Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for november, 2014

Lezen: Ezechiël 24: 11-17

            Matteüs 25: 31-46

Gemeente,

Alle andere volken hadden ooit goden die zich met de Koningen en machtigen hadden verbonden, die stonden vooraan in Tempels en erediensten. Alleen Israël had een God die zich met slaven verbond en die sprak van bevrijding uit het slavenhuis. In de Tempel van de God van Israël werden maaltijden gehouden waar families aan tafel zaten met de dienaren van de Tempel, maar ook de armen, ook de slaven en de knechten en zelfs de vreemdelingen die bij hen aan het werk waren. Wie die bevrijding van slaven tegenhoudt is goddeloos is de ogen van de Eeuwige.

Soms moet een volk dat ook weer eens opnieuw leren. Toen het volk Israël net ging doen als de volken om hen heen en meer vertrouwde op vreemde goden en vreemde machten dan op hun eigen God, ook de pracht en praal belangrijker ging vinden dan het samen delen, werd duidelijk hoe zwak ze wel waren en werden ze in ballingschap gevoerd. Maar nog liet die God ze niet in de steek, juist in de ballingschap bleek die God van Israël opnieuw een bevrijder van slaven te zijn. Daar lezen we over in het boek van de profeet Ezechiël. Dat was zelf ook een balling en hij profeteerde pas toen hij in ballingschap was weggevoerd. Het is een mooie belofte die Ezechiël zijn volk voorhoudt. Hij is, samen met een groot gedeelte van het volk, in Babel in ballingschap gebracht. Daar had hij de opdracht van de God van Israël gekregen om die ballingen voor te houden dat ze niet moesten opgaan in de cultuur en het volk van Babel maar dat ze vast moesten houden aan het geloof van hun voorvaderen.

Want ook al waren ze zelf, en waren hun ouders, andere goden achterna gelopen de God van Israël laat niet varen het werk dat zijn hand begon en die God blijft dus de God van het volk Israël, ballingschap of niet. Het gedeelte dat we vanmorgen gelezen hebben gaat zelfs nog verder. Als het te zwaar weer wordt voor de verstrooiden dan zal God ze weer bijeen brengen en terug laten keren naar het beloofde land, dat land dat overvloeit van melk en honing. Niet alleen de ballingen uit Babel, maar de ballingen van overal in de wereld vandaan. Is het niet prachtig?

Maar er klinkt een donkere ondertoon in het verhaal van Ezechiël. Het gaat over een wolkendek en donderwolken en op het eind worden de vette schapen geslacht en de zieke en gewonde dieren worden verzorgd en beter gemaakt. Dat lijkt toch niet helemaal eerlijk. De profeet Ezechiël had wel meer van die wonderlijke beelden om duidelijk te maken hoe het met de God van Israël nu eigenlijk zat. Het wordt duidelijker als we zien wat de aanleiding is voor deze prachtige belofte. Die aanleiding is dat de God van Israël het zat is dat het volk geleid wordt door uitbuiters en oplichters. Volvreters ten koste van de armen. In het vers dat staat voor wij zijn gaan lezen staat dat hen de kudde zal worden ontnomen en dat de God van Israël zelf wel de herder van Israël zal worden, die valse onbetrouwbare herders zullen niet meer van de kudde mogen eten. Om het maar even te citeren : “ Dit zegt de Heer uw God :Ik zal de herders straffen en mijn schapen opeisen. Ook zullen ze niet langer zichzelf weiden: ik zal mijn schapen uit hun mond redden, ze zullen ze niet meer eten.” Het hele gedeelte is dus een aanklacht tegen de leiders van Israël. Leiders die hun positie zelfs in de ballingschap misbruiken om er een goed leventje van te kunnen leiden. In de beeldspraak van het volk als kudde en de God van Israël als herder zijn die leiders natuurlijk zelf ook schapen die deel uitmaken van de kudde. Wolven in schaapskleren. Het zijn de vette schapen geworden die ten koste van de zwakkeren en gewonden het beste deel voor zichzelf hebben opgeëist. Daar wordt nu door de God van Israël een stokje voor gestoken.

Daar hoeven wij dus ook geen genoegen mee te nemen. Ons is vaak voorgehouden dat we gehoorzaam moeten zijn aan wie boven ons zijn gesteld. Maar als ze door God boven ons zijn gesteld gedragen ze zich als goede herders die zelf op zoek gaan naar de schapen die verstrooid zijn en zoek zijn geraakt en die de zieke en gewonde dieren verzorgen en zeker niet het beste deel voor zichzelf opeisen. Gedragen de herders zich niet op die manier dan worden ze door God afgezet, daar mogen we op rekenen, daar mogen we zelfs vanuit gaan en in het belang van de zieke en gewonde medemensen, de minsten in de samenleving, de hongerigen en de naakten, moeten we zelfs vanuit gaan. Calvijn vond in zijn dagen dat het zelfs de christenplicht was om heersers die de zorg voor zieken en ouderen als een last benoemden af te zetten, het heeft ons de zelfstandigheid van ons land opgeleverd.

Jezus van Nazareth vertaalde de richtlijnen uit zijn Hebreeuwse Bijbel door naar het leven van iedereen en van elke dag. Ook in het gedeelte dat we vanmorgen uit het Evangelie naar Matteüs hebben gelezen. We lazen dat in de Nieuwe Bijbelvertaling,. Maar de meesten van ons zijn opgegroeid met de beroemde zin waarin Jezus zegt dat wat de minste van zijn broeders is aangedaan aan hem is aangedaan. De vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling hebben die beroemde zin over de minste van mijn broeders vertaald met de onaanzienlijksten.  “alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.”Het is even wennen maar niet minder juist. Want het gaat niet alleen over de broeders maar zeker en vooreerst ook over de zusters en het gaat niet over meer of minder maar over wie wel en niet gezien worden.

Het verhaal van Matteüs gaat wel over de eindafrekening, maar het werk waarop dit verhaal doelt dient gewoon elke dag te gebeuren. Het aardige is dat je er kennelijk ook niet zo je best voor hoeft te doen. Het hoeft er niet dik op te liggen en je hoeft je er zeker niet op te beroemen. Er wordt nog wel eens gesproken over de “Geest van God” en dit verhaal leert ons wat dat betekent. Als er honger is dan geef je eten, als er dorst is dan geef je te drinken, als er kou is geef je een tent en een warme deken, als er ziekte is dan zorg je, als er gevangenen zijn dan zoek je die op. En je weet ook dat het beter is iemand te leren vissen dan een vis te geven

Soms denken we dat we beter zijn dan de mensen die we willen helpen. Dat speelt niet alleen bij ontwikkelingssamenwerking, dat speelt ook gewoon in ons eigen land tussen mensen die hulp vragen en hulp geven. Mensen die hulp nodig hebben worden niet gezien en zeker ook niet gehoord. Zolang dat zo is mislukken projecten. Mislukken projecten in de derde wereld, maar mislukken ook projecten om mensen aan het werk te helpen, om jongeren te scholen tot gediplomeerde ambachtslieden of om vrouwen te leren voor zichzelf op te komen.. In het verhaal dat Jezus van Nazareth vandaag vertelt zijn er mensen die de nood van mensen herkennen en zijn er mensen die alleen de nood van Jezus van Nazareth willen zien. Ook wij vergeten soms dat alle mensen geschapen zijn naar Gods beeld en gelijkenis, dat alle mensen daarom onze zusters en broeders zijn, dat in ieder mens, waar ook ter wereld, welk geloof of welke kleur die mens ook heeft, Jezus van Nazareth zelf te herkennen is.

Laten we dus vandaag horen en zien, en helpen waar nodig is. We hoeven ons niet af te vragen of we wel op de juiste manier ons geloof onder woorden te kunnen brengen. We hoeven alleen maar te delen van wat we hebben met hen die niets hebben, zorg te hebben voor de minsten, zodat ze net zo worden als wij, wat wij willen dat ons zou gebeuren doen wij nu al aan een ander. Meer wordt er niet gevraagd. Dat hoeven we zelfs niet te doen omdat het voor Jezus van Nazareth wordt gedaan, omdat het Christelijk is om te doen. Het oordeel over andere mensen mogen we uitstellen tot de komst van de Heer.

Boven het gedeelte dat we uit het Evangelie hebben gelezen staat “rede over de laatste dingen” en het gaat duidelijk over een procedure die plaats zal vinden als het einde van de geschiedenis daar is. Ooit is de geschiedenis begonnen en aangezien alles wat begint ook een einde kent zal er ook een einde aan de geschiedenis komen. Alleen onze God kent geen begin en dus ook geen einde, daarom is het aan onze God om uiteindelijk de rekening op te maken en te oordelen, dat is aan ons niet voorbehouden. Wij weten alleen waar we zelf, voor onszelf, op mogen letten. Er komt een dag dat het goede van het kwade zal worden gescheiden, hier heet het dat de mensen van elkaar gescheiden worden zoals een herder de schapen van de bokken scheidt. Het oordeel wordt gegeven door de Mensenzoon. Een term uit het boek van de profeet Daniël.

Midden in de ballingschap toen het hele volk verloren zou gaan zag Daniël dat het volk uiteindelijk gered zou worden door de God van Israël, dat je daaraan vast mag houden ook al gaat het heel slecht. De Mensenzoon is in zijn verhaal de vertegenwoordiger van het volk van de lijdenden en hij kan alleen vertegenwoordiger zijn door zelf ook te lijden. Wie aan zijn kant staat, wie bij hem hoort die komt aan de ere kant staan, aan de rechterhand, zo vertelt Matteüs ons. En je hoort bij dat volk van de lijdenden door voor de mensen van dat volk te zorgen. En let op, het gaat niet alleen om de mensen van het volk Israël, het gaat om mensen uit alle volken, iedereen wordt gevraagd om aan de kant van de lijdenden te staan, sommigen doen dat, sommigen doen dat bewust niet.

Als we het verhaal van de God van Israël en zijn zoon Jezus van Nazareth niet meer nodig zouden hebben dan wordt ons delen met de minsten als het moderne vrijwilligerswerk. Wanneer onze werkgever bereid is ons een dag vrij te geven willen we best de speeltuin in de buurt schoonmaken, of het dorpshuis helpen schilderen of een dagje met de rolstoelpatiënten uit het verpleeghuis op stap. Maar dan moet het daar wel bij blijven. Ons hele leven in dienst stellen van de naaste, daar altijd op bedacht zijn, altijd de blik op de ander richten is er dan niet bij.

We lopen zo gemakkelijk de mensen die hulp nodig hebben voorbij. We vergeten dat we God zelfs zouden kunnen ontmoeten in de verkoper van de straatkranten voor de supermarkt. Wij behoren te weten dat we nooit kunnen ophouden mee te werken met onze God, dat hij nooit laat varen het werk dat zijn hand begon maar dat wij ook nooit uit zijn genade mogen vallen en moeten blijven doen wat hij ons vraagt.

Als we zo de hele aarde weten mee te krijgen dan komt de tijd dat God zelf zijn tenten op deze aarde zou willen spannen, dat alle tranen gedroogd zullen zijn en dat er een maaltijd aanbreekt waarin iedereen te eten krijgt. Tot die tijd delen we met de armen, zoveel als we kunnen en zo vaak als we kunnen, elke dag weer opnieuw, totdat hij komt.

Amen

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: Genesis 21:1-21

            Matteüs 25:1-13

Gemeente,

Dit weekeinde is een feestweekeinde. Nu eens niet een feest met extra vrije dagen, met kadotjes en luxe maaltijden met de familie maar toch een feestweekend. Het is vrijdag begonnen. Toen vierden we hervormingsdag. Het begin van het feest van een kerk gebaseerd op geloof, genade en de Bijbel. Afgelopen was het met het voor wat hoort wat geloof, als het geld in het kistje springt, de zondaar in de hemel springt of hoe het ook werd verpakt. Niet langer was de kerk en waren haar voorgangers exclusief de doorgevers van Gods genade, ze maakten uit wie die wel en wie die niet had verdient, maar God ging weer zelf een relatie aan met zijn gelovigen. Alles uit genade werd een motto dat ons in staat stelde om weer te delen met de armen. Niet langer als aalmoezen om er zelf na de dood beter van te worden maar als getuigenis van de grootheid en de goedheid van onze God. Die had ons immers geleerd een samenleving in te richten waar recht en gerechtigheid voorop staan. Alles wat we verdienen, wat we krijgen, wat we bezitten hebben we uit Gods hand gekregen. En ons leven willen we inrichten zoals God ons in de Bijbel laat horen hoe dat het beste zou kunnen.

Gisteren was het aller heiligen. Altijd zijn er mensen geweest die probeerden te leven zoals ze van God hadden geleerd. Altijd zijn er mensen geweest die hun leven over hadden voor de zorg voor de armen, voor het brengen van vrede, voor het leven van anderen. In onze dagen denken we aan de artsen en verpleegkundigen die ondanks alle risico’s blijven zorgen voor de Ebola patiënten en bijna wanhopig de ,mensen in de omgeving van deze patiënten overtuigen van de noodzaak zich te beschermen. Maarten Luther zelf schreef nadat de eerste volgelingen van hem in Brussel op de brandstapel terecht kwamen een brief aan de gelovigen in Holland en Vlaanderen waarin hij hen een hart onder de riem stak en betoogde dat het feest zou moeten zijn te ontdekken dat er mensen zijn die hun leven over hebben voor de vrijheid die in Christus bestaat en die was herontdekt in de Hervorming.

Vandaag is het allerzielen. Ooit een feest waarin de gelovigen werden opgeroepen goed te doen voor de kerk en God te blijven vragen om genade voor de zielen van de overledenen. Als je maar betaalde voor missen in de kerk of gebeden in het klooster, kwam de overledene sneller in de hemel In de Protestantse Kerk bestaat dat geloof in het vagevuur niet. Het oordeel van God komt niet aan de mensen toe, wij mogen vertrouwen op een barmhartig en genadig God en er een feest van maken dat alle zielen in de hele wereld mee mogen doen met het feest dat God ons wil bereiden. Allerzielen maakt van onze kerk een wereldkerk, waarin wij alle mensen op de wereld als broeders en zusters herkennen en liefhebben.

Ook in de lezingen van vandaag is het feest. Het begon met het geboortefeest van Izaak. Dat was al een wonder, zijn vader was al honderd vertelt het Bijbelverhaal ons. Maar dat verhaal begint niet met Abraham, dat verhaal begint bij God die Sara zoekt en vindt en zorgt dat Izaak geboren wordt. God die zoekt en vindt is een belangrijk gebeuren in de wording van Israël. Jozef belooft het aan zijn broers als de verzoening heeft plaatsgevonden en als in het boek Numeri het volk wordt geteld is het weer God die zoekt en zijn volk vindt.

Er is dus feest als God Sara gevonden heeft en bij een feest hoort lachen, hij lacht, Izaak wordt dan ook de naam van de pasgeborene, op de achtste dag wordt hij besneden, hij wordt lid van de familie van God en als hij vast voedsel kan eten komt er een groots feest, dit kind heeft een eigen toekomst gekregen.

Maar er was al een zoon, een zoon die geboren was op verzoek van Sara. Ismaël. Die was het lachen vergaan. Hij lachte wel maar het was een smalend lachen, zoals de schoonzoons van Lot hadden gelachen toen ze gemaand werd te vluchten voor de ondergang van Sodom, ze waren gebleven en mee ondergegaan.

Sara ziet wat er gaat gebeuren. Er zal een strijd ontstaan tussen de beide halfbroers over de opvolging van Abraham. De vertellers denken kennelijk ook aan de strijd die er was tussen de halfbroers van vader David. Dat had beter moeten worden opgelost en net als Batseba die naar voren stapte om de strijd te beslissen neemt Sara de beslissing om de gemeenschap van Abraham te beschermen tegen een opvolgingsstrijd.

Ja een gemeenschap van Abraham. Hij had laten zien dat hij een leger van 400 strijdbare mannen op de been kon brengen, de herders van Abraham. Als hij wordt begraven door Izaak en Ismaël, die het bezit broederlijk delen, dan zijn er ook nog Abrahams zonen die hij verwekt had bij Ketura, zijn geliefde wierookje. Zij zullen worden heengezonden met geschenken, mirre, wierook en goud. Ooit zullen ze uit het oosten terugkeren.

Ismael moet er aan geloven en wordt de woestijn in gestuurd. Zijn moeder laat de droom van Abraham echter niet los en blijft zoeken naar een manier om te overleven. In een woestijn ben je afhankelijk van een ander. Hagar was al eens de woestijn ingevlucht. Toen had God haar gezien en als eerste had zij God een naam gegeven staat er dan, de God die mij gezien heeft. Ook nu ziet God naar haar om en zij en Ismaël krijgen een plek om te zorgen dat ook hij een volk krijgt dat af zal stammen van Abraham. Maar Abraham gemengd met Egyptisch bloed, Hager de Egyptische zal voor Ismael een vrouw uit Egypte uit kiezen zoals Abraham voor Izaak een vrouw uit Haran zal laten komen.

Zo eindigt dit verhaal met een bruiloft, met de geboorte van volkeren. God ziet om naar mensen en heeft mensen om zijn plannen met de mensheid uit te voeren.

Dat is ook de betekenis van het verhaal dat Jezus van Nazareth vertelt over de komst van het Koninkrijk van God. Gerard Reve dichtte eens de bede “God wordt het nog wat met dat Koninkrijk van U?” De verhalen van Abraham, Sara, Hagar, Ismaël en Izaak geven als antwoord dat als je nergens meer op rekent, als alles verloren lijkt en dromen niet meer uitkomen God komt om een nieuwe toekomst te scheppen.

Jezus houd ons voor dat we ondanks alles moeten volhouden en dat bij God altijd alles anders is dan wij verwachten. Want voor de mensen uit de dagen van Jezus van Nazareth is het een raar verhaal. Voor een ontmoeting met God in de synagoge waren 10 mannen nodig en Jezus heeft het over 10 meisjes die kennelijk nodig zijn. En bij een bruiloft wordt de bruid feestelijk naar het huis van de bruidegom gebracht, begeleid door haar vriendinnen. Hier komt de bruidegom in optocht naar het huis van de bruid, waar haar vriendinnen de bruidegom opwachten om hem bij te lichten.

Het is de omgekeerde wereld. Wij hebben geleerd dat je deelt met hen die niets hebben. Wie twee mantels heeft geeft er een aan degene die er geen heeft staat in de Bergrede, de toespraak die juist door Matteüs zo uitgebreid is weergegeven. Als dan de olie van de helft van de meisjes op is dan wordt er niet gedeeld. Dan houden de andere meisjes alles voor zichzelf. Het lijkt het omgekeerde van de leer van Jezus van Nazareth. Wat zal hij daarom bedoelen met dat beeld van wanhopige meisjes die in het holst van de nacht bij de olieboer aanklopten om nog een beetje olie.

Die olie was geen brandstof van lampen. Die olie was de brandstof van mensen. Jezus vond zichzelf al het licht der wereld maar bad ook dat zijn volgelingen als licht zouden zijn. Een licht dat je niet onder de korenmaat zet, een licht dat niet verborgen kan blijven. En een gemeenschap van lichten, een stad op een berg kan niet verborgen blijven. Het gaat er dus niet om welke lampen er branden of welke kaarsen wij aansteken. Jezus wil van ons dat wij zijn als kaarsjes in de nacht, jij in jouw klein hoekje en ik in t mijn. De ouderen kennen het lied nog wel uit hun jeugd.

De vraag aan ons vanmorgen is dus wat wij uitstralen. Leggen we ons neer bij al het leed en de ellende in de wereld? Gaan we met Hagar onder een struik zitten en laten we de dood regeren over de wereld? Of blijven we de komst van het Koninkrijk van God verwachten, zoals Abraham en Sara bleven geloven in de komst van de zoon die hen beloofd was. Zoals de wijze maagden uit de gelijkenis hadden gezorgd voor voldoende olie.

Die olie vraagt ons wat wij willen uitstralen. Elk voor zich en samen als gemeente van Christus hier in Zwaag. Wat voor kerk ziet de buitenwereld. Een kerk die je eerst moet wakker schudden willen ze wat uitstralen en die dan wanhopig zoekt naar nieuwe wegen? Of een kerk die wakker is, een Kerk in Actie zoals het in onze Protestantse Kerk heet. Sinds vrijdag spreken we dan ook niet meer over de PKN, het is geen bedrijf, het is de Protestantse Kerk een kerk waar de dienst aan de armen voorop staat, de diaconie. Waar elke week een godsdienstoefening plaatsvindt. Waar men collecteert voor de armen en voor een gemeenschap die samen kan blijven zorgen.
Op het eind van het verhaal van Matteüs geeft Jezus zijn leerlingen de opdracht alle mensen te dopen tot aan de einden der wereld, en dat net zo lang vol te houden tot de aarde voltooid zal zijn. Zo nemen wij dus deel aan de schepping, tot God kan zeggen dat de aarde goed is, zoals hij dat bij de Schepping zag, God zag dat het goed was. Die aarde zal zo mooi worden dat God zelf er zal willen wonen, daar zullen geen tranen meer zijn en daar zal zelfs de zee haar doden teruggeven. De komst van die aarde houdt onze lampen brandende, voor die aarde en God die die aarde geschapen heeft gaan wij aan het werk. Er is nog heel veel te doen, de ellende dreigt ons soms te overspoelen, maar vandaag staan we op om alle zielen op aarde mee te krijgen, wacht dus niet, het werk wacht, vat dus aan.

Amen

Read Full Post »