Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for februari, 2013

Lezen: 1 Samuël 24
            Handelingen 26: 9-18

Gemeente,

 

Vandaag de tweede zondag in de 40 dagen tijd. De dagen voor Pasen die ons gegeven zijn om ons te bezinnen op het lijden in de wereld en de manier waarop Jezus van Nazareth voor ons de weg heeft geopend naar een wereld zonder lijden. Een wereld waar alle tranen gedroogd zullen zijn, een wereld waar de dood niet meer heerst en waar God zijn tenten zal willen spannen.

 

In de kerkdiensten in deze veertig dagentijd volgen we de lezingen uit het eerste boek Samuël. Daar worden twee koningen tegenover elkaar gezet. Twee kanten van dezelfde medaille. Saul en David. Wie het hele verhaal uit de beide boeken Samuël doorleest zal ontdekken dat uiteindelijk David net zo’n grote boef is als Saul. Maar om te ontdekken wat voor Koning de God van Israël voor zijn volk wil, hebben we die tegenstelling nodig. Als we die twee kanten van de medaille bezien dan weten ook wij wat voor leiders wij moeten kiezen in deze wereld. Leiders in onze kerkelijke gemeente, leiders in onze burgerlijke gemeente, de provincie waar we wonen, en de leiders van ons land. Allemaal staan ze voor dezelfde keuzes als Saul en David en allemaal hebben ze dezelfde valkuilen te vermijden. We zullen dat ook zien aan het verhaal dat Paulus ons vandaag vertelt in het boek van de Handelingen

 

Uit het eerste boek Samuël hebben we het beroemde verhaal over de grot van David gelezen.

David was gevlucht naar de bergveste EnGedi, en dat betekent,” aanvallen weerstaan “, een plek dus die bij uitstek beschermde tegen aanvallers. Saul komt terug met drieduizend soldaten, net zoveel soldaten als waarmee hij, voordat David verscheen, de Filistijnen had verslagen. Saul is op zoek naar David die zich met een paar honderd man in de rotsformatie heeft verborgen en achter in een grot zich met zijn mannen schuilhield voor Saul. De Koning voelt zich zo veilig dat hij achter een muurtje voor in de grot zijn behoefte doet. De mannen van David moedigen hem aan Saul te doden. In plaats daarvan snijdt David een stuk van de zoom van Sauls koninklijk gewaad af. Dat herinnert aan de zoom van het gewaad van Samuël die door Saul was vastgegrepen en afscheurde toen Samuël zei dat het koningschap net zo van hem afgescheurd zou worden. Davids gebaar is een symbolisch scheuren maar hij krijgt direct spijt en loopt de koning achterna en spreekt hem aan als schoonvader en koning. David spaart Saul niet alleen, maar schuift de oorzaak van de woede van Saul op slechte raadgevers die hem leugenverhalen over David zouden influisteren.

 

Het was geen wonder dat er wrijving was ontstaan tussen Saul en David en dat David had moeten vluchten. Jaloezie was het eerste dat opkwam, Saul had zijn duizenden verslagen maar David zijn tienduizenden zong het volk. Maar er is nog een diepere laag in dit conflict. Saul bemint èn haat David om één en hetzelfde: om zijn intelligentie, om zijn moed, om zijn dichterschap, om zijn muzikaal vermogen, om zijn toewijding, om zijn aanhankelijkheid. David is, wat Saul ooit was; David is, wat Saul had wíllen zijn. Iedere keer als Saul naar David kijkt is het of hij in een spiegel kijkt die hem laat zien wat hij had kunnen zijn, een man naar Gods hart.

Saul wantrouwt David ook. Is David uit op de troon, misschien? Toch heeft Saul
hem ook nódig: als legerleider, als therapeut, als raadsman. Saul wil zich eigenlijk van zijn eigen behoefte aan Davids nabijheid bevrijden. Hij wil zich daarom van David zèlf bevrijden. Hij háát David, omdat hij hem liéfheeft; hij wil hem uit de weg ruimen, omdat hij op hem áángewezen is. Saul wil David doden om zich te bevrijden – om zich van Dávid te bevrijden,
om zich van zijn liéfde voor David te bevrijden.

Saul heeft het moeilijk:
– als hij de koning van de Amalekieten spaart uit collegialiteit, uit medelijden en uit menselijkheid, dan wordt hij zèlf verworpen
– als hij het vee van Amalek ontziet, wordt hem verweten meer naar z’n hart, en naar zijn soldaten, dan naar de hemel te hebben geluisterd. Zijn edelmoedigheid en medelijden zijn hier zonde. Maar, zou je zo’n zondaar niet liefhebben?
Uiteindelijk wordt Saul door iedereen verlaten. Door Samuël, door David, door zijn kinderen Jonathan en Michal. En wordt hij verraden door zijn bondgenoten,  verlaten door zijn vrienden, verworpen door God.

 

Saul was nooit op de positie van koning uit geweest. Die is hem door God òpgedrongen. Hij voelt zich door God gebruikt als pion in het spel dat uitloopt op Dávids  glorie. Saul breekt dan met God en met Samuël, en David probeert hij te doden.

David is de juiste man op de juiste plaats, op het juiste moment:
– om Goliath te verslaan
– om Israëls held te zijn
– om de koning raad te geven
– om ten strijde te trekken

David is jegens Saul vol respect en voorkómend; hij is loyaal en hij bewòndert Saul ook. Hij wil hem alleen maar helpen en heeft àlles voor zijn  vorst over. Als die hem zijn dochter Michal aanbiedt, wijst David het aanbod  aanvankelijk af – om zelfs maar niet de indruk te wekken als zou hij de troon begeren. Hij laat zien hoe zuiver en onbaatzuchtig, hoe echt en onzelfzuchtig zijn  liefde voor Saul is.

Saul wordt mateloos heftig; David zegt niets.
Saul vervolgt hem; David zegt niets.
Saul maakt hem tot zondebok; David zwijgt.
Saul wil hem doden; David bemint en éért de koning.
Saul is jaloers, boos en vol haat; David niet: 3x spaart hij Sauls leven.
Saul benijdt Davids populariteit bij de vrouwen.
Saul benijdt David, dat hij meer tegenstanders gedood heeft.

David straft de vijanden over de grenzen af,, Saul de vijanden in het land.
David bestrijdt de Filistijnen, Saul de Joden.
David strijdt tegen vijanden, Saul tegen vrienden.
David weigert Saul te doden; Saul wil David wèl doden.

Saul voelt zichzelf niet begrepen; hij begrijpt ook anderen niet:
– hij begrijpt Samuël niet en diens moeite om Gods woord en wil te moeten  overbrengen, zonder er iets aan te kunnen veranderen
– hij begrijpt David niet en diens moeite met de roeping om de plaats te gaan innemen van juist koning Saul, die hij liefheeft
– hij begrijpt zijn kinderen niet en hun moeite om hem van veel onherroepelijks te weerhouden.

In de tegenstelling die in de verhalen over Saul en David worden verteld zit steeds de tegenstelling tussen Koningen zoals  Heidense volken die hebben en de Koning die de God van Israël wil hebben. De Koningen van de Heidenen hebben macht over hun volken. Zij dwingen hun goden hen terzijde te staan in hun machtsstreven. De Koningen van de Heidenen trekken ten strijde om er zelf beter van te worden, om de eer en de glorie van zichzelf en daarmee van hun volk. De Koning van de God van Israël dient zijn volk. De Koning van de God van Israël volgt zijn God. De Koning van de God van Israël heeft geleerd dat hij niet zal doden, de Koning van de God van Israël beschermt zijn volk tegen zijn vijanden. Als er eer en glorie aan te pas komt dan geeft de Koning van de God van Israël alle eer en glorie aan zijn God.

 

Die Heidense opstelling van Koningen en volken, eigen volk eerst en eer en glorie voor het eigen volk, noemen we nationalisme. Een aantal jaren geleden heeft de Wereldraad van Kerken uitgesproken dat ook het moderne nationalisme een bron van zonde in de wereld is. Jezelf voortdurend de beste vinden, jezelf voor iedereen als maatstaf nemen, eer en glorie voor jezelf willen afdwingen, het zijn allemaal zaken die strijdig zijn met het Christelijk geloof. en uiteindelijk een bron van conflicten en geweld, van leed en ellende. Maar denk niet dat Christenen vrij zijn van dit Heidense denken. Dat laat ook het verhaal van Paulus vanmorgen zien.

 

Saul was de Joodse naam van de apostel die bij zijn Romeinse naam Paulus wordt genoemd. Om duidelijk te houden over wie ik het heb gebruik ik voor hem zijn Romeinse naam.

Want zoals Koning Saul David vervolgde vervolgde Paulus de Zoon van David, Jezus van Nazareth, de Christus, de gezalfde de beloofde messias en zoals Koning Saul werd aangesproken door David, “ik heb u in leven gelaten”, zo werd Paulus door de Christus aangesproken, in het Hebreeuws en bij zijn hebreeuwse naam:., “Saul, Saul waarom vervolgt gij mij”. Het verhaal lijkt bekend, Paulus, op weg naar Damascus wordt verblind door een groot licht, hoort Christus en bekeerd zich. Toch zijn de details van het verhaal niet bekend. In het boek Handelingen wordt het verhaal van de bekering drie keer verteld. Eén keer als onderdeel van het verhaal van Lucas en twee keer door Paulus zelf. De eerste keer aan het Sanhedrin, de religieuze regering in Israël, en de tweede keer aan de Romeinse landvoogd Felix en de vazal koning Agrippa die in Ceasarea bij Felix op bezoek kwam. Die drie verhalen verschillen nogal. Het licht wordt steeds groter. In het verhaal dat we vandaag gelezen hebben omstraalde het licht het hele gezelschap, Lucas vertelt dat op dezelfde manier als hij in het Evangelie vertelde hoe de herders in Bethlehem door het licht werden omstraald. Van de blindheid die in het eerste verhaal nog zo’n mooie rol speelde is hier geen sprake.

Ik zei al dat de namen Saul en Paulus worden in het boek Handelingen door elkaar gebruikt. Het was namelijk voor de Joden in het Romeinse Rijk heel gebruikelijk om een Joodse, Hebreeuwse naam te hebben en een Romeinse of Griekse naam daarnaast. Wat dat betreft kennen wij Jezus bij zijn Griekse naam, in het Hebreeuws heette hij eigenlijk Jozua, wat “God bevrijdt” betekent. Paulus zat al een paar jaar gevangen bij de Romeinse stadhouder Felix als daar de opvolger van Koning Herodes, Koning Agrippa op bezoek komt en nieuwsgierig is naar die Joodse gevangene Paulus.

Paulus vertelt nog eens dat hij altijd hard gestudeerd had in de boeken van Mozes en de geschriften van de profeten, en dus als rechtgeaard Joods gelovige de volgelingen van Jezus had vervolgd tot hem op weg naar Damascus een licht was opgegaan en hij ineens inzag dat alles wat die Jezus was overkomen al bij de profeten beschreven was, dus het gevolg van het tot het uiterste volgen van de weg van God.

Paulus was dus een Farizeeër hoorde bij de beweging die het oorspronkelijke Joodse geloof wilde bewaren en praktizeren. Die Farizeeën hadden de Synagogen opgericht om het onderwijs in de Joodse leer veilig te stellen. Paulus was opgeleid tot leraar aan de voeten van Gamaliël een zeer belangrijk geleerde in de Joodse geschiedenis. Deze Gamaliël komt niet alleen in de Handelingen voor, maar ook in de Talmoed. Hij is de eerste die aangesproken wordt met de titel van het hoofd van het Sanhedrin, Rachan.

Maar Paulus blijft niet bij de Farizeeën hij wordt een zeloot, een ijveraar, vertelt hij zelf. De zeloten wilden met geweld de Romeinen verdrijven en een nieuwe onafhankelijke Joodse staat stichten. Wat dat betreft is Paulus net zo in verwarring als koning Saul. De Farizeeën waren in de dagen van Jezus van Nazareth zeer beducht voor een gewelddadige opstand tegen de Romeinen, Jezus was niet voor niets gekruisigd met de beschuldiging dat hij de Koning der Joden had willen worden. Het geloof dat Paulus in de Synagogen wilde laten afzweren was het geloof in de opstanding der doden. Als iedereen dat zou gaan geloven dan was de dood niet langer een afschrikking om in opstand te komen dus moesten die volgelingen van Jezus van Nazareth ophouden met dat geloof te verbreiden. Maar alleen de Sadduceeën geloofden niet in de opstanding der doden, de Farizeeën geloofden nu net daar wel in. Zo streed Paulus op de verkeerde manier tegen de verkeerde partij. Op weg naar Damascus om daar ook het Christendom uit te roeien drong het tot hem door dat geweldloze vorming van eilanden van liefde, waar de Christenen op uit waren, direct aansloot bij wat er in de Hebreeuwse Bijbel stond en dat het lot van Jezus van Nazareth al door de profeten als het lot van de bevrijder, de Messias was voorzegd. Het geloof van en in Jezus van Nazareth zou hem beschermen tegen Joden en Heidenen en het was zijn taak niet de Joodse Christenen te vervolgen maar de Heidenen tot Heidense Christenen te maken. Paulus was geboren in de Turkse plaats Tarsus en was dus een Turkse Jood. Op grond daarvan had hij ook het Romeinse burgerrecht op grond waarvan hij alleen door de Romeinse keizer berecht zou kunnen worden. Uiteindelijk zou hij daar een beroep op doen en zo kon zijn boodschap ook in Rome terecht komen.

De bekering van Paulus is niet een bekering van de ene naar de andere godsdienst. De mensen van de Weg, zoals de Christenen nog werden genoemd, waren oprechte Joden die zich beriepen op de Hebreeuwse Bijbel voor hun geloof in de Messias die het volk van de bezetting door ongelovigen zou bevrijden. Dat die bevrijding zou moeten komen door het bekeren van die ongelovige Heidenen tot gelovige Christenen zou pas later doordringen, dat zou het gevolg zijn van de bekering van Paulus.

Net als Paulus willen we nog al eens vergeten waar we eigenlijk echt vandaan zijn gekomen. Net als Saul willen we ons nog wel eens opstellen zoals in de wereld  wordt verwacht dat nette Christenen zich opstellen. Koning Saul roept uiteindelijk uit : Nu weet ik zeker dat jij koning zult worden en dat je het koningschap van Israël vast in handen zult houden. Waarmee hij eigenlijk  het Koningschap van David erkent. :Paulus vertelt na zijn verhaal over de bekering op de weg naar Damascus aan koning Agrippa dat hij heeft gedaan wat Christus hem had opgedragen en dat hij in Jeruzalem, in Judea en in het Romeinse Rijk mensen had verteld wat er volgens de Hebreeuwse Bijbel en volgens Jezus van Nazareth van hen werd verwacht. Dat werd ook uiteindelijk de reden  waarom hij werd gearresteerd.

De beide verhalen die we vandaag gelezen hebben gaan dus uiteindelijk over vervolgden. David werd vervolgd, Paulus was een vervolger. In beide gevallen greep God in. De liefde van God voor David uitte zich in de weigering van David de wettige Koning der Joden te doden, David bleef Saul liefhebben en zonder de God van Israël is er geen liefde zou Paulus veel later schrijven aan een van de Christelijke  gemeenten buiten Israël.. De vervolging van Paulus wordt door God zelf gestuit als Paulus begrijpt dat zijn liefde voor de Joodse godsdienst dezelfde is als Jezus van Nazareth had getoond, als Paulus begrijpt dat hij medestanders vervolgd.

 Op weg naar Pasen ligt natuurlijk voor  ons de vraag open waar we voor kiezen. Blijven we nette burgers die doen wat in de wereld van ons wordt verwacht of gaan we proberen de wereld een klein beetje te veranderen zodat het Koninkrijk van Jezus van Nazareth nabij komt. Ook onder ons zijn er stromingen die lijken op de Farizeeën uit de tijd van Paulus die zich opsloten in hun synagogen en vooral geen aanstoot wilden geven. Ook bij ons zijn er stromingen die nauw willen samenwerken met de ongelovige heersers en alle tekenen van religie uit de samenleving willen weren. Door dat streven om alle tekenen van religie en individueel geloof uit de samenleving te weren voelen veel Christenen zich in ons land onder druk staan, zo onder druk dat het soms wel een vervolging lijkt.

Maar er zijn ook aanhangers van een christendom dat zegt dat je de naaste lief moet hebben als jezelf als de manier om God lief te hebben boven alles. Die proberen gemeenten te vormen die een licht zijn voor de samenleving als een stad op een berg, die proberen hun leden te steunen als zoutend zout in de samenleving. Daar vindt je de vrijwilligers voor de voedselbanken, daar vindt je de vrijwilligers die zich inzetten in asielzoekerscentra en dezer dagen ook in de gekraakte kerken voor de papierlozen. Daar zijn de bezoekers in de gevangenissen, de werkers in Fair Trade winkels, de schrijvers voor Amnesty International, bezoekers van zieken, ouderen, eenzamen en gehandicapten, mensen die geld inzamelen om onderzoek te laten doen naar zeldzame en ongeneselijke ziekten Ook hier in Zwijndrecht zul je de mensen kunnen terugvinden die hongeren en dorsten naar gerechtigheid en zich zonder ophouden inzetten voor de minsten in de samenleving. Die zich aansloten bij een Koning als David, een koning die desnoods in een grot moest schuilen maar niet ophield zijn volk tegen roof en uitbuiting te beschermen. Die als Paulus blijven ijveren voor een geweldloze verandering van de samenleving, zodat er een land ontstaat waar slaven bevrijd worden, blinden zien en lammen lopen, waar hongerigen gevoed worden en naakten gekleed.

Zo mogen wij naar Pasen toeleven als we vieren dat de dood niet langer macht over ons heeft, wanneer wij mogen vieren dat er een nieuw leven is aangebroken waar we allemaal deel aan mogen hebben en dat uiteindelijk God zijn tenten op deze aarde zal spannen.

Amen.

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: Deuronomium 5:6-21
            Lucas 4: 1-13

Gemeente

We trekken vandaag met de kerk de woestijn in. Het zijn de traditionele lezingen voor de eerste zondag van de 40 dagentijd. En voor ons gevoel zou dat van die woestijn best kunnen kloppen.  Bij onze Rooms Katholieke broeders en zusters heet die 40 dagentijd de vastentijd. Jezelf onthouden van overvloed en luxe en een aantal weken sober leven. En in deze tijd van luxe is ook in Protestantse Kring de populariteit van het vasten toegenomen. Niet met een aantal strakke regels van wat wel of wat niet mag maar als een individuele zoektocht naar wat luxe is en misschien eigenlijk overbodig en wat je van je eigen overvloed opzij kan zetten om te delen met een ander. Het beeld van een kale woestijn helpt ons daarbij. Daar is eten en drinken schaars, daar moet je zuinig zijn op alles wat je bij je hebt. Daar is soberheid van levensbelang. Niemand weet immers hoe lang je wel niet in de woestijn rond zal moeten dwalen? Voor ons is die tijd en is het doel bekend. We gaan in 40 dagen naar Pasen. De zondagen tellen we niet mee, dat zijn rust en feestdagen, dan ontmoeten we elkaar en horen we de verhalen die ons door de 40 dagen heen moeten helpen. Het doel is Pasen, dan vieren we dat de dood niet het laatste woord heeft. Dan vieren we dat de dode woestijn zal bloeien als een roos en zoveel vrucht zal dragen dat lammen lopen en blinden zien, dat hongerigen gevoed worden en naakten gekleed. Met dat doel voor ogen gaan we op weg.

Het negatieve beeld van de woestijn is heel menselijk. Op allerlei plaatsen in de Bijbel vinden we dat beeld dan ook bevestigd. Maar de God van Israël heeft de hinderlijke gewoonte om door onze beelden heen te breken en onze verhalen om te keren. Vanmorgen hebben we dat gelezen in het boek Deuteronomium. Daar midden in de woestijn ontdekt het volk Israël hoe je eigenlijk volk moet zijn en komt de God van Israël met richtlijnen voor een menselijke samenleving. Juist in de woestijn kunnen ze daar ervaring mee opdoen.

In de woestijn is immers alles voorlopig, niet anders dan het zand waaruit deze wereld is opgebouwd, zand dat voortdurend verschuift, vindplaatsen van vroeger onzichtbaar maakt voor lateren. De bron die vandaag water gaf zal morgen wel weer elders stromen en het brood dat aan kwam waaien is alleen goed voor deze dag. Zo leer je nog eens leven, maar niet in heilige veilige huisjes doch altijd slechts voor een moment in een dunne open tent, zo gespannen, zo verplaatst, zo beschuttend als voorlopig.

In de woestijn kun je zalig spelen. Ruimte genoeg en reden te over: met je vingers in het zand, ontwerpen tekenen voor later, met huizen, bomen en beestjes en met mensen van allerlei slag; of een beeld van een land scheppen met grote en zwierige lijnen, rivieren trekken, grenzen uitwissen. Rozen kweken, zij het nu nog van papier. En ’s avonds bij het open vuur kun je de oude verhalen vertellen van mensen ver voor jouw tijd, die hier vroeger hetzelfde deden en zich oefenden in een leven dat zij nu breeduit leiden in het land achter de horizon waar ze verkennertje spelen.

Tijd  dus om je de spelregels voor een goed leven nog eens in herinnering te brengen. Ze staan ook in het boek Exodus maar hier in het boek Deuteronomium  staan ze nog eens op een iets andere manier geformuleerd. Het gaat dus niet om het soort juridisch zorgvuldig bij elkaar gezochte formuleringen waaraan elk gedrag op dezelfde manier getoetst kan worden. Het gaat dus niet om het soort wetten die in dikke wetboeken zijn gevat en waarmee onze rechters zich mee bezig houden. Het gaat om de spelregels voor een goed leven, het zijn de spelregels voor een menselijke samenleving. Het gaat dus om spelregels van bevrijding.

Wij moeten ons iedere keer als het om de spelregels uit de Bijbel gaan realiseren dat we doordrenkt zijn van een heidens denken over recht en onrecht. Ons rechtstelsel is gebaseerd op het Romeinse Recht. Elke rechtsregel is altijd onder alle omstandigheden voor iedereen op dezelfde manier toepasbaar. Dat is niet het recht zoals het in de Bijbel wordt gepresenteerd. Daar gaat het er om dat elk mens tot zijn of haar recht komt. Daar gaat het er om dat aan mensen recht wordt gedaan. Daar gaat het er om dat mensen door de spelregels voor een menselijke samenleving de kans krijgen volwaardig mens te zijn.

Daarbij geldt ook nog dat aan dieren recht wordt gedaan, dat ze gerespecteerd worden en dat zelfs aan de aarde recht wordt gedaan, elke zeven jaar immers dient de aarde rust te krijgen. Daardoor kunnen regels voor iedereen verschillend zijn, daardoor kunnen regels ook in de tijd in toepassing verschillen. Voor ons een vreemde manier van denken over recht en gerechtigheid, maar de God van Israël is in onze wereld nu eenmaal de gans andere.

Het volk Israël wordt door de nieuwe spelregels bevrijdt van de last te overleven in de woestijn. Het volk werd bevrijdt van de slavernij om met en door deze wetten te kunnen genieten van de vrijheid in het beloofde land. De regels beginnen  dan ook met de bevrijding van het volk uit de slavernij in Egypte. En aan die bevrijding zijn geen andere goden te pas gekomen. Alleen de God van Israël trok met de slaven mee door de woestijn nadat hij ze had bevrijdt uit de slavernij. Alleen de God van Israël zorgde voor de wetten waarmee het volk de vrijheid kon genieten in het beloofde land. Als je je heil zoekt bij andere goden en goden met je eigen handen denkt te kunnen maken dan oogst je onheil, dan vergaat het je slecht. De gevolgen daarvan zullen ook je kinderen, je kleinkinderen en je achterkleinkinderen ondervinden.

De hoofdregels waarmee we hier begonnen zijn kun je ook niet lezen los van de rest van de geschiedenis. Want als je het land verliest dat voor jouw familie is bestemd en waardoor je onafhankelijk bent krijgen je nazaten dat land pas na vijftig jaar weer terug zodat de familie weer opnieuw kan beginnen met het land dat God heeft gegeven en dat je bevrijd heeft van de slavernij. Wie in onze dagen het leven heeft ingericht op het houden van je naaste als van jezelf herkent die bevrijding, daarin verdwijnt zelfs de angst voor de dood en wordt je bevrijdt van het slavenbestaan van altijd maar meer en beter. Daarin begint het leven pas, ook vandaag weer.

Iedereen wordt in onze samenleving geacht de wet te kennen. Wij maken er meestal van dat iedereen voor zichzelf de Wet moet houden en dat we een overheid hebben om overtreders op te sporen en te bestraffen. Maar de wetten die we vandaag in de Bijbel lezen moeten we soms ook voor een ander houden. Als het gaat om mensen rust te geven en de gelegenheid te geven in plaats van te werken samen te genieten van het goede der aarde dan moeten we dat niet alleen voor onszelf regelen maar vooral voor de mensen en de dieren die voor ons werken, zelfs voor de vreemdelingen onder ons moeten we zorgen. Daarom ijveren we voor een vrije zondag voor iedereen, we zijn geen slaven van werk en winst.

Wij kennen wetten als regels waar we ons aan moeten houden en die ons knellen. De wetten die we in de Bijbel lezen zetten ons in beweging naar een betere samenleving. Bij het gaan van die weg en de keuzes die je daarbij moet maken moet je niet te lichtvaardig Gods naam inroepen. We moeten namelijk niks van ons geloof, we willen wat voor een ander, voor de minsten onder ons, we willen dat de hongerigen gevoed worden en de naakten gekleed. We willen dat aan de armen recht wordt gedaan. In het verhaal dat we vandaag lezen staat ook waarom we dat willen, omdat we zelf slaven zijn geweest, slaven van ons werk, slaven van alles wat moet, slaven van onze angst voor de dood en slaven van onze zucht naar altijd meer en nog meer. Daarom willen we een betere samenleving, een samenleving in vrijheid en met elkaar.

Die samenleving maken we ook samen met elkaar, al luisterend naar God misschien, maar we zijn er altijd nog zelf verantwoordelijk voor. De meeste van die regels voor een betere samenleving zijn zeer eenvoudig. Nooit je afkomst vergeten is er één van. Er staat niet dat je gehoorzaam moet zijn aan je vader en moeder, dat je maar alles moet toestaan wat ze met je uit willen halen. Nee,  maar je moet nooit vergeten waar je vandaan gekomen bent. Uit een goed gezin, doe het dan tenminste even goed, uit een slecht gezin, doe het dan tenminste beter en aarzel niet daar hulp bij te vragen, juist omdat je het goede wil doen en niets dan het goede.

Natuurlijk moorden we niet, beschouwen we onze partners als gelijken en niet als objecten voor persoonlijk genot, respecteren we het bezit waar een ander van moet leven en liegen we niet tegen een rechtbank zodat er onrecht geschiedt. De vrouw van een ander is geen bezit staat er en het bezit van een ander hoort aan die ander. Regels die in elke samenleving thuis horen. Regels die maken dat elke samenleving een goede samenleving kan zijn. Dat is namelijk wat onze God wil, dat is ons geloof. Als er wat moet van ons geloof is het een betere wereld te maken, waar ieder te eten heeft en iedereen mee mag doen. Daarheen mogen we op weg..

Een overbekend verhaal hoorden we vandaag uit het Evangelie van Lucas. Het is ook een woestijnverhaal, het verhaal van de verzoeking in de woestijn. Mooi ook zo’n afloop dat Jezus van Nazareth al die verzoekingen heeft weerstaan. Maar wat moeten we in de eenentwintigste eeuw nog met een figuur als de duivel? Misschien wel net zoveel als Jezus van Nazareth, namelijk helemaal niks. Jezus van Nazareth was kennelijk voor de duivel niet bang en waarom zouden wij dat dan wel zijn? Bovendien geloven we in God en dus niet in de duivel.

 

Die duivel komt uit een middeleeuwse manier van kijken naar de wereld. Die manier komt voor uit de Heidense godsdiensten die nog maar net waren afgeworpen. In die Godsdiensten werden allerlei verschillende gebeurtenissen als personen aangemerkt. De echo was een persoon, het haardvuur en de donder waren personen en de glinstering op de toppen van de bergen kwam ook door personen. Dat de verwarring en de twijfel die een mens kunnen overvallen als een persoon wordt neergezet is in die lijn niet zo vreemd. In het Grieks heet die persoon diabolos, de verwarrer en bij die vertaling zijn we bij de functie van deze schijnfiguur. Twijfel zaaien en ieder van ons weet best dat twijfel zich in jezelf afspeelt.

 

Twijfel is overigens ook een positieve eigenschap. Het geeft je de gelegenheid afwegingen te maken, keuzes te overwegen. En bij problemen kan twijfel aan de werkzaamheid van standaardoplossingen je creativiteit stimuleren, zoek eens oplossingen die bij jou passen of die een ander geen schade berokkenen.

 

Het  verhaal over het gevecht met de twijfel dat Jezus van Nazareth voert is een verhaal dat ons iets wil  vertellen. Dat verhaal vertelt ons dus niks over het al of niet bestaan van een duivel. Het vertelt ons over de manier waarop Jezus van Nazareth begon met het vertellen van zijn boodschap. Hij was gedoopt en had daar gehoord dat hij de geliefde zoon van God was. Een duif was op zijn hoofd komen zitten als symbool voor het uitstorten van de Heilige Geest. Maar hoe gedraagt een geliefde zoon van God zich. Daarvoor ging hij eerst terug naar de woestijn. Naar dezelfde woestijn waar ooit het volk Israel haar God had ontmoet en had ontdekt dat het belangrijkste van haar religie de zorg voor elkaar is. Daarmee kwam aan alle religie eigenlijk een einde. Als “God dienen” hetzelfde is als “van je naaste houden als van jezelf”, blijft er van religie weinig meer over. Jezus hoort van de verwarrer dan ook steeds eerst “Als u de zoon van God bent”, dan volgt een voor de hand liggende veronderstelling. Want een zoon van een God kan immers stenen in brood veranderen? Een zoon van een God kan immers gemakkelijk de macht grijpen over volken en landen en een Zoon van God die van de tinnen van de Tempel springt zal toch door Engelen worden opgevangen zodat iedereen kan zien dat je achter hem kan aanlopen?

 

Maar in de woestijn had de God van Israël laten zien dat het net even anders zou gaan. Hier geen gouden beelden van een God, zelfs geen gouden kalf. Hier geen zoeken naar meer en nog meer en een godsdienst uitsluitend voor priesters en Tempels. In de Woestijn was een Tent der ontmoeting neergezet waar de spelregels voor de nieuwe samenleving werden bewaard in de Ark van het Verbond. In dit verhaal over de verwarring van Jezus van Nazareth komen het absoluut goede, de God van Israel, en het absoluut kwade, de duivel genoemd, tegenover elkaar te staan. Mensen zijn kinderen van het Goede had Lucas in het geslachtsregister van Jezus van Nazareth al geschreven. Jezus van Nazareth zelf is daar geen uitzondering op.

 

Maar we weten dat mensen ook graag het kwade doen. Daarom duivelse vragen, duivelse dilemma’s. Een voorbeeld van zo’n duivels dilemma dat je dezer dagen nog wel eens hoort is het volgende: Als iedereen voor elkaar zorgt waarom laat jij dan niet voor jou zorgen en de zorg voor anderen aan de anderen over? Geen wonder dat veel aardige mensen vaak het gevoel hebben dat er misbruik van ze gemaakt wordt en gaan twijfelen aan het nut van hun goedheid. Tot ze ontdekken dat het kansen geven aan een ander om zich te ontplooien als een liefdevol en zorgzaam mens ook tot zorg voor die ander hoort. We leven immers niet bij brood alleen.

 

Zo zit het ook met de macht. Alleen het kwade kan een mens absolute macht over anderen geven. En een mens die het goede wil doen en niets dan het goede waakt er wel voor al te lichtvaardig om hulp te vragen, dagelijks brood is ons immers genoeg. Zo weten we het kwade te weren, door aan het goede vast te houden. We herkennen na dit verhaal het kwade ook, wie misbruikt maakt van jou dient het kwade, wie macht over je wil uitoefenen dient het kwade, en wie je verleidt tot meer vragen dan je nodig hebt dient het kwade. En als je het goede wilt doen en niets dan het goede dan hoef je voor de duvel niet bang te zijn. Aanpakken en benoemen dat kwade dus vanaf vandaag.

 

We weten  wat de Bijbel zegt over oorlog, stond er niet geschreven dat gij niet doden zult? We weten  wat de Bijbel zegt over ons verlangen rijker en nog rijker te worden, want stond er niet geschreven dat we niet zouden begeren het huis van onze naaste en al het andere dat van onze naaste is? We weten dat we van mensen moeten houden en niet van een ander mens als van een voorwerp, een object dat onze lusten kan bevredigden, we weten ook dat we niet liegen moeten en niet stelen. We weten bovenal dat we niets en niemand tot god moeten verheffen en moeten aanbidden, want de God die ons die regels heeft voorgehouden had ons juist bevrijdt van de slavernij van hebben en houden en van meer en steeds meer. Benoem dus het kwade als je het tegenkomt en elke dag opnieuw want dan verdwijnt het op den duur.

 

Zo gaan we dus op weg naar Pasen, op weg naar het feest van het leven. De 40 dagentijd wordt beleefd als een tijd van inkeer en bezinning. Als we de kerk binnenkomen zien we de liturgische kleur paars die ons daaraan herinnerd. In de 40 dagentijd horen we ook bij uitstek vertellen over het lijden van mensen. Over die zaken die nog niet goed zijn in onze wereld. Over de voedselbanken in ons land, over de honger in Afrika, over de oorlogen in het Midden Oosten, over het ontbreken van mensenrechten in het verre oosten. Kortom we horen vertellen over die zaken die onze wereld voor veel mensen tot een woestijn maken. Wij zullen in die woestijn moeten oefenen, oefenen in de zorg voor elkaar. Want die Wet van de God van Israël laat zich samenvatten in de Wet van de Woestijn, de Wet van de Liefde, Heb God lief boven alles en dat doe je door je naaste lief te hebben als jezelf. Daar mogen we in oefenen, veertig dagen lang om te ontdekken dat daaruit voor iedereen het leven ontspruit, zodat we na Pasen geen genoegen meer hoeven te nemen met het leven in de Woestijn maar mogen zorgen voor het beloofde land, waar alle tranen gedroogd zullen zijn en God zijn tenten op deze aarde zal spannen. Daarheen gaan we op weg, door de woestijn om te beginnen.

 

Amen

 

Read Full Post »

Lezen: Jeremia 1:4-10
            Lucas 4: 21-30

Gemeente,

Geloven is een werkwoord en die arbeid is niet eenvoudig. Zondag aan zondag komen we bij elkaar om samen te bidden en te zingen, om naar het Woord van God, en dus naar God zelf, te luisteren. Maar als ons gevraagd wordt of onze gemeente bekend is als een stad die op een berg ligt, of straalt in onze dorpen als een licht dat zeker niet onder een korenmaat staat en of de gemeenteleden het zoutend zout zijn in diezelfde samenleving dan stamelen we vaak of doen er het zwijgen toe. Dat hoeft overigens niet want als de kerk nodig is blijkt de kerk ook altijd aanwezig. In Amsterdam en Den Haag worden mensen in kerken en door kerken en gemeenteleden opgevangen die geen kant meer op kunnen, niet terug naar waar ze ooit vandaan kwamen en niet hier naar een geaccepteerde plek in ons land. En als er een ramp gebeurd of de samenleving wreed verstoord wordt door geweld opent de kerk de deuren voor nabestaanden en slachtoffers. En overal in Nederland zijn voedselbanken die bij tekort worden bevoorraad door inzamelingen in kerken en waar vanuit de kerken en gemeenten veel vrijwilligers werken.

Wat doen we dan vanmorgen? We houden vol met luisteren naar de valkuilen en discussies die ons af houden van het inzetten  van het goede als wapen tegen het kwade dat ons omringt. Daar zijn de Bijbelse verhalen voor bedoeld en daarom moeten we op zoek naar de betekenis van die Bijbelse verhalen. En dan zal ons blijken dat wat ons zwak voorkomt onvermoede krachten heeft, krachten die wij misschien ook zelf wel hebben om het goede te doen en niet dan het goede. Kijk maar eens naar het verhaal dat we vanmorgen uit het boek van de profeet Jeremia hebben gelezen.

God had gemakkelijk spreken. Die had Jeremia al voor zijn geboorte bestemd om profeet te worden. Maar Jeremia weet van niks. En zou u niet schrikken als ze tegen u zouden zeggen dat je het gezag over alle volken krijgt om ze uit te rukken en te verwoesten om ze te vernietigen en af te breken, op te bouwen en te planten? Geen wonder dat Jeremia roept dat hij te jong is. Dat zou ik zelfs nu nog roepen. Maar we hebben vanmorgen de opdracht gehoord die Jeremia heeft gekregen. En we weten dat Jeremia een van de grote profeten is geworden. Wij zijn Jeremia niet zult u denken. Maar dan moeten we nog één vers doorlezen, Jeremia 1 vers 11: De Heer richtte zich tot mij: “Wat zie je, Jeremia?” Ik antwoorde “ Ik zie een amandeltwijg” En in dat beeld van die amandeltwijg zit het geheim van de kracht van Jeremia, en misschien ook wel het geheim van onze kracht. Wij kennen alleen geen amandeltwijgen.

Wij kennen sneeuwklokjes. Van die bloemen die te vroeg zijn. Als de sneeuw er nog ligt komen ze al boven de grond uit en zoeken ze het zonlicht. In Israël hadden ze de amandelboom. Vroeg in het voorjaar was dat de eerste boom die in bloei kwam. En net als het sneeuwklokje bij ons was de amandelboom in Israël het onbetwistbare teken dat de lente er aan kwam. Hoe koud het ook nog was, hoe fel de voorjaarsstormen ook nog te keer konden gaan, de lente kwam er aan. Een prachtig beeld voor de belofte van de God van Israël dat, ondanks alle ellende die we in de wereld zien, de hemel op aarde zal neerdalen. Jeremia had in zijn dagen zo’n beeld nodig. Want als hij goed keek zag hij niets dan dreiging groeien voor zijn land en zijn volk. En die tere sneeuwklokjes hebben net als de tere amandelbloesem een onvoorstelbare kracht om de kou te kunnen trotseren en ondanks de kou de terugkerende zon op te zoeken en in bloei te komen. Iedere keer als Jeremia dacht te zwak te zijn zou hij aan de amandeltwijg mogen denken en mogen wij aan het sneeuwklokje denken.

Jeremia leefde in de goddeloze tijd. De Wet van de God van Israël, het heb Uw naaste lief als Uzelf, was vergeten. Overal werd afgodendienst bedreven. En rondom klonterden de volken samen tot machtige rijken. Vooral in het noorden werd de dreiging voor kleine volkjes als Juda steeds groter. Dat kon nooit goed aflopen. Er zou een dag komen dat Israël, dat zelfs Juda, niet meer zou bestaan en dat vreemde volken zouden heersen over Jeruzalem. Een volk dat geen respect meer kan afdwingen door te zorgen voor de minsten en de zwaksten in zijn samenleving zal behandeld worden net als alle andere volken die bezetters kennen en vreemde heersers. Daarom is het beeld dat volgt op het beeld van de amandeltwijg in het verhaal van Jeremia het beeld van de overhellende pot kokend water op een  vlammend vuur.. Als je je door de wind van het noorden laat verwarmen dan zul je bij het noorden moeten horen. Die windstreken moet je dus niet zo letterlijk nemen maar als je meegaat in een cultuur van haat en eigenwaan dan zul je overheerst worden door een cultuur die je vreemd is en die haat zaait en van eigenwaan druipt.

Het is de jonge Jeremia angstig te moede als hij beseft dat hij deze boodschap van onheil en ondergang moet brengen aan zijn volk en vooral aan de leiders van zijn volk. Maar de God van Israël maakt hem sterk, een vestingstad, een ijzeren zuil, een bronzen muur staat er. Hij kan tegenstand verwachten maar uiteindelijk zal hij onverslaanbaar blijken. Het zijn beelden die in scherp contrast lijken te staan met het beeld uit het begin van dit verhaal. Een bronzen muur tegenover een bloeiende amandeltwijg, een ijzeren zuil tegenover ons sneeuwklokje. Maar dat contrast is maar schijn. Zoals de amandeltwijg en het sneeuwklokje een geweldige kracht in zich moeten hebben om tegen de winterkou in toch tot bloei te komen zo schuilt in de jonge Jeremia, en dus in alle jongeren, een geweldige kracht als ze de mensen op roepen om de weg van de wereld te verlaten en de Weg van de God van Israël te volgen.

Niet langer zal vruchtbaarheid, zullen winst en profijt, voorop moeten staan, maar de zorg voor de minsten op aarde zal het handelen van mensen en volken moeten bepalen. Delen zal het werkwoord moeten zijn dat hebben verdrijft. Niet de prachtigste technologische uitvindingen die de mode van vandaag bepalen maar het voeden van de hongerigen en het kleden van de naakten zullen de wereldwijde aandacht moeten hebben. Als dat gebeurd zal ook bij ons onweerstaanbaar de lente aanbreken, dwars tegen alle winterkou in. We kunnen er vandaag nog mee beginnen.

Jezus van Nazareth had dat beeld van de profeten opnieuw opgepakt. Hij had gelezen uit het boek van de profeet Jesaja, over het genadejaar, het aangename jaar des Heren. Hij had bij Jesaja gelezen dat hij geroepen was om aan armen het goede nieuws te brengen, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken, en aan blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven. En hij had zijn gehoor in de Synagoge van Nazareth verteld dat ze nu pas gehoord hadden hoe dat schriftwoord in vervulling was gegaan.

Jezus van Nazareth onderwijst in de synagogen staat er in het verhaal van Lucas. Leren noemt men dat. Synagogen zijn plaatsen van bijeenkomst in de dorpen en steden buiten Jeruzalem opgezet door de Farizeërs om er voor te zorgen dat de kennis van de Joodse Bijbel niet verloren zou gaan door alle Romeinse en andere heidense invloeden in het land. Ze bestaan tot op de dag van vandaag en je vindt ze overal in de wereld.

Ook Paulus ging op zijn zendingsreizen naar de Synagogen en als hij daar niet welkom was organiseerde hij bijeenkomsten bij mensen thuis volgens de manier waarop in de Synagogen mensen bij elkaar kwamen. Onze kerkdiensten komen dus voort uit de bijeenkomsten in de Synagogen. Al ging in de Synagogen iedereen voor, elke man van 12 jaar of ouder kreeg een deel van de Hebreeuwse Bijbel te lezen en mocht als hij zich daartoe geroepen voelde er iets over vertellen. Jezus van Nazareth leest in de synagoge van de stad van zijn jeugd uit het boek Jesaja. Maar Jezus van Nazareth stopt met het stuk van Jesaja op het punt waar iedereen nog een halve zin zou doorlezen In hoofdstuk 4 vers 19, net voor lezing van vanmorgen  staat:  “om een genadejaar van de Heer uit te roepen.’ Om in vers 20 door te gaan met:   Hij rolde de boekrol op, gaf hem terug aan de dienaar en ging weer zitten; de ogen van alle aanwezigen in de synagoge waren op hem gericht. .Maar in Jesaja 61 lezen we in vers  2  om een genadejaar van de HEER uit te roepen en een dag van wraak voor onze God, om allen die treuren te troosten” Die dag van wraak voor de God van Israël wordt door Jezus van Nazareth dus niet uitgeroepen.

Dat moet dus een grote teleurstelling geweest zijn voor de hoorders in de Synagoge. Iemand die met zoveel gezag uit de Hebreeuwse Bijbel kon voorlezen, iemand die de opdrachten van de God van Israël op zichzelf toegepast kon verklaren, en hier zei hij toch in vers 21: “Vandaag hebben jullie deze schriftekst in vervulling horen gaan?” Daar begint de lezing van vanmorgen mee. Jezus van Nazareth zegt niet meer of minder dat hij ook de kracht heeft die de God van Israël aan Jeremia heeft gegeven, de kracht van het sneeuwklokje, de kracht van de amandeltwijg. Breekt dan de vrijheid van Israël, de bevrijding van de wrede Romeinse overheersing niet met geweld baan? Is daar geen opstand van het volk voor nodig onder leiding van Jezus van Nazareth?

In de dagen van Jezus van Nazareth vatte steeds meer de gedachte post dat alleen gewelddadige opstand tegen de Romeinen het herstel van een vrij Israël zou kunnen brengen. Kleine opstanden die bloedig waren neergeslagen waren daar al op vooruit gelopen. Maar in het jaar 70 was er een grote opstand geweest waar bijna heel het volk bij betrokken was geweest. Die opstand was niet alleen bloedig neergeslagen door de Romeinen maar had ook geleid tot de verwoesting van de Tempel, de vernietiging van Jeruzalem en de verstrooiing van het Joodse volk over de hele toen bekende wereld, het Romeinse Rijk. Lucas heeft zijn Evangelie na die geweldige opstand geschreven en vertelt op zijn manier hoe Jezus van Nazareth met die hang naar geweld was omgegaan.

In plaats van de opstand uit te roepen tegen de Romeinen wijst Jezus van Nazareth er op dat er in de geschiedenis van het volk Israel ook momenten waren geweest dat het nodig was om je aan de rand van de samenleving op te houden.

In de discussie die volgt op het voorlezen van het gedeelte uit Jesaja wijst Jezus van Nazareth op de profeet Elia. Van alle weduwen  die het moeilijk hadden tijdens de droogte, ook in Israël waren veel weduwen geweest die het moeilijk hadden, ging Elia niet naar een weduwe in Israël maar naar een weduwe in Sarfat, net in het buitenland.. Je kunt de vijand zelfs bestrijden door het goede te doen aan bezettende buitenlanders zoals Elisa bij Naäman, de Syrische generaal,  had gedaan, die was op aanwijzing van Elisa genezen van zijn melaatsheid, van een genezing van Israëlische melaatsen op aanwijzing van Elisa is nergens iets te lezen..

Jezus van Nazareth sluit aan de opvatting van de profeet Jeremia die later betoogde dat het niet zoveel zin had tegen machten te vechten waar je het niet van kon winnen maar dat het goede doen en de Liefde betonen, die de Wet van de Liefde vraagt, altijd tot overwinning leidt. Jeremia zou zelfs een brief schrijven aan de ballingen waarin hij hen opdroeg tuinen aan te leggen waarin ze groente zouden verbouwen en zich te mengen onder de bevolking waartussen ze in ballingschap woonden om goed te doen. Die ballingschap zou na enkele generaties weer over gaan, de liefde van de God van Israël, de Wet van heb uw naaste lief als uzelf, die bleef bestaan. Alle volken zouden moeten kunnen zien dat de God van Israël een weg heeft die veel meer oplevert dan welke eigenhandig gemaakte god dan ook. Alle volken zouden achter de God van Israël aan moeten gaan.

Dat aangename jaar des Heren, dat genadejaar, dat jubeljaar was dus niet een zaak van ingrijpen van bovenaf. Dat zou niet komen via een wonder van de God van Israël. Dat zou komen van het volk zelf. Dan moesten ze zorgen voor de minsten in de samenleving. De blinden, de lammen, de weduwe en de wees. Dan moesten de hongerigen gevoed worden en de dorstigen gelaafd. Dan zouden de naakten gekleed worden  en de gevangenen bevrijdt. Dat moesten ze zelf organiseren. Nou vergeet het maar. In Kafernaüm had deze zoon van Jozef de timmerman toch allerlei zieken genezen?  Daar had hij toch een hoop wonderen gedaan?  Hij zou ook de inwoners van Nazareth kunnen bevrijden door wonderen te doen, ja hij zou het hele volk Israël  kunnen bevrijden door de macht van de God van Israël in te zetten. Inderdaad: Geneesheer genees uzelf, laat ons er buiten, laat ons geen risico lopen, val ons er niet mee lastig. Profeten hebben gemakkelijk praten, zij vertellen wel hoe het gaat aflopen met ons, maar ze vragen ook altijd om zelf de last op te nemen van de problemen in de samenleving.

 

Woedend sprongen dus de bezoekers van de Synagoge, de hoorders van het woord op. Ze wilden de wonderen wel afdwingen. Gooi hem in de afgrond, de engelen zullen hem opvangen en iedereen zal kunnen zien dat dit de zoon van de God van Israël is. In het verhaal dat staat voor dit verhaal over het optreden in de Synagoge  het verhaal  over de verleiding in de woestijn. Dat verhaal eindigt met de uitnodiging van de Tempel te springen zodat de Engelen hem kunnen opvangen. Hier vragen de inwoners van Nazareth hetzelfde. En ook nu gaat Jezus niet in op de verleiding met wonderen iedereen achter zich aan te krijgen. In iedereen schuilt immers de kracht van de amandeltwijg, de kracht van het sneeuwklokje. Jezus van Nazareth liep dus door de menigte heen in plaats van zich door de menigte te laten leiden. Hij vertrok.

 

En laat hij ons daarmee met legen handen achter? Ook wij hebben het Schriftwoord gehoord dat het aangename jaar van God, het genadejaar is aangebroken. Ook wij weten wat ons te doen staat. Kunnen de blinden al zien en de lammen lopen?  Niet zo letterlijk nemen,  we genezen niemand, daar heeft God ons dokters voor gegeven. Maar heeft iedereen toegang tot gezondheidszorg? Ooit hebben  Christelijke arbeiders ziekenfondsen opgericht om te zorgen dat hun collega’s die ziek werden, of die thuis met ziekte werden geconfronteerd, goede toegang hadden tot de gezondheidszorg. Letten we er nog steeds op?  En voeden we de hongerigen? Zorgen we voor voldoende aanvoer naar de voedselbanken in onze omgeving? Bezoeken we de ouderen en de eenzamen? We weten best hoe het goede in onze samenleving er uit kan zien. We weten best dat we in deze dagen voor de Vastenavond over overmatig alcoholgebruik moeten spreken met de jongeren in onze omgeving. Vanmorgen hebben we gehoord dat we niet bang hoeven te zijn  om dat verhaal van de God van Israël te vertalen  voor de mensen om ons heen, we zijn niet te jong, we hebben de kracht van het sneeuwklokje en  ook al wijzen ze ons af, dan vertrekken we, zonder op te geven.

Zo mogen we ons leven inrichten in navolging van Jezus van Nazareth, elke dag opnieuw, dat is ook het genadejaar, voor ieder van ons, elke dag weer, tot hij komt.

 

Amen

Read Full Post »