Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for augustus, 2015

Lezen: 1 Koningen 17: 7-24

             Marcus 8: 22-26

Gemeente,

Elia werd door God naar de woestijn gestuurd, naar de Wadi Kirit waar hij dronk uit de rivier en van brood en vlees werd voor zien door de raven. Die woestijn is niet zomaar een plaats. In de woestijn immers had het volk Israel de richtlijnen voor een menselijke samenleving, de richtlijn van heb Uw naaste lief als Uzelf van God gekregen. Die Elia kwam uit Tisbe in Gilead ten oosten van de Jordaan en het leven in de woestijn zal hem niet helemaal vreemd geweest zijn. Maar hoe gaat het onder koning Achab met de mensen in het land? Als de aarde voedsel geeft, hebben zij ook te eten?

Vrij snel na de regering van David en Salomo was het rijk van David in twee delen uiteengevallen, Israël en Juda. Achab was in de dagen van Elia de Koning over Israël, de Bijbel zegt dan over Achab dat wat hij deed slecht was in de ogen van de Heer. Achab was getrouwd met een prinses uit Sidon, Izebel. Dat leverde hem een machtige bondgenoot in het Noorden op. Hij had in de hoofdstad van Israël Samaria een Tempel voor Baäl, de Kanaänitische god van de vruchtbaarheid laten bouwen.

De dienst aan Baäl werd naast de dienst aan de God van Israël getolereerd. Maar de dienst aan Baäl was de belangrijkste. Nu zijn in de Bijbel altijd de weduwe en de wees de maten waaraan de goedheid van de mensen wordt gemeten. Als je dus wil weten of die Godsdienst in Sidon net zo goed is als de Godsdienst van de God van Israël dan moet je weten hoe het gaat met een weduwe in Sidon. Dat horen we in het verhaal over de weduwe in Sarafat, vlak bij Sidon. Volgens de godsdienst van de God van Elia zou die weduwe het goed moeten hebben. Het tegendeel is het geval. Ze wil best delen, zelf heeft ze dus de gezindheid, mentaliteit zeggen we tegenwoordig die de God van Elia van mensen vraagt. Ze haalt direct water als dat gevraagd wordt door een stoffige reiziger, maar meel en olie zijn bijna op.

Het kan niet anders dan zij en haar zoon zullen dood gaan van de honger. Maar dan laat Elia zien waar die richtlijnen voor bedoeld zijn. Als je echt bereid bent om te delen met een ander dan kom je nooit te kort. Dan blijft er altijd genoeg voor iedereen om te overleven. Wij durven daar nog steeds niet op te vertrouwen. Wij beschermen onze landbouw zo krampachtig dat er van delen geen sprake is en daar gaan ontelbare mensen in Afrika dood aan.

Wij kiezen nog steeds de kant van koning Achab met zijn aanbidding van de goden van winst en profijt en strategische bondgenootschappen. De Bijbel roept ons op te kiezen voor de kant van eerlijk delen en zorgen voor de armsten in de wereld, dat is de kant van God zelf. Want laat dat verhaal eens goed op je inwerken. Die Elia is een politiek vluchteling, hij had zijn nek uitgestoken tegen de Koning van zijn land, dat doe je ook vandaag niet ongestraft, Amnesty heeft er de handen aan vol.

Maar die arme weduwe, die met haar zoon dreigt te sterven van de honger neemt de stoffige vluchteling uit de woestijn op in haar huis. Zij herkent in hem een man van God. Wij laten zulke mensen kennelijk liever verhongeren in kampen in Libanon of Jordanië, wij laten ze verdrinken in de Middellandse zee, of we bouwen hekken en muren om ze buiten de deur te houden.

We hebben het vaak in alle toonaarden kunnen horen. Als je God hebt leren kennen, als je voor Jezus op je knieën bent gevallen dan is al je ellende voorbij, dan kan je niets meer overkomen. Nou die sprookjes hoef je dus niet aan die weduwe uit Sarafat te vertellen. Ze had een Godsman in huis genomen. En is nu haar ellende verdwenen? Kan haar in de schaduw van de Allerhoogste niets meer gebeuren? Vergeet het maar. Haar zoon wordt ziek, wordt nog zieker en uiteindelijk lijkt al het leven uit hem geweken. Dat is schrikken, dan gaat het dus niet goed.

En zoals het zo vaak gaat komt direct de overtuiging dat ze het wel niet goed zal hebben gedaan. Ze zal wel gestraft moeten worden met het lijden, met de dood van haar zoon. Mensen willen elkaar dat ook nog wel eens aanpraten, het lijden dat je overkomt is een straf van God. Pas als het een straf van God is heeft het lijden immers zin. Wat is anders de zin van het lijden van de zoon en de weduwe van Sarafat? Het is toch onrechtvaardig een arme weduwe ook het laatste dat ze nog heeft af te nemen. Wat is dat voor een wrede God dat die dat toelaat?

Het verhaal dat wij vandaag lezen geeft hele andere antwoorden. Van straf is in de eerste plaats geen sprake. Van een ziekte door God gezonden is ook geen sprake. God wil die ziekte en dat sterven ook niet. Maar het zullen mensen zijn die iets moeten doen. En we weten dat het zo is dat mensen ziek kunnen worden, ongelukken krijgen, verkeerde beslissingen kunnen nemen, slachtoffer kunnen worden van geweld en aan die oorzaken dood kunnen gaan.

Waar het om gaat is dat je voor die zoon gaat staan, alles gaat doen om dat sterven te voorkomen, dat je opkomt voor die weduwe en alles doet om haar recht te doen. Dat is wat Elia hier gaat doen, drie keer gaat hij met de jongen dood, om drie keer met hem op te staan. In de manier waarop de verhalen over Elia ons worden verteld is dat de manier waarop Elia alles voor die jongen doet en de weduwe recht probeert te doen. Daarbij is God aan te roepen. Om dat te doen heb je de Geest van God, de kracht van God nodig. Als je dat doet kan het leven in mensen terug keren.

Niet dat we lijken tot leven kunnen brengen, maar mensen die het leven niet meer zien zitten, die geen toekomst meer zien in tijden van armoede en ellende, die kunnen we weer hoop op leven geven en hoop doet leven. Wij vertellen de verhalen zoals die van Elia op een heel andere manier, maar wij kunnen net als hij opkomen voor jongeren die het leven dreigen te verliezen en de armen die recht moeten worden gedaan. Wij kunnen vluchtelingen voor geweld en onderdrukking, voor armoede en uitbuiting welkom heten, opnemen in ons midden en ze weer een toekomst geven die wijzelf ook willen hebben.

Soms vragen we gemakkelijk om wonderen. Die Elia had dan wel drie pogingen nodig om de jongen weer te laten ademen, maar het blijft een wonder. Jezus van Nazareth had een hekel aan wonderen schrijft Marcus. Net voor hij in het Bethsaïda komt waarover we vandaag gelezen hebben had hij de Farizeeën uitgescholden nadat zij om tekenen hadden gevraagd. Hij wees zijn volgelingen op het delen van het brood dat hij gedaan had voor grote massa’s mensen, daar draaide het om, om dat delen.

Soms moet het lezen van verhalen als deze van vandaag voor de mensen voor wie ze oorspronkelijk geschreven zijn een grappig gebeuren zijn geweest. Eeuwenlang hebben archeologen gezocht naar Bethsaïda en uiteindelijk zijn er twee dorpen met die naam gevonden. Maar we moeten de verhalen niet apart lezen maar in hun verband. En dan lezen we over het delen van zeven broden en een paar vissen, en de nadruk die Jezus legde op dat delen en zijn weerzin tegen wonderen.

En nu lezen we dat hij in het Vishuis is, dat betekent Bethsaïda namelijk, zou Marcus willen vertellen dat hij thuis is? De vis was immers het teken voor de Christus. Ook in dat vishuis zijn mensen die zich er niet bij neer leggen dat er een vriend is die het niet wil zien.

In de psalmen staat dat een rechtvaardige is als een boom geplant aan levend water. Als Jezus deze blinde iets laat zien, ziet deze de rechtvaardigen rondlopen. Maar dan ziet hij alles helder, ze zijn namelijk op pad. En weer laat Jezus blijken van wonderen eigenlijk niet gediend te zijn.

Het gaat om mensen. Bij hem gaat het echt om mensen. Bij hem gaat het om de vrienden die zich niet neerleggen bij de bedelaar die hun blinde vriend kennelijk moet worden. Die vrienden hebben nog weet van Elia die drie maal opstond om de zoon van de weduwe, en daarmee haar zelf ook, het leven te geven. De houding van die vrienden, de houding van Elia veroorzaken geen wonderen. Ze lopen uit op de belofte van de God van Israël als zijn richtlijnen worden gevolgd.

Profeten hebben later gezongen van die gevolgen. Jesaja laat de blinden zien, de doven horen, de stommen spreken en de lammen huppelen op de weg, op het pad, van de God van Israël. Johannes van Patmos laat de hele geschiedenis uitlopen op een aarde die zo hemels is dat God zelf op die aarde zou willen wonen. Daar is zelfs geen dood meer en geeft de zee haar doden terug, ook de Middellandse Zee.

Aan ons om net als de vrienden van de blinde man, net als Elia ons niet langer neer te leggen bij onrecht, geweld, onderdrukking en armoede. We mogen van God elke dag opnieuw beginnen met de zorg voor onze zwakste broeders en zusters. En alle mensen op aarde zijn onze broeders en zusters. Er zal dus nog veel werk moeten worden gedaan, aarzel dus niet, vat het werk aan.

Amen

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: 1 Koningen 16:29 – 17:6

             Marcus 8: 1-21

Gemeente,

We zijn nog steeds in Augustus. De oogstmaand genoemd naar een Romeinse Keizer die zich als een god liet vereren. Hij had immers vrede gebracht in het Rijk en hij had in Rome bedacht als het brood te duur werd er gratis graan zou worden uitgedeeld voor de armen. Maar ook al staat zo’n keizer in zijn eigen dagen eigenlijk helemaal zo slecht niet bekend, als je de geschiedenis schrijft vanuit een Christelijk perspectief dat komt hij er heel wat slechter af. Iemand die zich als God laat vereren kan toch niet echt deugen. Ook in het oude testament komen we van die koningen tegen die in de geschiedenis boekjes als goede koningen bekend staan maar die in het licht van Gods Woord van geen kant deugen. Achab was zo’n koning en over Achab en zijn tegenstander Elia hebben we vanmorgen gelezen.

Nu schrijft de Bijbel niet het soort geschiedenis dat wij gewend zijn. In ons soort geschiedenis gaat het over de rijken en over de machtigen. Niet over de aanhangers van de God van Israël en dus over het lot van de armen, het lot van de weduwen en de wees, van de zwakken in het land. In het soort geschiedenis dat wij gewoon zijn te bestuderen was die Achab helemaal niet zo’n verkeerde koning. De economie ging goed in Israël en hij had een slim huwelijk gesloten met Izebel de dochter van de koning van Sidon, de noordelijke buur van Israël. Daardoor had hij weinig te vrezen van aanvallen uit het Noorden en had hij daar in elk geval een sterke bondgenoot.

Al vrij kort na het regeren van David en Salomo viel het rijk van David uiteen in een Koninkrijk Juda en een Koninkrijk Israel. In het gedeelte dat we vandaag lezen zien we het ontstaan van de hoofdstad van Israel Samaria. We lezen ook hoe in Samaria een Tempel wordt gesticht voor de Kanaänitische god Baäl. De vruchtbaarheidsgod. Die Achab die de tempel voor Baäl stichtte was in de ogen van de Bijbel dus een hele erge slechterik.

Godsdienstig hield Achab het ook aan de voorzichtige kant. Door het aanbidden van Baäl en het oprichten van de Asjerapaal hield hij ook de vreemdelingen in zijn land tevreden. Tolerantie om er aan te verdienen en om de vrede te bewaren. Niet verkeerd. Waarom dan die afkeuring die uit het Bijbelverhaal spreekt? Waarom dan spreken over het tergen van God? Economische voorspoed. goede militaire bondgenootschappen en tolerantie zijn toch niet verkeerd?

Toch doet die Achab mij altijd denken aan Assad, de dictator van Syrië. Ook hij zorgde voor rust en orde in zijn land. Wij handelden vrolijk met zijn land. Maar deugen deed en doet hij niet. De zwaksten in zijn land verarmden, alleen de rijken werden rijker. En wie er in zijn land wat van durfde te zeggen werd vervolgd.

Dat was in de dagen van Achab niet anders. Die Baäl van Achab moest zorgen voor vruchtbaarheid in het land. In het verhaal is er dan plotseling die Elia, de Tisbiet. Die steekt zijn nek uit, wat nu vruchtbaarheid, als het niet regent dan is het land ook niet vruchtbaar.

Als je zo nuchter machtige koningen ter verantwoording denkt te kunnen roepen dan kun je maar beter wegwezen. Dat is ook vandaag de dag nog zo. Amnesty International heeft de handen vol aan het beschermen en aandacht vragen voor mensen die in hun land tegen het heersende regiem vragen om recht en gerechtigheid.

Wie het geloof wil delen dat Elia voortdreef doet er goed aan Amnesty te ondersteunen. Elia trekt zich noodgedwongen terug in de woestijn. Dat is niet zomaar een plaats. In de woestijn immers had het volk Israel de richtlijnen voor een menselijke samenleving gekregen, Elia ontdekt dat naast water ook vast voedsel nodig is om te overleven. En dat de aarde vast voedsel geeft merkt hij aan de raven.

Een raaf werd als eerste vogel op verkenning gestuurd in het verhaal over Noach, die raaf kwam onverrichter zake terug. Zolang de raaf dus terugkeert met vlees is er nog niets aan de hand met het voedsel op aarde.

Die Elia kwam uit Tisbe in Gilead ten oosten van de Jordaan en het leven in de woestijn zal hem niet helemaal vreemd geweest zijn. Maar hoe gaat het onder koning Achab met de mensen in het land? Als de aarde voedsel geeft, hebben zij ook te eten? Brengt dat verbond met Sidon iets voort dat goed is voor de armen? Dat horen we in het verhaal over de weduwe in Sarafat, vlak bij Sidon, de machtige bondgenoot van Koning Achab. Zij was een buitenlandse dus, maar toen de beek waar Elia een toevlucht had gevonden opdroogde werd hij naar die buitenlandse gestuurd om te overleven.

In het begin van de beweging van de Weg zoals het Christenom aanvankelijk werd genoemd was er nog een hele discussie over het samen eten met buitenlanders, met Heidenen. Het besluit dat er geen bezwaar tegen was kwam niet gemakkelijk tot stand.

Marcus herinnerde zich een verhaal dat duidelijk maakte dat Jezus van Nazareth zijn leerlingen er uitdrukkelijk voor op pad had gestuurd. Hij had al een keer verteld over het delen van vijf broden en twee vissen aan vijfduizend mensen. Er waren toen twaalf manden overgebleven. Kenners van de Schriften hadden gelijk gedacht aan de vijfboeken van de Tora, die gevolgd worden door de Profeten en de Geschriften. E n aan de twaalf stammen.

Maar er was ook nog een verhaal over vierduizend mensen die gevoed werden door zeven broden en waar zeven manden brood over waren gebleven. Dat gaat over meer dan het aantal broden, over meer dan het aantal manden dat overbleef. De leerlingen leken het niet te willen begrijpen maar in het licht van de discussie over het samen eten met iedereen breekt ons misschien ineens het licht door. Vier kennen we van de vier winstreken en vierduizend zou dan kunnen betekenen dat alle mensen van de hele aarde samengestroomd waren rond Jezus. En de zeven manden brood die overgebleven waren duiden dan op de zeven dagen van de week. Elke dag van de week is er voor iedereen op de wereld brood genoeg.

En dan nog denken de leerlingen in de boot dat ze aan één brood niet genoeg zullen hebben. Dat idee van ieder voor zich krijg je als je allemaal regeltjes gaat opstellen en de naleving daarvan probeert af te dwingen. Het is de manier waarop de religieuze en bestuurlijke heersers van het land het leven benaderen. Hun zuurdesem betekent dat iedereen zelf verantwoordelijk is voor levensonderhoud en belasting betalen. Samen delen en voor elkaar instaan komt bij dergelijke autoriteiten niet op.

We kennen ze vandaag de dag ook nog. Steeds maar zeuren over een staatsschuld, alsof die niet van ons allemaal is, en over lasten die te zwaar worden, alsof die niet alleen maar als zwaar worden ervaren door de rijken. Delen en samen de schouders er onder zetten komt bij dat type bestuurders niet op. Jezus van Nazareth waarschuwt er tegen.

Rechtvaardig worden de mensen genoemd die de richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf in de praktijk willen brengen. Het zijn mensen als bomen die gepland zijn aan levend water. Daar gaat kracht van uit, daar groeien de mooiste vruchten aan.

Elia sprak zijn koning hier op aan en moest vluchten. Uiteindelijk kwam hij bij een weduwe terecht. In de Bijbel staan de weduwen voor de allerarmsten en in het verhaal over Elia is het dus een van de allerarmsten die zich ontfermd over een politiek vluchteling. Daar mogen wij nog eens bij stilstaan als we het hebben over de vluchtelingen voor oorlog, onderdrukking, uitbuiting en armoede die Europa bestormen om vrijheid en welvaart met ons te delen,

Het verhaal dat we vandaag van Marcus over Jezus van Nazareth hoorden vertelt dat we gerust met iedereen op de wereld kunnen delen, er is genoeg en als we denken dat we maar één brood hebben voor het handjevol mensen dat wij op aarde zijn en dat we dus in dat rijke Europa vluchtelingen niet kunnen helpen hebben we de verhalen uit de Bijbel niet begrepen.

En wat hebben we er aan? Het delen zou ons voldoende moeten zijn. Een aarde waarin iedereen met elkaar deelt en voor elkaar zorgt wordt uiteindelijk zo mooi dat God zelf hier op deze aarde zal willen wonen. Dat is het eind van de Bijbel. Het begin was dat alles wat we hebben we gekregen hebben van diezelfde God die ons oproept net als Hij te delen.

Voor gelovigen in die wereld en die belofte is er nog veel werk te doen. Maar aarzel niet, vat het werk aan.

Amen

A

Amen.

Read Full Post »

Lezen: Jesaja 35: 1-10

            Marcus 7: 31-37

Gemeente

Augustus is de oogstmaand en voor veel boeren is het nog volop werken aan de tarweoogst en de oogst van mais en van bloemen en fruit. Daar waar de oogst klaar is zie je de corso’s verschijnen of in elk geval kermissen en feesten in de dorpen waar de oogst klaar is. Landbouwmechanisatie heeft veel van de mensen die bij de oogst hielpen vervangen. Jongeren hebben andere bijbaantjes gevonden en daar waar nog mensen tijdelijk nodig zijn worden werknemers uit arme landen gehaald die van de verdienste in de oogsttijd in eigen land de winter door kunnen komen. Maar de oogstmaand is vanouds een maand van vreugde en feest.

En dat is wel van heel ouds. Het feestlied dat we vandaag uit het boek van de profeet Jesaja gelezen hebben werd in Israël met name ook rond het feest van de oogst gezongen. We vinden dat bijvoorbeeld terug in het twaalfprofetenboek waar het lied ook door de profeet Joël wordt geciteerd. Dat lied over de dorre vlakten der woestijnen en de steppe die zal bloeien was ook lang in onze kerken zeer populair. In de negentiende eeuw dichtte de dominee dichter J.J.L. Ten Cate het beroemde lied de dorre vlakte der woestijnen zal zich verblijden eindeloos, de zandzee zal herschapen schijnen want bloeien zal zij als een roos.

Dit populaire gezang werd in de vorige eeuw niet overgenomen en ook in het nieuwe liedboek dat we nu gebruiken kreeg het geen plaats. De taal van dominee ten Kate is toch erg negentiende eeuws en de melodie vonden kerkmusici niet om aan te horen.

Maar de behoefte dit lied van Jesaja en Joël mee te zingen bleef. Een aantal jaren geleden kwam Huub Oosterhuis daarom met een nieuwe versie van dit lied. De steppe zal bloeien, de steppe zal lachen en juichen. Ik weet dat hier een hele goede pianiste speelt en hoewel de piano partij van Antoine Oomen niet gemakkelijk is durfde ik het hier wel aan om het te laten zingen.

De beide liederen gaan in hun eerste couplet over de oogst, over de woestijn die tot bloei is gekomen. Maar daarom staat Jesaja 35 vandaag niet op het leesrooster. Want bij die bloeiende steppen en dorre vlakten horen ook als herten springende verlamden, jubelende monden van stommen, en oren van doven die worden ontsloten. Kortom hier wordt een samenleving geschetst waar niemand meer bang hoeft te zijn en iedereen weer kan meedoen.

En daarmee wordt het een merkwaardig lied want Jesaja zet het in het midden van het leed voor de ballingschap, als Juda bedreigd wordt door de grootmachten in de wereld. In het hoofdstuk dat hiervoor staat blijft er weinig over van de aarde, het wordt een bloed doordrenkte en ontluisterde aarde. Het volk zal er door gelouterd worden beloofd Jesaja, zoals goud door vuur wordt gereinigd van ongerechtigheden blijft er een rest over van het volk dat een nieuwe kans krijgt in een nieuw land. Het wordt zo een lied van de hoop. Hoop op leven. Er komt een nieuwe lente wat voor ellende we ook gaan meemaken.

Wij kennen natuurlijk de afloop van de ballingschap, de ballingen keerden, ze keerden met geschenken terug uit Babel en met de opdracht van Koning Cyrus hun stad Jeruzalem en de Tempel voor de God van Israël weer op te bouwen. Maar die wederopbouw van de Tempel en Jeruzalem geeft het overgebleven volk van ballingen ook nieuwe kansen. Nu konden ze de oogstfeesten weer in ere herstellen die vanouds gewijd waren aan de God van Israël.

Die oogstfeesten waren niet zomaar feesten. In het boek Deuteronomium staan er drie omschreven. Allereerst komt de gerstoogst. Van gerst wordt het gerstebrood gebakken, het brood voor de armen, Tijdens dat oogstfeest van de gerstoogst wordt de bevrijding uit Egypte gevierd, het feest van de ongezuurde broden, het Pesachfeest, voor Christenen het Paasfeest het feest waarop de dood werd overwonnen.

Het tweede oogstfeest is vijftig dagen later het feest van de Tarweoogst. Dan wordt het tijd om ook de Tempel te voorzien van de nodige leeftocht voor Priesters en Levieten en worden de eerstelingen van de oogst naar de Tempel gebracht. Het is het feest van de richtlijnen voor een menselijke samenleving die God op de Horeb aan Mozes had gegeven. Wij kennen dat feest als het Pinksterfeest. In het najaar volgt dan nog het Loofhuttenfeest als de oogst van vruchten als dadels en granaatappels is geweest. Het is ook het feest waarop wordt herdacht dat in de woestijn, toen men nog in tenten moest wonen, elke dag door God voor voedsel werd gezorgd.

Opmerkelijk is dat bij elk van deze oogstfeesten het voorschrift wordt gegeven dat men een maaltijd moet houden bij de Tempel met de familie, met de Levieten, maar ook met de armen en de vreemdelingen uit het dorp.

Samen delen van de oogst staat in de Bijbel centraal, daar moet iedereen mee kunnen doen aan de samenleving, gelovig of niet, of je nu hoort bij het volk van Israël of juist niet. Dat brengt pas een gezonde samenleving voort, als de vreemdelingen ook gewoon mee mogen doen. De bevrijding van de ballingschap gaat gepaard met een vernieuwing van de mens, zijn kwalen verdwijnen zowel letterlijk als overdrachtelijk, in het visioen van de Bijbel zoals dat door Jesaja is opgetekend is het niet uit elkaar te halen. Die bevrijding mag gezien worden, de boodschap mag gehoord worden en de Weg van de God van Israël, de Weg door de woestijn met de richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf mag bewandeld worden En daarom gaat het in dit lied van Jesaja vooral ook over de lammen die zullen huppelen, de blinden die het licht zullen zien, de stommen die zullen spreken de doven die zullen horen. Want de lammen, de blinden, de doofstommen horen niet langs de kant van de weg te zitten wachten tot ze een aalmoes krijgen, ze horen volwaardige leden van onze samenleving te zijn.

Jezus van Nazareth zal de richtlijnen van God vervullen staat er geschreven. Zijn Koninkrijk is de menselijke samenleving waar we op wachten. Hij wachtte niet tot de oogstfeesten met delen maar deed dat voortdurend, demonen uitdrijvend en genezend staat er in de Evangeliën, andere woorden hadden ze er niet voor. Maar ondertussen schiep hij een heel nieuwe orde waaraan iedereen mee kon doen. Het hele volk liep er voor uit, achter Jezus van Nazareth aan. Ze lieten hem niet met rust, telkens weer zochten ze hem op, is het verhaal van Marcus. En dat wordt Jezus van Nazareth te veel.

Als je in eigen land geen rust krijgt, als de mensen  je zo lastig blijven vallen dan moet je iets  verzinnen om tot rust te komen. Een reis naar het buitenland lijkt dan een goed alternatief. Juda was voor Jezus geen alternatief want daar zochten ze hem te doden en in Galilea was het dus te druk geworden.

Alleen was er in de tijd van Jezus van Nazareth geen echt buitenland voorhanden. Alles waar ze heen konden behoorde tot het Romeinse Rijk. Het leek wel een beetje op het Europa van tegenwoordig. Je kunt er doorheen rijden zonder een douane of grenscontrole tegen te komen. En Jezus had het nog gemakkelijker dan wij want ze spraken daar in de buurt allemaal Aramees of Grieks. Geschreven werd er in het Grieks en in dat Grieks kennen we ook het Evangelie van Marcus. Maar zouden die buitenlanders Jezus van Nazareth ook met rust laten? Marcus laat ons weten dat het niet het geval was.

Jezus van Nazareth wijkt uit naar Tyrus en Sidon schrijft Marcus. Van Tyrus reist Jezus van Nazareth door naar  Decapolis, het 10 stedenland. Een bijzonder gebied. Was Galilea al het land van de heidenen genoemd, waar Joden wonen die deden als de heidenen, waren Tyrus en Sidon oude Heidense steden die vanouds ook een rol speelden in het verhaal van Israël, dat Decapolis, het land van 10 steden was nog nieuw. Het gebied was in 63 voor het begin van de jaartelling door Pompeïs losgemaakt van het joodse rijk en geplaatst onder het gezag van de stadhouder van de Romeinse provincie Syrië,

Die splitsing was gedaan om de cultuur van Griekenland en Rome sneller ingang te doen vinden. Vanuit Juda was er toenemende invloed om terug te keren naar de oorspronkelijke godsdienst, naar de oorspronkelijke gebruiken van Israël. Daar moest een halt aan worden geboden, er moest juist een toenemende invloed van de Griekse cultuur en de Romeinse godsdienst zijn. In het tienstedenland was men dan ook doof voor de boodschap van de Godsdienst van Israël, voor heb uw naaste lief als uzelf.

Maar al in Tyrus was al gebleken dat ook buitenlanders mochten meedelen in de goedheid die in Israël te vinden was. Niet zomaar, maar daar waar in overvloed gegeten wordt vallen kruimels van de tafel waar anderen, de huisdieren bijvoorbeeld, nog heel goed van mee kunnen eten. En waarom de vreemdelingen dan niet.

Zo komen er ook buitenlanders naar ons land om hier mee te eten van de kruimels die bij ons van tafel vallen. Ze houden over het algemeen niet hun hand op maar doen het werk waar bij ons geen mensen meer voor te porren zijn. Het is alleen jammer dat er zo verkrampt angstig op wordt gereageerd. In onze tuinbouw is er veel werk voor veel mensen voor maar een paar maanden per jaar, de oogst. Daarvan kun je hier geen bestaan opbouwen en als je dat werk gaat doen veroordeel je jezelf tot jaren uitkering, onderbroken door af en toe een paar maanden werk. Er zijn arme landen waar mensen wonen die best een heel jaar zouden kunnen leven van wat hier in een paar maanden in de oogst te verdienen valt.

We durven het alleen niet aan om dat goed te organiseren. We laten ons regeren door angst en het geschreeuw van een paar laffe angsthazen die een vreemde godsdienst als excuus aanvoeren voor hun geschreeuw. Geloven in de macht van de God van Israël doen ze niet. Ze zijn doof voor onze echte Joods Christelijke traditie van in vrede met elkaar wonen en vreemdelingen een plaats geven in onze eigen samenleving.

Want als we werkelijk samen willen dan kunnen zelfs doven een volwaardige plaats krijgen in onze samenleving.  De  heiden uit het land van de 10 steden wordt bij Jezus gebracht, door wie en waarom staat er niet bij. Zoals zo vaak in de Bijbel staat hij als voorbeeld voor alle mensen die niet willen luisteren naar de Weg van God en daarom onverstaanbare klanken uitstoten, klanken van haat, van afwijzing, klanken die ons agressief voorkomen maar vaker gekleurd zijn door angst. Er volgt een normale behandeling, de zieke wordt aangeraakt daar waar zijn ziekte is, in de oren, aan de tong.

Speeksel speelt een rol want aan speeksel werd een genezende kracht toegedicht, de genezende kracht die de kus van een moeder voor de zere knie van een kind heeft. Voor Grieks sprekende lezers moet dan duidelijk gemaakt worden dat Jezus van Nazareth geen toverspreuken nodig had, Jezus uit geen onverstaanbare agressieve klanken, hij spreekt de taal van de Galileeër, dat de taal van de gewone mensen in Juda ook is, het Aramees.

Effatha is Aramees en betekent “Ga open”, een woord dat ook gemakkelijk in liplezen te verstaan is Marcus legt het nog even uit voor mensen die Grieks lezen en onze vertalers laten die uitleg gelukkig staan. Je moet je dus voor elkaar openstellen in plaats van afsluiten. En dat geldt voor ons allemaal, ook vandaag nog.

Jezus van Nazareth verbood de mensen te vertellen wat er was gebeurd. Maar als je je eenmaal openstelt voor het Woord van de God van Israël, dat juist het liefhebben van je naaste je naar het beloofde land brengt, juist de vrede brengt waarin alle mensen mee mogen doen en niemand meer bang hoeft te zijn of langs de kant te blijven zitten dan zing je, dan schreeuw je het uit en houdt je er geen moment meer je mond over. Dan breekt direct het oogstfeest aan waar Jesaja al over zong, over de doven die horen en de stommen die spreken.

Daar in het land van de Heidenen begint het ook door te dringen of Jezus dat nu wil of niet. Het kan ook hier bij ons doordringen, als wij ons er voor openstellen. Dan wordt ook onze samenleving een Kanaän, een samenleving in een land dat overvloeit van melk en honing, een land van enkel vruchtbaarheid, gezegend land om in te wonen.

Amen

Amen.

Read Full Post »

lezen: 2 Koningen 4: 8-18a

           Efeziërs 4: 30- 5: 2

           Marcus 7: 24-30

Gemeente

Je zou toch zeggen dat zo’n vrouw, die een kamer op het dak van haar huis bouwt en die meubileert, dat voor haar eigen belang doet. Het lijkt toch zeer aantrekkelijk zo’n profeet, een godsman, op zolder te hebben die zo af en toe in ruil voor jouw gastvrijheid een wens kan vervullen, of God kan vragen een wens voor jou te vervullen.

Maar de Sunamitische, een buitenlandse die niet bij het volk van Israël hoort,  uit het verhaal dat we vandaag lezen gaat het kennelijk niet om zulke wonderen. Zij vraagt niets voor zichzelf, al heeft ze een grote wens, een zoon, een kind te krijgen. Want in een samenleving zonder pensioenvoorzieningen tel je als vrouw pas mee als je tenminste één kind hebt. Maar zelfs dat vraagt ze niet aan de profeet. Kennelijk is het haar genoeg door haar gastvrijheid dichter bij God te komen, te doen wat God vraagt, dat we delen zonder daar zelf beter van te willen worden.

Als je wat aan God te vragen hebt dan is daar geen tussenpersoon voor nodig, dan kun je dat zelf direct aan God vragen. En verder gaat het niet om wonderen voor jezelf maar gaat er om dat je naaste die gebrek lijdt geholpen wordt en dat doe je in de eerste plaats zelf. Pas als je eigen vermogen te kort dreigt te schieten dan doe je een beroep op die God.

Wij willen graag een voorbeeld kunnen nemen aan de knecht Gechazi. Zonder dat de vrouw wat gezegd heeft ziet hij haar diepste wens, hij kent haar positie in haar samenleving en weet wat dat voor haar kan betekenen. Ook Eliza ziet in dat die wens in vervulling moet gaan en dus ook zal gaan als ze er maar openlijk over weet te praten. Hij brengt het gesprek er over op gang en jawel, binnen een jaar is de zoon geboren.

Een gesprek op gang brengen over de diepste wensen van iemand is moeilijk genoeg. Het begint er mee het aan te durven te praten over dat wat jezelf bezig houdt, om in elk geval te vertellen dat wat we graag willen ook gezegd mag worden. Niet alleen in een gebed dat uitgesproken wordt in de binnenste binnenkamer, maar ook met je geliefden, met je naasten. Want houden van je naasten als van jezelf is ook houden van jezelf. En als je je naasten zover weet te krijgen, dan volgen de wonderen vanzelf.

We moeten elkaar daarvoor wel durven te vertrouwen. Dat gaat niet zomaar, dan zou iedereen goudeerlijk moeten zijn. En was het maar zo eenvoudig mensen die niet meer liegen, niet meer stelen, niet meer boos worden, maar goed zijn voor elkaar en vol medeleven. Paulus roept op om het voortaan anders te gaan doen, maar velen zullen zeggen dat Paulus wel erg kort door de bocht is.

Let op, Paulus schrijft aan de gemeente in Efeze, nu ja aan elke gemeente van Christenen. Die zijn dus al een nieuwe weg in hun leven ingeslagen, de weg van de liefde. En dan gaat het er alleen nog om op te bouwen en niet af te breken en te veroordelen. Dan gaat het om vergeven. Niet dat vergeven van zand er over en we vergeten het maar het vergeven van samen gaan we er voorzorgen dat het niet meer kan gebeuren.

Vanuit de verbondenheid in Christus met de hele bewoonde wereld wordt door onze PKN nog wel eens gevraagd om sociale en economische duurzaamheid als uitgangspunten voor een regeringsbeleid te nemen. Vanuit die betrokkenheid roept Kerk in actie zelfs op om groene stroom te gebruiken, vanuit die betrokkenheid werken vrijwilligers uit de Kerken voor de opvang van vluchtelingen, vanuit die betrokkenheid steunen heel veel kerken de voedselbanken in hun stad of dorp.

Maar je kunt niet alle ellende en al het onrecht oplossen. Er zijn grenzen aan. Sommige Christenen voelen zich daar snel schuldig over, ik geloof zeker niet genoeg want ik moet af en toe nee zeggen. Neem een voorbeeld aan Jezus van Nazareth, ga af en toe met vakantie.

Hij kreeg in eigen land geen rust, de mensen vielen hem zo lastig dat hij met zijn leerlingen zelfs geen tijd kreeg de handen te wassen voor het eten. Dan moet je dus iets anders verzinnen om tot rust te komen. Het buitenland is dan een goed alternatief. Alleen was er in de tijd van Jezus van Nazareth geen echt buitenland voorhanden. Alles waar ze heen konden behoorde tot het Romeinse Rijk.

Het leek wel een beetje op het Europa van tegenwoordig. Je kunt er doorheen rijden zonder een douane of grenscontrole tegen te komen. Dat je in een ander land bent merk je aan de vorm van de huizen, de verkeersborden en de taal die er gesproken wordt. Dat was in de omgeving van Jezus van Nazareth niet anders. Alleen spraken ze daar in de buurt allemaal Aramees of Grieks.

Geschreven werd er in het Grieks en in dat Grieks kennen we ook het Evangelie van Marcus. Maar zouden die buitenlanders Jezus van Nazareth ook met rust laten? Marcus laat ons weten dat het niet het geval was. Ook buitenlanders hoorden er bij. Niet zomaar, de Goddelijke richtlijnen waren immers gegeven aan het volk Israël en de vruchten van die richtlijnen waren dan ook voor hen bestemd.

Maar daar waar in overvloed gegeten wordt vallen kruimels van de tafel waar anderen nog heel goed van mee kunnen eten. De vrouw uit het verhaal van Marcus zet zich op één lijn met de huisdieren, ze horen er bij, ook toen al vonden mensen honden in huis vertederend, maar ze moeten het doen met de restjes. En Jezus ziet dat ook zij een kind van God is, geschapen door de Vader die alles geschapen heeft.

Zo komen er ook buitenlanders naar ons land om hier mee te eten van de kruimels die bij ons van tafel vallen. Ze houden over het algemeen niet hun hand op maar doen het werk waar bij ons geen mensen meer voor te porren zijn. Het is alleen jammer dat er zo verkrampt angstig op wordt gereageerd.

In onze tuinbouw is er veel werk voor veel mensen voor maar een paar manden per jaar, de oogst. Vroeger deden de kinderen dat, daar hebben we nog onze lange schoolvakanties aan te danken. Tegenwoordig kijken we naar werkzoekenden. Maar van het loon van seizoensarbeid kun je hier geen bestaan opbouwen en als je dat werk gaat doen veroordeel je jezelf tot jaren uitkering, onderbroken door af en toe een paar maanden werk.

Er zijn arme landen waar mensen wonen die best een heel jaar zouden kunnen leven van wat hier in een paar maanden in de oogst te verdienen valt. We durven het alleen niet aan om dat te organiseren. We laten ons regeren door angst en het geschreeuw van een paar laffe angsthazen die een vreemde godsdienst als excuus aanvoeren voor hun geschreeuw. En als we echt zouden kunnen helpen vrede en welvaart in de armste landen van de wereld te bevorderen dan hoeven er ook geen mensen meer te verdrinken in de Middellandse Zee.

Geloven in de macht van de God van Israël doen de angsthazen en schreeuwers dat ons land vol raakt niet. Want dan zouden ze weten dat als we mensen tot hun recht laten komen, ze echt als medemens leren zien. Zoals Elisa in het verhaal van vandaag leerde zien, zoals Jezus van Nazareth van de Syrisch Foenitische vrouw haar leerde zien, we een betere wereld krijgen. Dat kan dus ook als we op reis zijn, dat kan dus ook als we op vakantie gaan. Dat kan gewoon in de eigen straat, in de eigen stad, in ons eigen land. Een gemeenschap zoals die waar Paulus aan schrijft kan dat samen oefenen. Jezus hield ons voor dat we dan als een stad op een berg te zien zullen zijn, dat we dan de grote daden van God laten zien.

Voor onszelf hoeven we daar geen beloning voor, we doen het uit dankbaarheid. Dank voor wat ons nu al toevalt aan rijkdom en geluk. We horen toch bij de 20 rijkste landen van de wereld. Maar we doen het juist omdat we uitzien naar een wereld waar alle tranen gedroogd zullen zijn, waar elk leed geleden is en waar elke strijd gestreden is. De Bijbel belooft dan dat de zee haar doden terug zal geven, ook de doden uit de Middellandse zee dus. De aarde wordt zo mooi dat God zelf hier zal willen wonen. Maar er zal nog heel veel werk voor moeten verzet. Wij worden geroepen daaraan mee te doen, aarzel dus niet, vat aan.

Amen.

Read Full Post »

Lezen: Deuteronomium 10: 12-21

            Marcus 7: 1-23

Gemeente,

Het is zomer, de tijd van de oogst, de tijd waarin je je af mag vragen wat al je gezwoeg onder de zon eigenlijk opbrengt, niet alleen materieel maar ook voor jezelf en vooral voor de mensen om je heen, onze broeders en zusters  in de wereld. De lezingen van vandaag lijken te gaan over een Wet, over wat wel en wat niet mag, over hoe je je gedraagt. Een lezing uit het boek Deuteronomium waarin de onderwijzing van Mozes nog eens wordt samengevat en uitgelegd en een lezing uit het Evangelie van Marcus, het oudste Evangelie.

In die lezing zet Jezus van Nazareth de menselijke wetten en gewoonten tegen de richtlijnen die God aan het volk van Israël heeft gegeven in de woestijn. Die richtlijnen waren geen wetten zoals mensen die maken maar bevrijdende richtlijnen om van de samenleving in het beloofde land ook echt een menselijke samenleving te kunnen maken. Vakantie hoort daar overigens ook echt bij.

Die richtlijnen werden gegeven op Weg naar het beloofde land. Het zijn dus eigenlijk richtingwijzers op weg naar dat land dat overvloeit van melk en honing. en misschien kunnen wij ook deze richtlijnen zo lezen dat we na de zomer, of eerder als u wilt, er weer mee op pad kunnen op weg naar een samenleving in onze dagen die gaat lijken op dat beloofde land.

Onze Godsdienst is eigenlijk helemaal niet zo ingewikkeld. Er zijn geen kostbaar aangeklede Tempels met geheimzinnig mompelende priesters waar je voor elke gunst die je van een God wil hebben eerst een offer moet brengen. Geen klankschalen of kleurstellingen, en vooral geen offers aan de God zelf. Dat was ook in het oude testament al zo.

De offers die werden gebracht zijn een teken dat je wil delen van wat je hebt en zijn bestemd voor de Priesters en Levieten, die moeten toch ook leven. Of ze worden verbrand, de stank is dan het teken dat je de richtlijnen van de God van Israël volgt. De Levieten helpen je bij de toepassing van de richtlijnen bij het leven van alledag  zodat je de juiste keuzes kan maken en spreken recht als er een geschil is.

En als je de God van Israël wil volgen dan zijn er vreemdelingen en weduwen en wezen om je  daarbij te helpen. Zo eenvoudig is het. Verschaf de weduwe en de wees recht, laat hen tot hun recht komen, neem ze op in je gemeenschap en zorg dat ze een volwaardige plaats krijgen. Ze zijn de armsten in de samenleving. Daar zijn we dus samen verantwoordelijk voor. In onze dagen voor de ouden van dagen, voor de zieken en invaliden, voor de mensen die niet in staat zijn een eigen inkomen te verwerven. Niet alleen in ons land maar uiteindelijk in de hele bewoonde wereld.

Maar in ons land moeten we, net als in Israël, de vreemdelingen met liefde behandelen. Het staat er echt. Iedereen die zich dus wil beroepen op de Joods Christelijke traditie van ons land, die bang is dat we overvleugeld worden door een andere godsdienst, zal zich moeten conformeren aan de richtlijnen die staan in het gedeelte dat we vandaag lezen, U moet de vreemdelingen met liefde behandelen. Want we zijn uiteindelijk allemaal vreemdelingen geweest of stammen af van vreemdelingen.

De geschiedenis van het slavenvolk dat veertig jaar door de woestijn had gezworven nadat het in 400 jaar in Egypte tot slavernij was vervallen is natuurlijk geweldig. Ook onze geschiedenis wordt soms als zo geweldig voorgesteld. Ooit kwamen de Batavieren op boomstammen de Rijn afzakken en nu behoren we tot de 20 rijkste industrielanden in de wereld.

Over onze samenleving hoeven we ons dan ook in het geheel niet te schamen. Natuurlijk zijn er problemen die we moeten aanpakken en oplossen. We hebben nog steeds nare gevolgen van hebzucht. We delen nog steeds onvoldoende, er zijn nog steeds voedselbanken nodig en de inkomensverschillen in allerlei bedrijven zijn onverklaarbaar groot. Er is nog steeds misdaad in ons land en jongeren worden verwaarloosd en vervallen soms onnodig tot misdaden.

Maar misschien erger is dat de manier waarop wij onze landbouw hebben georganiseerd en handel drijven hongersnood veroorzaakt in arme landen. Erger is ook dat de kleding die wij dragen voor een groot deel wordt gemaakt door kinderen onder erbarmelijke omstandigheden. Erger is ook dat om hier mannelijke lusten te bevredigen arme meisjes uit minder welvarende landen gedwongen worden in onze seksindustrie te gaan werken en daar worden verhandeld, gemarteld, geslagen en vernederd.

Heel het boek Deuteronomium spoort ons aan de Weg te gaan die God ons wijst. Daarvoor moeten we eerst opstaan en die Weg willen gaan. Volgens dit boek is het een Weg die voert van dood naar leven. Ook al leven wij nu in een betrekkelijke welvaart als we de Weg willen gaan van de God van Israël dan zullen ook wij moeten opstaan, opstaan tegen al dat onrecht in onze samenleving, het onrecht dat ons omringt.

In de dagen van Jezus van Nazareth waren het vooral de farizieeën die probeerden de richtlijnen die zij als menselijke wetten lazen zo nauwkeurig mogelijk na te komen. Jezus van Nazareth las in die richtlijnen vooral het bevrijdende, de menselijke samenleving. In het verhaal van vandaag raakt hij in conflict over de reinheidswetten. Je handen wassen voor het eten is een gezonde regel. De Farizeeën wijzen er dus kennelijk niet ten onrechte op dat de leerlingen van Jezus zich daar niet aan houden.

Maar er staat in het Grieks meer dan in de vertaling doorklinkt. Letterlijk staat er dat ze de handen wassen met de vuist. Dat is zo’n raar beeld dat de vertalers dat maar hebben weggelaten, voor Griekssprekenden uit de tijd van Marcus was het een gewone uitdrukking, het betekende dat je je handen ritueel waste, niet helemaal echt maar zo dat er een nieuwe verhouding ontstond met datgene wat je aanraakte of aangeraakt had. Zoiets als met een wijwaterkwast. De Farizeeen spoelden met dat rituele wassen alle heidendom van hun voedsel af. Het was een leeg ritueel dat eigenlijk alleen nog zei dat je beter was dan een ander.

De leerlingen van Jezus hadden het druk. Overal waar Jezus kwam stroomden mensen bij elkaar en werden talloze mensen genezen. Soms hadden ze geen tijd zelfs om fatsoenlijk te eten. Die Farizeeën vonden dus kennelijk de regeltjes belangrijker dan de mensen. Dat noemen we huichelen De richtlijnen uit de leer van Mozes laten zich samenvatten in het heb je naaste lief als jezelf. En dat het om mensen draait laat Jezus  zien in een voorbeeld uit de praktijk. Als je alles wat je hebt bestemt voor een offer voor de Tempel, een Korban, dan kun je daar niets van weggeven. Je moet het zelf houden, om het offer te kunnen brengen, of je moet het naar de Tempel brengen. Je hoog bejaarde ouders bijstaan van je bezit is er dan niet meer bij. Je hebt het immers aan God beloofd, Daar kun je dus gemakkelijk misbruik van maken. Je godsdienstigheid verhindert je te zorgen voor behoeftigen.

Je voelt wel aan dat deze manier van omgaan met de richtlijnen van de Bijbel tegengesteld is aan de leer, of tenminste aan de bedoeling van die richtlijnen. Ze waren gegeven in de woestijn aan een volk van bevrijde slaven die op de vlucht waren. Die regels maakten dat ze als volk samen verder konden naar een eigen land. Samen kunnen leven, van elkaar houden daar gaat het dus om. Daarbij zijn mensen belangrijker dan regels.

Het Evangelie van Marcus is geen journalistiek verslag van het leven van Jezus van Nazareth. Het verhaal is opgeschreven na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70. De bedoeling was om die verhalen over Jezus van Nazareth te vertellen die de pas gevormde gemeenten van gelovigen, de mensen van de Weg zou Lucas ze noemen, konden helpen om het geloof in Jezus van Nazareth en zijn manier van leven vast te houden. Ook in dit gedeelte gaat het over zaken die na de verwoesting van de Tempel belangrijker zouden worden.

Na de dood van Jezus van Nazareth hadden zijn leerlingen gevolg gegeven aan de oproep om iedereen mee te krijgen in die nieuwe Weg van heb je naaste lief als jezelf. Ze hadden ervaren dat de liefde van Jezus van Nazareth het ook door de dood heen had uitgehouden. Als je oplette kwam je hem overal tegen waar mensen mensen nodig hebben, bij het breken en delen van brood, bij het werk als het niet wil vlotten en in de wanhoop op de afloop van de kruisiging.

Ze waren op weg gegaan en aarzelend en met veel discussie hadden ze ook mensen in hun beweging welkom geheten die niet uit het Joodse volk afkomstig waren. Ze hadden zich herinnerd hoe ook Jezus van Nazareth een Romeinse officier had geholpen en zelfs met hem mee gegaan was toen zijn dochter dreigde te sterven. Ook niet Joodse vrouwen die hij ontmoette had hij een plaats gegeven in zijn beweging. Maar grotere aantallen niet Joden, Heidenen als wij, leverden een probleem op. Moesten die ook mee gaan doen met de ingewikkelde spijswetten van de Joden? Uiteindelijk hadden ze na veel strijd besloten dat die dwang nu juist in strijd was met de Weg van Jezus van Nazareth. Daarvan vindt je hier de weerslag. Niet wat de mens binnen gaat maakt onrein maar wat uit de mens komt. Voor ons lijkt dat vanzelfsprekend te zijn.

De vraag blijft natuurlijk waarom wij dan zo gevoelig zijn voor mooie praatjes van politici, over fatsoen en normen en waarden, over de angst die je zou moeten hebben voor de Islam, over de noodzaak wapens te kopen in plaats van brood voor armen, over het steunen van onze landbouwproductie zodat boeren in arme landen geen plaats krijgen. De Weg van Jezus van Nazareth was de armen en verdrukten als maatstaf te nemen, werd hen recht gedaan dan gaat het goed, werden zij het slachtoffer dan gaat het slecht. Laten we dat vandaag ook doen, uit de mens komen slechte dingen, wees gewaarschuwd.

Er staat in de Heidelberger catechismus niet alleen dat de mens niet bekwaam is tot enig goed maar ook iets over genade, in deftige taal die we soms nauwelijks meer verstaan. Maar de genade is heel eenvoudig, elke dag staan we weer opnieuw op, elke dag schijnt opnieuw de zon, elke morgen is er opnieuw licht, alsof elke dag de wereld opnieuw geschapen wordt.

Elke dag mogen we daarom opnieuw de Weg gaan die de God van Israël ons wijst, hoever we ook van die weg zijn afgedwaald, elke dag mag het weer opnieuw en als het nodig is misschien wel duizend keer per dag opnieuw schrijft Paulus ergens. Dat betekent dat we de vrijheid hebben steeds opnieuw te beginnen, dat we bevrijdt zijn voor de angst voor de dood, die deert ons niet meer.

De regel dat we het goede moeten doen en niet dan het goede, zoals Paulus de richtlijnen zou samenvatten, maakt dat we mogen genieten van het goede, dat we ons mogen bezinnen op waar we mee bezig zijn in ons leven, kortom betekent ook dat we vakantie mogen houden. We moeten immers ook weet hebben van dat beloofde land waarheen we op weg zijn? Volgens de leer van Mozes was daar elke zevende dag rust, werd elke zevende dag gevierd dat we bevrijd zijn van de slavernij van de arbeid. Christenen hebben dat doorgetrokken naar de achtste dag, de eerste dag van een nieuwe week, waarop we vieren dat we in Christus bevrijdt zijn van de dood. Maar we mogen nooit vergeten dat we het nodig hebben ook te vieren dat we bevrijd zijn van de slavernij van de arbeid. Die eerste dag van de week als gezamenlijke vrije dag staat ter discussie. Te veel Christenen hebben er geboden van wat niet mag aan vastgeplakt en het karakter van Bevrijdingsdag wordt bijna niet meer herkent. Het is een rituele dag geworden zoals met dat handenwassen van Farizeeën.

In onze vakantie moeten we ons weer herinneren dat in dat beloofde land elke zeven jaar al het werk op het land achterwege moest blijven, het Sabbatsjaar. Terugkerend na onze vakantie hebben we verhalen over hoe weldadig de rust heeft kunnen zijn. Het goede van de rust mogen we uitdragen en delen, wij hebben nog een dag waarop we het goede van de bevrijding kunnen delen met iedereen in onze gemeenschap, niet alleen in onze kerk, maar ook in ons dorp en onze stad. We zijn gewaarschuwd voor het kwade, maar we kunnen het bestrijden met het goede, niets doen dan het goede, dag in dag uit, tot in eeuwigheid, tot er een eeuwigdurende vakantie aanbreekt waarin alle tranen gedroogd zijn en de dood niet meer zal zijn..

Amen

Read Full Post »