Feeds:
Berichten
Reacties

Lezen: Deuteronomium 6: 1-9

            Johannes 13: 31-35

Gemeente,

Vandaag hebben we eerst een gedeelte gehoord uit de afscheidsrede van Mozes. Vlak voor het volk het beloofde land zal binnentrekken spreekt Mozes nog 1 maal zijn volk toe. We kennen Mozes natuurlijk van zijn rol bij de bevrijding van het volk uit de slavernij van Egypte. En van het verbond dat het volk sloot op de Sinaï. Op stenen platen die hij eerst stuk smeet vanwege het gouden kalf en de tweede keer aan het volk voorlas. Het woord wetten is hier niet helemaal op z’n plaats. Het zijn richtlijnen voor de inrichting van de nieuwe samenleving van dat volk als een menselijke samenleving, een samenleving waarin voor iedereen plaats is en waar iedereen aan kan meedoen.

Die richtlijnen uit de woestijn, de tien geboden, staan dan wel op stenen platen maar daar moeten ze dus niet blijven. Mozes roept in het gedeelte dat we vandaag lezen het volk op om ze voortdurend in gedachten te houden. Je moet deze richtlijnen dus ook niet aan rechters over laten, zoals wij doen met de wetten die wij in ons land hebben. Gerechtigheid moet je zelf doen, deze richtlijnen zijn er voor bedoeld om alle mensen recht te doen, tot hun recht te laten komen. Je moet ze daarom als een teken om je arm dragen en als een band om je hoofd, je moet ze op de deurposten van je huis schrijven en op de poorten van je stad.

Uiteindelijk zal Paulus zeggen dat hij wil dat diezelfde wetten in je hart gebeiteld zullen staan. Je moet er één mee worden. En wat God lief hebben is is duidelijk want er staat in diezelfde richtlijnen dat God liefhebben hetzelfde is als je naaste liefhebben als jezelf. Daar cirkelen al die goddelijke richtlijnen om heen. Dat is een regel die je zelfs je kinderen duidelijk kan maken zodat ze van jongs af aan mee doen in de beweging van de God van Israël en mee bouwen aan het land dat uiteindelijk heel de wereld zal moeten omvatten, het land overvloeiende van melk en honing, het land waarin alle mensen tot hun recht komen.

Het “hoor Israël” dat we vandaag lezen, dat hier wordt vertaald met “luister Israël, de Heer onze God, de Heer is de enige” is het hart van elk Joods gebed. Het is gebed en belijdenis ineen. Het is niet eens een belijdenis dat er geen andere goden zouden kunnen bestaan. De Bijbel heeft het vaak over de God van Israël als hoofd van de raad van goden, of omringt door goden, maar voor de gelovige is er maar één echte God, de God die het volk uit de slavernij van Egypte heeft geleid. Voor Christenen de Vader van Jezus van Nazareth die uiteindelijk zelfs de dood zou overwinnen. Juist die bevrijding van dood en slavernij maakt de Weg die de richtlijnen wijzen zo belangrijk.

Ook in onze dagen kunnen we verlangen naar een samenleving waarin geen oorlog meer op aarde is,  niet meer gemoord wordt, waarin niet meer wordt gestolen, waarin het bezit van een ander mensen niet meer in beweging brengt, waar mensen mensen mogen zijn en geen objecten voor persoonlijke lustbevrediging, waar niemand zich hoeft te schamen voor diens afkomst. Ook wij weten dat we nog lang niet in een samenleving leven waarin die richtlijnen algemeen geldend zijn en in ieders hart gebeiteld staan. Wie om zich heen kijkt in de wereld, en de slachtoffers van oorlog en geweld ziet, de hongerigen ziet, de kinderen die sterven van ellende, de zieken voor wie geen medicijnen zijn, de geweldige hoeveelheden wapens die over de wereld reizen, die nu ook de oorlog in de Oekraïne weten te voeden, weet dat een aarde waarin vrede en gerechtigheid heerst nog ver weg is.

Wat dat betreft reizen we eigenlijk nog steeds door dezelfde woestijn als waar het volk Israël de richtlijnen kreeg. De oproep van Mozes om de richtlijnen voortdurend bij de hand te houden is daarom eigenlijk net zo actueel als die was toen het boek Deuteronomium werd geschreven. Daarom zullen wij de echo van Mozes moeten zijn en voortdurend roepen om navolging van deze richtlijnen. Ook wij hongeren en dorsten immers naar gerechtigheid.

Dat zoeken naar gerechtheid, dat je naaste liefhebben als jezelf is niet eenvoudig. Het volk Israël is het in dat nieuwe land van ze nooit echt gelukt. Jezus van Nazareth lukte het wel. In het verhaal waar we vandaag een stukje van hebben horen lezen begint hij met het wassen van de voeten van zijn leerlingen. Alsof hij een slaaf is. En het commentaar is dat daarin de grootheid van God duidelijk wordt.

Vandaar zal hij de kruisweg gaan naar  Golghota. Hij zal zijn leerlingen verbieden in opstand te komen, ze moeten hun zwaarden in de schede laten, hij zwijgt tijdens zijn proces en hangend aan het kruis vraagt hij vergeving voor zijn beulen, neemt een mede gekruisigde in bescherming en vraagt zijn beste vriend voortaan voor zijn moeder te zorgen. De liefde die daaruit spreekt, die we natuurlijk ook uit al die andere verhalen over Jezus kennen moeten ook zijn leerlingen uitstralen.

Want die liefde voor God en voor de naaste die je van Mozes op je voordeur en op je hart moest schrijven moet voor iedereen zichtbaar zijn. Nu zijn wij ook leerlingen van Jezus van Nazareth. Al die lezingen uit de Bijbel die hier klinken zijn ook lessen die wij van hem mogen leren. En dan krijgt deze gemeenschap in Den Helder een heel bijzondere betekenis. Aan de liefde voor elkaar, aan de zorg die we elkaar verlenen wordt duidelijk wat je aan al die lessen van Jezus van Nazareth hebt. De wereld wordt er niet alleen een beetje mooier van, zoals altijd wanneer mensen voor elkaar zorgen, maar iedereen mag meedoen met die gemeenschap. Iedereen in Den Helder, binnen en buiten de linie, is welkom om hier op zondagmorgen les te komen nemen in liefde voor elkaar en die liefde de hele week te oefenen net zo lang tot die in ons hart gebeiteld staat.

Ook hier wordt dus een klein stukje zichtbaar van wat wij het Koninkrijk van God noemen. Op het eind van die Bijbel staat dat ooit de wereld zo mooi zal worden dat God zelf er zal willen wonen. Daar mogen wij aan meewerken, elke dag opnieuw, elke dag samen. Aarzel dus niet, aan het werk.

Amen.

Gemeente,

Vandaag is de zondag Jubilate, de zondag van het juichen. Vanouds klinken op deze zondag de verhalen van de Goede Herder. Vandaag is het ook Moederdag, vieren we dat onze Vader als een goede moeder voor ons zorgt. Vandaag gaat het met name over de opvolging van de herder van Israël Mozes en Jezus van Nazareth die uitlegt wat de zorg van de herder betekent. De zondag met verhalen over de Goede Herder leverde vroeger nogal eens romantische beelden op van vrolijke herders en herderinnetjes die hun tijd verdeden met het spelen met zacht wollen schaapjes met witte voetjes, van die schaapjes die hun melk zo zoetjes dronken.Tegenwoordig kijken we er wat minder romantisch tegenaan. Herders worden bedreigd met ontslag of faillissement omdat we op het onderhoud van de natuur willen bezuinigen.

Over wie onze leiders n herders zijn bestaan soms ook nog wel misverstanden. Onze Koning is wel deftig maar is meer een instituut, een soort kroon op ons land, dan een machthebber, macht heeft hij namelijk niet, klatergoud is het, meer niet. De regering heeft meer macht en wordt gecontroleerd door de Tweede en Eerste Kamer die daardoor delen in de macht van de regering. Die beide kamers maken ook de wetten en zijn daardoor de wetgevende macht.

Maar ook het volk heeft macht, niet alleen over wie er in de Kamer mag zitten maar ook over zaken die daar aan de orde zijn geweest.  We willen samen werken met de andere landen in Europa, geen grenscontroles  meer in onze vakanties, geen munten die voortdurend omgewisseld moeten worden. Een vrije markt zonder beperkingen waardoor onze economie kan groeien. Maar wij moeten daarvoor ook binnenkort onze herders kiezen. De mensen die zorgen dat Europa lijkt op een verzameling volgers van Jezus van Nazaret.

Numeri beschrijft hoe God de herders van het volk kiest.

Mozes had met veel moeite zijn volk uit Egypte geleid de woestijn in. Nu was Mozes aan de rand van het beloofde land gekomen en mocht hij het land ook zien. Hij beklom daartoe een hoge muur, tenminste, als je vanuit Israel over de Jordaan kijkt dan rijst het Abarimgebergte daar op als een hoge muur.

 Het moet voor Mozes even slikken geweest zijn daar. Zijn hele leven was hij bezig de dood van Egypte te ontlopen, zijn volk te bevrijden uit de slavernij en hen door de woestijn te leiden naar het land overvloeiende van melk en honing. Onderweg hadden ze tal van problemen getrotseerd. Een onwillige Farao die met al zijn strijdwagens was gebleven in de Rode Zee, morrende Israelieten, vijandige stammen en natuurlijk de woestijn zelf.

Onderweg was ook de Wet van de Woestijn ontdekt, een complete set richtlijnen voor een menselijke samenleving. Het volk had geleerd dat er maar één God was en dat dienen van die God betekent dat je je naaste lief hebt als jezelf, dat je in de woestijn niet kunt overleven als je niet onvoorwaardelijk op elkaar kunt bouwen. Daarom ook mocht Mozes het beloofde land niet in. Op één moment had hij zich boven het volk gesteld, gedaan of hij beter was en macht had om het volk te drinken te geven. Hij had zich opgesteld of hij God zelf was.

Nu wordt hij weer gelijk aan het volk. Hij vraagt om een opvolger te mogen aanstellen en wel iemand die in staat zal zijn het volk te leiden in de strijd die nodig zal zijn om het land Israel in bezit te nemen.

Het wordt Jozua, één van de verkenners die al eerder dat beloofde land hadden verkend en die bewezen had niet bang te zijn, zelfs niet voor de reuzen die ze waren tegengekomen, maar op God te vertrouwen. Als de liefde zegt dat delen het meest rechtvaardig is, dan is dat het ook en dan zijn degenen die niet willen delen in het ongelijk.

De overdracht van de macht gaat onder leiding van de Priester. Die Priester spreekt recht en gaat over de uitleg van de Wet. Het verschil tussen Priester en Leider was dat de Priester door God geroepen was, van nature tot Priester was bestemd, en de Leider aangesteld werd op voordracht van het volk, hier vertegenwoordigd door Mozes. Zo is het tot onze dagen in de landen van de democratie. De rechterlijke macht is onafhankelijk en de leiders van de staat worden gekozen door het volk. Soms proberen leiders daar onder uit te komen, maar als we blijven lezen in de Bijbel zullen we elke keer herinnerd worden aan hoe het ook al weer behoort te zijn, een leider is er voor het volk en het volk niet voor de leider.

Ook in de discussie die Jezus van Nazareth voert in de Tempel te Jeruzalem wordt dat duidelijk. Hij werpt zich op als beschermer van zijn volgelingen en niet als heerser  over zijn volgelingen die als ruil voor dat heersen een luxe leventje krijgt.

Het verhaal begint bij het feest van de Tempelwijding. Nu was de Tempel in Jeruzalem eigenlijk een raar gebouw. In een Tempel kwam je immers een God aanbidden, daar waren Priesters die de rituelen voor die God in stand hielden en er stond een groot beeld van de God waaraan de Tempel was geweid. De Tempel in Jeruzalem was iets heel anders. Daar stond geen beeld van de God van Israël. Daar mocht zelfs geen beeld staan. Iedere keer als de Romeinen probeerden er beelden neer te zetten, van hun keizer of  van een god, dan kwam er weer opstand.

Er werden wel offers gebracht, maar dat deden de gelovigen zelf en de priesters en de levieten aten die offers op, ze leefden er van. Ze aten niet stiekum in het verborgene de offers op, zoals dat in de Tempels van de Heidenen gebeurde, het was juist de bedoeling dat ze het vlees van de offers en het brood dat werd geofferd ook opaten. Alleen het bloed dat werd over het altaar gesprenkeld, in het bloed zat immers het leven dat door God was geschonken en dat nu weer naar God kon terugkeren. Dat openlijk eten van offervlees was voor de Heidenen iets godslasterlijks, je moest je god immers in leven houden door de offers.

In de Tempel in Jeruzalem werden de richtlijnen voor de menselijke samenleving bewaard. Die mogen in de praktijk gebracht worden en daarvoor wordt God gedankt.

Het begint volgens het boek Deuteronomium in de Tempel door er een maaltijd te houden met de familie, de priesters en levieten, je knechten, je slaven en slavinnen, de armen uit je omgeving en de vreemdelingen die bij je wonen. Een dergelijke maaltijd moest je drie maal per jaar houden. De offers die je bracht, ’s morgens en ’s avonds, als je vrede had weten te stichten of bij bijzondere gelegenheden, waren tekenen dat je bereid was te delen van al wat je bezat. Die hele Wet uit de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel laat zich dan ook samenvatten als dat je God lief moet hebben boven alles en dat je dat doet door je naaste lief te hebben als jezelf.

Het feest dat Jezus hier vierde kennen wij nog als het Chanoeka feest. Het gaat terug op het verhaal over de opstand van de Makkabeeën tegen de verplichting om in de Tempel in Jeruzalem een beeld van Zeus te aanbidden. Judas de Makkabeeër reinigt de Tempel van alle Heidense invloeden en ontsteekt weer het licht dat symbool staat voor het Licht dat voor ons een licht op ons pad is. De boeken over de Makkabeeën zijn niet in de Bijbel opgenomen, ze zijn apocrief, dat wil zeggen dat ze het waard zijn om te lezen maar niet het gezag hebben dat Bijbelboeken wel hebben.

De vraag die aan Jezus wordt gesteld is dan ook wanneer Jezus zijn messiaans koningschap op zich zal nemen en de Tempel in Jeruzalem zal herbouwen. De bevrijder van Israël, de Messias zal immers het Rijk van Koning David herstellen? Maar zoals ze gesteld wordt is het de vraag die Israël stelde aan Samuël, geef ons een Koning zoals de Heidenen hebben opdat onze vijanden verslagen worden. Johannes had al een paar keer beschreven hoe Jezus het koningschap ontvluchtte, na de spijziging van de vijfduizend bijvoorbeeld.

Jezus van Nazareth is niet een Koning zoals de Heidenen die wensen. Hij is geen koning die met pracht en praal en met een hermelijnen mantel ingehuldigd wordt te midden van de machtigen van de natie. Een Koning waarvoor speciale militaire uniformen zijn ontworpen die hem als Koning herkenbaar maken. Als we in Jezus zo’n Koning zoeken dan geloven we niet echt in de Christus. Hij reed zijn stad binnen op een ezel en werd gekroond met een doornenkroon. Hij werd ingehuldigd aan een kruis, boven zijn hoofd een bordje met het opschrift “Koning der Joden”.

Het soort Koning dat Jezus van Nazareth is en wil zijn blijkt uit zijn daden. Hij die de lammen lopen laat, de blinden laat zien, de hongerigen voedt, de dorstigen laaft en de naakten kleed, die zich bekommerd om zijn medemensen zoals de profeet Jesaja had geschreven. De lezers van het evangelie naar Johannes weten ook van het lijden en sterven van Jezus, toen hij weigerde zijn volgelingen oorlog te laten voeren tegen hen die hem gevangen namen, zelfs een gewonde nog genas toen hij al gevangen was, die bad voor zijn vervolgers, die een mede veroordeelde troostte en meenam naar het Paradijs, die zijn moeder nog troostte voor hij stierf door haar een andere zoon te geven. Die consequent volgehouden liefde voor de mensen had pas echt iets koninklijks. Dat is de herder die alles in de steek weet te laten om zijn schapen in leven te houden, die nooit zijn schapen zal opgeven en zijn leven zal geven voor zijn schapen. Een herder, een koning naar Gods hart, zo heeft God de herder van zijn volk, de Koning, gewild, daarin vallen God en deze Messias samen.

Onze samenleving is vergeven van idols en van wedstrijdjes wie de beste, de mooiste, de meest opvallende is/ Paulus schrijft dat net als Christus samen kan vallen met God, wij kunnen samenvallen met Christus, wij zijn dan zelf een volk van Koningen en Priesters en hoger en belangrijker is alleen onze God, al die idols stellen niet meer voor dan wij zelf. Wij zijn daarbij geroepen om het goede te doen en niet dan het goede, wij zijn geroepen om het kwade te bestrijden met het goede. Op die manier stuurt Mozes ons vanmorgen op weg met de opdracht die hij Jozua had gegeven: het volk brengen in het land dat overvloeit van melk en honing. En dat land kan overvloeien omdat het volk bereid is te delen, te zorgen dat de hongerigen gevoed, de naakten gekleed, de dorstigen gelaafd worden en dat de armen zonder huis een woning krijgen.

Onze bevrijder, onze messias de Christus kwam voor alle volken op aarde, wij zullen dus moeten werken aan een wereld waar vrede heerst en iedereen genoeg heeft. Tot dat de echte Koning van de wereld zelf komt om zijn tenten hier op aarde te spannen. Tot de dag dat alle tranen gedroogd zullen zijn en de dood niet meer heerst, tot die dag blijven wij aan die aarde werken.

Amen.

Lezen: Genesis 28:10-22

Lucas 24:13- 35.

Gemeente

Vandaag is het beloken Pasen. De achtste dag na Pasen en de eerste Zondag na het Paasfeest. Maar wat kunnen wij gelovigen aan de ongelovigen om ons heen er over vertellen? Waren het dromen over de opstanding van iemand uit de dood? Dromen horen vanouds bij het geloof in de God van Israël, Vader van Jezus Christus. Maar maken wij het verschil tussen droom en werkelijkheid niet heel erg klein? Zo klein dat het niet meer reeël is om er in mee te gaan? Op zich is het wel bijzonder dat dromen in onze godsdienst soms een grotere rol spelen dan de concrete alledaagse werkelijkheid..

De Jacob waar we vanmorgen over hebben gehoord heeft ook niet van die beelden van zijn God. Zijn vader Izaak had ze niet en grootvader en stamvader Abraham had ze al helemaal niet. Als Jacob dan ook op de vlucht slaat na het bedrog waarbij hij de erfenis heeft ontfutseld is de droom over de belofte die zijn familie voortdurend op reis stuurde het enige dat hij heeft van  die God. Die God is niet op een stuk grond dat van jou is te vangen. Dat stuk grond is ook niet de aarde die door die God vruchtbaar gehouden moet worden. Die God gaat met jou mee waarheen je ook gaat zelfs als je moet vluchten. Het huis van die God is de steen die je als kussen gebruikt, want in je slaap komen de dromen van een betere wereld, van het grote volk waarvan jij de stamvader of stammoeder mag zijn.

Jacob richt een steen op staat er, hij plaatst een zogenaamde style, dat doen wij ook wel eens. Je komt ze tegen op gevaarlijke kruispunten of op punten waar ernstige ongelukken zijn gebeurd of iets vreselijks. Begin mei gaan we weer naar een aantal van die plekken toe om bloemen en kransen te leggen, opdat wij niet vergeten hoe veel leed en ellende mensen elkaar kunnen aandoen. Voor Jacob markeert de steen de toegang tot de hemel, de toegang tot de God van Abraham en Izaak. Bethel betekent dan ook huis van God. Vroeger heette die plaats Luz staat er dan, Luz betekent Amandelboom, het was dus geen onvruchtbare plaats en de Amandelboom is de eerste boom die in de lente bloeit, zoiets als bij ons het sneeuwklokje.

Die boom heeft net als ons sneeuwklokje een geweldige levenskracht. Geen wonder dat je daar de poort naar de hemel kunt ervaren. God zou veel later, na de terugkeer uit de ballingschap ook Jeremia wijzen op het beeld van de Amandelboom, ondanks de kou van de ballingschap bloeit de Amandelboom als teken dat het leed niet voor altijd zal duren. Jacob vertrekt naar zijn ballingschap met de belofte dat hij stamvader van een groot volk zal worden.

Iedereen die kinderen heeft mag het zich realiseren, je bent stamvader of stammoeder van een groot volk. Jouw kinderen kunnen ook op die nieuwe manier verder gaan. Geen beelden waarvoor je moet neerknielen maar een God die je de richting wijst. De richting van eerlijk delen, van een deel van hun vermogen steken in die onbekende onzichtbare God die wil dat je je naaste liefhebt als jezelf.

Jacob heeft in zijn droom iets van die belofte ervaren.. De hemel en de aarde raken elkaar in zijn droom, er is een directe verbinding en de belofte dat de God van zijn vader en grootvader ook met hem mee zal gaan. En de belofte dat het land dat hij ontvlucht eens het land zal zijn waar het volk dat van hem afstamt zal wonen. Een ongelofelijke droom, als die uitkomt, tenminste als hij ooit zal terugkeren, wil Jacob er wel een tiende van zijn inkomen in investeren.

Wij blijven ondertussen zitten met mensen die ook vandaag nog met gesloten ogen en koude harten de overheid navolgen en wetten uitvoeren. Wij wonen zeker niet in een land waar Jacob van droomde, een land waar het verschil tussen hemel en aarde was weggevallen. Wij wonen in een land met voedselbanken. Een land waar vreemdelingen zonder papieren opgevangen moeten worden in leegstaande kerken. Een land waar vluchtelingen voor oorlog en geweld vaak niet echt welkom zijn. Een land waar we er niet in slagen mensen een veilige plek onder de zon te geven waar ze een positieve bijdrage kunnen leveren aan de samenleving die we in de wereld vormen.

Jacob wordt gedwongen vreemdeling te worden. Bedrog en hebzucht lieten hem geen andere keus. Vreemdelingen laten ons vaak zien dat wij nog steeds niet in een land wonen waar de droom van Jacob is gerealiseerd.

Maar was dat opstandingsverhaal niet ook gewoon een verhaal over dromen. Wensdromen op het moment dat alles verloren leek. Je wenst dan gemakkelijk dat je geliefde weer op staat, dat die dood niet echt waar is. Maar het is onontkoombaar, dood is dood. En na de dood van je geliefde moet je gewoon weer naar huis.

Dat doen ook die twee leerlingen van Jezus. Op naar huis en dan ontmoeten ze een vreemdeling.

Je moet wel een vreemdeling zijn om niet te weten waar mannen uit Jeruzalem het over zouden kunnen hebben. En aangezien rond het Pesachfeest veel van de Joden van buiten Israël de gelegenheid te baat namen om naar de Tempel in Jeruzalem te reizen, daar te offeren en in Jeruzalem het voorgeschreven Pesachmaal te houden zou die vreemdeling wel eens de enige vreemdeling kunnen zijn die van niets weet en die alles ontgaan is.

Ook vandaag de dag gaan pelgrims naar Jeruzalem zonder iets te merken van de spanningen tussen Israël en Palestina, zonder zelfs de bezetting van Oost-Jeruzalem op te merken als een echte bezetting door een vreemde mogendheid. De twee mannen zijn op weg naar Emmaüs. Dat is geen onschuldige plaatsnaam in het verhaal. Als Emmaüsgangers zijn Kleopas en zijn vriend bekend geworden maar de betekenis van Emmaüs is uit onze manier van vertellen verdwenen. En dat is jammer want het suggereert voor lezers uit de tijd dat Lucas dit heeft opgeschreven, in een tijd van steeds weer opstanden tegen de Romeinen, de keuze voor geweld.

In het jaar 68 sloeg Vespasianus, Romeins veldheer en later keizer, in Emmaüs een groot legerkamp op van waaruit hij de aanval op Jeruzalem zou organiseren, de aanval waarbij uiteindelijk de Tempel verwoest zou worden.

Emmaüs was een strategisch belangrijke plek. In het eerste boek van de Makkabeeën vervult Emmaüs een vooraanstaande rol in de strijd van Israël tegen de Hellenistische overheersing. Dit boek is wel niet opgenomen in de boeken van de Bijbel maar als zogenaamd apocrief boek is het goed om gelezen te worden. De keus om naar Emmaüs te gaan lijkt daarom een keus voor de militaire strijd tegen het Romeinse Rijk.

Toen Jezus geboren werd waren er veel opstanden en dat was na de opstanding niet afgelopen. Uiteindelijk zouden ze uitlopen op de verwoesting van de Tempel en de verspreiding van de bevolking van Judea en Galilea over heel het Romeinse Rijk. Tegen die achtergrond moeten we het gesprek lezen dat op de weg naar Emaüs gevoerd wordt. Lucas gebruikt hier in het Grieks een woord dat wij later zouden vertalen met preken maar dat hier vertaald is met vertellen.

Ze vertellen aan Jezus van Nazareth, de vreemdeling die met hen is op komen lopen, dan wat er gebeurd is. Hoe heel het volk hem beschouwde als een machtig en groot profeet. En de uitdrukking “geheel het volk” staat hier in het verhaal van Lucas voor de twaalfde en laatste maal. Het verhaal is nu rond, van heel het volk dat beschreven moest worden is het nu heel het volk geworden dat Jezus van Nazareth als profeet erkend heeft. Maar het einde is eigenlijk alleen verwarring. Engelen die zeggen dat hij leeft, een leeg graf, vrouwen die zich daarover opwinden, wat moeten ze er mee.

En dan begint de vreemdeling te spreken, of preken misschien. Wat hij precies gezegd heeft staat er niet. Het gaat over Mozes en de Profeten, de Hebreeuwse Bijbel, wat wij het Oude Testament noemen. Daar gaat het niet meer om een lokale bevrijder zoals in het boek van de Rechters staan, maar daar gaat het over alle volken die zich naar Jeruzalem keren, daar gaat het over de hele bewoonde wereld. Zo zullen volgens Paulus de eerste gemeenten naar Jezus van Nazareth kijken, voor hen is hij de Christus, de Messias geworden die de hele wereld bevrijden zal. Zo leeft hij en zo leeft hij voort. Zo mogen wij hem navolgen, ook vandaag weer.

Ook wij mogen met hem het brood breken, ook wij mogen net als hij als vreemdeling de vreemdelingen de wij ontmoeten onthalen en vertellen wat wij mogelijk vinden. Ook wij mogen onze naaste lief hebben als onszelf en geloven in een wereld zonder geweld, zonder onderdrukking, een wereld waar zelfs de zee haar doden terug geeft. Een wereld waar we nu alleen nog van kunnen dromen. Maar met die droom gaan wij het huis uit en keren terug naar de wereld van alle dag, met het lied, met het verhaal op de lippen.

Amen

Lezen: 2 Kronieken 1: 7-13

            Lucas 20: 9-19

Gemeente,

Bij de voorbereiding van deze dienst kreeg ik de indruk dat de lezingen gaan over bidden. Wij bidden tot God en God bidt tot ons.

De  eerste lezing is het beroemde gebed van Salomo. Zo lezen we het verhaal gewoonlijk. Maar we moeten goed op de details letten om de boodschap van de Bijbel te verstaan. In de laatste zin van het Bijbelgedeelte uit 2 Kronieken staat dat Salomo vertrok van de offerhoogte van Gibeon, daar waar de Tent der Samenkomst staat, en terug gaat naar Jeruzalem. Dat staat er niet zomaar. De ontmoeting tussen God en Salomo vindt wel in de nacht plaats maar niet zomaar ergens in een Paleis. Het vindt plaats bij de Tent der Ontmoeting, de plaats waar de tekst van het verbond werd bewaard.

Volgens de richtlijnen die Mozes in het boek Deuteronomium had gegeven moest iedere Israëliet een paar keer per jaar naar die Tent der Ontmoeting gaan om daar maaltijd te houden met de armen, de priesters en levieten, je familie en de vreemdelingen die zich bij je bevinden. Voor die maaltijd waren de offers bestemd die je in de Tempel had gebracht. Mensen hoeven de God van Israël nu eenmaal niet in leven te houden, maar moeten wel voor elkaar zorgen. Uit andere Bijbelgedeelten weten we dat Salomo wel een heel groot offer had gebracht toen hij Koning werd, hij had honderden runderen laten slachten.

Nu in de nacht, voor hij echt naar Jeruzalem gaat om te regeren, spreekt hij met God over zijn toekomst. God stelt de eerste vraag, wat wil je dat ik je geef? Jezus van Nazareth zou ons later leren een antwoord op die vraag te geven. In het gebed dat hij ons geleerd heeft vragen we aan materiële dingen alleen ons dagelijks brood. Om echt onze schulden vergeven te krijgen zullen we zelf schulden moeten vergeven. Salomo moet nog eens over de vraag nadenken.

Dat hij Koning is geworden lag helemaal niet voor de hand. Hij was kind uit een relatie van Koning David die als een overspelige relatie was begonnen. Hij kon Koning worden omdat zijn broers het Koningschap met geweld hadden willen nemen. Het volk waarover hij Koning was geworden was zo talrijk als het stof op de aarde. Een uitdrukking die God ook had gebruikt toen die aan Abraham beloofde dat die vader van vele volken zou worden.

Een dergelijk talrijk volk besturen was niet eenvoudig. Daar kun je snel aan onderdoor gaan en een mislukking in de dagen van Salomo betekende de dood. Salomo vraagt daarom om wijsheid om dat volk te kunnen regeren.

Het is wat God kennelijk wilde horen. Hier is geen machtige Koning die iets voor zichzelf vraagt, maar hij vraagt een eigenschap die anderen ten goede zal komen. Hij heeft niet gevraagd om rijkdom en schatten, niet om roem en de dood van zijn vijanden, ook niet om een lang leven, maar om wijsheid en inzicht om het volk te kunnen besturen waarover hij door God als koning is aangesteld. Die rijkdom, schatten en roem krijgt hij dus als bonus, als extra van God, zoveel als geen enkele koning vóór hem ooit heeft gehad of na hem ooit nog zal verkrijgen.

Op grond van de plaats in het verhaal van dit gesprek, het begin van de regering door Salomo en de plaats waar het plaatsvond, de Tent der Ontmoeting, zijn dus niet alleen die wijsheid en inzicht bestemd om het volk te regeren maar ook die rijkdom, schatten en roem vallen Salomo toe om te delen met het volk. Eigenlijk vraagt Salomo aan God om het hem mogelijk te maken een Koning naar Gods hart te worden. Die kans krijgt hij, met een valkuil die hem op de proef zal stellen.

Salomo sluit vrede met zo ongeveer alle volken op aarde. Een vrede tussen twee volken betekende een huwelijk met een prinses uit dat volk. Zo kreeg Salomo duizend vrouwen. De valkuil waarin hij trapte was dat hij die vrouwen niet op de weg van de God van Israël bracht maar toestemming gaf de wegen van hun eigen goden te blijven bewandelen.

Toegeven aan de wensen van het volk waarover je moet regeren. Wij zijn er aan gewend. Opiniepeilers vertellen je wekelijks, zo nodig dagelijks, wat het volk vindt. Noem een onderwerp en een opiniepeiler heeft er een vraag over gesteld. Opiniepeilingen zijn zo populair dat sommige TV programma’s hun eigen onderzoek hebben georganiseerd. Ze sturen ‘s morgens een mailtje rond om ‘s avonds duidelijk te maken dat de meerderheid van het volk het weer niet eens is met de regeerders in het land. De mening van het volk stuurt menig machthebber en zo goed als elke politicus in ons land.

Dat was in de dagen van Jezus van Nazareth ook zo. Dat de machthebbers de erfenis van het volk Israel hadden verkwanseld aan de Romeinen om rust te houden kon ze niet schelen. Dat daarbij de armen, de zieken, de weduwen en de wezen buiten spel waren komen te staan kon ze ook niet schelen. Dat je juist die Romeinen de wind uit de zeilen kon nemen door je weer te gaan houden aan de richtlijn van eerlijk delen, aan het gebod je naaste lief te hebben als jezelf, ontging ze.

Dat die houding in wezen zeer fout is wordt door Jezus van Nazareth maar al te duidelijk gemaakt. De zorg die hij laat zien voor gewone, zwakke mensen, mensen die afhankelijk zijn van de luimen van de rijken en de machtigen maakt hem populair bij het gewone volk. Dat hetzelfde volk net zo gemakkelijk gemanipuleerd en opgezweept kan worden ontdekt hij misschien te laat, als hij aan het kruis hangt verzucht hij nog dat ze niet weten wat ze doen.

In onze democratie speelt de mening van het volk een nog grotere rol. Eén maal per vier jaar immers mogen we stemmen op de partij die we aan de macht willen brengen. En elke partij wil de macht vergroten of in elk geval behouden. De opiniepeilingen zijn daarbij eigenlijk een probleem gaan vormen. We kennen immers de achtergronden van de meeste problemen en gepresenteerde oplossingen niet. We zijn niet in staat alle rapporten van wetenschappers en ambtenaren door te lezen en te begrijpen.

We zagen deze week wat er gebeurd met de publieke opinie. De vluchtelingen uit de Oekraïne worden massaal onthaald. Hulpinstellingen beschikken over een heleboel geld en mensen stellen huis, caravan en zomerhuisje open voor de ontvangst. En wat doet de regering? Die doet haar best was het antwoord. Maar dat is in deze dagen niet voldoende. Het totaal van Giro 555 is een concreet getal, daar staat niet van “we deden ons best” De mening van het volk nu eens niet uitgedrukt in negatieve mailtjes maar in positieve daden dwingt de machthebbers ook concreet te worden en niet te blijven in mooie woorden.

De meerderheid van het volk kiest vaak gemakkelijk voor de eenvoudige slagzinnen. “Als je iets niet kent moet je er bang voor zijn” is soms een populaire slagzin. Die is al heel oud. Vroeger speelde die slagzin een rol tussen inwoners van verschillende dorpen en ook nu nog vallen er soms slachtoffers als bezoekers uit het ene dorp ruzie krijgen met bewoners van het dorp waar ze op bezoek zijn. Maar schelden op allochtonen en roepen dat immigratie op grond van geloof moet worden verboden is vager en gemakkelijker onder het volk te verkopen. Wie kent immers dat vreemde geloof van de Islam? Daar moet je dus bang voor zijn. Daar moet je dus vooral niet mee gaan praten, en zeker niet mee gaan eten.

Met klimaat is het ook zo. Ingewikkelde rapporten die door de gehele wetenschap worden onderschreven zeggen ons weinig. Elke morgen gaat de zon op en elke avond gaat de zon onder. Dat verandert echt niet en we worden al een beetje gevoelig voor politici die roepen dat alle pogingen om aan het weer iets te veranderen overbodig of overdreven zijn.

De Bijbel schrijft ons voor een paar keer per jaar te gaan eten met de vreemdelingen in ons midden. Dat  moest bij de Tent der Ontmoeting en later bij de Tempel van Salomo. De Bijbel leert ons nergens bang voor te zijn, zelfs niet voor de dood. De Liefde van God overwint immers alle kwaad, de liefde van God heeft alle kwaad van de wereld al lang overwonnen.

Wij bidden tot God. Aan het begin van de lente vragen we Gods zegen over het zaad dat wij zaaien, de vruchten die wij planten en het gras waarmee we ons vee voeden. Maar God vraagt ons ook wat, God vraagt ons om dat wat ons toevalt te delen met hen die het nodig hebben. God vraagt ons ook goed te zorgen voor de aarde waarin het voedsel moet groeen. We hebben de neiging om God in het najaar dank je wel te zeggen en te vergeten dat we hadden moeten delen. We zijn dan net als die ongehoorzame pachters uit het verhaal. De levende Christus is in een dergelijke houding niet meer te herkennen, die hebben we dood gemaakt.

Maar de levende Christus, de God van de Liefde, laten zich niet dood maken. Ze roepen ons steeds weer op het goede te doen en daarmee het kwade van de wereld te bestrijden. Wijsheid is het eerste dat we daarvoor krijgen. En het inzicht dat de aarde zo mooi kan worden dat God zelf op deze aarde zal willen wonen. Daar zal nog veel voor moeten worden gedaan. Het werk wacht dus, aarzel niet maar vat aan.

Amen

Lezen: 2 Kronieken 36: 14-2

            Lucas 15: 11-32

Gemeente,

Een vader had twee zonen. Als we dat zeggen dan denken we natuurlijk direct aan die prachtige gelijkenis over de verloren zoon die we vandaag gelezen hebben. Maar als we het Nieuwe Testament beschouwen als uitleg van de Hebreeuwse Bijbel dan komen er meer paren van zonen in het licht. We denken aan Kaïn en Abel, we denken aan Jacob en Esau. En in het licht van de lezing uit het tweede boek Kronieken denken we aan Juda en Israël. Het gedeelte dat we vandaag lazen uit dat tweede boek Kronieken is het slot. Het vertelt in één adem het begin en het einde van de ballingschap.

Wie koningen hoog heeft weet misschien nog dat de verovering van Jeruzalem door Nebukadnessar het einde betekende van de regering van Sedekia. Elf jaar had deze geregeerd en hij had alles gedaan had wat slecht was in de ogen van de Heer. Maar een Koning die slecht deed had niet tot de ondergang van het hele volk hoeven te leiden. In de dagen van Koning Achab had het woord van de profeet Elia uiteindelijk geleid tot de val van Achab en zijn koningin Isebel.

Maar het was niet alleen de Koning die kwaad deed in de ogen van God. Het was nog veel erger, het waren de Priesters van de Tempel die kwaad deden in de ogen van God. Boodschappers waren gestuurd die het Woord van de God van Israël hadden nog eens doorgegeven. Profeten waren opgestaan die gewaarschuwd hadden voor de gevolgen. Jeremia wordt nog al eens geciteerd door de schrijver van de Kronieken. Maar denk ook eens aan de profeet Hosea die tot de priesters sprak dat God niet zat te wachten op offers maar gerechtigheid wilde.

Zoals Jeremia had gezien gebeurde het ook. De Koning der Chaldeën mocht van God optrekken tegen Juda en hij won. Het volk werd naar Babylon gevoerd. Hoezo de koning der Chaldeeën? Dat was toch gewoon Nebukadnessar de koning van Babylon. Ja dat was hem. Maar Jeremia had gewezen op de Chaldeeën die samen met de Babyloniërs een koninkrijk vormden. En de Chaldeeën waren de voorvaderen uit Ur, de stad waar Abraham vertrok om in Kanaän terecht te komen. Dat volk dat het verbond met Abraham had genegeerd, geen weet meer had van het verbond dat het volk in de woestijn met de God van Israël had gesloten, keerde dus terug naar zijn oorsprong.

Eén van de afspraken die in het verbond waren gemaakt was dat het volk niet voortdurend het land zou blijven uitputten. Dat volk zou ook geen slaaf moeten worden van het altijd maar moeten werken. Om de herinnering aan de bevrijding levend te houden was er de Sabbat, maar om de vrijheid te kunnen vieren was er elke zeven jaar het Sabbatsjaar. Die hadden ze generaties lang overgeslagen. Er moest dus nogal wat ingehaald worden. Zo bleef het land in Israël dus rusten tot de sabbatsjaren waren ingehaald.

Dan komt Koning Cyrus van de Perzen. Hij geeft opdracht de Tempel in Jeruzalem en de stad weer te herbouwen. Een onverwachte vervulling van de hoop die in het volk was blijven leven. De profeet Jesaja was daar zo blij van geworden dat hij Cyrus de messias, de bevrijder van Israël noemde.

De Kroniekschrijver geeft de eer aan God. Hoe slecht de Koning en de Priesters, en het volk, zich ook hadden gedragen, de God van  Israël geeft niet op wat zijn hand ooit was begonnen. Ze mochten terug. Niet alleen terug naar het land maar ook terug naar de Tora. Het laatste vers van het tweede boek Kronieken vinden we als eerste vers terug in het boek Ezra, dat boek gaat over de wederopbouw van de Tempel en Jeruzalem.

Dat motief van de mogelijkheid van een terugkeer naar God voor hen die hun god hadden verlaten zien we ook in de gelijkenis die Jezus van Nazareth heeft verteld over de twee zonen.

Dat verhaal staat in een serie van opmerkingen over Jezus van Nazareth die bij tollenaars en zondaars ging eten. Zijn eerste antwoord was dat, als je ook maar een klein deel van je bezit kwijt bent, je alles opgeeft om het weer terug te vinden. Maar hoe ga je dan met mensen om?

Daarover gaat het verhaal van de twee zonen. Of is het een verhaal over de ene vader? Want je moet toch een beetje medelijden hebben met de zoon die is blijven leven, die thuis bleef. Die krijgt geen schouderklopjes voor zijn aanvankelijk goede keus. Ja een aanvankelijk goede keus. Gewoon thuisblijven, meehelpen in het bedrijf van vader en niet het erfdeel er doorheen jagen is natuurlijk een goede keus. Maar niet binnenkomen en meedelen in het feest om de teruggekeerde broer lijkt toch niet een goede keus.

Die teruggekeerde broer was van de weg van de vader afgeweken. Zoals zijn vader en zijn broer deden, deed hij niet, integendeel. Daarmee was hij voor zijn familie dood, hij hoorde niet meer bij de familie. Maar moet je dan een blijvende boycot uitspreken? Moet je dan je hele leven boos blijven om die ene scheve schaats die er ooit was gereden? De vragen stellen is de vragen beantwoorden.

Je kunt er zuur er van worden. Chagrijnig ook. Doe je je best, gaat een ander met de eer strijken. Dan wordt niet jij maar je collega bevorderd en je buurman wint de jackpot in de loterij. De Postcodeloterij maakt het nog erger. Het winnende lot kan daarbij zomaar op jouw postcode vallen en als je dan geen loten hebt dan win je helemaal niets. De kans dat overigens dat het winnende lot op jouw postcode valt is overigens vrijwel nihil. Het komt dus uiterst zelden of bijna nooit voor dat je zonder loten in een loterij de prijs misloopt..

We gunnen daarbij een ander ook nooit het geluk dat die ander zomaar toevalt. Daar gaat dit verhaal uit het Evangelie van Lucas ook over. Geluk dat je zomaar ten deel valt. Er wordt een feest gegeven omdat iemand eindelijk eens normaal doet. Over de mensen die altijd al normaal doen hoor je nooit wat. Als je maar gek doet, of uit de band springt, dan wordt er over je gesproken en als je alles over de balk hebt gegooid en je wel gedwongen wordt om weer een beetje normaal te doen, dan organiseren ze nog een feest voor je ook.

Dat is zuur, daar kun je dus knap chagrijnig van worden. Waarom krijgen we toch zo de indruk dat in de Bijbel juist dat feest het centrale deel van het verhaal  is. Dat men daar niet onder het organiseren van dat feest uit denkt te kunnen. Want die zoon die thuiskomt was toch niet verloren? Ze wisten toch heel goed waar die heen was. Hij had er toch zelf om gevraagd?

De zoon die thuis bleef niet, die had niet gevraagd om al dat werk, om zelfs dubbel werk toen zijn broer de hort op ging. Voor die zoon hadden ze een feest moeten organiseren. Die had het immers volgehouden al die tijd, werken voor twee en nog thuis blijven ook. Eerlijk is het niet.

Maar het is een verhaal van Jezus van Nazareth, die vertelt het nadat hij kritiek had gekregen dat hij steeds met slechte mensen omging. Dat hij die slechte mensen er op wees dat ze zich eigenlijk hadden te gedragen als de goede mensen ligt nog voor de hand, maar een feest houden als ze zich normaal gaan gedragen?

Pas als jezelf van je naaste houdt als van jezelf, als je jezelf in weet te zetten voor de zwaksten in de samenleving ga je begrijpen wat bedoeld wordt. Dat God opnieuw weet te beginnen met iedereen geeft vreugde. Het geeft vertrouwen. Die God laat inderdaad niet varen dat zijn hand begon. Door de dood en de opstanding van Jezus was ons dat al verteld. Maar nu zien we het ook.  Ook als je zelf misschien afgeweken bent van het gewone leven mag je terugkeren naar een leven met God.

Als een verdwaalde terugkeert is het feest. Ook voor mensen die normaal zijn blijven doen, het gaat immers niet om je zelf maar om een wereld waar iedereen aan mee doet. 

Dat grote feest van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde komt er dus ook onontkoombaar aan. Dan zijn alle tranen gedroogd, dan heerst de dood niet meer, dan is alle leed geleden en alle strijd gestreden. Dan kijken alle mensen naar elkaar om. Dat begint met van je naaste houden als van jezelf. Dat mag elke dag weer opnieuw, ook vandaag.

Amen

Lezen: Exodus 6: 2-8

            Lucas 13: 1-9

Gemeente,

Op de derde zondag van de 40 dagentijd mogen we ons afvragen wat dit eigenlijk voor God is die wij aanbidden ? Doet hij het slavenvolk dat hij had uitgekozen leed aan door ze te willen bevrijden? Het lijkt er wel op, want de komst van zijn knecht Mozes naar Egypte betekent verzwaring van de arbeidsomstandigheden. Maar het verhaal uit de Bijbel op die manier lezen is niet juist, je slaat dan een hoop over.

Het verhaal is immers begonnen met de twee vroedvrouwen die weigerden de jongetjes te doden, waarop de pasgeboren jongetjes in de Nijl geworpen moesten worden. Omdat Mozes in een biezen mandje werd gelegd, gemaakt van het stro dat voor de stenen bestemd was, werd zijn leven gered. Mozes zelf moest vluchten omdat de behandeling van de Hebreeën onmenselijk was.

Maar dat bevrijding door de God van Israël niet een flitsbevrijding  kan zijn moest eerst duidelijk worden. Als je het volk van deze God wil zijn dan moet je er iets voor over hebben. Deze God was begonnen met Abraham, met Izaak en met Jakob. Met elk van hen was hij een verbond aangegaan. Zij hadden deze God leren kennen als een machtige God, Ontzagwekkende staat hier, maar de betekenis van het Hebreeuws is onzeker, het zou ook vruchtbare kunnen betekenen. In de Hebreeuwse tekst van het boek Genesis waarin de verhalen van Abraham, Izaak en Jakob worden verteld staat wel degelijk de onuitgesproken naam van God die in het verhaal van Mozes en de brandende braambos werd weergegeven met iets als ik zal er zijn. 

Waarom God hier vertelt dat die naam aan Abraham, Izaak en Jakob niet geopenbaard is was lange tijd niet duidelijk. Tot  Rabbi Sjlomo ben Itschaqi opmerkte dat noch Abraham, noch Izaak, noch Jakob deze God hadden leren kennen in zijn oneindige trouw zoals het volk Israël die God zou leren kennen bij de bevrijding uit de slavernij en de tocht door de woestijn. Die God laat niet af, houdt niet op, blijft voortdurend hameren op het doorgaan van dat bevrijdingsproces, roept daarbij iedereen op om daaraan mee te doen, legt dat op als basisregels voor een heel volk, waarmee een heel volk in beweging kan komen en voert uiteindelijk dat volk binnen in een land overvloeiende van melk en honing.

En zelfs dan houd het nog niet op want alle volken zullen deel moeten hebben aan dat bevrijdingsproces tot God zelf op deze aarde komt wonen en alle tranen gedroogd zijn en de dood er niet meer is. In de bevrijding die in Egypte is begonnen heeft die God zich dus laten kennen. Dat is niet een almachtige God die wel even de wereld naar zijn hand zal zetten. Dat is een God die meetrekt en meelijdt met de zwaksten, met de slaven.

Het antwoord van dat volk op deze prachtige belofte, op dit groots visioen is tekenend: ze wilden er niet naar luisteren omdat ze moedeloos waren geworden door de zware dwangarbeid. Ze waren aangekomen op het dieptepunt van hun ellende. Zwaarder konden ze het niet krijgen. En was dat moedeloze, ongelovige, antwoord het teken om dan maar op te houden? Als niemand in God gelooft dan heeft die God toch geen zin? Nee, dus, het lijkt er op dat als niemand er meer in gelooft dat die God dan juist met verdubbelde ijver aan de bevrijding van de zwaksten gaat werken.

Niet door één of ander wonder te doen, maar door te laten zien dat je de armsten maar beter als waardevolle mensen kunt behandelen omdat het anders tegen je zal keren. Met die boodschap wordt Mozes naar de Farao gestuurd en ook al komt hij slecht uit zijn woorden, de Farao zal moeten luisteren.

Het is ook een boodschap aan ons, ook wij mogen ons afvragen of wij slaven hebben die we te kort doen. Als we onze handelsverhoudingen met de armsten in de wereld nog eens bezien dan ontdekken wij ze. Als wij er op gaan letten wie onze kleren maken, dan zien we de kindslaven, als we op producten lezen “made in China” mogen we ons afvragen wie dat gemaakt heeft en hoe het zo goedkoop kan, elke arbeider was volgens Jezus immers zijn loon waardig. Aan ons dus om daar iets aan te doen en ook die broeders en zusters te bevrijden van het onrecht door ons hen aangedaan. Aan ons instrumenten in Gods hand te worden.

In sommige kerken wordt ons dezer dagen voorgehouden dat wij het er beter gaan krijgen, dat wij er op vooruitgaan als we maar in Jezus gaan geloven. De Bijbel vertelt andere verhalen. Als het volk Israël zich schaart achter het verzoek van Mozes die God te mogen aanbidden in de woestijn, wordt hun lot eerder verzwaart.

Lucas veronderstelt vaak dat wij de geschiedenis van zijn tijd wel kennen. Want wie zijn die Galileërs waarover mensen aan Jezus vertellen? Het zijn opstandelingen die denken met geweld de Romeinen te kunnen verdrijven. Na de volkstelling door Quirinius de stadhouder van Syrië begon Judas de Gallileër een opstand. Door de Romeinen de Gallileërs genoemd en door de Judeeërs de zeloten of ijveraars.

Zij wilden door geweld de Romeinen verdrijven maar vergaten dat God het volk had bevrijd uit Egypte en aan het volk had geboden niet te doden.

Lucas schreef zijn Evangelie na de opstand van het jaar 70 tegen de Romeinse bezetting. Het gevolg van die opstand was dat de Tempel in Jeruzalem was verwoest en de inwoners van Juda en Galilea werden verspreid over het Romeinse Rijk. De vraag was wie daarvoor verantwoordelijk was.

We stellen bij tegenvallers immers graag de schuldvraag. Iemand moet toch schuldig zijn aan wat ons overkomen is. Lucas plaatst het antwoord van Jezus weer in de dagen dat Jezus van Nazareth nog leefde. In zijn dagen waren er ook allerlei opstootjes en opstanden geweest. Bij de kruisiging was het volk zelfs de keuze voorgelegd of ze een opstandelingenleider wilden vrijgelaten hebben of een afwijzer van alle geweld. We kennen de keuze van het volk. Maar is een volk schuldig als het in opstand komt tegen een bezetter?

In de geschiedenis hebben de volgelingen van Jezus van Nazareth de vraag met ja beantwoord. Zij vervolgden de “Godsmoordenaars” tot in de vorige eeuw tot het uiterste. Van de schuld die het christendom met die vervolging op zich heeft geladen zijn we voorlopig nog niet af.

Jezus van Nazareth heeft namelijk een hele andere benadering. Wie omhakt, wie uitroeit ontneemt de vruchteloze de kans opnieuw vrucht te gaan dragen. Het vermengen van eigen bloed met het bloed van offers maakt de offeraar bijzonder onrein. Maar kun je dan zeggen dat God het volk verdelgd heeft omdat ze onrein waren geworden? Wie de geschiedenis van de Joden heeft bestudeerd weet dat niet het volk gestraft werd maar Pilatus die vanwege die vervolging ontheven werd van zijn functie.

Het is een geschiedschrijver als  Flavius Josephus die dat in zijn geschiedenisverhaal heeft opgenomen. De Bijbel is namelijk geen geschiedenis boek. Ook vanwege de mensen die omkwamen toen een toren bij Siloam omviel rees de vraag of die nu schuldiger waren dan de andere inwoners van Jeruzalem die het hadden overleefd. Natuurlijk niet is het antwoord. Maar als je de weg kiest van geweld en verwoesting, als je blijft denken in termen van schuld en boete dan wordt je daar zelf slachtoffer van.

Daar gaat die gelijkenis dus over. Hoe gaat God met deze misdaden om? Hoe gaat God om met een volk dat eerder geweld zoekt dan vrede en de liefde tot haar sterkste wapen maakt? Over het antwoord moeten we goed nadenken. Jezus zet ons graag op het verkeerde been. Wij denken dat de man die de boom had geplant en zich heeft laten ompraten door de wijngaardenier de God is die streng doch ook barmhartig is.

Maar dat staat er niet. Die bomenplanter koos de weg van geweld en uitroeiing van het vruchteloze. Het was de wijngaardenier die niet voor niets als wijngaardenier wordt opgevoerd die de zorg voor de planten bleef behouden ook al brachten die planten niets meer op. Natuurlijk zijn er grenzen aan, drie jaar in dit geval. Maar de eerste keus is niet omhakken, maar extra zorgen.

We kennen dat in het strafrecht. Als mensen geheel of gedeeltelijk een daad niet kunnen worden aangerekend dan doden we die mensen niet maar stellen we ze ter beschikking van de regering om een genezende behandeling te ondergaan. Doden van misdadigers doen we al helemaal niet meer. De Weg van de wijngaardenier  is dus eigenlijk de Weg van onze God. Die weg willen we gaan. Die weg zullen we dus ook moeten gaan in vraagstukken van oorlog en vrede. Hoe moeilijk dat ook is.

Totdat hij komt zullen we dat vol moeten houden, dan zal de aarde zo mooi geworden zijn dat God zelf hier zal willen wonen. Dan zal alle leed geleden en alle strijd gestreden zijn. Volhouden dus.

Amen

Lezen: Deuteronomium 5:6-21
            Lucas 4: 1-13

Gemeente

We trekken vandaag met de kerk de woestijn in. Het zijn de traditionele lezingen voor de eerste zondag van de 40 dagentijd. En voor ons gevoel zou dat van die woestijn best kunnen kloppen.  Bij onze Rooms Katholieke broeders en zusters heet die 40 dagentijd de vastentijd. Jezelf onthouden van overvloed en luxe en een aantal weken sober leven. En in deze tijd van luxe is ook in Protestantse Kring de populariteit van het vasten toegenomen. Niet met een aantal strakke regels van wat wel of wat niet mag maar als een individuele zoektocht naar wat luxe is en misschien eigenlijk overbodig en wat je van je eigen overvloed opzij kan zetten om te delen met een ander. Want dat we nog van delen houden  merken we aan de hoeveelheid die overal gedeeld wordt me de oorlogsslachtoffers in Oekraïne.

Het beeld van een kale woestijn helpt ons daarbij ook al is het geen oorlog maar vrede en welvaart in Europa. In de woestijn is eten en drinken schaars, daar moet je zuinig zijn op alles wat je bij je hebt. Daar is soberheid van levensbelang. Niemand weet immers hoe lang je wel niet in de woestijn rond zal moeten dwalen? Voor ons is die tijd en is het doel bekend. We gaan in 40 dagen naar Pasen. De zondagen tellen we niet mee, dat zijn rust en feestdagen, dan ontmoeten we elkaar en horen we de verhalen die ons door de 40 dagen heen moeten helpen.

Het doel is Pasen, dan vieren we dat de dood niet het laatste woord heeft. Dan vieren we dat de dode woestijn zal bloeien als een roos en zoveel vrucht zal dragen dat lammen lopen en blinden zien, dat hongerigen gevoed worden en naakten gekleed. Met dat doel voor ogen gaan we op weg.

Het negatieve beeld van de woestijn is heel menselijk. Op allerlei plaatsen in de Bijbel vinden we dat beeld dan ook bevestigd. Maar de God van Israël heeft de hinderlijke gewoonte om door onze beelden heen te breken en onze verhalen om te keren. Vanmorgen hebben we dat gelezen in het boek Deuteronomium. Daar midden in de woestijn ontdekt het volk Israël hoe je eigenlijk volk moet zijn en komt de God van Israël met richtlijnen voor een menselijke samenleving. Juist in de woestijn kunnen ze daar ervaring mee opdoen.

In de woestijn is immers alles voorlopig, niet anders dan het zand waaruit deze wereld is opgebouwd, zand dat voortdurend verschuift, vindplaatsen van vroeger onzichtbaar maakt voor lateren. De bron die vandaag water gaf zal morgen wel weer elders stromen en het brood dat aan kwam waaien is alleen goed voor deze dag. Zo leer je nog eens leven, maar niet in heilige veilige huisjes doch altijd slechts voor een moment in een dunne open tent, zo gespannen, zo verplaatst, zo beschuttend als voorlopig.

In de woestijn kun je zalig spelen. Ruimte genoeg en reden te over: met je vingers in het zand, ontwerpen tekenen voor later, met huizen, bomen en beestjes en met mensen van allerlei slag; of een beeld van een land scheppen met grote en zwierige lijnen, rivieren trekken, grenzen uitwissen. Rozen kweken, zij het nu nog van papier. En ’s avonds bij het open vuur kun je de oude verhalen vertellen van mensen ver voor jouw tijd, die hier vroeger hetzelfde deden en zich oefenden in een leven dat zij nu breeduit leiden in het land achter de horizon waar ze verkennertje spelen.

Tijd  dus om je de spelregels voor een goed leven nog eens in herinnering te brengen. Ze staan ook in het boek Exodus maar hier in het boek Deuteronomium  staan ze nog eens op een iets andere manier geformuleerd. Het gaat dus niet om het soort juridisch zorgvuldig bij elkaar gezochte formuleringen waaraan elk gedrag op dezelfde manier getoetst kan worden. Het gaat dus niet om het soort wetten die in dikke wetboeken zijn gevat en waarmee onze rechters zich mee bezig houden. Het gaat om de spelregels voor een goed leven, het zijn de spelregels voor een menselijke samenleving. Het gaat dus om spelregels van bevrijding.

Daarbij geldt ook nog dat aan dieren recht wordt gedaan, dat ze gerespecteerd worden en dat zelfs aan de aarde recht wordt gedaan, elke zeven jaar immers dient de aarde rust te krijgen. Daardoor kunnen regels voor iedereen verschillend zijn, daardoor kunnen regels ook in de tijd in toepassing verschillen. Voor ons een vreemde manier van denken over recht en gerechtigheid, maar de God van Israël is in onze wereld nu eenmaal de gans andere.

Het volk Israël wordt door de nieuwe spelregels bevrijdt van de last te overleven in de woestijn. Het volk werd bevrijdt van de slavernij om met en door deze richtlijnen te kunnen genieten van de vrijheid in het beloofde land. De regels beginnen  dan ook met de bevrijding van het volk uit de slavernij in Egypte. En aan die bevrijding zijn geen andere goden te pas gekomen. Alleen de God van Israël trok met de slaven mee door de woestijn nadat hij ze had bevrijdt uit de slavernij. Alleen de God van Israël zorgde voor de wetten waarmee het volk de vrijheid kon genieten in het beloofde land. Als je je heil zoekt bij andere goden en goden met je eigen handen denkt te kunnen maken dan oogst je onheil, dan vergaat het je slecht. De gevolgen daarvan zullen ook je kinderen, je kleinkinderen en je achterkleinkinderen ondervinden.

De hoofdregels waarmee we hier begonnen zijn kun je ook niet lezen los van de rest van de geschiedenis. Want als je het land verliest dat voor jouw familie is bestemd en waardoor je onafhankelijk bent krijgen je nazaten dat land pas na vijftig jaar weer terug zodat de familie weer opnieuw kan beginnen met het land dat God heeft gegeven en dat je bevrijd heeft van de slavernij. Wie in onze dagen het leven heeft ingericht op het houden van je naaste als van jezelf herkent die bevrijding, daarin verdwijnt zelfs de angst voor de dood en wordt je bevrijdt van het slavenbestaan van altijd maar meer en beter. Daarin begint het leven pas, ook vandaag weer.

Iedereen wordt in onze samenleving geacht de wet te kennen. Wij maken er meestal van dat iedereen voor zichzelf de Wet moet houden en dat we een overheid hebben om overtreders op te sporen en te bestraffen. Maar de wetten die we vandaag in de Bijbel lezen moeten we soms ook voor een ander houden. Als het gaat om mensen rust te geven en de gelegenheid te geven in plaats van te werken samen te genieten van het goede der aarde dan moeten we dat niet alleen voor onszelf regelen maar vooral voor de mensen en de dieren die voor ons werken, zelfs voor de vreemdelingen onder ons moeten we zorgen. Daarom ijveren we voor een vrije zondag voor iedereen, we zijn geen slaven van werk en winst.

Wij kennen wetten als regels waar we ons aan moeten houden en die ons knellen. De wetten die we in de Bijbel lezen zetten ons in beweging naar een betere samenleving. Bij het gaan van die weg en de keuzes die je daarbij moet maken moet je niet te lichtvaardig Gods naam inroepen. We moeten namelijk niks van ons geloof, we willen wat voor een ander, voor de minsten onder ons, we willen dat de hongerigen gevoed worden en de naakten gekleed. We willen dat aan de armen recht wordt gedaan. In het verhaal dat we vandaag lezen staat ook waarom we dat willen, omdat we zelf slaven zijn geweest, slaven van ons werk, slaven van alles wat moet, slaven van onze angst voor de dood en slaven van onze zucht naar altijd meer en nog meer. Daarom willen we een betere samenleving, een samenleving in vrijheid en met elkaar.

Die samenleving maken we ook samen met elkaar, al luisterend naar God misschien, maar we zijn er altijd nog zelf verantwoordelijk voor. De meeste van die regels voor een betere samenleving zijn zeer eenvoudig. Nooit je afkomst vergeten is er één van. Er staat niet dat je gehoorzaam moet zijn aan je vader en moeder, dat je maar alles moet toestaan wat ze met je uit willen halen. Nee,  maar je moet nooit vergeten waar je vandaan gekomen bent. Uit een goed gezin, doe het dan tenminste even goed, uit een slecht gezin, doe het dan tenminste beter en aarzel niet daar hulp bij te vragen, juist omdat je het goede wil doen en niets dan het goede.

Natuurlijk moorden we niet, zelfs niet in een oorlog, beschouwen we onze partners als gelijken en niet als objecten voor persoonlijk genot, respecteren we het bezit waar een ander van moet leven en liegen we niet tegen een rechtbank zodat er onrecht geschiedt en liegen ook niet in het openbaar om een beter beeld van onszelf te maken. De vrouw van een ander is geen bezit staat er en het bezit van een ander hoort aan die ander. Regels die in elke samenleving thuis horen. Regels die maken dat elke samenleving een goede samenleving kan zijn. Dat is namelijk wat onze God wil, dat is ons geloof. Als er wat moet van ons geloof is het een betere wereld te maken, waar ieder te eten heeft en iedereen mee mag doen. Daarheen mogen we op weg..

Een overbekend verhaal hoorden we vandaag uit het Evangelie van Lucas. Het is ook een woestijnverhaal, het verhaal van de verzoeking in de woestijn. Mooi ook zo’n afloop dat Jezus van Nazareth al die verzoekingen heeft weerstaan. Maar wat moeten we in de eenentwintigste eeuw nog met een figuur als de duivel? Misschien wel net zoveel als Jezus van Nazareth, namelijk helemaal niks. Jezus van Nazareth was kennelijk voor de duivel niet bang en waarom zouden wij dat dan wel zijn? Bovendien geloven we in God en dus niet in de duivel. Al kunnen we in deze dagen in onze vijand wel een duivel zien.

Die duivel komt uit een middeleeuwse manier van kijken naar de wereld. Die manier komt ook voor uit de Heidense godsdiensten die nog maar net waren afgeworpen. In die Godsdiensten werden allerlei verschillende gebeurtenissen als personen aangemerkt. De echo was een persoon, het haardvuur en de donder waren personen en de glinstering op de toppen van de bergen kwam ook door personen. Dat de verwarring en de twijfel die een mens kunnen overvallen als een persoon wordt neergezet is in die lijn niet zo vreemd. In het Grieks heet die persoon diabolos, de verwarrer en bij die vertaling zijn we bij de functie van deze schijnfiguur. Twijfel zaaien en ieder van ons weet best dat twijfel zich in jezelf afspeelt.

Twijfel is overigens ook een positieve eigenschap. Het geeft je de gelegenheid afwegingen te maken, keuzes te overwegen. En bij problemen kan twijfel aan de werkzaamheid van standaardoplossingen je creativiteit stimuleren, zoek eens oplossingen die bij jou passen of die een ander geen schade berokkenen.

Het  verhaal over het gevecht met de twijfel dat Jezus van Nazareth voert is een verhaal dat ons iets wil  vertellen. Dat verhaal vertelt ons dus niks over het al of niet bestaan van een duivel. Het vertelt ons over de manier waarop Jezus van Nazareth begon met het vertellen van zijn boodschap. Hij was gedoopt en had daar gehoord dat hij de geliefde zoon van God was. Een duif was op zijn hoofd komen zitten als symbool voor het uitstorten van de Heilige Geest. Maar hoe gedraagt een geliefde zoon van God zich. Daarvoor ging hij eerst terug naar de woestijn. Naar dezelfde woestijn waar ooit het volk Israel haar God had ontmoet en had ontdekt dat het belangrijkste van haar religie de zorg voor elkaar is. Daarmee kwam aan alle religie eigenlijk een einde. Als “God dienen” hetzelfde is als “van je naaste houden als van jezelf”, blijft er van religie weinig meer over. Jezus hoort van de verwarrer dan ook steeds eerst “Als u de zoon van God bent”, dan volgt een voor de hand liggende veronderstelling. Want een zoon van een God kan immers stenen in brood veranderen? Een zoon van een God kan immers gemakkelijk de macht grijpen over volken en landen en een Zoon van God die van de tinnen van de Tempel springt zal toch door Engelen worden opgevangen zodat iedereen kan zien dat je achter hem kan aanlopen?

Maar in de woestijn had de God van Israël laten zien dat het net even anders zou gaan. Hier geen gouden beelden van een God, zelfs geen gouden kalf. Hier geen zoeken naar meer en nog meer en een godsdienst uitsluitend voor priesters en Tempels. In de Woestijn was een Tent der ontmoeting neergezet waar de spelregels voor de nieuwe samenleving werden bewaard in de Ark van het Verbond. In dit verhaal over de verwarring van Jezus van Nazareth komen het absoluut goede, de God van Israel, en het absoluut kwade, de duivel genoemd, tegenover elkaar te staan. Mensen zijn kinderen van het Goede had Lucas in het geslachtsregister van Jezus van Nazareth al geschreven. Jezus van Nazareth zelf is daar geen uitzondering op.

Maar we weten dat mensen ook graag het kwade doen. Daarom duivelse vragen, duivelse dilemma’s. Een voorbeeld van zo’n duivels dilemma dat je dezer dagen nog wel eens hoort is het volgende: Als iedereen voor elkaar zorgt waarom laat jij dan niet voor jou zorgen en de zorg voor anderen aan de anderen over? Geen wonder dat veel aardige mensen vaak het gevoel hebben dat er misbruik van ze gemaakt wordt en gaan twijfelen aan het nut van hun goedheid. Tot ze ontdekken dat het kansen geven aan een ander om zich te ontplooien als een liefdevol en zorgzaam mens ook tot zorg voor die ander hoort. We leven immers niet bij brood alleen.

Zo zit het ook met de macht. Alleen het kwade kan een mens absolute macht over anderen geven. En een mens die het goede wil doen en niets dan het goede waakt er wel voor al te lichtvaardig om hulp te vragen, dagelijks brood is ons immers genoeg. Zo weten we het kwade te weren, door aan het goede vast te houden. We herkennen na dit verhaal het kwade ook, wie misbruikt maakt van jou dient het kwade, wie macht over je wil uitoefenen dient het kwade, en wie je verleidt tot meer vragen dan je nodig hebt dient het kwade. En als je het goede wilt doen en niets dan het goede dan hoef je voor de duvel niet bang te zijn. Aanpakken en benoemen dat kwade dus vanaf vandaag.

We weten  wat de Bijbel zegt over oorlog, staat er niet geschreven dat gij niet doden zult? We weten  wat de Bijbel zegt over ons verlangen rijker en nog rijker te worden, want staat er niet geschreven dat we niet zouden begeren het huis van onze naaste en al het andere dat van onze naaste is? We weten dat we van mensen moeten houden en niet van een ander mens als van een voorwerp, een object dat onze lusten kan bevredigden, we weten ook dat we niet liegen moeten en niet stelen. We weten bovenal dat we niets en niemand tot god moeten verheffen en moeten aanbidden, want de God die ons die regels heeft voorgehouden had ons juist bevrijdt van de slavernij van hebben en houden en van meer en steeds meer. Benoem dus het kwade als je het tegenkomt en elke dag opnieuw want dan verdwijnt het op den duur.

Zo gaan we dus op weg naar Pasen, op weg naar het feest van het leven. De 40 dagentijd wordt beleefd als een tijd van inkeer en bezinning. Als we de kerk binnenkomen zien we de liturgische kleur paars die ons daaraan herinnerd. In de 40 dagentijd horen we ook bij uitstek vertellen over het lijden van mensen. Over die zaken die nog niet goed zijn in onze wereld. Over de voedselbanken in ons land, over de honger in Afrika, over de oorlogen in het de Oekraïne, en niet te vergeten die in Jemen, over het ontbreken van mensenrechten in het verre oosten. Kortom we horen vertellen over die zaken die onze wereld voor veel mensen tot een woestijn maken. Wij zullen in die woestijn moeten oefenen, oefenen in de zorg voor elkaar. Want die Wet van de God van Israël laat zich samenvatten in de Wet van de Woestijn, de Wet van de Liefde, Heb God lief boven alles en dat doe je door je naaste lief te hebben als jezelf. Daar mogen we in oefenen, veertig dagen lang om te ontdekken dat daaruit voor iedereen het leven ontspruit, zodat we na Pasen geen genoegen meer hoeven te nemen met het leven in de Woestijn maar mogen zorgen voor het beloofde land, waar alle tranen gedroogd zullen zijn en God zijn tenten op deze aarde zal spannen. Met Gods hulp maken we van woestijn vruchtbare aarde. Daarheen gaan we op weg, door de woestijn om te beginnen.

Amen

Lezen: Jeremia 17: 5-8

            Lucas 6:17-26

Gemeente

Populisme, dat is het toverwoord van deze dagen. Mooie woorden en mooie verhalen over onderdrukking en vrijheid. En o wat worden we onderdrukt. We mochten niet eens naar de kerk. Vrijheid moeten we hebben, volledige vrijheid. We worden telkens opnieuw verleid achter mensen aan te lopen die ons een schitterende toekomst beloven. We doen het zo gemakkelijk, luisteren naar mensen die het beter weten. Opinieleiders worden ze tegenwoordig genoemd. Uren aan televisiezendtijd worden er aan hen besteed.

Maar werden we wel onderdrukt? Door wie dan? Door een door ons zelf gekozen parlement? Door onze eigen kerkenraad die net als alle PKN kerken in Nederland besloot online te  gaan? Natuurlijk niet. In alle vrijheid kozen we er voor andere mensen niet ziek te maken, kozen we er voor ons te laten vaccineren en daarmee onze naaste lief te hebben als onszelf. En die onlinediensten waren zo slecht nog niet. Ik kom ook veel in kerken waar geen online verbinding is en in andere kerken werden die diensten door de week opgenomen. Op zondagmorgen kon ik dus online kijken. Naar de diensten uit de Regenboogkerk en Winkel die samen met Broek op Langedijk en Harenkarspel de diensten verzorgden. Dat was een vrijheid die ongekend was. Iedereen werd jalours en ja hoor. Gisteren was de Lucaskerk op de Nationale televisie.

We blijven dus gewoon maar de Bijbel lezen want uit die verhalen komt naar voren hoe de wereld in elkaar zit en wat we hebben te doen. Vroeger zei men wel dat God zich openbaart in zijn Woord maar dat is toch wat kort door de bocht en iets te eenvoudig. Die opinieleiders verkondigen de waan van de dag het zijn, net als wij allen, mensen met een beperkt blikveld, die vooral door de mode wordt bepaald. Het volk van Juda had daar ook last van. Vruchtbaarheid, daar ging het bij hen om. Goede oogsten en een overdadige rijkdom. Tegenwoordig trekken we gestreepte pakken aan en rijden we in SUV’s of andere dure auto’s. Dit gedeelte uit Jeremia waarschuwt ons voor het maken van eigen goden. Niet winst en profijt moeten ons gedrag bepalen, maar eerlijk delen en zorgen voor elkaar. De dorre struik die weggespoeld wordt in een stortbui en de boom geworteld aan stromend water moeten zelfs stedelingen onder ons nog kunnen aanspreken. Zoek daarom naar mensen met wie je kunt delen, die je kunt bevrijden van de zucht naar meer en steeds meer, of die je echt nodig hebben die je met je eigen lichaam en gedrag kan beschermen. Dat levert uiteindelijk veel en veel meer op.

Jezus van Nazareth was ook zo’n opinieleider. Hij hield de mensen voor hoe zich te gedragen. Maar ze kwamen met zo veel dat hij soms geen tijd had om te eten. Daarmee kun je de hele wereld dus niet bereiken. Hij was daarom een nacht gaan bidden. En vroeg in de morgen wees hij 12 volgelingen aan die zijn eerste afgezanten zouden zijn en die hij zou onderwijzen.

 Die afgezanten staan bij Lucas echter niet boven de menigte maar er tussen. Heel nadrukkelijk wordt verteld dat Jezus de berg afkwam. Jezus bad nooit in het openbaar, maar trok zich altijd terug om te bidden. Dat gaat nu eenmaal beter in de stilte dan in de drukte vooraan in de kerk, op de TV of de hoek van de straat.

Gezanten die mooi bidden zodat iedereen het kan horen, ja die zelfs oproepen om met hen mee te bidden tot God, zijn dan ook geen afgezanten van Jezus van Nazareth. Het beeld van het genezen van mensen in een grote menigte en van een grote menigte van mensen is iets wat typisch voor het Evangelie van Lucas is. Die mensen verzamelden zich rond Jezus, zijn afgezanten, zijn leerlingen en iedereen die met die beweging mee wilde doen. Die nadruk op de Liefde maakte dat er kracht van Jezus uit ging. Nooit hoefde je je buitengesloten te voelen. Nooit had je het gevoel niet mee te kunnen komen, niet gezien of niet gehoord te worden. Nee lammen gingen lopen, blinden konden zien en doven konden horen werd er gezegd. Mee doen in een beweging die zich bekommerd om medemensen kunnen we nog steeds, zeker als je arm bent, dan heb je immers niets te verliezen. Gewoon vandaag je medemensen gaan helpen. Ogen open, oren open en in beweging komen. Daar gaat altijd kracht van uit.

Voor mensen die regelmatig collecteren voor een goed doel is het een bekend verschijnsel, je haalt meer op in een wijk met arme bewoners dan in een wijk met rijke medemensen. Arme mensen hebben nu eenmaal niets anders te verliezen dan de liefde voor elkaar en die liefde hebben ze hard nodig om te kunnen overleven. De armen weten hoe het is om door de woestijn te trekken, je hebt elkaar en de liefde voor elkaar, meer dan hard nodig. Jezus van Nazareth wist dat en spreekt hen in dit gedeelte moed in.

“Gelukkig zijn jullie” vertaalt ook de Nieuwste Bijbelvertaling uit 2021. “Zalig” heette dat in oudere vertalingen en trouwens ook nog in de Naardense Bijbel. “Makarios” staat er in de oorspronkelijk Griekse tekst en ouderen onder ons denken gelijk aan een Cypriotische Bisschop die zijn volk vrij maakte van Griekse en Turkse overheersing en naar onafhankelijkheid voerde. Tegenwoordig moeten we de mensen van zijn eiland helpen, ze dreigen anders zo arm te worden dat wij er last van krijgen. En we  mogen hopen dat de mensen op het eiland elkaar weer gaan verstaan zoals ze onder Makarios deden en weer een land weten te vormen.

Maar ook zonder dat we er last van kunnen krijgen zouden we moeten willen dat er handen uitgestoken worden om de armen in Europa te helpen. Want ook economische verschillen kunnen tot oorlog leiden. Prestige en macht zijn andere factoren waar we in deze dagen rekening mee moeten houden. Maar de Bijbel kiest voor de vredestichters, voor hen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Wij kunnen kiezen, waar kiezen we voor, voor de macht van het uiterlijk vertoon en de mooie woorden, of voor de liefde voor de naaste zonder er wat voor terug te vragen. Elke dag kunnen we daar weer opnieuw mee beginnen, ook vandaag.

De Bijbel belooft ons dat de gelukkigen die door Jezus gelukkig zijn verklaard en die zoals Jeremia ons voor houd niet achter de mooie woorden van de waan van de dag aanlopen het uiteindelijk zullen winnen. Dat de aarde uiteindelijk een paradijs zal worden waar alle leed geleden en elke strijd gestreden is. Dan wordt de aarde zo mooi dat God hier zelf zal willen wonen. Laten wij afgevaardigden zijn van die beweging en proberen iedereen daarin mee te krijgen.

Amen

Lezen: Jesaja 6:1-8

Lucas 5:1-11

Gemeente,

Die Koning Uzzia had wel 52 jaar geregeerd. Dat is een hele lange tijd. Zeker als het niet goed gaat in een land, tenminste goed en niet goed in de ogen van profeet. Onder deze koning immers waren de rijken, die akker na akker samenvoegden, steeds machtiger geworden. Onder deze koning was het volk op zoek gegaan naar genot om het genot zonder om anderen te denken, zonder te willen delen. Een profeet die al een hele tijd het volk oproept om zich te keren naar de leer van Mozes zoals die in de Tempel wordt bewaard, een profeet die de Tempel in Jeruzalem nog wil laten functioneren zoals die Tempel is bedoeld, een plaats om samen te komen voor maaltijden met de armen en de vreemdelingen, zal vast dromen dat nu de Koning dood is er een nieuwe tijd zal aanbreken.

In een wereld vol onrecht, waar de kloof tussen arm en rijk steeds groter werd, waar rijken de dienst uitmaken en de wet kunnen verzetten in eigen voordeel, een wereld waar onrecht en corruptie heersen, is het verschil tussen de prachtige Tempel en de wereld daar buiten wel erg groot. Het zijn de engelen die op de ark zijn geplaatst die Jesaja aan het spreken brengen. In die ark liggen immers de hoofdlijnen uit de leer van Mozes opgeborgen, je zult je naaste lief hebben als jezelf.

Er zullen vast mensen geweest zijn die naar die droom van de Profeet wilden luisteren. Maar tevergeefs. De boodschap is dat nu de Koning dood is er niks zal veranderen, omdat het niet alleen om de koning gaat. Je bent misschien aangestoken door de gloed van de Tempel en haar bedoeling, je snapt best hoe de Wet van delen en rechtvaardigheid in elkaar zit. Je kan er niet genoeg over praten maar vergeefs. Het volk zal je horen maar niet volgen. Dat is het visioen dat de Profeet krijgt. Ondanks die mooie tempel met die gouden cherubijnen, met al dat Goddelijke dat zo’n verheven ruimte vult, ondanks het feit dat je zwaar onder de indruk bent van de plechtige omgeving en het plechtige van je roeping, ondanks dat alles weet je dat het volk niet zal luisteren.

De dood van de Koning brengt niet het beloofde land waarin iedereen meedoet met de samenleving van je naaste liefhebben als je zelf. Jesaja krijgt de boodschap dat pas als het volk net zo gaat lijden als de armen al doen, pas als ze zelf weer slaven zijn net als de mensen die door hen worden uitgebuit, pas dan gaan de mensen het begrijpen.

 Dat was in de dagen van Jesaja en het was in de dagen van Jezus niet anders en het is in onze dagen nog net zo.

We lezen tot aan het begin van de volgende advent veel in het Evangelie van Lucas. We lazen al eerder in dit Evangelie en lazen toen het verhaal over Johannes de Doper die de mensen opriep een ander leven te gaan leiden, de mensen die dat wilden doopte in de Jordaan, en die vanwege zijn kritiek op Koning Herodes in de gevangenis belandde.

Ook Jezus van Nazareth had zich laten dopen en met hem zou er een nieuwe wereld opengaan. Thuis in zijn eigen stad was er geen gehoor en in Kafarnaüm waar hij heengetrokken was stroomden de mensen in zulke grote getale toe dat hij het er af en toe benauwd van kreeg. Er moest dus wat anders gebeuren. Het verhaal dat we vandaag lezen vertelt welke nieuwe wending de beweging van Johannes de Doper en Jezus van Nazareth kreeg. Opnieuw werd Jezus van Nazareth in de knel gebracht door het grote aantal mensen dat op hem af kwam. Om de ruimte te krijgen, om in elk geval te kunnen spreken, charterde hij de boot van Simon die net terug was van een nacht tevergeefs vissen.

Die Simon kende hij al want hij had er voor gezorgd dat de schoonmoeder van Simon weer mee kon gaan doen nadat ze een zware koortsaanval had gehad. Simon raakte ook nu danig onder de indruk van deze vreemde leraar. Maar toen die over het vissen begon trok er een glimlach over zijn gezicht. Wij kunnen het niet meer nalezen want de vertalingen vertalen keurig met meester, maar de schrijver van het Lucasevangelie gebruikt hier een zeer algemeen woord voor heer. Een dominee uit de stad vertaalde voor zichzelf dan ook met chef, in een vissersdorp zou men wellicht jawel schipper hebben gezegd.

Simon deed wat hem werd gevraagd en ving meer dan hij ooit had gedaan, niet één maar twee schepen vol. En zo goed was Simon nu ook weer niet dus vroeg hij Jezus maar om te gaan. Dat was het keerpunt, als je gelooft in jezelf, zoals Simon geloofde dat hij tenminste een goede visser was, en er niet op uit bent van een ander te profiteren maar het zelf wil redden in het leven, dan kun je andere mensen overtuigen mee te doen in het Rijk van recht en vrede.Daarmee staat Jezus van Nazareth niet meer alleen als leraar, maar begint de opleiding van zendelingen die de wereld rondtrekken om iedereen er bij te betrekken.

Vandaag worden ook wij daartoe geroepen, doe het goede en overtuig de mensen om je heen ook om het goede te doen. In onze samenleving laten mensen zich nogal eens leiden door angst, vooral door angst voor mensen die anders doen en anders geloven. Voor angst was in de dagen van Jezus van Nazareth ook genoeg reden. Het zou uiteindelijk Johannes de Doper zijn leven kosten. Maar Jezus van Nazareth trekt zich kennelijk niks aan van mensen die angst zaaien en ook zijn nieuwe volgelingen zoals Simon laten zich niet leiden door de angst voor de gevolgen.

Waarom laten wij ons dan wel leiden door angst? Zijn we niet meer in staat om over het goede te praten? Of geloven we niet meer in het goede, in de mogelijkheid met andere mensen samen te leven en samen een samenleving op te bouwen waar iedereen mee kan doen. Deze week is de week van het overtuigen van mensen juist daarvoor te kiezen. Elke nieuwe dag kan het begin van een heel nieuw leven zijn, elke nieuwe dag is immers net zo nieuw als eens de eerste.

 Als de Heer ons dus vraagt wie te roepen om te laten zien wat dat nieuwe Koningkrijk nu eigenlijk voorstelt dan belijden gelovige Christen dat het antwoord is Heer stuur mij. Want wij geloven dat de aarde anders wordt, dat het uiteindelijk niet zal gaan om de winst, om de hoge positie, de grote van het jacht of het huis dat je hebt maar dat het zal gaan om de liefde voor de mensen, vooral voor de minsten op aarde, dat het ook zal gaan om een aarde waar iedereen kan leven, waar vrede is en honger verdwenen. Niet zo lan g geleden lieten de kinderen zien dat ze daarvoor in beweging willen komen en dat ze daarvoor naar school gaan. Ze houden op met naar school gaan als wij de komst van die aarde tegen willen houden en liever de dividenden en winsten hoog willen houden. Luisteren naar de roep van de Heer u in te zetten voor de minsten helpt. Is het vandaag niet dan morgen of in de na ons komende geslachten. Laat u dus roepen en ga aan de slag, totdat hij komt.

Amen

Lezen : Jesaja 61: 1-9 Lucas 4: 14-21

Gemeente,

Elk jaar klinken tussen Nieuwjaar en de 40 dagen voor Pasen verhalen over het optreden van Jezus van Nazareth. Elk jaar ook horen we die verhalen weer uit een ander Evangelie. Dit jaar horen we vaak lezen uit het Evangelie naar Lucas, vandaag dus ook. Vandaag gaat het dan over het optreden in de stad waarin Jezus van Nazareth opgroeide, Nazareth.

Nazareth in Galilea wordt er zeer uitdrukkelijk gezegd. Nu werd Galilea door de Joden in Jeruzalem spottend het land van de Heidenen genoemd, daar namen ze het niet zo nauw met alle regels die het geloof aan de mensen oplegde. En Nazareth was helemaal een minderwaardig stadje, eigenlijk betekende Nazareth struikgewas, het struikgewas in het land van Heidenen. Als u nu denkt aan struikrovers dan denkt u hetzelfde als menig inwoner van Jeruzalem.

Nu schrijft Lucas aan de Romein Theofilus hoe in de dagen van Jezus van Nazareth het verhaal uit de Hebreeuwse Bijbel opnieuw ging leven. Lucas vertelde de Hebreeuwse Bijbel als het ware weer opnieuw. We denken wel eens dat die vier evangeliën vier keer van hetzelfde is, maar dat is dus zeker niet het geval. Elk Evangelie heeft een eigen verhaal, een eigen verkondiging. Daarom zijn de verhalen uit de vier Evangeliën ook niet uitwisselbaar en moet je ook niet proberen ze aan elkaar te plakken om er een soort historische biografie van te maken. Die pogingen zijn gedoemd om te mislukken.

Lucas probeert vanaf het begin van zijn Evangelie het verhaal van de Hebreeuwse Bijbel opnieuw te vertellen. In zijn verhaal mag Johannes de Doper de rol van wegbereider vertolken die door profeten als Jesaja was aangekondigd en nu klinkt de inhoud van het optreden van Jezus van Nazareth in de synagogen. De lezing uit het boek van de profeet Jesaja. Tijd dus om ons af te vragen wat er nu eigenlijk stond in het gedeelte dat werd voorgelezen uit het boek van de profeet Jesaja.

Het is het begin van wat geleerden noemen het boek van de Trito Jesaja. In het boek van de profeet Jesaja kun je drie gedeelten onderscheiden. Het eerste deel gaat over de periode voor en in het begin van de ballingschap. Het tweede gedeelte beschrijft de periode van de ballingschap en de tijd dat er uitzicht ontstond op het einde van de ballingschap en Trito Jesaja gaat dan over de tijd van de terugkeer en vlak daarna. Die Trito Jesaja heeft ook de redactie over het boek Jesaja gevoerd en er één boek van gemaakt.

We laten ons voor het verstaan van dit gedeelte gemakkelijk verleiden te blijven haken bij dat aangename jaar des Heren. Een aangenaam jaar willen we allemaal wel en als het van de God van Israël komt dan moet het wel extra aangenaam zijn. Maar de profeet Jesaja schetst een complete samenleving, hij schetst een nieuwe toekomst met een samenleving waar gewerkt wordt, maar waar niet langer ieder voor zich werkt, maar waar gewerkt wordt voor de minsten in de samenleving. Gevolg is dan dat de blinden gaan zien, de lammen gaan lopen, de hongerigen gevoed worden, de dorstigen gelaafd en de gevangenen bevrijdt. En wat we dan gemakshalve overslaan is dat de vreemdelingen werk krijgen, ja dat vreemden het werk gaan doen dat nodig is om al die mooie dingen te bereiken.

Het is toch altijd weer aardig in de Bijbel beloften over een samenleving met vreemdelingen tegen te komen op een moment dat de spanningen tussen Nederlanders en vreemdelingen steeds weer dreigen op te lopen.

Jesaja vertelt een ander verhaal over de aard van de godsdienst van Israel dan het angst en haat zaaien voor vreemden dat nu in onze samenleving gebeurd. De profeet roept op om met de bevrijding van de armen te beginnen. Dan zullen we “priesters van de Heer” genoemd worden. Dan zal de samenwerking met vreemdelingen ons allemaal tot voordeel strekken. Ook hen zal eeuwige vreugde ten deel vallen zegt de profeet hier.

In het begin van dit stuk wordt ook gesproken over een “genadejaar”. Dat was een oud voorschrift dat eigenlijk nooit in praktijk schijnt te zijn gebracht. Bij de intocht in het beloofde land is het land zorgvuldig verdeeld onder alle families, in het boek Jozua wordt daar nauwkeurig verslag van gedaan. Nu wist men ook wel dat oogsten kunnen mislukken, mensen ziek kunnen worden, verkeerde beslissingen kunnen worden genomen en het wel eens tegen kan zitten in het leven.

Er zouden dus families zijn die in de loop van de jaren hun grond zouden kwijt raken en dus geen kansen meer zouden hebben iets voor zichzelf op te bouwen. Elke 50 jaar moest daarom het land weer worden teruggegeven aan de oorspronkelijke familie aan wie het was toegewezen. Gevangenen en slaven zouden worden vrijgelaten en iedereen zou weer opnieuw kunnen beginnen. Dat jaar wordt door de Profeet aangekondigd

Jezus van Nazareth leest dus dat stuk van Jesaja voor. Om te begrijpen moeten we de situatie waarin Jesaja leefde en waarin Jezus van Nazareth leefde in beschouwing nemen. Jesaja leefde in de tijd van de ballingschap. Jeruzalem was verwoest, het volk was weggevoerd. Midden in die ellende begon Jesaja het volk te vertellen dat Jeruzalem opnieuw opgebouwd zou worden en dat de ballingen terug zouden keren. Jezus van Nazareth leefde onder een Romeinse bezetting en Lucas schreef zijn Evangelie toen de Tempel in Jeruzalem opnieuw verwoest was. Lucas hield dus zijn volk voor dat het aangename jaar van de God van Israël, dat genadejaar, toch zou aanbreken. Maar hoe dan?

 Daarvoor moeten we misschien een voorbeeld uit onze eigen dagen eens bezien, het voorbeeld van Nelson Mandela Toen Nelson Mandela werd vrijgelaten waren er veel mensen bang dat het geweld in Zuid-Afrika tegen de blanken een ongekende omvang zou aannemen. Niets was minder waar. Het was juist aan Nelson Mandela te danken dat er geen burgeroorlog in Zuid Afrika uitbrak. Men begon, met alle problemen van dien, te proberen samen een nieuwe samenleving op te bouwen waar geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen mensen op grond van hun afkomst en waarin iedereen kan meedoen. Het grote van Nelson Mandela was niet zozeer dat hij 30 jaar in gevangenschap heeft gezeten zonder zijn opvattingen te hebben opgegeven, maar dat hij daarna verzoening wist te krijgen met zijn onderdrukkers.

We moeten de Bijbel wel heel goed kennen om te begrijpen dat er in dit verhaal met Jezus van Nazareth net zo iets gebeurt. Jezus van Nazareth onderwijst in de synagogen, leren noemt men dat. Jezus van Nazareth leest in de synagoge van de stad van zijn jeugd uit het boek Jesaja, en hij houdt de preek. Onze kerkdiensten komen voort uit de bijeenkomsten in de Synagogen. Al ging in de Synagogen iedereen voor, elke man van 12 jaar of ouder kreeg een deel van de Hebreeuwse Bijbel te lezen en mocht als hij zich daartoe geroepen voelde er iets over vertellen. Jezus doet dat ook, maar het is de kortste preek die de Bijbel kent. “Heden wordt dit schriftwoord vervult. De toekomst die Jesaja had geschetst is dus al begonnen.

Jezus van Nazareth stopt zijn lezing van het stuk uit Jesaja op het punt waar iedereen nog een halve zin zou doorlezen. Na “het genadejaar zou uitroepen” staat namelijk “en de dag der wrake”. In plaats van de opstand uit te roepen tegen de Romeinen wijst Jezus van Nazareth er zo op dat er in de geschiedenis van het volk Israel ook momenten waren dat het nodig was om je aan de rand van de samenleving op te houden zoals Elia had gedaan door de woestijn in te vluchten, of zelfs je bezig te houden met buitenlanders zoals Elisa deed bij Naäman, de Syrische generaal. Dan is het mooi dat je aandacht en begrip voor de armen vraagt en hen bevrijding belooft maar gewone dorps en stadsbewoners zijn over het algemeen niet arm maar ze zijn wel slachtoffer van een wrede bezetting.

Jezus van Nazareth sluit aan bij opvattingen van profeten als Jeremia die betoogde dat het niet zoveel zin had tegen machten te vechten waar je het niet van kon winnen maar dat het goede doen en de Liefde betonen, altijd tot overwinning leidt.

Aan het afzien van geweld wil het hier nog wel eens ontbreken, en daar kunnen we allemaal zelf iets doen door vandaag te beginnen naar vrede met elkaar te streven. Dat is het echte goede nieuws voor de armen. De toekomst van vrede is immers al langbegonnen.

De notie van het aangename jaar des Heren, het genadejaar, heeft overigens ook vaak in de politiek weerklonken. Na de tweede wereldoorlog hoorde je dat bijvoorbeeld in de Europeese Beweging. Door de samenwerking in Europa zou een herhaling van de beide wereldoorlogen kunnen worden voorkomen en de welvaart in Europa kunnen toenemen. De bevrijding van de armen zou eindelijk gestalte kunnen krijgen. En Europa heeft ons inderdaad een heleboel welvaart gebracht. 

Maar het land dat overvloeit van melk en honing is nog niet bereikt. We leven nog niet in een samenleving waar alle tranen zijn gedroogd, waar lammen lopen, blinden zien en waar iedereen meetelt. We zijn dan ook niet geroepen om partijpolitieke doelen te steunen, we zijn geroepen om naar mensen te kijken en wel met de bril van de richtlijnen voor de menselijke samenleving op. Jesaja wijst op de gelovigen die boomstammen, terebinten, van gerechtigheid kunnen zijn. Niet aflatend blijven ze zien op de treurenden van Sion en Sion is de plek waar de Ark van het verbond werd bewaard, waar de richtlijnen voor de menselijke samenleving te vinden waren.

Om die richtlijnen gaat het ons, want wij verkondigen de bevrijding van de armen als het liefhebben van de God van Israël boven alles, boven eigen belang, boven het belang van onze natie, omdat wij de armen in de wereld liefhebben als onszelf. Elke dag opnieuw. Totdat hij komt.

Amen