Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for augustus, 2011

Lezen: Jeremia 7: 23-28

           Matteüs 17: 14-20

Gemeente,

Het klinkt mooi in de lezingen van vanmorgen. Zo vlak voor het einde van de schoolvakanties moeten ons nog even de oren worden gewassen. Jeremia begint met het woord van de God van Israël: “Maar ze luisterden niet naar mij, ze hebben mij niet gehoorzaamd” Jezus van Nazareth doet er in het verhaal van Matteüs nog een schepje bovenop: “Wat zijn jullie toch een ongelovig en dwars volk!” Het is alsof de voorganger door de samenstellers van het Gemeenschappelijk leesrooster, dat we ook vanmorgen volgen, worden uitgenodigd om eens een stevige boetepreek te houden. Schrik niet, ik was dat niet van plan. Toch wil ik beginnen u iets te vertellen over mijn ervaring met boeten. Want als het over boeten gaat moet ik altijd aan mijn tante Ketie denken. Mijn tante Ketie woont in Katwijk, ze is nu oud en al overgrootmoeder, maar toen ik nog een klein jongetje was was zij een jong meisje dat net ging werken. En ze werkte op een hoge zolder als nettenboetster. Samen met een heleboel  andere meisjes en vrouwen repareerden ze netten van vissersschepen. Netten die in het gebruik stuk waren gegaan. Af en toe nam ze voor mij een bolletje boetetouw mee als ik er in de schoolvakantie logeerde. Er was geen beter vliegertouw dan dat boetetouw uit Katwijk aan Zee. Ze kon enthousiast over haar werk vertellen want de hele dag zongen de nettenboetsters samen, psalmen, gezangen en liederen van Johan de Heer. Die liederen kenden ze toen nog uit het hoofd. Zo is boeten voor mij altijd iets gebleven van zingend herstellen wat stuk is gegaan. Niet alleen wat stuk is gegaan in het gebruik, in het werk, maar ook herstellen wat stuk is gegaan tussen God en de mensen en ook wat stuk is gegaan tussen mensen onderling. En daarbij maakt het niet uit of je het zelf hebt stuk gemaakt of niet, het weer herstellen is het allerbelangrijkst. En misschien dat daar ook de beide lezingen van vanmorgen over gaan. Ik heb soms wel eens de indruk dat het boek van de profeet Jeremia meer een spreekwoordelijke klank heeft dan dat we ons herinneren waar dat Bijbelboek eigenlijk over gaat. Maar om de boodschap uit de lezing van vanmorgen goed te verstaan moeten we toch iets weten van waar dit Bijbelgedeelte vandaan komt. Jeremia leefde net als de schrijver van het eerste gedeelte van het boek Jesaja, vlak voor de ballingschap en  aan het begin van de ballingschap. Nog sterker hij waarschuwde herhaaldelijk voor het gevaar dat het volk in ballingschap gestuurd zou worden, hij werd daarom uitgemaakt voor verrader en maakte vervolgens toch het wegvoeren van het volk in ballingschap mee. Zelf vluchtte hij naar Egypte. Jeremia kwam uit Anatot, één van de 13 steden die bij de verdeling van het land onder Jozua aan de priesters en levieten was toegewezen. Ooit had koning Salomo de hogepriester Abjatar naar Anatot verbannen en daar had die stad een slechte naam aan overgehouden. Het boek van de profeet Jeremia heeft niets te maken met het boek met de Klaagliederen van Jeremia, daar komt ons jeremiëren vandaan, onophoudelijk klagen. Maar de profeet Jeremia klaagt niet, hij probeert duidelijk te maken waar het volk Israël de fout in gaat, waar het afwijkt van de weg die de God van Israël het volk had gewezen. En daarbij is deze profeet een onverbeterlijke optimist. Hij moet de meest slechte boodschappen brengen, Jeruzalem zal worden verwoest, de Tempel zal worden afgebroken, de bevolking in ballingschap weggevoerd, maar hij heeft ook zicht op het goede dat de God van Israël voor zijn mensen in petto heeft,  aan de ellende voor het volk zal een einde komen, de God van Israël laat niet varen het werk dat zijn hand begon. In het gedeelte dat we vandaag uit het boek van de profeet Jeremia lezen komen we dat nog een keer tegen. Het is zo eenvoudig, zelfs voor de ballingen: je moet de weg volgen die God wijst. In de paar verzen hiervoor had Jeremia al duidelijk gemaakt dat het niet gaat om al die offers die aan de God van Israël werden gebracht. In de Heidense afgodendiensten werden goden met offers gunstig gestemd, daar werd de hulp van goden met offers afgesmeekt. De God van Israël wil dat niet, met de God van Israël is geen handeltje te drijven. Als je thuis de 10 geboden nog eens na leest dan zie je dat daarin geen offers voorkomen. Daar gaat het er om dat je een ander geen nadeel berokkend, je geliefde niet, je personeel niet, de buren niet, de vreemdeling niet, je vijanden niet, niemand niet, zelfs God niet. Jezus van Nazareth zou, net als het boek Deuteronomium, die 10 geboden samenvatten als: heb God lief boven alles en je naaste als jezelf, dat is twee maal hetzelfde en aan die twee geboden hangt de hele wet. Telkens weer had de God van Israël profeten gestuurd die die boodschap hadden gebracht aan het volk, telkens had het volk niet geluisterd en daarom zou het slecht aflopen met het volk. En let op: het loopt niet slecht af omdat God straft, maar omdat het volk niet luistert. De richting die God wijst  leidt tot de goede weg, elke andere richting brengt alleen maar ellende. Jeremia zal later nog een brief aan de ballingen sturen waarin hij duidelijk maakt dat zelfs in de ballingschap de God van Israël nog hun  God zal willen zijn, als ze eilanden van recht en gerechtigheid in de ballingschap vormen, die brief staat ook in het boek van de profeet Jeremia. Dat is zo’n mooie brief dat in de tijd dat Israël bezet was door Grieken mensen die brief hebben herschreven naar de behoeften van hun eigen tijd, maar die brief staat niet in de Bijbel.  Maar zijn we nu zo anders dan het volk uit de dagen van Jeremia? We geloven het nog steeds niet. Als je maar een klein piezeltje geloof hebt kun je een berg verzetten staat er in het evangelie. Niet dat je nu letterlijk bergen moet willen verzetten, zelfs van Jezus van Nazareth wordt nergens verteld dat die tegen een berg zei : “Stort je in zee”, waarop mensen sindsdien kunnen aanwijzen waar die berg zich in zee heeft gestort. Maar zodra mensen zich gaan inzetten om de wereld een klein beetje beter te maken krijg je dat ongeloof te horen: Het lukt je toch niet. Die kruisraketten waar Christenen zich zo tegen verzetten waren hard nodig, die zouden er echt wel komen. Geloof in de mogelijkheid van vrede tussen mensen was luchtfietserij, vrede tussen mensen was en is niet mogelijk en de mogelijkheid van vrede propageren was en is dus onvruchtbaar. Het geloof van een electricien in Polen in een rechtvaardige samenleving en het geloof van vele Nederlanders in vriendschap tussen alle mensen, die dus ondanks alles vriendschap sloten met mensen in Oost Duitsland heeft uiteindelijk de geschiedenis veranderd. De mensen in Polen maakten een vakbond tegen alle regels van hun regiem in en de mensen in Oost-Duitsland leerden in al die kerkelijke contacten dat je van je regering moest eisen dat het volk mee mag praten, daardoor zou de muur in Duitsland vallen en als in een dominospel viel daarop het hele communistische systeem. Ook onze industrie zou ook niet milieuvriendelijk te krijgen zijn. Maar er was er ooit één mens die met Greenpeace begon, en nu zijn de drijfgassen uit koelkasten en spuitbussen verdwenen en heel langzaam herstelt de ozonlaag zich, iets te langzaam overigens. We halen oud papier apart op, sjouwen elke week naar de glasbak en proberen in zuinige auto’s te rijden of met het openbaar vervoer te gaan. In de Rijn zijn weer zalmen gezien. Ook de apartheid in Zuid Afrika zou nooit op een vreedzame wijze kunnen worden afgeschaft hield men ons voor. Tegen demonstranten voor Nederlandse banken, die demonstreerden tegen een investeringsbeleid dat de apartheid ondersteunde, werd gezegd dat ze oorlog stonden uit te lokken. Maar toen Amerikaanse kerken hun investeringen gingen terugtrekken uit bedrijven die investeerden in Zuid-Afrika, gelovigen hun bankrekeningen opzegden bij banken die verdienden aan apartheid en automobilisten de Shell pompen voorbij reden, en Nelson Mandela hardnekkig een onvoorwaardelijke vreedzame overgang naar democratie bleef nastreven , zelfs vanuit de gevangenis, ging het onaantastbare apartheidsregiem aan het wankelen en kunnen we het nu opzoeken in geschiedenisboekjes. Natuurlijk gaat het verdrijven van die demonen niet van de ene op de andere dag. Onze moderne demonen bestaan uit angst, angst voor de dood, angst voor elkaar. En angst, weten we, wordt ons aangepraat, angst voor de Russen moesten we hebben, angst voor oorlog moeten we zeker hebben maar dat mochten we nu juist niet. Angst voor vreemdelingen moeten we hebben, vroeger voor mensen uit een naburig dorp, later uit een naburig land, tegenwoordig angst voor vreemdelingen met een naburig geloof. En die angst is diep geworteld, die angst drijft een brede kloof tussen mensen die al lang in ons land wonen, die angst geeft jonge mensen het gevoel dat ze er niet bij horen, dat hoewel ze hier geboren en getogen zijn, ze hier niet gewenst zijn. Jezus van Nazareth leert ons dat zelfs als vreemdelingen slechts de kruimels mee eten die bij ons van de tafel vallen ze bij ons horen en wij ze moeten behandelen zoals we zelf behandeld willen worden. Angst hebben we tegenwoordig ook voor groepen jongeren. Jongeren die rondhangen in winkelcentra, die rondscheuren op brommers, tot laat in de avond toe. Ook die angst is moeilijk te bestrijden. Iedereen die met moeilijke jongeren werkt zal dat weten. Maar ook het helpen van ontspoorde jongeren of jongeren die dreigen te ontsporen is meer dan de moeite waard. Steeds weer geldt dat iedereen bij de samenleving mag horen, en dat iedereen bij een samenleving kan gaan horen als liefde voorop staat. Hangjongeren uit een winkelcentrum weren brengt voor dat winkelcentrum misschien rust, maar er wordt niets mee opgelost. Waarom geven de winkeliers en de gemeente de jongeren die er rondhangen geen werk? We lijken tegenwoordig liever mensen buiten onze samenleving te sluiten dan dat we moeite doen om mensen op te nemen. Toch is maar weinig nodig om de wereld een beetje beter te maken. We hebben alle vrijheid om samen de hemel op aarde zichtbaar te maken maar het lijkt wel of we vaak bang zijn voor die vrijheid. Hoe vaak wijzen we niet naar anderen als het weer eens niet gelukt is. De overheid had voor jongeren moeten zorgen, de psychiatrie had moeten zien dat iemand te grote psychische problemen had, anders gelovigen hadden van hun geloof moeten vallen. Of we hadden dat geloof moeten verbieden. Waar wijzelf de handen uit de mouwen hadden moeten steken horen we niet. Mensen moeten er in willen geloven, er in geloven en op vertrouwen dat als God ziet dat de aarde goed is wij van het goede van de schepping uit mogen gaan. Wij hoeven niet bang te zijn, nooit niet. Dat maakt ook het verhaal dat we in het Evangelie van Matteüs over Jezus van Nazareth lazen ons duidelijk. Jezus van Nazareth was samen met Petrus en de broers Jacobus en Johannes op een berg geweest waar de drie volgelingen Jezus hadden gezien in gezelschap van Mozes en Elia, de Wet en de Profeten. Toen ze terugkwamen stond er al weer een menigte op hen te wachten en viel er iemand aan Jezus voeten die weer begon met “Heer”, de titel die de Keizer van Rome kreeg, maar ook de titel die door mensen aan Jezus werd gegeven, de Kanaänitische vrouw van een hoofdstuk hiervoor was ook zo begonnen. De zoon van deze man was epileptisch, tenminste dat nemen we aan omdat uit Griekse geschriften blijkt dat men geloofde dat de maan invloed had op epileptische aanvallen en in het Grieks van de Bijbel is de jongen maanziek.  De godin van de maan, Selène, strafte hem of zijn ouders en elke keer dat de godin zich in haar grootste glorie vertoonde was de straf het zwaarst voor hen die haar kwaad hadden gedaan. De jongen uit het verhaal is niet te beschermen tegen de wraak van de godin, hij valt in het vuur, hij valt in het water, het kan zijn dood zijn. Ook de leerlingen van Jezus van Nazareth konden de jongen niet genezen. Nu geloofden de mensen in de dagen van Jezus van Nazareth ook dat een demon de ziekte veroorzaakt, een demon gestuurd door de god of godin die wilde straffen. Daarom dreef Jezus de demon uit door op strenge toon tegen hem te spreken. Wij moeten uitkijken om moderne medische diagnoses te stellen op grond van de verhalen uit het Evangelie. Deze maanziekte kan epilepsie geweest zijn, maar dat hoeft niet. Ook een psychische stoornis kan dezelfde soort toevallen veroorzaken als hier worden beschreven en moderne neurologen worden  heel zenuwachtig als hun epilepsie medicijnen dan niet blijken te helpen. Iemand die het achterliggende psychische probleem weet aan te pakken wordt dan gemakkelijk als wonderdoener ervaren. Als je goed kijkt naar wat er eigenlijk in het verhaal gebeurd dan zie je dat die leerlingen van Jezus van Nazareth direct geloofden in de diagnose die op grond van het Griekse bijgeloof werd gesteld, de leerlingen gingen mee in het geloof in de god Selène. De jongen was maanziek, de godin van de maan strafte hem met toevallen. Maar de godin van de maan bestaat helemaal niet, die heeft in elk geval geen macht over mensen. Dat was nu net wat het geloof in de God van Israël aangeeft, gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. Dat er geen andere goden, geen krachten of machten zijn die naast de God van Israël staan geeft je een onmetelijke kracht. Over dat mosterdzaadje had Jezus van Nazareth al eens vertelt dat die kon uitgroeien tot een boom waaronder het goed schuilen is tegen de brandende zon en waarin de vogels hun nesten konden bouwen. Nu wijst hij er op dat zo’n mosterdzaadje in een rotsspleet er voor kan zorgen dat de rots zal splijten als het plantje gaat groeien zelfs zo dat grote rotsen los raken en in zee vallen. Zo sterk kunnen we zijn als we durven geloven dat alleen de God van recht en gerechtigheid het laatste woord heeft op aarde en geen andere kracht of macht, zelfs de dood niet. Dat laatste kunnen we horen van de jonge mensen in het midden oosten die hun dictators weten te verdrijven op het moment dat ze letterlijk hun angst verliezen om dood te gaan. Zij dwingen samenlevingen af waarin iedereen tot z’n recht kan komen, waar aan iedereen mee zou moeten doen. Uiteindelijk zal op die samenlevingen ook wel kritiek kunnen komen, nooit is het ideaal, maar dat mag ons nooit het geloof ontnemen dat er ooit een dag zal komen dat alle tranen gedroogd zullen zijn, dat de dood niet meer zal zijn en dat God zijn tenten op deze aarde zal spannen. Die dag komt niet in de hemel, die dag komt hier op aarde zegt het boek Openbaring. Matteüs zegt op het eind van zijn Evangelie dat dan de aarde zal zijn voltooid, wij mogen dus zelfs deelhebben aan de schepping door het goede te doen en niet dan het goede. Door zingend te herstellen wat wij mensen met elkaar steeds stuk maken, wat we stuk maken tussen ons en onze God door meer te zorgen voor onszelf dan voor onze naaste, wat er stuk is gegaan tussen ons en onze naaste, door in andere krachten te geloven dan in de kracht van onze God, wat stuk is gegaan tussen mensen, als niet de liefde voor elkaar voorop staat maar alleen eigenliefde. Netten Boeten, dag in dag uit. Jeremia leert ons dus vanmorgen dat het eigenlijk voor de hand ligt, het is niet in de hemel, het is niet aan de andere kant van de zee, we hoeven alleen naar God te luisteren en onze naaste lief te hebben als onszelf. En Jezus van Nazareth zegt ons vanmorgen in het verhaal van Matteüs dat we niet op de dag hoeven te wachten die het einde van de geschiedenis betekent maar dat we nu al vast mogen beginnen met die dag, zoals Jeremia de ballingen opriep zich opnieuw op de Weg van de God van Israël te begeven, mogen ook wij ons naar die weg laten richten. Elke dag weer, totdat hij komt, totdat God zijn tenten op deze aarde zal spannen en ziet dat het goed is en wij hem eeuwig lof mogen toezingen.

Amen  
<!–[if !supportLineBreakNewLine]–>
<!–[endif]–>

Advertenties

Read Full Post »

Lezen: Jesaja 56:1-8

           Matteüs 15: 21-28

Gemeente,

Vandaag gaat het over vreemdelingen, een uiterst actueel onderwerp, we worden doodgegooid met de discussie over vreemdelingen, de kranten staan er vol van, we zien het elke avond op de TV. Maar die discussie over vreemdelingen, over integratiebeleid,  is een politieke discussie, die gaat over het bestuur van de stad, over welke regels er in onze stad zouden moeten gelden. In het Grieks heet een stad een polis en dat wat het bestuur van de polis aangaat heet politiek. Daar hebben we het in de kerk niet over. Voor ons gaat het niet over een stad maar over heel de aarde. En als we het hebben over een stad dan hebben we het eigenlijk altijd alleen over Jeruzalem als voorbeeld voor heel de aarde. In Jeruzalem was immers de Tempel van de God van Israël, daar werd de Wet bewaard waar alle volken van de aarde zich naar zouden moeten richten. Bij de vraag hoe wij onze stad, onze steden en dorpen, ons land, zouden moeten besturen zouden we dus moeten kijken naar de richtingwijzers die de God van Israël voor ons heeft uitgezet, dat zijn voor ons de regels om een betere samenleving te maken. Want de Wet van de God van Israël is niet een maatlat waarlangs je het gedrag van mensen kunt leggen, het zijn richtingaanwijzers die ons in beweging moeten zetten om van onze wereld het land te maken dat overvloeit van melk en honing en dat we van God gekregen hebben. In het gedeelte dat we vandaag gelezen hebben uit het boek van de profeet Jesaja komt dat duidelijk tot uiting. Dat boek van de profeet Jesaja is een bijzonder boek. Het gaat namelijk over drie verschillende perioden in de geschiedenis van het volk Israël. Het eerste deel gaat over de periode voor de ballingschap, het tweede gedeelte over de periode van de ballingschap en het derde gedeelte over de periode na de ballingschap. Dat derde gedeelte begint op de plaats die we vanmorgen gelezen hebben. “Handel rechtvaardig, handhaaf het recht”. Dat is het eerste dat de teruggekeerde ballingen te horen krijgen van de profeet. En die ballingen weten dus ook nog heel goed hoe het is om vreemdeling te zijn, hoe het is om te maken te krijgen met vreemde godsdiensten, met vreemde culturen en gewoonten, met vreemde machten. Ook hier zijn rechtvaardigheid en het recht geen maatlatjes die je langs mensen moet leggen, maar zijn het rechtvaardig handelen en het recht handhaven iets wat je aan je naaste moet doen. Je moet namelijk de ander tot zijn recht laten komen, een samenleving inrichten waarin iedereen tot zijn recht komt, de arme en de minste voorop, de weduwe en de wees en zeker dus ook de vreemdeling. Daarbij staat de Sabbat centraal. God zelf brengt ons zijn gerechtigheid nabij, wij horen hier toekomst in, maar in het Hebreeuws staat er eigenlijk dat God er voor zorgt dat zijn gerechtigheid voor ons voor de hand ligt, het is niet in de hemel of aan de andere kant van de zee, maar het is voor ons onder handbereik. Maar waarom dan beginnen met de Sabbat en daarbij dan die vreemdeling noemen die de Sabbat onderhoud? Om dat te begrijpen moeten we iets weten over de positie die de vreemdeling in het verhaal van Israël inneemt. Je hebt natuurlijk de andere volken,. In het verhaal zijn dat over het algemeen broedervolken, afstammend van de kinderen van Noach, of van Abraham, of zelfs van Isaäk, zoals Edom van Esau afstamt. Die andere volken worden altijd opgeroepen de aarde te delen met het volk Israël. Maar het gaat hier niet om de vreemde volken maar om de individuele vreemdeling. En daar kent de Bijbel twee soorten van. Er zijn de vreemdelingen die te gast zijn, die voorbij komen, handeldrijvers, reizigers, vertegenwoordigers van een regering of rovers en bezetters. Maar er zijn ook vreemdelingen die komen om te werken, die bij het volk komen wonen,  bijwoners wordt dan soms wel vertaald, in de praktijk waren dat soms ook wel slaven en slavinnen.. Zij zijn mede afhankelijk van de gebruiken van het volk. Dat zijn ook de mensen die afhankelijk zijn van de Sabbat. Op de Sabbat ben je namelijk bevrijdt van de slavernij van het werk. Dat is ook vandaag de reden dat vanuit de kerken opgeroepen blijft worden om één dag in de week iedereen vrij te geven van het werk zodat je als volk samen kunt leven bevrijdt van de slavernij van de economie en van het werk. Vrij dus voor iedereen op dezelfde dag zodat je die bevrijding ook echt samen kunt vieren. Zorg is natuurlijk nodig en ook de landbouwer zal zorg moeten hebben voor het vee, maar dat wat gedaan wordt uit plicht en voor winst en niet uit liefde en zorg zou achterwege gelaten moeten worden. Dat doe je samen, dat doe je niet alleen als gelovigen, niet omdat je gelovig bent, maar dat doe je samen, omdat je geeft om alle mensen, omdat alle mensen tot hun recht moeten komen. Dat geldt zelfs voor mensen die buiten de samenleving zijn geplaatst, door de profeet worden eunuchen genoemd, zij die niet kunnen zorgen voor het voortbestaan van het volk, ook zij horen er bij, ook voor hen is een plaats in het volk, ook zij moeten tot hun recht komen, ook zij moeten bevrijd worden van de slavernij. Als je zo met vreemdelingen omgaat, zegt Jesaja, dan gaat er een licht op voor alle volken. Dan wenden alle volken zich tot Jeruzalem, dan is de Tempel een huis van gebed voor alle volken. Maar in onze kerken wordt vaak gelezen dat die vreemdelingen zich met God verbonden moeten hebben, die vreemdelingen moeten zich bekeerd hebben, het zou dus alleen voor gelovige vreemdelingen gelden. Maar dat staat er niet. Verbonden met God is verbonden met het volk van Israël, bijwoner geworden zijn. Maar ook in de dagen van Jezus van Nazareth  was er de neiging om een dergelijke beperkte uitleg van de schrift te volgen. Jezus van Nazareth liep steeds tegen de Farizeeën op die een dergelijke nauwe en beperkte uitleg van de schrift nastreefden. En het derde deel van het boek van de profeet Jesaja wordt ook wel gezien als een reactie op de beweging van Ezra en Nehemia die heel nauw wilden bepalen wie er wel en wie er niet bij het volk van Israël hoorden, daar was na de ballingschap nog de nodige verwarring over. Maar als Jezus van Nazareth zich steeds tegen een te nauwe uitleg van de schrift verzette, hoe moeten we dan het verhaal plaatsen dat we vanmorgen uit het Evangelie naar Matteüs hebben gelezen? Het gaat in dat verhaal om een moeder die hulp vraagt voor een zieke dochter. En op zo’n vraag kun je toch geen nee zeggen is ons gevoel altijd. Maar ik heb heel lang in de hulpverlening gewerkt en daar geleerd dat zo maar op elke vraag ingaan niet altijd de juiste hulpverlening is en ook in dit verhaal wordt niet direct ingegaan op de vraag van de moeder. Er zijn allerlei manieren om mensen te helpen. Je kunt mensen negeren. Soms helpt dat. Uit onderzoek naar mensen die op een wachtlijst bij de Geestelijke Gezondheidszorg stonden bleek dat een flink deel van die mensen zonder verdere hulp al genas. Erkenning van een probleem, ook door henzelf was al genoeg om hen aan een oplossing te doen werken. Je kunt ook mensen helpen om er maar vanaf te zijn. Zoals leerlingen van Jezus in het  verhaal van vandaag proberen, zo van ze roept zo hard, dat staat kennelijk lelijk, dat trekt maar ongewenste aandacht. We zien die vorm van hulpverlening nog wel eens bij politici. Dan moeten ineens alle zwervers geholpen worden. Niet met hun probleem, dat kan nog heel verschillend en ingewikkeld zijn, maar met hun gezwerf, geen gezicht, dus, dronken vervuilde in lompen geklede mannen en vrouwen in het centrum van de stad: dus of naar een inrichting of naar een deel van de stad waar ze niet worden gezien. Je hebt ook nog de zogenaamde Rode Kruisagressie. Problemen voor mensen oplossen omdat je het gevoel hebt dat het moet, bij elk probleem ben jij de eerst aangewezene om het op te lossen of men dat nu leuk vindt of niet, je bent er toch voor. Het spreekwoord dat je beter iemand kan leren vissen dan een vis geven telt dan niet. Toch is het natuurlijk altijd goed om je af te vragen wat helpen in een bepaalde situatie echt betekent. Help je iemand door alles over te nemen, of help je iemand door te laten zien dat die het zelf ook kan oplossen?  In dit verhaal schreeuwt de vrouw het uit, help mij, mijn dochter is gek geworden. Het woord roepen is hier echt veel te zwak vertaald. Het is een schreeuw om hulp voor haar dochter. Ze gebruikt  daarbij de woorden die ook de leerlingen gebruiken om Jezus van Nazareth aan te spreken, “Heer” en “Zoon van David”, voor een Heidense niet zonder betekenis. Eindelijk lopen Jezus van Nazareth en zijn leerlingen in een wat meer rustige omgeving in het buitenland, dan komt er zo’n Heidense vrouw hen achterna en trekt alle aandacht door hard te schreeuwen. Hoe wordt er nu op ingegaan? Vaak krijgen we het beeld dat Jezus van Nazareth haar eigenlijk afwijst. Maar het zijn volgens de vertaling de leerlingen die de Heer vragen haar weg te sturen omdat ze zo hard schreeuwt. Dat is tenminste zoals het vanouds wordt vertaald. Als je het Grieks goed leest dan zou er ook kunnen staan dat de leerlingen de Heer vragen haar te bevrijden en dat zou een ander licht op de zaak werpen. Hoe het ook zij, het is niet Jezus van Nazareth die haar wegstuurt maar die met haar in gesprek gaat, met een vrouw, een Kanaänitische. Matteüs schreef zijn Evangelie voor vrome Joden, van die Joden die vonden dat vrouwen niet mee naar de Synagoge hoefden, omdat zij van nature de Wet al kenden, klonk het dan vroom als ze dat moesten uitleggen, van die Joden die in elk geval geen enkele omgang wilden met Heidenen, dat zijn honden. Aan die lezers brengt Matteüs zijn boodschap. Die anders gelovigen zijn gevaarlijk, die zijn besmettelijk, voor je het weet loop je vreemde goden achterna, ben je onrein in de zin van de Wet. We horen op verschillende plaatsen in het Nieuwe Testament de discussies oplaaien als Jezus van Nazareth weer eens meer let op de mensen dan op de afkomst. En wij herkennen het op die manier praten over vreemdelingen: angst moeten we er voor hebben, hun geloof is gevaarlijk. Maar Jezus van Nazareth gaat ons voor in het gesprek met de vreemdelingen. En de vrouw uit Kanaän laat ons zien waar het in ons geloof eigenlijk om gaat. De honden eten toch de kruimels die van de tafel vallen? En als honden meedelen in de rijkdom en de overvloed, zou een bezorgde moeder dat dan niet mogen? Het herkennen van dat delen als het hart van het geloof van Israël is voldoende voor Jezus van Nazareth. Dat kun je pas herkennen als God dat zelf in je hart hebt gelegd en daar kan niets en niemand tegenop. En wat dan? Wat de dochter mankeert blijft buiten het verhaal. Ze was genezen omdat haar moeder wilde dat ze genas. De inzet van ouders voor hun kinderen kan groot zijn. Dat betekent niet dat ongeneeslijk zieke kinderen genezen als hun ouders maar genoeg van ze houden, of genoeg in de Here Jezus geloven, integendeel. Kinderen die ongeneeslijk ziek zijn genezen niet, hoezeer hun ouders ook van ze houden, maar die liefde maakt wel dat de kwaliteit van leven omhoog kan gaan. Wetenschappelijk onderzoek, voorzieningen voor zieken en gehandicapten, instellingen en ziekenhuizen, het is er vaak door de inzet van zulke ouders gekomen. Die ouders gaan niet alleen door het stof voor hun eigen kind, maar voor alle kinderen. Alleen onvoorwaardelijke liefde voor mensen helpt echt, maar voor iedereen die hulp nodig heeft geldt:  hulp vragen is eigenlijk heel gewoon, ook dat mogen wel wat vaker laten merken in onze eigen omgeving. Ook  Maarten Luther heeft ook ooit eens over dit verhaal uit Matteüs gepreekt en dat gaf een verrassend beeld. Hij vergeleek het gesprek tussen de buitenlandse vrouw en Jezus met een gevecht, een gevecht om de zegen van God. Net zo’n gevecht als Jacob bij de beek Jabbok had geleverd met God, ik laat U niet gaan voor U mij gezegend hebt. Jacob was bang geweest voor zijn broer Esau. Hij keek wel uit om het beloofde land zo maar weer in te gaan, ondanks zijn rijkdom, ondanks de lange tijd die voorbij was gegaan. Een hele nacht had hij geworsteld met God voor hij de beek durfde oversteken. Toen kreeg hij de naam Israël, hij die vecht met God. Zo ging de vrouw uit ons verhaal dus ook bij het volk van Israël horen. Maarten Luther kende dat gevecht met God, hij had dat ook geleverd. Voor hij durfde toegeven dat de leer van de Roomse kerk uit zijn dagen niet juist was, voor hij durfde toegeven dat je door goede werken geen handeltje met God kon drijven, had hem dat nachten wakker gehouden. Zo zei Luther had deze vrouw ook een gevecht geleverd met Jezus van Nazareth, niet voor zichzelf, maar voor haar dochter, een doel waar een moeder alles voor opgeeft. Maar deze vrouw had door dat delen met Israël, het eten van de kruimels die van de tafel vallen, genezing bereikt. Zo wordt er dan recht gedaan aan mensen. En dat is ook het antwoord van Jezus van Nazareth, als je geloofd dat in de manier waarop Israël leeft recht gedaan wordt aan mensen, als je geloofd in de bevrijding van de slavernij, slavernij van ziekte, slavernij van de economie, dan wordt je recht gedaan, dan genees je, want dan krijg je de plaats in de samenleving die je toekomt. Dat betekent niet dat lichamelijke kwalen zomaar over gaan, mijn medicijnen en de elektromotor die mijn hart op gang houdt kan ik niet missen, maar je krijgt  wel weer zicht op wat je als mens voor medemensen kunt betekenen en daar gaat het in het verhaal van de God van Israël en de mensen om. En wat leren we nu van dit alles voor ons leven van alledag? De eerste brief van Petrus noemt ons allemaal  vreemdelingen, we handelen immers niet als al die ongelovigen in de wereld? Voor ons zijn we zelf dus in elk geval gelijk aan al die vreemdelingen, aan die asielzoekers, die vluchtelingen, die Marokkaanse arbeiders, die Roemenen en Polen in de zaadteelt hier in de buurt van Enkhuizen. En wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet, wij zijn van het volk dat de naaste lief heeft als zichzelf, dat zelfs hoorde van het liefhebben van vijanden. Dat betekent niet dat we alles goed moeten vinden, wie terug leest in Matteüs 13 leert dat we goed en kwaad moeten scheiden, dat vader en zoon, moeder en dochter tegen elkaar kunnen opstaan, maar leert ook dat het oordeel over mensen niet aan ons is, dat we het onkruid samen met het graan moeten laten opgroeien, dat we het kwaad dus moeten benoemen maar mensen de gelegenheid moeten geven zich te bekeren, te veranderen. En we leren dat helpen van wie dan ook niet vanzelf hoeft te gaan, dat mensen helpen zelf zoutend zout te worden, zelf verantwoordelijk te zijn uiteindelijk het beste is. Het is wat een instelling als Dark en Light heeft leren doen. Vroeger stuurden we knappe dokters naar arme landen die diè mensen beter maakten die ze beter konden maken en dan gingen ze weer. Nu hebben we geleerd om bijvoorbeeld blindheid te voorkomen, soms kan het ook genezen worden, maar altijd moet er gezorgd worden dat blinden en genezen mensen weer voor zichzelf kunnen zorgen, dat is pas echte hulp. Straks bij de collecte komen we er op terug. Maar we leren vanmorgen ook dat we voor niets en niemand bang hoeven te zijn, niets of niemand, geen kracht of macht houd ons immers af van de liefde van Christus. En met die liefde mogen we leven, dag in dag uit. Amen.

 

Read Full Post »