Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for juni, 2014

Lezen: Jeremia 29: 4-14

Romeinen 4: 1-13

Gemeente,

 

Vandaag is het de zondag van de brieven. Een brief van Jeremia en een brief van Paulus. Deze brief van Jeremia staat in het boek van de profeet Jeremia. Er is ook een apart boek dat heet de Brief van Jeremia, dat is een apocrief boek, volgens velen het waard om gelezen te worden maar het valt buiten de Bijbel. Wij volgen vanmorgen de brief aan de ballingen in Babel zoals die in de Bijbel staat, in het boek van de profeet Jeremia dus.

Babel was de machtigste staat op het moment dat Jeremia schrijft. En Babel had het handig ingericht. De politieke en religieuze leiders van elk land werden naar Babel overgebracht en mochten vrij wonen onder de ogen van de Koning. Als er verzet zou worden georganiseerd dan was dat vrij snel duidelijk. Jeremia doorzag dat. Natuurlijk zouden er oproepen komen om verzet te gaan plegen tegen de koning van Babel. Maar uiteindelijk zou het daardoor alleen maar langer gaan duren voor de ballingen terug zouden keren naar Israël.

 En dat die ballingen terug zouden keren stond voor Jeremia vast. Daarom was zijn advies om te zorgen dat ze vruchtbaar werden. Grote gezinnen, gelukkige huwelijken, groene akkers en tuinen. Kortom een overvloed van eten en drinken wat je kunt delen met de armsten in de stad. Dat maakt je op de duur natuurlijk wel populair. Een koning die na verloop tijd komt en niet zo heel zeker is van de troon zal je graag laten vertrekken. In de geschiedenis is de discussie over het veranderen van de samenleving van binnenuit of van buitenaf wel meer gevoerd. Als de meerderheid van de bevolking uitgesloten is van deelname aan de macht blijft er soms niet veel anders over dan verzet te plegen. Maar als je wel mee mag doen is een lange mars door de instituties ook wel aantrekkelijk.

We hebben dat verzet tegen de onderdrukking gezien in het Midden Oosten. Vooral jonge mensen pikten het niet langer dat een kleine groep machthebbers bleef uitmaken hoe de samenleving ingericht hoort te zijn en wie wel en wie niet enige invloed mocht hebben en vooral wie wel en wie niet van de rijkdom van de samenleving zou mogen profiteren. Maar gebleken is dat verjagen van machthebbers niet genoeg is. Ze moeten vervangen worden door vertegenwoordigers van het volk. En niet zomaar vertegenwoordigers, maar mensen die inzien dat met allerlei soorten groepen uit de samenleving samengewerkt zal moeten worden.

Voor Jezus van Nazareth was dat samenwerken met anderen voor de hand liggend, hij bezocht vooral mensen die buiten de samenleving vielen, waarmee niet werd samengewerkt, de hoeren en de tollenaars. Maar hij zat ook neer bij vreemdelingen, een Romeinse Centurion, een Syro-Foenitische vrouw, een Samaritaanse.

Paulus, die de boodschap van Jezus van Nazareth aan de hele wereld wilde brengen liet zich inspireren door de brief van Jeremia. Die gemeenschappen waarin alles gedeeld zou worden vormde hij van Judeeërs in de diaspora, de verspreiding over het Romeinse rijk en Heidenen die zich bij de beweging van de Weg, zoals de Christenen werden genoemd, wilden aansluiten.

Paulus had nog geen bezoek gebracht aan Rome gebracht toen hij de brief schreef aan de gemeente die daar was ontstaan. Hij had wel mensen uit Rome ontmoet die werkten voor de beweging van de Weg, voor de Christenen, maar de gemeente in Rome zelf zou hij pas veel later leren kennen toen hij daar in gevangenschap een aantal jaren doorbracht.

Het ideaal van Paulus over die gemeenschappen klinkt heel mooi maar levert allemaal praktische problemen op. Wie moet zich nu aan wie aanpassen als er een nieuwe gemeenschap wordt gevormd. De inspiratie die Paulus bracht had Hebreeuwse wortels. Daar was het hart van de Thora de regel dat je je naaste lief moet hebben als jezelf en dat dat de manier is om God lief te hebben boven alles. Je vindt dat in het boek Leviticus, het middelste boek van de vijf boeken van de Thora, en van dat boek weer precies in het midden.

Door die Liefde had Jezus van Nazareth de moed gevonden zich te laten overleveren aan de machthebbers om uiteindelijk gekruisigd te worden. Maar dat kruis was geen einde gebleken maar een teken van leven. Had Jezus zich verzet en een opstand van zijn volgelingen uitgelokt dan zou zijn boodschap in bloed gesmoord zijn. Het zou veel levens hebben gekost maar niet meer hebben betekent dan een voetnoot in de geschiedenis. Nu was het een daad die navolging verdient en waartoe je mensen kunt oproepen. Houd van je naaste, houd van alle mensen zoals je van jezelf houd. Laat de dood je niet verleiden anderen in de gevaar te brengen, blijf de vrede brengen.

Er waren twee in het oog springende verschillen tussen de Judeeërs en de Heidenen in de gemeenschappen van de mensen van de Weg. De Judeeërs waren besneden en volgden ingewikkelde spijswetten. De Heidenen hadden die regels niet, ze aten zelfs vlees dat geofferd was aan de Heidense goden, dat konden ze omdat ze die goden niet meer als goden erkenden. Alleen de God van Israël, de vader van Jezus van Nazareth werd als God vereerd, van die God hadden ze immers de Heilige Geest gekregen die het hen mogelijk maakte de Weg van Jezus van Nazareth te volgen. Zo waren zij ook kinderen van Abraham geworden vonden ze zelf. Maar dat vonden die Judeeërs niet.

 Wij praten over Judeeërs omdat pas een paar eeuwen na Paulus de Judeeërs die Jezus van Nazareth niet erkenden gedwongen werden een eigen religie te vormen. Ze schreven de Talmoed en werden de aanhangers van de Joodse godsdienst zoals wij die nu ook nog kennen, ze werden de Joden die tegelijkertijd etnisch tot het Joodse volk behoren en deel kunnen uitmaken van de aanhangers van de Joodse Godsdienst. Zij houden de regels van de Thora alsof het hun wetgeving is. Ook moslims volgen die regels van de Thora als het gaat om besnijdenis en spijswetten.

Joden en Moslims beschouwen zich als kinderen van Abraham. Ze zijn immers besneden. De mannenmacht is overgegaan op de ene Heer en als teken daarvan is hun mannelijkheid ingekort. In een oorlog was het ooit de gewoonte de voorhuid van de verslagen soldaten af te snijden als teken van buit en de grote van de overwinning. De besnedenen werden door hun besnijdenis onoverwinnelijk. Maar hoe moet het dan met de Heidenen die zich bij de Weg van Jezus van Nazareth aansluiten?

 Die besnijdenis was in de dagen van Paulus een belangrijk onderwerp. De discussie was in Rome opgelaaid na de terugkeer van Judeeërs die eerst verbannen waren geweest. Die werden geconfronteerd met een groot aantal Heidenen die zich ineens aan de Wet van de Liefde, van heb je naaste lief als jezelf, gingen houden. Moesten die Heidenen dan niet ook besneden worden? Volgens Paulus, daarin uiteindelijk gesteund door de andere Apostelen, hoefde dat niet. En hier probeert hij dat te onderbouwen met het verhaal van Abraham. Die liet zich uiteindelijk besnijden toen hij in Kanaän een plaats had gevonden. Maar die was al op weg gegaan gedreven door een ervaring dat er een andere manier van leven mogelijk moest zijn als hij in Ur en later in Haran had ervaren.

 Een andere God had hem geroepen. Niet een God die bij een plaats of een land hoorde, maar een God die met hem meetrok en hem medemenselijkheid en erbarmen voorhield. Een God die niet vroeg om je zoon te offeren maar genoegen nam met een schaap, dat je vervolgens zelf mocht opeten. Het besef dat je het met die nieuwe manier van geloven moet wagen werd Abraham tot gerechtigheid aangerekend. Abraham had geen beeld van die nieuwe God, had geen tempel, en aanbidden was er ook niet bij. Toch had die God onverwacht voor vruchtbaarheid gezorgd. Toen alle hoop op vruchtbaarheid verloren scheen was de zorg voor de vreemdelingen die langskwamen uitgelopen op nieuw leven, op een eigen zoon voor Abraham en Sara als begin van een groot volk.

 Zo zijn in de ogen van Paulus, Joden, Moslims en gelovige Heidenen allemaal kinderen van Abraham. Die besnijdenis doet daarbij niet terzake, die gelovige Heidenen hebben hun hart laten besnijden, de macht over hun eigen hart hebben ze overgedragen aan de God van Israël. Het gaat Paulus om mensen die hun naaste lief hebben als zichzelf. Om mensen die bereid zijn te delen met de hongerigen, de naakten te kleden, de zieken te verzorgen, de armen te bevrijden.

 In dat Rome met zijn vele slaven viel het onderscheid tussen Judeeër en Heiden weg, maar ook het onderscheid tussen slaaf en vrije, tussen man en vrouw, tussen arme en rijke. In die nieuwe gemeenschap van mensen van de Weg van Jezus van Nazareth waren geen vreemdelingen meer, alleen nog broeders en zusters. Gaan wij nog steeds diezelfde weg als kinderen van Abraham, samen met onze broeders en zusters?

 Die nieuwe gemeenschappen die Paulus stichtte waren bedoeld als de voorlopers van het Koninkrijk van God. Jeremia had zijn volksgenoten opgeroepen gemeenschappen te vormen die een voorbeeld konden zijn voor de volken waar zij in ballingschap waren gevoerd. Paulus had gemeenschappen gesticht als voorbeeld voor het Romeinse Rijk, daarmee voor de hele bewoonde wereld. Zo kon men ook leven, daar telde een mensenleven tenminste. Zo roept Paulus ook de gemeente in Rome op te gaan leven, alsof het Koninkrijk van God al op aarde is gekomen.

 In de loop van de geschiedenis klinkt vanuit de Bijbel die oproep tot elke kerkelijke gemeente. We zullen bereid moeten zijn in ons midden plaats te maken voor iedereen die zich wil aansluiten bij de beweging die ooit begonnen is met Jezus van Nazareth. In ons dorp in onze stad kunnen we die weg naar dat Koninkrijk van de vrede laten zien in de manier waarop wij met de zwaksten omgaan, in de manier waarop wij vreemdelingen benaderen, in de manier waarop de kinderen van Abraham onder ons een woonplaats van vrede kunnen vinden.

 Uiteindelijk mogen we nu al leven van de belofte dat de aarde een oord zal zijn van vrede, een plaats van thuiskomst, waar de dood niet meer zal heersen, waar alle tranen zullen zijn gedroogd en die zo mooi is geworden dat God zelf hier zal willen wonen. Die aarde komt, we mogen nu al wegen vinden daar gestalte aan te geven. Op weg dus, de hand aan de ploeg, het werk wacht, aarzel niet.

 Amen

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: Jeremia 20: 7-13

Romeinen: 2: 9-16

Gemeente,

 

Vandaag is het volgens het Oecumenisch leesrooster van de Kerken de eerste zondag van de zomer. Velen van ons staan op het punt op vakantie te gaan, even los te komen van de besognes die ons thuis alle dagen in beslag nemen, de machten en krachten waar we maar al te vaak niet onderuit komen. Maar komen we ook los van Gods Woord, dat ons gegrepen heeft en ons met enige regelmaat naar een kerk brengt, ons zelfs aan het zingen brengt? Dat Woord van God is overal in de Wereld werkzaam en de volgelingen van Jezus van Nazareth kregen de opdracht dat Woord overal heen te brengen tot de aarde voltooid zou zijn, tot de schepping eindelijk klaar is en de aarde een paradijs. Dat Woord van God op die manier meenemen als wij op reis gaan is niet eenvoudig.

 

Veel christenen uit China bijvoorbeeld zullen direct met de klacht die we vanmorgen uit het boek van de profeet Jeremia lazen mee kunnen voelen. Ze willen zo graag vrijuit over de boodschap van Jeremia en het Evangelie van Jezus van Nazareth spreken maar dat mag alleen binnen de kaders die door de communistische partij van China zijn gesteld. Amerikaanse Christenen mochten dan ook niet zo maar Bijbels in China invoeren tijdens de Olympische Spelen enkele jaren geleden. In China zijn Bijbels te koop in door de staat goedgekeurde winkels. Zo maar en in vrijheid kennis nemen van die boodschap gaat daar niet. Veel Christenen daar zeggen dan ook dat de woorden van de Heer hen dag in dag uit in schande en vernedering brengen. Een kruis op een kerk zetten mag niet, nog vorige week protesteerden Christenen tegen het bevel een kruis van hun kerk af te halen. Christenen lopen niet alleen aan tegen de opvatting dat de communistische partij de leiding moet hebben in het vormgeven van de samenleving maar ook tegen een geschiedenis van uitbuiting en slavernij die met de Bijbel in de hand eeuwenlang is goedgepraat.

Niet het “heb Uw naaste lief als Uzelf”, klonk daarbij, maar de adviezen die bijvoorbeeld de vrienden van Job aan hem gaven om de schuld van het lijden bij zichzelf te zoeken en te aanvaarden wat God op zijn weg had gezonden. Job verzette zich daartegen net zoals de schrijver van dit gedeelte uit het boek van de profeet Jeremia zich daartegen verzet. Hij wil wel stoppen met zijn oproepen tot het volk maar hij kan het niet, het brand in zijn binnenste. In zijn tijd werd het land Israël bedreigd door de grote mogendheden van toen. De Koning van Israël zocht bondgenoten maar zocht die bondgenoten bij de zwakste van de grote mogendheden. Uiteindelijk werd daardoor de val van Israël bespoedigd.

Profeten riepen op om het bondgenootschap bij God te zoeken. Als je een samenleving zou weten op te bouwen waar niet geld en bezit, macht en aanzien, het belangrijkste zouden zijn maar delen en zorg voor de zwaksten, dan zou dat land helemaal niet aantrekkelijk zijn om aan te vallen en te bezetten. Stel je voor dat soldaten niet als vijanden maar als broeders zouden worden behandeld, dan zouden ze ongeschikt worden om te vechten. In 1968 zag Rusland zich genoodzaakt troepen uit Praag terug te trekken omdat de opstandige studenten daar met de soldaten in discussie gingen. Dat bracht de soldaten in verwarring. Ze stuurden toen soldaten uit Siberië die nauwelijks of geen Russisch kenden.

Maar onheilsboodschappen horen mensen niet graag. In de dagen van Jeremia niet over de naderende bezetting, in onze dagen niet over klimaatverandering of de toenemende kloof tussen arm en rijk. De vervloeking tegen de dag dat je geboren bent kennen we ook uit het boek Job. Daar was de wanhoop over het persoonlijke leed dat de rechtvaardige ten onrechte was aangedaan. Hier klinkt de wanhoop over de hardhorendheid van het volk. In beide gevallen is het beroep op de onvoorwaardelijke Liefde, de Goddelijke liefde, de enige uitweg. Bouwen wij na of bouwen we op is dus de vraag aan ons.

 

Er zijn tegenwoordig steeds meer mensen die zeggen dat je ook wel van je naaste kan houden als van jezelf zonder dat geloof en de daar bijhorende God nodig te hebben. Dat is natuurlijk ook zo, dat staat zelfs in de Bijbel in de passage uit de brief aan de Romeinen die we vandaag lezen. Nu is het niet zo dat de meeste mensen die dat vandaag zeggen helemaal niet van de Wet van de Liefde hebben gehoord, maar je kunt de wet ook van nature naleven. Goed en kwaad zijn goed en kwaad daar hoeft geen God aan te pas te komen al kun je de maatstaf van God, de Liefde, er altijd naast leggen en zal er altijd een moment komen dat die maatstaf er ook naast gelegd wordt. Waarom hebben we die God dan nodig? Nou, wie door heeft hoe vaak je per dag fout zit in het toepassen van die richtlijn, in het houden van die Wet, is blij dat je elke keer een nieuwe kans krijgt om er opnieuw mee te beginnen.

 

Want de Wet van God is geen Wet van Meden en Perzen, geen Wet zoals in het Romeinse Recht waar ons rechtssysteem op is gebaseerd. De Wet van God vind je terug in de Thora, die zet je in beweging om de Thora te vervullen, de aarde te voltooien, er het paradijs van te maken dat God heeft bedoeld, de mensen te bevrijden van armoede, geweld en onderdrukking. Dat is dus niet een Wet die je moet houden, maar een richtlijn die je tot de grondslag van je leven, uitgangspunt voor je handelen kan maken. Elke dag weer opnieuw.

 

Zonder God loop je de kans de moed te verliezen en te gaan denken dat er toch geen redden aan die mensen is. Het verhaal van Israël en het verhaal van Jezus van Nazareth geeft telkens weer nieuwe moed en daagt je dag in dag uit het opnieuw met dat verhaal te wagen. Daar is geloof in God voor nodig. God heeft mensen lief en daarom mogen ook wij mensen lief hebben. Geloven betekent oorspronkelijk vertrouwen. Vertrouwen dat het uiteindelijk goed zal komen met de mensen. Vertrouwen op God omdat het alleen goed kan komen met de mensen als je ze oneindig lief hebt, zelfs ondanks jezelf, zelfs tegen je eigen belang in. En het kan gevaarlijk zijn. Dat bleek maar weer eens toen een rechtbank in India in actie kwam tegen een Nederlandse actiegroep.

 

Die actiegroep publiceerde een rapport over een fabriek in India waar kleding voor de Nederlandse markt gemaakt werd. Kinderarbeid, slechte arbeidsomstandigheden en een zo laag loon dat je van uitbuiting kan spreken waren elementen uit dat rapport. Ook in India is het recht vaak aan de kant van de sterkste, de rijkste, dus kreeg de fabrikant het voor elkaar dat een rechter een strafzaak begon tegen acht leden van de actiegroep. Zij trokken zich er niks van aan en met resultaat. Na bemiddeling werd het strafproces ingetrokken. Het rapport kon worden ingetrokken nadat het beleid van de fabrikant in overeenstemming was gebracht met de Indiase wet en er door de regering in India een ombudsman was aangesteld waar arbeiders in India voortaan terecht kunnen met klachten over arbeidsomstandigheden.

 

De onbaatzuchtige liefde maakte het resultaat dus groter dan voor één fabriek noodzakelijk was. De zorg voor de mens, het recht doen aan arbeiders, wordt onderdeel van de Indiase wet. Dat is de bevrijding van de armen die ook Paulus verkondigde en toepassing van die Wet brengt aan het licht wat mensen echt willen.

 

Zo leren we van de Bijbel dat we ook als we op reis zijn onze ogen en oren open moeten houden voor onze naaste. Toen Jezus van Nazareth eens op weg was naar Jeruzalem had zich buiten Jericho een hele menigte bij hem aangesloten. Die liepen niet stilletjes achter hem aan. Maar evengoed hoorde Jezus de roep van een bedelaar langs de kant van de weg die riep naar de zoon van David, Jezus stopte en genas de man zodat ook die mee kon. Wij zullen ook als we op reis zijn moeten blijven luisteren en blijven deelnemen aan het scheppen van een goede aarde, tot de aarde zo mooi is dat God zelf hier zal willen wonen. Zo ver is nog niet, goede reis dus en aan het werk.

 

Amen

 

Read Full Post »

Lezen: Exodus 34:4-9

Matteüs 28: 16-20

Gemeente

 Vandaag we vieren het feest van de drie-eenheid en dat is een feest na het feest van Pinksteren waar we de uitstorting van de Heilige Geest hebben gevierd. Daarvoor neemt Matteüs ons mee naar de berg waar ook de Bergrede werd uitgesproken. En zo hebben we dan Vader, Zoon en Heilige Geest. In hun namen dopen we, zoals in Matteüs wordt opgedragen, en het wordt dus hoog tijd om de roep van Israël opnieuw in gedachten te brengen : Hoor Israël, de Eeuwige is God en de Eeuwige is één. Het is de absolute grondgedachte van het Joodse geloof en daarmee ook van het Christelijk geloof. Het drukt de ontzagwekkende grootheid van God uit. Maar voor Christenen als wij is die God van Israël een drie-enig God.

 Op die Berg kreeg Jezus aan het begin van zijn optreden alle landen en alle volken te zien, de mensen hadden zich verspreid over de aarde. Hij kreeg de macht aangeboden over alle volken maar die wees hij af. Nu is hij bekleed met alle macht in hemel en op aarde en kan hij zijn volgelingen opdragen zijn boodschap naar de uiteinden der wereld te brengen. Met Pinksteren hebben we gehoord dat iedereen die boodschap kan verstaan, elk in zijn eigen taal. Niet een volk op een kluitje in een stad die zich niet verspreiden laat, maar een mensheid die de aarde bewoont en in alle verscheidenheid elkaar als broeders en zusters weet te herkennen.

 De drie-eenheid is in de geschiedenis vaak een omstreden begrip geweest. Over kerkvader Augustinus gaat zelfs een anekdote die verband houdt met de drie-eenheid, hij liep eens te piekeren op het strand over de vraag hoe dit leerstuk nu goed onder woorden te brengen toen hij een klein jongetje zag dat water uit de zee in een kuiltje stond te scheppen. Toen hij aan het jongetje vroeg wat die aan het doen was antwoordde die dat hij de zee leeg wilde scheppen in zijn kuiltje. Maar dat kan niet zei Augustinus, nou zei het jongetje u probeert toch ook het geheim van de drie-eenheid in uw kleine hersenpan te krijgen? Toen snapte Augustinus dat het geheim van de drie-eenheid ondoorgrondelijk is staat er dan in het verhaal. En dan houden theologen vaak op om er verder over te praten, je moet het maar geloven.

 Maar dan maken we ons er te gemakkelijk van af. Want dat God zich op meerdere manieren aan ons kan openbaren is uitermate Bijbels en voor de eenheid van de gemeente tamelijk nuttig, we hoeven de manier waarop wij God ontmoeten niet aan een ander op te leggen. Augustinus had een andere kerkvader als leraar, Tertulianus en voor die kerkvader was de drie-eenheid heel wat eenvoudiger. Hij gebruikte een beeld waarvan ik denk dat het ook hier in Nieuwe Niedorp wel begrepen zal worden. Net als in Noord-Afrika waar Tertulianus vandaan kwam heeft men hier nog weet van bloemen en planten. Tertulianus wees er op dat we een bloeiende plant in zijn geheel bij haar naam noemen. Maar we noemen ook de bloem alleen bij dezelfde naam, ook de wortels noemen we bij die naam, zo ook de stengel met de bladeren, van sommige planten zelfs alleen de bladeren. Toch vormen die allemaal een eenheid. Ze verschijnen allemaal op een eigen manier, hebben een eigen functie maar vormen desondanks een eenheid. Bij planten is 1 wortel + 1 stengel + 1 bloem wel degelijk 1 plant.

 Juist het idee van de drie-eenheid kan ons behoeden voor het losknippen van één van de drie zoals in de kerkgeschiedenis vaak is geprobeerd. God de Vader, schepper van hemel en aarde werd losgeknipt van God de Zoon die dan als de werkelijke God werd gezien, de scheppende God had zijn werk niet goed gedaan en was dus niet de echte God die mensen kon bevrijden, en in onze dagen lijkt het er soms op dat God de Geest losgeknipt wordt van de Vader en de Zoon omdat die te hoge eisen stellen aan ons geloof. De Geest moet dan voldoende zijn. Zo zijn er ook mensen die Jezus van Nazareth los knippen van God en van de Heilige Geest. Jezus van Nazareth is dan alleen maar mens en niet meer God die laat zien hoe een mens naar zijn beeld en gelijkenis er eigenlijk uit zou moeten zien, eigenlijk bedoeld is. Jezus is dan een goed mens zoals er veel goede mensen zijn geweest, een voorbeeld zoals er veel voorbeelden zijn geweest. Het heeft enkele eeuwen geduurd voordat de Kerk onder worden had gebracht dat de Vader en de Zoon een in wezen zijn, de ene God zijn waarvan al in het Oude Testament, de Hebreeuwse Bijbel werd getuigd, maar dat Jezus van Nazareth tegelijk waarachtig God en waarachtig mens was.

 Toen men dat onder woorden had gebracht was de vraag waar nu die Heilige Geest vandaan komt. Enkele 10 tallen jaren waren nog nodig voordat men onder worden had gebracht dat de Geest uitgaat van de Vader en de Zoon en zo staat het sinds eeuwen in de geloofsbelijdenis van Nicea, die met de persoon van de Heilige Geest werd aangevuld op de synode van Calcedon. Die geloofsbelijdenis van Nicea wordt door de Kerk tot haar belijdenis gerekend.

 Maar wat heeft die kerkgeschiedenis en die ingewikkelde discussie nu met ons vandaag te maken? Dat we vanuit en met de Heilige Geest moeten proberen ons leven in te richten ligt voor de hand en dat we daarbij de mens Jezus van Nazareth als ons voorbeeld mogen kiezen is toch ook niet verkeerd? Maar losknippen van elkaar kan niet. Zoals de afzonderlijke tonen in een akkoord op het orgel nooit het akkoord zelf kunnen laten weerklinken kunnen we over God nooit spreken zonder het over Vader, Zoon en Heilige Geest te hebben. Dat onze God een drie-enig God is zegt ook dat onze God alle verstand te boven gaat, dat we van onze God als mensen geen voorstelling kunnen maken, zegt ook iets over de ontzagwekkende grootheid van onze God die ons tegelijkertijd zo nabij wil zijn.

 Wie het Oude Testament kent weet dat we God in de eerste plaats aan eigenschappen kennen. De lezing van vanmorgen uit Exodus brengt ons dat nog eens onder de aandacht. Mozes kent zijn God als liefdevol en genadig, geduldig, trouw en waarachtig, maar ook als een rechtvaardig God die misdaden niet ongestraft laat, de gevolgen van misdaden kun je soms terugvinden tot in het derde en vierde geslacht, maar misdaden die zijn bestraft en vergeven komen de kinderen tot in het duizendste geslacht ten goede.

 We weten ook uit het Oude Testament dat de God van Israël zich op verschillende manieren laat zien. Het gedeelte dat we vanmorgen lazen komt uit het verhaal over de sluiting van het verbond bij de Horeb. God had zich daar laten zien in storm en donder en bliksem op de top van de Berg, het volk was daar zo bang van geworden dat zij Mozes hadden gevraagd namens hen de berg op te gaan om de geboden van God te ontvangen. Mozes ontmoette daar een God die er heel anders uitzag, een stralende God, die straalde zo dat Mozes zijn eigen gezicht moest verbergen omdat die ook zo straalde dat het de mensen vlak bij hem verblindde. Het is het hoogtepunt uit het verhaal over de tocht door de woestijn. Daar had het volk de God van Israël gezien als een wolkkolom overdag en een vuurkolom in de nacht, heel andere soorten God als het ware. En als de profeet Elia vraagt om de Heer te mogen zien dan is God niet in de storm, niet in de donder, maar in het zacht suizen van de wind.

 Toch zijn al die verschillende vormen waarin God zich openbaarde uitdrukkelijk één en dezelfde God. Het leert ons ook dat God zich openbaart op de manier die mensen nodig hebben. Zo zal de God voor slaven een andere betekenis hebben dan voor rijken, slaven vragen een bevrijder, rijken vragen om een mee deler, een voorbeeld van hoe te delen van hun overvloed. Zo is God tegenwoordig ook anders voor vrouwen dan voor mannen, vrouwen hebben immers ook weet van de pijn die het kost om leven te schenken en hoeveel zorg het behoud van het leven met zich mee kan brengen, mannen zijn gewend om God te beschouwen als een van hen, een sterke en machtige God die de zwakken beschermt. En nog steeds hebben we het over dezelfde drie-enige God van Israël.

 Wij beschrijven de God van Israël ook graag met menselijke termen. In het Oude Testament is daar een begin mee gemaakt. God wordt daar ook gezien als een herder, die waakt over de kudde. God schrijft de namen van zijn kinderen in de palm van zijn hand is een prachtige uitdrukking uit de Psalmen, alsof de God van Israël handen en vingers heeft als een gewoon mens. We mogen van de Bijbel op die manier over God blijven spreken als we maar beseffen dat we dan spreken als dichters en dromers die eigenschappen van God onder worden proberen te brengen zoals Mozes dat deed toen hij de stenen platen kreeg.

 God heeft het ook gemakkelijk gemaakt over God te spreken als over een mens door zijn Zoon Jezus van Nazareth te zenden. Ook die benadrukte zijn eigenschappen als de weg, de waarheid en het leven, het licht van de wereld, bron van levend water. En in het beeld van de goede herder smelten de beelden uit het Oude en Nieuwe testament samen. De Heilige Geest zet ons vervolgens in beweging om Jezus van Nazareth na te volgen, zijn weg te gaan, en daarmee de wil van God te vervullen onze naaste lief te hebben als onszelf en daarmee onze God lief te hebben boven alles. De Heilige Geest maakt het ons mogelijk alles en iedereen daarin mee te nemen, tot aan de einden der aarde.

 Daarbij kunnen we er op vertrouwen dat God zich openbaart aan een ieder op de wijze die een ieder nodig heeft, zoals met Pinksteren aan ieder in zijn eigen taal. God heeft zich in zijn soevereine liefde veranderlijk gemaakt. Hij gaat samen met ons door een proces heen dat ook hem verrijkt, als Vader krijgt hij zonen en dochters, uit iedere streek en elke taal. En daarmee zijn we gekomen aan de lezing uit het nieuwe Testament van vanmorgen.

 Wat mij allereerst opviel zijn de twijfelaars. Of waren u die niet opgevallen? Twijfelaars hebben bij ons een negatieve klank. We houden meer van de zekerheden van het geloof. Maar twijfelaars zijn niet zo negatief. Zij weten ons voortdurend nieuwe vragen te stellen, vragen waarop we vaak het antwoord schuldig moeten blijven. Als de tijden veranderen weten we ook dat God, die met ons zal zijn tot aan het einde der dagen als de aarde voltooid zal zijn, zich steeds zo zal openbaren als wij Hem nodig hebben. Twijfelaars vragen daarnaar, blijven daarnaar op zoek. Twijfelaars hebben we dus nodig. Twijfelen is niet erg.

 In de tijd van Jezus van Nazareth, na zijn kruisiging, toen hij opnieuw verscheen aan zijn leerlingen, op de berg waar hij hen onderwezen had nota bene, waren er zelfs onder die leerlingen nog die twijfelden. Maar de opdracht blijft hetzelfde voor alle leerlingen van Jezus van Nazareth. Maak alle volken tot mijn leerlingen door hen te dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, en hen te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb. In de doopformule die Jezus hier hanteert en die op gezag van het verhaal van Mattheüs in alle christelijke gemeenschappen wordt gehanteerd, is het hele verhaal van Jezus van Nazareth samengevat.

 Er is één vader voor allen, God, want er staat geschreven dat wij allemaal kinderen van God genoemd kunnen worden. Jezus van Nazareth werd Zoon van God genoemd en door hem kunnen we de Vader zien, daarom kon hij zeggen dat hem alle macht gegeven is in de hemel en op aarde. De heilige Geest valt op allen die zijn Weg willen gaan, die mee willen doen in zijn verhaal.

  En daar komt het moeilijkste te geloven. Elke gelovige is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Daar moet je maar op durven vertrouwen. Dat kan als je voor ogen houdt dat Jezus met ons is al de dagen tot aan de voltooiing van de wereld. Vroeger stond hier “voleinding”, alsof het er om gaat dat het duurt tot het afgelopen zal zijn met de aarde, maar voltooiing is een betere vertaling. In het Grieks staat een woord dat omschreven kan worden met “tot het klaar is”. De aarde moet dus nog afgemaakt worden, die is nog niet klaar.

 In het lied van de Schepping uit Genesis 1 zag God naar de aarde en zag dat het goed was. Als wij naar de aarde kijken zien we dat het op de aarde in het geheel niet goed is. Aan ons dus om aan dat scheppingswerk deel te gaan nemen, God opnieuw als Schepper te belijden en te zorgen dat het op de aarde goed wordt. Dat de hemel op aarde kan wonen en dat, zoals het in het boek Openbaring staat, God zijn tenten op deze aarde kan spannen. Dat is natuurlijk een prachtig werk om aan mee te doen.

 En wanneer is het goed op de aarde? Jezus heeft het ons op de berg geleerd. Daar ging het om de vredestichters, om het voeden van de hongerigen, het kleden van de naakten, het lessen van de dorst van de dorstigen, het bezoeken van de gevangenen, het genezen van de zieken, het troosten van de bedroefden, het recht doen aan de ontrechten, het liefhebben van de naaste, zelfs van je vijanden, het delen van wat je hebt, als je er twee hebt geef dan een aan wie er geen heeft.

 Voor elk van die taken zijn ook in onze tijd talrijke voorbeelden aan te wijzen waarmee je aan de slag kunt. Straks in de collecte kunnen we weer oefenen in het samen delen met de armsten hier en ver weg. Maar vanuit elk huis in ons land, vanuit elk huis in de wereld, kan een hand naar hen worden uitgestoken. Overal is vrijwilligerswerk te doen voor zieken en gehandicapten, voor ouderen en voor kinderen, voor allochtonen en autochtonen. De Geest zet ons aan het werk, onze wereld herscheppen. Tot God ziet dat het goed is en de aarde voltooid zal zijn.

 Amen

Read Full Post »

Lezen: Ezechiël 39:21-29

            1 Petrus 4: 1-16

 

Gemeente

 

Het succes van de verspreiding van het geloof in Jezus van Nazareth heeft in de eerste eeuwen van onze jaartelling de mensen doen geloven dat het einde van de wereld nabij was. Als iedereen zou geloven dan zou het einde immers echt komen? Dat laatste blijft waar maar we zijn inmiddels tot de ontdekking gekomen dat het einde van de wereld nog ver weg is want het zal nog wel even duren voordat iedereen echt gaat geloven.

 

Ondertussen vragen steeds meer mensen zich af waar dan toch die God is waar al eeuwen over gesproken wordt. Zeker sinds mensen zijn volk, het volk dat die God volgens alle gelovigen had uitverkoren om te laten zien wie die God nu wel niet was vergast werd in de concentratiekampen van de Nazi’s.

Ook op wat wij noemen de Wezenzondag komen die vragen weer boven. Jezus van Nazareth had geleden, was opgestaan, was verschenen aan velen en toen opgevaren ten Hemel. Een verhaal dat in de Bijbel op allerlei manieren wordt verteld. Verhalen die onderling soms zo verschillen dat ze niet eens allemaal historisch waar kunnen zijn. Blijft in elk geval de conclusie dat die volgelingen van Jezus van Nazareth blijven zitten met de opdracht iedereen op de wereld te dopen en ook volgeling van Jezus van Nazareth te maken.

 

In onze dagen is dat verhaal de wereld wel rond gegaan. Je kunt niet zeggen dat het zonder gevolg is gebleven. In de geschiedenis heeft het veel mensen bevrijdt van onmenselijke omstandigheden maar evenzogoed veel mensen in bittere ellende gestort. Godsdienstoorlogen, gedwongen bekeringen, wrede straffen als verbranding op brandstapels alles hoort bij de uitvoering van dat bevel van Jezus van Nazareth.

 

En dan lezen we in het boek van Ezechiël, de profeet die met het volk Israël in ballingschap was gegaan. We horen dat Israël zelf schuldig was aan de ballingschap. Hoe zit dat? Was Israël zelf schuldig aan de concentratiekampen? Waren de slaven zelf schuldig aan de slavernij? Waren de protestanten zelf schuldig aan de brandstapels, de Joden zelf schuldig aan hun vervolging die hen vanaf de Middeleeuwen al heeft getroffen?

 

Ezechiël neemt zelf de schuld voor de ballingschap niet op zich. Hij verkondigd de terugkeer uit de ballingschap, de bevrijding van de slavernij zoals eens het volk uit het slavenhuis van Egypte bevrijdt wordt. Israël had zich afgewend van de God van Israël, het was de Thora vergeten, de roep om de naaste lief te hebben als jezelf. Israël had op eigen houtje bondgenootschappen gesloten met Heidense buurvolken en was oorlog gaan voeren met de grootmachten in de wereld. En wie de Thora vergeet of verwerpt, wie oorlog verkiest boven vrede, wordt schuldig aan de ballingschap.

 

Zo zijn de slavenhouders schuldig aan de slavernij, zo zijn de nazi’s schuldig aan de holocaust, zo zijn er mensen in ons volk schuldig aan vreemdelingenhaat, zo zijn oorlogshitsers schuldig aan oorlog en dictators schuldig aan onderdrukking en geweld.

 

De boodschap van Jezus van Nazareth gaat volgens de Evangelist Lucas over de bevrijding van de armen. Van onderdrukking en lijden komt opstanding uit de dood. Dat is wat Jezus van Nazareth ons voorgeleefd heeft en waarom iedereen een totale omkeer in het leven moet maken, door het water van de dood, het doopwater, naar het leven moet opstaan. Dat is vervulling van de Thora, het heb uw naaste lief als uzelf, zozeer lief dat voor geweld en onderdrukking geen plaats meer is.

 

Die boodschap moet volgens de eerste brief van Petrus zelfs aan de doden gebracht worden .

Nu zie je de dominee op zondag toch echt niet op het Kerkhof de preek houden. Zo’n dominee zou door de kerkenraad snel naar een psychiater worden verwezen. Een beroep op 1 Petrus 4 vers 6 zal die dominee niet helpen. De schrijver van deze brief moet dus iets anders bedoelen dan dat er ook op het kerkhof moet worden gepreekt op zondag. Het moderne begrip van comazuipen maakt ons misschien duidelijk waar het hier om gaat. De Statenvertaling en de Naardense Bijbel hebben het tenminste ook over wijnzuiperijen waar de Nieuwe Bijbelvertaling het heeft over bras- en slemppartijen. Letterlijk heeft de briefschrijver het over reddeloze vergieting, jezelf vergieten door je vol te gieten. Wie zich daaraan overgeeft is zichzelf niet langer.

 

Gelovigen weten best van drinken en feestvieren. Maar gelovigen hebben zoveel ontzag voor mensen dat ze zonder alcohol ook heel goed kunnen en zich er voor hoeden om hun eigen persoonlijkheid te verliezen. Voortdurend zijn ze immers gericht op het welzijn van anderen. Anderen zijn nooit voorwerpen waarmee je je eigen lust kunt bevredigen. En meedoen met feesten omdat het zo hoort, omdat je er een idool mee eert, een moderne afgod mee aanbidt is er al helemaal niet bij. Christenen worden daarom nogal eens uitgemaakt voor saaie pieten.

 

Dat hebben ze ook wel een beetje aan zichzelf te danken. Ze doen vaak net of ze niet mee mogen doen. Maar Paulus had al geschreven dat alles geoorloofd is. Het gaat er dan ook niet om dat ze niet mogen, maar dat ze niet willen. Zo gaan we immers niet met elkaar en met anderen om. Daar is niks saais aan, want samen genieten is ook voor christenen het hoogste goed. Wijn behoort zelfs bij de maaltijd die het hoogste is wat de christelijke gemeenschap kan bereiken, de maaltijd waarbij je alles deelt, tot jezelf toe. De wijn staat dan voor het levensvocht, voor het bloed dat bij alle levenden door de aderen stroomt. Van dat leven blijf je af zegt de Bijbel. Wijn kan je dus aansterken, bemoedigen, verwarmen, weer leven geven, maar wijn zal je nooit mogen bedwelmen, van het bewuste leven mogen beroven. Daarom kan de schrijver van de Petrusbrief zeggen dat ook aan doden de boodschap van bevrijding is verkondigd.

 

We mogen gerust uitkomen voor onze keuzes. We mogen in moderne termen altijd de Bob spelen, diegene in het gezelschap die er voor zorgt dat de anderen weer veilig thuis komen. Onze verantwoordelijkheid is voor het welzijn van de anderen. Waar die anderen verantwoordelijk voor zijn moeten ze zelf uitmaken. En let op, als je je op die manier verantwoord, zelf kiezen in plaats van moeten, dan zijn er steeds meer mensen die met je meedoen. En soms is dat hard nodig.

 

Voor ieder van ons als mens blijft het zo toch zaak om te doen alsof het einde der tijden nabij is. We leven immers maar kort en hebben dus relatief weinig tijd om mensen te winnen voor het Koninkrijk van God. Daarom blijft het verhaal van de Bijbel belangrijk ook al moeten we de vermaningen voor het einde der tijden niet al te letterlijk nemen voor onze tijd. Zo’n oproep om gastvrij voor elkaar te zijn bijvoorbeeld mag ons best weer eens aan het denken zetten.

 

Elke zomer zwermen veel Nederlanders uit over de wereld en elke herfst komen ze terug met verhalen over de enorme gastvrijheid die er in andere landen heerst. Zelfs binnen ons land zijn er verhalen over de grote verschillen in gastvrijheid tussen de verschillende provincies. Nu zal het gericht zijn op de verdienste uit toerisme wel mee een bron zijn van gastvrijheid maar toch is de een gemakkelijker in het ontvangen van vreemdelingen dan de ander. En juist in het ontvangen van vreemdelingen kan de gelovige zich onderscheiden van de ongelovige. Het ontvangen van de rijke vreemdeling uit een aan ons verwante cultuur is niet moeilijk, zeker niet als die vreemdeling een taal spreekt die we tenminste nog een klein beetje kunnen verstaan.

 

Maar de arme vreemdeling, uit een ander continent, met niet alleen een onverstaanbare taal maar ook een onbegrijpelijk geloof en een totaal onbekende cultuur en leefwijze. Die gastvrij weten te ontvangen, die recht weten te doen in je eigen samenleving, dat is pas getuigen van de macht van God. Want het gaat er immers volgens de passage uit de brief die we vandaag lezen om de gaven die we van God hebben gekregen te gebruiken om anderen te helpen. Dat helpen doen we uit de kracht die God ons geeft. Met die kracht geven we stem aan hen die stemloos zijn gemaakt, wier identiteit en papieren zijn afgepakt, die geen huis, geen onderwijs voor hun kinderen en geen gezondheidszorg meer hebben. Want Christenen die vreemdelingen helpen maken pas duidelijk wat de kracht van Christus eigenlijk is. Volgens de briefschrijver heeft Jezus immers alle macht op aarde. Wie zijn wij dan om te denken dat we ook macht hebben over anderen. Het enige dat we kunnen is onze hand uitsteken en helpen. Dan komt die wereld waarin iedereen gelooft in de macht van de Ene vanzelf, dan helpt iedereen de tranen te drogen en de honger te stillen. Dat wordt echt een dag van bevrijding van de armen.

 

De christelijke opdracht is altijd en onder alle omstandigheden het goede blijven doen. In de Tweede Wereldoorlog betekende dat onderduikadressen zoeken, bonnen zoeken, mensen beschermen. De mensen van de slaventrail, de organisatie die in de negentiende eeuw slaven in Noord Amerika hielp ontsnappen naar Canada, verstonden in dat handelen de opdracht van de Bijbel. Velen van hen waren Christenen, ze waren vaak niet zwart, maar blank en hielpen vanuit eigen overtuiging in de navolging van Christus. Ook zij liepen vaak gevaar voor hun eigen leven. Dat gold ook voor mensen die de Apartheid bestreden in Zuid-Afrika. De blanken onder hen verloren familie, vrienden en kennissen in de blanke maatschappij alleen omdat zij in anders gekleurde mensen hun broeders en zusters herkenden. Maar ook zij konden niet anders dan het goede te blijven doen en niet dan het goede.

 

In onze dagen lijkt het veel veiliger om het goede te doen. Maar zij die zich openlijk uitspreken voor samen leven en samen maaltijd houden met de vreemdelingen in ons land kunnen haatmails en geweld verwachten. Niet van een fanatieke religieuze minderheid maar van grote groepen Nederlanders die van delen nooit gehoord schijnen te hebben. De briefschrijver citeert een tekst uit het boek Spreuken, het elfde hoofdstuk vers 31, waar het gaat over de rechtvaardige die met moeite wordt gered en waar de schrijver van het boek zich afvraagt hoe het dan de goddeloze en de zondaar zal vergaan.

 

Die vraag moeten we in onze samenleving dus ook stellen als het gaat om die tallozen die zich afzetten tegen een samenleving waarin mensen van verschillende afkomst en overtuiging vreedzaam naast elkaar kunnen leven. Een samenleving waarin we bereid zijn te delen met de armsten in de wereld omdat die armsten onze broeders en zusters zijn. Die tallozen in ons land zal het Evangelie moeten worden voorgehouden. Niet door enkelingen maar door allen die in God geloven, niet af en toe maar onophoudelijk.

 

Juist in een land waar zovelen er trots op lijken te zijn dat ze “God in hun hart” hebben gesloten, of “Jezus in hun leven hebben toegelaten” wat dat dan ook zou mogen betekenen, mag je toch verwachten dat de roep om liefde tot de naaste onophoudelijk klinkt. Als mensen zeggen dat ze hun leven hebben toevertrouwd aan hun schepper waarom doen dan zo weinig mensen iets voor de vreemdelingen in ons land en tegen de vreemdelingenhaat? Waarom wachten wij met het bekeren van de mensen om ons heen tot de Weg van Jezus van Nazareth?

 

Het gaat niet aan om te wachten tot Jezus zal terugkeren. Hij heeft ons beloofd met ons te zijn al de dagen tot aan de voltooing van de wereld staat in het verhaal van Hemelvaart. Daarna volgt de opdracht om de wereld in te gaan. De wereld is dus nog niet voltooid, het is de chaos waarmee het verhaal in Genesis 1 is begonnen, toen zweefde de Geest Gods over de wateren, volgende week herdenken we dat die Geest op ons werd uitgestort. Aan ons om die schepping voort te zetten, om licht te laten schijnen, om de aarde groen en vruchtbaar te maken, om te zorgen voor al het leven, ook van de dieren, om vrede te brengen, om bedroefden te troosten, om hongerigen te voeden en blinden het gezicht te geven.

 

Wezenzondag is dus niet een treurzondag van ontredderde volgelingen. We mogen op deze zondag op eigen benen leren staan, zelf te gaan zien waar ons het werk wacht voor de naaste. Als we die opdracht op ons nemen en anderen daarin mee kunnen krijgen dan zal de aarde voltooid worden, aan het eind van de Bijbel wordt ons beloofd dat de aarde dan zo mooi zal zijn dat zelfs God op deze aarde zal willen wonen, dan zal de dood niet meer zijn en zal zelfs de zee haar doden teruggeven. Het werk wacht, aarzel dus niet maar vat aan.

 

 Amen

Read Full Post »