Feeds:
Berichten
Reacties

Lezen: Deuteronomium 24:17-22

             Lucas 14: 1-14

Gemeente,

Vandaag gaat het over respect. Over recht en gerechtigheid jegens je naaste. Denk niet dat het hier om juridische rechtsregels gaat waar juridische scherpslijpers hun wel of niet en hun ja maar op los moeten laten. De vraag die hier wordt beantwoord is niet de vraag naar wat mag of wat niet mag maar naar hoe je je zo kunt gedragen in een nieuw land dat het echt een land wordt dat overvloeit van melk en honing, zo’n land waarvan je kunt zeggen dat het van God afkomstig is, een goddelijk land.

In zo’n land respecteer je elkaar dus. In zo’n land zorg je dat er op tijd loon wordt betaald, in zo’n land snap je nog wat arm zijn betekent, daar zorg je voor een goed loon voor schoonmakers en beschermd werk voor gehandicapten en mensen met een beperking voor de arbeidsmarkt In zo’n land zorg je voor recht en gerechtigheid. Zelfs de rechten van vreemdelingen en wezen moet je eerbiedigen en weduwen laat je niet in de kou staan. Hier staan de vreemdelingen dus voorop.

Het volk Israël wordt er telkens weer op gewezen dat ze zelf slaaf zijn geweest in Egypte. Ze zijn dus niet anders, niet beter en niet slechter dan de mensen die op de rand van de slavernij leven. Het was de God van Israël die ze er van bevrijd heeft en het is de God van Israël die ze nu oproept om ook zelf de armen te bevrijden door zijn liefde te delen met hen die dat nodig hebben.

Hebberigheid en hebzucht horen dus ook niet bij een samenleving dat een goddelijk land wil zijn. Daar kijk je niet of alle vijgen zijn geraapt of alle druiven zijn geplukt. Laat de rest maar zitten voor hen die geen eigen tuin of wijngaard hebben en dus niet kunnen rapen of kunnen plukken. Tegenwoordig gaan voedselbanken de huizen langs om overtollig voedsel op te halen en ons land laat zich zien doordat er meer opgehaald wordt dan werd verwacht, al moet er af en toe een nieuwe oproep worden gedaan omdat de omstandigheden veranderen.

Ook in ons land weet men van delen en van recht doen. Net zoals in ons land ook het recht haar maat heeft. Niet meer dan 40 stokslagen zegt de Bijbel dat is de maat. Bij ons staat voor elk misdrijf een maat en als leken meekijken met rechters komen ze vaak op lagere straffen uit dan de rechters hebben opgelegd.

Zelfs naar dieren gaat ons respect uit. Een rund dat graan dorst zal mee eten van het graan dat vrij komt. Gun het dier dat graan zegt Deuteronomium. En wij zeggen het na in ons respect voor dieren in slachthuizen en bioindustrie. Daar waar dat respect zichtbaar ontbreekt regeert het heidendom, in een goddelijk land delen ook dieren mee. Gelukkig mogen we elke dag opnieuw aan het goddelijk worden van ons land gaan werken, ook vandaag weer.

Ook Jezus heeft het over respect. Het is soms dringen om vooraan te mogen staan. Mensen betalen veel geld om bij een diner met een wereldberoemde politicus te mogen aanzitten. Het gaat dan vaak onder het mom van een goed doel waarvoor het geld wordt uitgegeven, maar dat goede doel zou meer geld krijgen als iedereen thuis bleef en een overschrijving deed. De locatie is luxe, het eten is luxe, de muzikale omlijsting kost een hoop en de beroemde spreker vraagt zelf ook het nodige aan geld en logies. Het is het soort diners waar zien en gezien worden,vooral het laatste, belangrijker is dan de inhoud.

Kennelijk waren er in de dagen van Jezus van Nazareth ook al zulke diners. In dit gedeelte van het Evangelie van Lucas wordt daar duidelijk op gezinspeeld. Jezus drijft de spot met de mores, de gewoonten, rond zulke bijeenkomsten. Ga maar eens op de minste plaats zitten, je dwingt dan de gastheer, of gastvrouw, om je naar voren, naar een betere plaats te roepen. Het gezien worden is dan gelijk gelukt. Als je jezelf de beste plaats toekent loop je de kans geen rekening te hebben gehouden met de eregast en te moeten opkrassen. Dat is een manier van gezien worden die je liever overslaat.

Het zijn de grappen waarmee al in de Bijbel de rijken en machtigen worden bespot en te kijk worden gezet. Want als je werkelijk mee wil doen in het Koninkrijk van Jezus van Nazareth kun je beter een heel andere strategie hanteren. Nodig dan de armen, de chronisch zieken, de gehandicapten uit. Die nodigen je weliswaar niet terug uit voor een diner en nemen ook niet veel geld voor een goed doel of status in de samenleving mee, maar op de lange duur geven ze meer plezier.

Want er komt een dag dat ook deze medeburgers opstaan en zich niet langer laten knechten. De opstanding van de rechtvaardigen noemt de schrijver van dit Evangelie dat. En op dat moment ben jij geen vijand, geen uitbuiter, geen exorbitante zelfverrijker, maar een vriend van de armen, een vriend van de mensen die geen plaats in de samenleving hebben. Jij hebt ze een plaats gegeven, jij zag ze en jij wilde met ze gezien worden. En zelfs als de dag van de opstanding der rechtvaardigen nog wat uit zou blijven dan nog.

Al die aanzienlijken strijden om aanzien en eer, daar kan je alleen maar pijn in je hoofd en in je buik van krijgen. Die armen strijden nergens voor, ze zijn al blij met een goede eenvoudige maaltijd, ze leven om te overleven. Zeg zelf, dat is toch een veel beter gezelschap, daar hoef je je nooit af te vragen wat jouw plaats is, als jij de maaltijd geeft is het de ereplaats. En al die mensen die je helpt krijgen van jou de ereplaats.

Uiteindelijk zijn we op weg naar een land, een nieuwe aarde, waar alleen God de ereplaats heeft. Daar zijn alle tranen gedroogd, daar lijdt niemand meer gebrek, daar is alleen vreugde en is iedereen gelijk. Aan die nieuwe aarde mogen we nu al deel hebben, door ons leven in te richten op de Liefde, de naaste te willen zijn voor hen die een naaste nodig hebben. Dat kan van nu aan tot aan de jongste dag.

Amen

 

Advertenties

Lezen: Jesaja 65: 17:25

             Lucas 12: 32-40

Gemeente,

Vanmorgen gaat het over dromen, dromen van een betere wereld. Maar dromen zijn bedrog, dat was tenminste de titel van de hit van een voormalig stadgenoot van mij, Marco Borsato.. Hij  had na zijn Italiaanse inbreng een nieuw Nederlands nummer opgenomen met als bedoeling voortaan in het Nederlands door te gaan.

Vanmorgen hebben we ook over zulke dromen gelezen. Dromen die nog steeds moeten uitkomen. Want het is toch prachtig zo’n droom zoals die van Jesaja.  Geen babysterfte meer, geen voortijdig overlijden, mensen gaan pas na hun 100 ste geboortedag dood, Jesaja droomt niet van een eeuwig leven.. Zelfs voor de wilde dieren hoef je niet meer bang te zijn, de wolf en het lam zullen samen weiden en het kind zal spelen in het hol van de slang. De leeuw en het rund eten beiden stro. Het is zo nieuw dat alles wat goed gegaan is in het verleden er bij verbleekt, het is totaal anders dan wat er ooit geweest is.

Mooie droom. Geweldige poëzie. Maar als we straks de deur uitlopen klinkt weer het lied van Marco Borsato, Dromen zijn bedrog. De droom van Marco bekend en rijk te worden kwam overigens uit, hij leeft er van.

Of de droom van Jesaja wel of geen bedrog is moeten we afwachten. Wij geloven er in, wij gaan naar de Kerk om zondag aan zondag van die droom te horen en van die droom te leven. Dat was ook de bedoeling van Jesaja.

Het gedeelte dat we vanmorgen gelezen hebben komt uit het derde deel van het boek Jesaja. De ballingen zijn teruggekeerd en Jeruzalem wordt herbouwd, net als de tempel. Dat gaat niet zonder slag of stoot. De Bijbel heeft geen gladde praatjes over gelovigen die op hun knieën vallen en die dan wonderen overkomen van plotseling herstel of welvaart en vruchtbaarheid. Voor het goede geldt het zelfde als voor het voedsel, met het zweet op uw voorhoofd zult gij werken. In Jeruzalem moesten de herbouwers in de ene hand de troffel en in de andere hand het zwaard hanteren lezen we in de Bijbel. Die herbouwers hadden dus dringend de behoefte aan een visioen, een doel om naar te streven met het vertrouwen dat het doel ook behaald zal worden.

Dat visioen geeft Jesaja hen in het gedeelte van vanmorgen. Dat visioen gaat de herbouw ver te boven. In spreuken 29 lezen we: Waar het visioen ontbreekt verwilderd het volk, zoals de Willibrordvertaling het weergeeft, de Nieuwe Bijbelvertaling heeft het hier over de profetie, maar dat is eigenlijk hetzelfde. Dromen houden ons in beweging, dromen maken van onze wereld een betere wereld en als we dromen en idealen verliezen is het de dood in de pot.

Eigenlijk is dat ook de boodschap die Jezus van Nazareth zijn volgelingen geeft. Die 120 volgelingen, mannen en vrouwen van allerlei slag, afkomst en leeftijd, vormen in het Romeinse Rijk maar een kleine kudde. Toch is er voortdurend de suggestie dat zij met hun manier van leven en tegen de wereld aankijken het hele grote en sterke Romeinse Rijk zullen overwinnen.

Je zou er bang van worden, zo’n handjevol mensen, twaalf mannen die hebben leren spreken, een aantal vrouwen die de gemeente hebben onderhouden van hun vermogen, Jezus begint dan ook met vreest niet, hetzelfde vreest niet dat in de Bijbel 365 keer wordt genoemd, voor elke dag een keer. Jezus gebruikt hier een beeld dat ook gebruikt wordt door de profeet Jesaja, een kleine kudde, maar van groot belang omdat die kudde kan aangroeien. Als water in een waterval zou die kudden van de bergen stromen naar Jeruzalem, naar het uitgedroogde land Israël en die steppe, die woestijn zou weer gaan bloeien.

Heel vaak roepen ook wij in de kerken op om alvast met de bouw van het Koninkrijk van recht en vrede te beginnen. Breek de onrechtvaardige tolmuren af, zorg voor een samenleving waaraan iedereen mee kan doen en zorg bij conflicten als eerste voor de slachtoffers. Dat doen we op grond van de boodschap die uit de Bijbel tot ons komt. Toch is die Bijbel al heel lang geleden tot stand gekomen Het is dan ook voor velen moeilijk te geloven dat elk moment de Heer kan terugkeren. Dat was misschien de vaste overtuiging in Israël in de dagen van Jezus van Nazareth, een overtuiging die de mensen inspireerde tot de grote opstand in het jaar 70. Het was de overtuiging van de eerste Christengemeenten na het jaar 70 toen de Tempel verwoest was en het volk werd verspreid over het hele Romeinse Rijk tot aan de einden der aarde.

Nu zou de Mensenzoon komen die al in het boek Daniël werd genoemd en die zou oordelen de levenden en de doden en alle misdadigers tegen de menselijkheid zou veroordelen en uit zou werpen in de buitenste duisternis waar geween was en tandengeknars. Maar dat is zo lang geleden, die stellige verwachting dat het nog een korte tijd zou duren voordat de jongste dag zou aanbreken is niet uitgekomen.

Is het dan reëel om op te roepen tot de bouw van het Koninkrijk van God zoals Jezus van Nazareth ons dat heeft geleerd nu de wereld voortdurend verder van dat Koninkrijk lijkt af te dwalen? Het is of we elke dag opnieuw moeten beginnen met de bouw aan dat Koninkrijk. Hebben we de kinderarbeid afgeschaft, dan blijken onze kleren door in slavernij gehouden kinderen te worden gemaakt. Hebben we vrouwen gelijke rechten en gelijke kansen gegeven tot in onze kerken toe, blijken ze door vreemdelingen thuis gehouden te worden onder het mom dat de positie van de vrouw helemaal afhankelijk is van haar man. En zo kunnen we doorgaan. Als we een gemeenschap willen vormen met mensen die, zoals in de Ramadan weer is gebleken, gastvrijheid en de zorg voor de armen voorop hebben staan  dan wordt er haat gezaaid tussen hen en ons.

Toch is dat beeld van dat nieuwe Koninkrijk uitermate nuttig. Als je een baan hebt, gezond bent, een relatie met iemand hebt die je bevalt, een gezin weet te vormen, weet te genieten van de schoonheid om je heen, een goede woning hebt en met niemand een echt conflict dan lijkt het soms of voor jou dat Koninkrijk al is aangebroken. Je mag je zegeningen tellen en als je ze een voor een telt lijken er een heleboel te zijn. Maar als je dan dat beeld van dat Koninkrijk van God op je in laat werken dan kriebelt het, dan gaat het knellen. Het is niet bedoeld om ons een schuldgevoel te bezorgen, maar ons in beweging te zetten. Die zegeningen die we voor onszelf kunnen tellen zijn dus ook mogelijk voor anderen. De Bijbel zegt dat ze voor iedereen mogelijk zijn. Daarvoor moeten we wel aan het werk.

We moeten onze bezittingen verkopen zegt Jezus geef al wat je bezit op en ga als bezitloze door het leven, kloosterlingen hebben het zo verstaan. Maar het vervolg van de tekst leert ons dat dit niet zo  bedoeld wordt. Daar gaat het over beurzen die niet oud worden. En een beurs wordt niet oud als je die voortdurend ter hand neemt om er van uit te geven. En daar gaat het over.

Je moet niet hangen aan je bezit, niet oppotten en er schuren voor bouwen om jaren het Loofhuttenfeest te kunnen vieren, God kan je vannacht wel thuis roepen en wie geniet dan van je bezit? We worden samen rijker door te delen is de boodschap die al hoofdstukken lang in het Evangelie van Lucas doorklinkt. We hoorden over de barmhartige Samaritaan, we baden om het brood dat we vandaag nodig hebben.

Als je van je vermogen hier op aarde uitdeelt dan wordt dat vermogen niet minder, maar dan groeit dat vermogen aan bij God. Dan kun je leven alsof je eeuwig leeft, bezit wordt dan geen zorg maar een bron van vreugde. Het is dan een schat die niet kan bederven en niet gestolen kan worden. Wij zullen vaak niet meer zo letterlijk tegen dit soort visioenen aankijken. Maar als we beseffen dat de wereld beter wordt als we delen van wat ons toevalt dan weten we ook dat de wereld heel langzaam toegroeit naar een wereld die eindelijk gaat lijken op de nieuwe aarde waar Johannes op Patmos van droomde, waar alle tranen gedroogd zijn en de dood niet meer heerst.

Waarom we dus zo druk doende zijn met het goede te doen en niet dan het goede? Als we eerlijk zijn hebben we maar één antwoord: we kunnen niet anders. We geloven nu eenmaal in dat nieuwe Koninkrijk dat het zo anders zal doen als we dag in dag uit meemaken. We geloven in dat Koninkrijk omdat de Heer van dat Koninkrijk de enige is die echt macht op de aarde heeft. Die droom van dat Koninkrijk is onze meest kostbare schat, die jagen we na in goede en in slechte dagen, waar die schat is is ons hart. Alle haatzaaiers gaan voorbij, maar de Heer die Liefde bracht blijft, wat er ook gebeurd. We willen nu eenmaal niet in een samenleving leven waar mensen tegen elkaar worden opgezet.

We willen nu eenmaal niet van welvaart profiteren als die verkregen is over de ruggen van hongerigen en naakten. We willen nu eenmaal niet dat kinderen gevangen worden gezet omdat hun aanwezigheid ons niet aanstaat. We willen niet dat dode letters in dorre wetboeken recht wordt gedaan maar we willen dat aan levende mensen recht wordt gedaan. We hongeren en dorsten zelf naar gerechtigheid en voelen ons vaak gevangen in het onrecht dat ons omringt.

Daarom beginnen we maar vast aan de bouw van dat Koninkrijk, we kunnen niet anders. Als Marco Borsato zijn droom van een gevierd artiest kan verwezenlijken waarom kunnen wij dan niet aan de slag met de dromen van de profeet Jesaja en de profetie van Jezus van Nazareth?

We snappen best dat het koninkrijk niet komt van het halleluja roepen, maar dat we met de troffel in de ene en het zwaard in de andere hand aan het bouwen moeten, hongerigen voeden, daklozen huisvesten, bedroefden troosten, armen recht doen en noem maar op. Maar sinds Jezus van Nazareth aan het kruis en in het graf heeft laten zien hoe in liefde de dood kan worden overwonnen en zijn Geest ons diezelfde kracht geeft moeten we wel aan de slag. En we kunnen ook niet anders doen dan alsof het Koninkrijk elk moment de macht op aarde gaat grijpen. Vandaag zou het kunnen beginnen, wij zijn er klaar voor, als knechten die het huis op orde brengen voordat de Heer van het huis terugkomt van een lange reis.
Amen

Lezen: Jeremia 23:23-29

             Lucas 12: 49-56

Gemeente,

 We leven in de laatste dagen van de zomervakantie. Straks neemt het gewone leven van alledag, van werkdagen en rustdagen weer z’n loop.

 De verhalen die we vanmorgen uit de Bijbel hebben gelezen gaan  over verwarring. Allerlei mensen proberen het volk warm te laten lopen voor hun dromen. Dromen van rijkdom en welvaart natuurlijk, daar zijn we het meest gevoelig voor. Ook in onze dagen. Hele straten en wijken kunnen schat hemeltje rijk worden als we allemaal maar de loten kopen die ons die rijkdom beloven.

 Jeremia leefde ook in zo’n verwarrende tijd. Machten en krachten spanden zich samen om wereldrijken te vormen. Wereldrijken die konden profiteren van al de schatten van de volken die ze hadden onderworpen. Ook Israël werd bedreigd en Koningen zochten steun bij profeten om te weten wat hen te doen stond. Profeten stonden tegen elkaar op, ze hadden allemaal dromen van een nieuwe wereld waar Israël een prachtige plaats in zou nemen. Wat daarvoor nodig was waren bondgenootschappen met de juiste machtige wereldrijken, of juist met de kleine landjes rondom Israël tegen de machtige wereldrijken, eendracht maakt macht nietwaar. Tot verbazing van Jeremia zeiden die profeten allemaal dat ze in de naam van de God van Israël spraken maar hadden ze het geen van allen over de boodschap die de God van Israël vanouds had gegeven, over het verbond dat hij met het volk had gesloten, over het samen zorgen voor de minsten in de samenleving, de armen, de weduwe en de wees.

 In het gedeelte dat we vandaag hebben gelezen geeft Jeremia de boodschap van de God van Israël door zoals hij die heeft verstaan. Op het eerste gezicht ook een verwarrende boodschap. De God van Israël is zowel dichtbij als veraf. Voor wie de Bijbel kent is de boodschap van Jeremia wat minder verwarrend. De boodschap dat God dichtbij is maar ook veraf kan zijn komt vaker in de Bijbel voor. God is dichtbij de mensen die op hem vertrouwen, die kracht nodig hebben om de kinderen van God, de minsten in de samenleving te helpen. God houdt zich ver van hen die het kwaad zoeken, die uitbuiten en onderdrukken, ver van hen die geweld gebruiken en zich sterker achten dan wat en wie dan ook, God is ver van de goddelozen zegt de spreukendichter.

 Natuurlijk heeft God weet van dat alles. Het is dan niet het grote boze oog dat alles en iedereen bespiedt, maar God hoort het gebed van hen die op hem bouwen en God hoort het geschrei van allen die in verdrukking leven. De dromen van profeten horen dus geen gemakkelijke dromen van welvaart en welzijn te zijn, de echte dromen die vertellen over de God van Israël zijn dromen van bevrijding, bevrijding van slavernij, bevrijding van de dood, bevrijding van de slaven en de armen. De God van Israël is dus geen mannetjesputter. Het is een God die elk verstand te boven gaat, maar tegelijk is het een menselijke God, een God vol liefde en barmhartigheid. Noemen we het kwaad meestal onmenselijk, de liefde die de God van Israël ons biedt maakt ons juist menselijk tot op het bot.

 De dromen die ingegeven zijn door de God van Israël zijn als een vuur, als een vuur dat het goud zuivert van ongerechtigheden, zijn als een moker die de rots verbrijzelt, de rots die het water vasthoud dat de woestijn tot bloei moet brengen zodat er voor iedereen te eten is en er geen honger meer kan heersen. De aarde is immers vruchtbaar geschapen en vruchtbaarheidsgoden als Baäl horen in het volk geen rol te spelen.

 Voor ons betekent dat dat de goden van winst en profijt niet de redding voor de armen brengen maar het naleven van de richtlijn van de God van Israël om te delen met de behoeftigen die bevrijding zal brengen. Alleen van delen worden we immers rijker. Het napraten van al die profeten die de banken sterker willen maken, die de rijken rijker willen maken, die de verhoging van inkomens met zes procent van de top van het bedrijfsleven verdedigen en daarmee de verlaging van pensioenen en uitkeringen proberen te rechtvaardigen worden door de God van Israël ontmaskerd als bedrog.

 Ook Jezus van Nazareth lijkt verwarring te zaaien. Is hij niet bij uitstek het symbool van de vrede, hebben we het over hem niet als we het hebben over de vrede des heren? Zingen we hem met kerst niet toe als de vredevorst? Hoe kan hij dan zeggen gekomen te zijn om mensen tegen elkaar op te zetten? Van vijf in een huis zullen er drie tegen twee zijn, vaders en zoons staan tegen elkaar op en moeders tegen hun dochters. Jezus zou wel een vuur willen zijn, ook hij moet de doop ondergaan. En in die beelden lost zich de verwarring op. Dat vuur is een louterend vuur, de doop is de doop tot afwassing van de zonden. Al die leugenachtige dromen worden afgewassen en weggebrand. Wij hebben ze in onze dagen in de crisis ten onder zien gaan.

 Weten we nog van de dromen van de ex-politieagent uit Wognum? Die met zijn leningen de hemel op aarde beloofde? Nieuwe televisietoestellen, nieuwe keukens, nieuwe auto’s. Je deed je gezin tekort als je niet meeging in de jacht naar nieuwste en het beste en leningen sluiten was toch de snelste manier om je familie bij de tijd te brengen. De hypotheken werden opgehoogd tot ver boven de waarde van de huizen waar ze op werden afgesloten. Banken gingen mee in het spel van schulden die tot bezittingen werden. Wie uiteindelijk de rekening zou moeten betalen was geen vraag. Hoe meer schulden je schiep hoe rijker je werd. Die zeepbellen zijn doorgeprikt, die dromen tot leugens geworden. We consumeren niet meer boven onze macht, we sparen eerst. En de zwakken zijn het slachtoffer gebleken van de hoogmoed en valse dromen. Zij moeten zich wenden tot de voedselbanken omdat de schulden toch afbetaald moeten worden, in elk geval tot ze zijn gesaneerd.

 En we weten het wel zegt het verhaal van Lucas. We weten toch ook van het weer? Als er donkere wolken komen op een warme zomerdag komt er gedonder, dan breekt een onweer los. En een onweer hoeft niet altijd slecht te zijn. Natuurlijk als er windstoten komen die bomen ontwortelen, dan lopen mensen gevaar, dan kunnen mensen verongelukken. Maar we zagen het aankomen. Maar een onweersbui op een drukkend warme zomerdag kan ook zeer verfrissend uitwerken. Het koelt niet af maar er komt als het ware weer lucht en adem, je kunt je weer bewegen en wordt niet langer terneergedrukt. Die verfrissing verbindt de Bijbel met de doop, die geeft je nieuw leven.

 Met de wolk in het westen die regen brengt duidt Jezus nog op een ander verhaal. Op een verhaal over het dienen van afgoden, het achterna lopen van de goden van vruchtbaarheid, de goden van winst en profijt, die goden die meer en steeds meer beloofden. Daar kwam een profeet tegen op. Zeven jaar was het droog in Israël. Toen gingen de priesters van de vruchtbaarheidsgoden de strijd aan met de profeet van de God van Israël, die liet zijn knecht uitkijken naar de wolkje in het westen en wist toen het verscheen dat de droogte voorbij was, dat verfrissend water het land zou schoonspoelen zodat het gewas weer kon groeien en de honger gestild kon worden.

 Jezus roept hier op om  te blijven nadenken over de ontwikkelingen in je eigen samenleving. We weten best dat overeten tot allerlei ziekten leidt, dat drank meer kapot maakt dan je lief is, dat onveilig vrijen tot allerlei ellende kan leiden, dat het niet laten inenten van je kinderen niet alleen je eigen kinderen maar ook andere kinderen in gevaar kan brengen. En je weet dat een oorlogszuchtige houding tegen anderen tot oorlog en geweld kan leiden.

 De eerste Christenen hebben dat meegemaakt in de grote opstand in het jaar 70 toen de Tempel verwoest werd en het volk werd verspreid over het hele Romeinse Rijk. Lucas heeft zijn Evangelie geschreven na die Grote Opstand en je leest als het ware hier een waarschuwing terug. De Christenen hadden overigens niet aan die opstand meegedaan en dat werd hen nogal kwalijk genomen. En hoewel de Bijbel zegt dat een huis dat tegen zichzelf verdeeld is geen stand kan houden geeft Jezus hier de eerste Christengemeenten ook hun verdediging in handen, zij hadden wel de vernietigende storm in de verte gezien en zich er verre van gehouden.

 Ook wij zullen om ons heen moeten blijven kijken om te zien of onze wereld gaat in de richting die de Bijbel ons schetst. Gaan we werkelijk naar een wereld waar alle honger gestild is alle dorst gelaafd? Waar iedereen bereid is te delen met de naaste? Waar oorlogen in vrede zijn herschapen? Een wereld waar de dood niet meer heerst en alle tranen zijn gedroogd? Wonen wij in een wereld waar je veilig kan zeggen dat hier de God van de Hemel wel zijn tenten zou kunnen opslaan? Wie eerlijk is zal zeggen dat het lang nog niet zo ver is. Dat we nog heel wat moeten doen voor het nieuwe Jeruzalem is gebouwd. Ja dat als we mee willen bouwen aan dat nieuwe Jeruzalem we er goed aan doen nog eens de boeken van Ezra en Nehemia te lezen waar beschreven wordt hoe Jeruzalem werd herbouwd met de troffel in de ene en het zwaard in de andere hand.

 De verwarring die we vandaag in de verhalen uit de Bijbel hebben gelezen is er eigenlijk altijd wel. Die verwarring hoeft ons niet te ontmoedigen. De Bijbel geeft geen gemakkelijk verhaal over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde die er komen. De vrede van Christus in je hart komt ook in de vorm van onvrede over wat er in de wereld aan de gang is. Die onvrede kan je plagen, voelt soms als een brandend vuur. Gelovigen in de Weg van Jezus van Nazareth worden beschreven als hongerigen en dorstigen. Ze hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Dat zijn geen blije vrolijke gevoelens van Haleluja God is Liefde en wij zijn in Christus. Welk een vriend is onze Jezus dat hij ons opzadelt met onrust en onze harten in ons doet branden van verlangen naar een andere wereld. Ik verzeker u het is veel rustiger in je leven als je je neerlegt bij de wereld zoals die nu eenmaal is en genoegen neemt met de slavernij die jou en vooral anderen wordt opgelegd door de machten en krachten van deze wereld.

 Maar als we geraakt zijn door de Liefde van de God van Israël zoals we die in Jezus hebben leren kennen. Als we weten dat deze God nooit laat varen het werk dat zijn hand ooit begon en dat we aan dat werk mee mogen doen, elke dag opnieuw. Dat die God barmhartig en lankmoedig is, elke dag voor ons de zon weer doet opgaan, elke dag zorgt dat er mensen opstaan tegen onrecht en geweld en dat hij ook ons daartegen wil laten opstaan. Dan kunnen we niet anders. Dan vormen we een gemeenschap die hier in Assendelft schittert als een stad op een berg. Dan kruipen we niet weg in kleine kerkjes maar zetten we de deuren open en zoeken de mensen aan de kant van de weg op, dan kijken we in heggen en onder bruggen waar de armen zijn en dwingen ze om in te gaan.

 Totdat de Mensenzoon zal komen, tot dat die jongste dag zal aanbreken dat alle leed geleden zal zijn en aan alle verwarring een einde gekomen zal zijn.

Amen.

 

Lezen: Prediker 2:1-11

             Lucas 12:13-21

Gemeente,

Allemaal lucht en najagen van wind. Mooi dat de Bijbel ons in de zomer toestemming geeft om het werk het werk te laten en lui achterover te leunen. Nu mag je van de Bijbel best rusten en plezier maken maar daar gaat het in het leven dus niet om. Dat is ook de boodschap van het boek Prediker. Vandaag lezen we het tweede van twee experimenten die prediker heeft gehouden. Eerst heeft hij het geprobeerd met wijsheid, zou daar de zin van het leven in schuilen? Hij komt tot de conclusie van niet. Wie kennis vermeerdert, vermeerdert ook smart. Je alleen op de wijsheid richten is het dus niet. Overigens is die stelling zeer in strijd met de wijsheidsliteratuur die we uit Israël kennen, maar Prediker neemt zijn conclusie zeer serieus en probeert het vervolgens met de dwaasheid.

Prediker heeft zich ondergedompeld in de vreugde van de wijn zo begint zijn experiment. Dat hij met de wijn begint is niet zo vreemd. Van alle krachten op aarde is volgens de wijsheidsliteratuur de wijn het sterkste. Die heeft immers op ieder mens dezelfde uitwerking. Of je nu rijk bent of arm, wijs of dwaas, man of vrouw, allochtoon of autochtoon, als je te veel wijn drinkt spreek je uiteindelijk allemaal dezelfde onzin. Het Romeinse spreekwoord In vino veritas, in wijn ligt de waarheid, is dan ook volgens de Prediker grote onzin. In onze dagen weten we dat drank meer kapot maakt dan ons lief is. In veel kerken biedt men bij het avondmaal naast wijn ook druivensap aan. Maar in gemeentehuizen en grote bedrijven wordt bij recepties gewoon wijn en bier geschonken, ook al moeten veel mensen nog per auto naar huis. De vreugde van de wijn brengt je dus zeker niet dichterbij de zin van het leven.

Zou dan rijkdom en overvloed de zin van het leven zijn. Prediker heeft grootse dingen ondernomen om dat na te gaan. De vragen die hij stelt heeft hij zeker ook serieus genomen. Hij heeft paleizen gebouwd en wijngaarden aangelegd, tuinen en parken aangelegd en een keur van vruchtbomen daarin geplant, waterbekkens gegraven om een bos met jonge bomen te bevloeien, slaven en slavinnen gekocht en zich zo omringt met gelukkige gezinnen. Hij bezat veel vee, heeft goud en zilver opgestapeld en zich ingelaten met de jet set van zijn tijd, geleefd als een playboy omringt door de beste zangeressen en aanbeden door de mooiste vrouwen. Daarbij bleef hij wijs. Maar leverde dat enige zin op? Als hij er op terugkeek was er maar een conclusie mogelijk, het had geen enkel nut onder de zon.

Nu zullen velen de Prediker tegenwerpen dat het toch mooi is je kinderen meer na te laten als waar je zelf mee begonnen bent. Je kunt het wel niet meenemen maar je kunt het wel doorgeven. Als je ruzie wil nalaten moet je zo beginnen. Volgens begrafenisondernemers leiden erfenissen van enige omvang tot de grootste ruzies tussen erfgenamen, ruzies die zelfs rond het graf of in het crematorium worden voortgezet. Nee de vraag die Prediker zich stelt is dezelfde als de rijke man zich stelt in de gelijkenis die Jezus vertelt als hij gevraagd wordt als bemiddelaar op te treden in een erfeniskwestie. Zijn antwoord is eigenlijk hoed u voor hebzucht. Prediker zal uiteindelijk vaststellen dat wijzen en dwazen zonder enig verschil allemaal dood gaan.

Daarom kennen we het spreekwoord dat je je rijkdom niet mee kunt nemen. Waarom proberen we dan meer rijkdom te krijgen dan we ooit bij ons leven op kunnen maken? Ja de rijksten in onze samenleving verzamelen zelfs zo veel rijkdom dat ook hun kinderen en wellicht hun kleinkinderen niet in staat zijn op het op te maken. Geld maakt niet gelukkig is een ander spreekwoord, in de Bijbel wordt geld zelfs bestempeld als de wortel van alle kwaad. Natuurlijk is het makkelijk als je het hebt. Natuurlijk moet je er verstandig mee omgaan. En, let wel, de Bijbel heeft niets tegen rijkdom op zich. Als we allemaal mee zouden kunnen delen van het land dat overvloeit van melk en honing is er niets verkeerd. Maar dat doen we niet. De meeste rijkdom is verkregen door de armoede van velen. De waarschuwing ons te hoeden voor hebzucht geldt voor iedereen. In de bede die we in het Evangelie van Lucas bij de les over het bidden kunnen lezen gaat het alleen over het brood dat we vandaag nodig hebben. Dat is voor ons genoeg. Als we dat uitstralen dan behoeden we misschien ook een ander voor hebzucht en het bijbehorende ongeluk.

Jezus van Nazareth stelt de dwaasheid van het streven naar meer rijkdom dan je nodig hebt weer aan de orde. Heb je extra bankrekeningen geopend, een mooie beleggingsportefeuille geopend dan loop je de kans nog dezelfde dag dood te gaan. Het zal de nodige verbazing hebben gewekt. Het was heel gewoon om bij de verdeling van een erfenis een gewaarderde religieuze voorganger om hulp te vragen. Maar volgens Jezus geeft de leer van Mozes voldoende richtlijnen om het probleem op te lossen. Heb je naaste lief als jezelf, maak je niet druk over het verkrijgen van bezit, maak je geen zorgen voor de dag van morgen, meer als brood voor een dag heb je echt niet nodig.

We hoeven ons dus geen zorgen te maken voor de toekomst. Veel mensen zijn dat verleerd. Je geen zorgen maken over de dag van morgen. Natuurlijk, als je honger hebt zijn er zorgen over het krijgen van eten, maar zorgen over wat je aantrekt, of hoe je er uit zult zien verdwijnen direct als je naar eten moet zoeken. Maar wat dan in tijden van misoogst? Het is toch goed iets achter de hand te hebben als het slecht gaat met de economie. Ook daarin voorziet de leer van Mozes. Elk dorp en elke stad moest een voorraadschuur hebben die voldoende had om de bevolking een slechte economische periode door te helpen. In onze dagen is ons sociale verzekeringsstelsel er op gebaseerd en we moeten dus zeer uitkijken dat af te breken onder het mom dat je individueel je ook wel kunt sparen voor ziekte en zorg.

Alle uiterlijkheden zijn dan ook volstrekt onbelangrijk. Er wordt ons wel aangepraat hoe belangrijk al dat uiterlijk vertoon is, de make overs vliegen je om de oren, maar eigenlijk is het geluk van de mensen het allerbelangrijkst. Daarom klinkt vandaag ook de roep om je bezig te houden met het Koninkrijk. Daar wordt gedeeld en hoeft dus niemand meer zorgen te hebben over het eten, zijn dus alle zorgen verdwenen. Daar valt het onderscheid tussen rijk en arm, tussen slaaf en vrije, tussen man en vrouw, tussen christen en moslim, weg. Daar is geen angst meer en geen bedreiging. Dat Koninkrijk ligt voor het grijpen. Het is ons geschonken door de God van Liefde, we hoeven het alleen te aanvaarden en in de praktijk te brengen. Make overs zijn dan overigens in het geheel niet voorbij. Maar het zijn hele andere make overs dan van mensen en auto’s. Het is een make over van de totale samenleving. Ineens wordt al wat leeft belangrijk en gooien we geen mensen, dieren en kostbare grondstoffen meer weg.

Het is de make over naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde die zo mooi zal zijn dat God er zal willen wonen. Dat is een erfenis die we graag aan onze kinderen willen nalaten. Dat is het enige dat al ons zwoegen onder de zon waard is, al het andere is leegte en najagen van lucht. Maar het is een last die licht is, een juk dat niet hoeft te drukken. Zorgen voor de naaste levert elke dag vreugde op en zorgt voor de dag van morgen, voor die naaste en daardoor ook voor jezelf en je nakroost tot in het duizendste geslacht. Aan het werk dus, aan dat nieuwe Koninkrijk.

Amen

 

Lezen: Genesis: 18:20-33

             Lucas 11: 1-13

Gemeente

 Vandaag gaat het in de lezingen uit de Bijbel over bidden. Midden in de zomer, als veel mensen op vakantie zijn en we bezig zijn met ontspanning en genieten van de wereld om ons heen roept de Kerk ons op na te denken over bidden. Van Jezus van Nazareth wordt op veel plaatsen in de Evangelieverhalen vertelt dat als hij het druk had gehad en vermoeid raakte van de zorg voor al die mensen die hem volgden hij zich terugtrok op een eenzame plaats om te bidden. Dat terugtrekken hoorde er bij, hij kreeg het verwijt dat zijn leerlingen al helemaal niet deden aan bidden zoals de leerlingen van Johannes deden of zoals de Farizeeën deden. Daar mogen we wel eens over nadenken.

 Die Farizeeen stonden zich er op voor mooi te kunnen bidden en lang ook met veel omhaal van woorden. Ze lieten dat zien waar ze konden, tot op de hoeken van de straten toe, Jezus veroordeelde dat. Wat Jezus bad weten we meestal niet, ja in Getsemane bad hij of de beker hem voorbij mocht gaan, maar de wil van God stond voorop.

 Dat merken we veel met gebeden, er mag overal om gebeden worden maar de verheerlijking van God en zijn gerechtigheid staan voorop. Dat lees je terug zowel in het Oude als het Nieuwe Testament. Al omringt de duisternis ons, wij hebben een God die ons licht geeft en dat licht van die God schijnt voor ons ook in de diepste duisternis.

 Dat licht van die God laat ons ook zien wat anderen nodig hebben en de voorbeden voor anderen zijn dan ook talrijk in de Bijbel. Voorbeden voor de zieken, voor de zwakken, voor de onderdrukten, voor de weduwe en de wees, voorbeden om gerechtigheid en recht, om bevrijding van onderdrukking om verlossing uit de slavernij. De uittocht uit Egypte begint dan ook met de vaststelling dat God het geschrei van zijn volk heeft gehoord en daarom Mozes gestuurd heeft om de Farao de kans te geven aan dat geschrei een einde te maken.

 Denk nu niet dat alle gebeden verhoord worden omdat we overal om mogen bidden. We hebben daarvoor vanmorgen over Abraham gelezen en zijn gebed voor Sodom en Gomorra. Hij had drie vreemdelingen die uit de woestijn opgedoken waren te eten en te drinken gegeven. Ze hadden hem verteld dat zijn vrouw Sara ondanks haar ouderdom een zoon zou krijgen, Sara had er om moeten lachen. Ze hadden hem ook verteld dat Sodom en Gommora verwoest zouden worden. Toen waren ze opgestapt om naar Sodom te gaan. Maar één van de vreemdelingen bleef nog wat aarzelen en raakte in gesprek met Abraham.

 Het komt in de Bijbel niet zo vaak voor dat een vreemdeling bij de naam van God wordt aangesproken maar in dit verhaal is dat uitdrukkelijk het geval. We kennen het als een gruwelijk verhaal omdat we de afloop kennen. Twee steden die verwoest worden kennelijk als straf voor gruwelijk gedrag. We praten dan bijna altijd over de drie vreemdelingen die eerst aan Sara een zoon beloven en dan doorgaan naar die twee vreselijke steden. De brave Abraham vraagt dan nog clementie voor de rechtvaardigen die er misschien toch nog zouden kunnen zijn. Maar waar we over heen lezen is dat God zelf naar Sodom en Gomorra gaat om de onrechtvaarhdigheid te ondergaan en de rechtvaardigen te ontmoeten.

 Daar waar in onze naam onrecht wordt bedreven wordt dat wellicht dus aan God bedreven, en daar waar we opkomen voor recht en gerechtigheid, voor de armen en verdrukten komen we wellicht direct voor God op. De verwoesting is dus niet het werk van God, die werd er bijna het slachtoffer van. De steden roepen het over zichzelf af. Dat vragen om gerechtigheid loopt vooruit op wat Jezus later zou zeggen toen hij er op wees dat wat aan zijn minste broeders zou worden gedaan aan hem werd gedaan. Er zijn mensen die de persoonlijke relatie met God zo voor op stellen dat vergeten wordt dat we God wellicht ook voor de deur of in de winkel tegen kunnen komen.

 God is daar waar het de vraag is of er nog een enkele rechtvaardige zou kunnen zijn vanwege het onrecht dat er volop voor komt. Voortdurend verzet tegen onrecht, het opkomen voor verdrukten, voor armen, tegen onrechtvaardige verdeling is dus niet zomaar sociaal werk of het terugbrengen van het verhaal van God tot een sociaal gerechtigheidscontract maar het is de Godsdienst ten voeten uit. Het is het verhaal van Abraham en zijn vraag om gerechtigheid voor de rechtvaardigen.

Vandaag vragen wij ons dus af hoe je moet bidden. Jezus van Nazareth gaf daarin volgens het Evangelie van Lucas les op verzoek van zijn leerlingen. Het gedeelte dat we uit de Bijbel lezen vandaag eindigt niet met het beroemde Onze Vader maar begint er mee. Wij bidden het gebed dat Jezus ons heeft geleerd meestal in een langere versie, die vinden we in het Evangelie naar Matteüs.

Het gedeelte uit Lucas gaat verder dan alleen het gebed, het leert ons ook wat bidden eigenlijk is. Bidden is vragen, maar dan vragen naar wat je echt nodig hebt. Voor eten hebben we eigenlijk niet meer nodig dan brood voor vandaag.

En om een beetje vrede te hebben weten we eigenlijk best dat we mensen om ons heen de fouten moeten vergeven waarvan we willen dat zij ze ons ook zouden vergeven. Natuurlijk mag je die fouten noemen. Maar je mag ook aan die mensen om je heen die vergeving vragen voor je eigen fouten. Meestal kennen mensen hun eigen fouten het eerst, en de eerste zijn die om vergeving vraagt maakt dat mensen mild gestemd worden en ontvankelijker worden voor het noemen van hun eigen fouten, zeker als die vergeven worden.

Bidden is God ook aanspreken als vriend. Daar gaat de gelijkenis over. Een vriend klopt aan en vraagt om drie broden. Welke broden? Het brood dat we voor vandaag nodig hebben? Er wordt wel gewezen op het feit dat de conclusie van de gelijkenis ook in drie delen uit een valt: vraag en je zal gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en je zal opengedaan worden. Vragen, zoeken en aankloppen sterken je dus, voeden je dus. Door God als Vader aan te spreken verkleint Jezus al de afstand, door God als vriend te zien wordt de afstand nog kleiner. En de drie broden doen ook denken aan de drie vreemdelingen die bij Abraham langs komen en door hem gevoed worden. Ook aan hen vraagt Abraham, bij de Heer klopt Abraham aan, zoekt redding voor de rechtvaardigen.

Het gebed dat Jezus ons leert begint met de bede dat de Naam van God geheiligd moet worden. De term Heilig zegt ons niet zoveel meer. Heilig dat is God en volgens de Paus nog een heleboel Heiligen, zelf zijn we zeker niet Heilig. We weten best dat de Naam van God, Ik zal er zijn, samenvalt met het wezen van hoe wij God ontmoeten, we ontmoeten God immers in het werk van zijn Geest, in zijn Woord dat ons aan het werk zet. De leerlingen van Jezus worden opgeroepen zijn kruis achter hem op te nemen en tijdens het laatste avondmaal roept Petrus dat hij bereid is met Jezus zelfs de dood in te gaan. Als wij bidden dat de Naam van God geheiligd worden  dan brengen we die naam in het geding, dan vragen we om de wereld heel te maken, al het gebrokene om te zetten in het geheelde, als laatste ook de dood die ons nog steeds regeert.

Daarom geldt ook in het gebed  dat we eerst het Koninkrijk moeten zoeken. Dat staat er niet uit beleefdheid. Zo van we weten God dat het u om een Koninkrijk gaat, nu dat mag er van ons ook wel komen, als u nu eerst even wat anders voor ons doet, iemand geneest, zorgt dat we slagen voor een examen, of een baan enzovoorts. Nee alles wat we vragen staat in het licht van dat Koninkrijk, een koninkrijk dat er nog niet is. Het land vloeit ook hier bij ons wel over van melk en honing maar dat komt nog lang niet bij iedereen terecht. Dat Koninkrijk van God zal een Koninkrijk vol van genade, vol van vergeving worden.

Vergeving is dan ook niet zoiets als “zand erover”, maar veel meer “we beginnen opnieuw maar dan op andere manier”. Van vergeving groei je zeiden ze vroeger weleens, maar Paulus waarschuwde in een van zijn brieven dat je er niet maar op los moet leven zodat je veel meer vergeving krijgt voor alles wat je verkeerd doet. Het goede brengt het goede voort leren we. Natuurlijk, een vader die zijn kinderen liefheeft geeft ze geen oneetbare dingen als maaltijd.

Daarom moet je ook niet je mond houden bij het kindergehuil bij de buren, daarom moet je ook spreken over de blauwe plekken bij de buurvrouw of buurman, daarom moet je iets zeggen als de vrienden en vriendinnen van je eigen kinderen weer eens dronken zijn. Vergeven kan alleen beginnen als duidelijk is wat er vergeven moet worden, als we bereid zijn om het samen anders te gaan doen, het kwade te gaan weren en het goede toe te laten in ons leven. Dat is pas bidden en dan geldt zeker dat, als je bidt, je ook gegeven zal worden. Niet om rijkdom en aanzien valt er te bidden, niet om te zeggen hoe goed we wel niet zijn, maar om de Geest van God, want in die geest willen we werken en leven, niet voor onszelf maar voor onze naaste. Wij hebben aan brood genoeg, aan brood voor vandaag zegt Lucas, dat is wat anders dan ons dagelijks brood. Iedere dag heeft genoeg aan zichzelf klinkt hier bij Lucas in zijn gebed. Als je zelf overigens dat geweld in huis overkomt dan moet je hulp vragen, hulp vragen is eigenlijk heel gewoon, God geeft ons ook hulpverleners.

Bidden is voor ons dus ook bidden om rechtvaardigen die verhinderen dat onze wereld ondergaat in rook en vuur, niet omdat wij er bang voor zouden zijn, maar omdat wij naar een wereld willen waar de dood niet meer heerst. Waar alle tranen gedroogd zullen en zijn en waar God zelf zijn tenten op deze aarde zal spannen. Dan is alle beproeving voorbij, dan hebben we allen gekozen voor het leven. Elke dag mogen we daarheen op weg gaan, met een Vader die voor ons als een moeder zorgt, met een vriend die ons steunt. In het vertrouwen dat als we vragen er ook gegeven zal worden, dat als we zoeken we ook zullen vinden en als we kloppen er zeker open gedaan zal worden. In dat vertrouwen kunnen we iedereen in onze omgeving meekrijgen. Tot aan de einden der aarde en tot de jongste dag ons zal wekken.

Amen.

Lezen: 1 Samuël 1: 1-20

             Lucas 10: 38-42

Gemeente. 

 Twee zielige vrouwen, de een kan geen kinderen krijgen en  wordt gepest en de ander nodigt een gast uit en moet dan in haar  eentje het vuur uit de sloffen lopen om de gasten te bedienen.  Beide stellen vragen en over die vragen gaat het. Het meest nog  over de vraag van Martha, die klinkt ons nog het meest bekend in  de oren. Omdat dat te begrijpen kijken we eerst eens naar Hanna.  In de loop van de tijden is het krijgen van voldoende kinderen in  elke cultuur een belangrijke zaak. Die kinderen zijn een  verzekering voor een ongestoorde oude dag voor hun ouders. De  “babyboom” van na de Tweede Wereldoorlog heeft bij ons het  zicht daarop wat verduisterd. Voor de generatie van de jaren 20  en 30  van de vorige eeuw waren er genoeg kinderen geboren om  hen een onbezorgde oude dag te bezorgen.

 Maar in onze dagen dringt zich het besef door dat er voldoende jongeren moeten zijn  om de ouderen een onbezorgde oude dag te bezorgen. De hele  discussie over de AOW leeftijd gaat daarover, over de verdeling  van de lasten tussen de jongeren en ouderen. Ook in de dagen  van Elkana, waar het verhaal van vandaag mee begint, was de  noodzaak van voldoende kinderen aanwezig. 

 Hanna had geen kinderen, Peninna wel. Hanna was dus zielig en  Peninna niet. Maar Hanna was eigenlijk helemaal niet zielig  omdat ze geen kinderen had, Peninna had genoeg kinderen voor  hen allebei en de verhalen uit de Bijbel gaan ook altijd over  delen. En als het op delen aankwam dan kreeg Hanna altijd het  beste deel van haar echtgenoot. Maar Hanna was zielig omdat ze  gepest werd. Pesten is een van de meest gemene manieren om  iemand te kwetsen. Mensen kunnen daardoor zo gekwetst  worden dat ze er aan dood gaan, al lijkt het dan er op of ze zelf  een eind aan hun leven maken. Hanna was daar niet ver van af.  Maar zij zocht eerst in de Tent der ontmoeting, waar de  goddelijke richtlijnen voor de menselijke samenleving, de leer  van Mozes, werden bewaard, de hulp van die God.

 Ze was zo ver  heen dat de hoge priester Eli dacht dat ze dronken was. Dat was  ze dus niet en als ze zo hartstochtelijk iets van God vroeg dan  moest die dat toch wel geven zei Eli. Die zoon kreeg ze ook, niet  van God maar van Elkana. Maar het was de leer van Mozes, de  richtlijn van Liefde en delen die haar op het goede spoor had  gezet, haar zoon zou dan ook opgedragen worden aan die God.  De vraag van Hanna om een kind was dus geen vraag voor  haarzelf, kinderen zijn je bezit niet, maar een vraag voor het  gezin. Pesten verpest het klimaat en als de reden voor pesten is  weggenomen komt dat iedereen ten goede. En dan die zielige Martha. Als je het Bijbelgedeelte van vandaag  leest dan is het toch wel heel erg verbazend dat de rol van vrouwen in de Kerk zo lang de rol van Martha was en in  sommige kerkgenootschappen de Maria’s nog steeds niet de erkenning krijgen die Jezus van Nazareth in zijn dagen aan Maria  gaf.  

 Dat zorgen van die Martha is natuurlijk niet geheel verkeerd,  maar er waren ongetwijfeld ook mannen in de buurt die hadden  kunnen helpen. Het was Martha die Jezus en zijn volgelingen had  uitgenodigd. En wat had ze daar nu aan? Ze zwoegde en sjouwde  om het iedereen naar de zin te maken. Annie M.G. Schmid  beschreef die rol eens voor een jarige moeder, als moeder jarig is  dan is ze nog niet jarig.  Het belangrijkste op dat moment was het leren dat Maria deed. 

Zo wordt ons dat uitgelegd. Zielige Martha en verstandige Maria.  Maar als een groep mannen vergaderen met een enkele vrouw  wie mag dan de koffie inschenken? Martha, we verwachten niet  anders. Maria doorbreekt de bestaande verhoudingen niet alleen voor zichzelf maar voor alle vrouwen. Lucas zet onze bestaande verhoudingen heel fijntjes ter discussie en wij maken er een  vroom verhaal van. Naar Jezus luisteren, horen hoe je je naaste lief kunt hebben als jezelf, weten wie je naaste is het beste. Doen  is weer iets heel anders. Toch gaat de vraag van Martha over het doen, het dienen van de gasten.  Martha moet dus leren dat bedienen toch heel iets anders is dan dienen.

 En de leerlingen  moeten leren dat je laten bedienen jezelf boven de ander stelt.  Het beste is dus die rollen, die vanzelfsprekendheid om te  draaien. Dat houden van je naaste als van jezelf ook kan  betekenen dat je kiest voor jezelf ook al is dat voor de ander  vervelend. De vraag was immers wie de naaste was van het slachtoffer langs de kant van de weg. Maria kiest voor die doorbraak en geeft daarmee Martha de kans dat ook te doen. Waren ze allebei aan het bedienen van al die mannen geslagen dan had zich de vraag naar de eerlijke taakverdeling nooit voorgedaan en hadden we er ook vandaag nog steeds niks van  kunnen leren. Dat is nu anders.

 We weten dat de Maria uit dit verhaal niet anders werd behandeld dan de apostelen en de leerlingen van Jezus van Nazareth. Zonder er veel woorden aan  vuil te maken maakt het Evangelie van Lucas duidelijk dat er  geen onderscheid is op het moment dat je met het Evangelie van  Jezus van Nazareth bezig bent. Vrouwen die theologie hebben  gestudeerd, vrouwen die ouderling of diaken willen worden,  vrouwen die willen preken en de eucharistie bedienen hebben  daar dus net zo veel recht op als mannen. 

 Sterker nog, als vrouwen zich aandienen dan is dat anders dan in  de wereld. In de wereld verdienen vrouwen in dezelfde functie  minder dan mannen. In de wereld mogen de vrouwen de koffie  schenken terwijl de mannen vergaderen, in de wereld mogen de  vrouwen de toiletten schoonmaken voor de managers met  topinkomens en extra bonussen, in een echte christelijke kerk  wordt er geen onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen.  Door het verhaal van Jezus van Nazareth met Maria en Martha  worden vrouwen bevrijd van hun bedienende rol die hen in de  wereld maar al te vaak, en tot schade van die samenleving, wordt  opgedrongen. Er is maar één ding noodzakelijk en dat is dat je  jezelf leert waarderen zodat je je naaste nog meer kunt  liefhebben. Dat is pas dienen en daar houdt het bedienen  helemaal op om nooit meer terug te keren. 

 Het gaat bij Hanna om het antwoord, het besef dat alleen de  liefde telt en dat daarom een kind kan worden opgedragen aan  God zodat een heel volk bij de leer van Mozes gehouden kan  worden. Bij Martha gaat het om de vraag. Die vraag stelt de  verhoudingen aan de orde, die vraag leert ons wat voor een ieder van ons gewoon en vanzelfsprekend is. Door Maria als voorbeeld te stellen leren we dat de bestaande verhoudingen ons nooit kunnen bevredigen als daar bedienen in de plaats komt van dienen, of dat nu in topfuncties in het bedrijfsleven of bij de  aanstelling van de huishoudelijke hulp gebeurd.

Uiteindelijk belooft de Bijbel ons een wereld waar alle leed geleden is, waar  iedereen gelijk is en mee deelt in de vreugde van God. Aan die  nieuwe wereld mogen we nu al gaan bouwen. En elke dag  opnieuw mogen we er als nieuw weer aan beginnen. 

 Amen 

 

Lezen: Deuteronomium 30: 9-14

             Lucas 10: 25-37

Gemeente,

Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. Dat was de leus van de Franse Revolutie die vandaag in Frankrijk wordt herdacht met een groot feest. Het volk nam de macht over van de Koning en de adel. Tussen de kerk, die de Koning en de adel had gesteund, en de Staat werd een scheiding aangebracht. In Nederland was niet iedereen blij met die revolutie. Volgens de Nederlandse geloofsbelijdenis zou de Staat immers moeten weren wat de Schrift weerspreekt. En op de eerste dag van de week waarop die geschiedenis ons weer in herinnering wordt gebracht lezen wij over de leer van Mozes en de naastenliefde zoals die door Jezus van Nazareth werd verkondigd. Hebben die herdenking en de lezingen van vandaag met elkaar te maken?

Die revolutie in Frankrijk ging over een visioen, een droom. Het volk was in gevangenschap gehouden. Alles wat de mensen hadden was ze afgepakt door rijken en door de adel. Tegenwoordig zouden we zeggen dat, in een tijd dat pensioenen en uitkeringen worden verlaagd en iedereen moet bezuinigen, de top van het bedrijfsleven zichzelf grote bonussen blijft toekennen. Zoiets was er in Frankrijk dus ook aan de hand op die veertiende juli. En een zo oneerlijke verdeling van welvaart kan maar tijdelijk in stand blijven. Op een dag zijn er zoveel mensen die hongeren naar gerechtigheid dat er een opstand uitbreekt en de oude machten omver worden geworpen. We zien dat in onze dagen ook elders in de wereld gebeuren. En voor het geweld, de onderdrukking en de armoede zijn tienduizenden op de vlucht. Een revolutie duurt nooit maar een dag, soms betekent een revolutie jaren van oorlog en geweld, soms wel 80 jaar.

De Bijbel schetst ons een andere weg. In Egypte was de eerstgeboren zoon gestorven van hen die niet geluisterd hadden naar de God van Israël, en zich  verzet hadden tegen de vragen van Mozes. Daar waar niet het bloed van het geslachte en gebraden lam aan de deurposten was gesmeerd was de engel des doods binnengegaan. En de overlevenden hadden de gelovigen in die God van Israël het land uitgejaagd, de woestijn in.

In de woestijn hadden ze de richtlijnen gekregen voor de menselijke samenleving. Jezus van Nazareth zou twee van die richtlijnen samenvoegen als samenvatting van heel de leer van Mozes:  Heb God lief boven alles, en je naaste als jezelf.

Het gedeelte dat wij vandaag uit Deuteronomium hebben gelezen begint met de belofte dat het volgen van die Weg van de Liefde voorspoed zal brengen, rijkdom aan kinderen en vee, met een vruchtbaar land. Van een volk dat zo leeft gaat het goede uit, het is gezegend noemt de Bijbel dat. Dat volk wil de God van Israël met hart en ziel toebehoren en de richtlijnen voor de menselijke samenleving volgen. De geboden houden heet dat.

Over de term geboden nog even dit. Wij zijn groot geworden met het Romeinse, Heidense denken, over wetten en regels. Dat hebben we ook aan de Franse Revolutie te danken die uiteindelijk ook een Napoleon opleverde die een wetboek schreef waarin regels stond om te kunnen oordelen over het handelen van mensen. Elk handelen moest op dezelfde manier beoordeeld kunnen worden, elke wetsregel gold dus onder alle omstandigheden voor iedereen altijd op dezelfde manier. Zo denken wij nog steeds over wetten en regels. Maar de Bijbel heeft een andere benadering. Elke regel en elke wet heeft tot doel de Liefde van God tastbaar te maken voor de mensen. Elke regel geldt dus alleen als het de Liefde dient als mensen erdoor tot hun recht komen, als mensen recht wordt gedaan Het zijn richtlijnen voor een menselijke samenleving.

Moeilijk is het dus niet de wet van de liefde te houden, die wet is ook niet ver weg of ingewikkeld. Je hoeft er niet voor gestudeerd te hebben, ook levenservaring is niet nodig. Je hoeft alleen maar van jezelf te houden en te beseffen dat je maar één keuze hebt, de keus tussen leven en dood, kies dus het leven zegt het Bijbelverhaal. Dat hele verhaal gaat over het leven, het leven dat voortkomt uit de liefde en dat met geen mogelijkheid van die liefde vandaan te krijgen is. Zelfs de dood betekent niet het einde van de liefde voor jou, maar ook niet het einde van jouw liefde voor hen die je liefhebt. Die liefde blijft altijd bestaan, daarin schuilt het geheim van het eeuwige leven. Zonder liefde gaat alles dood, zonder liefde blijft er niks over, zonder liefde gaat zelfs alles stuk waaraan je waarde hecht. Kies dus vandaag voor het leven en laat hen die je liefhebt weten hoeveel je wel niet van ze houdt.

Hoe je kiest voor het leven en hoe je kiest voor een leven in liefde? Dat was ook eigenlijk de vraag die aan Jezus van Nazareth werd gesteld in het gedeelte dat we uit het Evangelie van Lucas hebben gelezen.

Het antwoord wordt in het overbekende verhaal over de Barmhartige Samaritaan  gegeven.. De man met zijn ezel en zijn denarieën maakten zoveel indruk dat je je afvraagt wat daar nu meer aan toe te voegen is dan weer een hartstochtelijk verhaal om je naaste lief te hebben als jezelf. Toch kan de Nieuwe Vertaling een aanleiding zijn om het verhaal ook weer eens als nieuw te lezen. Want wat gebeurd er?

Natuurlijk er is een geleerde die de wet goed kent. En er is Jezus van Nazareth die zegt dat je je niet alleen aan de wet moet houden maar in dit geval deze bijzondere wet ook gewoon elke dag moet doen, moet vervullen. Maar wie is dan die naaste die je lief moet hebben als jezelf? De Samaritaan zijn we gewend te zeggen, die stopt, neemt het slachtoffer op zijn ezel en betaalt de verzorging in het hotel, die ziet in het slachtoffer dus zijn naaste. Maar Jezus vraagt wie de naaste is van het slachtoffer. Is dat een wedervraag op de vraag wie mijn naaste is? Is die geleerde dan soms het slachtoffer? Moeten we ons leren te verplaatsen in de positie van slachtoffers om te begrijpen wat het is om je naaste lief te hebben als jezelf? De vraag is dus niet wie jouw naaste is maar van en voor wie jij de naaste bent.

Vragen wij ons vandaag nog af wie heeft geleden voor de goedkope producten die wij kopen? Welke kinderen onze schoenen hebben gemaakt en welke vingers tot bloedens toe werden geprikt om onze T-shirts te maken? Of zijn wij als de leviet en de priester op weg om onze taak goed te vervullen zonder op of omkijken naar de slachtoffers langs de weg. Zolang we onze stem niet verheffen tegen de onrechtvaardige handelsverhoudingen zijn we nog niet in de positie van het slachtoffer en kunnen we ons nog steeds afvragen wie onze naaste is.

Pas als we weet hebben van de slachtoffers weten we ook van onze naaste. We zullen moeten gaan doen als de man die medelijden toonde met de naaste, want die zouden we zelf ook willen ontmoeten als het nodig is.  Ook wij willen iemand die zijn ezel beschikbaar stelt als we gewond langs de weg liggen, die ons bevrijd van slavernij als we gedwongen in een bordeel zouden moeten werken, die de kettingen los maakt die ons vastketenen aan de naaimachines waar we de kleding voor de westerse markt in elkaar zetten.

Het is niet alleen de Wet die binnen ons handbereik ligt, ook de slachtoffers van het ontbreken van die wet zijn binnen ons handbereik. We lopen er gemakkelijk langs. Die Priester en die Leviet hadden ook regels, ze zouden onrein worden als ze een dode zouden aanraken, ze zouden dan hun dienst in de Tempel niet kunnen vervullen. En een dienst in de Tempel is immers een dienst aan God. Maar het verhaal van Jezus laat ons niet alleen zien wie onze naaste is maar ook hoe wij als gelovigen met ons regels en wetten moeten omgaan. Namelijk vanuit de slachtoffers van het ontbreken van de Wet van God, slachtoffers van goddeloosheid. Daarom heb uw naaste lief als uzelf, pas dan heb je God lief boven alles.

Samaritanen hadden daar al eerder een voorbeeld van gegeven. De Joden moesten niets van hen hebben, die Samaritanen verwierpen de geschriften en de boeken van de profeten en hielden allen nog de Thora in ere, de eerste vijf boeken van de Bijbel. Ze hadden hun eigen heiligdom op de berg Gerizim. Zo ongeveer dus als wij vaak tegen Moslims aankijken, ze erkennen Jezus als profeet van God, beweren dezelfde God als wij te aanbidden maar van onze Bijbel willen ze weinig of niks weten. Die Samaritanen werden op een zelfde manier door de Joden bekeken. Maar toen onder Koning Achaz de Samaritanen eens het leger van Israël hadden verslagen namen de Samaritanen geen wraak vertelt het boek Koningen ons, ze hadden de overlevende soldaten gevoed en gekleed en de gewonden naar Jericho vervoerd. De Wet van Mozes, de Wet van heb uw naaste lief als uzelf, was hen dus vanouds bekend.

Die Bijbelse liefde betekent niet anders dan het goede doen en niet dan het goede, het kwade verdrijven door het goede te doen. De genade van God is dat we er elke dag opnieuw mee mogen beginnen, dat we mogen weten dat er geen liefde is zonder God, dat God zelf ons de liefde zal ingeven. Zo mogen we meebouwen aan zijn Koninkrijk. Dat Koninkrijk dat zal komen en God zal zelf zijn tenten op onze aarde willen spannen, als er werkelijk vrijheid is voor alle gevangen en slaven, als er werkelijk broeder en zusterschap is tussen alle mensen, wanneer alle mensen elkaar als gelijken zullen kunnen behandelen. Dan zullen alle tranen gedroogd zijn, dan zal de dood niet meer heersen. Tot die dag mogen wij voortgaan liefde te verspreiden als het zoutend zout, in onze gemeenschap die dan zal staan als een stad op een berg. Totdat hij komt,

Amen