Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for augustus, 2013

Lezen: Jesaja 30: 15-21
            Lucas 13:22-30

Gemeente

 

Ik hoef echt niet meer uit te leggen dat we in een tijd van crisis leven. We worden met de crisis te pas en te onpas om de oren geslagen. De werkloosheid stijgt met grote snelheid, de prijzen van huizen dalen met eenzelfde snelheid en in plaats van te lenen en te consumeren gaan we sparen en kopen we wat minder en zeker niet meer op afbetaling. Hoe komen we hier uit? In de kerk hebben we daar wel een antwoord op, maar geen passend antwoord in economische of politieke zin. Wij hebben verhalen over volken in crisissituaties en hoe die volken daaruit kwamen of hoe mensen die crises wisten te overleven. Dat gaat dus altijd met hulp van de God van Israël. In crisistijden zingt iedereen Psalm 23, ook al ga ik door een dal van diepe duisternis, uw stok en staf zijn mij tot steun.

 

Vandaag hebben we verhalen gelezen van Jesaja en van Jezus van Nazareth. Ook die leefden in tijden van crisis. Ze waren omringt door oorlog en geweld. We moeten dan wel bedenken dat het boek van de profeet Jesaja niet door 1 meneer Jesaja is geschreven en dat het Evangelie van Lucas is geschreven na het jaar 70 toen door een opstand van het volk van Israël de Tempel in Jeruzalem werd verwoest en het volk werd verspreid over het hele Romeinse Rijk, tot aan de einden der aarde.

 

Het boek van de profeet Jesaja valt in drie delen uiteen. Het eerste deel gaat over Israël voor de ballingschap. Jesaja waarschuwt voor de verkeerde praktijken van het volk, voor de verkeerde bondgenootschappen, de afgoden die ze achterna lopen, de armen die in kou komen staan. Het helpt niet, de vijand overwint, Jeruzalem wordt verwoest en het volk in ballingschap weggevoerd.

 

Het tweede deel gaat over de periode van de ballingschap. Dan spreekt Jesaja het volk moed in. Dan begint het ook met dromen, dromen over een terugkeer uit de ballingschap, over een verlosser die ze zal leiden door de woestijn terug naar Jeruzalem dat ze mooier zullen opbouwen dan voor de ballingschap. Nog klinken er waarschuwingen de Weg van de God van Israël te blijven bewandelen, zijn wet te houden van heb God lief boven alles en je naaste als jezelf, maar de gelovigen, de getrouwen, zullen terugkeren.

 

Het derde deel gaat over de teruggekeerde ballingen. Zij bouwen Jeruzalem op onder vaak moeilijke omstandigheden. Jesaja spreekt ze moed in. Hij schildert de samenleving waar ze aan bouwen als een paradijs onder de hoede van de God van Israël.

 

Het gedeelte dat we vanmorgen uit het boek van de profeet Jesaja hebben gelezen staat in het eerste deel. Overal ontstaan machtige rijken die de kleine en zwakke rijkjes opslokken en onderwerpen. Het koninkrijk Juda, waar Jeruzalem de hoofdstad van is, heeft nog een zekere zelfstandigheid omdat een van de koningen zo verstandig was om aan Assur te beloven elk jaar een schatting te betalen. Maar voor de machtigen in Juda was dat niet genoeg. Het is voor de rijken in tijden van crisis altijd erg moeilijk te verteren dat een crisis ook hen geld gaat kosten. We merken dat ook in onze dagen. Hoewel de zorg minder wordt, er gekort wordt op pensioenen en uitkeringen heeft de top van het bedrijfsleven vorig jaar zichzelf een loonsverhoging van 6 procent toegekend.

 

In de dagen van Jesaja besloten ze de muur rond Jeruzalem te versterken. De mannen van Juda moesten dat in Herendienst uitvoeren, ze kregen voor het zware werk dus niet betaald. En dus moesten de armen er voor bloeden, want als je met je handen werkt moet het werk dat je met je handen verricht wel betaald worden anders kun je moeilijk overleven. Jesaja ziet dat als een aanval op de manier waarop de God van Israël zijn volk wil zien samenleven. Daar krijgt elke arbeider een eerlijk loon, daar profiteert de machtige niet van de zwakke, daar wordt gedeeld en wordt zelfs voor de minsten gezorgd. Het is het beeld van het Koninkrijk waar ook Jezus van Nazareth in zijn prediking op voortborduurt.

 

Was er in de dagen van de eerste Jesaja nog sprake van een zelfstandig Koninkrijk Juda, Jezus van Nazareth leefde in een wereld waar alle zelfstandige koninkrijken verdwenen waren, waar alle koningen en machthebbers verantwoording moesten afleggen aan de Keizer in Rome. In het nieuwe Testament wordt die Keizer met dezelfde Griekse term aangeduid als de God van Israël of als Jezus van Nazareth, allebei zijn ze de Kurios. In de vertalingen in het Nederlands valt dat gebrek aan onderscheid weg. Als in de grondtekst God bedoeld wordt vertaalt men met Heer, als in de grondtekst de Keizer bedoeld wordt vertaalt men met Keizer. Voor de eerste Christenen was dat gebrek aan onderscheid van groot belang, ze aanbaden de Keizer niet, ze brachten de Keizer geen offers, ze aanbaden de God van Israël. Er was immers maar één God, één Heer, één Kurios?  Maar voor Romeinen was de Kurios een meneer die macht uitoefende, elke God was immers een meneer of een mevrouw, en als je een andere meneer als de Keizer tot Kurios maakte dan verwierp je de keizer dus, dan kwam je in opstand. Dan wierp je de bestaande orde om ver. Jezus zou dan ook gekruisigd worden omdat hij de Koning der Joden was, daarmee maakten de Romeinse bezetters Jezus tot God.

 

Die manier van denken, in termen van macht en ondergeschiktheid beïnvloed ons tot op de dag van vandaag. Ook wij hebben er steeds last van dat er hooggeplaatsten zijn en dat er mensen zijn die minder belangrijk zijn. Er wordt zelfs beweerd dat we eerst voor de rijken moeten zorgen want als zij geen kruimels meer hebben die van hun tafels kunnen vallen dan moeten de armen honger lijden. Een redenering die door de Bijbel krachtig wordt bestreden, denk maar eens aan wat Paulus over het avondmaal in Korinthe durft te schrijven, u eet en drinkt uzelf een oordeel.

 

Zelfs in de kringen van Jezus van Nazareth komt de vraag op wie de baas zal zijn in het Koninkrijk waar Jezus van Nazareth steeds over spreekt. Wie hoort er nu wel bij en wie hoort er niet bij. Het wordt vast een zelfstandig Koninkrijk waar ziekten genezen zijn, waar geen honger en armoede meer wordt geleden en waar zelfs de dood niet meer heerst. Jezus van Nazareth wijst er op dat je veel moeite moet doen om dat Koninkrijk van God binnen te gaan.

Denk overigens niet dat er in de Bijbel alleen in vriendelijke voorkomende woorden tegen elkaar wordt gesproken. Niets is vaak minder waar. Vooral Jezus van Nazareth kon, zo vertellen de vier Evangelieverhalen, soms onbarmhartig uithalen. Vooral tegen mensen die voor een dubbeltje op de eerste rij willen zitten. We kennen dat nog steeds, als een club wint is het aantal supporters niet te tellen, als een club verliest blijft er maar een klein clubje over. In de verhalen van Jezus van Nazareth worden heel andere maatstaven aangelegd. Daar staan de armen voorop. Wie niets heeft mag meedoen aan het Koninkrijk van recht en vrede. Wie niets heeft mag aan tafel op een feest dat voortdurend met een bruiloftsfeest wordt vergeleken. Wie geen oog heeft gehad voor het delen met de armen, wie bezig is geweest met eigen gewin en eigen profijt wordt buitengesloten. Dat zijn de rechtsverkrachters, de mensen die geen oog hadden voor het tot hun  recht laten komen van de armen, van de minsten in de samenleving, van de mensen langs de kant van de weg, van de mensen die je in de heggen en de stegen moet zoeken en moet dwingen om in te gaan.  Natuurlijk, ook die rechtsverkrachters  willen meedoen met het feest, ook zij zullen roepen dat ze zich netjes hebben gedragen, altijd oppassend zijn geweest, fatsoenlijk, ja zelfs op zondag naar de kerk te zijn gegaan.

Het helpt allemaal niet, want niet wie vooraan staat en een grote borst weet op te zetten komt als eerste voor het feest in aanmerking, maar wie hoort bij de armen. In een ander verhaal wordt de vergelijking getrokken met hen die in het struikgewas moeten slapen, langs de kant van de weg. Wie daarbij hoort, of wie voor die mensen opkomt en hen een deel van leven geeft is het feest bedoeld. De anderen zijn de rechtsverkrachters, weg er mee.

Net als in de dagen van Jesaja proberen ook in onze dagen de machtigen onder de crisis uit te komen door bondgenootschappen en het versterken van hun positie ten koste van de armen. We zullen dat moeten doorzien en het verhaal van de Bijbel er tegenover moeten stellen. Misschien is een bankenunie wel heel verstandig. Misschien moet er op de overheidsuitgaven wel bezuinigd worden. Maar waarom wordt op de zorg bezuinigd? Waarom op het speciaal onderwijs? Waarom op medicijnen voor zeldzame ziekten? Waarom is er geen maximum inkomen? Waarom komen er geen wetten die de verdeling van ons nationaal inkomen rechtvaardiger maken? Als we weer gevraagd worden een oordeel over het overheidsbeleid uit te spreken dan zullen we ons moeten afvragen of onze samenleving gaat in de richting van het Koninkrijk van God zoals Jezus ons dat geschetst heeft of in de richting van de Heidense samenlevingen waarin de rijken rijker worden en de armen steeds armer.

En moeten we ons bij die ontwikkelingen neerleggen?  Jesaja spreekt het bedreigde volk moed in. De God van Israël is een God van recht, die God laat alle mensen tot hun recht komen, met name de armen, met name de minsten. Jezus van Nazareth roept op om hard te werken om door de smalle poort te gaan. Het gaat er daarbij niet om hoe innig je met Jezus bent omgegaan, welke bijzondere persoonlijke relatie je wel niet met hem hebt gehad. Het gaat er om of je de mensen die hij aan zijn tafel heeft genodigd meegenomen hebt, of je die mensen tot hun recht hebt laten komen.

Jezus zal zijn volgelingen een gelijkenis vertellen waarin de knechten van de koning die zijn bruiloft wil vieren er worden uitgestuurd om de minsten uit de stad te dwingen om in te gaan. Wie die uitnodiging te gemakkelijk aanvaard, wie niet bereid is te veranderen in bruiloftsgast, wordt uitgeworpen. Die oproep tot de knechten geldt ook ons en tegelijkertijd mogen we ons rekenen tot de minsten in de samenleving, wij hoeven de baas niet te spelen over anderen, wij zijn bruiloftsgasten die een feest gaan vieren, het feest van allemaal samen, het feest van breken en delen, het feest waarbij de rijken wachten op de armen zodat er gefeest kan worden zonder onderscheid.

Het is een hard oordeel dat Jezus van Nazareth hier schetst. Ook als je je netjes gedraagd, als je leeft met Jezus dan nog kun je worden buitengesloten. Daar zal geween zijn en het gekners van tanden. Het beeld sluit aan bij het beeld van de Griekse en Romeinse godsdiensten. Er waren Elyseese velden en was de onderwereld. In de Elyseese velden leefden de overledenen als in een Paradijs, in het Hades werden de misdadigers gestrafd. Dit beeld past niet in de Bijbelse traditie. Daar werd de mens weer tot het stof waaruit God hem had gevormd, de adem die God had ingeblazen en hem leven had gegeven keerde weer terug naar God. Maar die Grieks-Romeinse godsdienst had na de dagen van de Makkabeeën invloed uitgeoefend op het Joodse denken. Tijdens de bezetting door de Grieken, die aan de bezetting door de Romeinen vooraf ging, was er een wrede vervolging geweest van hen die wilden vasthouden aan de Joodse godsdienst. Geen aanbidding van mensen, geen beelden in de Tempel in Jeruzalem. In het eerste boek Makkabeeën, een apocrief boek dat goed is om te lezen maar net niet in de Bijbel staat lees je over die wrede vervolging. In het boek Daniël hadden de gelovigen gelezen over een Mensenzoon die zou komen op de wolken om de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen te oordelen. Jezus noemt zichzelf vaak de Mensenzoon. En veel van zijn toehoorders waren er van overtuigd dat er een dag zou komen dat die wrede onderdrukkers van gelovigen door God veroordeeld zouden worden en dat de slachtoffers opgenomen zullen worden in het Paradijs.

Kun je nu de toegang tot het Koninkrijk van God verdienen? De Bijbel leert ons dat alleen op grond van het geloof in God de toegang mogelijk is. Maar hoe zit het dan met die oproep om aan de slag te gaan? In een andere gelijkenis wijst Jezus op de bomen, aan de vruchten van de boom herkent men welke boom dat is, met nuttige voedende vruchten, of met giftige dodende vruchten. Dat werk is dus niet om de genade van God te verdienen, om een plaatsje in de hemel te verwerven. Dat werk is het teken dat we geloven. Jacobus zal veel later schrijven dat geloof zonder werken dood geloof is. Als je aan de slag gaat voor het werk voor dat Koninkrijk dan is de beloning niet meer belangrijk. Dan ligt de beloning in de vreugde die oplicht in de ogen van de zwakke die gesterkt wordt, de bedroefde die getroost wordt, de minste die wordt opgericht. Veel gelovigen zeggen dan ook dat God te ontmoeten is in de ogen van de naaste. Het gaat er dus niet om gerechtvaardigd te worden door goede werken, maar om het kwade te bestrijden door het goede, door niet dan het goede. Het gaat er om om mensen tot hun recht te laten komen die elk recht wordt ontzegd, het gaat er om om van wegwerpmensen mensen van de Weg van Jezus van Nazareth te maken.  

In onze dagen is de vraag of je meedoet met Amnesty International in het bezoeken van gevangen, of je meedoet met de voedselbanken in het voeden van de hongerigen, of je meedoet met de Fair Trade in het rechtvaardig belonen van mensen die voor ons goederen hebben gemaakt. Die lijst is eindeloos uit te breiden, naar kleding die in vrijheid moet zijn gemaakt, naar bedroefden die getroost kunnen worden ook hier in Nieuwe Niedorp, naar zieken die verzorgd moeten worden, gehandicapten die een plaats in onze samenleving verdienen, werklozen die het respect van hun omgeving niet mogen verliezen en noem maar op. Wie de Bijbel leest en de oren weet te openen voor het geschrei van de verdrukten kan altijd aan de slag aan de bouw van het Koninkrijk van God. Samen in een kerkelijke gemeenschap kunnen we laten zien wat het geloof in dat Koninkrijk, in de macht van de God van dat Koninkrijk allemaal wel niet tot stand kan brengen.

Elke morgen mogen we daarmee opnieuw beginnen, tot de dag komt dat hijzelf zal komen en het einde van onze geschiedenis bereikt zal zijn. Dan zullen alle tranen gedroogd zijn en zal de dood niet meer heersten, dan zal God zelf zijn tenten op deze aarde spannen. Tot die tijd wacht ons het werk aan Zijn koninkrijk.

Amen

 

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: Jeremia 23:23-29
            Lucas 12: 49-56

Gemeente,

 

We leven in de laatste dagen van de zomervakantie. Altijd een verwarrende tijd. De televisie liet afgelopen maandag al beelden zien van juichende kinderen die weer terug mochten naar de basisschool. Geschrokken ouders renden naar de kalender om te kijken of ze zich vergist hadden. Maar ons land is in verschillende regio”s opgedeeld dus in de ene stad eindigt de vakantie eerder dan in de andere. En het voortgezet onderwijs heeft dan ook nog vaak een week langer vakantie. Toch neemt het gewone leven van alledag, van werkdagen en rustdagen weer z’n loop. Al staat het ritme van rustdagen onder druk. Er zijn nu eenmaal machten die ons graag de slaven willen maken van productie en consumptie, zeven maal vierentwintig uur moeten we daarmee bezig zijn. De ene dag in de week waarop we allemaal vrij zijn en dus kunnen getuigen van de bevrijding van het slavenbestaan moet verdwijnen. Geen wonder dat veel mensen daartegen in verzet komen.

 

Maar het einde van de vakantie betekent nog niet het einde van de verwarring. Ook hier in de Protestantse Kerk van Alkmaar breken spannende en voor veel mensen verwarrende tijden aan. Er gaan kerken dicht, er vertrekken predikanten. In januari gaat de Terp dicht, komende tijd vertrekt dominee Stam. Komt dan de dominee van Oudorp naar Noord? Het zou wel voor de hand liggen, maar ook ik weet het niet. Waar moeten we heen, wie zal het ons zeggen?

 

De verhalen die we vanmorgen uit de Bijbel hebben gelezen gaan ook over die verwarring. Allerlei mensen proberen het volk warm te laten lopen voor hun dromen. Dromen van rijkdom en welvaart natuurlijk, daar zijn we het meest gevoelig voor. Ook in onze dagen. Hele straten en wijken kunnen schat hemeltje rijk worden als we allemaal maar de loten kopen die ons die rijkdom beloven.

 

Jeremia leefde ook in zo’n verwarrende tijd. Machten en krachten spanden zich samen om wereldrijken te vormen. Wereldrijken die konden profiteren van al de schatten van de volken die ze hadden onderworpen. Ook Israël werd bedreigd en Koningen zochten steun bij profeten om te weten wat hen te doen stond. Profeten stonden tegen elkaar op, ze hadden allemaal dromen van een nieuwe wereld waar Israël een prachtige plaats in zou nemen. Wat daarvoor nodig was waren bondgenootschappen met de juiste machtige wereldrijken, of juist met de kleine landjes rondom Israël tegen de machtige wereldrijken, eendracht maakt macht nietwaar. Tot verbazing van Jeremia zeiden die profeten allemaal dat ze in de naam van de God van Israël spraken maar hadden ze het geen van allen over de boodschap die de God van Israël vanouds had gegeven, over het verbond dat hij met het volk had gesloten.

 

De valse profeten kunnen gelovigen krijgen omdat we geneigd zijn de goden als mannetjes en vrouwtjes te zien. Als Zeus op de Olympus en Poseidon op de bodem van de Zee. Op onze scholen worden deze beelden van goden ook onderwezen. Op de gymnasia moeten kinderen nog steeds de Griekse en Latijnse mythen over goden en godinnen vertalen. Dat mensen goden kunnen worden wordt ons dagelijks voorgehouden in wedstrijden en televisiekwizzen. Mensen kunnen zelfs met de doden spreken en door water in te stralen geluk brengen en genezing van kwalen. Ja er zijn zelfs mensen die in de Naam van onze God in grote shows en tegen betaling ongeneeslijk geachte ziekten kunnen genezen.

 

In het gedeelte dat we vandaag hebben gelezen geeft Jeremia de boodschap van de God van Israël door zoals hij die heeft verstaan. Op het eerste gezicht ook een verwarrende boodschap. De God van Israël is zowel dichtbij als veraf. Voor wie de Bijbel kent is de boodschap van Jeremia wat minder verwarrend. De boodschap dat God dichtbij is maar ook veraf kan zijn komt vaker in de Bijbel voor. God is dichtbij de mensen die op hem vertrouwen, die kracht nodig hebben om de kinderen van God, de minsten in de samenleving te helpen. God houdt zich ver van hen die het kwaad zoeken, die uitbuiten en onderdrukken, die geweld gebruiken en zich sterker achten dan wat en wie dan ook, God is ver van de goddelozen zegt de spreukendichter. Natuurlijk heeft God weet van dat alles. Het is dan niet het grote boze oog dat alles en iedereen bespiedt, maar God hoort het gebed van hen die op hem bouwen en God hoort het geschrei van allen die in verdrukking leven. De dromen van profeten horen dus geen gemakkelijke dromen van welvaart en welzijn te zijn, de echte dromen die vertellen over de God van Israël zijn dromen van bevrijding, bevrijding van slavernij, bevrijding van de dood, bevrijding van de slaven en de armen. De God van Israël is dus geen mannetjesputter. Het is een God die elk verstand te boven gaat, maar tegelijk is het een menselijke God, een God vol liefde en barmhartigheid. Noemen we het kwaad meestal onmenselijk, de liefde die de God van Israël ons biedt maakt ons juist menselijk tot op het bot.

 

De dromen die ingegeven zijn door de God van Israël zijn als een vuur, als een vuur dat het goud zuivert van ongerechtigheden, zijn als een moker die de rots verbrijzelt, de rots die het water vasthoud dat de woestijn tot bloei moet brengen zodat er voor iedereen te eten is en er geen honger meer kan heersen. De aarde is immers vruchtbaar geschapen en vruchtbaarheidsgoden als Baäl horen in het volk geen rol te spelen. Voor ons betekent dat dat de goden van winst en profijt niet de redding voor de armen brengen maar het gebod van de God van Israël om te delen met de behoeftigen de bevrijding zal brengen. Alleen van delen worden we immers rijker. Het napraten van al die profeten die de banken sterker willen maken, die de rijken rijker willen maken, die de verhoging van inkomens met zes procent van de top van het bedrijfsleven verdedigen en daarmee de verlaging van pensioenen en uitkeringen proberen te rechtvaardigen worden door de God van Israël ontmaskerd als bedrog.

 

Ook Jezus van Nazareth lijkt verwarring te zaaien. Is hij niet bij uitstek het symbool van de vrede, hebben we het over hem niet als we het hebben over de vrede des heren? Zingen we hem met kerst niet toe als de vredevorst? Hoe kan hij dan zeggen gekomen te zijn om mensen tegen elkaar op te zetten? Van vijf in een huis zullen er drie tegen twee zijn, vaders en zoons staan tegen elkaar op en moeders tegen hun dochters. Jezus zou wel een vuur willen zijn, ook hij moet de doop ondergaan. En in die beelden lost zich de verwarring op. Dat vuur is een louterend vuur, de doop is de doop tot afwassing van de zonden. Al die leugenachtige dromen worden afgewassen en weggebrand. Wij hebben ze in onze dagen in de crisis ten onder zien gaan.

 

Weten we nog van de dromen van de expolitieagent uit Wognum? Die met zijn leningen de hemel op aarde beloofde? Nieuwe televisietoestellen, nieuwe keukens, nieuwe auto’s. Je deed je gezin tekort als je niet meeging in de jacht naar nieuwste en het beste en leningen sluiten was toch de snelste manier om je familie bij de tijd te brengen. De hypotheken werden opgehoogd tot ver boven de waarde van de huizen waar ze op werden afgesloten. Banken gingen mee in het spel van schulden die tot bezittingen werden. Wie uiteindelijk de rekening zou moeten betalen was geen vraag. Hoe meer schulden je schiep hoe rijker je werd. Die zeepbellen zijn doorgeprikt, die dromen tot leugens geworden. We consumeren niet meer boven onze macht, we sparen eerst. En de zwakken zijn het slachtoffer gebleken van de hoogmoed en valse dromen. Zij moeten zich wenden tot de voedselbanken omdat de schulden toch afbetaald moeten worden, in elk geval tot ze zijn gesaneerd.

 

En we weten het wel zegt het verhaal van Lucas. We weten toch ook van het weer? Als er donkere wolken komen op een warme zomerdag komt er gedonder, dan breekt een onweer los. En een onweer hoeft niet altijd slecht te zijn. Natuurlijk als er windstoten komen die bomen ontwortelen, dan lopen mensen gevaar, dan kunnen mensen verongelukken, dan sterft een meisje dat lag te slapen. Maar we zagen het aankomen. Maar een onweersbui op een drukkend warme zomerdag kan ook zeer verfrissend uitwerken. Het koelt niet af maar er komt als het ware weer lucht en adem, je kunt je weer bewegen en wordt niet langer terneergedrukt. Die verfrissing verbindt de Bijbel met de doop, die geeft je nieuw leven.

 

Met de wolk in het westen die regen brengt duidt Jezus nog op een ander verhaal. Op een verhaal over het dienen van afgoden, het achterna lopen van de goden van vruchtbaarheid, de goden van winst en profijt, die goden die meer en steeds meer beloofden. Daar kwam een profeet tegen op. Zeven jaar was het droog in Israël. Toen gingen de priesters van de vruchtbaarheidsgoden de strijd aan met de profeet van de God van Israël, die liet zijn knecht uitkijken naar de wolkje in het westen en wist toen het verscheen dat de droogte voorbij was, dat verfrissend water het land zou schoonspoelen zodat het gewas weer kon groeien en de honger gestild kon worden.

 

Jezus roept hier op om toch te blijven nadenken over de ontwikkelingen in je eigen samenleving. We weten best dat overeten tot allerlei ziekten leidt, dat drank meer kapot maakt dan je lief is, dat onveilig vrijen tot allerlei ellende kan leiden, dat het niet laten inenten van je kinderen niet alleen je eigen kinderen maar ook andere kinderen in gevaar kan brengen. En je weet dat een oorlogszuchtige houding tegen anderen tot oorlog en geweld kan leiden. De eerste Christenen hebben dat meegemaakt in de grote opstand in het jaar 70 toen de Tempel verwoest werd en het volk werd verspreid over het hele Romeinse Rijk. Lucas heeft zijn Evangelie geschreven na die Grote Opstand en je leest als het ware hier een waarschuwing terug. De Christenen hadden overigens niet aan die opstand meegedaan en dat werd hen nogal kwalijk genomen. En hoewel de Bijbel zegt dat een huis dat tegen zichzelf verdeeld is geen stand kan houden geeft Jezus hier de eerste Christengemeenten ook hun verdediging in handen, zij hadden wel de vernietigende storm in de verte gezien en zich er verre van gehouden.

 

Ook wij zullen om ons heen moeten blijven kijken om te zien of onze wereld gaat in de richting die de Bijbel ons schetst. Gaan we werkelijk naar een wereld waar alle honger gestild is alle dorst gelaafd? Waar iedereen bereid is te delen met de naaste? Waar oorlogen in vrede zijn herschapen? Een wereld waar de dood niet meer heerst en alle tranen zijn gedroogd? Wonen wij in een wereld waar je veilig kan zeggen dat hier de God van de Hemel wel zijn tenten zou kunnen opslaan? Wie eerlijk is zal zeggen dat het lang nog niet zo ver is. Dat we nog heel wat moeten doen voor het nieuwe Jeruzalem is gebouwd. Ja dat als we mee willen bouwen aan dat nieuwe Jeruzalem we er goed aan doen nog eens de boeken van Ezra en Nehemia te lezen waar beschreven wordt hoe Jeruzalem werd herbouwd met de troffel in de ene en het zwaard in de andere hand.

 

De verwarring die we vandaag in de verhalen uit de Bijbel hebben gelezen is er eigenlijk altijd wel. Die verwarring hoeft ons niet te ontmoedigen. De Bijbel geeft geen gemakkelijk verhaal over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde die er komen. De vrede van Christus in je hart komt ook in de vorm van onvrede over wat er in de wereld aan de gang is. Die onvrede kan je plagen, voelt soms als een brandend vuur. Gelovigen in de Weg van Jezus van Nazareth worden beschreven als hongerigen en dorstigen. Ze hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Dat zijn geen blije vrolijke gevoelens van Haleluja God is Liefde en wij zijn in Christus, welk een vriend is onze Jezus dat hij ons opzadelt met onrust en onze harten in ons doet branden van verlangen naar een andere wereld. Ik verzeker u het is veel rustiger in je leven als je je neerlegt bij de wereld zoals die nu eenmaal is en genoegen neemt met de slavernij die jou en vooral anderen wordt opgelegd door de machten en krachten van deze wereld.

 

Maar als we geraakt zijn door de Liefde van de God van Israël zoals we die in Jezus hebben leren kennen. Als we weten dat de God nooit laat varen het werk dat zijn hand ooit begon en dat we aan dat werk mee mogen doen, elke dag opnieuw. Dat die God barmhartig en lankmoedig is, elke dag voor ons de zon weer doet opgaan, elke dag zorgt dat er mensen opstaan tegen onrecht en geweld en dat hij ook ons daartegen wil laten opstaan. Dan kunnen we niet anders. Dan vormen we een gemeenschap die hier in Alkmaar schittert als een stad op een berg. Dan kruipen we niet weg in kleine kerkjes maar zetten we de deuren open en zoeken de mensen aan de kant van de weg op, dan kijken we in heggen en onder bruggen waar de armen zijn en dwingen ze om in te gaan.

 

Totdat de Mensenzoon zal komen, tot dat die jongste dag zal aanbreken dat alle leed geleden zal zijn en aan alle verwarring een einde gekomen zal zijn.

 

Amen.


Read Full Post »

Lezen: Jesaja 65: 17-25
            Lucas 12: 32-40

Gemeente,

 

Vanmorgen gaat het over dromen, dromen van een betere wereld. Maar dromen zijn bedrog, dat was tenminste de titel van de hit van een voormalig stadgenoot van mij, Marco Borsato. Hij bracht het plaatje uit in augustus, net zo’n warme augustusmaand als we nu hebben. En vanuit de studio reed hij op zijn motor naar huis in Alkmaar om onderweg toch even te stoppen bij de studio van de locale omroep. Daar zat ik plaatjes te draaien. Marco had een droom. Hij wilde een gevierd artiest worden, net als zijn vader geweest was. Die was nu met pensioen en woonde weer in Italië. Maar het Italiaanse repertoire van Marco werd wel gewaardeerd maar maakte hem nog niet tot een groot artiest. Eén nummer had hij in het Nederlands opgenomen, over zijn grootvader. Op dat nummer kwam men steeds terug. En nu had hij een nieuw Nederlands nummer opgenomen met als bedoeling voortaan in het Nederlands door te gaan. Hij was zenuwachtig want er hing nog al wat van af voor hem. U kent het verloop, hij scoorde een megahit. Misschien waren dromen wel bedrog maar zijn droom was door dit plaatje uitgekomen.

 

Vanmorgen hebben we ook over zulke dromen gelezen. Dromen die nog steeds moeten uitkomen, maar waarvan we vinden dat ze zullen moeten uitkomen. Want het is toch prachtig zo’n droom zoals die van Jesaja.  Geen babysterfte meer, geen voortijdig overlijden, mensen gaan pas na hun 100 ste geboortedag dood, Jesaja droomt niet van een eeuwig leven. Niemand meer die je oogst steelt, die je huis van je afpakt, die je kinderen misbruiken. Zelfs voor de wilde dieren hoef je niet meer bang te zijn, de wolf en het lam zullen samen weiden en het kind zal spelen in het hol van de slang. De leeuw en het rund eten beiden stro. Het is zo nieuw dat alles wat goed gegaan is in het verleden er bij verbleekt, het is totaal anders dan wat er ooit geweest is. Mooie droom. Geweldige poëzie. Heerlijk om op een zondagmorgen naar te luisteren. Maar als we straks de deur uitlopen klinkt weer het lied van Marco Borsato, Dromen zijn bedrog. Marco heeft overigens bewezen dat zijn lied bedrog is. Zijn droom kwam uit en zijn droom was zeker geen bedrog. Of de droom van Jesaja wel of geen bedrog is moeten we afwachten. Wij geloven er in, wij gaan naar de Kerk om zondag aan zondag van die droom te horen en van die droom te leven. Dat was ook de bedoeling van Jesaja.

 

Het boek van de profeet Jesaja valt in drie delen uiteen. Het eerste deel gaat over Israël voor de ballingschap. Jesaja waarschuwt voor de verkeerde praktijken van het volk, voor de verkeerde bondgenootschappen, de afgoden die ze achterna lopen, de armen die in kou komen staan. Het helpt niet, de vijand overwint, Jeruzalem wordt verwoest en het volk in ballingschap weggevoerd.

 

Het tweede deel gaat over de periode van de ballingschap. Dan spreekt Jesaja het volk moet in. Dan begint het ook met dromen, dromen over een terugkeer uit de ballingschap, over een verlosser die ze zal leiden door de woestijn terug naar Jeruzalem dat ze mooier zullen opbouwen dan voor de ballingschap. Nog klinken er waarschuwingen de Weg van de God van Israël te blijven bewandelen, zijn wet te houden van heb God lief boven alles en je naaste als jezelf, maar de gelovigen, de getrouwen, zullen terugkeren.

 

Het derde deel gaat over de teruggekeerde ballingen. Zij bouwen Jeruzalem op onder vaak moeilijke omstandigheden. Jesaja spreekt ze moed in. Hij schildert de samenleving waar ze aan bouwen als een paradijs onder de hoede van de God van Israël. Het deel dat we vanmorgen hebben gehoord staat in dat derde deel van het boek van Jesaja.

 

Als je dat boek van de profeet Jesaja leest dan snap je direct dat er niet 1 meneer Jesaja geweest is die dit boek heeft geschreven. Daarvoor was de ballingschap te lang. Geleerden nemen aan dat er een profetenschool geweest is die er al voor de ballingschap was en die zich vasthield aan de droom die er altijd al was. De droom van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. In het boek van de profeet Jesaja staat dan ook als uitspraak van God: Ik ga iets nieuws beginnen, het is al begonnen, zie je het niet. Zo is het verhaal over Israël doorverteld en opgeschreven. In het eerste deel werd een verlosser beloofd en toen Keizer Cyrus het bevel gaf dat de Joden terug moesten keren en Jeruzalem weer op moesten bouwen werd hij in het tweede deel als verlosser begroet,

 

Het gedeelte dat we vanmorgen gelezen hebben komt uit het derde deel. De ballingen zijn teruggekeerd en Jeruzalem wordt herbouwd, net als de tempel. Dat gaat niet zonder slag of stoot. De Bijbel heeft geen gladde praatjes over gelovigen die op hun knieën vallen en die dan wonderen overkomen van plotseling herstel of welvaart en vruchtbaarheid. Voor het goede geldt het zelfde als voor het voedsel, in het zweet van uw voorhoofd zult gij werken. In Jeruzalem moesten de herbouwers in de ene hand de troffel en in de andere hand het zwaard hanteren lezen we bij de profeten Ezra en Nehemia. Die herbouwers hadden dus dringend de behoefte aan een visioen, een doel om naar te streven met het vertrouwen dat het doel ook behaald zal worden. Dat visioen geeft Jesaja hen in het gedeelte van vanmorgen. Dat visioen gaat de herbouw ver te boven. Maar Jesaja kent ook de wijsheidsliteratuur van Israël. In spreuken 29 lezen we immers: Waar het visioen ontbreekt verwilderd het volk, zoals de Willibrordvertaling het weergeeft, de Nieuwe Bijbelvertaling heeft het hier over de profetie, maar dat is eigenlijk hetzelfde. Dromen houden ons in beweging, dromen maken van onze wereld een betere wereld en als we dromen en idealen verliezen is het de dood in de pot.

 

Eigenlijk is dat ook de boodschap die Jezus van Nazareth zijn volgelingen geeft. Die 120 volgelingen, mannen en vrouwen van allerlei slag, afkomst en leeftijd, vormen in het Romeinse Rijk maar een kleine kudde. Toch is er voortdurend de suggestie dat zij met hun manier van leven en tegen de wereld aankijken het hele grote en sterke Romeinse Rijk zullen overwinnen. Je zou er bang van worden, zo’n handjevol mensen, twaalf mannen die hebben leren spreken, een aantal vrouwen die de gemeente hebben onderhouden van hun vermogen, Jezus begint dan ook met vreest niet, hetzelfde vreest niet als tegen de herders in Bethlehem werd gesproken. Jezus gebruikt hier een beeld dat ook gebruikt wordt door de profeet Jesaja, een kleine kudde, maar van groot belang omdat die kudde kan aangroeien. Als water in een waterval zou die kudden van de bergen stromen naar Jeruzalem, naar het uitgedroogde land Israël en die steppe, die woestijn zou weer gaan bloeien.

Heel vaak roepen ook wij in de kerken op om alvast met de bouw van het Koninkrijk van recht en vrede te beginnen. Breek de onrechtvaardige tolmuren af, zorg voor een samenleving waaraan iedereen mee kan doen en zorg bij conflicten als eerste voor de slachtoffers. Dat doen we op grond van de boodschap die uit de Bijbel tot ons komt. Toch is die Bijbel al heel lang geleden geschreven, tot stand gekomen kunnen we zelfs beter zeggen, want op sommige plaatsen hebben er veel mensen meegeschreven om ons één enkel Bijbelboek te geven. Ook de schrijver van het Evangelie van Lucas gebruikte verschillende bronnen om zijn, of haar, Evangelie samen te stellen.

Het is dan ook voor velen moeilijk te geloven dat elk moment de Heer kan terugkeren. Dat was misschien de vaste overtuiging in Israël in de dagen van Jezus van Nazareth, een overtuiging die de mensen inspireerde tot de grote opstand in het jaar 70. Het was de overtuiging van de eerste Christengemeenten na het jaar 70 toen de Tempel verwoest was en het volk werd verspreid over het hele Romeinse Rijk tot aan de einden der aarde. Nu zou de Mensenzoon komen die al in het boek Daniël werd genoemd en die zou oordelen de levenden en de doden en alle misdadigers tegen de menselijkheid zou veroordelen en uit zou werpen in de buitenste duisternis waar geween was en tandengeknars. Maar dat is zo lang geleden, die stellige verwachting dat het nog een korte tijd zou duren voordat de jongste dag zou aanbreken is niet uitgekomen.

Is het dan reëel om op te roepen tot de bouw van het Koninkrijk van God zoals Jezus van Nazareth ons dat heeft geleerd nu de wereld voortdurend verder van dat Koninkrijk lijkt af te dwalen? Het is of we elke dag opnieuw mogen beginnen met de bouw aan dat Koninkrijk. Hebben we de kinderarbeid afgeschaft, dan blijken onze kleren door in slavernij gehouden kinderen worden gemaakt. Hebben we vrouwen gelijke rechten en gelijke kansen gegeven tot in onze kerken toe, blijken ze door vreemdelingen thuis gehouden te worden onder het mom dat de positie van de vrouw helemaal afhankelijk is van haar man. En zo kunnen we doorgaan. Als we een gemeenschap willen vormen met mensen die, zoals in de Ramadan weer is gebleken, gastvrijheid en de zorg voor de armen voorop hebben staan  dan wordt er haat gezaaid tussen hen en ons.

Haatzaaien lijkt toch alleen een misdrijf voor hen die niet in Nederland geboren zijn, alles wat afwijkt van je eigen mening mag je als je Nederlander bent beschimpen en belasteren en mensen die zich anders gedragen worden geschopt en geslagen. Wat moeten wij dan met een oproep om ons te gedragen of dat Koninkrijk om de hoek ligt, voor het grijpen. Wat moeten wij dan met de vermaning ons te gedragen of alle mensen mee mogen doen in dat nieuwe Koninkrijk?

Toch is dat beeld van dat nieuwe Koninkrijk uitermate nuttig. Als je een baan hebt, gezond bent, een relatie met iemand hebt die je bevalt, een gezin weet te vormen, weet te genieten van de schoonheid om je heen, een goede woning hebt en met niemand een echt conflict dan lijkt het soms of voor jou dat Koninkrijk al is aangebroken. Je mag je zegeningen tellen en als je ze een voor een telt lijken er een heleboel te zijn. Maar als je dan dat beeld van dat Koninkrijk van God op je in laat werken dan kriebelt het, dan gaat het knellen zoals in dat lied van Ad den Besten dat we hebben gezongen, maar wij rijken, ach wij blijken hard en onverstoord. Dat is niet bedoeld om ons een schuldgevoel te bezorgen, maar ons in beweging te zetten. Die zegeningen die we voor onszelf kunnen tellen, die we bij anderen zien, zijn dus mogelijk. De Bijbel zegt dat ze voor iedereen mogelijk zijn. Daarvoor moeten we wel aan het werk.

We moeten onze bezittingen verkopen. Hebben we dan armoede als huisgenoot nodig, zoals de Griekse filosoof Seneca ons opdroeg? Zo is deze uitspraak van Jezus wel vaak in kloosters verstaan, geef al wat je bezit op en ga als bezitloze door het leven. Maar het vervolg van de tekst leert ons dat dit niet bedoeld wordt. Daar gaat het over beurzen die niet oud worden. En een beurs wordt niet oud als je die voortdurend ter hand neemt om er van uit te geven. En daar gaat het over. Je moet niet hangen aan je bezit, niet oppotten en er schuren voor bouwen om jaren het Loofhuttenfeest te kunnen vieren, God kan je vannacht wel thuis roepen en wie geniet dan van je bezit? We worden samen rijker door te delen is de boodschap die al hoofdstukken lang in het Evangelie van Lucas doorklinkt. We hoorden over de barmhartige Samaritaan, we baden om het brood dat we vandaag nodig hebben.

In de overtuiging van de Farizeeën zat een heel mooi beeld, Jezus neemt het hier over, ook Matteüs schrijft er over, als je van je vermogen hier op aarde uitdeelt dan wordt dat vermogen niet minder, maar dan groeit dat vermogen aan bij God, en kun je in het eeuwige leven van dat vermogen genieten. Het is dan een schat die niet kan bederven en niet gestolen kan worden. Wij zullen vaak niet meer zo letterlijk tegen dit soort visioenen aankijken. Maar als we beseffen dat de wereld beter wordt als we delen van wat ons toevalt dan weten we ook dat de wereld heel langzaam toegroeit naar een wereld die eindelijk gaat lijken op de nieuwe aarde waar Johannes op Patmos van droomde, waar alle tranen gedroogd zijn en de dood niet meer heerst.

Waarom we dus zo druk doende zijn met het goede te doen en niet dan het goede? Als we eerlijk zijn hebben we maar één antwoord: we kunnen niet anders. We geloven nu eenmaal in dat nieuwe Koninkrijk dat het zo anders zal doen als we dag in dag uit meemaken. We geloven in dat Koninkrijk omdat de Heer van dat Koninkrijk de enige is die echt macht op de aarde heeft. Die droom van dat Koninkrijk is onze meest kostbare schat, die jagen we na in goede en in slechte dagen, waar die schat is is ons hart. Alle haatzaaiers gaan voorbij, maar de Heer die Liefde bracht blijft, wat er ook gebeurd. We willen nu eenmaal niet in een samenleving leven waar mensen tegen elkaar worden opgezet. We willen nu eenmaal niet van welvaart profiteren als die verkregen is over de ruggen van hongerigen en naakten. We willen nu eenmaal niet dat kinderen gevangen worden gezet omdat hun aanwezigheid ons niet aanstaat. We willen niet dat dode letters in dorre wetboeken recht wordt gedaan maar we willen dat aan levende mensen recht wordt gedaan. We hongeren en dorsten zelf naar gerechtigheid en voelen ons vaak gevangen in het onrecht dat ons omringt.

Daarom beginnen we maar vast aan de bouw van dat Koninkrijk, we kunnen niet anders. Als Marco Borsato zijn droom van een gevierd artiest kan verwezenlijken waarom kunnen wij dan niet aan de slag met de dromen van de profeet Jesaja en de profetie van Jezus van Nazareth? We snappen best dat het koninkrijk niet komt van het halleluja roepen, maar dat we met de troffel in de ene en het zwaard in de andere hand aan het bouwen moeten, hongerigen voeden, daklozen huisvesten, bedroefden troosten, armen recht doen en noem maar op. Maar sinds Jezus van Nazareth aan het kruis en in het graf heeft laten zien hoe in liefde de dood kan worden overwonnen en zijn Geest ons diezelfde kracht geeft moeten we wel aan de slag. En we kunnen ook niet anders doen dan alsof het Koninkrijk elk moment de macht op aarde gaat grijpen. Vandaag zou het kunnen beginnen, wij zijn er klaar voor, als knechten die het huis op orde brengen voordat de Heer van het huis terugkomt van een lange reis.

Amen

 

Read Full Post »

Lezen: Prediker 2:1-11
            Lucas 12: 13-21

Gemeente,

 

We zijn al weer vier dagen in augustus. Vanouds is augustus de oogstmaand. Een maand vol vreugde en vrolijkheid. Het is goed om onder de hete zon samen de oogst binnen te halen en hoe meer er geoogst wordt hoe vrolijker we worden. In onze protestantse traditie bewaren we het nadenken over wat we met de oogst gaan doen meestal tot de dankdag. En aangezien het oogsten niet meer door grote groepen jonge mensen gebeurd maar door loonwerkers die het hele jaar door met verschillende machines het werk alleen kunnen verzetten waarvoor eertijds tientallen mensen nodig waren is ook die dankdag verwaterd tot in een zondagse dienst. Misschien dat dit de reden is dat de mensen die het oekumenisch leesrooster vaststelden vandaag op de eerste zondag van de oogstmaand lezingen hebben neergezet die ons aan het denken zetten over de oogst, de vreugde waar die mee gepaard gaat en de vraag wat we met de oogst gaan doen. Want wat voor werk we ook doen, we zijn geen slaven van het werk en we leven wel van het werk van onze handen, wat doen we met die opbrengst.

Allereerst die vreugde. Het ene dorp na het andere heeft bij het einde van de oogst een kermis. Samen uit de band springen, samen vreugde maken en genieten. Vanouds hebben in kerken waarschuwingen daartegen geklonken. Samen werken is goed, maar samen genieten en samen vreugde maken werd in de kerk heel vaak als dubieus neergezet.

Waar komt toch het idee vandaan dat je van de Bijbel niet mag genieten? Nergens is dat verboden. Ook de Koning die hier in het boek van de Prediker als verteller optreedt heeft geen spijt van al zijn gezwoeg, hij kijkt er kennelijk met genoegen op terug. Maar… er staat in het laatste vers van gedeelte een hele grote maar, want al dit gezwoeg al dat najagen van genot, het heeft geen nut het is leeg en lucht, het heeft geen enkel belang. Daar verschilt de Bijbel wellicht van wat er over het algemeen in de wereld aan de gang is. Niets is immers belangrijker dan de betaald voetbalwedstrijd van het komende weekeinde. En als de plaatselijke betaald voetbalclub op een doordeweekse avond een internationale wedstrijd moet spelen dan worden vergaderingen, zelfs gemeenteraadsvergaderingen, uitgesteld en verplaatst. Het amusement van de meest populaire sport gaat overal voor en beheerst alles. Het overheerst ook alle zorg en aandacht voor de armen. Die aandacht en zorg krijgen we tegenwoordig op de Televisie in de vorm van amusement.

 Tranentrekkende programma’s zijn zeer populair en Nederlandse vrijwilligers die ergens helpen worden tot helden verheven. Waar al dat leed vandaan komt, wie er beter van geworden is toen er op hulp werd bezuinigd, waarom we de meest eenvoudige maatregelen om leed te voorkomen niet weten te nemen, waarom de zorg ten onder gaat aan administratie en papierbergen komt in die televisieprogramma’s niet aan de orde. Amusement moet het immers zijn en met Prediker kunnen we vaststellen dat het lucht en leegte is. Niets stelt het voor en het heeft geen enkel nut onder de zon. Het maakt mensen niet meer wakker, het helpt niet om de samenleving te veranderen. Als het over de voedselbanken gaat wordt niet meer uitgezocht hoe het komt dat gezinnen met veel kinderen en weinig inkomen geen warme maaltijden meer op tafel kunnen zetten. Als het over overlast van hangjongeren gaat wordt niet meer uitgezocht hoe het komt dat er geen opvang is voor kinderen van werkende moeders in de tienerleeftijd.

Nergens is uitgezocht en gerapporteerd wat de gevolgen zijn van de plicht om te werken in de wet Werk en Bijstand ook voor moeders met kinderen beneden de 12 jaar. Wat wordt de loopbaan van die kinderen in de jeugdzorg. Nee, de conflicten worden in beeld gebracht, het leed zien we breed en op breedbeeld uitgemeten, maar zij die er rijk van worden en zij die er macht aan ontlenen blijven buiten schot. Leeg is het dus en wind, ongrijpbaar, voorbijgaand en niet dienend tot enig nut, met geen enkel gevolg voor de armen. En juist het effect op de armen zou toch de maat  moeten zijn.

Maar de maat voor ons mens zijn is kennelijk het succes dat we hebben, de hoeveelheid geld en goederen die we weten te verwerven. We zijn daarmee niet anders dan de mensen die in Bijbelse tijden in Kanaäan woonden. Zij hadden Baäl en Astarte als goden en godinnen om hen vruchtbaarheid te verschaffen en hun succes aan af te meten. Het was toen en is nu een streven naar meer en nog meer, profeten traden er tegen op, jullie die akker aan akker aan elkaar rijgen klonk het, en wee u gij rijken. Dat laatste is ook door Jezus van Nazareth herhaald.

Iedereen kent wel het spreekwoord dat je je rijkdom niet mee kunt nemen. Waarom proberen we dan meer rijkdom te krijgen dan we ooit bij ons leven op kunnen maken? Ja de rijksten in onze samenleving verzamelen zelfs zo veel rijkdom dat ook hun kinderen en wellicht hun kleinkinderen niet in staat zijn op het op te maken. Geld maakt niet gelukkig is een ander spreekwoord. Natuurlijk is het makkelijk als je het hebt. Natuurlijk moet je er verstandig mee omgaan. En, let wel, de Bijbel heeft niets tegen rijkdom op zich. Als we allemaal mee zouden kunnen delen van het land dat overvloeit van melk en honing is er niets verkeerd. Maar dat doen we niet. De meeste rijkdom is verkregen door de armoede van velen.

We hebben het voorbeeld hier vlak bij gehad, in Wognum,. Ooit was daar een politieman, een soort veldwachter, die mensen hielp bij het invullen van belastingformulieren en zag dat het lastig was om leningen te verkrijgen. Het was een slimme politieagent, hij zocht wegen om buiten de bestaande banken goedkoop geld te lenen zodat hij dat geld uit kon lenen aan de mensen uit zijn gebied die het moeilijk hadden aan geld te komen. Dat werd een succes. Hij plaatste advertenties voor zijn werk, in omroepbladen, dat werd een nog groter succes. Mensen gingen hem bellen, op het politiebureau uiteraard. Het werd zo’n succes dat heel het politiebureau uiteindelijk werkte voor zijn uitleenbedrijf. Hij moest de politie dan ook verlaten en ging door met iedereen te vertellen dat je door lenen alles kon krijgen wat je hartje begeert, nieuwe auto’s, nieuwe televisies, nieuwe huizen, nieuwe keukens. Je deed jezelf en je gezin tekort als je niet meedeed met het spel van lenen en consumeren. Mijn grootmoeder zei overigens dat lenen doet wenen. En in onze hele samenleving werd de mentaliteit van die voormalige politieman zo groot dat op een dag de ballon knapte dat we te maken bleken te hebben met lucht en leegte, met leningen die we niet konden terugbetalen, met hypotheken die de waarde van een huis ver overschreden. We noemen dat crisis. Misschien echter dat we moeten uithuilen en opnieuw beginnen. Maar dan op de manier en met de gezindheid die Jezus van Nazareth ons vanmorgen voorhoud in het gedeelte dat we uit het Evangelie van Lucas hebben gelezen.

 

Jezus wordt gevraagd scheidsrechter te zijn in een erfeniskwestie. Het was in Israël heel gewoon om een Rabbi die in aanzien stond te vragen recht te spreken in dit soort kwesties. In de Wetten van Mozes was die taak opgedragen aan de Levieten, die daarvoor ook een zeer onafhankelijke positie in de samenleving moesten innemen.  Bij de verdeling van het land onder Jozua had elke familie een akker gekregen, die akker was de garantie voor de toekomst. Maar bij een overlijden waren er altijd meer kinderen die van die akker afhankelijk bleken en dan moest er gedeeld worden. Jezus weigert echter om als scheidsrechter op te treden. Hij waarschuwt voor hebzucht. Want ruzie komt altijd voort uit de gedachte dat de een meer wil hebben dan de ander. Jezus wijst op de Psalm waarin gezegd wordt dat het huis gezegend is waar kinderen samen willen wonen. Binnen de verhoudingen in Israël een heel materiële uitspraak, niet de verdeling maakt een familie rijk en welvarend maar het bijeen houden van het door God geschonken kapitaal.

 

Jezus illustreert dat met een gelijkenis die er op neer komt dat je wel kunt oppotten maar dat je nooit weet of je dat dan ook kunt gebruiken. Het doodshemd kent geen zakken, je kunt het immers niet meenemen.  Het aardige is dat de man tot zijn ziel spreekt met zeer Bijbelse woorden, de Joodse toehoorders van Jezus hebben ze direct herkent: Neem rust, eet, drink en vermaak je. Het zijn de voorschriften voor het Loofhuttenfeest. Dat feest gaat ook over de oogst, over de opbrengst van de oogst. Maar dat feest wijst direct op de God van Israël en op zijn gebod de naaste lief te hebben. Tijdens het Loofhuttenfeest campeert men immers in een zelfgemaakte hut van takken en bladeren, desnoods op de hoek van een dak. Dat onderkomen is bij uitstek vergankelijk en vele jaren daarvan genieten is er niet bij, er vele jaren van willen genieten is najagen van wind, is lucht en leegte.

 

We zijn er langzaamaan wel van doordrongen dat we geen eigenaar zijn van ons leven en dat het oppotten van kapitaal dus maar heel betrekkelijk is.. Maar juist in onze dagen heeft deze gelijkenis een extra betekenis gekregen. We zullen het samen moeten doen met ons kapitaal, we zullen het ook voor elkaar moeten over hebben.

 

Het zijn de argumenten die klinken in de discussie over ons pensioenstelsel. Want daar hopen we een hoeveelheid kapitaal op in de hoop er later in ons leven van te kunnen genieten. En als het alleen om onszelf gaat dan ontstaat een probleem. Want je weet nooit of je inderdaad kunt genieten van het geld de je zelf hebt ingelegd. Eigenlijk spaar je ook niet alleen voor je eigen pensioen maar ook voor het pensioen van je collega’s, ook voor het pensioen van de anderen. In de wereld ontstaat daardoor een probleem. Daar wordt immers alles afgemeten aan wat het voor jezelf opbrengt. Je werk, je belasting, je woonkosten, je ziektekosten,  je pensioen, alles moet een duidelijke relatie hebben met het voordeel dat je er zelf van geniet.

 

Het is het tegendeel van wat de Bijbel vertelt over het Koninkrijk van God. In dat Koninkrijk gaat het niet over de vraag wat het voor jezelf opbrengt, maar wat het voor de minsten, de zwaksten betekent. De grootste beloning in dat Koninkrijk is dat je dienaar mag zijn, dat je de minste mag willen zijn en anderen voor mag laten gaan. De vreugde die doorbreekt in de ogen van de hongerige die gevoed wordt, in de ogen van de dorstige die gelaafd wordt, in de ogen van de arme die recht wordt gedaan, de bedroefde die getroost wordt is de grootste beloning.. Daarom kan Jezus ook besluiten met er op te wijzen dat rijk zijn in deze wereld arm zijn bij God zou kunnen betekenen.

 

We zijn nog wel eens geneigd dat geestelijk uit te leggen. We mogen dan zoveel kapitaal vergaren voor onszelf als mogelijk is als we maar niet vergeten dat we God dankbaar moeten zijn en in hem moeten geloven. Het verhaal dat Jezus van Nazareth ons vanmorgen vertelt zegt het tegendeel. Jezus van Nazareth grijpt terug op profeten als Hosea, die riep dat God helemaal geen offers wil, God wil gerechtigheid. God wil dat we als kinderen van één vader in hetzelfde huis leven, dat we delen met elkaar, dat we zorgen voor elkaar. Onze rijkdom is de liefde die we mogen ontvangen van God, maar die liefde krijgen we alleen als we die liefde geven aan hen die liefde nodig hebben, ver weg en dicht bij. Vreugde beleven we hier aan de bejaarden in Roemenië die elke dag een warme maaltijd krijgen, aan de voedselbank in Medemblik die gezinnen van een goede maaltijd verzekert, aan de Fair Trade en Wereldwinkels die producenten een rechtvaardig inkomen schenken. Vreugde beleven we aan vredesbewegingen die recht doen aan slachtoffers van oorlog en geweld.

 

In die vreugde mogen we ons verheugen op de komst van jongste dag. Als alle tranen gedroogd zullen zijn, als de dood niet meer heerst en God zelf zijn tenten op deze aarde zal spannen. Tot dan zullen we zijn Geest moeten verspreiden, ieder op onze eigen plek en samen als gemeente als een lichtend licht, een stad op een berg, tot zegen van deze wereld.

 

Amen

Read Full Post »