertalen.

Jezus krijgt die naam op de achtste dag. De nummering van de dagen en de aanduiding er van speelt in de Bijbel altijd een rol, het betekent iets. Want de achtste dag is immers ook de eerste dag. Nu maakt de Bijbel daar wel een onderscheid in. Op de achtste dag wordt een feest van zeven dagen afgesloten. In dit geval sluiten Jozef en Maria het feest van de geboorte af. Kerstfeest is voorbij en dus breekt het gewone leven aan. En Kerstfeest wordt afgesloten met het opnemen van Jezus in het volk Israël, hij wordt besneden, van Abraham valt te leren dat je vijanden dan niet de voorhuiden van de soldaten mee kunnen nemen, je bent dan als besnedene onoverwinnelijk.

Jozef en Maria waren zeer wetsgetrouwe inwoners van Israël. Ze waren niet thuis gebleven zoals de Keizer had bevolen maar waren naar de plaats gegaan die God hen had gegeven, de akker van Noömi en Ruth in Bethlehem. Ze waren immers uit het huis en het geslacht van David. Daarom ook heeft Matteüs Ruth opgenomen in het geslachtsregister van Jezus. De afronding van het geboortefeest vindt dan ook plaats volgens de leer van Mozes, in de Tempel waar elke eerstgeborene werd opgedragen aan de God van Israël. Het volk werd er zo aan herinnerd dat eerstgeborenen niet geofferd werden, niet hun leven hoefden te verliezen. Samen brachten Jozef en Maria het offer van de armen, twee duiven, minder kon niet.

Zo sluiten wij het jaar af. Met het verhaal van bevrijding nog in de oren. Niet de kwade geesten hoeven verdreven te worden. Niet het geweld hoeft ingezet te worden om geweld te bestrijden. Omkijkend beseffen we dat we het goede mogen inzetten om het kwade te bestrijden. Mogen we het goede inzetten om ook de kwade dagen, de storm en de onrust, te doorstaan. Zo steunen de stok en de staf van onze God onze gang soms door een donker dal, niet dat het duister verdwijnt maar we mogen er een groot licht zien. Het licht van Pasen als de dood zal zijn overwonnen.

Zo mogen we het feest gaan vieren van oud en nieuw, want uiteindelijk is de aarde bedoeld als een paradijs, een tuin waarin we met God mogen wandelen, een aarde waar de lammen weer lopen, de blinden weer zien, de bedroefden getroost worden, de onreinen gereinigd worden, de armen de bevrijding wordt aangezegd, de doden mogen leven. Profeten hebben het ons aangezegd, Jezus heeft ons voorgeleefd. De engelen zongen het in de Kerstnacht, vrede op aarde en in de mensen een welbehagen, de apostelen trokken de wereld in om het ons te vertellen, tot aan de einden der aarde. Mogen wij zo het nieuwe jaar ingaan, als gezegende mensen op weg naar het land dat overvloeit van melk en honing, terwijl we iedereen mee nemen die aan de kant van onze samenleving dreigt te blijven staan. We trekken het nieuwe jaar in als de pelgrims die op de hoogtijdagen optrokken naar de Tempel in Jeruzalem om daar maaltijd te houden met hun familie, de tempeldienaren, de armen en de vreemdelingen die bij hen waren. Die pelgrims zongen en dansten en als ze een koning meenden te zien hesen ze die op een ezel, spreiden hun mantels uit op de weg en rukten de takken van de bomen. Zo gaan wij zingend en dansend een nieuw jaar in, om elke dag het goede te kunnen doen en niet dan het goede.

Amen

 

 

Read Full Post »