Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for april, 2013

Lezen : Numeri 27: 12-23
             Johannes 10: 22-30

Gemeente,

 

Vandaag is de zondag Jubilate, de zondag van het juichen. Vanouds klinken op deze zondag de verhalen van de Goede Herder. Het gemeenschappelijk leesrooster heeft voor deze zondag Jubilate gekozen voor de opvolging van Mozes, een herder bij uitstek, en de uitspraken van Jezus van Nazareth over de manier waarop hij voor zijn schapen zorgt. Die zondag met verhalen over de Goede Herder leverde vroeger nogal eens romantische beelden op van vrolijke herders en herderinnetjes die hun tijd verdeden met het spelen met zacht wollen schaapjes met witte voetjes, van die schaapjes die hun melk zo zoetjes dronken. Tegenwoordig kijken we er wat minder romantisch tegenaan. Herders worden bedreigd met ontslag of faillissement omdat we op het onderhoud van de natuur willen bezuinigen.

 

Maar de keus van de lezingen voor vandaag is het meest opvallend in het licht van de komende troonswisseling. Nog negen dagen en dan is het zover, dan draagt Koningin Beatrix het ambt van staatshoofd over op haar zoon Willem Alexander. Toen een aantal jaren geleden de opstellers van het Gemeenschappelijk leesrooster de lezingen voor deze zondag kozen konden ze onmogelijk voorzien dat het in de kerken over de Goede Herder zou gaan aan de vooravond van de inhuldiging van Willem Alexander en de abdicatie van Beatrix.

 

Nu is het Koningschap in Nederland een symbool. Politieke betekenis heeft ons Koningshuis niet echt. Er wordt ons ook niet gevraagd wat voor soort staatshoofd we willen hebben. Laat staan dat we uit verschillende kandidaten de beste zouden mogen kiezen, er was dit keer ook geen referendum over de vraag of we een erfelijk koningschap wel vinden passen in de eenentwintigste eeuw. We moeten het overlaten aan de natuur. Uit de kinderen van het Staatshoofd komt in een aantal decennia het volgende staatshoofd naar voren. Maar die inhuldiging geeft ons natuurlijk wel een mooie aanleiding om eens na te denken over het soort regering dat we zouden willen als we de Bijbel zouden willen volgen in deze moderne tijd. We werden immers wel gevraagd om onze dromen voor de Koning en voor ons land onder woorden te brengen. En de dromen over een betere wereld brengen we zondag aan zondag in onze erediensten onder woorden omdat we nu eenmaal geloven in de komst van een betere wereld, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar alle tranen gedroogd zullen zijn en de dood niet meer heerst.

Laten we daarom vanmorgen eerst eens kijken naar wat het boek Numeri daarover te zeggen heeft. We lazen daarin het verhaal over de opvolging van Mozes.

Mozes had met veel moeite zijn volk uit Egypte geleid de woestijn in. Aanvankelijk om drie dagen te offeren aan de God van Israël maar uiteindelijk hadden de Egyptenaren tegen hun zin de slaven uit het land gejaagd omdat hun goden het offer van de eerstgeborene vroegen en die Hebreeën in plaats van de eerstgeborene een Lam offerden, het vlees opaten en het bloed aan de deuren smeerden als teken dat het offer gebracht was. Nu was Mozes aan de rand van het beloofde land gekomen en mocht hij het land ook zien. Hij beklom daartoe een hoge muur, tenminste, als je vanuit Israel over de Jordaan kijkt dan rijst het Abarimgebergte daar op als een hoge muur.

 Het moet voor Mozes even slikken geweest zijn daar. Zijn hele leven was hij bezig de dood van Egypte te ontlopen, zijn volk te bevrijden uit de slavernij en hen door de woestijn te leiden naar het land overvloeiende van melk en honing. Onderweg hadden ze tal van problemen getrotseerd. Een onwillige Farao die met al zijn strijdwagens was gebleven in de Rode Zee, morrende Israelieten, vijandige stammen en natuurlijk de woestijn zelf.

Onderweg was ook de Wet van de Woestijn ontdekt, een complete set richtlijnen voor een menselijke samenleving. Het volk had geleerd dat er maar één God was en dat dienen van die God betekent dat je je naaste lief hebt als jezelf, dat je in de woestijn niet kunt overleven als je niet onvoorwaardelijk op elkaar kunt bouwen. Daarom ook mocht Mozes het beloofde land niet in. Op één moment had hij zich boven het volk gesteld, gedaan of hij beter was en macht had om het volk te drinken te geven. Hij had zich opgesteld of hij God zelf was.

Nu wordt hij weer gelijk aan het volk. Hij vraagt om een opvolger te mogen aanstellen en wel iemand die in staat zal zijn het volk te leiden in de strijd die nodig zal zijn om het land Israel in bezit te nemen.

Het wordt Jozua, één van de verkenners die al eerder dat beloofde land hadden verkend en die bewezen had niet bang te zijn, zelfs niet voor de reuzen die ze waren tegengekomen, maar op God te vertrouwen. Als de liefde zegt dat delen het meest rechtvaardig is, dan is dat het ook en dan zijn degenen die niet willen delen in het ongelijk.

De overdracht van de macht gaat onder leiding van de Priester, de opvolger van Aaron, die de positie van Priester van Aäron had geërfd. Die Priester spreekt recht en gaat over de uitleg van de Wet. Het verschil tussen Priester en Leider was dat de Priester door God geroepen was, van nature tot Priester was bestemd, en de Leider aangesteld werd op voordracht van het volk, hier vertegenwoordigd door Mozes. Zo is het tot onze dagen in de landen van de democratie. De rechterlijke macht is onafhankelijk en de leiders van de staat worden gekozen door het volk. Soms proberen leiders daar onder uit te komen, maar als we blijven lezen in de Bijbel zullen we elke keer herinnerd worden aan hoe het ook al weer behoort te zijn, een leider is er voor het volk en het volk niet voor de leider.

Ook in de discussie die Jezus van Nazareth voert in de Tempel te Jeruzalem wordt dat duidelijk. Hij werpt zich op als beschermer van zijn volgelingen en niet als heerser  over zijn volgelingen die als ruil voor dat heersen een luxe leventje krijgt.

Het verhaal begint bij het feest van de Tempelwijding. Nu was de Tempel in Jeruzalem eigenlijk een raar gebouw. In een Tempel kwam je immers een God aanbidden, daar waren Priesters die de rituelen voor die God in stand hielden en er stond een groot beeld van de God waaraan de Tempel was geweid. De Tempel in Jeruzalem was iets heel anders. Daar stond geen beeld van de God van Israël. Daar mocht zelfs geen beeld staan. Iedere keer als de Romeinen probeerden er beelden neer te zetten, van hun keizer of  van een god, dan kwam er weer opstand. Er werden wel offers gebracht, maar dat deden de gelovigen zelf en de priesters en de levieten aten die offers op, ze leefden er van. Ze aten niet stiekum in het verborgene de offers op, zoals dat in de Tempels van de Heidenen gebeurde, het was juist de bedoeling dat ze het vlees van de offers en het brood dat werd geofferd ook opaten. Alleen het bloed dat werd over het altaar gesprenkeld, in het bloed zat immers het leven dat door God was geschonken en dat nu weer naar God kon terugkeren. Dat openlijk eten van offervlees was voor de Heidenen iets godslasterlijks, je moest je god immers in leven houden door de offers.

Die Tempel vormde dus net zo’n uitzondering op de regel als onze Nieuwe Kerk in Amsterdam. Die Nieuwe Kerk is namelijk geen kerk meer, daar komt niet een gemeente bijeen om zich te wijden aan het woord van God. Die Nieuwe Kerk is voor tentoonstellingen en af en toe voor de Staat, als er weer iets bijzonders gebeurt, de inhuldiging van een nieuwe vorst of een huwelijk waardoor het Koninklijk huis een nieuw lid krijgt. Wat over negen dagen in de Nieuwe Kerk in Amsterdam plaatsvindt is dan ook geen kerkdienst maar een vergadering van de Eerste en Tweede kamer van ons Parlement. En als er klinkt “Zo waarlijk helpe mij God Almachtig” Dan is dat geen gebed maar een bezegeling van de belofte de aardse Koning trouw te zijn. Er zijn dan ook leden van het Parlement die dat niet zullen meemaken, die weigeren aan een persoon trouw te beloven, ze blijven trouw aan de grondwet en aan de wetten van het land die volgens democratische procedures tot stand zijn gekomen.

In de Tempel in Jeruzalem werd oorspronkelijk de Wet van de God van Israël bewaard. Niet een Wet zoals wij wetten hebben die altijd overal op dezelfde manier van toepassing zijn, maar een Wet die geld als richtlijn voor een menselijke samenleving en waardoor je in beweging moet komen om die menselijke samenleving ook tot stand te brengen.

Dat begint volgens het boek Deuteronomium in de Tempel door er een maaltijd te houden met de familie, de priesters en levieten, je knechten, je slaven en slavinnen, de armen uit je omgeving en de vreemdelingen die bij je wonen. Een dergelijke maaltijd moest je drie maal per jaar houden. De offers die je bracht, ’s morgens en ’s avonds, als je vrede had weten te stichten of bij bijzondere gelegenheden, waren tekenen dat je bereid was te delen van al wat je bezat. Die hele Wet uit de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel laat zich dan ook samenvatten als dat je God lief moet hebben boven alles en dat je dat doet door je naaste lief te hebben als jezelf.

Het feest dat Jezus hier vierde kennen wij nog als het Chanoeka feest. Het gaat terug op het verhaal over de opstand van de Makkabeeën tegen de verplichting om in de Tempel in Jeruzalem een beeld van Zeus te aanbidden. Judas de Makkabeeër reinigt de Tempel van alle Heidense invloeden en ontsteekt weer het licht dat symbool staat voor het Licht dat voor ons een licht op ons pad is, waardoor duidelijk is welke richting we moeten gaan, de richting van de armen, en welke stappen we moeten zetten, delen en zorgen voor de naaste. De boeken over de Makkabeeën zijn niet in de Bijbel opgenomen, ze zijn apocrief, dat wil zeggen dat ze het waard zijn om te lezen maar niet het gezag hebben dat Bijbelboeken wel hebben.

Dat Jezus in de Zuilengang van Salomo wandelt heeft ook een bijzondere betekenis. Het wijst terug op Salomo de Zoon van David, gezalfd koning die de Tempel bouwde. In de tijd dat Johannes zijn Evangelie schreef was de Tempel opnieuw verwoest. Die verwoesting was in het jaar 70. De Zuilengang van Salomo wijst ook op de gezalfde Hogepriester die zijn verblijf had bij die zuilengang.

De vraag die aan Jezus wordt gesteld is dan ook wanneer Jezus zijn messiaans koningschap op zich zal nemen en de Tempel in Jeruzalem zal herbouwen. De bevrijder van Israël, de Messias zal immers het Rijk van Koning David herstellen? Maar zoals ze gesteld wordt is het de vraag die Israël stelde aan Samuël, geef ons een Koning zoals de Heidenen hebben opdat onze vijanden verslagen worden. Johannes had al een paar keer beschreven hoe Jezus het koningschap ontvluchtte, na de spijziging van de vijfduizend bijvoorbeeld.

Jezus van Nazareth is niet een Koning zoals de Heidenen die wensen. Hij is geen koning die met pracht en praal en met een hermelijnen mantel ingehuldigd wordt te midden van de machtigen van de natie. Een Koning waarvoor speciale militaire uniformen zijn ontworpen die hem als Koning herkenbaar maken. Als we in Jezus zo’n Koning zoeken dan geloven we niet echt in de Christus. Hij reed zijn stad binnen op een ezel en werd gekroond met een doornenkroon. Hij werd ingehuldigd aan een kruis, boven zijn hoofd een bordje met het opschrift “Koning der Joden”.

Het soort Koning dat Jezus van Nazareth is en wil zijn blijkt uit zijn daden. Hij die de lammen lopen laat, de blinden laat zien, de hongerigen voedt, de dorstigen laaft en de naakten kleed, die zich bekommerd om zijn medemensen zoals de profeet Jesaja had geschreven. De lezers van Johannes weten ook van het lijden en sterven van Jezus, toen hij weigerde zijn volgelingen oorlog te laten voeren tegen hen die hem gevangen namen, zelfs een gewonde nog genas toen hij al gevangen was, die bad voor zijn vervolgers, die een mede veroordeelde troostte en meenam naar het Paradijs, die zijn moeder nog troostte voor hij stierf door haar een andere zoon te geven. Die consequent volgehouden liefde voor de mensen had pas echt iets koninklijks. Dat is de herder die alles in de steek weet te laten om zijn schapen in leven te houden, die vecht met beren en leeuwen, zoals over David werd geschreven, die nooit zijn schapen zal opgeven en zijn leven zal geven voor zijn schapen. Een herder, een koning naar Gods hart, zo heeft God de herder van zijn volk, de Koning, gewild, daarin vallen God en deze Messias samen.

Zo mogen wij dus ook naar onze nieuwe Koning kijken. Zal ook hij afstand nemen van alle pracht en praal? Zal hij zich ook richten op de minsten in onze samenleving, de weduwe en de wees? Zal hij ook zijn voedsel weten te delen met de hongerigen in deze wereld, de gevangenen bevrijden en werkelijk vrede stichten? Het valt van de arme Willem Alexander niet te verwachten. Onze samenleving is immers vergeven van idols en van wedstrijdjes wie de beste, de mooiste, de meest opvallende is? Maar we kunnen de nieuwe koning helpen. Paulus schrijft dat net als Christus samen kan vallen met God, wij kunnen samenvallen met Christus, wij zijn dan een volk van Koningen en Priesters. Wij zijn immers geroepen om het goede te doen en niet dan het goede, wij zijn geroepen om het kwade te bestrijden met het goede. Zo kunnen we onze Koning ten voorbeeld zijn, ook hij heeft in onze Kerk belijdenis van zijn geloof afgelegd. De inhuldiging van onze nieuwe Koning over 9 dagen en het feest dat wij mee zullen vieren houdt dus ook voor ons een opdracht in. Wij nemen de opdracht op ons om de Weg van onze Koning na te volgen, om te bouwen aan het Koninkrijk van God, elke dag opnieuw tot hij komt.

Op die manier stuurt Mozes ons vanmorgen op weg met de opdracht die hij Jozua had gegeven. Voortdurend luisterend naar de Priesters die de Wet van de God van Israël bezaten het volk brengen in het land dat overvloeit van melk en honing. En dat land kan overvloeien omdat het volk bereid is te delen, te zorgen dat de hongerigen gevoed, de naakten gekleed, de dorstigen gelaafd worden en dat de armen zonder huis een woning krijgen. Onze bevrijder, onze messias de Christus kwam voor alle volken op aarde, wij zullen dus moeten werken aan een wereld waar vrede heerst en iedereen genoeg heeft. Daar zetten wij dan ook onze nieuwe Koning voor in. Tot dat de echte Koning van de wereld zelf komt om zijn tenten hier op aarde te spannen. Tot de dag dat alle tranen gedroogd zullen zijn en de dood niet meer heerst, tot die dag blijven wij aan die aarde werken.

Amen.

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: Genesis 28:10-22

            Lucas 24: 13-35

Gemeente

Vandaag is het beloken Pasen. De achtste dag na Pasen en de eerste Zondag na het Paasfeest. Langzaam dringt zich de vraag op wat we aan moeten met dat verhaal over het lijden en de dood van Jezus en daarna ook nog met de opstanding van Jezus van Nazareth. Is dat allemaal gebeurd? Waren het soms dromen van bevlogen volgelingen? Wat kunnen wij gelovigen aan de ongelovigen om ons heen er over vertellen? Dromen horen vanouds bij het geloof in de God van Israël, Vader van Jezus Christus. Maar maken wij het verschil tussen droom en werkelijkheid niet heel erg klein? Zo klein dat het niet meer reeël is om er in mee te gaan? Op zich is het wel bijzonder dat dromen in onze godsdienst een grotere rol spelen dan de concrete alledaagse werkelijkheid..

Godsdiensten gaan vanouds gepaard met concrete beelden in hout, steen of metaal, bekleed met goud of zilver. Vaardige handen van bekwame kunstenaars maakten beelden van de God die moet worden aanbeden. Wij zijn dat niet meer gewend, maar wie op vakantie naar Italië, Griekenland of Egypte gaat komt daar nog beelden in overvloed tegen die vroeger als goden werden aanbeden. We kunnen ons eigenlijk ook niet voorstellen dat iedereen beelden aanbidt en beelden bezit, mooie en simpele. En waar jij, als gelovige in de God van Israël, dan een uitzondering op bent. In het Romeinse Rijk werden die Joden en Christenen dan ook aangeduid als Atheïsten, zij die geen goden hadden. Aanpassen aan de heersende gewoonten is toch heel natuurlijk, vooral als de overheid het ook nog voorschrijft? Het niet willen geloven in concrete beelden was één van de factoren die de grondslag vormden voor de onafhankelijkheid van ons land, de Beeldenstorm en nog steeds onze afkeer van een overmaat aan beelden in de kerk.

De Jacob waar we vanmorgen over hebben gelezen heeft ook niet van die beelden van zijn God. Zijn vader Izaak had ze niet en grootvader en stamvader Abraham had ze al helemaal niet. Als Jacob dan ook op de vlucht slaat na het bedrog waarbij hij de erfenis heeft ontfutseld is de droom over de belofte die zijn familie voortdurend op reis stuurde het enige dat hij heeft van  die God. Die God is niet op een stuk grond dat van jou is te vangen. Dat stuk grond is ook niet de aarde die door die God vruchtbaar gehouden moet worden. Die God gaat met jou mee waarheen je ook gaat zelfs als je moet vluchten. Het huis van die God is de steen die je als kussen gebruikt, want in je slaap komen de dromen van een betere wereld, van het grote volk waarvan jij de stamvader of stammoeder mag zijn.

Jacob richt een steen op staat er, hij plaatst een zogenaamde style, dat doen wij ook wel eens. Je komt ze tegen op gevaarlijke kruispunten of op punten waar ernstige ongelukken zijn gebeurd of iets vreselijks. Volgende maand gaan we weer naar een aantal van die plekken toe om bloemen en kransen te leggen, opdat wij niet vergeten hoe veel leed en ellende mensen elkaar kunnen aandoen. Voor Jacob markeert de steen de toegang tot de hemel, de toegang tot de God van Abraham en Izaak. Bethel betekent dan ook huis van God. Vroeger heette die plaats Luz staat er dan, Luz betekent Amandelboom, het was dus geen onvruchtbare plaats en de Amandelboom is de eerste boom die in de lente bloeit, zoiets als bij ons het sneeuwklokje. Die boom heeft net als ons sneeuwklokje een geweldige levenskracht. Geen wonder dat je daar de poort naar de hemel kunt ervaren. God zou veel later, na de terugkeer uit de ballingschap ook Jeremia wijzen op het beeld van de Amandelboom, ondanks de kou van de ballingschap bloeit de Amandelboom als teken dat het leed niet voor altijd zal duren. Jacob vertrekt naar zijn ballingschap met de belofte dat hij stamvader van een groot volk zal worden.

Iedereen die kinderen heeft mag het zich realiseren, je bent stamvader of stammoeder van een groot volk. Jouw kinderen kunnen ook op die nieuwe manier verder gaan. Geen beelden waarvoor je moet neerknielen maar een God die je de richting wijst. De richting van eerlijk delen, van een deel van hun vermogen steken in die onbekende onzichtbare God die wil dat je je naaste liefhebt als jezelf.

Jacob heeft in zijn droom iets van die belofte ervaren.. De hemel en de aarde raken elkaar in zijn droom, er is een directe verbinding en de belofte dat de God van zijn vader en grootvader ook met hem mee zal gaan. En de belofte dat het land dat hij ontvlucht eens het land zal zijn waar het volk dat van hem afstamt zal wonen. Een ongelofelijke droom, als die uitkomt, tenminste als hij ooit zal terugkeren, wil Jacob er wel een tiende van zijn inkomen in investeren.

Wij blijven ondertussen zitten met mensen die ook vandaag nog met gesloten ogen en koude harten de overheid navolgen en wetten uitvoeren. Wij wonen zeker niet in een land waar Jacob van droomde, een land waar het verschil tussen hemel en aarde was weggevallen. Wij wonen in een land met voedselbanken. Een land waar vreemdelingen zonder papieren opgevangen moeten worden in leegstaande kerken. Een land waar we er niet in slagen mensen een veilige plek onder de zon te geven waar ze een positieve bijdrage kunnen leveren aan de samenleving die we in de wereld vormen.

Jacob wordt gedwongen vreemdeling te worden. Bedrog en hebzucht lieten hem geen andere keus. Vreemdelingen laten ons zien dat wij nog steeds niet in een land wonen waar de droom van Jacob is gerealiseerd. En in het Paasverhaal is het een vreemdeling die de ogen opent van die twee mannen die zich van Jeruzalem naar Emmaüs begeven .

Je moet wel een vreemdeling zijn om niet te weten waar die mannen uit Jeruzalem het over zouden kunnen hebben. Heel het volk had zich immers laten dopen door Johannes en heel het volk had Jezus van Nazareth erkent als profeet. En aangezien rond het Pesachfeest veel van de Joden van buiten Israël de gelegenheid te baat namen om naar de Tempel in Jeruzalem te reizen, daar te offeren en in Jeruzalem het voorgeschreven Pesachmaal te houden zou die vreemdeling wel eens de enige vreemdeling kunnen zijn die van niets weet en die alles ontgaan is.

De Pelgrimsreis naar Jeruzalem was een voorschrift uit het boek Deuteronomium. Met Pasen, Pinksteren en het Loofhuttenfeest moest je die reis maken. Bij de Tempel moest je dan een maaltijd houden met de priesters en levieten, met je familie, met de armen uit je dorp en met de vreemdelingen die bij je woonden. Wonen in een wereldrijk waar een vrij verkeer van goederen en diensten geregeld was maakte de reis naar de Tempel wel wat makkelijker. Hier en daar langs de weg wat tol betalen was alles wat nodig was.

Ook vandaag de dag gaan pelgrims naar Jeruzalem. Christelijke Pelgrims, Islamitische Pelgrims en Joodse Pelgrims. Veel van die Pelgrims, ook de Christelijke, reizen door Israël zonder iets te merken van de spanningen tussen Israël en Palestina, zonder zelfs de bezetting van Oost-Jeruzalem op te merken als een echte bezetting door een vreemde mogendheid.

De twee mannen uit het Bijbelverhaal van vanmorgen zijn op weg van Jeruzalem  naar Emmaüs. Emmaüs is geen onschuldige plaatsnaam in het verhaal. Als Emmaüsgangers zijn Kleopas en zijn vriend bekend geworden maar de betekenis van Emmaüs is uit onze manier van vertellen verdwenen. En dat is jammer want de keus van Emmaus als bestemming van de reis suggereert voor lezers uit de tijd dat Lucas dit heeft opgeschreven een keuze voor geweld. Lucas heeft zijn verhaal opgeschreven vlak nadat de Tempel in Jeruzalem was verwoest, dat gebeurde in het jaar 70. En in het jaar 68 sloeg Vespasianus, Romeins veldheer en later keizer, in Emmaüs een groot legerkamp op van waaruit hij de aanval op Jeruzalem zou organiseren, de aanval waarbij dus uiteindelijk de Tempel verwoest zou worden.

Emmaüs was vanouds een strategisch belangrijke plek. In het eerste boek van de Makkabeeën, vervult Emmaüs een vooraanstaande rol in de strijd van Israël tegen de Hellenistische overheersing. Dit eerste boek  van de Makkabeeën is wel niet opgenomen in de boeken van de Bijbel maar als zogenaamd apocriefboek is het goed om gelezen te worden. De keus om naar Emmaüs te gaan lijkt daarom een keus voor de militaire strijd tegen het Romeinse Rijk.

Na de dood van Jezus van Nazareth zouden er in Palestina vele opstanden uitbreken. Uiteindelijk zouden die uitlopen op de verwoesting van de Tempel en de verspreiding van de bevolking van Judea en Galilea over heel het Romeinse Rijk. Tegen die achtergrond moeten we het gesprek lezen dat op de weg naar Emmaüs gevoerd wordt. Lucas gebruikt hier voor vertellen in het Grieks een woord dat wij later zouden vertalen met preken maar dat hier vertaald is met vertellen.

Ze vertellen aan  de vreemdeling die met hen is op komen lopen, dan wat er gebeurd is. Hoe heel het volk hem beschouwde als een machtig en groot profeet. En de uitdrukking “heel het volk” staat hier in het verhaal van Lucas voor de twaalfde en laatste maal. Het verhaal is nu rond, van heel het volk dat beschreven moest worden, op bevel van Keizer Augustus,  is het nu “heel het volk geworden” dat Jezus van Nazareth als profeet erkend heeft. Maar het einde van het verhaal lijkt eigenlijk alleen verwarring op te leveren. Engelen die zeggen dat hij leeft, een leeg graf, vrouwen die zich daarover opwinden, wat moeten ze er mee? Welke kant wijst dat op voor de toekomst?

En dan begint de vreemdeling te spreken, of preken misschien. Wat hij precies gezegd heeft staat er niet. Het gaat over Mozes en de Profeten, de Hebreeuwse Bijbel, wat wij het Oude of Eerste Testament noemen. In dat verhaal uit de Hebreeuwse Bijbel gaat het uiteindelijk niet meer  alleen om een lokale bevrijder zoals die in het boek van de Rechters staan, maar gaat het uiteindelijk over alle volken die zich naar Jeruzalem keren, gaat het over de hele bewoonde wereld die de God van Israël als enige God erkent. Gaat het over dromen zoals Jacob die droomde, over een wereld waar de scheiding tussen hemel en aarde verdwenen zal zijn en de God van Israël er voor iedereen is.

Zo zullen ook de eerste gemeenten naar Jezus van Nazareth kijken, schrijft Paulus in zijn brieven, voor die eerste gemeenten is hij de Christus, de Messias geworden die de hele wereld bevrijden zal. Zo leeft hij en zo leeft hij voort. Paulus zal in zijn brieven iedereen op de hele wereld oproepen te gaan leven zoals Jezus van Nazareth leefde.

Het is duidelijk dat Jezus van Nazareth een andere weg kiest dan de twee die van Jeruzalem naar Emmaüs zijn gegaan. In elk geval niet de weg van de milititaire opstand. Wie immers het zwaard opnemen zullen door het zwaard vergaan, klinkt het op het moment dat hij gevangen wordt genomen. Uit de Wet en de Profeten wordt punt voor punt uitgelegd dat de geweldloze weg altijd meer lijkt op de weg van de God van Israël dan de weg van geweld en opstand. Misschien vertelde die vreemdeling wel over Koning David, die weigerde geweld te gebruiken tegen Koning Saul die hem vervolgde, die weigerde geweld te gebruiken tegen zijn landgenoten die hem hadden verraden, die weigerde geweld te gebruiken tegen zijn zonen, die verkrachten, moorden en in opstand kwamen. Koning David werd de vredevorst genoemd en Jezus van Nazareth de Zoon van David.

Maar nog steeds kom je op die manier nog niet bij het hart van de godsdienst van de God van Israël. Snap je nog steeds niet waarom Jezus van Nazareth die God als zijn Vader kon aanspreken niet anders kon dan de weg van het kruis gaan. Pas als de twee Emmaüsgangers er blijk van geven hun bezit en voedsel te willen delen met de vreemdeling dan komt er iets van herkenning. En in het breken van het brood en het uitspreken van de zegening herkennen de twee de opgestane Heer. Het lege graf alleen was niet genoeg om tot geloof in de opgestane bevrijder te komen, daarvoor is zelfs een ontmoeting rond het Oude Testament niet genoeg. Pas in de gebaren van breken en delen, gezegend zodat er goeds van uit gaat, wordt de Messias, de Christus herkent. Dat herinnert aan het gebod uit Deuteronomium om met de armen en de vreemdelingen een maaltijd aan te richten in het Heiligdom. Dat was ook de weg van de profeten. Daarin ligt de echo van Jeremia die de ballingen opriep groentetuinen aan te leggen in de landen van hun ballingschap en de opbrengst te delen met de hongerigen. Delen van eten en drinken, de hongerigen voeden en de dorstigen laven, is het begin van het verdwijnen van het verschil tussen hemel en aarde zoals Jacob droomde.

En dan gaat de weg terug naar Jeruzalem, nu niet naar de Tempel of naar het graf maar naar de gemeenschap, want hen moet de bevrijding, de opstanding, verkondigd worden. Er is een andere weg ontdekt dan de weg van opstand en geweld. De volgelingen van Jezus van Nazareth, de elf die het dichtst bij hem waren geweest waren er al over in gesprek. Petrus was zelf gaan kijken naar het lege graf nadat de vrouwen over het ontbreken van het lijk van Jezus van Nazareth hadden verteld. Hij had daar Jezus van Nazareth zelf ontmoet. En in dit verhaal en het verhaal van de twee uit Emmaüs zullen ook de anderen Jezus van Nazareth als opgestane Messias ontmoeten.

Voor ons rest de vraag met wie wij mee gaan lopen. Blijven we dromen van de ladder naar de hemel en gaan we in ons geloof steeds maar op en neer op de Jacobsladder? Vergeten we wakker te worden en op weg te gaan naar die wereld waar het verschil tussen hemel en aarde echt is opgeheven en niet alleen in een droom? Of lopen we mee met Kleopas en zijn vriend op weg naar Emmaüs en blijven we ons eindeloos laten uitleggen waarom Jezus van Nazareth moest lijden en de weg van de kruisiging gaan, zonder ooit er aan toe te komen dat we in het breken van het brood en het delen van de beker de Opgestane als onze Heer en meester herkennen? Of zijn we inderdaad op weg naar Jeruzalem om daar met andere gelovigen een gemeenschap te vormen van mensen die hun naaste liefhebben als zichzelf, die bereid zijn alles te delen, de hongerigen te voeden, de gevangenen te bezoeken, de vreemdelingen onderdak te verlenen, de naakten te kleden, de bedroefden te troosten, de lammen te laten lopen en de blinden te laten zien. Die gemeenschap kan zich uitbreiden tot aan de einden der aarde. Die gemeenschap kan het mogelijk maken dat het verschil tussen hemel en aarde echt kan verdwijnen zodat er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal komen waar alle tranen gedroogd zijn en de dood niet meer heerst. Een aarde waar God zijn tenten zal spannen en onder ons zal wonen. Naar die aarde mogen we op weg gaan, die kant moet het uit, en we mogen allemaal mee daar heen.

Amen.

Read Full Post »