Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for mei, 2015

Lezen: Exodus 3: 1-6

           Johannes 3: 1-16

Gemeente,

Vandaag is het een bijzondere feestdag in de kerk. Zondag Trinitatus heet die in het Latijn, de zondag van de drie eenheid. Geen gemakkelijk onderwerp maar zeker in onze dagen ook niet een onbelangrijk onderwerp. De drie-eenheid is in de geschiedenis vaak een omstreden begrip geweest. Als je Jehova getuigen aan de deur krijgt loop je de kans dat ze je willen overtuigen van de onzin van de drie-eenheid, 1+1+1=3 en niet 1.

Over kerkvader Augustinus gaat zelfs een anekdote die verband houdt met de drie-eenheid, hij liep eens te piekeren op het strand over de vraag hoe dit leerstuk nu goed onder woorden te brengen toen hij een klein jongetje zag dat water uit de zee in een kuiltje stond te scheppen. Toen hij aan het jongetje vroeg wat die aan het doen was antwoordde die dat hij de zee leeg wilde scheppen in zijn kuiltje. Maar dat kan niet zei Augustinus, nou zei het jongetje u probeert toch ook het geheim van de drie-eenheid in uw kleine hersenpan te krijgen? Toen snapte Augustinus dat het geheim van de drie-eenheid ondoorgrondelijk is staat er dan in het verhaal. En dan houden theologen vaak op om er verder over te praten, je moet het maar geloven.

Maar dan maken we ons er te gemakkelijk van af. Want dat God zich op meerdere manieren aan ons kan openbaren is uitermate Bijbels en voor de eenheid van de gemeente tamelijk nuttig, we hoeven de manier waarop wij God ontmoeten niet aan een ander op te leggen.

Augustinus had een andere kerkvader als leraar, Tertulianus en voor die kerkvader was de drie-eenheid heel wat eenvoudiger. Hij gebruikte een beeld waarvan ik denk dat het ook hier in Haarlem Noord wel begrepen zal worden. Net als in Noord-Afrika waar Tertulianus vandaan kwam heeft men hier nog weet van bloemen en planten.

Tertulianus wees er op dat we een bloeiende plant in zijn geheel bij haar naam noemen. Maar we noemen ook de bloem alleen bij dezelfde naam, ook de wortels noemen we bij die naam, zo ook de stengel met de bladeren, van sommige planten zelfs alleen de bladeren. Toch vormen die allemaal een eenheid. Ze verschijnen allemaal op een eigen manier, hebben een eigen functie maar vormen desondanks een eenheid. Bij planten is 1 wortel + 1 stengel + 1 bloem wel degelijk 1 plant. En in het bollenland van Noord Holland Noord heb ik geleerd dat als je het hebt over een tulp, je de bol kunt bedoelen, het loof kunt bedoelen , de bloem kunt bedoelen of het geheel kunt bedoelen, dat geldt ook voor de narcis, de hyacint of het sneeuwklokje. Waarom dan niet voor de God van Israël?

Juist  het idee van de drie-eenheid kan ons behoeden voor het losknippen van één van de drie zoals in de kerkgeschiedenis vaak is geprobeerd. God de Vader, schepper van hemel en aarde werd losgeknipt van God de Zoon die dan als de werkelijke God werd gezien, de scheppende God had zijn werk niet goed gedaan en was dus niet de echte God die mensen kon bevrijden, en in onze dagen lijkt het er soms op dat God de Geest losgeknipt wordt van de Vader en de Zoon omdat die te hoge eisen stellen aan ons geloof. De Geest moet dan voldoende zijn.

Zo zijn er ook mensen die Jezus van Nazareth los knippen van God en van de Heilige Geest. Jezus van Nazareth is dan alleen maar mens en niet meer God die laat zien hoe een mens naar zijn beeld en gelijkenis er eigenlijk uit zou moeten zien, eigenlijk bedoeld is. Jezus is dan een goed mens zoals er veel goede mensen zijn geweest, een voorbeeld zoals er veel voorbeelden zijn geweest.

Maar wat heeft die ingewikkelde discussie nu met ons vandaag te maken? De wetenschap heeft ons geleerd dat de aarde op een heel andere manier gemaakt is dan in het lied van de Schepping uit Genesis 1 staat. Dat we vanuit en met de Heilige Geest moeten proberen ons leven in te richten ligt ook voor de hand en dat we daarbij de mens Jezus van Nazareth als ons voorbeeld mogen kiezen is toch ook niet verkeerd. Maar losknippen van elkaar kan niet.

Zoals de afzonderlijke tonen in een akkoord op het orgel nooit het akkoord zelf kunnen laten weerklinken kunnen we over God nooit spreken zonder het over Vader, Zoon en Heilige Geest te hebben. Dat onze God een drie-enig God is zegt ook dat onze God alle verstand te boven gaat, dat we van onze God als mensen geen voorstelling kunnen maken, zegt ook iets over de ontzagwekkende grootheid van onze God die ons tegelijkertijd zo nabij wil zijn.

Wie het Oude Testament kent weet dat we God in de eerste plaats aan eigenschappen kennen. De lezing van vanmorgen uit Exodus brengt ons dat nog eens onder de aandacht.

“Dit zijn de namen”, zo begint het boek dat wij Exodus noemen, maar dat in het Hebreeuws dus “de namen” heet. In het gedeelte dat we vandaag lezen krijgt de God van Israël eindelijk een naam. Die naam wordt nooit uitgesproken. Niet omdat die naam geheim is maar omdat die naam voor mensen zo geweldig is dat je siddert bij de gedachte er aan alleen al.

Die God heeft een verbond gesloten, met Abraham, met Isaäk en met Jakob. De Nieuwe Bijbelvertaling laat die laatste twee keer “met” weg, maar God heeft zowel met Abraham als met Isaäk en met Jakob telkens een nieuw verbond gesloten. Telkens wel dat het land Kanaän een land zou worden van een groot volk dat zou afstammen van Abraham en van Isaaäk en van Jakob.

Die belofte was er niet zomaar, dat verbond hield verplichtingen in, wederzijdse verplichtingen en daarom hoorde die God ook de jammerkreten van dat volk en trok die God hun lot aan. En dan? Komt er een engelenleger om tegen het leger van Egypte te vechten? Nee, zo werkt de God van Israël niet! Bevrijding van ellende gaat niet op gebed of op jammerkreten maar gaat door het werk van mensen. Mozes in dit geval. Die zag een boodschapper in een vuur dat uit een doornstruik ontvlamde op de berg van die God, een struik die brandde maar niet verteerde. Geleerden zeggen dat het een soort struik is die, als die bloeit, de indruk wekt in brand te staan. Zo’n struik groeit in de woestijn.

Maar Mozes ziet er een boodschap van zijn God in. Dit is heilige grond, daar bloeien planten in de woestijn. Zou zo het volk Israël kunnen bloeien? Was er niet een land beloofd waar ze net zo konden bloeien als al die andere volken buiten Egypte? Zou er niet een land zijn overvloeiende van melk en honing? Zou je dan niet de hulp van die God kunnen krijgen als je naar de Farao gaat om de vrijheid voor dat volk te verkrijgen?

Dat zou het moeten zijn. Als je de God van dat volk zelfs achter in de woestijn kunt ontmoeten, want achter de woestijn ligt immers dat beloofde land. Wat is dat voor een God die zegt geen naam maar een boodschap te hebben: “Ik zal er zijn zoals ik er zijn zal”

De God die er was voor Abraham, die er was voor Izaaäk. die er was voor Jakob, die er voor elk van hen was zoals hij er voor hen wilde zijn, die er voor Mozes was zoals hij er voor hem wilde zijn, die er voor zijn volk wilde zijn zoals hij voor dat volk wilde zijn, die er voor elk van ons is zoals hij voor elk van ons wil zijn. Telkens op een andere manier

En zeg nu niet dat de God van een ander, de God die met die ander meegaat, een andere God is  dan de God die er voor jou is, die met jou meetrekt. Samen kun je die God aanbidden, door er voor elkaar te zijn, door elkaar te bevrijden van angst voor elkaar, elkaar te bevrijden van slavernij en dat wat je vasthoudt en weg van elkaar.

Die God stuurt elk van ons op weg, dezelfde weg die Mozes moet gaan, maar elk van ons met een verschillende opdracht. Want voor elk van ons is die God de God die met ons meetrekt omdat hij het geroep van zijn kinderen heeft gehoord, omdat hij hen een wereld beloofd heeft waar alle tranen gedroogd zijn. Daarom hoeven wij niet meer de naam van die God te noemen: we moeten voor hem op weg gaan.

Dat gaat niet zomaar. Ook uit het nieuwe Testament leren we dat God niet verschijnt zoals wij dat graag willen of verwachten maar zoals we die God nodig hebben om zijn werk te doen, de naaste lief te hebben als onszelf.

We weten al dat Jezus het druk had, met wonderen en genezingen. “Nou” zo begint Johannes zijn verhaal, “al die mensen die op wonderen afkomen zijn maar dubieuze gelovigen. Vervolgens vertelt hij over een gesprek dat een godsdienstig leider van die tijd eens rustig met Jezus wilde hebben. Dat kon alleen in de stilte van de nacht als die wonderzoekers waren gaan slapen. Die Nicodemus wil wel eens weten hoe het met die wonderen zit. En Jezus verwerpt de eigen wonderen en vertelt dat je van boven geboren moet worden.

Dat “opnieuw” is in het Grieks namelijk ook van boven, en dat betekent dat we ook mogen zeggen dat we “als nieuw” geboren moeten worden. Als je na een warme dag werken gaat zwemmen dan voel je je als nieuw geboren, het stof en zweet van alle dag wordt afgespoeld en je bent een nieuw mens.

Nou was die Nicodemus ook goed thuis in de leer van Mozes, de Tora die we in de eerste vijf boeken van de Bijbel terugvinden. Die leer was voor veel mensen verworden tot een dorre verzameling regels en Jezus van Nazareth voegt er daarom de Geest van God bij.

De Geest waarin die leer was ontstaan als een verzameling richtlijnen voor een menselijke samenleving, de geest van liefde, die geest is nodig voor een nieuw soort koninkrijk. Mensen die hun oude gewoonten afspoelen, en met een nieuwe geest van liefde in het leven staan, dat is wedergeboorte, dat doe je samen.

Dan weet je niet wat je overkomt, het is niks geestelijks meer, maar ineens gaan mensen opbloeien, is er aandacht voor de armen, voor de verworpenen der aarde. Dan gaat het weer over zeer aardse zaken zoals Jezus op het eind van het verhaal benadrukt. Paulus zal later nog eens opmerken dat je daar meer mens van wordt, een echter mens.

Want mensen blijken bedoeld om voor elkaar te zorgen. In het Christendom gaat het om mensen, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, die moeten leren van alle mensen te gaan houden. Wij ontmoeten God dus in de naaste, in de armen, de hongerenden, de gevangenen, de naakten, de slachtoffers van onderdrukking en geweld. En het mooie is dat  we dat  elk moment weer opnieuw mogen gaan zien.

We hebben een openbaring van God gekregen die we elke dag in de straat kunnen tegenkomen, Jezus van Nazareth, zoon van God en daardoor God zelf, die zich aan ons laat zien in de minste van zijn broeders. Zo lief had die God ons.

De Bijbel knoopt er ook een belofte aan vast. Als wij de richtlijnen van die Jezus van Nazareth weten na te volgen dan wordt de aarde zo mooi dat God zelf zijn tenten op deze aarde zal willen spannen. Dan zal alle leed geleden zijn en elke strijd gestreden zijn. Daarheen zijn we op weg, de God van Israël voor ons uit als in een wolk in de dag en een vuur achter ons in de nacht. Aarzel dus niet, sta op en volg, het werk wacht.

Amen

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: Ezechiël 1: 4-14 en 26-28a

           Marcus 16: 14-20

 

Gemeente,

De Apostolische geloofsbelijdenis zegt het zo mooi: opgevaren ten hemel, zittende aan de rechterhand Gods vanwaar hij zal komen om te oordelen de levenden en de doden. De Bijbel kent een aantal heel verschillende verhalen over de opneming van Jezus in de Hemel. Wij kozen vandaag voor het verhaal dat Marcus in zijn Evangelie opschreef. Al die verschillende verhalen hebben één ding gemeen. Jezus loopt niet meer op aarde maar is bij God. Hij is opgenomen net als Mozes opgenomen werd en Elia opgenomen werd.

Maar wat hebben wij er aan? Wij horen van oorlogen en geruchten van oorlogen. Wij leven mee met slachtoffers van natuurrampen zoals de mensen in Nepal van kort geleden, zij herinneren ons ook aan de slachtoffers van de aardbevingen in Pakistan en Haïti waar de mensen ook na jaren nog steeds onze hulp nodig hebben om hun samenleving op nieuw op te bouwen.

Het is een vraag die ook steeds in de Bijbel op duikt. Waar is God met zoveel ellende. Een echt antwoord kont er niet altijd, in elk geval helpt de God van Israël niet op bestelling. Maar zegt het verhaal, we mogen wel op hem vertrouwen. Dat is bijvoorbeeld de boodschap van dat rare visioen van de profeet Ezechiël dat we vanmorgen gehoord hebben.

Hij moest de ballingen de ogen openen, laten zien wat het betekende om ook in de ballingschap de God van Israël te blijven dienen, of beter, opnieuw te gaan dienen. De profeet Ezechiël is bij uitstek de profeet van het zien en het laten zien. Beelden die wij niet altijd meer herkennen. Wij zijn niet omringd door tempels met beelden en beelden van afgoden op de hoeken van de straten. Tenminste niet de goden en afgoden waar de ballingen in Babel mee omringd waren. Het is jammer dat vertalers de neiging hebben alles zo netjes te vertalen. De oorspronkelijke tekst staat vol met afgebroken zinnen, herhalingen, beelden die beginnen en niet worden afgemaakt. Uit de tekst is duidelijk dat Ezechiël overmand wordt door het visioen dat hij heeft.

De beelden die we zien in de beschrijving van Ezechiël zijn eigenlijk beelden die we tegenkomen in de godsdienst van Babel, van Mesopotamië. Tot voor kort kon je in het huidige Irak nog ruïnes van tempels bezoeken waar je dit soort beelden van wezens met vleugels, dierlichamen en menselijke gezichten tegen kan komen. Veel er van lijkt verwoest te zijn in de burgeroorlog in Irak.

Het bijzondere van de droom van Ezechiël is dat die afbeeldingen van goden in zijn droom een eenheid vormen, een wagen die zich door de lucht beweegt. Ook dat beeld van die wagen door de lucht was het beeld van een god, dat was de zon. Maar in het beeld van Ezechiël was de zon niet de god, was ook het onweer niet de god, waren ook de gevleugelde wezens niet de goden. Al die beelden en wezens en natuurverschijnselen waren dienaren van de God die Ezechiël in zijn visioen zag, want op die bijzondere wagen was de God van Israël, die wagen was het mobiele heiligdom van de God van Israël.

De goden die Ezechiël in zijn visioen probeert te beschrijven zijn de goden van Babel. In Babel was de dondergod Marduk de hoogste god. Ezechiël laat de ballingen in Babel zien dat zelfs Marduk onderworpen is aan de God van Israël.

Je moet maar durven als je als balling uit een achterafprovincie van het rijke en machtige Babel jezelf probeert te blijven. De koning was al vijf jaar in ballingschap en er was geen enkel zicht op het einde van de ballingschap. Als je nog wat zou willen met je leven, als je 30 jaar bent is dat verlangen nog zo vreemd niet, dan zou je toch mee moeten doen met godsdiensten die je vooruitgang, carrière en aanzien beloven. Dan moet je je toch niet willen houden aan een Godje dat verslagen werd door het machtige Babel, wiens Tempel werd verwoest. Ezechiël wil kennelijk laten zien dat al dat streven naar vooruitgang en aanzien maar leeg en zonder nut is. Uiteindelijk gaat het om de glorie van de God van Israël, een God die zelfs met ballingen in ballingschap gaat. Die God gaat al die afgoden te boven.

Ezechiël ziet dat zelfs ballingen in een vreemd en machtig land dat vol staat met tempels en godenbeelden niet bang hoeven te zijn voor het verlies van hun identiteit. Ook in de ballingschap laat de God van Israël niet los het werk dat hij begonnen is. Dat volk, dat als lichtend voorbeeld van de liefde van God de wereld de glorie van God zou laten zien, komt er. Het is een geweldig visioen. Het is ook een dapper visioen.

Het is het soort visioen dat ook Jezus van Nazareth bewogen had. Zijn land had zwaar geleden onder de bezetting door de Romeinen. Vooral de armen hadden er te lijden gehad. De rijken en de elite in Jeruzalem had er voor gezorgd dat niet de rijkdom werd belast maar de persoon, het hoofdgeld, en het verkeer, het tolgeld. Jezus van Nazareth had mensen weer in beweging gebracht. Als ze zouden delen, als ze elkaar lief zouden hebben, als ze zouden zorgen dat iedereen weer mee zou kunnen doen dan werden ze onoverwinbaar voor de Romeinen.

In de loop van de drie jaar dat Jezus zijn boodschap had gebracht werd het steeds duidelijker dat hij een fundamentele verandering van de samenleving veroorzaakte. En dat roept altijd geweld op van de machtigen. Nu had Jezus een opstand kunnen uitroepen. Toen hij gearresteerd werd op Getsemane had hij in het verhaal van Marcus een legertje van 120 mensen bij zich. Maar hij liet ze de zwaarden in de schede steken en gaf zich over om gekruisigd te worden.

Dat was het einde geweest. Alleen een aantal vrouwen hadden nog een waardig afscheid willen nemen. Ze hadden de Sabbath afgewacht en waren vroeg in de morgen naar zijn graf gegaan en hadden dat leeg gevonden. En dan eindigt Marcus zijn verhaal met de mededeling : “Ze gingen naar buiten en vluchtten bij het graf vandaan, want ze waren bevangen door angst en schrik. Ze waren zo erg geschrokken dat ze tegen niemand iets zeiden.”

De gemeenten die het verhaal van Marcus hadden gelezen zullen gezocht hebben naar een passend einde van het verhaal over Jezus van Nazareth. Dat einde kon toch niet de verwarring van de vrouwen zijn waarmee Marcus oorspronkelijk zijn verhaal had afgesloten? Ook niet de boodschap dat iedereen maar weer gewoon naar huis moest gaan. Voor die eerste gemeenten was er iets nieuws begonnen, iets echt nieuws. Daarvoor waren ze bij elkaar op de eerste dag van de week, daarvoor lazen ze dat hele verhaal van Marcus aan elkaar voor. Hoe die laatste verzen aan het verhaal van Marcus zijn toegevoegd weten we niet. Misschien is het verhaal wel teruggestuurd naar de schrijver, met de vraag hoe het verder ging met dat verhaal van Jezus van Nazareth.

Er zijn twee versies van een nieuw slot aan het Evangelie. De ene zegt dat de vrouwen alles aan Petrus en de zijnen hadden verteld maar niet geloofd werden en dat Jezus van Nazareth toen maar zelf was verschenen en ze had opgedragen om dat goede nieuws aan iedereen te gaan vertellen. Het andere slot heeft het uiteindelijk gehaald. Ook daarin verscheen Jezus van Nazareth eerst aan vrouwen en wordt benadrukt dat die niet werden geloofd.

Nu worden vrouwen vaak niet geloofd en dat overkwam ook Maria van Magdala. Ze was vroeger niet helemaal goed bij haar hoofd geweest, Jezus van Nazareth had wel zeven demonen uitgedreven, een behoorlijk genezingsproces zouden we tegenwoordig zeggen. Maar geloven deden ze het niet. Ook niet toen twee van de volgelingen Jezus van Nazareth buiten de stad tegen waren gekomen, dat kan toch niet hebben ze geroepen.

Uiteindelijk verscheen hij aan de elf, Judas was immers een andere weg ingeslagen, en was Jezus van Nazareth duidelijk ontstemd over dat ongeloof. Het laatste deel van het verhaal begint met een mopperende Jezus.

Dat nam niet weg dat die volgelingen van Jezus van Nazareth de opdracht kregen om de hele wereld rond te trekken en aan iedereen het goede nieuws bekend te maken. Als je gelooft en een nieuw leven wil beginnen, dat doe je door je oude leven af te spoelen en je dus te laten dopen, dan zul je gered worden. En zelfs als je twijfelt aan de haalbaarheid van dat visioen dan nog wordt je geroepen dat verhaal van Jezus door te vertellen.

Die eerste gemeenten dachten nog dat Jezus van Nazareth direct terug zou komen om te oordelen wie goed had gedaan en wie niet. Pas veel later zou een schrijver van één van de Bijbelse brieven de gemeente er op wijzen dat je moet leven alsof Jezus van Nazareth vandaag of morgen echt terugkomt. Dan hou je het goede doen ook pas echt vol. Het kwade verdrijven en contact leggen met iedereen in de wereld, de taal spreken van iedereen , hoort nog steeds bij gelovigen.

Immers oog hebben voor de minsten, liefde voor de naaste, maakt dat je mensen echt kunt helpen en ook echt contact krijgt met anderen. Waar Jezus van Nazareth ondertussen is? Bij God, zoals we mogen geloven dat onze gestorven geliefden bij God zijn. Maar de leerlingen gingen inderdaad op weg. Eerst vormden ze een gemeenschap rond de Tempel in Jeruzalem. Daar werden immers de richtlijnen bewaard waar die Jezus het steeds over had gehad, de richtlijnen voor een menselijke samenleving, heb God lief boven alles door je naaste lief te hebben als jezelf.

Wij mogen met hen op weg gaan om iedereen te laten weten dat er geen honger hoeft de zijn, dat iedereen gekleed kan worden, dat bedroefden getroosd en gevangenen bevrijdt kunnen worden. Dat die nieuwe wereld ook voor ons voor het grijpen is.

De Bijbel eindigt met dat visioen. De Apostolische geloofsbelijdenis durft het nauwelijks te zeggen. We geloven in de opstanding van de doden en een eeuwig leven. In de Bijbel zelf klinkt het veel mooier. De aarde zal zo mooi worden dat God zelf hier zal willen wonen. Alle tranen zullen gedroogd zijn en de zee zal haar doden teruggeven, ook de Middellandse Zee. Om dat visioen waar te maken zal er nog heel veel moeten gebeuren. We zullen een gemeenschap moeten vormen en met Pinksteren leren dat de Geest van God, de Geest van Jezus van Nazareth een machtig wapen is. Maar we kunnen er nu al mee beginnen. De velden zijn wit om te oogsten, wacht dus niet, het werk wacht, steek de handen uit de mouwen en leg ze in de handen van God, vat aan.

Amen

Read Full Post »

Lezen: Jesaja 45: 15-19

            Johannes 15: 9-17

Gemeente,

Vandaag is het moederdag. Dat is een ingewikkelde feestdag. Die is niet voor iedereen vanzelfsprekend. De meesten van ons hebben een moeder waar we best trots op zijn. Die heeft ons mee opgevoed tot wat we nu zijn. Maar er zijn er ook die hun moeder nooit gekend hebben, of waar de relatie met hun moeder zeer mislukt is en die de verhouding tot hun moeder als een last met zich meedragen. En als we het hebben over moeders, dan hebben we het over vrouwen. Is zo’n feestdag soms bedoeld om vrouwen tot het moederschap te veroordelen?

Tellen de vrouwen die geen moeder zijn, gewild of ongewild, niet meer mee? God schiep ons man en vrouw, naar zijn beeld en gelijkenis, als gelijken dus. Vaders en moeders zullen dus een tweedeling moeten maken, al naar de talenten die ze gekregen hebben. Opvoeding, zorg en inkomen horen in Bijbelse zin voor beiden gelijkelijk een  opgave en verantwoordelijkheid te zijn. En het laatste wat we moeten doen is een moeder, of het ideaal beeld van de vrouw als moeder, vergoddelijken, boven al het andere stellen. In de lezingen lezen we het een en ander over die vergoddelijking en over de liefde, ook de moederliefde dus, die niet verschilt van de liefde van God of de liefde voor God.

De Bijbel wijst ons de richting die we moeten gaan en als we goed luisteren dan behoed het verhaal van de Bijbel ons voor de valkuilen waar we in dreigen te vallen en die we zo gemakkelijk over het hoofd zien. Jesaja heeft het bijvoorbeeld over de vergoddelijking. In de afgodendienst van de volken speelde de figuur van de moedergodin een belangrijke rol. Zij zorgde voor de voortplanting en het voedsel. Moeder aarde horen we nog wel eens zo benoemen. Maar die godsdienst van de volken wordt in de Bijbel sterk verworpen.

Denk er niet te licht over. Machtige volken vonden hun goden ook machtig en wie overwonnen werd verloor zijn god die immers verslagen werd. Wie nu nog in Egypte kijkt ziet hoe machtig de Egyptenaren hun goden wel niet vonden. De beelden van die goden hebben het door de eeuwen door uitgehouden.

Voor ons is het, na al die eeuwen dat we uit het boek van Jesaja hebben horen voorlezen, normaal: die met de hand gemaakte beelden zijn geen goden, ze hebben geen macht en je staat inderdaad voor gek als je die beelden aanbidt. Maar ook in onze dagen staan er beelden in onze christelijke kerken die een religieuze functie vervullen. Ook wij kennen idolen in de vorm van populaire relibands, gospelartisten en er zijn evangelisten en voorgangers die alleen door hun persoon vele bezoekers naar hun bijeenkomsten trekken.

Zelfs in de kerken hebben we de neiging de wereld te volgen waar immers alleen de nummers 1 tellen en waar voortdurend op allerlei terreinen wedstrijden bezig zijn waar mensen proberen de nummer 1 te worden, of het nu kleren naaien of taarten bakken is, de nummer 1 wordt een idool, een mens om na te volgen.

Afgoderij zit in ons en ligt altijd op de loer. Moeten we dan bang zijn om te werken aan een nieuwe wereld waar recht en gerechtigheid heersen in plaats van de beelden van vreemde zelfgemaakte goden en de populariteit van sterfelijke mensen? Over die vraag gaat het Bijbelgedeelte uit het boek van de profeet Jesaja.

Als we de schepping van hemel en aarde aan onze God toeschrijven dan vallen alle andere mogelijke goden, idolen en helden daarbij in het niet. Dan gaat die God van ons inderdaad alle verstand te boven, want hoe die wereld en alles wat daar bij hoort er is gekomen dat weten we nog niet, daar hebben we de wetenschap voor. Daarom is het ook maar goed dat we ons alleen met mensen bezig hoeven te houden. Niet met de machtigen en de rijken, niet met de idolen de nummers 1, maar met de minsten, de zwaksten, de armen. De  orde die de God van Israël heeft geschapen en de wanorde die de wereld zo vaak no vertoond maken het ons duidelijk.

Bij die wanorde ontmoeten we God de Schepper die de machtigste is op aarde. Daar wordt mensen recht gedaan, daar is het leven waarachtig. Daar wordt de scheiding aangebracht tussen licht en duister, tussen vaste grond onder je voeten en duister water waar je in kunt verdrinken.  Daar is het pas de moeite waard om ook vandaag weer mee te gaan doen aan het scheppen van vrede, orde en recht voor mensen.

De Bijbel kan soms heel ingewikkeld doen. Met fraaie formuleringen worden de meest ingewikkelde zaken besproken. Dat moet soms ook wel. Toen de leerlingen van Jezus van Nazareth de wereld van het Romeinse Rijk introkken kwamen ze daar niet alleen allerlei godsdiensten tegen maar ook een menigte aan filosofen die niet zoveel met godsdienst te maken wilden hebben.

Paulus bijvoorbeeld kwam uit Tarsus waar een beroemde filosofische school van de Stoa was gevestigd. Ook met die filosofen moesten de leerlingen van Jezus van Nazareth in discussie en de sporen daarvan vindt je op tal van plaatsen in het Nieuwe Testament terug. Overigens vindt je in het Oude Testament ook sporen van de discussies met Egyptische, Babylonische en Griekse godsdiensten terug. De boodschap van de Bijbel is echter heel eenvoudig. Jezus van Nazareth zelf zou eens opmerken dat zelfs een kind het kan begrijpen. En in de passage van vanmorgen lezen we de kern van de Bijbelse boodschap in al haar eenvoud: “Heb elkaar lief”. Het lijkt bijna een lied zoals het hier is opgeschreven. “Jullie moeten mij lief hebben en ik heb jullie liefgehad”, dan heb je de Vader lief en dan heb je elkaar lief.

Als je Jezus liefhebt ben je geen slaafse volgeling van iemand die het bij het rechte eind heeft, nee dan ben je een vriend en kun je zelfs hem de waarheid zeggen. Juist als je gehoord hebt wat Jezus van Nazareth je te zeggen hebt dan weet je dat je dat zelf niet hebt hoeven te kiezen maar dat je zijn Weg mag gaan. In het verhaal van Jezus van Nazareth zijn het de leerlingen die geroepen zijn om Hem te volgen. In de Christelijke Kerk gelooft men daarom vanouds dat alle gelovigen geroepen zijn om Hem te volgen.

Als je je naaste liefhebt als jezelf dan kun je niet anders dan die roep van Jezus van Nazareth doorgeven, hoe meer mensen immers hun naaste liefhebben als zichzelf hoe dichterbij het Koninkrijk van Jezus van Nazareth komt. Dat is ook de kern van het vrucht dragen, een betere wereld vormen waarin plaats is voor iedereen en waar iedereen voldoende te eten heeft en mag leven. De roep om de Weg te gaan van Jezus van Nazareth klinkt gelukkig niet maar eenmaal in ons leven. Die roep klinkt elke dag, elk moment van de dag, weer opnieuw, die roep klinkt onophoudelijk.

Die roep klinkt namelijk ook in de vraag van de hongerigen om eten, in de schreeuw van de gemartelden om rechtvaardigheid, in de klop op de deur van de daklozen die onderdak zoeken, in de uitgestoken hand van de arme om een aalmoes, in de vraag van al die mensen die langs de kant van de weg zijn komen te staan om mee te mogen doen, in de vluchtelingen voor economisch en politiek geweld die wanhopig een plek zoeken waar het veilig is en waar in vrede geleefd kan worden.

Wij hebben gehoord dat het anders moet, ook in onze eigen samenleving. De orde die de wereld wil scheppen is niet de orde die God ons brengt. Een regering die boetes uitdeelt aan gemeenten die medemenselijkheid steunen kan dus niet. Zwervers maken in plaats van mensen een plek in de wereld te geven waar ze in vrede kunnen leven kan dus niet. Want wat we de minsten hebben aangedaan doen we onze vriend Jezus van Nazareth aan.

En daar zijn we weer bij het beeld van de moeder die zorgt voor haar kinderen. Een beeld als een gelijkenis. Een beeld dat volgens de Bijbel op elk van ons zou moeten passen. We hebben allemaal een moeder gehad en we kennen allemaal het beeld van de zorgende moeder, in positieve of in negatieve zin. En of we nu kinderen hebben of niet, dat zorgende, dat liefhebbende voor de naaste kunnen we allemaal hebben in ons leven.

Want de Bijbel knoopt er een belofte aan vast. Pas als we allemaal leven zoals de richtlijnen van God het ons hebben voorgehouden, houden van God boven alles door de naaste lief te hebben als jezelf zal de vrede op aarde uitbreken. Dan zijn alle tranen gedroogd, dat beeld kennen we toch van moeders? Dan is alle leed geleden. Dan gaat niemand dood voor zijn of haar tijd schrijft Jesaja, dan worden alle kinderen minstens honderd jaar en daar dragen we allemaal aan bij. Voor het zover is moet er nog heel wat gebeuren. Dan wacht de aarde nog een grote schoonmaak van alle ongerechtigheid en onderdrukking. Maar daar mogen we elke dag opnieuw aan beginnen. Wacht dus niet maar vat het werk aan.

Amen.

Read Full Post »

Lezen: Deuteronomium 4: 32-40

            Johannes 15:1-8

Gemeente,

Er is een dichtregel die elk jaar rond deze  tijd wordt gevolgd:

“Kom vanavond met verhalen, hoe de oorlog is verdwenen, En herhaal ze honderd malen, alle malen zal ik wenen” De laatste regels uit het gedicht  vrede van Leo Vroman.

We staan namelijk aan de vooravond van het herdenken, het herdenken van de Tweede Wereldoorlog. Nu ben ik zelf van na de Tweede Wereldoorlog, vlak na die oorlog en ik zou dus geen verhalen hebben.

Maar niets is minder waar. Natuurlijk heb ik verhalen. De huwelijkssluiting van mijn ouders werd bepaald door het verdwijnen van de oorlog en het vinden van een nieuwe toekomst voor mijn vader die de kans kreeg werk en opleiding te combineren bepaalde mijn geboorteplaats. Mijn geboortedatum en plaats werd daardoor ook mede bepaald door de oorlog. Alle reden om in de loop van de jaren op zoek gegaan naar het antwoord op de vraag waarom deze oorlog zo ingrijpend was.

Nu is er een Bijbelboek dat met name gaat over een dergelijke herdenking en dat is het Bijbelboek Deuteronomium. God had het volk Israël uitgeleid uit Egypte, het volk van slaven was bevrijd en door de woestijn heen geleid naar het land dat overvloeide van melk en honing. Dat land zou altijd van dat bevrijde volk zijn. Midden in de woestijn hadden ze van God de richtlijnen gekregen om hun nieuwe samenleving in te richten als een bevrijde samenleving. Daar zou voor iedereen gezorgd worden, daar zou niemand zich beter achten dan een ander.

De nazaten die het verhaal lazen vroegen zich af hoe het toch kon, ze zaten in ballingschap, ze waren dat land kwijt geraakt. Was er een God die zich niet aan zijn beloften hield? Of hadden ze dat verlies aan zichzelf te wijten?

Nu lijkt het of Deuteronomium vandaag een gemakkelijk antwoord geeft. Ze hadden een geweldig machtige God, die had als enige God een volk onder de macht van een ander volk vandaan gehaald en bevrijd en tot zijn volk gemaakt had. Het enige dat van dat volk gevraagd werd was de richtlijnen voor de menselijke samenleving van die God te volgen. Dat hadden ze dus niet gedaan dus hadden ze de rampspoed aan zichzelf te danken.

Maar dat is het gemakkelijke antwoord. Die ballingen zouden niet worden uitgeroeid, ook in de ballingschap had God hen beschermd en uiteindelijk waren ze teruggekeerd, gezuiverd, gelouterd, vol van verlangen om hun samenleving inderdaad in te richten volgens de richtlijnen die ze hadden gekregen. Die God laat dus nooit varen het werk dat zijn hand begon.

De slachtoffers van de Holocaust, de Joden, de Roma en de Sinti, de Homo’s de politieke tegenstanders van de nazi’s, de verstandelijk gehandicapten, de psychiatrische patiënten, waren slachtoffers, geen schuldigen. Er waren velen, ook onder de vervolgden, die zich hadden verzet juist omdat de nazi’s van hun samenleving een samenleving wilden maken die lijnrecht stond tegenover de richtlijnen van de God van Israël. Wij kennen soms hun namen nog, Johannes Post, de Gereformeerde ouderling uit Drenthe, zijn broer Marinus die doodgeschoten werd in Alkmaar en morgenavond staan wij samen voor het monument dat ook zijn naam draagt. Dominee Frits Slomp, Dominee van den Bosch uit Den Haag en zovele anderen, te veel om op te noemen maar hun namen staan opgetekend in een boek dat ligt bij de ingang van ons parlement, de Tweede kamer.

Waar was dan die God? Had die God al dat leed en al die ellende niet kunnen voorkomen? Het waren toch zijn volgelingen, het waren gelovigen in hem die werden bestreden en vermoord. Diezelfde God en de verhalen uit de Bijbel inspireerden velen tot verzet. We kennen nog de Gereformeerde verzetskrant Trouw, een monument dat ons blijft herinneren aan het belang van persvrijheid. Waar die God was is ook de vraag die Job stelt als hij alles verloren heeft ondanks dat hij rechtvaardig was. Hij krijgt geen echt antwoord, de aarde en de kosmos zijn zo groot dat de schepper van hemel en aarde voor ons alle verstand te boven gaat. Wij hebben alleen zijn richtlijnen.

En natuurlijk blijft dan ook de vraag waar je zelf staat. Altijd als de vraag klinkt waar God is, klinkt ook de vraag waar je zelf bent. Wat is jouw antwoord op de ellende die je tegenkomt. Als het jou onverschillig laat, als jij je er van af keert, als jij niet de hand uitsteekt waarom gevraagd wordt, waarom zou jouw God dat dan wel doen? In Israël is iets van een antwoord, men heeft een spreekwoord dat zegt: wie één mens redt heeft de hele wereld gered.

Die vraag naar wat je zelf doet blijft ook na de Tweede Wereldoorlog actueel. Daarmee blijft die oorlog actueel en het herdenken hoogst noodzakelijk. Want opnieuw wordt alle schuld voor economische tegenspoed geschoven op één bepaalde bevolkingsgroep, op basis van hun geloof nog wel. En wij accepteren dat, vrijheid van meningsuiting nietwaar? Het benoemen van het haat zaaien als een voortzetting van de apert foute ideeën uit de Tweede Wereldoorlog mag bijna niet. De profeten uit de Bijbel die soms harde oordelen hebben geveld over hun machthebbers en tijdgenoten worden tot zwijgen gebracht.

Wij worden opgeroepen Jezus van Nazareth te volgen. Die zachte geweldloze rabbi uit Palestina die zich als een lam naar de slachtbank liet leiden. Die iedereen vrede wenste. Maar die ook mensen aansprak als adderengebroed en witgepleisterde graven, die handelaars en wisselaars met een zweep de Tempel van God uit ranselde.

In de lezing van vanmorgen noemt hij zich de ware wijnstok. Eén van de zes beelden waarmee Jezus zich in het Johannesevangelie omschrijft. Hij is de weg, de waarheid en het leven, hij is de goede herder.

En hij roept ons op dat ook te worden en te zijn. Maar wij kennen wel bollenvelden, wijngaarden zijn hier maar zeldzaam. Hoe zit dat met die wijnstokken?

Vruchtbaarheid speelt door de hele Bijbel heen en grote rol. Voor vruchtbaarheid worden vreemde goden aangeroepen, grote offers gebracht en de meest rare toeren uitgehaald. Israel had het gebod gekregen te delen met elkaar als grootste garantie op vruchtbaarheid. Als je samen deelt hoef je immers nooit zonder te zijn.

Daarom kent het boek Deuteronomium de richtlijn drie maal per jaar bij de Tempel een maaltijd te delen met de familie, de armen, de levieten en de vreemdelingen. En zelfs één keer per zeven jaar te delen met de aarde door de aarde niet te bebouwen maar te leven van wat spontaan op zou komen.

Jezus van Nazareth trekt die geboden door tot op zichzelf. Het gaat er niet alleen om als volk te delen maar uiteindelijk gaat het er om ook jezelf te willen delen. Daardoor is Jezus van Nazareth de ware wijnstok. De wijnstok die vrucht draagt. Het gaat er de wijnstok niet om meer wijnstokken voort te brengen, of meer ranken, nee om meer druiven voort te brengen. Om meer druiven voort te brengen moeten zelfs ranken gesnoeid worden. Als je dus bereid bent om zo te gaan leven dat het er niet meer om gaat er zelf beter van te worden maar te zorgen dat anderen er beter van worden, dat de minsten op aarde recht wordt gedaan, desnoods door jezelf op te offeren, dan is vruchtbaarheid gegarandeerd. Dan kun je vragen wat je wilt en dan zal het ook gebeuren.

Dan vraag je dus niet meer iets voor jezelf. Dan is vragen ook niet meer een probleem bij een ander, bij God bijvoorbeeld, neerleggen, maar dan is vragen moed verzamelen om zelf aan de slag te gaan. Dan is vragen zoeken naar het goede om het goede te doen en niet dan het goede, zoals Paulus ons heeft voorgehouden.

Het goede is immers niet altijd de ander te geven als die wat voor zichzelf vraagt. Delen met een ander vraagt ook van de ander de bereidheid te delen. Iemand helpen op te staan is soms belangrijker en vruchtbaarder dan iemand te laten zitten en het eten maar te brengen en aan te reiken.

Het gaat er altijd om ook die ander vruchtbaar te laten zijn voor de samenleving. In het samen delen wordt de grootheid van God pas duidelijk. Dat wat echte Liefde kan is zo groots dat niets ter wereld het daarbij kan halen. Dat kan hele volken bevrijden van geweld en onderdrukking. Dat kan samenlevingen omkeren zodat de zwaksten boven komen en de rijksten de ondersteuners worden van de armen.

Dan zal er vrede zijn op aarde en worden alle tranen gewist. Zover is het zeker nog niet. Wij horen van oorlogen en geruchten van oorlogen. Als er een natuurramp plaatsvind zoals nu in Nepal moeten er reclamespots komen en teletons omdat hulp verlenen niet vanzelfsprekend is. Wij sluiten de deuren voor mensen die vervolgd en opgejaagd worden door militair en economisch geweld en geven gemeenten boetes voor medemenselijkheid.

Er is nog heel veel dat de echte vruchtbaarheid van mensen in de weg zit, er zal nog heel veel gesnoeid moeten worden, maar we kunnen nu al beginnen met het werk dat daarvoor nodig is. De velden zijn wit om te oogsten staat er ergens, laten we daarom de handen uit de mouwen steken en ze in Gods hand leggen, aan het werk, aarzel niet.

Amen 

Read Full Post »