Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for maart, 2014

Lezen: Psalm 110
            Matteüs 22: 41-46

Gemeente

 

De lezingen in de zondagen van de veertigdagentijd kennen een volgorde van lezingen die we niet zo gewend zijn. De commissie die het rooster maakt wil niet dat er jaar in jaar uit over dezelfde teksten op dezelfde zondag gepreekt moet worden. Daar is wel wat voor te zeggen. Maar de lezingen van het rooster hangen ook met elkaar samen en dus moeten we iedere keer vaststellen waar we op de betreffende zondag in het verhaal dat ons naar Pasen brengt zijn.

 

Dat verhaal begon dit jaar met het verhaal zoals Matteüs dat vertelt over de intocht in Jeruzalem, een verhaal dat we anders lezen op de zondag voor Pasen. Matteüs gaat in dat verhaal vrij snel naar het verhaal waarin verteld wordt hoe Jezus van Nazareth allen die kochten en verkochten uit de voorhof van de Tempel verdreef en daar zieken en gehandicapten ging genezen. De zieken en gehandicapten staan hier tegenover de duiven en de tafels van de geldwisselaars.

 

Het vervolg van het verhaal van Matteüs is een voortdurende discussie tussen de Farizeeën en schriftgeleerden en Jezus van Nazareth. Dat onder een steeds sterker voelbare spanning dat die Farizeeën en Schriftgeleerden, in Jeruzalem de religieuze leiders van het volk, eigenlijk van die Jezus van Nazareth afwilden. Als hij niet anders wilde gaan optreden dan moest hij maar dood.

En of je iemand dood kunt maken hangt af van het oordeel dat je over iemand hebt geveld. Is iemand een gevaar voor de samenleving, gaat die doden en slachtoffers eisen of juist niet. En wie is die Jezus van Nazareth dan wel? Kinderen in de Tempel hadden gezongen dat hij de Zoon van David was en tijdens die intocht als een koning op een ezel hadden de mensen dat ook gezongen.

Duidelijk zal zijn dat die bevrijder van Israël, die Messias iemand zal moeten zijn die de geboden van de God van Israël houdt. En die geboden laten zich samenvatten in het heb God lief boven alles en dat doe je door je naaste lief te hebben als jezelf. In de discussie over zijn identiteit en afkomst vraagt Jezus van Nazareth aan de deskundigen van wie de Messias, de verwachte bevrijder van Israël, afstamt. Van Koning David dus. Om maar even vast te stellen dat “bevrijder” of  messias zijn niet even zomaar wat is.

Jezus voelde wel mee met die Farizeeërs. Eeuwenlang is ons voorgehouden dat dat maar een stelletje huichelaars waren maar zo eenvoudig lag ook dat niet. Het waren mensen die hartstochtelijk hun geloof zuiver wilden houden. Dat zuiver houden van geloof in God was iets wat ook Jezus van Nazareth wilde. Alleen Jezus van Nazareth stelde niet de wet maar de liefde centraal. Vandaar ook die discussies over de wet. Jezus wijst dan op de Bijbel die zegt dat liefhebben het belangrijkste gebod is, God liefhebben en dat is gelijk aan je naaste liefhebben. Die messias zou dat tot het uiterste doorvoeren was voorzegd en zou daarmee het volk bevrijden. Als koning zou die messias regeren.

En daar draait Jezus de zaak weer om. Hoe kan een nieuwe koning nu meer zijn dan koning David, van wie die nieuwe koning zelfs zou afstammen. Dat stond wel  in de Bijbel maar daar was dus geen antwoord op. Het had te maken met dat liefhebben. Als het meer moest zijn ging het over de hele aarde, over ons dus ook,  En ons gaat het daar vandaag de dag ook over, wij zijn eigenlijk van een Koninkrijk zonder grenzen, burgers van de hele aarde zoals die door God is geschapen. Met alle mensen als broeders en zusters, let er dus op en zorg er voor dat het met hen allen goed gaat, pas dan gaat het goed met de aarde zoals God die bedoeld heeft.

Het is zo belangrijk om dat te blijven vasthouden dat de Protestantse Kerk vorige week er nog een heel speciale kerkdienst over heeft gehouden samen met de andere Kerken in ons land. Wij willen meer, wij willen een land dat een Koninkrijk is dat de hele wereld omvat, waar alle mensen in mee kunnen doen, daar ging die kerkdienst over, daar gaat ook het verhaal van vandaag eigenlijk om.

De uitspraak dat de nieuwe koning meer is dan Koning David en door David zelf Heer genoemd zal worden komt uit Psalm 110, die hebben we vanmorgen ook gelezen en het is misschien goed nog eens nauwkeurig naar die Psalm van David te kijken.

 

Allereerst even over die uitdrukking Psalm van David. Die wil meestal niet zeggen dat David de Psalm heeft geschreven maar dat de Psalm komt uit een bundel die de naam David droeg. Zoals ook bij ons in het Nieuwe Liedboek liederen staan uit verschillende bundels. Voor de uitleg van Psalm 110 is het echter wel gemakkelijk om aan de nemen dat die Psalm teruggaat op de Koning zelf. Wie de Psalm ook geschreven heeft, hier wordt de Koning sprekend, zingend eigenlijk ingevoerd.

 

Voor gelovigen in de God van Israël is er maar één Heer, maar één echte Koning, maar één machthebber op de hele wereld die het werkelijk voor het zeggen heeft. Dat is de God van Israël, en David de Koning van Israël was een gelovige en die God  was de God van  Jezus van Nazareth. In deze Psalm wordt  een duurzame heerschappij toegezegd  aan de vorst die zit aan de rechterhand van God, een beeld dat we ook bij de profeet Daniël terugvinden.

 

Op Sion krijgt hij de scepter van de macht en de belofte te mogen heersen over zijn vijanden. En Sion is de berg waar de Tempel staat, het centrum van de Wereld waar de Wet van heb Uw naaste lief als Uzelf wordt bewaard. De Psalm zegt dus eigenlijk dat de Liefde voortaan de wereld zal regeren en dat iedereen die tegen die liefde ten strijde trekt zal verliezen.

 

Deze Psalm maakt de Tempel en het Paleis tot een eenheid. De Koning die hier wordt aangekondigd is ook Priester, zoals de Priester Koning Melchisedek ooit Priester en Koning was en zo Abraham kon zegenen toen die de vijanden van de koningen van Kanaaän had verslagen. Veel later zal ook Paulus Jezus van Nazareth vergelijken met deze Priester Koning en vertellen hoe Jezus van Nazareth niet alleen de enige werkelijke Heer van de Wereld is maar ook regeert vanuit de Tempel waar de liefde voor de naaste centraal staat.

 

De boodschap die we vandaag te horen krijgen, van Jezus van Nazareth zelf, is dat we  het Koninkrijk vandaag dus niet achter de wolken hoeven te zoeken of boven de sterren maar dat we alvast een beetje de hemel op aarde kunnen vestigen. Als we immers de Heer van de Wereld als Heer erkennen en in zijn voetsporen de Liefde laten beslissen over ons doen en laten dan mogen we er op vertrouwen dat het beter zal gaan met deze wereld. Dan zullen de hongerigen gevoed worden, de naakten gekleed, wie vastgelopen was zal weer in beweging komen, oorlogen zullen verlopen in vrede, wapens worden omgesmeed tot ploegscharen, onvruchtbare woestijnen zullen tot bloei komen en de angst die mensen uit elkaar houdt zal verdwijnen.

 

Dat is het visioen waar deze Psalm een deel van is. Denk nu niet dat het een zoet verhaal is dat eenvoudig te realiseren is. De Psalm spreekt niet voor niets over hoofden die verpletterd worden, lijken die zich opstapelen. Het verzet tegen een wereld waarin de liefde regeert is nog steeds groot en gewelddadig. Maar dat verzet mag ons er nooit van weerhouden er gewoon maar mee te beginnen. Zelf maar kopen in de Fair Trade winkels, werken in de voedselbank of een van die heel veel vrijwilligerstaken op ons nemen die het goede laten doen en niet dan het goede.

 

De Farizeeën en Schriftgeleerden zwegen stil bij het verhaal van Jezus van Nazareth. Zij waren verstrikt geraakt in de letters van de Wetten van Mozes. Ze hadden niet meer door hoe bevrijdend die Wetten waren, hoe die Wetten gegeven waren omdat het volk bevrijdt was uit de slavernij in Egypte. Daar had de dood geregeerd, daar draaide alles om vruchtbaarheid die gegeven moest worden door de Goden, daarvoor moesten Goden tevreden gesteld worden, uiteindelijk moest daar alle menselijke vrijheid en zelfs de eerstgeborenen van de mensen voor geofferd worden aan die Goden.

 

Als je de letter van de Wet weer gaat naleven en de Bevrijdende Liefde van God achterwege laat dan maak je de mensen opnieuw slaaf van regels. Dan maak je weer een onderscheid tussen goede en slechte mensen, dan vel je de oordelen die aan God voorbehouden zijn. Maar als je doet als Koning David en je onder de macht van de Liefde stelt dan kun je bergen verzetten zei Jezus van Nazareth, dan regeert de dood niet langer, dan verandert de wereld in een wereld die goed is, een wereld zoals God die heeft bedoeld en waar de profeten van gedroomd hebben, waar in de Psalmen van gezongen wordt en waar wij naar Pasen toe mee aan het werk mogen.

 

Dan ben je verlost van angst. Rottige jongetjes van Marokkaanse afkomst worden dan aangepakt. In een buurt of wijk met veel opgroeiende jeugd, grote groepen 7 en 8 op de basisscholen ga je samen na of er voldoende recreatie in de wijk is, of er voldoende mogelijkheden voor de jeugd zijn om de weg naar zelfstandigheid op een goede manier te vinden en of die mogelijkheden aansluiten bij de belevingswereld van die jongeren.

 

Met dat wonderlijke Paasverhaal begint een heel nieuw leven, een leven zonder de dood, een leven waarin iedereen mag meedoen, waarnaar alle volken zich zullen richten zoals eens David zich richtte tot zijn Heer, tot de Liefde die zijn handelen bepaalde. Het goede van de aarde begon bezongen te worden in het eerste hoofdstuk van Genesis, het besluit met de droom van Johannes op Patmos dat we lezen in Openbaring, dat de wereld zo mooi zal worden dat God zelf zijn tenten op deze aarde zal willen spannen. Naar die wereld mogen wij op weg, zingend met de Psalmen en de liederen uit de Bijbel, zoals Jezus van Nazareth de letterknechten stil kreeg met een lied.

 

Dan gaat voor ons door het lijden van deze wereld, door het lijden van de mensen om ons heen, door ons eigen lijden wellicht het licht van Pasen schijnen, het licht dat we zondag aan zondag zien in de Paaskaars en dat vandaag onze zondag rozerood kleurt als het morgenrood dat een nieuwe dag  aankondigt. Aan die nieuwe wereld mogen we elke dag opnieuw beginnen te werken. Vandaag en morgen weer opnieuw. Vat dan aan en aarzel niet.

Amen

 

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: Jeremia 7: 1-11
            Matteüs 21: 101-17

Gemeente

 

Vandaag al weer de tweede zondag in de veertigdagentijd, de periode waarin de Kerk zich bezint op het lijden in de wereld en het lijden van Jezus van Nazareth. In het rooster van de De eerste Dag, het oekumenisch leesrooster dat in tal van kerken in Nederland wordt gevolgd is vandaag de Tempelreiniging aan de orde. De wisselaars van geld en de verkopers van offerdieren verontreinigden de Tempel volgens Jezus van Nazareth.

 

Toen ik deze preek aan het voorbereiden was kwam bij mij op dat het toch raar was deze veroordeling van handelaars nu juist in Callantsoog te behandelen. Ik heb mijn tienertijd in Den Helder doorgebracht en Callantsoog was bij uitstek een vakantiedorp. Zes keer heb ik hier overnacht als deelnemer van de Strandzesdaagse en het dorp leeft van de toeristische handel. Die wisselaars en handelaars op het voorplein van de Tempel waren ook gericht op de pelgrims die naar Jeruzalem kwamen om hun religieuze plichten te vervullen.

 

Het boek Deuteronomium had immers voorgeschreven dat het volk Israël op de hoogfeesten Pesach, het Wekenfeest, dat wij kennen als Pinksteren, en het Loofhuttenfeest naar Jeruzalem moesten komen om de offers te brengen en een maaltijd aan te richten met de familie, de Levieten, de slaven en slavinnen, de knechten en de meiden, de armen uit het dorp en de vreemdelingen die bij hen woonden. Er staat uitdrukkelijk bij dat als men ver weg woont men de eigen offerdieren moet verkopen en met de opbrengst nieuwe offerdieren moet kopen in Jeruzalem. Wat is er dan mis met die handel op het voorplein van de Tempel?

 

Daarvoor moeten we eerst naar Jeremia luisteren. Een profeet uit de tijd van de ballingschap. Een ballingschap die volgens hem het gevolg was van de dwalingen van het volk. Het volk was andere goden gaan nalopen, vruchtbaarheidsgoden die gericht waren op individuele rijkdom en welvaart. Tot in de Tempel aan toe was die valse godsdienst doorgedrongen en daar sprak Jeremia het volk aan. 

 

Maar mensen laten zich niet graag aanspreken, ook vandaag de dag niet. Je hoort toch nog maar al te vaak. We zijn toch fatsoenlijk, we houden ons aan de Joods Christelijke traditie en verdedigen die tegen ongerechtvaardige aanvallen, dan horen we er toch gewoon bij ? Zeker als men ook naar een zogenaamde Christelijke kerk gaat dan moet het toch wel goed komen? In de tijd van Jeremia was dat ook zo. Maar hij ging in de poort van de Tempel staan en sprak daar de mensen aan die naar binnen gingen. Dat moesten toch wel de voorbeelden voor het volk geweest zijn. Fatsoenlijke mensen die nog de offers gingen brengen in de Tempel. Mensen die bij de God van Jeremia hoorden.

Niets is minder waar. Jeremia roept ze op anders te gaan leven. Dat versje van “Dit is de Tempel van de Heer” wordt net zo vals gezongen als het versje van de Joods Christelijke traditie in onze dagen. Dat soort versjes blijkt een alibi voor het uitsluiten van vreemdelingen van de samenleving, voor het onderdrukken van de weduwen en de wezen. En weduwen en wezen staan in de Bijbel voor de allerarmsten, in onze dagen praten we over de minima en de armen in Afrika. Het verbiedt mensen aandacht te vragen voor de gevolgen van de slavernij die zij meedragen ook nog in het derde en vierde geslacht.

We hebben dat gemerkt rond de discussie over Zwarte Piet afgelopen decentemer. Zwarte Pieten bevestigen voor hen het beeld dat zwarte mensen steeds opnieuw moeten bewijzen tot deze samenleving te horen ook al wonen ze al generaties lang in dit land en hebben ze al van ouds mee vormgegeven aan onze samenleving. Steeds weer worden ze aangesproken als komend uit een vreemd land, uit Spanje of God weet waar. Steeds weer moeten ze zich bewijzen, moeten ze meer aangepast zijn als zij die de aanpassing van hen vragen. Als ze aandacht vragen voor het foute beeld dat de “Zwarte Piet” bij hen oproept en het verkeerde gedrag dat daardoor van hen gevraagd wordt dan is onze wereld te klein. Dan regent het klachtentelefoontjes bij een museum dat er een tentoonstelling voor inruimt en klinkt het applaus voor goedkoop scorende populistische politici.

Fatsoen dat moeten we wel hebben, tenminste dat moeten de anderen hebben. Belasting betalen dat moeten die anderen ook. Wij gaan voor de goden van winst en profijt. Jeremia voorspelde zijn tijdgenoten dat ze daardoor hun land uiteindelijk zouden gaan verliezen. Wie zo hoog opgeeft van zichzelf wekt alleen jalouzie op. Hier is het kennelijk te halen want wij zijn beter dan de rest van de wereld. Wie niet wil delen heeft kennelijk wel heel veel te beschermen en wordt gemakkelijk een prooi voor dieven en rovers. Er is sinds de dagen van Jeremia veel veranderd in de wereld, maar niet in het gedrag van mensen. Ook nu heeft de oproep om heel anders te gaan leven en anders om te gaan met de minsten in onze samenleving een hoogst actuele klank.

 

Met die oproep was Jezus van Nazareth zijn optreden begonnen. Die oproep had geklonken bij de doop in de Jordaan, het was de oproep van Johannes de Doper en Jezus had zijn oproep overgenomen nadat Johannes gevangen genomen was door Herodes. De populariteit van Jezus van Nazareth was tot grote hoogten gestegen. Op weg naar Jeruzalem hadden ze hem als de door de profeten beloofde koning op een ezel gezet en met  van de bomen gerukte palmtakken begroet.

 

Dan komt die Tempelreiniging. Matteüs beschrijft het maar kort. Tussen de regels door is te lezen dat in de visie van Jezus van Nazareth de handel op het voorplein van de Tempel niet langer een dienstverlening was aan de pelgrims maar een industrie, de pelgrimsindustrie die er op gericht was het geld uit de buidels van de pelgrims te kloppen en niet het delen met de armen mogelijk te maken. Ook deze actie maakt Jezus populair. Matteüs vertelt dat in plaats van de handel in offerdieren er genezing van zieken plaats vond, de minsten kwamen weer centraal te staan. Zij vormden het hart van de Wet die in de Tempel werd bewaard in het heiligste deel van de Tempel, waar alleen de hogepriester mocht komen. Om hen draaide de hele godsdienst van Israël. Wie voor hen op kwam was de ware Koning der Joden.

 

Kinderen zongen het de pelgrims van de intocht in Jeruzalem na. Kinderen kunnen zo spontaan zijn. Ze twijfelen nog niet. Voor hen is hun wereld ook de wereld en alles wat daar buiten ligt is onbekend en bestaat daarom ook eigenlijk niet. Pas in de loop van de ontwikkeling gaan ze de wereld ontdekken en leren ze dat er mensen leven die ze nooit zullen ontmoeten en plaatsen bestaan waar ze nooit zullen komen. Uiteindelijk komen ze op een punt in hun leven waar ze met Paulus kunnen roepen dat al de kennis die ze opdeden eigenlijk een last is. Het gaat om de liefde voor de anderen.

 

Daar heeft Jezus van Nazareth het over. Hij had uit Psalm 8 geleerd dat die manier waarop kinderen naar hun wereld kijken je het dichtst bij God kan brengen. En als de mensen iets te grote woorden lijken te gebruiken om hem aan te duiden dan wijst hij al die knappe geleerden op die Psalm. Ze weten wel veel maar ze zijn vergeten er mee te spelen, ze zijn vergeten dat het gaat om het geluk en de vreugde van gewone mensen, ja zelfs van de minsten onder hen. Het gaat er om de mensen die vastgelopen zijn in hun leven weer in beweging te krijgen, het gaat er om mensen die het niet meer zien in het leven weer een toekomst te laten zien en het licht doen opgaan.

 

Het gaat er dus uitdrukkelijk niet om om godsdienst en religie te verbinden met geld en verdienste. Overal in de Bijbel klinkt de oproep dat iedereen moet kunnen meedoen en als er mensen zijn die daar moeite mee hebben of te weinig bezitten om mee te doen dan moet je delen, dan moet je samen delen als gemeenschap. Daarom zie je in veel kerken dat er terughoudend wordt gecollecteerd, dat als er wordt gecollecteerd er eerst voor de armen een bijdrage wordt gevraagd. In de Protestantse Kerken in Nederland gaat het dan vaak eerst om Kerk in Actie, om de vergeten rampen, de armsten in de hele wereld, om de steun aan de bevrijding van de allerarmsten, de eerste slachtoffers van oorlog, geweld en armoede.

 

Daarna volgen dan de armen in eigen omgeving, want ook al hebben we het rijk in ons land, ook in een rijk land kunnen mensen in de knel komen. Als gemeenten en deurwaarders te veel terug vragen, op een te groot deel van een klein inkomen beslag leggen dan is er ook in ons land voor veel gezinnen geen morgen meer waarop zelfs een simpel ontbijt voor kinderen ligt te wachten. Dan kunnen kerken soms een uitkomst bieden. Voor de eigen kerk, voor de kosten van de dienst en het kerkgebouw wordt vaak pas bij de uitgang gecollecteerd. En in Protestantse Kerken krijg je vaak het gevoel dat je niet hoeft te geven, het mag, het is welkom, maar als je niet hebt dan ben je er zelf niet minder welkom om.

 

In het jaar 70 zal de Tempel in Jeruzalem worden verwoest. Het volk Israël wordt over de wereld verspreid. De Wet die in die Tempel werd bewaard heeft echter niet afgedaan. Profeten als Jeremia en Jesaja hadden al gezegd dat die Wet eigenlijk in je hart gegrift zou moeten staan. Paulus zou hen dat later nazeggen. Het gaat er om God lief te hebben boven alles en dat doe je door je naaste lief te hebben als jezelf, door op te komen voor de minsten in de samenleving.

 

Dat kan hier ook in Callantsoog. De gasten die hier in de zomer komen hebben vaak hard gewerkt, ze wonen vaak in steden waar rust, ruimte en frisse lucht ontbreekt. Ze verdienen een goede vakantie. Maar ze verdienen geen vakantie waar met veel geschetter en lawaai het verdienen aan toeristen voorop staat. Ook in dit kleine dorp aan de kust kunnen we samen als kerk vorm geven aan iets dat lijkt op dat Koninkrijk van God. Een Koninkrijk waar iedereen mee mag doen, waar iedereen zichzelf mag zijn, maar waar aandacht en zorg is voor de minsten.

 

Dat Koninkrijk zal ooit de hele aarde beheersen. Dan zal de dood niet meer zijn en geeft zelfs de zee haar doden terug. Dan zal de aarde zo mooi zijn dat God zelf zijn tenten op deze aarde zal willen spannen. Tot die dag mogen wij werken aan de komst van dat Koninkrijk. Aan de slag dus.

 

Amen

Read Full Post »

Lezen: Jesaja 49: 13-18
            Matteüs 6:24-34

<!–[if gte mso 9]> Normal 0 21 false false false MicrosoftInternetExplorer4 <![endif]–><!–[if gte mso 9]> <![endif]–> <!–[if gte mso 10]> /* Style Definitions */ table.MsoNormalTable {mso-style-name:Standaardtabel; mso-tstyle-rowband-size:0; mso-tstyle-colband-size:0; mso-style-noshow:yes; mso-style-parent:””; mso-padding-alt:0cm 5.4pt 0cm 5.4pt; mso-para-margin:0cm; mso-para-margin-bottom:.0001pt; mso-pagination:widow-orphan; font-size:10.0pt; font-family:”Times New Roman”; mso-ansi-language:#0400; mso-fareast-language:#0400; mso-bidi-language:#0400;} <![endif]–>

Gemeente,

Komende dinsdag is het Vastenavond, nog eenmaal uit de band springen voordat er een periode van inkeer en bezinning begint. Wij kennen die traditie hier in Noord Holland niet zo, al zijn er nog plaatsen als Zwaag waar men dit weekeinde uitbundig het Carnaval viert. Waar protestanten wonen daar geldt de sobe.rheid en de inkeer kennelijk al het hele jaar. Maar ook in de Protestantse traditie is er een periode van inkeer en bezinning die komende woensdag begint, de veertig dagen tijd. De kleur in de kerk verandert dan van het groen van de hoop naar het paars van de bezinning.

Vandaag sluiten we dus een periode van hoop af. In het rooster van lezingen is de afgelopen weken gelezen uit de Bergrede en ook vandaag hebben we daaruit gelezen. Zo op het eerste gehoor een anti Calvinistisch stukje. Wij Calvinisten zijn immers zuinig, wij willen verantwoord met ons geld omgaan, wij willen sober leven. En nu worden we opgeroepen ons geen zorgen te maken voor de dag van morgen, het klinkt alsof we opgeroepen worden er maar op los te leven. Maar zo is het niet.

De Bergrede is een uitwerking van de richtlijnen voor de menselijke samenleving zoals die op de berg Horeb aan het volk Israël was gegeven. Het gaat om het niet doden van mensen, Jezus zegt dan dat je ze zelfs niet moet uitsluiten en conflicten moet oplossen voordat ze uit de hand lopen en tot oorlog kunnen leiden. Het gaat dan om het delen, een mantel weggeven aan iemand die geen heeft als jij er twee op na kan houden, om je vijanden lief te hebben en te bidden voor wie je vervolgen, om de linkerwang toe te keren aan iemand die je op de rechterwang slaat en een mijl extra te gaan met wie je dwingt een mijl te gaan. Al die regels bij elkaar maken een heel nieuwe samenleving, een totaal ander land als waar wij gewend zijn in te leven.

Vaak wordt gezegd dat die samenleving die zou ontstaan als iedereen de Bergrede volgt te idealistisch is, niet haalbaar is, zo werkt het niet. En dan komt de lezing van vanmorgen. Eerst Jesaja. Die moest zijn volk ook motiveren opnieuw een samenleving op te bouwen. En ook tegen hem werd gezegd dat het niet mogelijk zou zijn de oude glans van Jeruzalem en van Israël te herstellen.

Het is in het gedeelte dat we vandaag  uit het boek van de profeet Jesaja gelezen  hebben of de profeet zich alvast naar Jeruzalem heeft begeven. Daar op de berg Sion zou de Tempel herbouwd moeten worden. Maar Jeruzalem is maar een armzalige puinhoop. De muren zijn verwoest, de Tempel is gesloopt en er woont nog maar een handjevol mensen die eigenlijk ook geen andere plaats hadden om heen te gaan. De eens zo trotse koningsstad stelt helemaal niks meer voor. Een vlek in de uithoek van het Perzische Rijk is het geworden. En vanuit de rijke hoofdstad Babel, met haar geweldige bouwwerken en haar prachtig versierde Tempels, moeten de ballingen naar dat armzalige hoopje puin dat eens Jeruzalem was.

De profeet stelt hier God voor als een moeder die nooit haar kind zal vergeten. Hoe oud het kind ook wordt het blijft voor de moeder altijd het kind waarvoor gezorgd moet worden. Juist door de komst van de ballingen zal de stad weer gaan bloeien. Mensen die weer leven brengen, die de muren kunnen herbouwen en kunnen zorgen voor een nieuwe Tempel waar de dienst aan de God van Israël weer kan worden uitgedragen. En als de ballingen eenmaal gekomen zijn, als de muren zijn hersteld, de Tempel weer functioneert, de huizen zijn herbouwd, dan is er weer de stralende stad die nieuwe mensen aan zal trekken, dan zal de stad te klein zijn om al die mensen die er op af komen te herbergen.

En zou het volk van Israël te klein geworden zijn om dat waar te maken? Alle volken zullen zich ooit naar Jeruzalem keren om de God van Israël te eren, al die volken zullen voor die stad zorgen. In later dagen hebben Christenen zich deze woorden toegeëigend en gedaan of Jeruzalem aan hen was beloofd. Niets is minder waar. Jeruzalem is van Israël, het huidige Jeruzalem van Israël en de Palestijnen. Het is aan Christenen om te zorgen dat de volken waar ze toe behoren gaan leven volgens de Wet die in Jeruzalem werd bewaard en die vanuit Jeruzalem over de hele wereld is uitgeroepen. De Wet die zegt dat je je naast lief moet hebben als jezelf.

Pas als die Wet overal is doorgevoerd, als nergens op de wereld meer oorlog is of honger, als alle mensen recht gedaan wordt, dan zal dat Jeruzalem tot haar volle glorie komen. Iedereen zal immers weten dat Jeruzalem eens de stad was waar de droom van vrede en gerechtigheid voor de hele wereld levend werd gehouden en nieuw leven werd ingeblazen door de ballingen die terugkeerden uit Babel. Het is een visioen van de Profeet dat mensen in beweging heeft gezet om terug te keren en die opbouw ter hand te nemen. Aan ons om in beweging te komen en mensen in beweging te zetten om dat visioen van vrede en gerechtigheid voor de hele wereld waar te maken. Ook vandaag, ook in ons land, in onze wereld.

Zo moeten we ook de uitleg van Jezus van Nazareth lezen die hij aan de wetten van Mozes heeft gegeven. Natuurlijk onze economie stelt andere eisen. In Griekenland hadden ze daar zelfs een God van gemaakt, de Mammon, die eiste van de mensen dat er dag en nacht gewerkt werd, dat mensen machines werden die je kon verkopen of afdanken als dat nodig was. De God van Israël deed het tegenovergestelde, die bevrijde mensen van de slavernij van arbeid en consumptie, één dag in de week moest alles rusten. Bij die God kon je niemand afdanken maar moest je zorg verlenen aan de minsten in de samenleving, aan de zieken, de weduwen en de wezen,

 

Op de televisie zagen we laatst een huisvader uit de Libanon die vertelde over de situatie in zijn land. Hij was bouwvakker maar al sinds een paar jaar werkloos. Elke dag trok hij er op uit om werk te zoeken en slechts af en toe slaagde hij daarin. Hij was gefilmd in zijn huiskamer, naast hem zaten zijn twee zeer jonge kinderen en tegenover hem zijn vrouw. Hij vertelde schijnbaar onaangedaan dat ze alleen konden eten als hij had gewerkt, anders moesten de kinderen zonder eten naar bed. Ze aten in elk geval nooit meer dan één keer per dag. Zijn vrouw vertelde dat ze geen geld meer hadden om melk voor de kinderen te kopen dat was nog het ergste. Hoe moet je die mensen nu uitleggen wat er hier in de Bijbel staat? Je hoeft ze het waarschijnlijk niet uit te leggen.

 

Zij zullen zich niet meer afvragen wat ze zullen eten of wat ze zullen drinken of waarmee ze zich zullen kleden maar of ze zullen eten en of ze zullen drinken en of ze iets zullen hebben om aan te trekken. In onze rijke samenleving pijnigen we ons met onzinnige keuzes. Moeten we onze ogen een millimeter liften om er jonger uit te zien? Welke kleur haarspoeling neemt de vrouw en welke past daar voor de man bij? Voor Jezus van Nazareth zijn het keuzes voor de heidenen.

 

Voor gelovigen gaat het om het Koninkrijk Gods, om de vraag dus hoe we kunnen delen met dat gezin in de Libanon, met de mensen in Syrië, of die mensen die na een aardbeving  zelfs nog geen tent hebben om in te wonen. We maken ons zorgen over de mensen in de Oekraïne die hun land verscheurd zien door de machtspolitiek van Rusland en de Europese Unie. We weten heel goed dat als we bereid zijn om te delen er genoeg op aarde is om voor iedereen te zorgen. Voor het gezin in de Libanon is er vrede in de regio nodig, rechtvaardigheid voor de Palestijnen en veiligheid voor de Israëli, voor de mensen in Syrië zullen we macht moeten ontmantelen en iets vinden op de noodzaak wrede dictaturen niet te laten ontstaan.

 

Zo zijn er tal van armen waarvoor de keuzes die we maken oneindig veel belangrijker zijn dan de vraag hoe wij bij de buren overkomen en of we wel gewild en modern genoeg op ons werk verschijnen. We kunnen geen twee heren dienen. De God van Jezus van Nazareth dienen en de god van winst en profijt dienen gaat niet samen. Het geld dat we aan overbodig voedsel en overbodige make up uitgeven kunnen we niet delen met de hongerigen, de daklozen, de zieken en gehandicapten, de gevangenen en de armen in de wereld.

 

De belofte die ons in dit verhaal gedaan wordt is dat, als wij delen, als we die armen weten te bereiken, al dat andere ons ook ten deel zal vallen. Maar wie heeft het nog nodig als je al het geluk zal zien dat straalt uit de ogen van de wanhopigen die weer een leven kregen?

 

We kunnen het niet alleen, we zullen iedereen in die beweging mee moeten krijgen, we zullen de hele wereld er van moeten overtuigen, maar we mogen iedereen de bevrijding van de armen voorhouden, die komt. Daar hoeven we ons geen zorgen over te maken. Ook al lijkt die nieuwe wereld van delen met elkaar en zorgen met elkaar, die wereld zonder geweld en onderdrukking een onmogelijkheid , geloven in de God van Israël, geloven in de boodschap van Jezus van Nazareth betekent de zekerheid dat die nieuwe wereld er zal komen.

 

Er bestaan prachtige visioenen over. In het boek van de profeet Jesaja kun je ze terug lezen, kinderen die spelen in het hol van een slang, lammetjes die samen weiden met leeuwen, niemand die meer sterft voor hij of zij oud is. In het boek Openbaring wordt het nog mooier, daar zal geen dood meer zijn en de zee geeft haar doden terug. Daar wordt de aarde zo mooi dat God zelf zijn tenten op deze aarde zal willen spannen.

 

Naar die wereld moeten we dus op weg. Er is nog veel werk te doen als we om ons heen kijken, maar we kunnen op weg in de vaste zekerheid dat het zal komen, is het vandaag niet dan is het morgen, is het niet in ons leven dan in het leven van hen die na ons komen. Maar het is de hoogste tijd om te gaan, niet dralen dus maar het werk aanvatten, vandaag nog.

Amen.

 

 

Read Full Post »