Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for juli, 2014

Lezen: 1 Koningen 3: 5-12

Matteüs 13: 44-52

Gemeente,

Het was zo mooi begonnen dat Koningschap van Salomo. Groot en grootser kon het niet. Het waren de dagen voordat er een centrale tempel was. Overal in Israël waren plaatsen waar de offers aan de God van Israël gebracht konden worden. Waar die maaltijd met de familie, de knechten, de armen, de levieten, en de vreemdelingen gehouden konden worden. Salomo zocht de allergrootste bij Gibeon uit om daar te beginnen. En het verhaal van Salomo begint met een schitterend huwelijk.

David had zo’n machtig rijk nagelaten dat zijn opvolger Salomo al snel de schoonzoon werd van de machtigste koning van die tijd, de Farao van Egypte, daar kun je de geschiedenis mee ingaan nietwaar. Maar wat voor Koning wilde die Salomo nu eigenlijk zijn, ook een soort god zoals die koningen van Egypte? Hij deed dan wel zoals zijn vader deed, rechtspreken en zo, maar hij stelde zich net als de koningen van Egypte ook als priester op en ging plechtig offeren, wel duizend dieren. Maar is het dat? Plechtige riten uitvoeren, zo omvangrijk dat niemand het na kan doen en je dus wel de koning moet zijn om dat te kunnen?

Dat was niet wat David gedaan had en dat was dus ook niet wat Salomo wilde. Waar Salomo de nadruk op wilde leggen in zijn koningschap was veel meer het recht spreken tussen de mensen dan de pracht en praal waarmee het koningschap gepaard gaat. Dat was de weg van zijn vader David, dat is de weg van God. Dat brengt overigens meer rijkdom en een langer leven. U vindt die regel voor de Koningen en de belofte op een lang leven terug in het boek Deuteronomium. Recht doen aan alle mensen, daar draait het immers om. Die offers uit het begin van het verhaal in de Bijbel over Salomo verbleken dan ook bij wat aan het eind van dit begin verhaal gaat gebeuren. Dan wordt er niet op de traditionele offerhoogten geofferd maar dan gaat de jonge koning Salomo heel uitdrukkelijk naar de ark van het Verbond. In die ark werden de stenen platen met de Wet van de Woestijn bewaard, de Wet van eerlijk delen, van heb je naaste lief als jezelf.

In de Deuteronomium stond ook dat je naar de plaats van Ark moest gaan en maaltijd moest houden met je familie, de tempeldienaars, de armen en de vreemdelingen in je midden. Dat is waar het feest van Salomo op uit loopt. Salomo gaat terug naar huis en nodigde al zijn hovelingen voor het feestmaal uit. Iedereen die in zijn huishouding werkzaam was zat bij de Koning aan tafel en bij de koning aan tafel zitten is een hele eer, dan ben je al bijna een gelijke van de koning, dan sta je tenminste op gelijke voet. Je ziet het de koningen van vandaag, de regeerders, de directeuren van fabrieken en bedrijven, van banken en grote multinationals nog niet doen. Maar zij hebben de wijsheid van Salomo dan ook nog niet. Niet de pracht en praal bij Gibeon, niet de duizend offerdieren kleuren het verhaal, maar de Thora, de richtlijnen voor de menselijke samenleving kleuren het beginverhaal van Salomo.

Daar geeft de God van Israël dan ook een antwoord op. Salomo wordt geschilderd als een Koning die droomt van een gesprek met de God van Israël over de richting die zijn koningschap zou moeten inslaan. Is het lang leven? Dat krijg je als je rechtvaardig bent en je onderdanen tot hun recht laat komen. Is het rijkdom? Dat krijg je als je volk voorspoed kent en dat kent het als het de weg van de God van Israël gaat, als het weet heeft van delen en zorgen voor minsten onder hen. Is het de dood van je vijanden? Salomo weet best dat de dood van vijanden de wraak van hun nabestaanden oproept en alleen maar een cirkel van wraak en weerwraak van dood en geweld oproept. In het leven van zijn vader David zijn daar tal van voorbeelden van te geven.

Het eerste en misschien wel het enige dat de Koning te vragen weet is een onderscheidende geest zodat hij recht en gerechtigheid kan betrachten. En dat krijgt hij dan ook van God. Die onderscheidende geest is nodig om de Thora te kunnen vervullen. Er zijn voor de zwaksten in het land, er zijn voor de mensen met verdriet.

Koning Willem-Alexander heeft het afgelopen week ook ervaren. Hij zal gedacht hebben aan de momenten dat zijn moeder op pad ging naar rampen. De vuurwerkramp in Enschede, de Bijlmerramp waar ook een vliegtuig neerstortte. En de enige calamiteit die hij zelf ook meemaakte was de aanslag in Apeldoorn toen onschuldige toeschouwers de dood vonden omdat iemand een aanslag wilde plegen op de Koninklijke familie.

Koning Willem-Alexander gaf ons een voorbeeld. Zijn emoties werden door velen herkend. Overal gingen de vlaggen half stok op de dag van nationale rouw. Op verschillende plekken verschenen bloementapijten als teken van medeleven met de nabestaanden.

Van een dergelijke rol zal Koning Willem Alexander niet gedroomd hebben toen hij met veel pracht en praal naar de Nieuwe Kerk schreed, uit het grootste paleis dat ons land kent,  het voormalige stadhuis op de Dam in Amsterdam. De Nieuwe Kerk is geen Kerk meer maar een museum. De  echte kerk vinden we op straten en pleinen, deze week nog op de Hof in Amersfoort voor de Joriskerk waar het Woord van God werd verkondigd, verbonden in verdriet.

En Koning Willem Alexander wordt door ons gerespecteerd, hij is niet onze echte koning, dat is Jezus van Nazareth en waar is diens Koninkrijk? Dat hadden we toch hard nodig gehad de afgelopen 10 dagen. In dat Koninkrijk zijn immers alle tranen gedroogd? In dat Koninkrijk heerst de Liefde en niet langer de dood. In dat Koninkrijk zijn oorlog en geweld uitgebannen en kan niemand meer daar onschuldig het slachtoffer van worden.

Het verhaal dat we lazen uit het Evangelie van Matteüs geeft een antwoord op de vraag waar dat Koninkrijk gebleven is. Het ligt voor ons voor het grijpen. Maar het is verborgen. Om het te vinden is datzelfde onderscheidend vermogen nodig waar Koning Salomo in zijn droom om vroeg. Dan kun je de goede vissen van de slechte vissen scheiden, dan heb je weet van de plaats in de akker waar de schat van God begraven ligt. Dan weet je dat die parel van grote waarde echt binnen je bereik ligt,

Maar om dat Koninkrijk te betreden moet je nu eenmaal af zien van alles wat in onze wereld gevraagd wordt. Alle weelde, alle zelfzucht, al die wedstrijdjes om de eerste de beste te worden, al de grootspraak over eigen volk eerst en eigen waarden, alles geef je op voor dat Koninkrijk van recht en vrede. Dat zijn gelijkenissen die zijn leerlingen eindelijk snapten, Dat zijn gelijkenissen die zelfs premier Rutte er toe brachten terughoudend te zijn met oordelen over anderen om het verdriet van velen te kunnen verlichten.

We spotten wel eens met de betekenis van Jezus. Als iemand doet of hij de wijsheid in pacht heeft, eigenwijs blijft doordrammen, dan zeggen we dat hij denkt dat hij Jezus is maar hij is slechts de zoon van een timmerman. Zo ging het met Jezus zelf ook toen hij op rondreis door het land in zijn eigen stad kwam. Waar haalt hij de wijsheid vandaan vroegen de mensen zich af, het is toch maar de zoon van Jozef en Maria. Er is echter een spreekwoord uit die tijd dat zegt dat niemand de schriften kent zoals een timmerman. Dat waren kennelijk slimme mensen die de Thora en de Profeten, wij noemen dat nu het Oude Testament, goed hadden bestudeerd. Jezus zette zichzelf in die traditie.

Daar hoorden overigens ook de zogenaamde Farizeeën bij, ook zij bestudeerden de wet en de profeten, met dit verschil dat bij Jezus de wet er voor de mensen was en bij de Farizeeën soms de schijn werd gewekt dat de mensen er voor de wet zijn. Nu is die houding een stuk gemakkelijker en voor machthebbers ook een stuk aantrekkelijker, ze bepalen hoe de wet moet worden toegepast en dus moet dat altijd zo dat hun macht er groter door wordt.

Voor leerlingen van Jezus is het voorgaan in de synagoge wat moeilijker, dan put je wel uit de oude geschriften maar laat je er een nieuw licht over schijnen, want voor dat koninkrijk heb je alles over. Als een pot met goudstukken die je in een stuk grond vindt, eerst de grond kopen en dan de schat opgraven, of als de handelaar die eindelijk de langgezochte waardevolle parel vindt, alles wegdoen en zorg dat je die parel krijgt, of als de vissers die hun net vol hebben, ze zoeken echt de goede en de slechte vissen uit en nemen daar dan de tijd voor.

Het gaat er dus om voortdurend bezig te zijn met de vraag of het gaat om anderen lief te hebben als jezelf of alleen om er zelf beter van te worden. En haal je mensen dan naar beneden, het is maar…. zeg maar de zoon van de timmerman, dan wordt het niks, dan wordt de wereld er niet beter van. Daar wist zelfs Jezus maar weinig wonderen te verrichten. Maar zet je de minsten voorop, de laatsten zullen de eersten zijn, wie voorop wil gaan in het Koninkrijk moet de minste willen zijn, dan begint dat Koninkrijk te dagen, dan weet je dat je  er al vast mee mag beginnen. Dan mag je vragen om die onderscheidende geest in het vertrouwen dat je de heilige geest krijgt, de trooster, de geest van God zelf. Dan weten we dat de oogst die volgende maand weer wordt binnengehaald niet voor onszelf is, dat we die mogen delen. Dan weten we dat er voor de hele wereld voldoende voedsel is, dat iedereen op de wereld  mag meedoen met dat Koninkrijk van recht en vrede. Dan kun je er zijn bij bedroefden, dan kan een heel volk steun en troost bieden aan een vliegtuig vol nabestaanden, dan is er de voedselbank om te helpen de hongerigen te voeden, of een diaconie die zelfs voor oude armen in Roemenië weet te zorgen. Dan is er Amnesty om te roepen om gerechtigheid, Kerk en vrede om ons te helpen nadenken over oorlog en vrede en tal van vrijwilligersorganisaties om mee te bouwen aan die wereld die een Koninkrijk van God zal worden. Dan mogen we zingen van vrede, tegen alle oorlog in. Dan mogen we beginnen deze aarde zo mooi te maken dat God er zelf zou willen wonen. Dan mogen we zelf de goede vruchten van de Geest dragen. Er is dus nog heel veel werk te verzetten. Aarzel dus niet maar vat aan.

 Amen

 

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: Jesaja 40: `12-25

Romeinen 11: 16-24

Gemeente,

Deze zomer staat de brief van Paulus aan de Romeinen centraal in de lezingen. Nu schreef Paulus naar aanleiding van een conflict tussen Judeeërs die terug mochten keren naar Rome en de Heidenen die waren achtergebleven en zelf de gemeente van Jezus hadden voortgezet. Dat conflict ging over het houden van de Wet van Mozes op de Romeinse manier. Er waren regeltjes, wel 163 en die moest iedereen volgens de letter houden die bij het volk Israël wilde gaan horen. En ook al werd je volgeling van Jezus van Nazareth, die had toch de toepassing van de Thora verkondigd en als je die wilde volgen dan werd je iemand van het volk van Israël.

 Paulus had zich verzet tegen die Romeinse manier van omgaan met de Thora. Volgens hem had Jezus van Nazareth door zich te laten kruisigen en op te staan uit de dood zozeer gewezen op de Liefde die het hart van de Thora vormde dat leven volgens die liefde, in Christus noemde Paulus dat, voldoende was voor de Heidenen. Als je al behoorde bij het volk Israël dan hield je je natuurlijk aan de regels van de Thora, maar ook dan legde je die nieuwe regels niet op aan de Heidenen, het volk Israël was er niet om iedereen maar regels op te leggen maar juist om iedereen te bevrijden van regels die je verhinderden van je naaste te houden als van jezelf. Dat waren regels waar mensen dood aan gaan, de regels van Christus waren de regels die leven geven.

 Dan is er natuurlijk ook nog de discussie over God zelf. Heidenen waren gewend daar beelden over te hebben en verhalen waar die goden zelf de hoofdrol in speelden. In die verhalen waren de goden net mensen, je kon ze zo vergelijken met mensen die je kende en bijvoorbeeld de keizer van Rome vond dat hij zo machtig was dat hij niet alleen op een machtige God leek maar zelfs een God was, anders was hij nooit zo machtig geworden.

 Dat willen we nu ook nog maar al te graag. God met iets of iemand vergelijken. We spreken over ook over de God van Israël vaak als over een mens. God woont in de hemel heet het dan, of dat dan wat duidelijk maakt, want die hemel is hoger dan de blauwe luchten en de sterretjes van goud wisten de kinderen al te zingen. God was tot verbazing van de ruimtevaarders al niet in de ruimte te vinden. Echte gelovigen hadden het gedeelte uit het boek van de Tweede Jesaja dat we vanmorgen hoorden al gelezen en al bedacht dat God daar tussen maan en aarde in elk geval niet te vinden zou zijn en ook niet verder in het heelal. Zulke menselijke maten zijn op God niet van toepassing, daarmee is God ook niet te meten, zelfs niet in lichtjaren. God gaat alle verstand te boven. 

Er is een tijd geweest dat Griekse filosofen alles onder woorden wilden brengen, alles moest kunnen worden bedacht en aan regels worden onderworpen die uit het denken voortkwamen. Ook de goden moesten beantwoorden aan regels. Maar toen die regels toegepast werden op de God van Israël toen bleek die niet aan die regels te voldoen. De conclusie was zeer eenvoudig, God bestaat niet. In de tijd van de verlichting, toen de meeste natuurwetten werden ontdekt leefde het verlangen weer op om God onder woorden te kunnen brengen en de natuurwetten te ontdekken waaraan de God van Israël zou voldoen. Ook dat experiment lukte niet en opnieuw moest worden vastgesteld dat God niet bestaat.

Het onderwerp heeft heel wat opschudding veroorzaakt. Tot op de dag van vandaag. Voor atheïstische filosofen is het een dwaasheid, rare mensen die gelovigen en voor veel gelovigen is het een ergernis. Hoe kun je nu zeggen dat God niet bestaat? Die gelovigen ervaren God als een bijna tastbare werkelijkheid die met je mee gaat, die een stok en een staf is als je door een dal van diepe duisternis gaat, bij wie je je hart kunt uitstorten zodat het niet al te zeer bezwaard wordt door de dagelijkse zorgen, wiens woord een licht op je pad is, een licht dat al je beslissingen beïnvloed. Zo mogen we inderdaad in God geloven, nog sterker, zo wordt het geloof in God verkondigd. Geloven is ook een kwestie van vertrouwen en als we dat vertrouwen schenken dan merken we in ons leven dat het niet tevergeefs is.

 Het bestaan van God is een vergelijking die wij mensen graag maken. Maar de Tweede Jesaja schrijft al dat God helemaal nergens mee te vergelijken is. In zijn tijd werden goden afgebeeld door kundige ambachtslieden. Prachtige kunstwerken konden worden vervaardigd die de goden afbeelden. Alleen een beeld van de God van Israël bestond niet. Jezus van Nazareth, die Gods zoon genoemd zou worden, zou veel later zeggen dat niemand God kon zien als men niet naar Jezus van Nazareth keek. Daarbij ging het dan om wat hij deed en waartoe hij opriep. In het verhaal van Israël over hun verhouding met God ging het om een verbond waarbij God zou zorgen voor dat volk en dat volk hun naaste lief zou hebben als zichzelf. Dat volk bestaat nog steeds. Dat volk ging in ballingschap maar keerde terug naar het land dat hen geschonken was. Daar schrijft deze Jesaja over en dat is voor hem een wonder.

 Volken die in ballingschap gaan verdwijnen meestal in de geschiedenis. Alleen als ze op elkaar steunen, de zwaksten onder hen weten te helpen en niet de godsdienst overnemen van het land waarheen ze vervoerd zijn dan overleven ze. Wij kunnen dus ook geloven in een God die volgens de natuurwetten en de filosofie niet bestaat. We doen dat door te luisteren naar het verhaal over die God en te doen wat in het verhaal aan mensen wordt gevraagd, je naaste liefhebben als jezelf, ondanks alles. Dat kan ook vandaag weer.

Maar de grootheid van God kan ons ook zeer klein en nietig maken. Een God voor wie de mensen niet meer dan sprinkhanen zijn maakt je zelf onbeduidend. Natuurlijk kan het hoop geven dat ook machthebbers nietig zijn. Maar zou zo’n grote God jouw sores opmerken te midden van het ernstige lijden dat zo veel miljoenen mensen op de aarde overkomt?

Het kan ons dus overkomen, dat onze geest is verdoofd en dat we het even niet meer zien zitten met dat geloof. Dat gebeurt met veel mensen tegenwoordig. En dat gaat soms heel langzaam. Je gaat elke zondag naar de kerk, al jarenlang, maar het werk wordt steeds drukker, je gezin wordt groter en op zaterdag zijn er tal van uiteenlopende bezigheden. Dan komt de dag dat je ook wel eens een keer wil uitslapen. Zomaar een hele morgen op je bed wil blijven liggen. En er zijn toch ook kerkdiensten op radio en tv nietwaar?

Dan blijf je dus een keer thuis. En wat blijkt? Niemand die je mist, niemand die vraagt:  “waar bleef je?”. Als je dat een paar keer is overkomen ga je steeds minder en minder en steeds weer merk je dat niemand je mist, dat niemand zich afvraagt waarom je eigenlijk zo weinig meer komt. Na een tijd is het ritme thuis zo veranderd dat er eigenlijk geen plaats meer is voor de kerkdienst op zondag. Dan ga je alleen nog met kerst, in de nacht omdat dat zo mooi is, soms met Pasen of in de vakantie, uit nieuwsgierigheid.

En dan komt de dag dat de Kerk een conferentie organiseert over de vraag waarom jij en je leeftijdgenoten eigenlijk niet meer in de kerk komen. Jonge gezinnen blijven weg, het is vele jaren geleden dat men nog kinderen in de kerk zag zitten. Zou het komen omdat die kerkdienst op zondagmorgen niet meer aansluit bij de behoeften van jonge gezinnen? Ze denken wat af, maar zich afvragen of jouw leven nog wel past bij een kerkdienst op zondag is er niet bij. Jij en je generatiegenoten, de jonge gezinnen zelf, worden niet gevraagd.

Paulus vergelijkt dat afvallen van de kerk met takken die van een boom worden gesnoeid. Er kunnen dan vreemde takken op worden geënt, maar als die niet aanslaan worden ook die weer gesnoeid. En ook die oude takken kunnen weer worden geënt, dus je kunt altijd weer terugkeren in de kerk van je jeugd, ook als je wat ouder geworden bent, ook als je gezin weer wat tot rust is gekomen. Niemand zal zeggen dat je gemist werd, niemand zal vragen waar je was als je een keer niet komt, maar ze verwelkomen je hartelijk en als je een paar keer bent geweest dan vragen ze je ook of je mee wil doen met een van de vele activiteiten die een kerk nu eenmaal heeft. Dat is het teken dat de tak die je bent inderdaad weer groeien kan op de stam van de kerk bij jou in de buurt.

Dat beeld van die boom en dat enten is vaak uitgelegd als een verwerping van het volk Israël. De christelijke gemeente kwam er voor in de plaats. Dat is niet juist, volgens Paulus was het verschil tussen de mensen uit Israël en mensen niet uit Israël verdwenen. Het was in hem zelf al verdwenen. Hij hoorde etnisch en religieus in Israël, maar kwam daar niet vandaan, hij was een Romeins burger en dat konden er in het Romeinse Rijk maar weinigen zeggen.

Het conflict dat Paulus kende tussen Joden en Heidenen kennen wij niet meer. Wij kennen eerder het conflict tussen kerkelijken en anti-kerkelijken. Die laatsten vinden dat we ons niet moeten bemoeien met de samenleving waarin zij leven. Niet met de armoede, niet met de rijkdom van enkelen, niet met de waarde van elk individueel mens die volgens kerkelijken niet als object gebruikt mag worden, niet met oorlog en vrede, niet met vrijheid en onvrijheid. Maar gelukkig zijn er nog een heleboel mensen, ook buiten de kerk, die eigenlijk wel hun naaste lief zouden willen hebben als zichzelf. Als we die nu eens kunnen overtuigen van het feit dat dat samen veel gemakkelijker gaat dan alleen, en dat dat in die kerk bij hun in de buurt eigenlijk ook nog wel zo leuk kan zijn. Misschien moeten we ze eens meevragen, uitnodigen, zodat ze geënt kunnen worden door God.

Misschien moeten we regelmatig ook de jonge gezinnen uitnodigen om eens dit kerkgebouw van binnen te bekijken en hen vragen hoe ze de band met deze gemeenschap ervaren en kunnen versterken. Niet om er als kerkelijke gemeente beter van te worden maar om het goede in ons dorp, in onze dorpsgemeenschap, te versterken.

Uiteindelijk zullen ook wij moeten bijdragen aan die aarde die zo mooi is dat God er zelf zal willen wonen, die wereld waar alle tranen gedroogd zullen zijn, die wereld die er zo uitdrukkelijk nog niet is maar waar dichters en profeten van dromen en gedroomd hebben en waarop wij blijven vertrouwen. Aan het werk dus, de akkers zijn wit om te oogsten hield Jezus zijn leerlingen voor, zo midden in de zomer mogen we dat elkaar ook voorhouden. Aan het werk.

 Amen

Read Full Post »

Lezen: Jesaja 55: 6-13

Romeinen 7: 14-25a

Gemeente,

 

Zo in de zomer kun je aardig in de knoop komen te zitten met je geloof. De wereld ziet er op het eerste gezicht zonnig uit. Regelmatig zijn er warme, ja zelfs hete dagen, waar het goed genieten is van strand, zwembad of zelfs alleen maar de tuin of het picknickpark, en regelmatig regent het ook en weten we hier op het platteland dat dan groente en fruit zullen groeien en rijpen en regen belooft een goede oogst in het najaar. God schenkt ons een aarde waar we dankbaar voor zijn. Er zijn geen soldaten die ons land leegroven, er wordt geen geweld tegen onze gewassen gebruikt. Waarom zouden we dat eigenlijk niet altijd hebben en waarom hebben ze dat niet over heel de wereld?

 

Als we de Bijbel op ons in laten werken zou de manier van leven waar wij zo veel voordeel van hebben toch al heel lang gemeen goed moeten zijn. Neem nu het gedeelte dat we vanmorgen uit het boek van de profeet Jesaja hebben gelezen. Dat boek is door verschillende mensen geschreven en omspant bijna twee eeuwen, maar die eeuwen zijn al zo verschrikkelijk lang geleden dat het voor ons één en dezelfde gebeurtenis lijkt, de ballingschap. Die wordt van begin tot eind beschreven. Dat volk Israël had in de woestijn een stel handige leefregels gekregen, van je moet niet doden, niet liegen en niet stelen en door je naaste lief te hebben als jezelf kon je de God van Israël liefhebben boven alles. Toch waren ze zo stom geweest andere goden na te lopen. Goden van vruchtbaarheid, goden die je eerst zelf moest maken en dan versieren met goud en zilver, goden aan wie je kostbare offers moest brengen tot aan je kinderen toe.

 

Dat het dan mis gaat weten we inmiddels. Wie zichzelf uitnemender acht dan alle anderen komt uiteindelijk van een koude kermis thuis, of je nu nazi bent die de führer achterna loopt of leninistisch marxist die gehoorzaamt aan de arbeiderselite die de partij bestuurt, het loopt verkeerd met je af. Dat was ook met het volk Israël gebeurd. Maar toen ze in de ballingschap weer naar de God van Israël gingen luisteren mochten ze uiteindelijk terug. Mochten ze ook laten zien dat ze er van hadden geleerd. De profeten uit de school van Jesaja letten er op dat de weg van de God van Israël duidelijk bleef.

Als een marktkoopman spreekt de profeet de juist teruggekeerde ballingen toe. En als ze naar de Tempel zijn gegaan zijn ze op het goede adres. Door de woestijn hebben ze de reis gemaakt van het ballingsoord naar Jeruzalem waar ze de Tempel weer op moeten bouwen en de stad opnieuw van muren moeten voorzien. En in de Tempel, zelfs in de ruïne die is overgebleven, gelden de richtlijnen die het volk ooit bij de verlossing uit de slavernij in de Woestijn heeft ontvangen. Daar houdt men een maaltijd met de familie, de dienaren van de Tempel, de armen en de vreemdelingen die voor je werken. Daar is dus water en brood te krijgen voor niks, daar is een feest gaande van samen delen.

Natuurlijk kan er ook in religieuze zaken worden gehandeld. Natuurlijk zal een plotselinge stijging van de vraag de prijs kunnen laten stijgen. We kennen dat bij evenementen en een zomerse toestroom van extra gasten, dan gaan de prijzen van voedsel en drank omhoog. Ook de terugkeer van ballingen zal het in zich gehad hebben de voedselprijzen te laten stijgen. Maar juist die rare bijzondere godsdienst rond de Tempel in Jeruzalem maakt dat daar niet het maken van winst voorop staat maar het zorgen voor elkaar. Al dat maken van winst en profijt dat voedt niet.

Bij een nieuw begin van een samenleving is samen delen de eerste voorwaarde. Daarom moet eerst de Heer gezocht worden. Want voor die samenleving is dat nieuwe eeuwig durende verbond nodig. Die samenleving wordt geregeerd zoals David regeerde, in vrede en met gerechtigheid. Zo moet de hele wereld geregeerd worden. Daar komen dan zelfs vreemde volken op af. Zo mag je iedereen oproepen mee te gaan doen met de samenleving van de God van Israël. De goddeloze en de onrechtvaardige moeten er toe gebracht worden af te zien van hun goddeloosheid en hun snode plannen. Doen ze mee? Dan zijn ze welkom.

De Weg van de God van Israël is niet de gewone weg. De gewone weg is een weg van geweld en van winst en profijt. Maar wie jonge mensen in Egypte een nieuwe samenleving zag opbouwen midden op een plein omringd door geweld en hoort van het voedsel dat om niet met elkaar werd gedeeld, hoort van moeders die medicijnen gingen brengen aan mannen, dochters en zonen op het plein die gewond raakten door het geweld, die snapt wat de profeet hier bedoeld. Dat Woord van de profeet is niet een geestelijk gebeuren, dat gebeurt concreet in de geschiedenis, in ons leven, hier en nu.

Daarom mag je er op vertrouwen met heel je leven. Het zijn geen loze woorden, het gaat niet om de winst van een ander, het gaat om jouw eten en drinken, en dat van de armsten en de minsten onder ons. Als we bereid zijn daar mee te delen zoals Egyptenaren met elkaar op het vrijheidsplein deelden ook in de donkerste uren van hun bevrijding, dan breekt ook voor ons een andere wereld aan. Dan hoeven we niet meer bang te zijn voor mensen die anders geloven en anders praten, dan pas leven wij bevrijd van angst. Het mooiste is dat we er elke dag weer opnieuw aan mogen werken, ook vandaag.

Toch ging het in Egypte ook weer mis met de bevrijding van de mensen. Daar was het een religie waarvan de aanhangers dachten dat als iedereen ons maar zou volgen dan wordt de aarde, wordt in elk geval ons land een paradijs. Hoe komt dat toch, dat kan toch niet alleen liggen aan mensen die zich uitnemender achten dan een ander. Een stukje van het antwoord op deze vraag komt vanmorgen uit de brief van Paulus aan de Romeinen. Die Paulus deed wat hij haatte, hij was van nature uitgeleverd aan de zonde schrijft hij.

Paulus, de Apostel, de zendeling, die onvermoeibaar van de ene naar de andere stad reist om het Evangelie van Jezus van Nazareth te verkondigen en om gemeenschappen te stichten waar het Koninkrijk van God alvast zou kunnen beginnen. Hij schrijft aan de gemeente in Rome dat hij doet wat hij haat. Dat kan toch moeilijk zijn dat wat wij weten dat hij gedaan heeft. Dat reizen en dat stichten van gemeenschappen, dat vertellen van Jezus van Nazareth, het dicteren van brieven, dat kan toch niet hetgeen zijn dat hij haat. Dat was toch geen zonde?

Door het werk van Paulus hebben we het nog steeds over die nieuwe wereld die zal komen en waar alle tranen gedroogd zullen zijn. Het werk van Paulus zet ons nog steeds er toe aan om aan dat nieuwe Koninkrijk alvast te beginnen. Wat is het dan dat Paulus in zichzelf zozeer haat? Het kerkelijk antwoord is “de zonde”. Maar dat begrip is uitgekauwd en versleten. Er zijn onder ons predikers die niet anders roepen dan dat je moet geloven in Jezus van Nazareth zodat je gered zal worden van de zonde. Maar wat geloof je dan en waarom zou je ergens van gered moeten worden?

Paulus schrijft hier ook dat wat hij wil hij niet doet. Misschien maakt dat ons wat duidelijker. Wij willen immers ook zo vaak dat het beter gaat in de wereld? Dat de onrechtvaardige handelsverhoudingen rechtgezet worden, dat homo’s en andere minderheden niet meer gediscrimineerd worden, dat er geen onderscheid meer is tussen vrouwen en mannen, dat gevangenen als mensen behandeld worden en een eerlijk proces krijgen, dat iedereen mag meepraten in de samenleving en dat alle tranen gedroogd zullen zijn. Maar we kunnen niet alles op onze nek nemen.

Door alle regeltjes die ons opgedrongen zijn weten we dat we niet onophoudelijk het goede kunnen doen en niet dan het goede. Ooit, toen God begon met de mensen, was de zonde het eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Omdat wij ons dus voortdurend afvragen wat het kwade is waar we ons tegen moeten verzetten vergeten we het goede te doen. Is het wel het goede? Zit er geen eigenbelang achter? Worden we niet voor de gek gehouden? Wordt er geen misbruik van ons gemaakt? Zo vaak slaan we de plank mis, zien we de mensen langs de kant van de weg niet staan, zijn de hongerigen en dorstigen mensen in een ver van ons bed show.

We vergeten zo vaak gemeenschappen te vormen die de wereld aankunnen. We vergeten bondgenootschappen te vormen zodat zaken veranderen. Maar we hoeven ons er niet schuldig over te voelen. Het is onze natuur, wat wij doen deed Paulus ook al. En door Jezus van Nazareth, door God, mogen we elk moment weer opnieuw beginnen het goede te doen, dag in dag uit, elk ogenblik, in Bijbelse en kerkelijke termen heet dat “genade”. Het goede dat we mogen doen doen we niet van nature zegt Paulus, dat doen we door de Geest van God, de Heilige Geest. Op dat goede dat we doen hoeven we ons dus ook niet voor te laten staan, maar daar mogen we dankbaar voor zijn, daar mogen we om vragen.

Geloven heet ook wel vertrouwen, vertrouwen op de belofte van God dat het ooit goed zal komen met de mensen. Vertrouwen dat die mooie visioenen van Jesaja, u weet wel van de leeuw en het lam die samen weiden en van het kind dat speelt in de hol van de slang werkelijkheid zullen worden, vertrouwen dat de visioenen van Johannes van Patmos die we kennen uit het boek Openbaring ooit waarheid zullen zijn, dan zal de dood niet meer heersen, dan zal zelfs de zee haar doden teruggeven en dan zal de aarde zo mooi zijn dat God er zelf zal willen wonen.

We mogen blij en dankbaar zijn daaraan mee te mogen werken. En dat verkeerde? Dat haten we dus en iedere keer als we bij onszelf merken dat we het toch weer hebben laten zitten proberen we het te veranderen, dat mag. Paulus leefde ons voor dat ondanks die verkeerde dingen God ons ook het goede zal laten doen. Zijn brieven en zijn gemeenten getuigen er van. Wij mogen er op vertrouwen, daarom klinkt telkens weer de roep om het goede te doen en niet dan het goede, ook vandaag weer, aarzel dus niet en vat het werk aan.

Amen

Read Full Post »