Feeds:
Berichten
Reacties

Lezen: Maleachi 3:1-4

Lucas 3: 1-6

Gemeente,

De profetie die we hier lezen spreekt van het smelten van zilver en zuiveren, en het zeven van goud en zilver. Op hardhandige wijze worden de praalhanzen met hun populistische taal de samenleving uitgeveegd, zodat de armen, de zieken, de hongerigen en de vreemdelingen weer centraal komen te staan en God gediend kan worden boven alles. Het gaat er daarbij niet zachtzinnig toe. Nu is het niet zo dat iedereen maar geweld mag gebruiken als dat wat een ander zegt niet zint.

Integendeel. Juist mensen die de vrede nastreven, die de regel van eerlijk delen en houden van je naaste als van jezelf willen toepassen zullen van geweld afzien. Maar ze zullen niet zwijgen omdat het zo lelijk klinkt. De taal zal hard zijn, als het vuur van een smid of het loog van een wolwasser. Dat laatste kennen we niet meer zo goed, maar bleekwater om het bad te reinigen, of chloor voor het zwembad wel, en dat heeft hetzelfde effect, het beneemt je de adem. Jezus van Nazareth zou de religieuze leiders van zijn tijd zelfs uitmaken voor witgepleisterde graven, mooi aan de buitenkant maar rot van binnen.

Denk nu niet dat het gaat om gelovigen tegen ongelovigen, om christenen, of Joden, tegen de rest, nee het gaat om de veroordeling van tovenaars, van echtbrekers, van mensen die meineed plegen, van de exorbitante zelfverrijkers, van werkgevers die hun dagloners uitbuiten, die illegalen in dienst hebben zonder dat ze fatsoenlijk betalen, tegen allen die de weduwen en de wezen onderdrukken en lees goed: tegen hen die de vreemdelingen geen plaats gunnen .

Juist in deze tijd van de discussies over de opvang van vluchtelingen klinken de woorden uit Maleachi niet alleen actueel maar ook als waarschuwing dat de onterechte afkeer van vreemdelingen en vluchtelingen van alle tijden is. Terugsturen van vreemdelingen en vluchtelingen , uitsluiten en verplicht laten inburgeren is dus hetzelfde als geen ontzag voor God hebben.

Gelukkig dat er advocaten zijn die doorgaan recht te zoeken daar waar in het parlement onrecht wordt gepleegd. Gelukkig dat er kerken zijn die gezinnen in bescherming nemen. In de Bethelkapel in Den Haag is al meer dan 6 weken een doorgaande kerkdienst aan de gang, meer dan 1000 uur met meer dan 500 voorgangers uit alle delen van ons land en van alle richtingen en denominaties laten zich daar horen in het verkondigen van Gods Woord.

Gelukkig dat er vrijwilligers zijn die concreet willen helpen, gelukkig dat er mensen zijn die hun geld en goed willen delen met de ontheemden, gelukkig dat er mensen zijn die een ander geluid laten horen dan de angstige schreeuwers, Laten we die mensen steunen. Zij herhalen de roep van Johannes die aan de rand van de woestijn voor de komst van de bevrijder de weg bereid.

Bij ons is iemand die roept als een roepende in de woestijn iemand waar niet naar geluisterd wordt. Het is een spreekwoord dat ontleend is aan het gedeelte dat we vandaag lezen maar het heeft een tegengestelde betekenis gekregen aan het verhaal. Naar Johannes werd wel degelijk geluisterd. De schrijver van het Evangelie naar Lucas meldt ons heel nauwkeurig wanneer Johannes is gaan optreden.

Wie de geschiedenisboekjes er op narekent komt uit op het jaar 28 na het begin van onze jaartelling. Johannes wordt in dit verhaal heel uitdrukkelijk in de traditie van de profeten uit het Oude Testament gezet. Te beginnen met de traditie van Jesaja die zo uitdrukkelijk de bevrijding van het volk Israël had aangekondigd. Maar net als Jesaja in zijn dagen vraagt Johannes een duidelijke keuze van de mensen. Net als in de dagen van Jesaja waren de meeste mensen in de dagen van Johannes keurige mensen. Ze brachten hun offers, gingen op Sabbat naar de Synagoge, ze baden met voorgeschreven regelmaat, aten volgens de spijswetten en ze moorden niet, logen niet, stalen niet en aanbaden geen andere goden.

Wat wil een mens nog meer. Nu, een mens mag misschien niet veel meer verlangen maar God wil wel degelijk meer. Want met al dat uiterlijk godsdienstig vertoon wordt de aarde nog geen aarde waar mensen gelukkig kunnen wonen. Ondanks dat uiterlijk godsdienstig vertoon, dat fatsoen, die waarden en normen, gaan er nog steeds mensen dood van de honger, lijden mensen onder de koude, zijn er armen in het land. De richtlijnen van de God van Israël moeten een duidelijke inhoud krijgen, die richtlijnen moeten aan mensen zichtbaar worden. Dat is vergeving van zonden krijgen, je leven omkeren en de weg gaan zoals God die heeft gewezen, van je naaste houden als van jezelf.

Johannes vraagt van de mensen om zich te laten dopen, je zou bijna zeggen dat wij van de volken moeten vragen zich te laten dopen. Maar laten we beginnen met zijn Weg zichtbaar te maken door samen te delen en te protesteren tegen het roven door samenlevingen als de onze van de armsten in de wereld. Daar heeft Johannes, en na hem Jezus de weg voor geëffend.

Obstakels op de weg van liefhebben zul je dus niet tegen komen. Zelfs stank voor dank kan ons niet hinderen, we doen het immers niet voor onszelf maar we volgen de weg van de God van Israël. De manier waarop wij bijvoorbeeld onze rijkdom op de wereldmarkten gebruiken maakt dat de armsten arm blijven of zelfs nog armer worden. Aan de bestrijding van onrecht kunnen we vandaag nog mee beginnen.

Zelf zullen we er dus geen voordeel meer van hebben. Onze God is niet een god van voor wat hoort wat. Of wij wel of niet in zijn rijk worden opgenomen is een zaak van zijn genade, daar gaan wij niet over. Wij mogen geloven dat zijn weg iedereen een betere wereld zal opleveren. Een wereld waar geen vluchtelingen meer verdrinken, een wereld waar geen kinderen naar een land worden gestuurd dat ze niet kennen. Maar een wereld waar alle leed geleden en alle strijd gestreden is. Een wereld zegt de Bijbel ons die zo mooi zal zijn geworden dat God er zelf zal willen wonen. Daar heen gaan we op weg, opstaan en aan het werk dus.

Amen

Advertenties

Lezen: Zacharia 14:4-9
              Lucas 1: 5-25

Gemeente,

We gaan op weg naar Kerstfeest. Eerst komt natuurlijk het feest van Sinterklaas, maar vol verwachting klopt ons hart voor het grootste geschenk dat we ooit kregen, de zoon van God zelf, daar kan geen cadeau tegen op, we zijn dus maar blij met het feest van de Sint, kunnen we ons met kerst richten op het geschenk dat alles overstijgt..

Denk nu niet dat alles met de geboorte van het kerstkind wel goed zal komen. Wij hadden een graaicrisis en we moeten er van leren maar volgend jaar gaat alles al weer beter. Dat wordt ons voorgehouden.

De mannen in de deftige pakken die de crisis hebben veroorzaakt, die ons hebben voorgehouden dat ze hun gang moesten kunnen gaan, dat hun creativiteit ons welvaart zou brengen, houden ons nu voor dat ze zelf de rotzooi kunnen opruimen en dat we ons geen zorgen hoeven maken.

Het tegendeel is het geval hebben we zojuist gehoord van de profeet Zacharia. Niet dat de profeet de crises die we nu hebben heeft voorspeld, want profeten voorspellen niet, ze spreken de waarheid. En de waarheid is dat als je niet meer de weg van God bewandelt als volk, je dan rampspoed op rampspoed zal tegenkomen. Dat was zo in de dagen van de profeet Zacharia, Jeruzalem werd ingenomen, de huizen geplunderd en de vrouwen verkracht, de helft van de inwoners werd in ballingschap weggevoerd. Soms lijkt het er op dat we in onze dagen zoiets opnieuw mee maken ook onze samenleving lijkt overhoop te worden gehaald door krachten die we niet kennen en die we niet kunnen bestrijden.

Maar de ellende is niet het einde van het verhaal. Als mensen in nood komen, als de mannen in de deftige pakken in de gevangenis zijn verdwenen of op de vlucht gejaagd dan kruipen de overgebleven mensen bij elkaar. Dan herinneren ze zich weer dat ze moeten delen van wat ze hebben om te kunnen overleven. Dat elk voor zich leven en graaien en grijpen alleen maar voert tot de dood. Daarom kan de profeet Zacharia zeggen dat de weg van de Heer weer de overhand zal krijgen. Dan zal iets gewoons als de landbouw op de Olijfberg, een bergketen worden die bescherming biedt.

Wij weten dan weer dat het niet gaat om flatscreens en golfbanen, maar om graan en groente. Dan herkennen we weer dat de hele wereld er eigenlijk om draait dat iedereen te eten heeft, van Jeruzalem tot aan de Asel, tot aan de einden der aarde. Het zijn best duistere tijden, maar als het donker het sterkst wordt dan gaat ons weer een licht op.

Als mensen zo in liefde samenleven en met elkaar weten te delen kan de wereld weer een paradijs worden. In het verhaal over het paradijs, de tuin waarin de mensen met God wandelden, werd verteld dat die tuin door twee rivieren omringt werd, hier wordt verteld dat er uit Jeruzalem twee rivieren ontspringen. God zal dus echt koning worden over de hele wereld. Overal zal het delen met elkaar, je naaste liefhebben als jezelf, als eerste regel gelden, liefde zal het leidend beginsel voor de volken zijn. Daarom kan er gezegd worden dat Jeruzalem hoog verheven zal zijn. Daar werden immers de richtlijnen van God voor de menselijke samenleving bewaard, gegraveerd op harde rotsen, onuitwisbaar in het hart van de wereld.

Dat principe van de liefde voor allen is niet stuk te krijgen. Dat principe is te zien in de zorg voor de zwaksten, de minsten op de aarde, de vluchtelingen, de slachtoffers van geweld en uitbuiting, de zieken en de stervenden. En het allermooiste is dat we allemaal mee mogen doen, niet op een dag in een onzekere toekomst, maar vandaag nog, het begint vandaag voor ieder die mee wil werken.

In de aanloop naar Kerstmis vraagt de kerk zich af hoe het ook al weer zit met de verwachting van de komst van het Koninkrijk van God. Die komst begon met de geboorte van Jezus van Nazareth maar ook die geboorte had een voorgeschiedenis.

Dat kerstverhaal begint met twee mensen uit het Priestergeslacht. Voorop in het verhaal van Jezus van Nazareth staat dus de Tempel in Jeruzalem. Want Priesters waren er voor om de mensen te helpen die richtlijnen van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf, te blijven volgen. Dat Priestergeslacht was ooit begonnen met Aäron de broer van Mozes. Maar in de loop van de geschiedenis was die familie heel erg uitgebreid. Wij bepalen ons tot twee leden van die familie. De priester Zacharias en Elisabeth die nog van Aäron afstamde, een al wat ouder echtpaar dat geen kinderen had.

Ze doen direct denken aan Abram en Saraï die ook geen kinderen hadden maar aan het begin stonden van het verhaal over het volk Israël. En zo konden ook Elisabeth en Zacharia ook wel eens aan het begin staan van een geweldig verhaal. Ze worden in het Grieks “rechtvaardigen” genoemd en om rechtvaardigen gaat het meestal in de Bijbel.

Die Herodes was wel Koning der Joden, maar het was geen Jood. Hij kwam uit Edom en stamde dus af van Esau de broer van Jacob die Israël zou worden. We hebben ook van nog een profeet gehoord die Zacharia heette, van zijn droom hebben we ook gelezen, En zo vinden we in het begin van het verhaal dat Lucas ons vertelt de Koning, de Priester en de Profeet. Samen staan ze rond de Tempel in Jeruzalem. Maar de betekenis van de Tempel was lang onvruchtbaar gebleven. De bezetting van de Romeinen was steeds verstikkender geworden. Mensen durfden geen kinderen meer te nemen, elke kind betekende een extra belasting die moest worden betaald. Aan die angst kwam nu een einde.

Terwijl Zacharias in de Tempel dienst deed kreeg hij een visioen, een droom dat er toch een kind geboren zou worden, een kind dat apart gezet zou worden, zoals Simson ooit apart gezet was, een kind dat de bevrijding van het volk zou aankondigen, een kind waarmee de bevrijding zou beginnen.

Want al die uitspraken van die engel, boodschapper van God, zijn uitspraken die je in het Oude Testament, de Hebreeuwse Bijbel kan terugvinden. En als je de hele schrift hebt om voor je te spreken dan doe je er het zwijgen toe, dan heb je zelf niets meer te zeggen. En zo gaat het met Zacharias: hij kon geen woord meer uitbrengen.

Veel geleerden hebben zich overigens afgevraagd waarom Elisabeth zich verborgen hield, maar de betekenis daarvan komt waarschijnlijk pas aan het licht als we het verhaal van Lucas verder lezen en zo ver zijn we nog niet.

Vandaag houden we op bij Elisabeth die sprak zoals ooit Rachel sprak toen zij moeder werd van Jozef: “God heeft weggenomen mijn schande”.

In een samenleving waar de gelijkheid van man en vrouw werd ontkend, waar men niet kon geloven dat God man en vrouw naar zijn beeld had geschapen, was het een schande als een vrouw geen kinderen had. Van Abraham en Sara, van de ouders van Samuël, van de ouders van Simson en van Zacharias en Elisabeth zouden we moeten leren dat die schande onzin is.

Als we werkelijk gaan leven zoals God dat in zijn richtlijnen voor de menselijke samenleving heeft gewezen, als we werkelijk van onze naaste gaan houden als van onszelf, als we gaan leven voor de minsten op aarde, dan gaat de onvruchtbaarheid voorbij, dan breekt nieuw leven aan, dan komt er namelijk een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. In dat verhaal kunnen we dus ook vandaag mee gaan op de weg naar het Kerstfeest.

Op weg ook tot de dag komt dat de aarde zo mooi zal zijn dat God zelf op deze aarde zal willen wonen. Daarvoor stuurt hij eerst zijn zoon, om ons te leren wat er voor moeten doen, als wij tot aan de einden der aarde zijn gegaan om mensen mee te krijgen met zijn Koninkrijk dan zal dat Koninkrijk ook komen. Er moet dus nog veel worden gedaan, aan het werk dus.

Amen

Lezen: Deuteronomium 10: 12-19

Hebreeën 13: 1-3

Marcus: 12:38-13:2

Gemeente,

Het is allemaal niet zo ingewikkeld. Er zijn geen kostbaar aangeklede Tempels met geheimzinnig mompelende priesters waar je voor elke gunst die je van een God wil hebben eerst een offer moet brengen. Geen klankschalen of kleurstellingen, en vooral geen offers aan de God zelf. De offers die je brengt zijn een teken dat je wil delen van wat je hebt en zijn bestemd voor de Priesters en Levieten, die moeten toch ook leven. De Levieten onderwijzen je de richtlijnen van God zodat je de juiste keuzes kan maken. En als je de God van Israël wil volgen dan zijn er altijd vreemdelingen en weduwen en wezen om je te helpen.

Zo eenvoudig is het. Verschaf de weduwe en de wees recht, laat hen tot hun recht komen, neem ze op in je gemeenschap en zorg dat ze een volwaardige plaats krijgen. Ze zijn de armsten in de samenleving. In een samenleving waar alleen mannen een eigen inkomen hebben, waar mannen zorgen voor de bewerking van het land en de handel komen weduwen en wezen zonder inkomen te zitten. Daar zijn we dus samen verantwoordelijk voor. In onze dagen voor de ouden van dagen, voor de zieken en invaliden, voor de mensen die niet in staat zijn een eigen inkomen te verwerven. Voor de vreemdelingen die weten waar een schuilplaats te vinden. Niet alleen in ons land maar uiteindelijk in de hele bewoonde wereld.

Maar ook in ons land moeten we de vreemdelingen met liefde behandelen. Het staat er echt. Iedereen die zich wil beroepen op de Joods Christelijke traditie van ons land, die bang is dat we overvleugeld worden door een andere godsdienst, zal moeten handelen volgens die richtlijn, dat staat in het gedeelte dat we vandaag lezen, U moet de vreemdelingen met liefde behandelen. Natuurlijk zijn er problemen die we moeten aanpakken en oplossen. We hebben nog steeds nare gevolgen van hebzucht. We delen nog steeds onvoldoende, er zijn nog steeds voedselbanken nodig en de inkomensverschillen in allerlei bedrijven zijn onverklaarbaar groot. Er is nog steeds misdaad in ons land en jongeren worden verwaarloosd en vervallen soms onnodig tot misdaden.

Sinds de Tweede Wereldoorlog blijkt het steeds nodig om nieuwe generaties opnieuw te vertellen en te onderwijzen in wat er toen gebeurt is. Steeds weer neigen mensen er toe elkaar uit te sluiten op grond van afkomst of geloof. Steeds weer wordt gevraagd wat individuele burgers de samenleving kosten en wordt voor het samen leven een afweging gemaakt naar kosten en baten. Nieuwe generaties hebben niet meegemaakt wat de voorgaande generaties meegemaakt hebben. Daar wijst Mozes ook op.

Als eenmaal het land dat overvloeit van melk en honing verovert zal zijn dan zullen de slavernij in Egypte, de tocht door de woestijn en de gevolgen van het niet onvoorwaardelijk op elkaar kunnen rekenen vergeten zijn. Het gevaar is dat dan ook die onderwijzingen van God vergeten zullen worden en dat het volk stil valt en niet op weg blijft naar de ideale samenleving.

Toch heeft ook onze samenleving regels nodig om zaken voor elkaar te krijgen en om te weten hoe de regels er zo zouden kunnen uitzien dat ze het Koninkrijk van God dichterbij kunnen brengen hebben we de Bijbel. In de Bijbelse regels voor een volk staat de liefde voorop. Na zes jaar moet je iemand met schulden de schulden kwijtschelden staat er, en de vreemdelingen moeten we behandelen als onze volksgenoot.

Dat soort regels gelden ook voor ons. Uiteindelijk scharen we ons zondag aan zondag ook onder het Woord om te horen hoe we er door de week uit zouden kunnen leven. Hier wordt het woord al weken lang levend gehouden. Hier horen we dus ook het roepen aan de poort. Dat is niet een roepen om binnen te mogen komen, maar dat is een roepen om recht en gerechtigheid. En vier weken lang blijft hier die roep klinken, en nog langer als dat nodig is.

In de Bijbel wordt in de poort recht gesproken, daar wordt de arme recht gedaan, daar wordt zorg gedragen voor de weduwe en de wees, daar ging Boaz heen om zorg te regelen voor de weduwe Ruth, zorg die hij uiteindelijk zelf mocht geven en waardoor ook de weduwe Noömi in haar ouderdom toch een toekomst kreeg..

Het uitgangspunt van onze godsdienst is dat je je naaste lief moet hebben als jezelf, dat je dus in de eerste plaats oog moet hebben voor de armen in de samenleving, voor de weduwe en de wees, voor de vreemdelingen stond er in de Hebreeuwse Bijbel die we tegenwoordig het Oude Testament noemen. De weduwe staat in de Hebreeuwse Bijbel voortdurend voor de armsten van de armen, zie hoe je daar mee om gaat want die naaste is als jij.

En, ja het staat er echt in die brief die we kregen. Gastvrijheid is een belangrijk onderdeel van het verbond. Het is een gevolg eigenlijk want als je je naaste liefhebt als jezelf dan is elke vreemdeling een naaste die je niet de deur zult wijzen omdat je nu eenmaal ook zelf niet de deur gewezen wilt worden. Natuurlijk hoeven we niet alle armen van de wereld in ons land op te nemen.

Er zijn betere manieren om te delen met de armen van deze wereld. Eerlijke handel bijvoorbeeld. En dan niet zo van wij dumpen wat we over hebben tegen aardige prijzen op markten waar mensen zo arm zijn dat ze voor ons niets zelf kunnen produceren, hun producten voldoen nooit aan onze strenge hygiëne- en veiligheidseisen, alleen als er fabrieken staan die eigendom zijn van bedrijven in de rijke landen, maar ja daar verdienen de arbeiders dan weer bijna niets. Daar worden alleen de rijken uit rijke landen als de onze rijker van.

Als we dit gedeelte uit Marcus lezen moeten we ons eerst afvragen waar het over gaat. Het Evangelie van Marcus is het oudste Evangelie en de mensen voor wie het oorspronkelijk werd geschreven wisten heel goed waar Jezus van Nazareth gezeten moet hebben toen hij het onderricht gaf waar Marcus het hier over heeft. Voor ons is dat wat minder vanzelfsprekend en moeten we er eerst eens over studeren. In de dagen van Jezus van Nazareth mocht je niet zomaar naar het hele Tempelterrein op. Rondom de eigenlijke Tempel in Jeruzalem lagen diverse hoven, soms met gebouwen en daarvan was nauwkeurig bepaald wie wel en wie niet verder mocht. In de buitenste voorhof was toegang voor de Heidenen die de God van Israël eer wilden bewijzen. Daar vond ook de handel plaats in offervee en zaten de wisselaars. De Tempel had haar eigen munteenheid.

Op de munten van de Heidenen stonden de beeltenissen van heersers en Keizers, op de Tempelmunten geen afbeelding van wat dan ook op aarde. Voor buitenstaanders was de Tempel in Jeruzalem dus een handelsplaats geworden. Voor de Heidenen niet vreemd want elke beroemde en belangrijke Tempel had een dergelijke handelsfunctie. In Efeze maakten ze zelfs zilveren tempeltjes en beeldjes van de godin die daar aanbeden werd, de komst van Joden die Heidenen tot Christenen maakten vormde een belangrijke bedreiging voor de handel in de zilveren tempeltjes.

Naast de buitenste voorhof was de voorhof voor de vrouwen. Tot daar mochten de vrouwen komen. Vrouwen konden immers wel eens onrein zijn en dan mochten ze er helemaal niet in, dan moesten ze zich terugtrekken en pas na een ritueel reinigingsbad mochten ze weer mee doen in de samenleving. Om dus de Tempel voor onreinheid te bewaren was er de voorhof voor de vrouwen. En daar vinden we Jezus van Nazareth in dit verhaal terug. In die voorhof stonden 13 grote offerblokken in de vorm van bazuinen, de ramshoorn waarop geblazen werd ter bevrijding van het volk, daar kon je de jaarlijkse bijdrage aan de Tempeldienst storten De dertien offerblokken waren voorzien van een opschrift “nieuwe sikkels” bestemd voor de jaarlijkse bijdrage, “oude sikkels” waar je achterstallige bijdragen voor voorgaande jaren kon betalen, “vogeloffers” in plaats van de jonge tortelduiven die de armen soms moesten offeren, “brandofferduiven”, “hout”, “wierook” “goud voor het wasbekken” en nog zes anderen voor vrijwillige giften.

De dierenoffers die voorschreven waren in de Tora konden in de dagen van Jezus van Nazareth dus afgekocht worden met geld dat je in het betreffende offerblok wierp. In het Hebreeuws is het onderscheid tussen hoorn en schatkist niet helemaal duidelijk dus of die schatkist uit ons verhaal voor die jaarlijkse bijdrage bestemd was is niet duidelijk. Er stonden per slot ook zes offerblokken waar je voor de armen kon offeren. Maar mag je dan van de weduwe uit het verhaal verwachten dat ze voor zichzelf een offer bracht? Het gaat er in dit verhaal dus kennelijk helemaal niet om waar je voor offert maar wat je bereid bent te offeren.

Dat deel wat door de rijken werd bestemd voor een offer was misschien wel groot, als arme kon je daar tegen opzien, maar het bleef altijd maar een klein deel van het bezit of het inkomen van de rijke. Het deel dat de weduwe bestemd had voor een offer was maar een kleine hoeveelheid, het was voor haar echter een groot deel, groter kon niet want het was alles wat ze had staat er in het verhaal.

Het kleine verhaal over de arme weduwe is in het geheel van het verhaal van Marcus dus een illustratie. Het laat zien hoe het zit met de offervaardigheid van de schriftgeleerden, die mensen die het allemaal zo goed wisten, die de macht hadden in de Tempel, die de vergunningen uitdeelden voor de handel in de voorhof der heidenen, die de offers naar de Priesters brachten. Die liepen te paraderen in lange dure gewaden, verzonken vaak in lange vrome gebeden.

Iedereen moest een gelijke bijdrage leveren voor de Tempel, in Exodus was dat nog bedoeld om juist niemand een voornamere plaats te geven in de Tempel. In de loop van de eeuwen daarna is het voor de armsten tot een last geworden en voor de rijken een manier om juist wel die voorname plaats op te eisen. Het zal in de dagen van Jezus van Nazareth niet anders geweest zijn als in onze dagen, als er gevraagd wordt om een bijdrage naar draagkracht zodat er voor iedereen gezorgd kan worden dan steekt er een storm van verontwaardiging op.

Dan wordt er niet meer gesproken over hoeveel de rijken overhouden voor hun levensonderhoud en hun pleziertjes, dan worden alleen de bedragen vergeleken die ze kwijt zijn aan de zorg voor de armsten. Dat nu al de armsten onder ons soms tot 10 procent kwijt zijn aan de ziektenkostenpremie, na ontvangst van de zorgtoeslag hoor je niet meer. Wel dat er mensen zijn die in een maand meer kunnen missen aan belastingen en premie dan de armsten in een jaar aan ondersteuning ontvangen.

Het meest opvallende in dit verhaal is dat Jezus van Nazareth geen opdracht geeft, alleen maar wijst op de verschillen, de lange mantels en de vrome gebeden plaatst naast, of liever tegenover de bereidheid van de Weduwe om alles te geven wat ze bezit. En als het gaat om mooie gebouwen, een nieuw opzichtig hoofdkantoor bijvoorbeeld dan wijst Jezus ons er op dat zulke fraaie gebouwen ooit tot stof zullen vergaan. Wij moeten zelf maar snappen dat de liefde blijft. Zoals Paulus het ons geleerd heeft, elke liefde komt van God en de liefde van God heeft eeuwigheidswaarde, ook vandaag nog. Met die liefde mogen wij ons leven vorm geven maar we mogen met die liefde ook onze samenleving inrichten waarbij we moeten bedenken dat onze samenleving in het Koninkrijk van God zich uitstrekt tot aan de einden der aarde.

Amen

 

Lezen: Jesaja 48: 17-21

            Matteüs 35: 14-30

Gemeente,

Het is morgen de achtste dag, vandaag is de Sabbat. In de Bijbel zijn er zes dagen waarop gewerkt wordt en een zevende dag waarop gerust wordt. Op de achtste dag gebeurt er heel iets nieuws. Vandaag is het de dag voor Sint Maarten en de verkiezing van Prins Carnaval. Vandaag en morgen herdenkt Engeland de gevallenen uit de talloze oorlogen die sinds het begin van de vorige eeuw zijn gevierd. De veteranen leggen morgen kransen bij het monument.

Maar er is iets nieuws. De zondag kwam als eerste dag van de week omdat we geloven dat de dood is overwonnen. Wij weten ook van delen. In oude tijden gingen de armen een aantal keren in de winter langs de deuren om voedsel te bedelen. Met Sint Maarten, met Sinterklaas, op Tweede Kerstdag, met drie koningen en met Carnaval. De donkere wintertijd wordt zo verlicht met het licht van het delen, geen wonder dat die feesten in Christelijke feesten zijn veranderd.

Hoe zetten we die vreugde van het delen nu in voor de God van Israël? We horen nog wel eens verkondigen dat de mens zijn redder pas leert kennen in de hoogste nood. Daarom zouden we onszelf ineens heel erg slecht moeten gaan vinden. Want pas als de mens weet hoe slecht die is kan die mens de God van Israël leren kennen of zijn zoon Jezus van Nazareth, dat is dan ongeveer hetzelfde. Maar als we alleen op het slechte van de mens letten dan miskennen we toch een Bijbelse boodschap.

Natuurlijk het volk Israël was in ballingschap gestuurd omdat ze de leer van de God van Israël hadden verlaten en vreemde goden waren nagelopen. Zo zeggen we dat gewoonlijk. Maar de ballingschap was niet een daad van God maar het gevolg van het nalopen van andere goden.

Ook wij hebben de neiging om de goden van winst en profijt, van klatergoud en carrièrre belangrijker te vinden dan recht en gerechtigheid voor de armen. Alles voor onszelf en de deur stijf gesloten. Maar de ballingen tot wie Jesaja zich in het gedeelte van vandaag richt zijn nog niet zo slecht. De oproep om de ballingschap te ontvluchten klinkt niet tevergeefs. Trek weg uit Babel, ontvlucht de Chaldeeën staat er en dan vooral niet stiekem, niet in het geheim, maar iedereen mag het weten dat de God van Israël zijn volk vrijkoopt.

Achteraf weten we dat die oproep niet zomaar was. Die ballingen hadden in de ballingschap weer naar hun profeten geluisterd, die hadden hen op de geboden gewezen die in het volk rond hadden gezongen. Ze hadden het over het “Gij zult niet doden”, over het “Heb Uw naaste lief als Uzelf”. Over “heb de vreemdelingen lief ”, dat rare gebod uit Deuteronomium, Die profeten hadden hen voorgehouden dat die richtlijnen de kern waren van hun bestaan.

De graven van de Engelse soldaten op de vele kerkhoven in ons land mogen ons vandaag herinneren aan mensen die boven zichzelf uitstegen. De vrijheid en de welvaart die we nu hebben danken we aan vreemdelingen die zo boven zich uit stegen dat ze hun leven voor een samenleving als de onze overhadden. Meer dan hun leven konden ze niet met ons en onze kinderen delen.

De ballingen in Babel waren tijdens hun ballingschap weer teruggegaan naar hun eigen geschiedenis. Er waren nog documenten van hun koningen bewaard, er waren nog verhalen uit tempels en heiligdommen over de God van Israël, die geheimzinnige woestijngod die niet aan een land of een stad geboden was maar die meetrok met een volk, een God die een verbond sloot met een volk alsof het twee gelijkwaardige partners waren. Ze hadden nog brieven en geschriften van profeten. Al die verhalen, documenten, geschriften werden bij elkaar gelegd en tot een complete eenheid gemaakt.

Dat was het begin van wat wij nu de Bijbel noemen. Daar stond in hoe die God van Israël met mensen omgaat en wat die van mensen verwacht. En dat was eigenlijk een geweldig verhaal dat zich laat samenvatten als “Heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf”. Daar staken de goden van Babel maar schril bij af, die moesten in leven worden gehouden door het voedsel dat aan hen geofferd werd. Met die goden moest je handeltjes zien te drijven. Als je wat voor zo’n god deed dan kon je geluk hebben, dan kon die god wat voor jou doen, als die God daar zin in had en niks anders te doen had.

Zo zat het niet bij de God van Israël. Die liet niet varen het werk dat zijn hand begon, die God was ook in de ballingschap de God van Israël. Van die God leren we vrede. Niet zomaar vrede als een pauze tussen twee oorlogen maar vrede als een rivier. Rivieren die traag door oneindig laagland gaan, rivieren net als de ballingen de rivieren Eufraat en de Tigris hadden leren kennen, paradijselijke rivieren.

Nageslacht krijgt een volk, talrijk als het zand van de zee. Bij een volk dat gerechtigheid voortbrengt, een volk dat talrijk is als de golven van de zee wil je wel horen. En gerechtigheid betekent dat elk mens tot zijn of haar recht komt. Daarvoor moeten we dus uittrekken uit het land van de ballingschap. Daarvoor moeten we in onze dagen durven breken met het voorop stellen van winst en profijt, van klatergoud en carrière, moeten we voorop stellen hoe het met de minsten in onze samenleving gaat, hoe het met de minsten in de hele wereld gaat. Hoe het gaat met de zwervers in de stad, de hoeren en tollenaars uit het nieuwe testament en de weduwen en de wees uit het oude Testament.

Daarvoor moeten we in onze dagen de minsten voorop stellen, de gedwongen prostituees, de bezoekers aan de voedselbanken, de hongerenden in Afrika, de gewetensgevangenen in de wereld, de zieken en gehandicapten, de vluchtelingen en de kinderen die hier geboren zijn of al lang geworteld, de mensen die langs de kant van de weg zijn gezet en al die talloze slachtoffers van oorlog en geweld in de wereld. Elk van ons kan slachtoffers van de zwarte kanten van onze samenleving noemen die het rijtje eindeloos kunnen aanvullen. Daarop bedacht zijn is dus onze eerste opdracht.

Maar het is voor ons ook een duik in de woestijn, loslaten van winst en profijt, van carrière en inkomensgroei voor onszelf is een risico. Die God belooft ons wel dat we geen dorst zullen lijden, dat uit de hardste rots water zal ontspringen maar zijn wij niet te zwak om dat avontuur aan te durven? Een kleine kudde die ook nog steeds kleiner wordt? Zelfs het volk Israël dat bevrijdt was uit het slavenhuis in Egypte was een hardleers en morrend volk. Lopen we niet een te groot risico?

Over dat risico gaat de lezing uit het Evangelie. Het is een gelijkenis, maar wat is een gelijkenis? Een gelijkenis is wel eens een raadselspreuk genoemd, geladen met macht, een woord uit een Koninkrijk waarin enerzijds dingen worden geopenbaard maar anderzijds zaken gesloten blijven. Het koninkrijk Gods wordt uitgedrukt in gelijkenissen In die gelijkenissen komt de macht van dat Koninkrijk op ons af.

Jezus van Nazareth probeert in gelijkenissen antwoorden te geven op vragen die hem worden gesteld. Op de vraag “wie is mijn naaste” geeft hij als antwoord de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan. Op de vraag hoe je je moet voorbereiden op het einde van de geschiedenis is het antwoord een paar gelijkenissen, waaronder die van de wijze en dwaze meisjes, met de brandende lampen en het verhaal over de talenten.

Dat verhaal uit het Evangelie naar Matteüs zal in onze dagen in kringen van bankiers wel populair zijn. Want het lijkt een verhaal over risico’s nemen en rendementen behalen. Er wordt je een bedrag toevertrouwd en naarmate het bedrag groter is moet je meer opbrengst verdienen, telkens een rendement halen van 100 procent en dus meer risico nemen. Waar dat toe leidt als je dat aan bankiers over laat hebben we kunnen merken. Vooral als aan de resultaten ook nog grote beloningen zijn verbonden en wie dit verhaal goed leest zal opmerken dat de beloningen een grote rol spelen. Geen resultaat betekent in elk geval ontslag.

De prikkel van buitensporige beloningen op het behalen van grote rendementen wordt tegenwoordig een perverse prikkel genoemd. Maar ook in het Koninkrijk van God wordt je toch uitgedaagd risico’s te nemen en rendement te behalen. Je hoeft er zelfs geen bankier voor te zijn met gespecialiseerde opleiding en toestemming van de toezichthouder.  In dit verhaal uit Matteüs kan iedereen meedoen. Of je nu veel kunt of weinig maakt niks uit, als je maar mee doet. Je hoeft ook niet bang te zijn dat je te weinig doet. Je krijgt net zoveel talenten als je aankunt. Pas als je je door angst of onverschilligheid laat verlammen en niks meer doet dan loopt het verkeerd af.

In het verhaal dat we gelezen hebben is het de angst die verlamde: De Heer oogst waar hij niet gezaaid heeft, de Heer is een gestreng Heer, klinkt het. Maar wat zijn dan die talenten waarmee ook wij mogen woekeren? Dat zijn dus niet bijzondere vermogens waarmee je meer zou kunnen dan een ander, want de hoeveelheid talenten is al afgestemd op wat je aan kunt. Het gaat dus niet om een bijzondere intelligentie, of een bijzondere handigheid. Iedereen in het verhaal kreeg immers een talent?

Nee de talenten waarmee ook wij mogen woekeren zijn het goud van God en dat kennen we. Het goud van de God van Israël is de liefde voor de armsten en de zwaksten. Je daar mee bezig houden en de liefde voor de naaste vermeerderen dat is pas woekeren met talenten. Dat kan in het groot, maar dat kan ook in het klein, thuis desnoods. En niet zeuren dat die liefde te kostbaar is, dat die verspild zou kunnen worden of gestolen door de rijken, dat je niet wist wat er van terecht zou komen of dat het geld dat je kon storten op giro 555 wel goed zou worden gebruikt.

Woekeren met de talenten van God is onvoorwaardelijk liefde geven. Het rendement is de liefde die gegeven is, niet of het echt beter is gegaan, onze God bepaald immers zelf wat er met zijn liefde wordt gedaan, het is genade dat wij daarvoor de instrumenten mogen zijn. De hongerigen die gevoed zijn kunnen later best ziek zijn geworden, de naakten die gekleed zijn kunnen later best in een oorlog terecht zijn gekomen, de vrede die gesticht is kan best werkloosheid in de wapenindustrie tot gevolg hebben gehad, de bedroefden die getroost zijn vergaten misschien voor de graven op het kerkhof te zorgen, de jongeren die weer naar school gingen konden na hun schooltijd misschien niet direct werk vinden. Zo kun je wel doorgaan.

Onze wereld is voor ons niet maakbaar, in je eigen omgeving niet en in de grote wereld ook niet. Maar alle liefde die onbaatzuchtig wordt getoond draagt bij aan een betere wereld. Aan het eind van zijn evangelie vertelt Matteüs dat wij de opdracht kregen om alle mensen op aarde te dopen, tot de aarde voltooid zal zijn vertaald de Nieuwe Bijbelvertaling. Dus door alle mensen te betrekken bij die liefde van de God van Israël doen we mee in het scheppingswerk dat nog steeds bezig is.

Meewerken met God in het voltooien van zijn schepping is dus niet om die God voor ons te winnen, handeltjes zijn er niet te drijven met de God van Israël. Het is ook niet uit dankbaarheid, we moeten maar afwachten wat de Heer vindt van ons woekeren met zijn talenten. Maar dankbaarheid voelen we zelf als we de liefde delen die we van onze God voor onze naasten hebben gekregen. Wie die liefde heeft zal voortdurend meer ervan krijgen om weer weg te geven. Wie de liefde alleen voor zichzelf houdt die zal alles verliezen en nooit geliefd worden. Delen van de liefde leidt onherroepelijk tot een feestmaal, de maaltijd waar niemand meer honger heeft en alle leed zal zijn geleden. Dat brengt ons terug bij de oorsprong van het Sint Maarten feest en het Carnaval. Als je rijk bent dan deel je en neem je deel aan het feest van delen.

En elk delen is een reden tot grote vreugde en nog grotere dankbaarheid, als je dat eenmaal hebt ervaren wil je er nooit meer mee ophouden. Ga dus ook na vandaag door met te woekeren met je talent lief te hebben, elk voor zich en samen als gemeente, samen als kerken in Nederland, dan zijn we klaar om de Heer te ontvangen wanneer hij komt en wanneer je er tot in eeuwigheid mee mag doorgaan.

Amen

 

Lezen: Job 19:23-27

             Marcus 12: 18-2

Gemeente,

We staan vandaag temidden van feest en herdenkingsdagen. Dat begon op 31 oktober waarop we de hervorming van de Rooms Katholieke Kerk herdachten, een hervorming die mislukt is en die leidde tot de vorming van de Protestantse Kerken. Op 1 november was het allerheiligen, op 2 november allerzielen en komende woensdag is de dankdag voor gewas en arbeid. En omdat we door de week niet meer naar de kerk gaan klinken vandaag al die feest en herdenkingsdagen door in de dienst.

Op Hervormingsdag werd ontdekt dat onze God geen God is van voor wat hoort wat. Hij laat het regenen over de rechtvaardigen net zo als over de onrechtvaardigen. Schrijf dus niet alle ellende in de wereld op de rekening van God, maar vraag je af wat je zelf aan die ellende bijdraagt of tegen die ellende doet. Job, de lijdende bij uitstek, geeft ons daarvoor het voorbeeld.

Want ondanks al het lijden blijft Job vertrouwen op zijn God. Zijn God is immers niet gebonden aan de weersomstandigheden of de tijd van het jaar. Zijn God is niet gebonden aan de grond. Zijn God hoeft niet gunstig gestemd te worden door offers of beelden of goede gezangen en vrome gebeden. Zijn God verlangt alleen het goede. Daarom kan Job zijn vrienden waarschuwen, daar waar zij de rol van God willen overnemen, zelf voor God willen spelen, door een oordeel te vellen over het leven van Job lopen ze gevaar. Want de God van Job is een jaloerse God die geen andere goden naast zich duldt.

Dat beseffen we vaak niet als we zelf de macht over leven en dood in onze handen nemen. Als we ons in het verkeer begeven terwijl we weten dat het eigenlijk niet verantwoord is, als we het leven rekken van een stervende omdat wij geen afscheid kunnen nemen, als we het leven afdwingen bij een ongewenst zwangere omdat wij dat fatsoenlijk of christelijk vinden, als wij het leven van partners in gevaar brengen door het verbod op condooms, omdat die niet passen in onze opvatting over sexualiteit. Het oordeel over anderen past ons niet, dat moeten we aan God laten.

Job, als lijdende persoon, weet dat je daar ondanks alle ellende op kan  blijven vertrouwen. Ons rest alleen het goede te doen. Naast de lijdende staan, begrip opbrengen, elke dag weer.

Op allerheiligen en allerzielen herdenken we de gelovigen die ons zijn voorgegaan. Dat is mooi. Een oud Joods spreekwoord zegt dat iemand pas dood is als iedereen die persoon vergeten is. Maar waarheen zijn zij ons voorgegaan? We weten het niet.

Die Saduceeën geloofden niet in de opstanding van de doden. Hun voorbeeld maakt het geloof in die opstanding dan ook bespottelijk. Jezus van Nazareth geeft op hun vraag eigenlijk twee antwoorden, als we al opstaan dan is dat als de engelen en verder weten we het niet want God is een God van levenden.

Dat leidinggevende religieuze Joden niet in een opstanding van de doden geloofden is minder raar als het lijkt. Voor ons is het geloof toch in elk geval een geloof in de opstanding van de doden, maar dat is het voor de Bijbel niet. In de oudste gedeelten van de Bijbel gaat het helemaal niet over een latere opstanding van de doden. Het lijkt er zelfs heel sterk op dat, in tegenstelling tot de Heidense volken, de Joden helemaal niet geloofden in een opstanding van de doden. In het boek Genesis wordt verteld dat God een grens stelde aan de leeftijd van de mensen, ouder dan 120 jaar zouden ze niet worden. Prediker schrijft dan dat de adem van God, waarmee hij de mens het leven heeft gegeven, weer terug keert naar de borst van God. Een mooi beeld.

Maar tijdens en na de ballingschap en vooral tijdens de bezetting door Griekse overheersers vonden veel mensen het wel erg wreed van God dat mensen het geloof in de God van Israël moesten bekopen met marteling en een vreselijke dood en dat het daarmee afgelopen zou zijn. Zo kon de God van Israël niet zijn. Als God zich zou ontfermen over zijn kinderen en het rijk zou aanbreken waarin de tranen gedroogd zouden zijn en God zelf weer zou regeren vanuit Jeruzalem dan zouden ook die rechtvaardigen daaraan deel hebben die hun leven gegeven hadden voor de God van Israël.

Zo ontstond bij grote delen van het volk de overtuiging dat er een opstanding van de doden zou zijn. Ook in onze samenleving kom je die overtuiging wel tegen. Als jonge mensen sterven dan kan het toch niet afgelopen zijn? Als mensen zich inzetten tegen zinloos geweld en daarbij zelf omkomen, of sneuvelen op een missie die vrede en veiligheid moet brengen, dan zullen ze toch deel mogen hebben aan de samenleving waar de dood niet meer zal zijn? Of er een God is weten veel mensen niet, zeker niet hoe ze zich die God moeten voorstellen, maar dat het na de dood niet afgelopen is dat willen ze wel geloven.

Van Jezus van Nazareth mag dat, al moet je daar geen voorstellingen van willen maken. Wat zeker niet moet is mensen voorhouden dat het lijden gedragen moet worden tot na de dood, dat je in dit leven niet moet opstaan tegen onrecht en geweld. Zoals Jezus van Nazareth zijn liefde door de dood heen kon dragen zal God ook zijn geliefden door de dood heen dragen. Daarom mogen we in dit leven al opstaan tegen onrecht en het lijden van medemensen, dat mogen we ook vandaag al doen, dat is kiezen voor het leven.

Het goede doen en niet dan het goede leerde Paulus ons. Dat goede is opstaan tegen onrecht en lijden. Dat goede is het delen van wat wij uit Gods hand ontvingen. Alles wat we hebben kregen we immers van God. De banen waarin we werken, de opbrengst van landbouw en veeteelt. Maar ook de verworvenheid van de Medische Wereld. Vaccins horen daar bij, God heeft ze ons gegeven ter bescherming. Aan ons de vraag of wij die bescherming uit Gods hand willen ontvangen en willen delen. Zo mogen wij dankbaarheid betonen voor alles wat we kregen. Niet alleen komende woensdag maar alle dagen van ons leven.

De Bijbel houdt de levenden een belofte voor. Er komt een dag dat alle leed geleden en alle strijd gestreden zullen zijn. Profeten hadden daar visioenen over, van ouderen die dromen zullen dromen en jongeren die gezichten zullen zien. Dromen van de leeuw die weidt met het lam, van het kind dat speelt in het hol van de slang. Van de stad waar geen kindersterfte meer zal zijn en niemand zal sterven voor de tijd die God er voor heeft gesteld. Aan de vervulling van die belofte mogen wij alvast gaan werken, niet om het uitkomen er van mee te maken maar ter Ere van God die hemel en aarde geschapen heeft als een veilige woonplaats voor zijn mensen.

Amen.

 

 

 

Lezen: Jesaja 59: 9-19

              Marcus 10: 46-52

Gemeente,

Mooie verhalen voor de zondagmorgen, zo werden de verhalen uit de Bijbel nog onlangs getypeerd, verder als de zondagmorgen moest je er overigens geen aandacht aan schenken, het zijn verhalen uit een oud boek dat ergens in een ver verleden is samengesteld en dat over vandaag de dag verder niets te vertellen kan hebben.

Vanmorgen hebben we weer van die mooie verhalen. Een profeet die in mooie taal vertelt hoe slecht de mens wel niet is en hoe slecht het met de mens zal aflopen. Als we naar buiten kijken zien we die slechte mensen wel, wij zijn het natuurlijk niet, wij blijven fatsoenlijk. En dan is er ook een verhaal over een arme blinde man die blij mag zijn dat hij weer mag zien. Zo’n wonder kan natuurlijk niet maar geeft toe, het is een mooi verhaal.

Als we zo de Bijbel willen lezen dan begrijpen we er weinig van. Die profeet zegt helemaal niet dat het met ons mensen slecht zal aflopen, integendeel, hij schildert een paradijs, en die blinde man ziet niet zomaar, die ziet iets wat voor iedereen eigenlijk verborgen was gehouden.

We moeten dus wat nauwkeuriger en wat dieper in de verhalen duiken.

De schrijver van dit gedeelte van het boek van de Profeet Jesaja durfde wel, wat hij zei lag misschien helemaal niet zo voor de hand. Geleerden die de oorspronkelijke teksten van het boek Jesaja hebben bestudeerd zijn het er over eens dat er meer mensen moeten hebben meegeschreven aan dit boek. Er is een profeet geweest die schreef totdat de mensen in ballingschap werden weggevoerd en er zijn mensen geweest die daarna het boek hebben afgemaakt. Het gedeelte van vandaag gaat over die teruggekeerde ballingen.

Die ballingschap was een zware tijd. Joden hebben generaties lang gewoond in Babel en waren direct dienstbaar aan koningen die, voor zover ze wisten, de hele aarde in hun macht hadden. Pas na generaties mochten ze terug. De schrijver van dit gedeelte is bang dat uiteindelijk niemand meer zal weten wat nu echt recht voor mensen zou zijn. Sion, of Jeruzalem, in elk geval de naam van de plaats waar de richtlijnen van de God van recht en liefde werden bewaard die het volk Israel in de woestijn had ontdekt, lijkt een vergeten en door onkruid overwoekerde plaats geworden.

De ballingen die terug keerden moeten aan het werk. Muren en huizen moeten er worden gebouwd, God doet dat niet voor hen. En ze moeten op de muren werken met een troffel in de ene en het zwaard in de andere hand. Voortdurend worden ze bedreigd. Velen van hen lijken het op te geven. Ze schreeuwen op straat dat die God van Liefde niet deugd, dat die alleen ellende brengt. Straks worden de vrouwen verkracht en worden wetten opgelegd die ze nooit gekend hebben. Spreekkoren tegen het recht van de armen worden aangeheven.

Maar de profeet heeft een visioen, God zelf zal Sion bevrijden. Er is en blijft één Heer op aarde en dat is niet de koning die in Babel regeert, maar dat is de God van Israel. Een geloof dat ook vandaag nog mensen in beweging zet. De profeet roept op om die weg van Liefde te blijven volgen, om te blijven bouwen aan dat nieuwe Jeruzalem.

Er komt op deze aarde een paradijs. Als we alle mensen als broeders en zusters gaan zien. Als we alle mensen lief gaan hebben, zelfs onze vijanden zou Jezus ons later leren.

Iedereen die mee wil doen in het verhaal van Israel, die bij Jacobs nageslacht wil horen, heeft als het ware een contract met die ene Heer dat de woorden van het Recht gesproken mogen blijven worden, tot in eeuwigheid, het zal dus altijd mogen blijven doorgaan. Dat is pas hoopgevend.

Het kan dus echt, dat ballingen terugkeren, dat vrede uitbreekt, dat recht wordt gedaan aan mensen die vertrapt en verworpen worden. Het is de oproep om de grote stroom vluchtelingen te helpen en welkom te heten, ze horen ook bij ons, het was een aantal jaren geleden de oproep tot het veranderen van probleemwijken in prachtwijken en in tal van plaatsen in ons land is men aardig op weg. Het is het opvangen van probleemjongeren in buurthuizen en door buurtvaders.

Het is wel opletten geblazen in de steden en de dorpen van ons land dat de stem van mensen wordt gehoord en niet als lastig door machthebbers en rijken wordt gesmoord. Recht doen aan mensen is ook problemen serieus nemen en oplossen. Mensen die met moeite een goede baan hebben gevonden, die nauwelijks de armoede zijn ontstegen, mensen die eindelijk een droomhuis hebben maar die zomaar door een verandering in de economie of welke verandering in de samenleving alles weer kwijt zouden kunnen raken. Hoe minder je die mensen serieus neemt hoe sterker hun angst wordt en hoe harder ze gaan schreeuwen, ze schreeuwen van angst zeker in deze dagen.

Jezus van Nazareth hoorde dat schreeuwen. Dat was op zich al een wonder. Marcus beschrijft een pelgrimstocht naar de Tempel in Jeruzalem. Direct na het verhaal dat we vanmorgen gelezen hebben staat het verhaal van de intocht, dat verhaal met dat zingen en mantels op de grond en palmtakken die van de bomen werden gerukt.

Stel je dan Jezus eens voor. Temidden van een grote groep mensen trekt hij over de weg. Iedereen wil zijn aandacht. Een arme blinde die langs de kant van de weg zit te bedelen schreeuwt om zijn aandacht, maar de omstanders manen hem de meester met rust te laten. Te midden van al dat lawaai hoort Jezus toch de man schreeuwen en hij laat hem roepen.

Die man roept iets bijzonders. Hij roept Zoon van David, daarmee roept hij Jezus tot Koning uit. Marcus vertelt in zijn verhaal dat hier voor staat voortdurend dat Jezus vraagt of ze met niemand over zijn werk willen vertellen, geleerden noemen dat het messiasgeheim. En dan is er ineens een arme blinde man die ziet wat er echt gebeurd. De Koning der mensen trekt met het volk op naar de hoofdstad, op naar Jeruzalem waar nog de richtlijnen voor het inrichten van de samenleving als een menselijke samenleving worden bewaard.

De vraag of Jezus van Nazareth nu wel of niet genezen heeft zoals tegenwoordig een dokter geneest. wordt zelden gesteld. Dat is eigenlijk ook een gevaarlijke vraag. Want als dat zo zou zijn dan zouden alle andere blinden die niet zijn genezen kennelijk te weinig geloofd hebben.

Dit verhaal gaat dus niet over genezen, maar dit verhaal gaat over gehoord worden. Mensen die langs de weg zitten worden zelden gehoord. Als ze al eens opgemerkt worden krijgen ze een aalmoes toegeworpen. Aandacht is er nooit voor. Om aandacht te trekken is in ons land de straatkrant of de daklozenkrant bedacht. Een echte krant met leuke artikelen die verkocht wordt zoals alle andere kranten.
Alleen de opbrengst gaat naar mensen die langs de weg zijn komen te staan, want ook in onze samenleving komen er mensen langs de weg te staan. Denk niet dat het hun eigen schuld is. De schade die ze hebben opgelopen en die maakt dat ze buiten de samenleving zijn komen te staan, maar ook blijven staan, vaak is van veel vroeger. Ze zijn al langer niet gehoord en opgemerkt en het op straat komen te staan is vaak het einde van een lange lijdensweg.

Zo ook Bartimeüs. In de dagen van Jezus van Nazareth bleef er voor veel mensen niet veel anders over dan als blinde of lamme langs de weg gaan zitten en te gaan bedelen. Ze waren niet meer vooruit te branden. De weg had voor hen opgehouden en alleen aalmoezen hielden hen nog in leven. Maar Bartimeüs had ergens nog een sprankje hoop. Ooit zou er een moment komen dat iemand hem weer op weg zou helpen, ooit kwam er een dag dat er meer zou zijn dan een aalmoes, dat iemand hem weer als mens zou herkennen.

Wij zetten ons zelf soms ook aan de kant. Als er bijna gewelddadige discussies losbranden dan zwijgen we en gaan vaak zelfs niet naar de informatieavonden. We worden toch overschreeuwd. Maar het verhaal van Marcus stelt ons dan de vraag of we eigenlijk wel geloven. Komt dat nieuwe rijk van God er eigenlijk wel? En mogen we er aan werken? Of laten we zoals Jesaja verteld de stad over aan de bedrijvers van onrecht.

In het verhaal van Jesaja is het God zelf die het recht doet overwinnen. Hij trekt als een soldaat de wapenrusting van het recht aan. Paulus roept de gelovigen ergens op om de wapenrusting van het geloof aan te trekken. God doet een beroep op ons. Zijn kinderen zijn in nood en als wij zijn kinderen willen zijn dan zijn onze zusters en broeders in nood.

Het is vanaf de kansel gemakkelijk praten over recht en gerechtigheid en de keuzes die u schijnbaar moet maken. In Steenbergen was een vrouw, Sasja heette ze, die bleef praten tegen al die schreeuwers in dat ook haar dorp een menselijk dorp zou moeten zijn. Achteraf hoorden we dat ze al eens eerder een steen door de ruit had gekregen. We zien misschien het onrecht wel maar of we het aandurven om op te staan en Jezus uit te roepen tot de enige Koning van de wereld is maar de vraag.

De PKN roept ons op om ons in te zetten voor de vluchtelingen van vandaag. En veel kerken kiezen vertegenwoordigers die het aandurven te blijven pleiten voor menselijkheid, die er voor blijven pleiten hun broeders en zusters die gevlucht zijn op te vangen.

Wij lezen op zondag de oude verhalen, over een stad die kan worden opgebouwd, over een blinde die het gaat zien, over een pelgrim naar Jeruzalem die wordt uitgeroepen tot Koning van de vrede. De verhalen vragen elk van ons wat wij gaan doen, niet toen maar vandaag.

Amen

Lezen: Deuteronomium 13:2-6

             Marcus 9: 30-37

Gemeente

Vandaag is het de eerste zondag van de herfst. En gelijk barsten de herfststormen uit. Het was zelfs moeilijk om deze morgen uit Alkmaar naar Zwijndrecht te komen. Wij noemen dit de eerste zondag van de herfst. Wetenschappelijk is de herfst afgelopen vrijdag begonnen. Maar onze meteorologen maken het zich iets gemakkelijker en laten de herfst al op 1 september beginnen. Zij rekenen op grond van vaste natuurwetten uit wat voor weer we de komende dagen kunnen krijgen. Het zijn geen waarzeggers of toekomstvoorspellers, maar wetenschappers. Maar wij willen graag alles weten en vertrouwen daarom graag op waarzeggers en toekomstvoorspellers.

Toen het volk Israël zich in Kanaän had gevestigd kwam de vraag op of dat vruchtbare land wel zo vruchtbaar zou blijven. En waarom zou je daarvoor toch die God van Israël blijven volgen? Er waren ook andere manieren om vruchtbaarheid te krijgen. Er waren ook andere waarzeggers die de waarheid brengen? In onze dagen hebben we fluisteraars van allerlei soort en instraalsters en astrologen die allemaal ons kunnen vertellen wat overledenen van ons willen, wat onze toekomst zal zijn en welke beslissingen we het beste kunnen nemen.

Het volgen van de God van Israël is maar één van de vele mogelijkheden. Mozes waarschuwt zijn volk daar voor. Voor gelovigen in de God van Israël is er maar één weg en dat is de Weg die de God van Israël in zijn woord heeft gewezen. In onze dagen kunnen we zeggen dat je niet Christelijk kan zijn en met fluisteraars, instralers, astrologen of andere etherische voorspellers in zee gaan, die twee sluiten elkaar uit en zijn elkaars tegenpolen.

Levert het volgen van de God van Israël dan wat op? Is het zo dat beter volgen en meer gehoorzamen je beschermt tegen ziekte, werkloosheid, armoede, ongeluk, oorlog en onderdrukking? Wie het gedeelte van vandaag goed leest heeft begrepen dat ook dat niet het geval is. Je volgt de God van Israël omdat die je heeft liefgehad, omdat die de regen laat neerdalen op gelovigen en ongelovigen, omdat de God van Israël heeft laten zien wat recht en gerechtigheid is, omdat zijn zoon heeft voorgeleefd dat liefde zelfs door de dood heen houdbaar is en leven geeft.

Die waarzeggers en pseudo profeten kunnen volgens Mozes doodvallen. Hun uitspraken hebben geen waarde, ze leiden je maar af van de weg van de God van Israël. Ze beloven jou een beloning maar herstellen niet het recht van de armen en zorgen er niet voor dat de hongerigen te eten krijgen en de dorstigen te drinken. Echte profeten zijn geen toekomstvoorspellers. Echte profeten hebben gestudeerd op de Bijbel en vertellen hoe het zal gaan als we blijven afwijken van de weg van de God van Israël. Ze zijn eerder te vergelijken met de meteorologen dan met waarzeggers.

Om voor de armsten op te komen moet je dus eerst studeren. Jezus van Nazareth neemt in dit verhaal immers zijn leerlingen mee naar huis om hen te onderrichten. Eerder had Marcus ons al verteld dat Jezus van Nazareth in Kafernaüm was gaan wonen.

In de verhalen die Marcus vertelt en die voor het verhaal van vandaag staan, had Jezus van Nazareth steeds last gehad van grote mensenmenigten die genezing bij hem zochten of gewoon achter hem aan liepen om te horen wat hij te zeggen heeft. Maar aan populariteit had Jezus van Nazareth kennelijk een broertje dood. Verering door de massa loopt altijd uit op de dood van degene die vereerd wordt. Of het idool van de massa kan het niet aan of de massa raakt teleurgesteld en dood het idool of die wordt door de concurrentie gedood, maar dood gaat het idool.

Jezus van Nazareth is voor alles realist, hij weet dat het hem ook zo zal vergaan. Maar hij weet ook dat zoveel liefde van God niet definitief dood kan gaan. Dus als het definitief lijkt, na drie dagen, het getal van de volmaaktheid, dat komt het weer tot leven. Dan staat het op tegen de dood. Die weg moet je durven gaan, hoe moeilijk ook.

Daar zijn ook die leerlingen voor. Die moeten leren zichzelf uit te schakelen. Niet zij zijn belangrijk maar de mensen die de liefde nodig hebben. Daar moet je op letten. Jezus van Nazareth wijst op de zwaksten in elke samenleving, de kinderen. Die hebben nog geen weet van goed en kwaad, die leven nog als in het paradijs. Die zijn het eerst slachtoffer van honger, oorlog en geweld. Die kunnen vaak nog niet zwemmen en zijn dus de eersten die verdrinken.

Die zijn het zwaarste slachtoffers van misbruik, van uitbuiting en gebruik door volwassenen voor persoonlijk gewin of persoonlijk genot. Wie een kind opneemt en het daarmee voor het kind opneemt, neemt Jezus van Nazareth op en neemt het daarmee voor zijn liefde op. Eigenlijk zegt Jezus van Nazareth dat wie zo doet zorgt dat hij opstaat uit de dood die het nalopen en de verering hem gebracht hadden.

Daarom ook hoef je mensen die zorgen voor armen, die het opnemen voor kinderen, die pal staan voor de vrede, die het kwade uit de wereld proberen te verdrijven, niet te veroordelen als ze niet in Jezus van Nazareth geloven. Ze doen evengoed wat hij had bedoeld dat er gedaan moet worden. Je moet juist de mensen bestrijden die zeggen te geloven in Jezus van Nazareth maar het kwaad in de wereld laten voortbestaan, die zelfs kinderen die hier geboren en getogen zijn willen deporteren naar landen waar honger, geweld en onderdrukking heersen. Het zijn de mensen die niet willen delen omdat honger de verantwoording van de hongerige zou zijn, mensen die het niet opnemen voor kinderen omdat het hun kinderen niet zijn.

Het is vandaag de eerste zondag van de herfst. Het worden de donkere dagen voor kerst. In het Noorden van het land en ook in Noord-Holland hebben we op 11 november het feest van Sint Maarten. Daarna is er ook snel het Sinterklaasfeest, en dan wordt het Kerst, de geboorte van het kind van Bethlehem. Kinderen komen de komende tijd centraal te staan.Maar niet alle kinderen in ons land vieren dat mee omdat hun ouders te arm zijn. Ouders met een te laag inkomen, ouders die onder schuldsanering en beheer staan kunnen hun kinderen niet echt feest geven. Om dat te weten hoef je geen waarzegger te zijn. Laten wij zorgen dat Jezus van Nazareth hen wel feest geeft. Wij zijn de handen en voeten van Jezus. Talrijk zijn de inzamelingsacties om kinderen dat feest te geven. Let daarop, doe er aan mee of organiseer er zelf één. Volgens Marcus neem je niet alleen Jezus op maar ook de Vader die hem heeft gezonden.

Amen