Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for januari, 2014

Lezen : Jesaja 49: 1-7
             Matteüs 4: 12-22

Gemeente,

Het is vandaag roepingenzondag, de zondag waarop we stilstaan bij het feit dat we door de Heer geroepen zijn om zijn dienaren, zijn volgelingen, zijn leerlingen te worden. Het is eigenlijk een antwoord op de verhalen die de Kerk vanaf oude tijden in de afgelopen weken heeft verteld. Op 6 januari begon dat met de komst van de wijzen uit het Oosten die de geboorte van de bevrijder van Israël kwamen vieren. Vervolgens vertelde de kerk het verhaal van de verschijning van de geliefde zoon van God, het verhaal van de doop in de Jordaan en de vorige week heet in de Kerkelijke geschiedenis Kanazondag, over het verhaal dat Jezus van Nazareth zijn eerste teken gaf. Wat we allemaal met die mooie verhalen moeten, horen we vandaag. In de lezing uit het Evangelie naar Matteüs hebben we gehoord hoe er geciteerd werd uit het boek van de profeet Jesaja, en om de betekenis van de citaten, en daarmee de betekenis van het verhaal van Jezus van Nazareth goed te begrijpen moeten we dus eerst terug naar dat boek van de profeet Jesaja.

Het gedeelte dat we gelezen hebben is het begin van het tweede deel van het boek van Jesaja. We noemen dat Deutero-Jesaja. Keizer Cyrus had de ballingen opdracht gegeven terug te gaan naar hun land en daar de Tempel te herbouwen. Het gaat dus over de terugkeer naar Jeruzalem en de hervestiging van de Tempel op de berg Sion, waar de Wet van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf werd bewaard en verkondigd. Een vreugdevolle opdracht dat een lied verdient en dat lied hebben we gelezen.

De Profeet begint zijn lied met het bezingen dat Israël van zijn geboorte af aan een werktuig mocht zijn in de hand van God. Dat de profeet zijn taalvaardigheid heeft gekregen om dienaar van God te zijn. Dienaar mag de profeet zijn in het verzamelen van Israël en het terugbrengen van het volk naar het land Israël. Dat zal bewondering afdwingen en eerbied voor de God van Israël die dat allemaal mogelijk heeft gemaakt.

Als God de profeet hier al vanaf zijn geboorte voor heeft bestemd en de profeet ook heeft uitgerust met de capaciteiten die daar voor nodig waren dan rijst de vraag of die profeet het ook gemakkelijk heeft gehad met die taak? Dat zou het voor ons immers ook eenvoudig maken om er achter te komen welke taak God voor ons heeft weggelegd.

Maar nauwkeurige lezing van het gedeelte van vandaag leert ons dat de profeet het helemaal niet gemakkelijk heeft gehad. Tevergeefs heeft hij zich afgemat, al zijn krachten zijn verbruikt, het heeft allemaal geen zin gehad. We moeten aannemen dat de profeet zich consequent heeft gehouden aan de Wet van God zoals die op Sion werd bewaard. Sommige geleerden menen dan ook dat met de ik die hier spreekt niet de profeet wordt bedoeld maar Jeruzalem sprekend wordt ingevoerd. Maar het is de profeet die als dienaar wordt geroepen en dienaren kunnen nog zo hard werken het lukt niet altijd, het lukt zeker niet op eigen kracht.

Ook de ballingen zullen moeten kunnen volhouden als ze terugkeren. Elders in de Bijbel lezen we daar ook een verhaal over en dan blijkt dat ze de muren van Jeruzalem moesten opbouwen met in één hand de stenen en het cement en in de andere hand het zwaard. En geef toe, wij kennen dat toch ook die vermoeidheid? Hoe vaak is er niet geroepen om vrede, is er geschreeuwd om gerechtigheid. Hoe veel acties zijn er al wel niet geweest om hongerige kindertjes te voeden, om weer nieuwe weeshuizen te bouwen, om medicijnen voor zieken te kunnen kopen. Hoe lang bestaat de Fair Trade beweging al wel niet en hoe langzaam gaat de groei van de markt voor eerlijke handelsverhoudingen. Ook wij worden er wel eens moe van en velen zijn afgehaakt in de loop van de jaren.

Maar net als de profeet mogen we volhouden omdat ons streven recht gedaan zal worden. We mogen moed putten uit het vertrouwen dat spreekt uit de woorden van de profeet. Dit vertrouwen is immers een licht voor alle volken en reikt tot aan de einde der aarde. Dat licht mogen we dragen en verspreiden, ook vandaag.

Er is wel durf voor nodig. Dat is de gedachte die regelmatig opkomt als je de verhalen over Jezus van Nazareth leest. We hebben het verhaal van Johannes gelezen die aan de Jordaan bij de woestijn mensen opriep weer volgens de Wet van de Woestijn te gaan leven en, als teken dat ze hun leven wilden veranderen, hen doopte. Er stond toen in dat verhaal dat van heinde en ver mensen toestroomden om zich door hem te laten dopen.

 

Maar die Johannes werd door Koning Herodes gevangen genomen. Geen wonder dat Jezus van Nazareth onderdook. Hij week uit naar Galilea, dat ook in de dagen van Jezus het land van de Heidenen werd genoemd. Hij ging in een streek wonen waar vroeger de stammen Zebulon en Naftali hadden gewoond. Dat waren twee van de tien stammen die in de tijd van de ballingschap verloren waren gegaan. Ook in de tijd van de profeet Jesaja heette hun gebied al het Galilea van de heidenen, van hen die de Wet niet kennen.

 

In de dagen van Jezus van Nazareth had Koning Herodes hier niets te vertellen, het gebied viel direct onder Romeins bestuur. Al die duistere en donkere gegevens moeten je niet tot wanhoop drijven schrijft Matteüs dan. Hij roept in herinnering dat de profeet Jesaja ook de mensen uit deze streek had voorgehouden dat in de duisterste duisternis altijd een licht zal opgaan. Een gedachte die we ook vandaag moeten vasthouden. Overal in de wereld zijn nog mensen die in de schaduw van de dood leven. Ook aan die mensen is de boodschap van de Bijbel dat ze door het licht zullen worden beschenen. Aan ons om er aan te gaan werken dat het ook zal gebeuren.

 

Jezus van Nazareth begon juist in die ook voor hem duistere tijden met zijn verkondiging. En je moet maar durven, in een tijd dat alles uitzichtloos lijkt, de mensen voor te houden dat het beste Koninkrijk dat denkbaar is nabij is. De hemel op aarde, het koninkrijk van de hemel, ligt om de hoek voor het grijpen. Wij willen nog wel eens spreken over de Hemel als iets dat boven ons is, onbereikbaar, maar in Genesis lezen we dat God de hemel schiep als schild tegen het water van de dood dat van boven op ons neer zou kunnen dalen. Het Koninkrijk van de Hemel is dus het Koninkrijk van de bescherming, de bescherming van de zwakken, van de minsten, de bescherming tegen de dood.

 

In het vervolg op wat Johannes al geroepen had klinkt ook hier de roep tot inkeer. We zullen het echt anders moeten doen. Nu wordt ons nog angst aangepraat, angst voor vreemdelingen, angst voor mensen uit andere landen. Maar de Bijbel roept ons op dat we niet moeten vrezen, zoals de herders uit het Kerstverhaal al hoorden van de Engelen: vrees niet. Jesaja zegt ons dat het licht voor alle volken opgaat en Jezus gaat wonen in het Galilea van de Heidenen. Ook wij mogen dus in vreemdelingen onze zusters en broeders zien, in de volken uit Europa onze landgenoten. Wij mogen ons richten op het liefhebben van God boven alles, met heel ons hart, maar ook met heel ons verstand. We doen dat door onze naaste lief te hebben als onszelf. Ons eigen werk is minder belangrijk dan het volgen van de Weg van Jezus van Nazareth.  Pas als we tot inkeer zijn gekomen en iedereen mee willen laten delen in dat Koninkrijk dat nabij is zal dat Koninkrijk ook komen. Simon en Andreas, Jacobus en Johannes ze waren vissers maar ze zouden vissers van mensen worden. Kunnen wij dat ook?

 

We weten dat de weg van Jezus van Nazareth een weg ten leven is. Bang hoeven we niet te zijn. In het delen met de minste, in het liefhebben van de naaste als onszelf begeven we ons in het Koninkrijk van de hemel, het Koninkrijk waar bescherming is voor iedereen. Paulus leerde ons dat gevangenschap en dood geen prikkels meer hoeven te zijn voor ons handelen. Ons leven is niet meer belangrijk, het leven van de ander is belangrijk geworden, het leven van de kinderen van God mogen we dienen. Daartoe nemen wij ons kruis achter hem op.

 

Jacobus en Johannes waren bezig de netten te repareren. Mijn tante Corrie, nu diep in de tachtig, deed dat in haar jeugd ook. Ze werkte op een boetzolder in Katwijk aan Zee. Ze was daar aan het netten boeten. In de taal van de kerk heet het nog wel eens dat we moeten boeten voor onze zonden, dat Jezus in zijn dood geboet zou hebben voor ons. Maar van mijn tante leerde ik dat boeten repareren is wat in het leven stuk is gegaan, de netten waren nodig om vis te vangen, vis om van te leven, kapotte netten daar heb je niks aan, dus moet je boeten. Met mensen vangen gaat het bijna net zo, ook mensen kunnen stuk gaan, verkeerde wegen bewandelen, bij de pakken neerzitten, ziek worden of uitgestoten door de samenleving. Aan ons om daarvoor te boeten, om te herstellen wat tussen mensen stuk is gegaan. Daartoe worden wij geroepen, zo mogen wij dienaren van God worden, leerlingen en volgelingen van Jezus van Nazareth. Door het goede te doen en niet dan het goede het kwade bestrijden zegt Paulus. Dat kan, totdat hij komt, totdat God zijn tenten zal spannen op deze aarde.

 

Amen

 

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: Jesaja 62: 1-5
            Johannes 2: 1-11

Gemeente,

Eigenlijk is het vandaag een beetje een feestdag, elk jaar hoor je op deze zondag in het jaar hetzelfde verhaal, net als op Kerstmis en met Pasen. Op deze een beetje bijzondere zondag, en ze noemen deze zondag “Kanazondag”, lezen we om te beginnen een lied uit het boek van de profeten Jesaja.

Profeten Jesaja? Ja, de geleerden zijn er over eens dat er meer mensen meegeschreven hebben aan het boek van de profeet Jesaja, die het wegvoeren van het volk in ballingschap meemaakte en desondanks volhield dat het volk bevrijd zou worden en weer een echt eigen volk in het beloofde land zou worden. Dit lied, bijna aan het eind van dit boek, zingt over dat prachtige nieuwe land met een trotse hoofdstad, Jeruzalem. Een hoofdstad met wachters op de muren. En het mooiste is dat alle volken de gerechtigheid van dat land zullen zien zingt,de profeet. Mooie taal in zo’n lied maar omdat het veel en vaak is herhaald zonder betekenis wordt het voor ons pas echt mooi als we ons ook die betekenis realiseren.

Die gerechtigheid komt alleen als de weg van de Wet van de Woestijn wordt gevolgd. In de Woestijn daar waar je op zoek moest naar fris en helder water, ontdekte het volk Israël dat je alleen kon overleven, alleen een volk kon worden door een bijzondere Wet, een Wet met richtlijnen voor een menselijke samenleving, een wet van eerlijk delen, zorgen dat iedereen mee kan doen, zorgen voor de armen, de zieken en de zwakken. Die Wet wordt bewaard en beschermd in de Tempel in Jeruzalem en pas als alle volken kijken naar die Wet dan wordt het vrede op aarde. Daarom is het uitsluiten van volken van de discussie over eerlijk delen en over samen werken eigenlijk vragen om oorlog.

In de Bijbel staat het belang van de armen en onderdrukten voorop. En als het hele land, ja alle landen in de wereld, vol zijn van de liefde voor de minsten, voor de zwaksten, dan kun je spreken over een bruiloft. De werkers trouwen met het land, zodat iedereen op de wereld te eten heeft, en God trouwt met het volk, zodat er vrede en gerechtigheid heerst. Een prachtig lied van de Profeet Jesaja.

Dat beeld van een bruiloft vindt je op allerlei plaatsen in de Bijbel terug. Wij weten inmiddels wel wat een feest het kan zijn als twee mensen een leven lang met elkaar in liefde met elkaar weten op te trekken en samen lief en leed weten te delen en elkaar trouw weten te blijven. Te vaak mislukt dat ook , met alle pijn die dat met zich meebrengt, te vaak ook eindigt zo’n relatie in de dood van een van de partners, vaak onverwacht of toch nog te snel en altijd ongewenst. Maar ook dat verdriet kan het mooie van het beeld van de bruiloft niet wegnemen, integendeel, dat verdriet kan ook maken dat het sterker gaat glanzen, dat de herinnering aan de sterke band een nog mooiere glans krijgt. En daarmee wordt ook de boodschap van de Bijbel eigenlijk nog mooier, een God die met je meetrekt zoals bruid en bruidegom met elkaar meetrekken, een God die nooit laat varen het werk dat zijn hand begon.

Dat beeld van een bruiloft lezen we ook in het overbekende verhaal van de bruiloft in Kana. En dat het verhaal overbekend is  zet ons gemakkelijk op een verkeerd spoor. Centraal komt te staan het wonder van het water dat in wijn wordt veranderd en als je het zo zegt lijkt het op een goocheltruc. Ik heb Fred Kaps ooit zoiets zien doen. Hij vouwde een krant tot een trechter, zo’n tuit, goot daar een karaf water in en goot de krant leeg in een andere karaf en dan bleek het rode wijn te zijn geworden. Maar Jezus van Nazareth was geen goochelaar. Die verandering van het water in wijn heeft een andere boodschap dan hoe knap of gewiekst die Jezus was. Het was een teken staat er, het eerste teken van zijn optreden. En naar de betekenis van dat teken moeten we dus op zoek.

Het plaatsje Kana bestaat alleen in het Johannes evangelie en komt daar drie keer voor. De derde keer is als Jezus na zijn dood de laatste keer aan zijn discipelen verschijnt. Hij vist met hen, eet met hen, en geeft hen zijn laatste woorden mee. Daarbij is ook Nathanael, de discipel uit Kana. De man van wie Jezus op de tweede dag, toen hij volgelingen zocht,  gezegd  had dat hij een echte Israëliet is, een man zonder bedrog. Die man zie je verder haast nooit, maar bij dit laatste verhaal over de opstanding is Kana vertegenwoordigd. De tweede keer dat Kana voorkomt, is in Johannes 4. Een hoofdman uit Kapernaum komt bij Jezus in Kana omdat zijn zoon op sterven ligt. “Uw zoon leeft,” zegt Jezus en die zoon leeft.

De eerste keer dat Kana voorkomt is hier in het verhaal van het bruiloftsfeest, dat dus ook alles met dood en leven te maken heeft. Geleerden zeggen daarom ook wel eens dat je voor Kana gerust Kanaaän mag lezen, wat hier gebeurd is voor het hele land bestemd.  Het verhaal over de bruiloft in Kana wordt dus niet verteld om duidelijk te maken dat Jezus ook wel van een feestje hield, maar als een verhaal over God, Christus en mensen, over dood en leven, over water en wijn.

Een verhaal over dood en leven is iets anders dan een verhaal over leven en dood. De bijbel kent de verhalen van leven en dood maar al te goed en vertelt ze, begrijpt ze. Echt vrolijke verhalen zijn het haast nooit, maar daartegenin klinken de verhalen van dood en leven, zoals het verhaal van de bruiloft te Kana.

Het gebeurt op de derde dag, zo horen we. Over tweede of vierde of vijfde dagen hoor je haast nooit wat, wel over derde dagen. Dat komt omdat dingen zich zo goed laten vertellen in drie dagen, in drie bedrijven. Je hebt de eerste dag, het begin, de geboorte, op de tweede dag draait alles, gaat het zijn gangetje, is er leven, tot de derde dag, dan komt het einde.
Op de derde dag begint het in Kana, op de dag van het einde is er een bruiloft. Dat is misschien een wat aparte dag voor een bruiloft, maar het is dan ook een aparte bruidegom die ons daar uitnodigt; God zelf.

En Johannes zet die drie dagen heel uitdrukkelijk op een rij. Op de eerste dag wordt Jezus van Nazareth gedoopt, dan gaat hij zelf door het water van de dood heen en komt de Heilige Geest op hem en spreekt God uit dat hij de geliefde zoon is. Op de tweede dag zoekt Jezus zijn volgelingen en op de derde dag volgt dan die bruiloft in  Kana. Het lijkt wel of in drie dagen het hele leven en sterven en de opstanding van Jezus van Nazareth wordt verteld..

Als God de bruidegom is, zoals Jesaja ons heeft verteld, dan is die bruiloft misschien beter georganiseerd dan het lijkt. Goed de wijn is op, maar wat verwacht je anders op de derde dag. Alle wijn, hoeveel er ook is, raakt op een gegeven moment op, dat is het verhaal van leven en dood, of je nou een doodzieke patient bent of een kerngezonde marathonschaatser, op een dag is de wijn op, is het de derde dag.

Als de wijn des levens dan, onvermijdelijk, op is en al wat nog rest, het water is dat nooit op zal zijn, het onuitputtelijke water van de dood, dan wordt het tijd voor de beste wijn van de bruidegom. Die staat niet zomaar op tafel en het is goed om erop te letten dat Jezus dat water niet zomaar in wijn verandert, daar zijn in dit verhaal een hoop dienaren voor nodig en zes vaten.

Waarom vaten? Het water moet ergens in voor er iets mee kan gebeuren, de chaos moet structuur krijgen, grens en vorm en zo herinneren de zes vaten ons aan de zes dagen waarin hemel en aarde geschapen worden, aan hoe de doodse oerchaos vorm krijgt in Gods scheppende werk. Gods Geest daalde wel op Jezus van Nazareth neer, maar Gods Geest begon met te zweven over de aarde, een aarde die toen nog woest en ledig was.

De dienaren die met hun emmertjes water in die vaten staan te scheppen, in opdracht van Jezus, nemen een klein beetje deel aan het grote scheppen van God. Zo worden mensen ingezet voor Gods werk, om de bruiloft van de bruidegom te laten slagen.

Zes is het getal van mensenwerk in de bijbel. Zeven is de sabbat is af is klaar is werk van God, zes is minder, is onaf, is mensenwerk dat nog op Gods bekrachtigende zegen wacht. Zes vaten staan dus voor mensenwerk, voor leven met de wet en de profeten want Jezus komt niet zomaar, Jezus komt de wet vervullen, zoals hij zelf zegt, hij kiest vaten voor het joodse reinigingsritueel, vaten van de wet. Gods geboden helpen ons op weg om onze bijdrage te leveren aan Gods schepping.

Daartoe roept Jezus de dienaren op, meedoen, Gods wegen gaan, water in die vaten scheppen zodat hij iets heeft om wijn van te maken. Zo is ook de spanning met Maria zijn moeder voelbaar. Wij willen vaak zo graag, wij willen vaak onze God of Jezus van Nazareth inzetten als een goochelaar, als Fred Kaps van vroeger, of Hans Kazan maar Jezus werkt niet met de knip van zijn vingers, het scheppende Woord van de God  van Israël is niet afdwingbaar. God werkt met en door mensen.

Dienaren zijn en blijven daarom nodig, die doen wat Jezus zegt en die tegen beter weten in misschien met het koude natte water van hun doodlopende levens in de weer gaan, om dat koude natte doodse water in Gods vaten te scheppen.

Krijgen we wijn daardoor? Geen druppel, het blijven zes vaten vol water, mensenwerk en het heeft weinig zin om tussendoor te proeven van het water, of het al opschiet met die wijn…

Maar als we op die derde dag, op die laatste dag bij de ceremoniemeester staan met dat kruikje koud water, wat zal die dan opkijken en verbijsterd naar de bruidegom lopen en als hij dan zegt: “u hebt de beste wijn voor het laatst bewaard” dan geeft de bruidegom misschien een knipoog aan Jezus en hij kijkt vriendelijk naar zijn dienaren, misschien kijkt ie zelfs vriendelijk naar die arme ceremoniemeester die er ook niets van begrijpt en dan zegt de bruidegom: Ja, ik heb de beste wijn voor het laatst bewaard en die wijn, die gaat nooit meer op.

Jesaja zegt dat de zonen van het volk trouwen met Jeruzalem, de zonen en dochters van de stad geven zich over aan de Wet van de God van Israël, de richtlijnen voor een menselijke samenleving. Maar moet die wijn niet rijpen? Is oude wijn niet kostbaarder dan jonge wijn? Mogen wij ouderen ons stiekum soms ook de kostbare wijn voelen van de bruidegom? Wijn beurt bedroefden op, geeft energie, schept vreugde onder mensen, niet in overmaat maar juist als mensen een hart onder de riem nodig hebben. En is dat ook niet de samenvatting van de Wet van God: heb uw naaste lief als uzelf? Wij die het grootste deel van ons leven achter ons hebben weten wat het betekent, wij kunnen het dus ook doorgeven.

Dat hoeft niet altijd groots en meeslepend te zijn, het kan in een glimlach voor iemand die vriendelijk voor ons is, een compliment voor iemand die voor ons zorgt of een hand uitsteekt als we die nodig hebben, dan kan voor een luisterend oor, waar wij de tijd voor hebben en die wij zo vaak kunnen bieden. Paulus zegt ergens dat we het kwade door het goede moeten bestrijden. Door het goede in te brengen staan we niet toe dat het boze alles in deze wereld kan gaan regeren. Wie weet heeft van de beste wijn van de bruidegom kan dat goede elke dag opnieuw bieden, waar we ook wonen, waar we ook zijn, wie we ook zijn. Allemaal zijn we genodigd tot het bruiloftsfeest van de Heer. Laten we  daarom van het leven dat ons is gegeven een feest van maken, een bruiloftsfeest waar de liefde voor elkaar voorop staat..

amen

 

Read Full Post »