Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for oktober, 2010

Lezen:

Jeremia 14: 7-10 en 19-22

Lucas 18:9-14

 

Gemeente

 

Vandaag gaat het in de lezingen over het bidden. Om precies te zijn over goed en slecht bidden. Bidden hoort bij ons geloof, zo doen we dat, elke zondag in de kerk en als het goed is ook dagelijks of in elk geval met enige regelmaat thuis. Maar bidden is kennelijk niet eenvoudig. Anders zou het in de Bijbel niet ook gaan over verkeerd bidden en geeft Jezus van Nazareth zijn leerlingen zelfs les in bidden, op die les komen we straks nog wel terug. We beginnen bij Jeremia, de profeet die het begin van de ballingschap moest aankondigen. We kennen het spreekwoord dat nood ons leert te bidden. Het volk van Jeremia was in nood. Het noordelijke rijk, met Samaria als hoofdstad, was onder de voet gelopen en ook Juda, met Jeruzalem als hoofdstad, werd bedreigd. Die prachtige stad Jeruzalem, met de Tempel, het hart van de godsdienst van de God van Israël. Hoog tijd dus om de machtigste God van hemel en aarde te hulp te roepen?  Nietwaar? Niet waar dus, als je de machtigste God van hemel en aarde te hulp roept dan geloof je dus kennelijk dat er ook nog wel andere goden zijn. En die God van Israël had toch nog zo gezegd geen andere goden voor zijn aangezicht te dulden. Had het volk daar dan niet naar geluisterd? Ze belijden het zelf: hun wandaden getuigen tegen hen, talloze malen waren ze de God van Israël ontrouw geweest. Wat die wandaden geweest waren blijft hier verborgen en daardoor ook de oorzaak van het harde oordeel van hun God : De Heer schept geen behagen meer in hen. In de laatste twee verzen belijden ze zelfs niet alleen meer hun eigen schuld maar ook die van hun voorouders. Voor een genadig en barmhartig God die het werk dat hij begon niet zal laten varen moet er toch wel iets heel ergs zijn geweest dat het antwoord zo hard en afwijzend blijft. Nu, daar was ook alle reden voor lezen we elders in het boek van de profeet Jeremia, daar werden die wandaden wel benoemd en die waren zo erg dat die nauwelijks te herhalen waren. In de Tempel van Jeruzalem waren afgodsbeelden geplaatst, grote beelden. Op de hoeken van de straten in Jeruzalem stonden beelden van Baäl, de kanaänitische vruchtbaarheidsgod, op de hoeken van de akkers waren palen in de grond geslagen, niet zomaar palen maar palen die in moeder aarde binnendrongen om haar te dwingen tot vruchtbaarheid, zoals een man een vrouw tot vruchtbaarheid kan brengen, Asjera palen waren het en Asjera was de bruid van Baäl. Om het nog erger te maken was het vuur in het dal van Hinnon waar tot in de dagen van Jezus van Nazareth het afval van Jeruzalem werd verbrand omgevormd tot een offerplaats voor de god Moloch, in dat vuur werden kinderen geworpen als offer. Jeremia had de opdracht gekregen om het volk mee te delen dat hun God, de God van Israël, gruwde van hun wandaden, dat het geen zin had nog langer te bidden, maar dat hij zijn handen aftrok van hen en hen het beloofde land zou laten verliezen. De ballingschap dus. De eerste les is dus dat een schuldbelijdenis geen zin heeft als je niet geprobeerd hebt te leven naar de regels van de God van Israël. Als je alleen op zondag in de kerk komt om te bidden en je vergeet alles wat je hier gehoord hebt in je handelen door de week dan heeft ook het bidden hier geen zin. Als je geprobeerd hebt er naar te leven en dat is niet helemaal gelukt dan heeft dat bidden wel degelijk zin, juist hier in de kerk hoor je op zondag hoe je nog beter kunt antwoorden op de genade die God ons heeft geschonken. Aha, zult U zeggen, we gaan al iets snappen van dat voorbeeld dat door Jezus van Nazareth is gegeven, die gelijkenis over de Farizeeër en de tollenaar. In ons taalgebruik klinkt dat al bijna als de slechte en de goede bidder. Het beeld dat hier van één Farizeeër is geschetst wordt bij ons op alle Farizeeërs toegepast. We generaliseren. Dat doen we vaker, denk maar eens aan een uitdrukking als “Marokkaanse jongeren”, u denkt dan vast niet aan al die Marokkaanse meisjes die het beter doen dan hun autochtone leeftijdsgenoten, die verder studeren en hogere cijfers halen,  maar aan dat handjevol jongens dat hier en daar voor overlast zorgt. Is het beeld dat we van de beide hoofdrolspelers hebben dan wel juist? Het gaat om twee mensen die naar de Tempel gaan. Dat is dus niet zo maar ergens bidden, maar in de Tempel. Dat was niet zo vreemd want in de morgen en in de avond werden er offers gebracht om het volk te verzoenen met God. Wie mee wilde bidden was welkom en voor een persoonlijk gebed werd wierook gebrand zodat het gebed met de welriekende geur van de wierook tot God zou opstijgen. De tollenaar in ons verhaal bidt in woorden die over die verzoening gaan. Die Farizeeër heeft het over de Wet die in de Tempel wordt bewaard. Hij steelt niet, is zelfs niet begerig naar andermans goed want hij is niet roofzuchtig, hij is niet onrechtvaardig, geeft dus aalmoezen aan de armen en hij is niet overspelig. Daarmee heeft hij zo ongeveer alle 10 geboden al gedaan. Maar hij gaat verder. Hij is niet gehecht aan aardse goederen want hij vast twee maal in de week, dat staat wel niet in de Wet maar het staat natuurlijk wel goed en hij overdrijft ook niet met het vasten zoals in zijn dagen soms werd gedaan en waartegen gewaarschuwd moest worden. Hij geeft een tiende van al zijn inkomsten, dat was veel meer dan gevraagd werd want de Torah, de wetten van Mozes vragen alleen een tiende van koren, wijn en olie, hij heeft het dus uitgebreid tot alles wat hij aan inkomen heeft. Dat ziet er dus allemaal niet slecht uit. Daar mogen mensen een voorbeeld aan nemen. Was iedereen maar zo. En dan die tollenaar? Farizeeërs en tollenaars zouden in de werkelijkheid niet zo snel samen naar de Tempel gaan. Dat de tollenaar op enige afstand blijft staan is niet zo heel vreemd, ze hadden immers nooit contact. Jezus van Nazareth werd zelfs verweten dat hij eet met zondaren en tollenaren, die dan in één adem worden genoemd. Tollenaars hadden hun recht om tol te heffen van de Romeinen gepacht. De pachtsom was de belastingopbrengst die de Romeinen van het goederenverkeer wilden hebben. Door iets meer te heffen dan de pachtsom groot was, of te rekenen op een grote stroom van goederen konden de tollenaars zich een aardig inkomen verwerven. Tegelijk hadden juist de armsten hiervan het meest te lijden, zoals bij ons de armsten naar verhouding het meest aan BTW betalen: hoe minder je hebt hoe groter het deel van je inkomen is dat naar een dergelijke belasting gaat. Die tollenaar vraagt dan ook niet voor niets om genade, de barmhartigheid van God, verzoening staat er eigenlijk als werkwoord. We hebben dus te maken met een Farizeeër die aan alle kenmerken van het goede beantwoord en zich daarvan ook bewust is en een tollenaar die eigenlijk niet deugt en zich daar ook van bewust is. Moeten wij dan aan de kant van de slechten gaan staan? Mogen wij ons niet bewust zijn van het goede dat we doen? We collecteren vanmorgen voor de opvang van kinderen hier in onze gemeenschap. Voor de mensen die zich daar dag in dag uit mee bezig houden mogen wij toch best bewondering hebben? En zo rond een dergelijke collecte mogen we ons toch ook best afvragen of wij genoeg plaats maken voor die kinderen in onze dorpen? Hebben ze toegang tot onze verenigingen? Worden ze daar verwelkomt net als alle andere kinderen? Doen ze mee met onze dorpsfeesten? Groeten we ze in onze winkels zoals we andere kinderen uit onze buurt groeten? Het goede dat we doen mogen we toch wel benoemen? Het gaat er toch om het kwade te mijden en ons bezig te houden met het goede en niets dan het goede? Dat doet de Farizeeër uit ons verhaal ook. Moet God daar dan blij mee zijn wanneer dat als een lied opstijgt met de geur van de wierook? De God van de Farizeeër kan lui achterover gaan zitten want die hoeft niks meer te doen, die God heeft zijn werk gedaan op de Horeb, toen de Wet werd gegeven, en is nu klaar, de Farizeeër kan het zelf wel af. Voor wat betreft die God is het maar goed dat er nog tollenaars zijn, daar is nog heel wat werk aan te verrichten. Een genadig God heeft het met hen maar druk. En daar heeft Jezus van Nazareth het over. Want wie geeft het woord van de God van Israël handen en voeten? Heeft die Farizeeër ook zichzelf gedeeld met de armen? Heeft hij oog gehad voor de minsten en geringsten onder zijn broeders? Hij zet zich  kennelijk niet in voor de tollenaar. Op het moment dat hij een toonbeeld wordt van het goede vergeet hij het goede te doen en omdat hij ook zijn God niet te hulp roept blijft hij het vergeten. Bidden is dus niet alleen het goede roepen, dat mag dus best, maar ook zoeken naar de verzoening met onze God, waar is die verzoening tussen ons en onze God nog nodig?  Maar op onze borst slaan omdat we zo slecht zouden zijn? Zoals we gezongen hebben uit Gezang 419? Dat gaat meestal wel wat erg ver. We zijn echt wel zover dat we niet meer als die Farizeeër bidden. Op zondag naar de kerk gaan geeft geen maatschappelijke status meer, het ziet er eerder nog een beetje ouderwets uit. En een ambt bekleden in de kerk geeft je zeker geen aanzien meer. Zelfs een dominee of priester hoort niet meer bij de notabelen van het dorp. We zijn ons maar al te zeer bewust van onze positie als hardnekkige minderheid. Maar om ons nu op onze borst te kloppen omdat we zo zondig zijn? Zo slecht doen we het meestal nu ook weer niet. Maar hoe dan te bidden? Het hoort vandaag niet bij de lezingen maar deze vraag die de lezingen vanmorgen oproepen kent de Bijbel een helder antwoord. Een antwoord dat ons gegeven is door Jezus van Nazareth zelf en dat we elke zondag in de kerk oefenen, het Onze Vader. En het Onze Vader kan ons ook aan het denken zetten. God is onze vader, een vader die als een moeder zorgt voor zijn kinderen. Niet alleen van ons hier in de Kerk, we moeten het gebed immers in onze binnenste binnenkamer bidden, maar van ons mensen in de hele wereld. We bidden tot Onze Vader in die in de hemel is. Wij hebben God niet in onze binnenzak, zoals het volk Israël dacht in de tijd van Jeremia: als we God nodig hebben dan halen wij hem wel van stal en voor de rest doen we mee met de goden van de ons omringende samenleving, de goden van goud en belofte, van winst en profijt. Zo zit dat niet. God is een bondgenoot die met ons gaat, maar voor een verbond zijn er twee nodig, wij hier beneden en God in de hemel, en wij zullen ons moeten houden aan het heb uw naaste lief als jezelf. Wij zien de armen niet uit onszelf, wij hebben daar God voor nodig, wij hebben daar de verhalen over die God en wat die God van ons wil voor nodig. We bidden dan ook dat Gods wil geschiede, zoals dat gebeurt in de hemel zal het ook op de aarde moeten gebeuren. We bidden dus niet voor onszelf, voor onze eigen plannetjes, om onze eigen voetbalwedstrijd te mogen winnen, of onze zaak te doen slagen. We bidden voor de kinderen van God, de hongerigen, de naakten, de lammen en de  blinden, de armen en verworpenen van de aarde. Voor onszelf bidden we om ons dagelijks brood. Meer hebben we toch niet nodig? Als we maar te eten hebben. Maar hebt u zich wel eens afgevraagd wie die ons zijn uit deze bede? Het volk Israël ten tijde van Jeremia dacht dat ieder die besneden was, als Israëliet geboren er wel bij zou horen, De Farizeeër uit onze gelijkenis dacht dat ieder die de Wet naar de letter zou uitvoeren er wel bij zou horen. Maar Jezus van Nazareth laat subtiel zien dat ook die Tollenaar er bij hoort, net als de hoeren en de zondaars met wie hij at. Dat ons gaat dus verder dan de kudde hier vanmorgen verzamelt, ook onze dorpsgenoten uit de dorpen van de Thomasgemeente horen er bij, maar ook mijn stadgenoten en de stad en dorpsgenoten van Uw familie en de gemeente die U bezocht in de vakantie horen er bij. Ook de mensen die meeëten in de consistorie in Kolozsvár. Laat ons zeggen dat iedereen in ons land er bij hoort, maar ook iedereen in de hele bewoonde wereld. Al die mensen voor wie wij collecteren met kerk in actie horen er bij. Want pas als iedereen op de wereld echt is  voorzien van het dagelijks brood dan breekt  de vrede aan. Daarom beginnen we vanmorgen ook in de collecte uit te drukken dat die vreemde kinderen die hier in onze dorpen worden opgevangen er bij horen, bij ons horen dus, bij dat ons uit ons gebed. Maar dat Onze Vader gaat ook over vergeven, we vragen God ons te vergeven zoals ook wij vergeven. Toen in de zeventiende eeuw twee theologen een vraag en antwoord spel ontwierpen om jonge protestanten het nieuwe geloof  van de reformatie te onderwijzen, de Heidelberger Catechismus, spraken zij over het ”zoals wij vergeven” als over een voornemen dat je zou kunnen hebben. Vergeving is nodig, maar de Roomse beulen vergeven die de brandstapels hadden ontstoken? De boeren vergeven die in de 30 jarige oorlog hele dorpen hadden verwoest? De moordenaars en verkrachters vergeven die op het galgenveld werden gehangen, door heel Europa was dat de gewoonte, ook hier in West Friesland, dat  ging toch te ver. Wij hebben dan de neiging om te zeggen dat we inmiddels verder zijn, beter durven we misschien niet te zeggen, bang als we zijn in de val van de Farizeér te trappen. Maar missen we daardoor niet de kern van de zaak? De Farizeer blijft dezelfde maar de tollenaar zal moeten veranderen en waar zit bij ons de verandering? God begint steeds opnieuw met ons de uittocht uit de bestaande samenleving waarin angst en dood overheersen naar het land waar het leven centraal staat. Als wij meegaan met hem die roept tot uittocht, zal God bij ons zijn. Vergeven betekent dus ook op een andere manier gaan samenleven met hen die wij vergeven hebben, samen uittrekken uit het land van haat en vervreemding.  Maar als wij moeten vergeven zoals God ons vergeeft dan moeten we zeer nauwkeurig op God afgestemd zijn. En noch de Farizeeër, noch de Tollenaar zijn afgestemd op de God van Israël. Misschien is dat wel de echte genade, dat wij ons hele leven bezig kunnen blijven ons handelen af te stemmen op het handelen van God. Daarom vragen we ook ons niet in verzoeking te leiden. Het volk in de dagen van Jeremia was de goden van de omringende volken achterna gelopen. Het had meegedaan aan de mode van die dagen. Vruchtbaarheid stond daar net zo voorop als winst bij ons voorop staat. Maar wie goed naar de preekstoel in deze kerk heeft gekeken weet dat daar al op uitgesneden staat dat delen je rijker maakt. Wij vragen God dus ons van het kwade te verlossen want zelf komen we nooit en te nimmer van het kwade af. Al onze kracht, en alles wat lukt in het leven, de heerlijkheid is van God. In dat woord heerlijkheid zit ook de belijdenis dat er één Heer is, God en dat niets en niemand zijn macht kan overnemen en zichzelf Heer kan noemen. Zo wordt ons bidden niet alleen handelen, niet alleen doen wat goed is in de ogen van God, maar ook belijden dat het God is die ons goed doen mogelijk maakt, en het wordt danken dat wij dat mogen doen, dag in dag uit niet omdat we betere mensen dan anderen zouden zijn, maar omdat we zo pas mensen naar Gods beeld kunnen worden.

Amen

 

 

Blogged with the Flock Browser
Advertenties

Read Full Post »