Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for oktober, 2013

Lezen: 1 Koningen 21
            Lukas 18: 9-14

Gemeente

 

Een lang verhaal uit de serie verhalen over Elia die dit jaar in de aanloop naar Advent op het Oecumenisch leesrooster staan. Nu horen al die verhalen over Elia bij elkaar en het is lastig elk verhaal apart te bezien.

Waar ging het ook al weer om? Het ging over de profeet Elia en over Koning Achab. In de Bijbel wordt die Achab afgeschilderd als een buitengewone slechterik en zijn vrouw Isebel zo mogelijk als een nog grotere slechterik. Maar in de geschiedenisboekjes wordt over Achab vooral verteld  hoe goed die  was, hoe slim hij was getrouwd met de dochter van de Koning van Sidon, het buurrijk van Israël, hoe goed hij ook kon profiteren van een overwinning in de oorlog.  Onder zijn leiding was er welvaart in Israël, was er ook vrede in Israël. Hij werd eigenlijk alleen voor de voeten gelopen door Elia die protesteerde tegen de toenemende invloed van de Baäl dienst in Israël die mee was gekomen met Isebel uit Sidon.

In de godsdienst van de Baäl was vruchtbaarheid en succes het belangrijkste. Wie rijk was geworden stond in de gunst van de goden, wie arm was was ook uit de gunst van de goden gevallen. Het is vandaag niet anders dan in de dagen van Elia, de armen hebben het immers toch aan zichzelf te wijten? Wie werkloos is kan immers altijd werk vinden, ook al zijn alle arbeidsplaatsen weggesaneerd. In zo’n klimaat is een Elia een lastpost. Die komt telkens vertellen dat de God van Israël met de armen is. Dat de rijken moeten zorgen dat de armoede verdwijnt. Dat rijkdom geen gunst van de goden is maar een opdracht van de enige God, de opdracht je naaste lief te hebben als je zelf, de opdracht de naaste te worden van de minsten.

Maar in de verhalen over Elia wordt ook  verteld dat profeten niet zomaar alles konden zeggen, Elia moest vluchten naar de woestijn. We hoorden ook van een weduwe en haar zoon die bijna om kwamen van de honger, in dat prachtige land van Isebel. We zagen een tweestrijd tussen Elia en honderden profeten van Baäl om het bewijs van de machtigste God voor het volk, en Elia won, Achab had nog hard moeten lopen om niet weggespoeld te worden door de regen die die God had gezonden.

 We hoorden hoe Achab wist te profiteren van een oorlog die uitdrukkelijk door de God van Israël was gewonnen. Nu is dus de vraag hoe goed of hoe slecht Achab eigenlijk was. Daarvoor moeten we het verhaal van vandaag nauwkeurig lezen. Want ook de machthebbers van vandaag maken gebruik van de taktieken die in dit verhaal gebruikt worden. We hebben het over een Koning die een paleis heeft en daarnaast een wijngaard ziet die hij als groentetuin zou kunnen gebruiken. Die koning stelt een ruil voor. Tot zover is er niks aan de hand. Dat voorstel is het goed recht van de koning. Maar de eigenaar van de wijngaard, Nabot, zijn naam betekent vruchten, weigert de akker te ruilen of te verkopen. Hij beroept zich op de verdeling door Jozua. Deze akker was bestemd om ook zijn familie, ook in moeilijke tijden, een kans op overleven te geven. Zelfs als ze die akker zouden hebben moeten verkopen uit armoede dan zouden ze die na 50 jaar weer terugkrijgen.

Dat weigeren was dus het goed recht van Nabod. Hiermee zou het verhaal afgelopen hebben moeten zijn. Maar de vrouw van Achab, Izebel, haar naam betekent Baäl prijst, liet het er niet bij zitten. De invloed van de vruchtbaarheids-godsdienst laat zich gelden. Die godsdienst van winst en profijt werkt net als vandaag de dag met list en bedrog. Of je vaardigt wetten uit die een beroep op het recht uitsluiten of moeilijker maken of je bespeelt de publieke opinie zo dat jouw zin wordt doorgedreven. Er komt in onze dagen steeds meer kritiek op griffierechten en bijdragen voor advocaten die zo hoog worden dat armen hun recht niet meer kunnen halen.

Het korten op de armen begint vaak met de dreiging van een ramp, een crisis of een oorlog op te roepen. In Israël deden ze dat in de dagen van Achab door een vastendag uit te roepen met een volksvergadering. Dan moest er wel wat aan de hand zijn. Tegenwoordig doen we dat met een persconferentie zo vlak voor het journaal waarin op plechtige toon de dreiging wordt aangekondigd. Dan komen er twee getuigen die Nabod beschuldigen van godslastering. Tegenwoordig komt er een wetenschappelijk onderzoek, of nog liever een onderzoek van veiligheidsdiensten, waarin de dreiging wordt bewezen. Dat bewijs  van die veiligheidsdiensten kunnen we niet controleren, maar we moeten evengoed handelen. Ook de stadgenoten van Nabod laten zich er toe verleiden. Alsof hij massavernietigingswapens klaar had om een aanval op het paleis te laten doen. Het loopt dus slecht af met Nabod. Net als zijn stadgenoten trappen mensen er in de loop van de geschiedenis steeds weer opnieuw in. Wij zo af en toe ook.

Elia is een diplomaat, de scherpe straf die God hem opdraagt te brengen aan Koning Achab, de honden zullen jouw bloed oplikken op de plek waar ze ook het bloed van Nabod hebben opgelikt, brengt hij in keurige diplomatieke taal over. Het is niet minder effectvol. “Je hebt een moord gepleegd” is het oordeel van Elia. Zijn er soms bestuurders die zo bang zijn voor dat oordeel dat ze een onderzoek naar hun beweegredenen om mee te doen aan de oorlog tegen Irak steeds hebben tegengehouden en toen dat niet meer mogelijk was zo lang mogelijk hebben uitgesteld? Want net zomin er Godslastering was te vinden bij Nabod, daar werd hij van beschuldigd, waren er massavernietigingswapens te vinden in Irak, de reden toch om met dat land een oorlog te beginnen.

Maar dat soort fouten maken leidt in de Bijbel zelden tot een eeuwige veroordeling. Als je dat soort fouten maakt hoeft het verhaal niet slecht af te lopen. In dit geval toont Achab berouw, hij laat op gepaste wijze zien dat hij verdriet heeft, hij trok een boetekleed aan. Dat moet je letterlijk nemen, tegenwoordig is sorry zeggen ook al het boetekleed aantrekken maar dat ziet men maar even. Bij Achab kon je dat boetekleed dag en nacht zien. Achab werd heen en weer geslingerd tussen twee culturen. De cultuur van Elia, met een strenge aanbidding van de God van Israël met uitsluiting van andere goden en de cultuur van Izebel die van de God van Israël niets wil weten maar die de vruchtbaarheidsgoden van Kanaän aanbidt, de goden van winst en profijt. In de cultuur van Isebel heerste het recht van de sterkste, in de cultuur van Elia heerste het recht van de armen. Aan de cultuur van Izebel zal ook de zoon van Achab zich niet kunnen onttrekken. De grootheid waar Achab zich mee kan tonen, met belangrijke vrienden en al, is zo verleidelijk dat machthebbers daar altijd voor zullen gaan. Ook onze machthebbers vinden het maar al te mooi als ze een kwartiertje worden ontvangen op het Witte Huis in Washington, wie daar ook president is en wat voor fouten die president ook weet te maken.

Veel mensen zullen in de komende weken ook hun vraagtekens zetten bij de afsluiting van het vriendschapsjaar tussen Rusland en Nederland. Geen debat over mensenrechten, geen debat over bestrijding van de armoede in de wereld. Geen discussie over de behandeling van alle burgers in gelijke omstandigheden op gelijke manier. Maar een avondje muziek met het beste orkest van de wereld. Het etaleren van succes wordt belangrijker gevonden dan de zorg voor de minsten. Alles wordt in dienst gesteld van winst en profijt. En de vraag blijft waar uit blijkt dat ook onze Koning regeert bij de genade van de God van Israël.

Zorg voor de armen en rechtvaardigen en vrede komen dan altijd achter de zorg voor eigen eer en eigen ambitie. Wij kunnen dat onze politici verwijten maar wij kiezen ze zelf of we kiezen voor laffe angsthazen die meer oorlog veroorzaken dan ze weten te voorkomen. En ook bij die laffe angsthazen lijkt het eigen voorkomen, de kleur van het haar en de snit van het pak met de stropdas, belangrijker dan het lot van de armen in de wijken met de goedkoopste woningen en het minste onderhoud. In de Bijbel staan er voortdurend mensen op die de grootheidswaan van regeerders aan de orde stellen. Uiteindelijk zullen in het verhaal van de Bijbel gelovigen, in die beweging van heb Uw-naaste-lief-als-Uzelf, gemeenschappen vormen die zich over de hele bewoonde wereld zouden verspreiden. Bij die beweging kunnen we ons ook vandaag weer aansluiten, om machthebbers als Achab te bewegen de goede weg te gaan, de weg van gerechtigheid en vrede.

Want om recht gaat het. Het leesrooster knipt ook bij de lezingen uit het Evangelie dat Evangelie in stukjes alsof  elk stukje een eigen boodschap heeft, maar soms dreigen we daardoor de eigenlijke betekenis mis te lopen. In de lezing die we vandaag hoorden over die Tollenaar en die Farizeeër is dat ook zo. Wij denken dan gauw dat het gaat om hoogmoed en nederigheid. Maar zo zit het niet, het gaat om recht en onrecht. Het sluit direct aan bij het culturele conflict waar ook Achab mee te maken had. In het stukje hiervoor had Jezus van Nazareth een gelijkenis verteld over bidden. Dat was het verhaal over een weduwe die onophoudelijk een rechter lastig viel die zich niets gelegen liet liggen aan de wet of aan de mensen. Maar ze had hem zo lang lastig gevallen dat hij uiteindelijk recht sprak om maar van haar af te zijn. Onophoudelijk bidden om recht, onophoudelijk voor dat recht van de weduwe opkomen daar gaat het dus om. En dat recht van de weduwe wordt net als het recht van Nabod op zijn wijngaard ontleend aan de Wet van de God van Israël.

In de dagen van Jezus van Nazareth waren het de tollenaars die het onrecht bedreven. Zij hadden het recht om tol te heffen gepacht van de Romeinen. Ze konden dat doen omdat zij ook het recht kregen zelf de tol vast te stellen en een flink deel van de opbrengst in eigen zak te steken. Dat was verkeerd, net zo verkeerd als Achab had gedaan. En Jezus van Nazareth schetst ons een tollenaar die net zo berouwvol was geworden als Achab.  Wie het verhaal van Elia kent weet dan dat de regering van de tollenaars, en daarmee van de Romeinen, zal verdwijnen, zo niet direct dan toch in de volgende generatie. Het verhaal over het gebed van de Tollenaar brengt dus hoop.

En die Farizeeër dan? Op zich zegt die niets verkeerd. Hij buit niet uit, hij pleegt geen misdrijf, hij geeft aalmoezen. Nu was er ook een profeet die het volk had veroordeeld omdat het zich op de borst had geslagen voor de vele goede werken die het had gedaan. Het is bijna als in de cultuur van de Baäl, wie succes heeft staat in de gunst van de goden en de Farizeeër bidt eigenlijk een dankgebed voor zijn voorspoed, een voorspoed die een teken is geworden dat hij het goed doet. Hij beschouwt zijn voorspoed niet meer als een opdracht om iets te doen aan het onrecht dat de Tollenaars veroorzaken, iets te doen aan de armoede onder het volk.

Over een paar dagen gaan we de Hervorming uit 1517 herdenken. De bestrijding van het voor wat hoort wat geloof. Als het geld in het kistje klinkt het zieltje in de hemel springt had er namens de Rooms Katholieke Kerk geklonken. Maarten Luther had er mee geworsteld en had uiteindelijk in de Bijbel ontdekt dat niet de goede werken tot genade leiden maar berouw over het verkeerde dat je doet. Daarbij gaat het niet om straf en beloning zoals later veel is gedacht maar om de pijn die je voelt als je een ander ziet lijden. Het kruis waaraan Jezus onschuldig werd gehangen zien we zo vaak opnieuw opgericht voor onschuldigen dat het gelovigen pijn moet blijven doen. De opdracht voor de rijken om de armoede de wereld uit te helpen blijft. Kiezen we voor het berouw van de Tollenaar of voor de eigendunk van de Farizeeër. Het blijft vragen om onze gemeenschap een stad op een berg te maken en niet danken dat we zo’n mooie gemeenschap geworden zijn. Ook niet op Hervormingsdag. De armoede is de wereld nog niet uit. Daar mogen we nog aan werken.

Het is geen verwijt dat we er niet in geslaagd zijn sinds 1517 armoede, geweld en onderdrukking van mensen de wereld uit te helpen. Jezus zelf zei al dat we de armen altijd bij ons zouden hebben. Maar ze zijn wel de toetssteen voor een gemeenschap van volgelingen van Jezus van Nazareth. Aan de vruchten herkent men immers de boom, daar waar we om bekend staan maakt ons tot een al dan niet christelijke gemeenschap. Zijn we inderdaad zoutend zout in ons deel van de stad? Zijn we hier een stad op een berg? Noemen we ons naar Jacobus omdat we ons willen blijven herinneren dat ons geloof, dat we in genade ontvangen, dood is zonder werken, zonder de naasten lief te hebben als onszelf?

We mogen blijven werken aan een wereld zonder honger, een wereld waar alle mensen mee mogen doen, waar niemand meer sterft voor zijn tijd en waar alle tranen gedroogd zullen zijn. We zullen moeten blijven werken aan de wereld tot de dag komt dat God zijn tenten op deze aarde zal spannen. Dan is het einde van onze geschiedenis aangebroken en zal er eeuwige vrede heersen op aarde. Tot die dag komt, blijven wij de bevrijding van de armen verkondigen, in woord en daad.

Amen.

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: 1 Koningen 19: 19-21
            Lucas 18:1-8

Gemeente,

 

We hebben een prachtig spreekwoord in onze taal dat tegenwoordig maar weinig meer gebruikt wordt, het is “De aanhouder wint”  Wim Kan maakte daar in een oudejaarsconference eens van “De aandeelhouder wint” om ons een spiegel voor te houden en misschien wel om duidelijk te maken dat in onze samenleving niet zozeer het recht van mensen zegeviert maar de rijkdom en de macht. De lezingen van vanmorgen roepen ons op om onophoudelijk ons met het recht van mensen te blijven bezig houden.

 

Elia is het eerste voorbeeld dat ons gegeven wordt. Hij duikt in de Bijbel zo maar op als profeet die kritiek heeft op Koning Achab. Nergens wordt iets verteld over de roeping van Elia, in het begin wordt er zelfs niet bij verteld dat hij zijn kritiek uit op bevel van de God van Israël of dat hij het woord des Heren doorgeeft zoals bij veel andere profeten verteld.

 

Het is lastig dat we soms maar van die kleine stukjes uit de Bijbel lezen. Het verhaal van Elia is een totaal verhaal. Dat hij van de Horeb weg ging en ene Elisa aantrof heeft een oorzaak en een betekenis. Wat er van die ontmoeting met Elisa verteld wordt is beter te begrijpen als je iets van de voorgeschiedenis weet.

 

Het verhaal in de Bijbel vertelt dat Elia leefde tegelijk met Koning Achab en volgens de Bijbel was die Achab een buitengewone slechterik. Zijn vrouw Isebel was zo mogelijk een nog grotere slechterik. Niet overigens naar de maatstaven die we ook vandaag nog aanleggen voor machtigen en rijken. Onder Achab bloeide de economie van Israël. Onder Achab was er ook vrede. Hij had met de omringende volken bondgenootschappen gesloten en met de machtigste buurvorst, de koning van Sidon, nog een sterkere band gesmeed, hij had diens dochter getrouwd. Die Elia had hem daarbij steeds voor de voeten gelopen. Als je bondgenoten hebt dan moet je toch ook de godsdiensten van die bondgenoten respecteren. Beetje lastig want die godsdiensten gingen over vruchtbaarheid. Wie het meest verdiende, wie het meest succes had, stond in aanzien bij de goden, wie tegenslag of ziekte had, misoogst meemaakte werd gestraft door de goden. De goeien waren dus de rijken en de slechten de armen. Volgens Elia had de God van Israël precies het omgekeerde gevraagd, voor de armen moest gezorgd worden en de rijken moesten zorgen dat de armoede verdween, het bestaan van armoede was dus een blaam voor de rijken. Elia had er op gewezen dat als er geen regen valt je nog zo met vruchtbaarheidsrituelen de aarde kan bewerken maar dan groeit er echt niks voor niemand niet.

 

Hij had dus moeten vluchten. Eerst naar de woestijn en toen het water ook daar op was vertrok hij naar Sidon om te zien wat er van arme mensen werd als je de godsdienst van Sidon volgt. Niet best dus, een weduwe en haar zoon gaan er dood aan. Alleen het delen van Elia volgens de weg van de God van Israël maakt dat het meel in de pot niet opraakt en de olie in de kruik ook niet. Het hele verhaal loopt uit op een wedstrijd van wie heeft de beste God tussen Elia en de priesters van Baäl. Elia wint, er komt weer regen en de Koning moet nog hard rennen om niet weggespoeld te worden. Voor de priesters van Baäl blijkt het een doodlopende weg te zijn. Isebel is daar zeer kwaad om, niet de mooiste staat in de gunst van de goden maar die rare woestijnbewoner met zijn bijzondere mantel. Elia vlucht weer de woestijn in en komt nu bij de Horeb.

 

Bij de Horeb had het volk ooit de richtlijnen voor de menselijke samenleving, de Wet van Mozes, de 10 geboden gekregen. Daar had het gebliksemd en gedonderd zo zwaar dat het hele volk er bang van geworden was. De vraag die bij de Horeb dus op komt is :Waar is God? Wanneer ontmoet je God? Is God in het lawaai van de massa, of in het vuur van een machtige toespraak of een intense praise song? Als je het verhaal van Elia op je laat inwerken dan kom je tot de ontdekking dat God alleen in de zorg voor een goede samenleving te vinden is. Want pas in een zachte bries hoort Elia in het gefluister dat wat goed is voor Israël.  Niks geen hoop lawaai, niks geen God die met een bliksemschicht de wereld naar zijn hand zet. Nee in het zwakke, in een zachte bries, is die God te vinden. Daar klinkt het werk dat God van Elia vraagt.

 

Er moeten nieuwe koningen worden gezalfd, een voor de noordelijke buur en een voor de zuidelijke buur. Dat die noordelijke buur niet bij Israël hoort, dus geen aanbidder van de God van Israël is, doet niet ter zake. Ook door de politiek van vreemde heersers kan het plan van God met de wereld tot stand komen. De aanbidders van die vruchtbaarheidsgoden moeten de wereld uit. Al dat succesgedoe, al dat roepen om meer, om beter en om mooier  moet tot zwijgen worden gebracht. Dat zijn de opdracht van God aan Elia en hij moet Elisa aan stellen als zijn opvolger. Zo mag hij terug naar Israël.

 

En dat kan. Als Elia terugkeert naar het volk is iedereen aan het ploegen. De strijd op de Karmel heeft weer regen gebracht en nu kan er weer voedsel voor iedereen verbouwd worden. 12 span ossen moet je niet letterlijk nemen, er waren 12 stammen in Israël en als je zoveel ossen op de akkers bezig ziet dan heb je verteld dat iedereen aan het ploegen is. Daar hoort ook Elisa bij, hij springt er als het ware uit in het verhaal. Ook de geboden van de God van Israël worden weer gevolgd want Elisa vraagt zijn vader en moeder te mogen eren. Of hij afscheid heeft genomen staat er niet bij in het verhaal. Het gaat in dit verhaal om wat anders.

 

Het gaat er om te delen van wat je hebt met de anderen. Elisa, de opvolger van Elia die deelt met iedereen. Hij wordt geroepen om met Elia mee te gaan en slacht zijn ossen, braad ze op het hout van zijn ploeg en verdeeld het onder zijn knechten, onder al die stammen van Israël bij wijze van spreken. Een houtstapel bouwen voor een vuur, ossen slachten en op dat vuur braden klinkt als een offer, Elisa offert alles wat hij nodig heeft om zijn deel van het volk in leven te houden. Maar hij hoeft er niet naar te streven de rijkste te worden, het meeste en het machtigste te hebben. Hij deelt met de anderen en mag er daarom vanuit gaan dat de anderen ooit met hem zullen delen als het nodig is.

 

 Dan gaat hij dus niet mee als de rijke boer die de profeet zou kunnen sponsoren, die een profeet voor zich kan laten werken, maar als dienaar van de profeet. De mantel blijft nog even de mantel van Elia, pas helemaal aan het eind van het optreden van Elia zal Elisa de mantel toegeworpen krijgen, nu is het dienen nog aan de orde, daar begint het mee.   In dit verhaal zit God dus in de zorg voor de wereld, de zorg ook voor de minsten in de wereld. Want van dat streven naar winst en profijt, naar altijd maar meer en beter, worden de armsten het eerst het slachtoffer.

 

En waarom is het juist nu zo belangrijk om die armen te helpen, om van je naaste te houden als van jezelf, om de naaste te willen zijn van slachtoffers die langs de weg liggen. Dat komt omdat we rijker worden als alle mensen tot hun recht komen. Die richtlijnen voor de menselijke samenleving die op de Horeb aan het volk waren gegeven waren toen bestemd voor een groep vrijgelaten slaven. Ze hadden hard moeten werken aan het bakken van tichelstenen en als er voor hen gepleit was dan werd het werk nog verzwaard. Pas door niet mee te doen aan het offeren van de eerstgeborenen, maar die in leven te houden en het bloed aan de deurpost niet van hun kinderen maar van hun lammeren te laten komen riepen ze zoveel angst voor de wraak van goden over Egypte af dat ze het land uitgejaagd waren.

 

Die slaven konden pas een echt volk worden als ieder lid van dat volk tot zijn of haar recht kwam, in vrijheid de kans kreeg zich te ontwikkelen, op te bloeien met de eigenschappen die men bij de geboorte al had meegekregen. Daarom zouden aan stammen bepaalde delen van het land worden aangewezen lezen we in de Boeken Jozua en Rechters, daarom zouden families een stuk land krijgen om van te kunnen leven. Daarom waren er bepalingen om zelfs de armsten de gelegenheid te geven zich te ontplooien, weduwen moeste hertrouwen bijvoorbeeld, akkers moesten bij de oogst gedeeld worden met de armen.

 

In die richtlijnen werd een ideale samenleving geschetst en we weten allemaal best dat het nooit ideaal is. De kansen op ontplooiing zijn ook in onze dagen voor de armen nu eenmaal kleiner als voor de rijken. Mensen in arme landen hebben nog minder kansen dan mensen in rijke landen. Voor dat recht van mensen om volwaardig en volledig mens te zijn moet je dus voortdurend opkomen.

 

En het komt nog steeds voor dat recht verkregen wordt door mensen die vasthoudend om het recht blijven vragen omdat de instanties die recht moeten verschaffen liever blij zijn er af te zijn. Tegenwoordig worden mensen daarbij geholpen door TV programma’s als Radar en Kassa want bedrijven willen nu eenmaal niet geportretteerd worden als bedrijven die mensen geen recht doen. Ze worden tegengewerkt door een overheid die de kosten voor toegang tot de rechtspraak zo hoog maakt dat de armen in ons land er nauwelijks of geen gebruik van kunnen maken.

 

Recht doen aan individuele mensen in onze samenleving is sinds de tweede helft van de vorige eeuw een item dat steeds weer om aandacht vraagt. Na de sociale rechtshulp, die inmiddels weer is weg bezuinigd, hebben we ook de Nationale Ombudsman gekregen die

er voor kan zorgen dat ook de overheid haar onderdanen recht doet. Rechtvaardig mensen behandelen is in onze samenleving de norm, we hechten er veel waarde aan. Waarom zou het dan zo weinig gebeuren?

 

In de eerste plaats omdat veel mensen niet om hun recht vragen. Dat is op zich jammer want vaak is het zo dat als aan één persoon recht is gedaan aan velen recht kan worden verschaft. Maar ook heeft het te maken met macht. TV programma’s en een Nationale Ombudsman zijn nodig omdat machthebbers en rijken misbruik maken van hun positie als het gaat om recht te verschaffen aan kleine mensen. Jezus van Nazareth raad aan om te blijven vragen om recht.

 

Bidden is voor hem kennelijk ook zorgen dat aan mensen recht wordt gedaan, want als hem gevraagd wordt wat het effect is van bidden komt hij met het verhaal over de weduwe die maar niet ophoudt. Aan het eind is er echter de vraag of er nog mensen zijn die voldoende vertrouwen hebben in het feit dat ook echt aan mensen recht kan worden gedaan. Zoals de profeten het hadden uitgedrukt die “hongeren en dorsten naar gerechtigheid”.

 

Dat is een vraag die aan ons wordt gesteld. Helpen wij mensen als hen onrecht wordt aangedaan of wanneer aan hen geen recht wordt gedaan? Hebben wij oog voor de bedrijven, overheden en instanties in onze eigen buurt, waar we misschien zelfs zelf werken, die mensen onvoldoende recht doen? Staan we naast mensen die geen recht worden gedaan? Hongeren en dorsten we inderdaad onophoudelijk naar gerechtigheid? In de woorden van Jezus van Nazareth: geloven we wel? Bidden we wel?

 

Smeken we de overheid die de weduwe afwijst om haar te helpen in het vertrouwen dat onze politici zich laten vermurwen en de armen zullen helpen als we het ze maar onophoudelijk vragen. Kloppen we op de muren van de regering met de vraag nu eindelijk de onrechtvaardige tolmuren te slopen in het vertrouwen dat wij net zo hard moeten roepen als onze broeders en zusters uit de armste landen in de wereld? Zijn we vandaag net als de

weduwe uit het verhaal? Of horen we liever bij de goddelozen van wie geen recht te verwachten is.

 

Het is om moedeloos van te worden soms. Elia vluchtte van de Karmel zelfs nadat hij de wedstrijd tussen de goden had gewonnen. Hij legde zich in de woestijn onder een struik om te sterven. Je kunt wel aan de gang blijven. Maar daar onder die struik was er een engel geweest die hem van brood en water had voorzien, die hem doorgestuurd had naar de Horeb. Ook wij worden er soms moedeloos van, altijd weer is er onrecht, altijd weer barsten oorlogen uit en doen mensen elkaar de meest vreselijkste dingen aan. Maar de verhalen als die over Jezus van Nazareth en Elia vertellen ons dat het door zal gaan. Je kunt het doorgeven aan een ander, je kunt het zelfs volhouden aan een kruis en door de dood heen.

 

Maar er zal een dag komen dat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zullen zijn. Een aarde waar God zelf zijn tenten zal willen spannen, waar alle tranen gedroogd zullen zijn, waar iedereen mee kan doen, war mensen een naam krijgen en geen nummer of categorie meer zijn,  waar vrede heerst en niemand meer bang hoeft te zijn. Dat is de dag waarop we van dag tot dag hopen maar waarvan we zeker weten dat die dag ooit zal komen. Tot dat die dag komt mogen wij blijven werken aan de komst van die nieuwe aarde, aan dat Koninkrijk dat dan zal regeren maar waar we nu al iets van mogen laten zien. Elke dag opnieuw mag dat.

 

Amen

Read Full Post »

Lezen: 1 Koningen  19:1-18

            Lukas 17:11-19

Gemeente

 

Het is vandaag de zondag voor het Werelddiakonaat en de werkgroep Zending Werelddiakonaat en Ontwikkelingssamenwerking wilde extra aandacht in deze viering voor dat werelddiakonaat. Een goede zaak want zo’n werkgroep ZWO is een permanente verkondiging van het Evangelie van Jezus van Nazareth, van de boodschap waarvoor de God van Israël zijn volk had uitgekozen, bevrijdt van de slavernij en het land dat overvloeit van melk en honing heeft geschonken. Ook uit de lezingen die we vanmorgen uit de Schriften hebben gehoord wordt dat duidelijk.

 

We moeten natuurlijk eerst weten wat dat Werelddiakonaat nu eigenlijk is. Het staat daar zo parmantig tussen de Zending en de Ontwikkelingssamenwerking maar kennelijk is Werelddiakonaat iets anders als Zending maar ook iets anders als Ontwikkelingssamenwerking. In de Protestantse Kerk Nederland valt het Werelddiakonaat onder de afdeling Kerk in Actie. We komen dus ook hier in Ouderkerk aan de Amstel in beweging als we doen aan Werelddiakonaat. Het diakonaat is volgens Handelingen de kerk binnengekomen toen de Griekssprekende weduwen in Jeruzalem klaagden dat ze minder kregen dan de Aramees sprekende weduwen in de beweging van de Weg, zoals de Christelijke Kerk genoemd werd. Zeven diakenen werden toen gekozen om voor hen te zorgen en om aan de Griekssprekenden het Evangelie te verkondigen. Want van begin af gingen woord en daad tesamen. De eerste diaken die daar het slachtoffer van werd was Stephanus die zo vurig stond te preken bij de Tempel dat hij uiteindelijk gestenigd werd. Filipus schaamde zich als diaken niet om een hoge reiziger onderweg aan te spreken en hem een les in de betekenis van het boek van de profeet Jesaja te geven.

 

Dat het Werelddiakonaat tussen Zending en Ontwikkelingssamenwerking in staat is dus niet zo vreemd. Het is verkondiging door de daad, niet exclusief voor christenen en ook niet om zieltjes te winnen als voorwaarde voor hulp maar om iets te laten zien van de komst van het Koninkrijk van God, het koninkrijk van recht en gerechtigheid.

 

En om recht en gerechtigheid gaat het. Dat zou je niet zeggen als je de lezingen van vanmorgen hoort. Vooral de lezing over de profeet Elia druipt als het ware van het bloed. Niet meer dan 7 duizend inwoners van Israël zullen er over blijven wordt aan Elia beloofd. Maar dan is het jammer dat we die verhalen altijd in kleine stukjes lezen. Het zal duidelijk zijn dat het verhaal gaat over een strijd tussen het koningshuis en de profeten van de God van Israël. Koning Achab had Israël economisch uit het slop getrokken door gunstige handelsovereenskomsten te sluiten met omringende volken. Eén verbond was wel heel sterk en dat was met Sidon, daar had hij de dochter van de Koning van Sidon getrouwd, Isebel. Maar de prijs van al dat verbondsluiten met Koningen was dat de godsdiensten van de Koningen van Kanaaän geen strobreed in de weg mocht worden gelegd. Zo sloop in de loop van de tijd de aanbidding van Baäl en Asjeera het land binnen. Dat stond wel deftig.

 

Het is als in onze dagen ook bij ons bepalen de goden van winst en profijt hoe onze samenleving er moet uit zien. Als er op zondag verdiend kan worden in winkels dan moeten de winkels op zondag open. Heel langzaam worden we slaaf gemaakt van werken en consumeren. Niet meer de zorg voor de armen, voor de minsten staat voorop, maar het behalen van winst. Zelfs de ontwikkelingssamenwerking van ons land is samengevoegd met het ministerie van Buitenlandse Handel, de hulp aan de armen moet ons zichtbaar materieel rijker maken. Dat we er het Koninkrijk van God meer dichterbij zouden kunnen halen en daardoor geestelijk rijker worden telt in ons land niet meer.  De kansel is niet de plaats om aan partijpolitiek te doen maar u zou eens moeten uitzoeken welke politieke partij nog pleit voor verhoging van de ontwikkelingssamenwerking.

 

Elia was op zoek gegaan naar het effect van de politiek van Achab. Hij had er al voor gewaarschuwd dat als de regen zou wegblijven het snel over zou zijn met de vruchtbaarheid van het land. En in de woestijn aan de oever van een beek had hij gemerkt dat de raven langzaamaan geen vlees meer konden brengen. In het buitenland, in het Sidon van Isebel had hij gemerkt dat het lot van de minsten zeker niet beter was dan onder de Wet van Mozes. Daar had hij een weduwe ontmoet in Sarfat die ondanks alle rijkdom van Sidon op het punt stond met haar zoon van honger te sterven. Alleen de godsman uit Israël en de God van Israël hadden gezorgd dat het meel in de pot en de olie in de kruik niet opraakten. Dat was nog eens hulp in hongersnood ver voordat wij er ooit aan hadden gedacht. De Bijbel geeft ons nu eenmaal het voorbeeld.

 

Elia was uiteindelijk een wedstrijd aangegaan over de vraag wie de beste God diende, die van de priesters van de Baäl of die van de God van Israël. Op de berg Karmel had Elia, had de God van Israël gewonnen en de priesters van de Baäl hadden de dood gevonden. Achab had nog hart moeten rennen om niet weggespoeld te worden door al het regenwater dat de God van Israël had gezonden.  Maar de God van Israël had niet de erkenning gekregen waarop Elia had gehoopt. Hij had zelfs moeten vluchten voor de doodsbedreiging van Isebel. En dan had de God van Israël hem laten zien waar je op moet letten als je afgoden wil bestrijden.

 

Toen Mozes met het volk bij de Horeb de richtlijnen voor de menselijke samenleving had ontvangen was dat gepaard gegaan met donderwolken en het geluid van een storm. Het antwoord van het volk was het maken en aanbidden van het Gouden Kalf geweest. Maar op diezelfde berg kon God ook verschijnen in het ruisen van de wind, in de stilte.

 

De verandering zou komen van koningen, soms van Heidense volken, die de zucht naar winst en profijt, die de aanbidding van de Baäl zat waren en daartegen in verzet zouden komen, die zou Elia moeten zalven. En het leven van Elia was niet lang genoeg om het woord van God te verkondigen, daarom moest Elia al zijn opvolger Elisa inwerken.

 

Zo moeten ook wij niet denken dat we de armoede in de wereld wel even zouden oplossen. In de zestiger en zeventiger jaren van de vorige eeuw leek het er wel eens op dat mensen dachten dat ze het nog mee zouden maken. Dat ze zouden beleven dat op de aarde geen honger meer zou zijn, dat alle oorlogen een einde hadden gevonden, dat er voor de armsten op de wereld zo gezorgd zou worden dat er geen armoede meer zou zijn. Dat lukte niet. De landen in de Verenigde Naties besloten toen dat rond de eeuwwisseling de armoede verdwenen zou moeten zijn, de mileniumdoelen werden daarvoor opgesteld. Maar ook dat zou niet lukken. De Bijbel had ons immers geleerd dat de armen altijd bij ons zouden zijn. Dat is niet bedoeld om er mee op te houden, om te denken dat het geen zin heeft door te gaan met iets van het Rijk van God te laten zien. Het vliegt je wel eens aan zoals de wanhoop bezit had genomen van Elia.

 

Maar de God van Israël had hem laten zien dat ook in stilte het werk van Gods Rijk doorgaat, dat je dat ook door moet durven geven aan je opvolgers. Jezus van Nazareth liet zijn leerlingen zien dat mensen zelf ook wel vergeten God te prijzen voor het goede dat hen overkwam. Dat de dank uit onverwachte hoek kan komen en dat je daar gevoelig voor moet zijn.

 

De Samaritanen werden door de Joden als Heidenen beschouwd, ondanks het feit dat ze ook de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel, de Torah onderhielden, ondanks het feit dat ze eigen Heiligdommen hadden waar de God van Israël werd vereerd. Ze erkenden de profeten en geschriften als de Psalmen niet en waren ooit ook getrouwd met hun heidense buren. Kortom ze deugden niet. Maar als er tien lijders aan huidvraat genezen worden dan houden er negen zich aan de wet dat ze zich door de priesters moeten laten keuren, slechts één denkt ook aan de dankbaarheid. Die dankbaarheid maakt dat je op mag staan tegen het onrecht en de onderdrukking. Het geloof dat het kan, dat het moet zal je behouden voor dat nieuwe Rijk dat komt. Zo mogen wij ook vasthouden aan de plicht voor diakonie, in woord en daad verkondigen van de bevrijding van de armen zoals Lucas dat noemde toen Jezus de 70 volgegelingen had uitgezonden. Jezus zou zijn volgelingen uiteindelijk uitzenden tot aan de einden der aarde. Daaraan hebben wij het werelddiakonaat te danken.

 

Lang werd die huidvraat aangezien voor melaatsheid maar de laatste jaren wordt aan die vertaling toch wat getwijfeld. De Naardense Bijbel blijft overigens huidvraat wel vertalen met melaatsheid. Hoe het ook zij, het was een ziekte die al voorkwam in de wetten van Mozes. En melaatsheid is tegenwoordig de zorg voor de Leprastichting die onze steun ook waard is.

In de wetten van Mozes stond  dat mensen die genezen waren zich aan de Priester moesten laten zien. Die Priester kon ze dan weer hun plaats in de samenleving teruggeven. Die plaats waren ze kwijt geraakt zolang ze besmet waren met de huidvraat. Maar een Samaritaan, dat was iemand van verdachte komaf, die werden niet tot de Joden gerekend, dat was een vreemdeling. En vreemdelingen hoefden zich helemaal niet aan de Priester te laten zien. Dat nu stelt Jezus van Nazareth ter discussie. Volgens de wetten van Mozes hadden vreemdelingen immers ook hun rechtmatige plaats in de samenleving. Je moest ze zelfs uitnodigen bij de religieuze maaltijden die je op de feestdagen met je familie, de tempelbedienden en de armen moest houden.

Waarom zouden die Priesters dan ook de vreemdelingen niet hun rechtmatige plaats in de samenleving kunnen teruggeven? Ooit had een profeet zelfs een vijandige krijgsheer die met huidvraat was besmet de huidvraat van zich af laten wassen in de Jordaan en hem een nieuwe plaats in de samenleving gegeven. Dat afwassen leek toen al wel wat op de doop die ook Johannes de Doper bij de Jordaan gepredikt had. Een nieuw leven begon voor mensen die het op een andere manier wilden proberen. En de mensen met de huidvraat wilden zeker een ander leven dan dat als buitengeslotenen. Zijn wij in onze dagen nu anders dan de 9 die niet terugkeerden bij Jezus van Nazareth?

Als je de kranten leest en de TV kijkt konden we daar wel eens heel sterk aan moeten twijfelen. Wij bekijken mensen van een andere komaf als de traditioneel Nederlandse toch ook als vreemdelingen, als mensen die buitengesloten zijn. Hoe vaak hoor je Nederlandse jongens met Marokaanse ouders niet bestempelen als “vervelende Marokaantjes” in plaats van als “lastige hangjongeren”. Die “Marokaantjes” gaan zich dus als buitengeslotenen gedragen en houden zich aan geen enkele wet of regel meer. Waarom zouden ze ook, ze horen niet bij de Marokaanse samenleving, daar weten ze de weg niet, maar ze mogen ook niet bij onze samenleving horen. Jezus van Nazareth wijst ons een andere weg, die traditie levert meer op.

 

Dat Werelddiakonaat begint dus bij ons eigen huis. Ook wij hebben de Samaritanen in ons midden, gelovigen die niet in de Hebreeuwse Bijbel en in de Christelijke Bijbel geloven maar hun God wel belijden als dezelfde God van Joden en Christenen. Als het dezelfde God is mogen we samen optrekken tegen onrecht, tegen armoede, tegen geweld en voor delen met elkaar en zorgen dat elk mens tot zijn of haar recht komt, kan opbloeien zoals God die mens op ons pad gezonden heeft.

 

De organisatie die de PKN in leven heeft geroepen voor diakonie, werelddiakonaat en ontwikkelingssamenwerking heet Kerk in Actie. Die organisatie organiseert van alles maar zamelt ook geld in. De kerk ziet er speciaal op toe dat het daar eerlijk aan toe gaat, hoewel ook de inkomens van de leiding net zo ter discussie staan als in overheidsbedrijven, semi overheidsbedrijven , en instellingen voor goede doelen. Die discussie is er misschien een teken van dat de verschillen in inkomens tussen de rijksten en de armsten in ons land te groot geworden zijn. Ook als Kerk mogen we in de praktische uitvoering van ons werk laten zien hoe dat in het Koninkrijk van God zou toegaan, de Bijbel geeft ook aan hoe het zit met de beloning van de arbeiders in de wijngaard. Maar geen macht of kracht mag en kan ons afhouden van de Liefde van Christus. Die liefde drijft ons voor in de zorg voor de minsten omdat we zeker weten dat wat we de minsten hebben aangedaan ook hem hebben aangedaan.

 

Zo denken we vandaag speciaal ook aan mensen in Uganda. Jarenlang werd dat land geteisterd door een burgeroorlog. Bevolkingsgroepen die misschien vanouds niet bij elkaar hoorden werden tegen elkaar opgezet als zouden ze niet in één land kunnen wonen. De mensen die de leiding hadden bij dat ophitsen zijn inmiddels ook door het Internationale Strafhof veroordeeld.

 

De zorg die we tegenwoordig in het Werelddiakonaat tot uiting brengen is niet meer zielig een hoopje geld sturen waarmee goedbetaalde westerse deskundigen dan de arme bevolking kunnen leren hoe de welvaart van het westen te bereiken is. Het project dat op deze zondag voor het Werelddiakonaat centraal staat brengt dat tot uiting. Na de jarenlange burgeroorlog, keren de mensen in Noord-Uganda langzamerhand weer terug naar hun dorpen. Hun huizen zijn verwoest, het land is onherkenbaar veranderd door de oorlog en de langdurige droogte. Ze proberen hun leven weer op te bouwen.

NECPA, de North East Chili Producers Association helpt hen daarbij. Het geheim van NECPA is de chilipeper. Een klein gewas, arbeidsintensief, maar sterk. Op de markt leveren chilipepers een goede prijs op. NECPA leert de boeren, vooral vrouwen, hoe ze de chilipepers kunnen telen, drogen en verkopen. Bij NECPA krijgen ze bovendien onderwijs over voeding en verzorging.

NECPA-directeur Helen Acham is trots op de gezinnen met wie ze werkt. “We begonnen alleen met vrouwen, maar nu werken wij met 10.000 huishoudens. Samen produceren zij meer dan 500 ton chilipepers. Ze verbouwen ook koffie, mais en sojabonen. Ook steeds meer mannen raken betrokken bij NECPA.”
 

Volgens mij maai ik nu het gras voor de voeten weg van de werkgroep ZWO die bij de collecte nog een toelichting op dit collectedoel geeft. Maar dan herhalen ze het maar, het kan niet genoeg benadrukt worden dat we vandaag hier een samenwerking aangaan met een eigen organisatie in Uganda die er op uit is hun eigen niveau van welvaart en welzijn te bereiken. Dat niveau is pas bereikt als er een samenleving is waarin iedereen mee kan doen, waar ook voor de zwaksten en minsten gezorgd kan worden.

 

Met die zorg mogen we doorgaan tot de jongste dag, tot God zijn tenten op aarde zal spannen en alle tranen gewist zullen zijn, de dag dat de dood niet meer regeert en er geen honger of geweld meer gekend zal worden. Tot die dag zijn wij bezig met in woord en daad

de komst van het Koninkrijk te verkondigen, met Zending, Werelddiakonaat en Ontwikkelingssamenwerking en we geven het door aan komende generaties, net als Elia deed. .

Amen.

 

Read Full Post »