Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for augustus, 2012

Lezen: Jesaja 35: 1-10

           Marcus 7:31-37

Gemeente,

Augustus is de oogstmaand, we zijn dus net over de helft. Hier in de buurt van Julianadorp is al veel van de oogst klaar, de tulpen en narcissen zijn in elk geval de grond uit, de hyacinten gekeerd en hopelijk langzamerhand gedroogd, maar in andere delen van het land is het nog volop werken aan de tarweoogst en de oogst van mais en van bloemen en fruit. Daar waar de oogst klaar is zul je de corso’s zien verschijnen of in elk geval kermissen en feesten in de dorpen waar de oogst klaar is. Landbouwmechanisatie heeft veel van de mensen die bij de oogst hielpen vervangen. Jongeren hebben andere bijbaantjes gevonden en daar waar nog mensen tijdelijk nodig zijn worden werknemers uit arme landen gehaald die van de verdienste in de oogsttijd in eigen land de winter door kunnen komen. Maar de oogstmaand is vanouds een maand van vreugde en feest.

 

En dat is wel van heel ouds. Het lied van de terugkerende ballingen dat we vandaag uit het boek van de profeet Jesaja  gelezen hebben werd in Israël met name ook rond het feest van de oogst gezongen. We vinden dat bijvoorbeeld terug in het twaalfprofetenboek waar het lied ook door de profeet Joël wordt geciteerd. Dat lied over de dorre vlakten der woestijnen en de steppe die zal bloeien was ook lang in onze kerken zeer populair. In de negentiende eeuw dichtte de dominee dichter J.J.L. Ten Cate het beroemde lied de dorre vlakte der woestijnen zal zich verblijden eindeloos, de zandzee zal herschapen schijnen want bloeien zal zij als een roos. Van heil’ge vreugde zal zij beven, doortinteld van een heerlijk leven, dat nimmermeer verwelken zal. Zij zal de wonderen des heren, aanschouwen en zijn grootheid eren met jubelend triomfgeschal. Het was gezang 111 uit de Hervormde gezangenbundel van 1938. De kerkliedgeleerden  die het liedboek voor de kerken samenstelden namen dit populaire gezang niet over. De taal van dominee ten Kate is toch erg negentiende eeuws en de melodie vonden kerkmusici niet om aan te horen. Maar de behoefte dit lied van Jesaja en Joël mee te zingen bleef. Een aantal jaren geleden kwam Huub Oosterhuis daarom met een nieuwe versie van dit lied. De steppe zal bloeien, de steppe zal lachen en juichen, de rotsen die staan vanaf de dagen der schepping staan vol water maar dicht, de rotsen gaan open. Het water zal stromen, het water zal tintelen, stralen, dorstigen komen en drinken, de steppe zal drinken, de steppe zal bloeien, de steppen zal lachen en juichen. Het is lied 49 in de bundel Tussentijds en naar verwachting zal het ook in het kerkliedboek terechtkomen dat in maart volgend jaar zal worden gepresenteerd. Maar het is zomer en ik ben maar gast dus ik durfde het niet aan om dit prachtige lied vandaag op te nemen in de orde van dienst. Want het is zeer afhankelijk van de prachtige pianopartij die de Amsterdamse componist Antoine Oomen er bij heeft geschreven.

 

De beide liederen gaan in hun eerste couplet over de oogst, over de woestijn die tot bloei is gekomen. Maar daarom staat Jesaja 35 vandaag niet op het leesrooster. Want bij die bloeiende steppen en dorre vlakten horen ook als herten springende verlamden, jubelende monden van stommen, en oren van doven die worden ontsloten. Kortom hier wordt een samenleving geschetst waar niemand meer bang hoeft te zijn en iedereen weer kan meedoen.

 

En daarmee wordt het een merkwaardig lied want Jesaja zet het in het midden van het leed van de ballingschap.  In het hoofdstuk dat hiervoor staat blijft er weinig over van de aarde, het wordt een bloeddoordrenkte en ontluisterde aarde. Maar het volk wordt er door gelouterd, zoals goud door vuur wordt gereinigd van ongerechtigheden blijft er een rest over van het volk dat een nieuwe kans krijgt in een nieuw land. Het wordt dus een lied van de hoop. Hoop op leven. Er komt een nieuwe lente. Wij kennen natuurlijk de afloop van de ballingschap, de ballingen keerden, ze keerden met geschenken terug uit Babel en met de opdracht van Koning Cyrus hun stad Jeruzalem en de Tempel voor de God van Israël weer op te bouwen. Koning Cyrus wordt door Jesaja dan ook als een messias beschreven. Maar die wederopbouw van de Tempel en Jeruzalem geeft het overgebleven volk van ballingen ook nieuwe kansen. Nu konden ze de oogstfeesten weer in ere herstellen die vanouds gewijd waren aan de God van Israël.

 

Die oogstfeesten waren niet zomaar feesten. In het boek Deuteronomium staan er drie omschreven. Allereerst komt de gersteoogst.  Van gerst wordt het gerstebrood gebakken, het brood voor de armen, denk maar aan de jongen met de vijf gerstebroden en de twee vissen die aan het begin staat van het verhaal over de spijziging van de vijfduizend in het Evangelie van Marcus. Tijdens dat oogstfeest van de gersteoogst wordt de bevrijding uit Egypte gevierd, het feest van de ongezuurde broden, het Pesachfeest, voor Christenen het Paasfeest het feest waarop de dood werd overwonnen. Het tweede oogstfeest is vijftig dagen later het feest van de Tarweoogst. Dan wordt het tijd om ook de Tempel te voorzien van de nodige leeftocht voor Priesters en Levieten en worden de eerstelingen van de oogst naar de Tempel gebracht. Het is het feest van de afkondiging van de Wet tijdens de reis door de Woestijn, toen God de Wet aan Mozes gaf op de Horeb. Wij kennen dat feest als het Pinksterfeest. In het najaar volgt dan nog het Loofhuttenfeest als de oogst van vruchten als dadels en granaatappels is geweest. Het is ook het feest waarop wordt herdacht dat in de woestijn, toen men nog in tenten moest wonen, elke dag door God voor voedsel werd gezorgd.

 

Opmerkelijk is dat bij elk van deze oogstfeesten het voorschrift wordt gegeven dat men een maaltijd moet houden bij de Tempel met de familie, met de Levieten, maar ook met de armen en de vreemdelingen uit het dorp. Samen delen van de oogst staat in de Bijbel centraal, daar moet iedereen mee kunnen doen aan de samenleving, gelovig of niet, horend bij het volk van Israël of niet. Dat brengt pas een gezonde samenleving voort. De bevrijding van de ballingschap gaat gepaard met een vernieuwing van de mens, zijn kwalen verdwijnen zowel letterlijk als overdrachtelijk, in het visioen van de Bijbel zoals dat door Jesaja is opgetekend is het niet uit elkaar te halen. Die bevrijding mag gezien worden, de boodschap mag gehoord worden en  de Weg van de God van Israël, de Weg door de woestijn met de richtlijn van  heb uw naaste lief als uzelf. Mag bewandeld worden En daarom gaat het in dit lied van Jesaja vooral ook over de lammen die zullen huppelen, de blinden die het licht zullen zien, de stommen die zullen spreken de doven die zullen horen. Want de lammen, de blinden, de doofstommen horen niet langs de kant van de weg te zitten wachten tot ze een aalmoes krijgen, ze horen volwaardige leden van onze samenleving te zijn.

 

Er staat in dit gedeelte nog een bijzonder beeld, dat van het water dat uit de rotsen springt. We denken natuurlijk terug aan Mozes die met zijn staf op de rotsen sloeg toen het volk klaagde over de dorst. Maar Mozes werd bestraft voor zijn eigenzinnige optreden. Hij mocht niet het beloofde land betreden. En water werd het symbool van de dood, van de chaos, zelfs een meer als het meer van Galilea bleef een bedreiging en Jezus van Nazareth moest zijn leerlingen berispen toen zij als de dood werden door een storm op het meer. Bij Jesaja wordt dat water nu juist de bron van nieuw leven. Je hoeft het niet te dwingen of er om te smeken, het springt vanzelf uit de rotsen en stroomt tintelend als zilver naar beneden waar het groen uit de woestijn opschiet. Een beeld dat je vandaag nog steeds in woestijnen kunt zien als er na lange tijd van droogte een regenbui gevallen is. Dood land wordt weer tot leven gewekt.

 

In dit nieuwe levende land hoef je niet over rotsen te klauteren nee er ligt een gebaande weg voor je klaar. Niemand hoeft bang te zijn voor roofdieren. De jakhals is verdreven door gras en riet en de leeuw is er niet meer terug te vinden. Het “vreest niet” dat zo vaak in de Bijbel wordt uitgesproken krijgt hier gestalte. De herders die bij nacht hun kudde bewaken kunnen rustig slapen, hier zijn geen bezetters die hen naar een huis willen drijven om hen belasting op te kunnen leggen. Hier geld de Wet van de God van Israël, hier mag iedereen meedoen.

 

Jezus van Nazareth zal de Wet vervullen staat er geschreven. Hij wachtte niet tot de oogstfeesten met delen maar deed dat voortdurend, demonen uitdrijvend en genezend staat er in de Evangelieën, andere woorden hadden ze er niet voor. Maar ondertussen schiep hij een heel nieuwe orde waaraan iedereen mee kon doen, zelfs de jongen met het gerstebrood, het brood van de armen. Als iedereen deelde met elkaar bleven er 12 manden brood over, het hele volk had dus te eten.  Het hele volk liep er voor uit, achter Jezus van Nazareth aan. Ze lieten hem niet met rust, telkens weer zochten ze hem op, is het verhaal van Marcus. En dat wordt Jezus van Nazareth te veel. Die nieuwe samenleving moet ook van het volk zelf afhangen en niet van één man  met een paar volgelingen. De nieuwe Koning moet immers een dienaar zijn en geen heerser. De laatsten zullen de eerste zijn.

 

Als je in eigen land geen rust krijgt, als de mensen  je zo lastig vallen dat je met je leerlingen zelfs geen tijd krijgt je handen te wassen voor het eten dan moet je iets anders verzinnen om tot rust te komen. Het buitenland is dan een goed alternatief. Juda was voor Jezus geen alternatief want daar zochten ze hem te doden.  Alleen was er in de tijd van Jezus van Nazareth geen echt buitenland voorhanden. Alles waar ze heen konden behoorde tot het Romeinse Rijk. Het leek wel een beetje op het Europa van tegenwoordig. Je kunt er doorheen rijden zonder een douane of grenscontrole tegen te komen. Dat je in een ander land bent merk je aan de vorm van de huizen, de verkeersborden en de taal die er gesproken wordt. Dat was in de omgeving van Jezus van Nazareth niet anders. Alleen spraken ze daar in de buurt allemaal Aramees. Geschreven werd er in het Grieks en in dat Grieks kennen we ook het Evangelie van Marcus. Maar zouden die buitenlanders Jezus van Nazareth ook met rust laten? Marcus laat ons weten dat het niet het geval was.

 

Jezus van Nazareth wijkt uit naar Tyrus en Sidon schrijft Marcus. Daar ontmoet hij de Syro Phoenitische vrouw, het is het verhaal dat direct vooraf gaan aan het gedeelte dat we vandaag gelezen hebben. Trouwe Bijbellezers moeten Tyrus nog wel herkennen, zeker als er een vrouw in het verhaal voorkomt die betekenis voor Israël heeft.  Izebel de vrouw van koning Achab kwam hier vandaan die dacht heel Israël aan haar bezit te kunnen toevoegen, maar de vrouw die Jezus ontmoet neemt genoegen met de kruimels die van de tafel vallen en deze omkeer maakt dat zij er ook bij mag horen, haar dochter, haar nageslacht wordt genezen, genezen van de ziekte van Izebel, de ziekte van de hebzucht.

 

Van Tyrus reist Jezus van Nazareth door naar  Decapolis, het 10 stedenland. Een bijzonder gebied. Was Galilea al het land van de heidenen genoemd, waar Joden wonen die deden als de heidenen, waren Tyrus en Sidon oude Heidense steden die vanouds ook een rol speelden in het verhaal van Israël, dat Decapolis, het land van 10 steden was nog nieuw. Het gebied was in 63 voor het begin van de jaartelling door Pompeïs losgemaakt van het joodse rijk en geplaatst onder het gezag van de stadhouder van de Romeinse provincie Syrië, Quirinius zou hier later een succesvolle volkstelling organiseren. Dat was gedaan om de cultuur van Griekenland en Rome sneller ingang te doen vinden. Vanuit Juda was er toenemende invloed om terug te keren naar de oorspronkelijke godsdienst, naar de oorspronkelijke gebruiken van Israël. Daar moest een halt aan worden geboden, er moest juist een toenemende invloed van de Griekse cultuur en de Romeinse godsdienst zijn. In het tienstedenland was men dan ook doof voor de boodschap van de Godsdienst van Israël, heb uw naaste lief als uzelf.

 

Ook buitenlanders hoorden er bij bleek dus in Tyrus. Niet zomaar, de Wet was immers gegeven aan het volk Israël en de vruchten van die Wet waren dan ook voor hen bestemd. Maar daar waar in overvloed gegeten wordt vallen kruimels van de tafel waar anderen nog heel goed van mee kunnen eten. Zo komen er ook buitenlanders naar ons land om hier mee te eten van de kruimels die bij ons van tafel vallen. Ze houden over het algemeen niet hun hand op maar doen het werk waar bij ons geen mensen meer voor te porren zijn. Het is alleen jammer dat er zo verkrampt angstig op wordt gereageerd. In onze tuinbouw is er veel werk voor veel mensen voor maar een paar maanden per jaar, de oogst. Daarvan kun je hier geen bestaan opbouwen en als je dat werk gaat doen veroordeel je jezelf tot jaren uitkering, onderbroken door af en toe een paar maanden werk. Er zijn arme landen waar mensen wonen die best een heel jaar zouden kunnen leven van wat hier in een paar maanden in de oogst te verdienen valt.

 

We durven het alleen niet aan om dat goed te organiseren. We laten ons regeren door angst en het geschreeuw van een paar laffe angsthazen die een vreemde godsdienst als excuus aanvoeren voor hun geschreeuw. Geloven in de macht van de God van Israël doen ze niet. Ze zijn doof voor onze echte Joods Christelijke traditie van in vrede met elkaar wonen en vreemdelingen een plaats geven in onze eigen samenleving.

 Want als we werkelijk samen willen dan kunnen zelfs doven een volwaardige plaats krijgen in onze samenleving.

 

De  heiden uit het land van de 10 steden wordt bij Jezus gebracht, door wie en waarom staat er niet bij. Zoals zo vaak in de Bijbel staat hij voor alle mensen die niet willen luisteren naar de Weg van God en daarom onverstaanbare klanken uitstoten, klanken van haat, van afwijzing, klanken die ons aggressief voorkomen maar vaker gekleurd zijn door angst. In een ander verhaal over deze zelfde streek uit een ander Evangelie zijn het ontelbare boze geesten, een legioen die doodsbenauwd voor Jezus zijn en in een kudde onreine varkens van de rotsen worden gestort. Hier, in het verhaal van Marcus volgt een normale behandeling, de zieke wordt aangeraakt daar waar zijn ziekte is, in de oren, aan de tong. Speeksel speelt een rol want aan speeksel werd een genezende kracht toegedicht, de genezende kracht die de kus van een moeder voor de zere knie van een kind heeft. Voor Grieks sprekende mensen moet dan duidelijk gemaakt worden dat Jezus van Nazareth geen toverspreuken nodig had, Jezus uit geen onverstaanbare aggressieve klanken, hij spreekt de taal van de Galileërs, de taal van de gewonen mensen in Juda ook, het Aramees. Effatha is Aramees en betekent “Ga open”, een woord dat ook gemakkelijk in liplezen te verstaan is. Je moet je dus voor elkaar openstellen in plaats van afsluiten. En dat geldt voor ons allemaal, ook vandaag nog.

 

Jezus van Nazareth verbood de mensen te vertellen wat er was gebeurd. Maar als je je eenmaal openstelt voor het Woord van de God van Israël, dat juist het liefhebben van je naaste je naar het beloofde land brengt, juist de vrede brengt waarin alle mensen mee mogen doen en niemand meer bang hoeft te zijn of langs de kant te blijven zitten dan zing je, schreeuw je het uit en houdt je er geen moment meer je mond over. Dan breekt direct het oogstfeest aan waar Jesaja al over zong, over de doven die horen en de stommen die spreken. Daar in het land van de Heidenen begint het ook door te dringen of Jezus dat nu wil of niet. Het kan ook hier bij ons doordringen, als wij ons er voor openstellen. Dan wordt ook onze samenleving een Kanaän, een samenleving in een land dat overvloeit van melk en honing, een land van enkel vruchtbaarheid, gezegend land om in te wonen.

 

Amen. 

 

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: Deuteronomium 10: 12-21

            Marcus 7: 1- 23

Gemeente,

 

Het is zomer, de tijd van de oogst, de tijd waarin je je af mag vragen wat al je gezwoeg onder de zon eigenlijk opbrengt, niet alleen materieel maar ook voor jezelf en vooral voor de mensen om je heen, onze broeders en zusters  in de wereld. De lezingen van vandaag gaan over de Wet, over wat wel en wat niet mag, over hoe je je gedraagt. Een lezing uit het boek Deuteronomium waarin de Wet van Mozes nog eens wordt samengevat en uitgelegd en een lezing uit het Evangelie van Marcus, het oudste Evangelie.

 

Voor ons zijn Wetten maar saaie stof, wie gaat er nu in de zomerperiode, de tijd waarin ook de vakantie valt studeren op Wetten? Zeker als het ook nog oude Wetten zijn. Je zou eerder een spannend verhaal verwachten, over Koningen en zo en een mooie oorlog, of een spitsvondige gelijkenis, zo’n mooi verhaal over een verloren zoon of een barmhartige samaritaan. Maar nee, het gemeenschappelijk leesrooster komt aan met de Wet zoals God die aan Mozes heeft gegeven en de toepassing van die Wet waar Jezus van Nazareth tegen oploopt. Nu zijn die wetten niet gegeven om mensen te binden maar om te bevrijden. Wetten kunnen binden en bevrijden. Juist in de zomer hebben we daar eigenlijk ook nu nog mee te maken. Dat werknemers een wettelijke vakantie hebben danken we aan de mensen die de werkgevers ervan wisten te overtuigen dat goed uitgeruste werknemers belangrijker waren dan arbeiders die  dag in dag uit jaar in jaar uit als slaven zwoegden voor hun bazen. De lange vakantie die kinderen hebben danken ze aan de kinderarbeid, bij de invoering van de leerplicht werd de hulp van kinderen bij de oogst onmisbaar geacht en dus kregen kinderen de hele oogsttijd vrij van school. Tegenwoordig huren we mensen uit een arm buitenland in om bij de oogst te helpen.  De Wetten van Mozes beginnen met de God van Israël, de God die het volk bevrijdt heeft uit de slavernij in Egypte en die bevrijding krijgt gestalte in het verbond waar die Wetten een onderdeel van vormen.

 

Die Wetten werden gegeven op Weg naar het beloofde land. Het zijn dus eigenlijk richtingwijzers op weg naar dat land dat overvloeit van melk en honing. en misschien kunnen wij ook deze wetten zo lezen dat we na de zomer, of eerder als u wilt, er weer mee op pad kunnen op weg naar een samenleving in onze dagen die gaat lijken op dat beloofde land. per slot moeten we vlak na de zomer daarvoor ook de nodige keuzes maken en vertegenwoordigers op pad sturen om ons land te brengen naar dat beloofde land.

 

Onze Godsdienst is eigenlijk helemaal niet zo ingewikkeld. Er zijn geen kostbaar aangeklede Tempels met geheimzinnig mompelende priesters waar je voor elke gunst die je van een God wil hebben eerst een offer moet brengen. Geen klankschalen of kleurstellingen, en vooral geen offers aan de God zelf. Dat was ook in het oude testament als zo. De offers die werden gebracht zijn een teken dat je wil delen van wat je hebt en zijn bestemd voor de Priesters en Levieten, die moeten toch ook leven. De Levieten leggen je de wet uit zodat je de juiste keuzes kan maken en spreken recht als er een geschil is. En als je de God van Israël wil volgen dan zijn er vreemdelingen en weduwen en wezen om je  daarbij te helpen. Zo eenvoudig is het. Verschaf de weduwe en de wees recht, laat hen tot hun recht komen, neem ze op in je gemeenschap en zorg dat ze een volwaardige plaats krijgen. Ze zijn de armsten in de samenleving. In een samenleving waar alleen mannen een eigen inkomen hebben, waar mannen zorgen voor de bewerking van het land en de handel komen weduwen en wezen zonder inkomen te zitten. Daar zijn we dus samen verantwoordelijk voor. In onze dagen voor de ouden van dagen, voor de zieken en invaliden, voor de mensen die niet in staat zijn een eigen inkomen te verwerven. Niet alleen in ons land maar uiteindelijk in de hele bewoonde wereld.

 

Maar in ons land moeten we, net als in Israël, de vreemdelingen met liefde behandelen. Het staat er echt. Iedereen die zich dus wil beroepen op de Joods Christelijke traditie van ons land, die bang is dat we overvleugeld worden door een andere godsdienst, zal zich moeten conformeren aan het gebod dat staat in het gedeelte dat we vandaag lezen, U moet de vreemdelingen met liefde behandelen. Want we zijn uiteindelijk allemaal vreemdelingen geweest of stammen af van vreemdelingen. De geschiedenis van het slavenvolk dat veertig jaar door de woestijn had gezworven nadat het in 400 jaar in Egypte tot slavernij was vervallen is natuurlijk geweldig. Er waren ooit 70 mensen naar Egypte gegaan en er kwamen enkele honderdduizenden terug. Ook onze geschiedenis wordt soms als zo geweldig voorgesteld. Ooit kwamen de Batavieren op boomstammen de Rijn afzakken en nu behoren we tot de 20 rijkste industrielanden in de wereld. Over onze samenleving hoeven we ons dan ook in het geheel niet te schamen. Natuurlijk zijn er problemen die we moeten aanpakken en oplossen. We hebben nog steeds nare gevolgen van hebzucht. We delen nog steeds onvoldoende, er zijn nog steeds voedselbanken nodig en de inkomensverschillen in allerlei bedrijven zijn onverklaarbaar groot. Er is nog steeds misdaad in ons land en jongeren worden verwaarloosd en vervallen soms onnodig tot misdaden. Maar misschien erger is dat de manier waarop wij onze landbouw hebben georganiseerd en handel drijven hongersnood veroorzaakt in arme landen. Erger is ook dat de kleding die wij dragen voor een groot deel wordt gemaakt door kinderen onder erbarmelijke omstandigheden. Erger is ook dat om hier mannelijke lusten te bevredigen arme meisjes uit minder welvarende landen gedwongen worden in onze seksindustrie te gaan werken en daar worden verhandeld, gemarteld, geslagen en vernederd.

 

Heel het boek Deuteronomium spoort ons aan de Weg te gaan die God ons wijst. Daarvoor moeten we eerst opstaan en die Weg willen gaan. Volgens dit boek is het een Weg die voert van dood naar leven. Ook al leven wij nu in een betrekkelijke welvaart als we de Weg willen gaan van de God van Israël dan zullen ook wij moeten opstaan, opstaan tegen al dat onrecht in onze samenleving, het onrecht dat ons omringt. Ook vandaag weer opstaan dus.

 

Vooral de farizieeën probeerden de wetten uit het Oude Testament, de wetten van de Tora, zo nauwkeurig mogelijk na te komen. Jezus van Nazareth nam het vaak niet zo nauw met die wetten. In het verhaal van vandaag raakt hij in conflict over de reinheidswetten. Je handen wassen voor het eten is een gezonde regel. De Farizeeën wijzen er dus kennelijk niet ten onrechte op dat de leerlingen van Jezus zich daar niet aan houden. Maar er staat in het Grieks meer dan in de vertaling doorklinkt. Letterlijk staat er dat ze de handen wassen met de vuist. Dat is zo’n raar beeld dat de vertalers dat maar hebben weggelaten, voor Griekssprekenden uit de tijd van Marcus was het een gewone uitdrukking, het betekende dat je je handen ritueel waste, niet helemaal echt maar zo dat er een nieuwe verhouding ontstond met datgene wat je aanraakte of aangeraakt had. Zoiets als met een wijwaterkwast. De Farizeeen spoelden met dat wassen alle heidendom van hun voedsel af. Ze keken dus niet naar het waarom van dit breken van de wet door de dicipelen. Die leerlingen hadden het druk. Overal waar Jezus van Nazareth kwam stroomden mensen bij elkaar en werden talloze mensen genezen. Soms hadden ze geen tijd zelfs om fatsoenlijk te eten. Die Farizeeën vonden dus kennelijk de regeltjes belangrijker dan de mensen. En maakten van die regeltjes godsdienstige rituelen inplaats van bevrijdende wetten. Dat noemen we huichelen, want die wetten uit het Oude Testament. de Tora, zijn gegeven om mensen te bevrijden uit de slavernij van Egypte. De wetten laten zich samenvatten in het heb je naaste lief als jezelf. En dat het om mensen draait laat Jezus van Nazareth  zien in een voorbeeld uit de praktijk. als je alles wat je hebt bestemt voor een offer voor de Tempel, een Korban, dan kun je daar niets van weggeven. Je moet het zelf houden, om het offer te kunnen brengen, of je moet het naar de Tempel brengen. Je hoog bejaarde ouders bijstaan is er niet meer bij. Ook daar geldt dus dat de regels belangrijker zijn dan de mensen.

 

Je voelt wel aan dat deze manier van omgaan met de wetten van de Bijbel tegengesteld is aan de wetten zelf, of tenminste aan de bedoeling van die wetten. Ze waren gegeven in de woestijn aan een volk van bevrijde slaven die op de vlucht waren. Die regels maakten dat ze als volk samen verder konden naar een eigen land. Samen kunnen leven, van elkaar houden daar gaat het dus om. Daarbij zijn mensen belangrijker dan regels. En wordt er vandaag de dag niet meer gehuicheld? Elk jaar houd men in Amsterdam een demonstratie tegen de discriminatie van homo’s. Ook met hen moeten we immers in vrede kunnen samenleven en ook zij hebben het recht van een ander te houden. Aan de vooravond van die demonstratie verscheen er op de televisie een zogenaamde priester van de Rooms Katholieke kerk die verkondigde dat die aandacht voor homo’s helemaal niet nodig was. Dat was maar aanstellerij betoogde hij. alsof hij de komende weken weer onbekommerd huwelijken van mensen met een gelijk geslacht zou gaan inzegenen. Ook op die huwelijken mag de zegen van God rusten, ook van die huwelijken mag goeds uitgaan en ook die huwelijken mogen voorbeelden zijn van liefde en trouw. Maar die zogenaamde priester wil er niets van weten, ook bij hem gaan regels boven mensen. Jezus van Nazareth suggereerde in het voorbeeld dat hij gaf dat de regel die men interpreteerde niet zo in de Bijbel staat, traditie noemde hij het, misschien moeten we ook de ouderwetse regels over homo’s maar zo beschouwen. Dat Liefde hoort te regeren staat in de Bijbel tenminste wel vast.

 

Het Evangelie van Marcus is geen journalistiek verslag van het leven van Jezus van Nazareth. Het verhaal is opgeschreven na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70. De bedoeling was om die verhalen over Jezus van Nazareth te vertellen die de pas gevormde gemeenten van gelovigen, de mensen van de Weg zou Lucas ze noemen, konden helpen om het geloof in Jezus van Nazareth en zijn manier van leven vast te houden. Ook in dit gedeelte gaat het over zaken die na de verwoesting van de Tempel belangrijker zouden worden. Het verhaal hiervoor gaat over het houden van de Wet en hoe Jezus van Nazareth benadrukt had dat de Wet er was om mensen te helpen en niet om mensen gevangen te maken. Hij had aangetoond dat je van de Wet ook misbruik kon maken om zaken die je vervelend vond niet te hoeven doen. Na de dood van Jezus van Nazareth hadden zijn leerlingen gevolg gegeven aan de oproep om iedereen mee te krijgen in die nieuwe Weg van heb je naaste lief als jezelf. Ze hadden ervaren dat de liefde van Jezus van Nazareth het ook door de dood heen had uitgehouden. Als je oplette kwam je hem overal tegen waar mensen mensen nodig hebben, bij het breken en delen van brood, bij het werk als het niet wil vlotten en in de wanhoop op de afloop van de kruisiging. Ze waren op weg gegaan en aarzelend en met veel discussie hadden ze ook mensen in hun beweging welkom geheten die niet uit het Joodse volk afkomstig waren. Ze hadden zich herinnerd hoe ook Jezus van Nazareth een Romeinse officier had geholpen en zelfs met hem meegegaann was toen zijn dochter dreigde te sterven. Ook niet Joodse vrouwen die hij ontmoette had hij een plaats gegeven in zijn beweging. Maar grotere aantallen niet Joden, Heidenen als wij, leverden een probleem op. Moesten die ook mee gaan doen met de ingewikkelde spijswetten van de Joden? Uiteindelijk hadden ze na veel strijd besloten dat die dwang nu juist in strijd was met de Weg van Jezus van Nazareth. Daarvan vindt je hier de weerslag. Niet wat de mens binnen gaat maakt onrein maar wat uit de mens komt. Voor ons lijkt dat vanzelfsprekend te zijn. De vraag blijft natuurlijk waarom wij dan zo gevoelig zijn voor mooie praatjes van politici, over fatsoen en normen en waarden, over de angst die je zou moeten hebben voor de Islam, over de noodzaak wapens te kopen in plaats van brood voor armen, over het steunen van onze landbouwproductie zodat boeren in arme landen geen plaats krijgen. De Weg van Jezus van Nazareth was de armen en verdrukten als maatstaf te nemen, werd hen recht gedaan dan gaat het goed, werden zij het slachtoffer dan gaat het slecht. Laten we dat vandaag ook doen, uit de mens komen slechte dingen, wees gewaarschuwd.

 

Toen in de zestiende eeuw gelovigen weer terug wilden naar de bron van hun geloof, naar de verhalen uit de Bijbel, naar het Christendom zoals het was bedoeld, vroegen ze de geleerden op te schrijven wat nu het belangrijkste was als je weer een oorspronkelijk gelovige was. Dat werd gedaan in deftige boeken, Luther schreef zo’n leerboek, ook Zwingli schreef een dergelijk boekje en Calvijn schreef een boek in wel vijf dikke delen dat hij overigens in zijn leven nog een aantal keren herzag en opnieuw schreef. Twee jonge dominees in Duitsland, in Heidelberg schreven voor de jeugd van hun dagen een vraag en antwoordspel, de Heidelberger Cathagismus, het hoort vandaag nog bij de belijdenisgeschriften van onze kerk. Er staat in de taal van die tijd wat wij nu nog geloven, al zullen we het anders zeggen. Op de vraag naar de mens en het handelen van de mens schreven ze dat de mens niet in staat was tot enig goed maar slechts geneigd tot alle kwaad. Dat lazen ze in het gedeelte dat we vandaag in Marcus hebben gelezen. Ze bedoelden dat we niet onszelf tot maat moeten nemen, niet ons eigen belang voorop moeten zetten, niet de trots op wat we zelf bereikt hebben, niet ons eigen volk eerst. Maar dat we de maat van de God van Israël voorop moeten zetten zoals we dat in het leven van Jezus van Nazareth hebben gezien. De minsten eerst, de armen eerst, de liefde voor de naaste als voor onszelf is God liefhebben boven alles. Dat is de oorsprong van ons geloof, daar moeten we steeds weer naar terugkeren.

 

 Er staat in de Cathagismus ook iets over genade, in deftige taal die we soms nauwelijks meer verstaan. Maar de genade is heel eenvoudig, elke dag staan we weer opnieuw op, elke dag schijnt opnieuw de zon, elke morgen is er opnieuw licht, alsof elke dag de wereld opnieuw geschapen wordt. Elke dag mogen we opnieuw de Weg gaan die de God van Israël ons wijst, hoever we ook van die weg zijn afgedwaald, elke dag mag het weer opnieuw en als het nodig is misschien wel duizend keer per dag opnieuw schrijft Paulus ergens. Dat betekent dat we de vrijheid hebben steeds opnieuw te beginnen, dat we bevrijdt zijn voor de angst voor de dood, die deert ons niet meer.

 

De regel dat we het goede moeten doen en niet dan het goede, zoals Paulus de Wet zou samenvatten, maakt dat we mogen genieten van het goede, dat we ons mogen bezinnen op waar we mee bezig zijn in ons leven, kortom betekent ook dat we vakantie mogen houden. We moeten immers ook weet hebben van dat beloofde land waarheen we op weg zijn? Volgens de Wetten van Mozes was daar elke zevende dag rust, werd elke zevende dag gevierd dat we bevrijdt zijn van de slavernij van de arbeid. Christenen hebben dat doorgetrokken naar de achtste dag, de eerste dag van een nieuwe week, waarop we vieren dat we in Christus bevrijdt zijn van de dood. Maar we mogen nooit vergeten dat we het nodig hebben ook te vieren dat we bevrijdt zijn van de slavernij van de arbeid. Die eerste dag van de week als gezamelijke vrije dag staat ter discussie. Te veel Christenen hebben er geboden van wat niet mag aan vastgeplakt en het karakter van bevrijdingsdag wordt bijna niet meer herkent. Het is een rituele dag geworden zoals met dat handenwassen van Farizeeën.

 

In onze vakantie moeten we ons weer herinneren dat in dat beloofde land elke zeven jaar al het werk op het land achterwege moest blijven, het Sabbatsjaar. Terugkerend na onze vakantie hebben we verhalen over hoe weldadig de rust heeft kunnen zijn. Het goede van de rust mogen we uitdragen en delen, wij hebben nog een dag waarop we het goede van de bevrijding kunnen delen met iedereen in onze gemeenschap, niet alleen in onze kerk, maar ook in ons dorp en onze stad. We zijn gewaarschuwd voor het kwade, maar we kunnen het bestrijden met het goede, niets doen dan het goede, dag in dag uit, tot in eeuwigheid, tot er een eeuwigdurende vakantie aanbreekt waarin alle tranen gedroogd zijn en de dood niet meer zal zijn..

 

Amen

Read Full Post »