Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for november, 2013

Lezen: 2 Koningen 5
            Lucas 21: 5-19

Gemeente

De laatste zondag van het kerkelijk jaar is niet echt een feestdag. Ook dat idee van een kerkelijk jaar is eigenlijk wat vreemd. Wij zijn immers gericht op de eeuwigheid. De maat van de Bijbel voor het leven is de dag. Daar begint de Bijbel ook mee, het was avond geweest en het was morgen geweest, de eerste dag en zo zes maal door en op de zevende dag wordt er gerust. Op de achtste dag wordt het feest afgesloten en op de eerste dag begint er echt iets nieuws. Die achtste en die eerste dag zijn dus eigenlijk dezelfde en dat is de dag geworden die wij in ere houden als de dag van de opstanding die wij van week tot week vieren.

Maar vandaag is de circel van de kerkelijke feestdagen rond, we hebben advent gevierd, kerst gevierd, Pasen gevierd en Pinksteren en nu staan we weer aan de vooravond van Advent. En op deze zondag gaat het vanouds over de laatste dingen, over de dag waarop we werkelijk zullen zien dat de Messias waarin wij geloven, de Christus in het Grieks, ook werkelijk koning is. Daarvoor moet er nog heel veel gebeuren. En over wat er allemaal gebeuren moet gaat vandaag het verhaal van Elisa. Het beroemde verhaal over Naäman wordt er altijd verteld maar het gaat over Elisa, zijn worden en zijn gedrag worden ons tot voorbeeld gesteld.

Soms is het bijna jammer dat wij de afgodendiensten niet meer kennen. Wij hebben geen weet van grote Tempels met prachtig versierde beelden waar een hele samenleving rond is gebouwd. Dat  is soms jammer omdat we dan de betekenis van die hele kleine, schijnbaar onbelangrijke, mededelingen in de Bijbel niet meer herkennen. Zoals in het begin van dit verhaal over Naäman, de bevelhebber van het Aramese leger. Want waarom had die zo’n groot aanzien? Omdat de God van Israël hem een grote overwinning had laten behalen staat er.

Dat wist hij zelf nog niet, want toen hij ziek werd moest een slavinnetje uit Israël hem wijzen op de profeet in Samaria. En natuurlijk ging hij niet naar een Profeet, maar naar de Koning. De Koning van Israël zou toch wel het beste weten wie hem kon genezen. En die koning van Israël schrok hevig. Want Naäman was onrein. Hij leed aan een huidziekte. Vroeger noemden we die lepra of melaatsheid maar tegenwoordig kennen we die ziekten en is het niet meer helemaal duidelijk of die ziekte ook bedoeld werd met het Hebreeuwse woord dat in de Nieuwe Bijbelvertaling maar met huidvraat werd vertaald. Duidelijk is wel dat je lijders aan die ziekte moest mijden, dat ze helemaal geïsoleerd moesten worden van elk menselijk contact.

Geen wonder dus dat je denkt dat, als een generaal met die ziekte naar je toegestuurd wordt, het oorlog gaat worden. De Koning van Israël schiet dan ook direct in de rouw en scheurt zijn kleren als teken van rouw. Maar als er iemand die ziek is naar je toe komt dan is dat meestal niet om oorlog te voeren. Als iemand oorlog wil voeren zal die toch minstens eerst eisen neerleggen waar je al dan niet aan toe kan geven. In de rouw schieten is het minste wat een zieke vraagt. Wij doen dat ook nog wel eens. Als iemand lijdt aan een ernstige ziekte weten we niet veel anders dan te roepen hoe erg het is. We durven meestal niet te vragen wat we kunnen doen voor de zieke, bang dat het antwoord ons te veel zal belasten of zelfs dat de zieke ons zal besmetten. Nu is het ook voor een ernstig zieke soms fijn om nee te horen op een vraag. Want pas een nee betekent dat je iemand serieus neemt, op hetzelfde niveau zet als jezelf. Zeker als je dat nee ook gewoon eerlijk durft toe te lichten. Luisteren naar een ernstig zieke, serieus nemen van een ernstig zieke, mee leven met een ernstig zieke en niet mee lijden of mee sterven, dat is wat een ernstig zieke meestal nodig heeft.

Alleen doktoren weten immers soms van genezing. Alle andere mensen weten alleen van liefde. Liefde voor zichzelf, die angst veroorzaakt als men zich bedreigd voelt, liefde voor de naaste als voor jezelf, liefde die kan laten meeleven met de zieke. Elisa laat ons zien wat daarmee bedoeld wordt. Laat zien dat er in Samaria een profeet woont. Iemand die zegt wat God heeft gezegd en God zegt dat we moeten houden van onze naaste als van onszelf. Dat wordt ook tot ons gezegd, dat kunnen ook wij doen, vandaag nog.

Het verhaal wordt ons verteld in twee delen. Eerst een verhaal over tovenaars en gebedsgenezers. Dan een verhaal over aanpassen aan een samenleving die in hele andere zaken gelooft. Met beiden hebben we ook vandaag de dag te maken. Er zijn rondreizende genezers die foldertjes verspreiden waarin wonderen van God worden beloofd als je maar naar hun bijeenkomsten komt. Hoe ernstig de ziekte ook is, hoe moeilijk de lezer het ook heeft de Geest en Kracht van de genezer zal helpen omdat God dat beloofd heeft. Elisa, de profeet, laat zien dat de werkelijkheid anders is. En daarom staat het ook in de Bijbel. In allerlei godsdiensten spelen priesters en religieuze leiders een grote rol. In de godsdienst van de God van Israël niet. Daar gaat het om het woord van God zelf en de zorg voor de naaste.

Elisa hoeft daarom zelf helemaal niet naar de generaal. Geen grote gebaren, geen muziek, geen praise gezang met zwaaiende armen. Als je een huidziekte hebt dan moet je je baden in stromend water. Niet zo maar één keer maar zeven keer, het getal van de volheid. En ook vandaag gaan mensen met de huidziekte psoriasis naar de Dode Zee om een kuur te ondergaan waarbij ze baden en zwemmen en het helpt ze enorm. De dienaren van Naäman hebben door hoe het in elkaar zit. Als de profeet een hoop hocus pocus had uitgehaald en de generaal allerlei vreemde capriolen had laten uithalen dan had die generaal het graag gedaan. Beroemde genezers werken immers zo. Niet de genezers in dienst van de God van Israël dus. Die passen wetenschap toe, tegenwoordig heten ze dokters en werken ze als huisarts of specialist. En als je bereid bent die capriolen uit te halen, waarom zou je dan niet de eenvoudige recepten volgen?

Naäman geneest dus en moet weer terug naar Aram. Daar hadden ze het niet met de God van Israël. Daar hadden ze een God die in een Tempel woonde, die kon je daar ook zien, een prachtig beeld. Daar hadden ze een God van de bliksem, de donder en het onweer, Rimmon heette die daar. Die weersverschijnselen werden vaker aan goden toegedicht. De Germanen schreven ze toe aan Donar, de dondergod. Maar hoe leef je nu in het land van Rimmon als je gelooft in de God van Israël. Je kunt dat land Israël wel mee nemen, twee muildierlasten vol, maar dan heb je nog geen Tempel en geen beeld van die God. En in het Heidendom is het heel gewoon dat als je de ene God aanbidt je ook de andere God aanbidt. Dus hoe moet dat? Die generaal moet de Koning ondersteunen, dat is nu eenmaal zijn baan. Daar hoef je dus geen ruzie over te maken.

Er is een andere manier dan die Elisa had gehanteerd om Naäman te genezen. Elisa had Naäman nauwelijks willen zien. Hij had geen tovertrucs uitgehaald en ingewikkelde spreuken geroepen. Hij had Naäman geen vreemde capriolen laten uithalen en, wat misschien het belangrijkste was, hij had geen geschenken aangenomen. Het enige wat hij deed was Naäman adviseren zich zeven maal in de Jordaan te baden. Maar het kan ook anders. De knecht van Elisa, Gechazi, had aan de genezing van die rijke generaal uit Aram wel het een en ander willen verdienen. Maar goede raad is duur. Het is duidelijk dat Elisa van dat soort praktijken niks moet hebben. Dus ging Gechazi Naäman achterna en ontfrutselde hem met een smoes een paar kostbare geschenken. Die verstopte hij en met een vroom smoel melde hij zich weer bij Elisa. Hij was nergens geweest.

Nu dat heeft hij geweten, want hij was dus voortaan nergens. Hij kreeg de ziekte waarvan Naäman genezen was. Zo vergaat het leugenaars die willen verdienen aan de genezing van ernstig zieken. En toch blijven er door de eeuwen heen mensen die willen profiteren van het ongeluk van anderen. Tot in onze dagen toe. En niet alleen de kwakzalvers, instralers, magische stenenverkopers, kruidenmengers en gebedsgenezers. Zelfs eerbiedwaardige pharmaceutische industrieën met dubbel goedgekeurde medicijnen die alleen op recept mogen worden verstrekt maken zich schuldig aan de praktijken die op het gedrag van Gechazi lijken. Ze verleiden artsen met cadeau’s en pseudo congressen in luxe oorden om juist de medicijnen van hun merk voor te schrijven.

Sinds de dagen van Gechazi is er niks veranderd. Controle op de pharmaceutische industrie is er nauwelijks, zij horen immers ook bij de vrije markt. Het meest erge is dat vanwege de hang naar winst en meer winst medicijnen voor de allerarmsten in de wereld bijna onbereikbaar zijn geworden. Om te voorkomen dat wij ze kopen in arme landen zijn medicijnen ook daar duur, net zo duur als bij ons en dus onbereikbaar voor de armsten. Daar zouden we wat aan kunnen doen door pharmaceutische industrieën te weren uit de vrije markt. We zullen het verhaal daarom moeten blijven vertellen anders vergaat het ons uiteindelijk net als Gechazi, we krijgen de ziekten van hen die we hun geld uit de zak hebben geklopt.

De naaste liefhebben als onszelf, daar gaat het dus om, en om een samenleving waar dat de grondwet geworden is, waar iedereen dat doet zonder te letten op eigen gewin, op risico voor zichzelf. Als we zo’n samenleving hebben bereikt kan zelfs God zelf zijn tenten op deze aarde spannen.

Er zijn in het Christendom een aantal misverstanden. Vandaag lezen we in het Evangelie van Lucas de bron van zo’n misverstand. Uit de overlevering, en een beetje uit de officiële geschiedenis, weten we dat het met de directe volgelingen van Jezus van Nazareth uiteindelijk niet zo best is afgelopen. Een aantal van hen zijn kennelijk wreed vermoord door de Romeinse overheid. Een aantal eeuwen lang in het begin van onze jaartelling zijn christenen vervolgd omdat ze weigerden de Keizer als god te erkennen en ook om offers te brengen aan andere goden. Tot uiteindelijk Constantijn de Grote keizer werd en zich bekeerde tot het Christendom.

Toen was de vervolging over en ontstond het misverstand dat wat Jezus van Nazareth had gezegd over de gevolgen van het volgen van zijn weg alleen gold voor die vroege christenen. Maar wie nauwkeurig de geschiedenis beziet weet dat er altijd mensen zijn geweest die hun leven in dienst stelden van de minsten in de samenleving en dat die mensen altijd het risico liepen in conflict te komen met de heersende machten. Of die heersende machten zich nu Christelijk noemden of niet. Tot op de dag van vandaag maakt dat niet uit. Wat uitmaakt is of de liefde voor de naaste een gift is waar je trots op kunt zijn en waar je eer en waardigheid aan kunt ontlenen of dat die liefde voor de naaste de samenleving veranderd omdat de minsten daar weer een waardevolle plaats in krijgen.

Als de heersende macht werkelijk Christelijk is is er dus geen gevaar te duchten. De rijken en de machtigen zijn altijd gevoelig voor goede sier, maar verandering van de verhoudingen in de samenleving zijn echt gevaarlijk voor hun positie en daar zal altijd weerstand tegen zijn. Dat verzet nu is de weerstand die uitloopt op de vervolgingen die Jezus van Nazareth schetst als hij hoort praten over de mooie dingen die er in de Tempel zijn. Die mooie dingen zijn de dingen die voorbij gaan. Geen steen zal op de andere blijven. De oudste monumenten op de wereld zijn aan verval onderhevig. Als er geen conserveringsmiddelen werden uitgevonden zouden ze binnenkort verdwenen zijn.

Een aantal van de oorspronkelijke zeven wereldwonderen, allemaal bouwwerken, zijn al verdwenen in het duister van de tijd. Oorlogen en rampen hebben we ook nog steeds en goede mensen worden nog steeds vervolgd omwille van het goede dat ze doen. Elke dag is dus de vraag aan welke kant we willen staan en welke offers we bereid zijn om te brengen. Denk dus niet dat Christendom “geluk, vrede en vreugde” zal brengen, niets is minder waar.

Boven dat gedeelte uit Lucas, staat “rede over de laatste dingen” Maar eigenlijk is het een samenvatting van de geschiedenis die we sinds de uitstorting van de Heilige Geest met Pinksteren hebben meegemaakt en die we ook vandaag voor onze toekomst mogen verwachten. Zo mogen we straks de advent ingaan. Wetend dat we ons mogen bezig houden met vreemdelingen, als ze onrein zijn, dus niet meer goed kunnen functioneren is het aan ons om ze te helen, om ze weer mee te laten doen in onze samenleving, dat is het voorbeeld van Elisa. Maar we weten ook dat ons werken nooit volmaakt zal zijn, dat het altijd God is die uiteindelijk zal geven wat we nodig hebben. Maar in de zwartste duisternis komt een dag dat het licht zal schijnen van Gods aanwezigheid. Dan zal die dag komen dat hij zal komen om onder ons te wonen. Tot die dag komt mogen we elke dag opnieuw opstaan om onze naaste lief te hebben als onszelf als concret invullen van God liefhebben boven alles.

Amen.

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: 2 Koningen 4: 8-37
            Lucas 19: 41-48

Gemeente

Het zijn de donkere dagen van de herfst en de winter waarin we terecht zijn gekomen. Vorige week herdachten we de gestorvenen, morgen herdenken we dat het tijd wordt extra te letten op de armen en vieren we het Sint Maartenfeest. Vandaag herdenken onze Engelse broeders en zusters allen die gestorven zijn in oorlogen sinds het begin van de eerste wereldoorlog. Ook op onze Algemene Begraafplaats liggen een aantal Engelse militairen begraven die gestorven zijn voor onze vrijheid.

Die doden herinneren ons er aan dat er donkere dagen kunnen komen waar we op moeten zijn voorbereid. Toen ik klein was leerde ik dat je in het donker maar moest zingen, dan werd het donker minder eng en een lichtje meenemen maakte het zelfs nog een beetje gezellig. Met Sinte Maarten leren we onze kinderen dat nog altijd. Maar dat huis aan huis bedelen om eten, voor kinderen snoep, had vroeger een directe maatschappelijke betekenis. Als alle oogst binnen is, het vee geslacht en het vlees uitgehangen voor de winter dan blijken er altijd mensen te zijn bij wie de oogst is mislukt, die geen voorraad hebben kunnen vormen om te kunnen overleven. Vanouds zijn er dus een paar momenten in de winter waarop de armen huis aan huis mogen gaan om te bedelen. Sinte Maarten is daarvan de eerste, vervolgens krijgen we dan het Sinterklaasfeest, het kerstfeest met het carolen, zingen om een gift te krijgen en Driekoningen waarop met een ster een bedelrondgang wordt gemaakt. Het geheel wordt afgesloten vlak voor aswoensdag als de laatste wintervoorraad samen wordt opgemaakt op Vastenavond. We staan dus aan het begin van een wintercyclus die bijna een Bijbels verhaal over delen zou hebben kunnen zijn. De kerk heeft in de Middeleeuwen Heidense feesten gebruikt die bedoeld waren om de natuur te temmen, de goden van de natuur te bewegen af te zien van stormen en bliksem en het licht te laten terugkeren. In ons geloof is de natuur niet te temmen, maar overleven we donkere tijden door samen te delen. Onze God rijdt niet op een wit paard over de wolken, maar is te vinden bij de minsten, bij de armen.

Daarom wordt ook over de profeten wordt in de Bijbel verteld als mensen die geen eigen bron van inkomen hadden maar bedelend door het leven gingen. Elia had een tijd bij een weduwe gewoond en ook Elisa had zo een adresje waar hij kon blijven eten als hij in de buurt was.

Die vrouw in Sunam zorgt wel goed voor haar profeet. Je zou  zeggen dat zo’n vrouw, die een kamer op het dak van haar huis bouwt en die meubileert, dat voor haar eigen belang doet. Het lijkt toch zeer aantrekkelijk zo’n profeet, een godsman, op zolder te hebben die zo af en toe in ruil voor jouw gastvrijheid een wens kan vervullen, of God kan vragen een wens voor jou te vervullen. Maar de Sunamitische uit het verhaal dat we vandaag lezen gaat het kennelijk niet om  wonderen. Zij vraagt niets voor zichzelf, al heeft ze een grote wens, een zoon, een kind te krijgen. Want in een samenleving zonder pensioenvoorzieningen tel je als vrouw pas mee als je tenminste één kind hebt. Maar zelfs dat vraagt ze niet aan de profeet. Kennelijk is het haar genoeg door haar gastvrijheid dichter bij God te komen, te doen wat God vraagt, dat we delen zonder daar zelf beter van te willen worden

Maar zonder dat de vrouw wat gezegd heeft ziet de knecht van Elisa Ghehasi haar diepste wens, hij kent haar positie in haar samenleving en weet wat dat voor haar kan betekenen. Ook Eliza ziet in dat die wens in vervulling moet gaan en dus ook zal gaan als ze er maar openlijk over weet te praten. Hij brengt het gesprek er over op gang en jawel, binnen een jaar is de zoon geboren. Een gesprek op gang brengen over de diepste wensen van iemand is moeilijk genoeg. Het begint er mee het aan te durven te praten over dat wat jezelf bezig houdt, om in elk geval te vertellen dat wat we graag willen ook gezegd mag wezen. Niet alleen in een gebed dat uitgesproken wordt in de binnenste binnenkamer, maar ook met je geliefden, met je naasten. Want houden van je naasten als van jezelf is ook houden van jezelf. En als je je naasten zover weet te krijgen, dan volgen de wonderen vanzelf.

Het vervolg is weer zo’n prachtig oosters volksverhaal. Als je daar de sprookjeselementen uitfiltert blijft er een verhaal over vol liefde en vertrouwen. Het begint met een kind dat een zonnesteek oploopt. Ook in ons klimaat kan stil zitten kijken naar de werkers die aan het oogsten zijn in de hete zomerzon voor een kind niet zonder gevaar blijven. Wie niet zorgt voor schaduw en tijdig drinken zorgt er bijna voor dat een kind dan dood gaat. Dat gebeurt dan ook in dit verhaal. Al hoeft dat kind dus niet dood te zijn, maar bewusteloos is het in elk geval. De moeder kent de teleurstellingen van het leven maar heeft ook vertrouwen in de Godsdienst van de profeet. Kennelijk viert ze de religieuze feesten die in de oude boeken van Mozes worden genoemd, het maanfeest en de sabbath. Ze weet ook de weg naar het heiligdom op de Karmel, een heiligdom voor de God van Israël dat nog door Elia weer in ere was hersteld. Daar verwijt ze de profeet Elisa haar hoop te hebben gegeven, een hoop waar ze niet om heeft gevraagd. En weer vergist Elisa zich. Want weer vraagt de vrouw niets voor zichzelf, zelfs niet het leven voor haar kind. Elisa beantwoord die niet gestelde vraag door zijn knecht met zijn staf naar het kind te sturen. Een staf van een Godsman heeft immers vaak een magische kracht. De staf van Mozes was er beroemd om geworden, als Mozes die uitstrekte dan spleet de Rode Zee, of als die tegen de rotsen sloeg kwam er water. De bloeiende staf van Aäron kreeg zelfs een plek in de Ark waarin ook het verbond van heb Uw naaste lief als Uzelf werd bewaard. Maar een staf van een Godsman is geen toverstaf. Het is niet meer dan de staf van Sinterklaas, een symbool voor ambt en waardigheid, je kunt er op steunen in tijden van nood en voor een lange wandeling kan het een houvast zijn. Als je echt iemand wil helpen dan moet je zelf op pad en de handen uit de mouwen steken. Wonderen op bevel zijn er niet bij. Elisa zal mond op mond beademing moeten toepassen. Zijn adem gebruiken om de ademhaling van het kind weer aan de gang te krijgen. Zoals Gods adem de eerste mens, uit rode aarde gekneed, het leven gaf. En dat helpt uiteindelijk.

Dat kan ook vandaag helpen. Als wij stem geven aan de hongerigen, aan de naakten. Als we verder durven gaan dan het geven van geld voor verre projecten, maar bereid zijn om ook iets van onszelf te geven, als we bereid zijn rechtvaardige handelsverhoudingen tot stand te brengen. In onze gemeente zijn het jongeren die in verre en arme landen huizen bouwen voor daklozen, die scholen en buurtcentra inrichten voor kinderen. Het is goed onze jongeren te leren zich in te zetten zoals Gechazi zich inzette. Maar het helpt pas als we bereid zijn onze eigen adem, ons eigen leven in te zetten voor het delen van welvaart en leven. Daar zullen we ons vandaag op moeten richten.

Dat delen met de armen staat in de Hebreeuwse Bijbel met name voorgeschreven voor de hoogfeesten. Het Pesachfeest als de eerste gersteoogst is geweest en de bevrijding uit de slavernij van Egypte wordt herdacht, het Wekenfeest dat wij kennen als Pinksteren als de Tarweoogst wordt gevierd en herdacht wordt dat in de Sinaï de richtlijnen voor de menselijke samenleving aan het volk werd gegeven en het Loofhuttenfeest in de herfst als de tocht door de woestijn werd herdacht en alle oogst achter de rug was. Op die drie feesten moesten de gelovigen naar het Heiligdom optrekken om daar een maaltijd te houden met de priesters, de levieten, de familie, de meiden en de knechten, de slaven en slavinnen, de armen uit het dorp en de vreemdelingen die bij je woonden. Dat is nog eens godsdienstoefening, delen met iedereen die met je mee mag delen. De tocht naar Jeruzalem, waar uiteindelijk het enige heiligdom stond was dan ook een vrolijke tocht. Psalmzingen ging het daar heen, Hallelujah klonk het, psalm 117 en 118 werden gezongen. Lucas beschrijft in het gedeelte dat direct  voor het gedeelte staat dat we vandaag gelezen hebben dat Jezus op een ezel werd gehesen en ingehaald werd als een koning, zwaaiend met palmtakken en hun mantels als een rode loper over de weg spreidend speelden de mensen dat de bevrijding eindelijk aanstaande was.

 

Dat Loofhuttenfeest is overigens het enige feest dat niet in de Christelijke jaarfeesten is opgenomen. Wij kennen in onze Protestantse traditie de dankdag voor gewas en arbeid die afgelopen woensdag werd gevierd, hier in Alkmaar niet maar ik hoorde van een dominee die smorgens voor kinderen moest preken, smiddags voor tieners en savonds voor de volwassenen. Wij knopen de feestdag maar aan de eerste zondag er na vast, vandaag dus.

 

Als Jezus zo feestelijk optrekt naar Jeruzalem is het geen wonder dat als Jezus neerkijkt op Jeruzalem hij in tranen schiet. Ook dat zijn Psalmen die gezongen worden, Psalmen van droefheid over een stad die als voorbeeld voor de wereld had moeten stralen maar net zo vol misdaad, geweld en uitbuiting was als alle andere steden op de wereld. Een stad dus waarvan uiteindelijk geen steen op de andere blijft staan. Overal waar we heen reizen kunnen we dergelijke steden zien en ook in onze steden kunnen we sporen terugvinden van de oorlogen die onze geschiedenis heeft gekend.

 

Die feestelijke maaltijd in de Tempel wordt voor veel pelgrims dan ook een teleurstelling. De Bijbel had voorgeschreven dat als ze nu van heel ver komen ze de koeien en de schapen thuis mochten verkopen en met het geld op reis mochten gaan, aangekomen in Jeruzalem zou er voldoende zijn om het benodigde voor die maaltijd terug te kopen. Maar in de voorhof van de Tempel was het een markt geworden waar taltijke handelaren aan de godsdienstigheid van mensen wilden verdienen. Een industrie voor delen was het, hoe meer er gedeeld hoe rijker de handelaren werden. Jezus nam radicale maatregelen, hij joeg ze er uit. Volgens Bijbelgeleerden heeft hij dat misschien wel verschillende malen gedaan.

 

De lezingen van vandaag leren ons dus dat zorg voor de armen onze eerste plicht is. God lief hebben boven alles doe je door je naaste lief te hebben als jezelf. En van wie wil je nu de naaste zijn? Dat was de vraag die Jezus stelde in het verhaal over de Barmhartige Samaritaan, Het is de vraag die Elisa en Ghehasi zichzelf stellen, als wij die vrouw zouden zijn dan zouden we toch kinderen willen hebben. Zo kunnen wij ons inleven in de klanten van de voedselbank, daar zouden we zelf toch niet graag afhankelijk van willen zijn, maar als we er afhankelijk van zouden zijn dan weten we ook wel wat we in het wekelijks pakket zouden willen vinden. Nu daarvoor kunnen we zorgen, zo zijn we dan de naaste van de armen uit onze stad. Zo kunnen we de naaste zijn van werkers in arme landen die voor een eerlijk loon afhankelijk zijn van Fair Trade handel, niet van westerse handel die voor consumenten de goedkoopste producten leveren en voor de handelaren de grootste winst.

 

Dat delen en de samenleving zo inrichten dat delen met de armsten in de wereld voorop staat mogen we doen tot er een nieuwe Tempel op de aarde verschijnt. Het boek Openbaring schrijft ons daarover. Er komt een dag dat het delen zo voorop staat dat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komen, een aarde waar God zelf zijn tenten op zal willen richten, aan die nieuwe aarde mogen we nu al werken, elke dag opnieuw, ook vandaag. En we hoeven voor niets en niemand bang te zijn niemand kan ons afhouden  van de liefde van Christus, ook de autoriteiten in de dagen van Jezus van Nazaretg wisten niet hoe ze hem moesten vangen zolang hij in de Tempel bleef onderwijzen in delen met de armen.

 

Amen.

Read Full Post »