Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for mei, 2014

Lezen: Jesaja 41:17-20

1 Petrus 3:14-22

Gemeente

 

De Bijbel begint met chaos. De aarde nu was woest en ledig en de Geest van God zweefde over de wateren. Woest en ledig, wohoe ta bohoe in het Hebreeuws. In het boek Genesis volgt dan het lied van de Schepping, het was avond geweest en het was ochtend geweest de eerste dag en dat zes maal, dan zijn er mensen en rustte God en zag God dat het goed was. Maar is de Schepping dan voltooid? Is de chaos voorbij? Wie om zich heen kijkt in de wereld krijgt toch een ander idee.

 

We horen van oorlogen tussen landen en tussen groepen mensen in hetzelfde land. We zien de vluchtelingen in ons land opduiken en nog deze week hoorden we dat niemand weet waarom ineens al die mensen uit Eritrea naar ons land gekomen zijn, er is daar natuurlijk wel een dictatuur en de mensenrechten zijn er onbekend bij de machthebbers, van democratie is al helemaal geen sprake en het land is ook nog een arme woestijn. Maar veel is er niet over bekend, wij bekommeren ons niet echt om landen als Eritrea, wij hebben bezuinigd op ontwikkelingssamenwerking en helpen alleen landen waarmee we handel kunnen drijven.

 

Dat betekent dat dit soort rampen ons plotseling kunnen overkomen. Ineens slaan er tientallen bootjes om op de Middellandse zee en verdrinken er honderden mensen. De machten en krachten in deze wereld trekken zich van gewone mensen niks aan, gewone mensen zijn een speelbal voor de machten en krachten in deze wereld. Arme mensen vergaan van de dorst en of ze te drinken krijgen moeten ze maar afwachten. Daar begint de lezing uit het boek Jesaja vanmorgen mee. Het volk Israël hoorde bij die arme mensen, ze waren immers door de machtige volken van de wereld in ballingschap gevoerd, speelbal geworden van de machten en krachten in de wereld.

 

Zoals dat volk van Israël tussen de volken, kunnen gewone mensen zich ook wel eens voelen. Opgenomen in een massa, maar toch alleen, overgeleverd aan machten die je niet kunt sturen en die onverwacht jou in een greep nemen. De mensen die in ballingschap waren geweest, wier ouders onverwacht werden weggevoerd uit het beloofde land, voelden zich ook zo. Plotseling mochten ze van de nieuwe koning Cyrus terug naar dat land waar altijd alleen van gedroomd was. Maar waren ze daar wel welkom, en zouden andere volken niet jaloers worden en hun vestiging willen verhinderen? Vragen die gezien de politieke en maatschappelijke situatie van de tijd op het einde van de ballingschap zeker reëel waren.

 

Net zoals onze vragen over de toekomst van onze werkgelegenheid. Het zal met de economie vast wel weer  beter gaan. Maar waar moet je je nu voor herscholen? Welke schoolkeuzes maak je voor je kinderen? En worden aan de top van de banken en bedrijven niet weer dezelfde soort mensen benoemd die straks dezelfde soort fouten gaan maken? Wij hebben er niets bij in te brengen en worden er ook niet over geraadpleegd.

 

De profeet had mooi praten, God zou wel helpen, zelfs een scherpe dorssnede van het volk maken zodat van al die machtige volken het kaf van het koren gescheiden kon worden. Machtigen groot als bergen zouden dan vermalen kunnen worden. Bij ons lijkt het er nog niet echt op. Wij voelen ons eerder als die armen en behoeftigen die water zoeken maar niets vinden, als het gaat om invloed op de gang van zaken verdrogen onze tongen van dorst.

 

Toch is het recept van de profeet misschien zo gek nog niet. Hij heeft het immers over de God van Israël. En als die God het volk oproept dan gaat het altijd om het vervullen van de Thora, van  je naaste lief hebben als jezelf. Dan gaat de boer weer ploegen, dan wordt er weer gezaaid en gaat het vee het veld in dan worden er weer bomen geplant, mirte en olijf, dan bloeien bij ons de klaprozen. Als we daar de gewone mensen uit onze omgeving rond zouden kunnen organiseren. Dan kunnen we de nieuw benoemde leiders van banken en bedrijven aanspreken op de zorg die ze hebben voor de armen en behoeftigen.

 

Wie durft een bank aan te spreken en te vragen hoeveel kredietaanvragen van bedrijven er zijn afgewezen en hoeveel mensen er werkloos door zijn geworden? Zelfs journalisten stellen dezer dagen die vraag niet meer aan bankbestuurders. Het gaat er ook bij ons om dat in onze economische woestijn weer bloeiende planten zullen verschijnen. Dat kan alleen als we bereid zijn schouder aan schouder te gaan staan en alles voor elkaar over te hebben, over de hele wereld. Maar daar kunnen we klein mee beginnen, bij onze eigen bank, in onze eigen straat, werk en kerk, misschien zelfs vandaag nog.

 

De oorlog en het lijden in de wereld, die de wereld maken tot een plaats van verwarring en chaos, brengen ook ons vaak in verwarring. Als we het goede willen doen en niet dan het goede, wat is dan het goede en hoe weten we dat? Ons eigen lot maakt ons niet uit, zelfs al zouden we zelf moeten lijden dan weten we dat we de gerechtigheid nastreven. Maar de oorlog is er niet verder door weg en het lijden van de mensen is er niet minder op geworden.

In de lezing uit de eerste brief van Petrus in de Nieuwe Bijbelvertaling staat dan de opwekking niet bang te zijn voor de mensen. Een vertaling in hedendaags Nederlands die we snappen. Maar de Naardense Bijbel geeft wat beter weer wat er bedoeld wordt : “Vreest niet wat zij te vrezen geven”. Dat oorlog niet minder wordt en dat lijden niet ophoudt is iets wat men ons voortdurend voorhoud. Bijna iedereen in Nederland gelooft inmiddels dat het nooit vrede op aarde zal worden. En dat betekent eigenlijk dat men het geloof in de God van Israël en in de boodschap van Jezus van Nazareth heeft opgegeven.

Want als Christus, de Bevrijder, de Heer van de wereld is, dan komt er onherroepelijk een tijd dat het overal vrede is en dat alle tranen gedroogd zullen zijn. Dat is het Evangelie van de bevrijding van de armen dat we mogen verkondigen en waarin alle mensen van de wereld mogen gaan geloven. De hoop op een betere wereld die daardoor in ons leeft kunnen we verantwoorden.

Ook rationeel, als je nadenkt over de wereld, dan is vrede en het uitbannen van lijden de enige optie die er is in het leven, niemand wil immers dat anderen blijven lijden. Als je dat wil dan vinden we je toch al heel snel ziek en gestoord. Christenen worden nog al eens bespot om hun zachtmoedigheid, om hun onophoudelijk roepen om vrede en vasthouden aan rechtvaardigheid voor de armsten. Maar wie nadenkt over de wereld, het leven en de mensen zal moeten toegeven dat er een betere wereld is als we alle mensen respecteren en tot hun recht laten komen. Die wereld tot stand brengen is een goddelijke daad, een daad van goddelijke schepping. De Bijbel vertelt ons dat God die wereld zo zal voltooien en roept ons op daaraan mee te doen.

Daarom is het goede te doen en niet dan het goede dat wat ons te doen staat, of we geloven in God of niet. Daarbij hebben we natuurlijk het voorbeeld van Jezus van Nazareth. Die zichzelf opofferde om een bloedige opstand van zijn volk te voorkomen. Daarbij mogen we vertrouwen op de hulp van onze God, die ons het verhaal van de wording van Israël heeft gegeven en het voorbeeld van zijn Zoon.

Pas veertig jaar na Jezus van Nazareth liet men zich toch verleiden tot die gewelddadige opstand tegen de Romeinen en werd daardoor zelfs de Tempel in Jeruzalem verwoest. Dat de schrijver van deze brief de lezers oproept tot zachtmoedigheid en vasthouden aan dat voorbeeld is dus niet verwonderlijk.

Maar dat geldt ook voor ons. De gewoonte onder de volken is om kwaad met kwaad te vergelden. Maar wapens en soldaten sturen daar waar voedsel en gerechtigheid worden gevraagd roept voortdurend nieuw geweld op. We weten dat er geen vloed meer zal komen die alle mensen zal wegvagen zoals in de dagen van Noach. Voor ons maakt het dus niet meer uit hoe lang het duurt voordat iedereen in de wereld het voorbeeld van Jezus van Nazareth volgt, zolang we er zelf maar mee bezig zijn en anderen mee nemen om er ook mee aan de slag te gaan.

Want ook wij weten van de belofte van de God van Israël met ons te zijn, komende week wordt de hemelvaartsdag gevierd en dan zal de belofte van Jezus van Nazareth weer klinken: zie ik zal bij u zijn al de dagen tot aan de voleinding van de wereld.

Want uiteindelijk zal de schepping klaar zijn. Aan ons om daarmee aan de slag te gaan. Nog twee weken en het is Pinksteren dan vieren we dat we bekleed zijn met God, dat we mogen danken voor het uitstorten van de Heilige Geest. In onze nacht, onze duistere wereld, onze wohoe ta bohoe is een steekvlam ontstoken, een lichtend licht is opgegaan, een vriend een spoor van licht. Vanuit de hoop op die voltooing, voleinding van de wereld mogen wij leven, dag en nacht, dag in dag uit, van de avond tot de morgen elke dag opnieuw.

Want ooit is de aarde een paradijs voor de mensen van God, dan is de aarde zo mooi geworden dat God zelf zijn tenten op deze aarde zal willen spannen. Dan zal de dood niet meer heersen, dan zal zelfs de zee haar doden teruggeven. Tot die dag komt zullen we aan het werk moeten, aarzel dus niet langer en vat aan, het werk wacht.

Amen

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: Deuteronomium 6: 20-25

            1 Petrus 3: 1-13

Gemeente,

Een van de meest ingewikkelde onderwerpen voor ons Heidenen is het vraagstuk van Wet en Evangelie, Wet en genade. Luther en Calvijn hadden het er moeilijk mee en Karl Barth weidde er in de vorige eeuw een heel uitgebreide studie aan. Hij draaide het schema om en sprak van Evangelie en Wet, eerst de genade en dan de Wet. Het volk Israël was immers eerst bevrijd uit de slavernij in Egypte en kreeg toen op weg naar het beloofde land de Wet.

Maar dat neemt niet weg dat voor gewone gelovigen de Wet  een slechte naam heeft gekregen en we het graag bij het Evangelie van de bevrijding houden. Die slechte naam is al begonnen bij de manier waarop de brieven van Paulus werden uitgelegd. Het leek er op dat hij de mensen van de Wet plaatste tegenover de mensen van de Weg, de eerste groep waren de Joden die iedereen de Joodse Wet wilden opleggen en de tweede groep de Christenen die in liefde met elkaar wilde leven. Zo heeft men het ons doen geloven. Maar zo zit het niet helemaal in de Bijbel.

Er is een Heidense opvatting over de wetten die een samenleving nodig heeft die zowel door Joden als door Romeinen kan worden gevolgd. Onze eigen Nederlandse rechtssysteem is op dit zogenaamde Romeinse Recht gebaseerd. In die opvatting geld een wet altijd onder alle omstandigheden voor iedereen gelijk. Onafhankelijke rechters beoordelen de manier waarop die Wet door de burgers is nageleefd, zijn bepalen de omstandigheden en maken uit in hoeverre elk wetsartikel van toepassing was en of er overtredingen waren. De Wet is daarbij het uitgangspunt en iedereen wordt geacht de Wet te kennen.

Vandaag lezen we gedeelten uit de Bijbel die gemakkelijk tot misverstanden kunnen leiden. Uit de manier waarop de Nieuwe Bijbelvertaling  bijvoorbeeld het stuk uit het boek Deuteronomium vertaalt zou je de indruk kunnen krijgen dat er sprake is van een soort van voor wat hoort wat. Als wij nu maar die wetten houden dan krijgen we daarvoor in ruil dat het goed gaat.

Maar het sleutelwoord in dit Bijbelgedeelte is het leven. In de Nieuwe Bijbelvertaling staat “zou hij ons het leven sparen”, vanaf de Statenvertaling werd vertaald: “om ons in het leven te behouden”. Ook in die vertaalkeuzes wordt de indruk van een voor wat hoort wat gewekt. Als wij die geboden niet houden dan zal God ons doden. De Naardense Bijbel vertaalt het Hebreeuws wat nauwkeuriger en daar staat: “om ons te doen leven” en dat geeft de bedoeling van dit Bijbelstuk beter weer.

Als onze kinderen vragen waarom we niet in de eerste plaats voor onszelf zouden moeten zorgen maar onze naaste lief moeten hebben als onszelf dan is het antwoord dat we daardoor meer gaan leven. Niet God brengt, als een soort wraak, de dood als we de geboden niet houden, maar het niet leven volgens de geboden is in zichzelf een dodelijke en dodende zaak. Het is als het ware zelfmoord om het anders te doen.

We lezen niet voor niets over de uittocht uit de slavernij en de tocht door de woestijn. Beide situaties waren levensbedreigend. Zonder de bevrijding en zonder de Wetten die daar werden ontdekt zou er geen volk meer zijn, zou het volk zijn uitgestorven. Pas als de mensen onvoorwaardelijk op elkaar kunnen rekenen en bereid zijn alles wat ze hebben met elkaar te delen dan pas is overleven en is echt leven mogelijk. Dat alles voor elkaar over hebben en op elkaar kunnen rekenen begint niet bij de ander maar begint bij onszelf. Voor onszelf begint daarmee het echte leven.

Wij zijn zo gewend aan de Heidense opvatting van het begrip Wet dat er tegenwoordig wel wordt gepleit om bij het lezen van de Bijbel het niet meer te hebben over Wet maar het Hebreeuwse woord Torah maar onvertaald te laten. Daar horen immers ook verhalen bij en niet alleen de regels die in de eerste vijf boeken van de Bijbel staan. Die Torah begint ook met de Schepping en de wording van Israël en de wording van Israël is een onlosmakelijk gegeven van de manier van leven, de manier van volk zijn die in de Torah wordt beschreven. Hier kun je nalezen hoe God had gewild dat op de aarde zich een menselijke samenleving zou kunnen vestigen, een samenleving van vrede en gerechtigheid waar iedereen zou kunnen meedoen.

In het Nieuwe Testament heeft vooral Paulus zich heftig verzet tegen de voor wat hoort wat benadering van de Wetten van de Woestijn. Dat was een benadering van de wetten van een volk zoals die bij elk heidens volk voorkomt. Vooral de Romeinen waren heel goed in het op die manier toepassen van de wetgeving. Voor dat soort wetsopvatting zijn Christenen dood, zij kiezen de vrijheid van het leven. De vrijheid om het goede te doen en niet dan het goede. Bij God is immers niet anders dan het goede. De Wetten van God brengen daarom niet anders dan het goede.

En de kern van die wetgeving is het je naaste lief hebben als jezelf. Dat brengt ook pas echt gerechtigheid voort. Geen gerechtigheid zonder aanziens des persoons, waarin het recht een blinddoek voor heeft, maar gerechtigheid die mensen tot hun recht laat komen. Er staat in dit Bijbelgedeelte uit Deuteronomium dat je de geboden moet naleven voor het oog van de God van Israël, in de Naardense Bijbel wordt vertaald met voor het aanschijn van God. Over de manier waarop je de geboden nakomt moet je dus kennelijk het licht van God laten schijnen. En het licht van onze God is de Liefde.

Daarmee worden die geboden niet een dorre plicht die je de vrijheid beneemt maar het worden wegwijzers op de Weg naar de ideale samenleving, de samenleving waar geen honger en verdriet meer zal zijn, waar de dood is overwonnen en waar iedereen aan mee kan doen. De Torah zet ons dus in beweging, als we om ons heen kijken zien we dat die ideale samenleving van God er nog niet is en dat we dus aan het werk moeten om te zorgen dat die ideale samenleving er komt.

Ook de lezing uit de eerste brief van Petrus is een geweldige bron van misverstanden. Vrouwen erken het gezag van uw man Dan zijn wij mannen uitgesproken en kunnen we naar huis, Christelijke vrouwen erkennen het gezag van hun man, mannen dus de borst vooruit en laat je gezag gelden. Maar dat staat helemaal niet in dit gedeelte van de brief van Petrus. Er staat heel wat anders, er staat eigenlijk het tegendeel.

Het gaat in de eerste plaats niet om vrouwen van christelijke mannen zo blijkt uit de tekst. Maar het is een truc om ongelovige mannen tot geloof in de Wet van Jezus van Nazareth te brengen zonder dat de vrouwen daar iets over hoeven te zeggen. Hier gaat het er om door het goede te doen onwetende dwazen de mond te snoeren, ja zelfs tot geloof te brengen. Daar ging het in het gedeelte dat hiervoor staat over.

Het gaat hier dus om een strategie en niet om een gebod. Die strategie past in de cultuur waarin ook de brief werd geschreven. Het gaat om het goede te doen zonder angst en vrees. Daarmee alleen al maakt de briefschrijver vrouwen onafhankelijk van hun mannen. Het is hun beslissing hoe zich te gedragen. Als ze geloven in de boodschap van de bevrijding van de armen willen ze niets liever dan dat ook hun mannen daarin gaan geloven. Hoe meer mensen gaan houden van hun naaste als van zichzelf hoe beter. En om dat als echtpaar samen te kunnen doen is pas echt een vreugde die je in een relatie kan genieten.

Daarom besluit dit gedeelte met een vermaning aan de mannen, de mannen die dus al wel geloven. Vrouwen hebben nu eenmaal in menige samenleving een zwakkere positie dan mannen. Dat was ongetwijfeld in de tijd van de briefschrijver ook zo. Dat mannen en vrouwen samen delen in wat genoemd wordt de genade van het nieuwe leven is dan ook een bijzondere opmerking. In dat nieuwe leven immers is het onderscheid tussen man en vrouw, tussen slaaf en vrije, tussen hoog en laag weggevallen. Daar gaat het er om de hand uit te steken naar de minste en die als broeder en zuster te behandelen en te doen behandelen door de rest van de samenleving. Als je daaraan werkt kun je daarom ook vragen. Als dus aan vrouwen het advies klinkt het gezag van de man te erkennen mag dat nooit als bewijs aangevoerd worden dat vrouwen en mannen andere posities in het huwelijk of in de samenleving behoren in te nemen.

Samen delen ze in het nieuwe leven en samen moeten ze daar dus ook vorm aangeven. Mannen die verstandig omgaan met de vrouw waarmee ze getrouwd zijn, niet hun vrouw want zij is niet hun eigendom, zorgen dat ze carrière kan maken als ze daar de capaciteit voor heeft, dat ze in de gemeenteraad, de provinciale staten of de Tweede Kamer gekozen kan worden als ze daar de capaciteit voor heeft. Mannen, die dat tegenhouden en vrouwen veroordelen tot het huishouden en zelf voor dat huishouden geen verantwoordelijkheid nemen, weigeren te delen met hun vrouw in het nieuwe leven waar deze brief over schrijft, handelen als de Heidenen uit de dagen dat de brief werd geschreven.

In de dagen toen senatoren, Keizers en gouverneurs, toen de machtigsten onder hen zich tot goden verhieven. Daardoor werden ze door de briefschrijver onwetende dwazen genoemd en zo mogen wij ook vandaag deze mannenbroeders aanspreken. Wij, zowel vrouwen als mannen hebben dus kennelijk de plicht de onwetende dwazen daarop aan te spreken.

De Wet van de Bijbel is dus geen Wet waar iedereen zich ongeacht wie die is altijd onder alle omstandigheden op dezelfde manier aan moet houden. De Torah brengt een geschiedenis op gang, een wordingsgeschiedenis, de wording van de menselijke samenleving, de samenleving die uiteindelijk zo mooi wordt dat God zijn tenten op deze aarde zal willen spannen. In de Bijbel gaat het om een levenshouding. Wij vragen ons wel eens af wat de zin van ons leven is, de mens is immers als gras dat opkomt en verdort, een bloem in het veld die bloeit maar uitgebloeid vergaat en waarvan men niet meer weet waar die stond.

De zin van het leven is voor iedereen een vruchtbare aarde te scheppen, deelnemen aan de schepping van de schepper van Hemel en Aarde, de schepping van God zelf. Dat mag elke dag weer, dat is de genade die God ons schenkt, en ook al hebben we er lang niet aan meegedaan, het mag iedere keer opnieuw, dat is genade, zo wordt ons vergeving geschonken, het goede wordt ons gedaan zoals wij het goede aan anderen doen. Aarzel dus niet langer, het werk aan de schepping wacht, vat het aan.

Amen.

Read Full Post »

Lezen: Jesaja 43:1-12

             1 Petrus 2: 1-10

 

Gemeente,

 

Het is niet gemakkelijk vandaag het gedeelte uit het boek van de profeet Jesaja te lezen zonder te denken aan de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog. Die God van Israël had gemakkelijk spreken dat hij het had veroorzaakt dat de Heidense vorst Cyrus de Joden toestemming had gegeven, zelfs had bevolen, om terug te keren naar hun land en daar de Tempel weer op te bouwen. Natuurlijk waren die mensen blij geweest dat ze zich aan de godsdienst van hun voorvaderen hadden gehouden ook al woonden ze in een totaal andere cultuur. Nu kwam het goed uit dat ze Joden waren gebleven want zij die waren afgevallen hoorden er niet meer bij.

 

Maar waar was die God in de Tweede Wereldoorlog toen zijn volk vergast werd in de concentratiekampen? Toen de meest gruwelijke verschrikkingen over hen werden uitgestort? Had die God maar zo weinig macht dat slechts enkelen zich met succes konden verzetten en weinigen konden redden? Of moeten we zeggen dat de God van Israël net zoveel macht heeft als er volgelingen zijn en dat we zeker uit het boek van de Profeet Jesaja kunnen leren dat God er zal zijn als wij er maar op vertrouwen. Als alle ballingen waren opgegaan in de nieuwe cultuur waarheen ze waren gebracht dan had Cyrus tevergeefs het bevel gegeven om de Tempel te herbouwen.

 

En toen zogenaamde christenen in West Europa zich liever aanpasten aan de eisen van de Heidense nazi’s dan hun leven in de waagschaal te stellen voor het Joodse Volk was er na die verschrikking nog maar weinig van dat Joodse volk over. Erger nog, tot op de dag van  vandaag is de angst voor de holocaust zo verschrikkelijk groot en het wantrouwen in het Christelijke Westen zo groot dat Israël nog steeds niet in vrede durft te gaan leven met een Palestijnse staat. De uitspraken in het boek van de profeet Jesaja dat men niet bang hoeft te zijn, dat de mensen van God zelf zijn en dat God zal instaan voor hun toekomst, zijn dan ook bedoeld om het bange en onzekere volk moed in te spreken en ze zijn net zo op hun plaats aan het eind van de ballingschap als nu in de dagen van een mogelijke vrede tussen Israël en Palestina.  Voorwaarde is natuurlijk wel dat wij in onze eigen samenleving een weg vinden om in vrede te leven met anders gelovigen.

 

Ook hier in onze samenleving is het “Vreest niet” op haar plaats. Ook hier zullen de laffe angsthazen niet de overhand mogen krijgen. Ons angst aanpraten voor de Islam mogen we ons niet laten gebeuren. Oorlog en geweld zullen ons loon zijn als we dat toestaan. Ook wij mogen er op vertrouwen dat God bij ons zal zijn als wij onze naasten liefhebben als onszelf.

 

Maar waar ben je dan getuige van? Of beter gezegd, voor wie moet je getuigen? Zeker een vraag als er van je gezegd wordt dat je wel ogen hebt maar niets ziet en dat je wel oren hebt maar niets hoort. Ook hier voert het boek van de Profeet Jesaja het spel op van het rechtsgeding. Een beeld dat vaak gebruik wordt om verhoudingen duidelijk te maken. Nu zijn het niet de niet bestaande goden die verantwoording moeten afleggen maar het zijn de volken van de wereld die mogen zeggen of ze wel of niet dezelfde beloften hebben gekregen van hun goden als de beloften die Israël van haar God heeft gekregen.

 

De goden van de wereld beloven vruchtbaarheid, voorspoed en rijkdom. Daarvoor moet je alles opofferen en dan maar afwachten of ze er zin in hebben. De God van Israël belooft bevrijding en daarvoor hoef je niet te offeren maar daarvoor moet je van je naaste houden als van jezelf, bereid zijn alles te delen. Ogenschijnlijk gaat het sommige volken in de wereld voor de wind. Maar de val van Babel, de verovering door Cyrus, had het volk geleerd dat die voorspoed niet blijvend is. Het bevel van Cyrus om terug te gaan naar Jeruzalem en daar de Tempel voor God weer in ere te herstellen bewijst dat de belofte van de God van Israël wel blijvend is.

 

Ze waren ooit al eens gered uit de slavernij in Egypte en wie nu had volgehouden in de dienst aan God, het houden van je naaste als van jezelf, kon nu getuige zijn van de nieuwe bevrijding. Die God is van de armen, voor de armen, en keer op keer zal die God de armen redden. Dat is wat de profeet hier schrijft en God zelf laat zeggen. Al die pessimisten die zeggen dat ontwikkelingshulp niet werkt hebben dus ongelijk. Juist door de scholing en de verbeterde medische hulp in de armste landen in de wereld is er een generatie opgegroeid die zich kan meten op de wereldmarkten met de westerse producenten. We moeten alleen bereid zijn om eerlijke handelsvoorwaarden te scheppen, oneerlijke muren rond onze markten te slopen anders is het niet God die de armsten in de steek laat maar zijn wij het zelf die hen onderdrukken en in de slavernij van de armoede houden.

 

Net zoals onze ongebreidelde consumptiedrift en koopdwang de onverantwoorde leningen hebben opdrongen waarmee de armen onder ons worden verleid mee te doen. Dat het ze in ellende stort maakt dan niet uit.  De belofte van God vervuld zien betekent dus dat we onze oren open moeten doen voor zijn verhaal over de zorg voor de minsten en onze ogen voor de feilen in onze eigen samenleving. Dan zal de God van Israël ons voorgaan naar een land waar geen honger wordt geleden, waar het vrede is en mensen samen kunnen leven. 

 

We kunnen de Holocaust dan ook niet toedichten aan  de God van Israël, we kunnen de God van Israël ook niet verwijtende Holocaust te hebben toegelaten. De moord op Joden, Zigeuners, Homo’s en gehandicapten was een plan gemaakt door mensen. Mensen die zich het recht hadden toegeëigend zelf wel uit te maken wanneer de aarde goed zou zijn. De wereld was van hen, hun leider maakte uit wat goed en wat slecht was. Dat de mens de aarde in bruikleen heeft van de Schepper van hemel en aarde werd ontkent. In het deel van de Duitse Kerk dat het nazisme wilde volgen werd dan ook voorgesteld de Hebreeuwse Bijbel uit de Kerk te verbannen. Zover is het nooit gekomen, uiteindelijk is wat wij het Nieuwe Testament noemen de uitleg van de Hebreeuwse Bijbel voor ons Heidenen.

 

In de tijd dat de eerste brief van Petrus geschreven werd, de brief waaruit we vanmorgen ook hebben gelezen, was het nog steeds wennen voor de nieuwe gelovigen in de Weg van Jezus van Nazareth. Alle religies hadden tempels, de een nog mooier dan de ander. Ze hadden ook priesters, mooi gekleed, speciaal gekapt en in elk geval binnen hun gemeenschap machtig en belangrijk. Die mensen van de Weg, ook wel Christenen genoemd, hadden dat allemaal niet. Ze kwamen bij elkaar in een huis.

 

Over die Petrus werd verteld dat het een eenvoudig visserman was uit Galilea, een uithoek in het Romeinse rijk,  maar die Petrus was niet de baas van de beweging. Ze hadden alleen hun God als Heer. Iedereen was een stukje van de Tempel schreef Petrus en iedereen was een Priester, samen vormden ze een koninkrijk van Priesters. Ieder van hen was geroepen om de bevrijding van de armen te verkondigen. Dat hoefde niet in een apart gestelde zogenaamd gewijde ruimte maar dat kon overal. In de stad, in de kroeg, op het land en in elk huis dat je tegenkwam.

 

Alles wat zich uitnemender acht dan een ander is slecht. Alle moeite om meer te krijgen en rijker te worden is verspilde moeite. Bedrog, huichelarij, afgunst, kwaadsprekerij, je hebt het allemaal niet meer nodig. Houden van je naaste als van jezelf dat is het woord waar het om draait en daarvan moet je meer en meer leren, daar moet je in zien te groeien. Dat allemaal door een rabbi uit Palestina die een slavendood stierf. Onbeduidender en meer verworpen door mensen kan bijna niet.

 

Maar door die Jezus van Nazareth ging iedereen er in geloven dat het zou kunnen, hij werd de hoeksteen waarop de nieuwe gemeenschap kwam te rusten. Juist zijn Wet, die immers in Sion werd bewaard, werd de wet van de nieuwe gemeenschap. Niet het streven naar winst en profijt, niet het eerst om jezelf denken en dan aan de ander, niet de trots op een land, een taal, een vlag, maar de liefde tot de naaste maakt het voortaan uit in het leven. En dan wordt je ineens een volk. Die nieuwe gelovigen zullen soms hun ogen uitgewreven hebben. Romeinen en Grieken, Joden en Arabieren, Slaven en vrijen, mannen en vrouwen, mensen van alle slag en alle afkomst. Die vormden van oorsprong niet één volk al woonden ze in één rijk.

 

Maar nu waren ze Gods volk en hoorden ze bij het Koninkrijk van God. Eerst keek niemand naar ze om, in het Romeinse Rijk telde een leven meer of minder niet, nu zorgden ze voor elkaar als broeders en zusters en telde elk mens evenzeer in de nieuwe gemeenschap. Als je dat ervaart en op je in laat werken dan zie je dat je van duisternis naar het licht gekomen bent. Van de duisternis van angst voor vreemdelingen, vreemde goden en vreemde godsdiensten naar het licht van de bevrijding van de angst en een leven met broeders en zusters. We zouden er vandaag nog mee opnieuw kunnen beginnen.

De eerste brief van Petrus spreekt de gelovigen ook aan als vreemdelingen. De mensen van de Weg doen niet als de Heidenen. Dat maakte dat al voor de oorlog gelovigen in ons land door hadden dat de veroordeling van mensen om hun geloof, om hun afkomst of om hun geaardheid fout zou moeten zijn. Wij vormen toch juist met mensen van verschillende afkomst, opgevoed in heel verschillende geloven, met heel verschillende sociale posities een gemeenschap, een gemeente, de gemeente van Jezus de Bevrijder, de Christus in het Grieks. Dat vreemdelingschap van Christenen moet ons ook vandaag waakzaam maken tegen oproepen mensen te veroordelen om hun geloof of hun afkomst. Nog een aantal weken en we lezen in het Pinksterverhaal weer over de Parten en de Elamieten en al die andere mensen van volken met namen die menig lector in de kerk tot stamelen brengt. Zij allen lieten zich massaal dopen. Ze vormden gemeenschappen waar alles gedeeld werd.

 

Vandaag herdenken wij alle mensen die slachtoffer geworden zijn van de Heidense drang tot zelfverheerlijking. Heel veel verzetsmensen hebben ook na de oorlog geweigerd zich voor te laten staan op hun verzetswerk. Ik heb in Alkmaar voor de lokale radio een aantal jaren geleden een aantal oud verzetsmensen mogen interviewen. Allemaal zeiden ze dat hun werk niet zo bijzonder was, ze konden niet anders, het was vanzelfsprekend de vervolgden te hulp te komen en te blijven strijden voor de vrijheid te mogen geloven wat men wilde geloven en te zeggen wat men wilde zeggen. De hoogste erkenning vonden ze in mensen die in de samenleving hetzelfde deden, zich verzetten tegen haatzaaien, zich verzetten tegen oorlog en geweld, zich verzetten tegen armoede en onderdrukking.

 

Voor ons is die houding niet vanzelfsprekend. Elke week hebben we het weer nodig dat verhaal uit de Bijbel te horen en te luisteren naar de roep van de God van Israël samen een volk van Priesters te vormen die een geestelijke Tempel onderhouden. In het boek Deuteronomium staat de oproep om in de Tempel een maaltijd te houden met de familie, met de levieten die recht spraken in je dorp, met je knechten en dienstmeiden, met je slaven en slavinnen en met de vreemdelingen die in je dorp woonden. Die oproep is er ook voor ons. In plaats van scheiding aan te brengen tussen de een en de ander in onze samenleving zullen we het samen moeten doen. Van die scheiding zijn miljoenen het slachtoffer geworden, voor het volgen van die oproep hebben duizenden hun leven gegeven.

 

Aan ons om te zorgen dat het nooit meer gebeuren kan, dat de aarde zo mooi wordt, zoveel vrede bevat, dat ooit God zelf zijn tenten op deze aarde zal willen spannen. Die dag komt, het werk wacht, aarzel dan niet en vat het aan.

 

Amen

Read Full Post »