Feeds:
Berichten
Reacties

Lezen : Micha 4:1-5

Johannes 21: 15-24

Gemeente,

Mooi hè, dat verhaal van Micha. Dat vond hij zelf ook anders had hij het niet overgenomen, want het is een lied dat ook al in het boek van de profeet Jesaja voorkwam. Dominee Jan Wit heeft dat lied van Jesaja berijmd en dat staat ook in ons Liedboek. Een prachtige droom. Maar Jan Wit heeft er nog wat bijgeschreven. Die toelichtingen op de gezangen staan niet in het liedboek zelf, Maar de toelichting op Gezang 23 is zo veelzeggend dat ik u haar niet wil onthouden.  Volgens Jan Wit kunnen we dit lied niet in de mond nemen wanneer wij niet bezield zijn door een vruchtbaar verlangen naar nieuwe verhoudingen tussen mensen en de volken en wanneer wij niet bereid zijn aan de realisering daarvan mee te werken, dat was dus al de bedoeling van het liedboek uit 1973, waar het lied als gezang 23 voor kwam. Het lied van Jesaja en Micha is dus niet een lied waarmee wij de goede aarde naar het eind van de geschiedenis kunnen schuiven, zodat we nu tevreden over de afloop achterover kunnen leunen en de geschiedenis haar gang kunnen laten gaan. Uiteindelijk zal het goede overwinnen.

 Dat “Eens zal de dag komen” zoals de Nieuwe Bijbelvertaling het Hebreeuws vertaalt, of “In het laatste der dagen” zoals de Statenvertaling en de vertaling van het Bijbelgenootschap uit 1951 vertaalden, kan ook vertaald worden met “uiteindelijk”. Dan hoeven we niet meer te puzzelen over de vraag wanneer dat buiten ons om zal komen, maar kunnen we er direct aan beginnen. Vertalingen zijn per slot ook niet veel anders dan mensenwerk. Het komt pas goed als alle volken zich scharen rond de richtlijnen voor de menselijke samenleving die aan Israël zijn gegeven, de richtlijnen die zich laten samenvatten als heb God lief boven alles en dat doe je door je naaste lief te hebben als jezelf. Dan staat de Tempel waar die Wet het hart van is rotsvast verheven boven alles wat op aarde zich verheven vindt.

Dat wat als het allerbelangrijkste werd bewaard in de Tempel in Jeruzalem, de richtlijnen die het volk in de woestijn had gekregen, zal het hart van de wereld gaan vormen. Dat is pas toekomstverwachting, in theologische termen is dat de theologie van de hoop, de hoop dat uiteindelijk de liefde zal regeren. Een lied om luidkeels met Micha mee te zingen, zoals het lied eeuwenlang werd gezongen als het volk Israël naar de Tempel trok om maaltijd te houden met de familie, het personeel, de levieten, de vreemdelingen en de armen. De komst van de bevrijding van alle armen en onderdrukten in de hele wereld is en blijft het einddoel.  

Voor gewone eenvoudige mensen is dat toch wel wat erg veel om zomaar aan te beginnen. Er staat in de Bijbel ook het tegendeel, niet de zwaarden tot ploegijzers omsmeden maar de profeet Joël roept het volk op om de ploegijzers tot zwaarden om te smeden. Joël heeft het over de rovers die ons bedreigen, naar aanleiding van een sprinkhanenplaag heeft hij het over de opvreters. Die kennen we vandaag de dag ook nog, de managers in maatpakken die meer bonussen opstrijken dan een land kan bezuinigen. En Joël en Micha zijn allebei hoofdstukken uit het boek van de 12 profeten.

Lang hebben we dat boek gelezen als een verzameling van twaalf verschillende boeken maar ze horen wel degelijk bij elkaar en belichten onze wereld steeds van verschillende kanten. Samen met de droom van Micha klinkt de oproep van Joël. Voor de tijd dat de dagen aanbreken waar Micha over zingt heeft het Bijbelverhaal dan ook een prachtig antwoord. In die tussentijd moeten we oppassen dat slimme leiders er niet met onze schijnbare onmacht vandoor gaan. Micha roept ons op naar de Berg van de Heer te gaan om ons te laten onderrichten, een prachtig woord voor leren, we leren de richting van de weg die we moeten gaan.

We weten dat de Wet van Liefde en Recht ons richting kan geven. Het is een Wet die uiteindelijk bedoeld is je op weg te zetten, om je in beweging te brengen. Misstappen moeten daarbij voortdurend aan de kaak worden gesteld om de rechte koers te behouden. Misstappen van de leiders van de wereld, van de politici in ons land en onze stad, maar ook misstappen van organisaties en individuen die ons leven beïnvloeden en die onze zorg gestalte zouden moeten geven. We zullen stem moeten blijven geven aan de ontrechten tot het recht is verkregen.

Bij die zorg om de rechte koers, de koers van de Liefde, van de bevrijding van armen en ontrechten past ook uitstekend het beeld van de herder zoals die in de Bijbel wordt gebruikt. Abel, Abraham, Izaak en Jacob, Koning David, waren allemaal herders. Herder in Israël was een zware en verantwoordelijke taak. In de onontgonnen wildernis waren rovers en roofdieren uit op de kuddes. En de herders van Israël werden opgeroepen het volk als kudde te zien en te beschermen tegen aanvallen van buiten, herders die hun werk alleen als baantje wilden zien en geen risico’s wilden lopen werden door de profeten bestraffend toegesproken. De God van Israël zou hen verjagen en zelf als herder optreden en herders aanstellen die in zijn geest wilden werken.

We kennen natuurlijk allemaal wel Psalm 23 waarin de dichter de God van Israël als herder belijdt die hem zelfs steunt in het dal van diepe duisternis. Zo komen we bij het nieuwe testament en bij het Evangelie van Johannes waaruit we vanmorgen hebben gelezen. Johannes had al geschreven dat Jezus van Nazareth zichzelf had aangeduid als de goede herder, een herder die zelfs zijn leven zou geven voor zijn schapen, dat in tegenstelling met de religieuze autoriteiten van zijn dagen. Die hadden een overeenstemming met de bezetters, de onderdrukkers van het volk. Die priesters hadden het volk in toom willen houden om bloedige conflicten met de Romeinse bezetter te vermijden en de positie van de Tempel veilig te stellen.

Jezus van Nazareth had het volk van die bezetting willen bevrijden door iedereen mee te nemen in een leven van liefde. Vanmorgen hebben we in het bijzonder gelezen over de ontmoeting die Petrus had na de opstanding van Jezus van Nazareth. Hij was met zijn medeleerlingen teruggegaan naar Galilea en had zijn oude beroep van visser weer opgepakt. Wat kun je anders? Het graf was leeg, het verhaal was uit. Maar de hele nacht hadden ze gevist en niks gevangen. Tot de ochtend aanbrak. Toen stond er iemand aan de oever die gevraagd had om vis. Ze hadden hem moeten teleurstellen. Maar de onbekende had hen geraden om het net aan de andere kant van het schip uit te werpen. Toen konden ze het net bijna niet binnenhalenDe onbekende vreemdeling blijkt aan de oever van het meer al een vuurtje te hebben aangelegd en daarop vis te hebben geroosterd. Als hij aanbiedt dat voedsel met hen te delen herkennen ze in deze vreemdeling Jezus van Nazereth. En terwijl zijn collega’s nog sjouwen om het volgeladen net binnen te halen sprint Petrus al naar de Opgestane Heer.

In de dagen dat dit verhaal moest worden uitgelegd aan gelovigen die maar pas kennis hadden gemaakt met de weg van Jezus van Nazareth werd dan ook uitgelegd dat Petrus aan alle volken en  alle soorten mensen het Evangelie van Jezus van Nazareth moest verkondigen en dat alle gelovigen dat moesten gaan doen. Alle mensen, blank, zwart, bruin, geel, groen of paars moeten we meenemen op de Weg van Jezus van Nazareth. Daarbij mogen we er geen een vergeten. Zoals een goede herder een schaap zal gaan zoeken dat is afgedwaald zo moeten wij zorgen dat iedereen mee kan gaan doen.

Iedereen die denkt dat je het met één soort kan doen, alleen nederlandse mensen bijvoorbeeld, bewandelt dus niet de Weg van Jezus van Nazareth. Hoe die weg is lezen we op vier verschillende manieren, maar we worden in elk van die verhalen geroepen om Hem te volgen, ook vandaag. Maar dan dat gesprek tussen Petrus en Jezus van Nazareth. Hoe zit dat nu in elkaar? Drie maal wordt aan Petrus gevraagd of hij Jezus van Nazareth lief heeft. Dat roept herinneringen op aan het proces van Jezus. Tijdens het laatste avondmaal had Jezus aan Petrus voorgehouden dat die dezelfde nacht nog drie maal zou ontkennen dat hij Jezus van Nazareth kende. Petrus had dat heftig ontkend, zoiets zou nooit kunnen gebeuren. Maar toen de soldaten kwamen om Jezus gevangen te nemen had Jezus uitdrukkelijk verboden om er iets tegen te doen en had hij de soldaten bijna gesmeekt om zijn volgelingen er buiten te laten. Dat was ook gebeurd. Nu was er een volgeling die toegang had tot het paleis van de Hoge Priester waar het proces plaats had, zo vertelt Johannes ons. Die volgeling had Petrus meegenomen naar binnen. Daar was Petrus drie maal herkend als volgeling van Jezus en drie maal had hij ontkent Jezus van Nazareth te kennen. In het verhaal van Johannes kun je ook lezen dat Petrus niet anders kon dan loochenen om de andere volgeling niet in gevaar te brengen.

Als Johannes vertelt over de begrafenis van Jezus van Nazareth dan wordt niet alleen Jozef van Arimatea genoemd maar ook Nicodemus, lid van het Sanhedrin dat Jezus van Nazareth had laten arresteren. En van die Nicodemus hadden we al gelezen dat die in de nacht, in het geheim, bij Jezus op bezoek had moeten komen. Als Petrus een echte volgeling van Jezus van Nazareth was had hij dus niet anders gekund dan de andere volgelingen in bescherming te nemen zoals Jezus had gedaan en dat betekende dat hij niet anders had gekund dan ontkennen Jezus ooit gekend te hebben.

Drie keer krijgt Petrus dus de vraag of hij Jezus liefheeft. Was die verloochening uit angst voor zijn eigen veiligheid of uit liefde voor de volgeling die hem had meegenomen naar het proces? Want pas als vaststaat dat het niet uit angst is, uit eigenliefde, dan pas kan Petrus de taak aan die voor hem is weggelegd. Angst voor ons eigen lot mag ook voor ons niet de richtlijn zijn, geloof heet niet voor niets ook vertrouwen, vertrouwen op de God die nooit laat varen het werk dat zijn hand begon. Ons individueel lot weegt ook nooit op tegen het lot van de beweging van liefde die met Jezus van Nazareth is begonnen. Drie maal wordt de vraag gesteld, want drie is het goddelijk getal.

Maar drie keer klinkt ook de goddelijke opdracht en die zijn niet altijd hetzelfde. De eerste opdracht is: “weid mijn lammeren.” De kleintjes eerst dus, de zwaksten, de lammeren, staan voorop. De lammeren ook die geslacht werden en wier bloed aan de deurpost werd gesmeerd om de dood tegen te houden. Dan: “weid mijn schapen.” Ook de groten, de sterkeren die je tegenkomt mag je wijzen op de vruchtbare weg die voor hen in het verschiet ligt, maar als het er echt op aan komt, dan klinkt het: “hoed mijn schapen”, bescherm ze, verdedig ze tegen aanvallen van buiten. Je bent verantwoordelijk voor ze. In dat “hoed mijn schapen” klinkt de vraag van Kaïn door, “ben ik mijn broeders hoeder? “ Ja dat ben je dus, dat is niet alleen een gegeven, dat is een opdracht, een roeping.

Die roeping brengt je niet op een gemakkelijke weg. Die gemakkelijke weg is er als je nog jong bent. Dan zijn er anderen die voor je zorgen, dan kun je gaan en staan waar wil, dan kun je je eigen leven uitstippelen. Maar naarmate je ouder wordt kan dat minder en minder, steeds meer verantwoordelijkheden eisen je op. Petrus heeft daar al kennis mee gemaakt, hij was gedwongen iets te doen waar hij zich hartstochtelijk tegen had verzet, ontkennen dat hij Jezus van Nazareth kende, maar hij kon niet anders. Hij had ook gehoord dat de weg van Jezus van Nazareth betekent een kruis opnemen achter hem aan.

Hij wordt opnieuw geroepen Jezus te volgen en dat kan betekenen een marteldood, volgens de overlevering zou hij ook een marteldood sterven in Rome, maar dat staat dus niet in de Bijbel. Wij moeten ons dus niet laten leiden door het vooruitzicht dat het wel eens slecht met ons af zou kunnen lopen. Petrus wil dat wel, hij zorgt gelijk voor de dicipel die Jezus liefhad. Die zou dan immers ook de kans lopen op een marteldood? Jezus neemt dat terug. Wij weten niet wat er met ons zal gebeuren, dat ligt in de handen van de Vader, dat gaat ons niet aan. Het ging overigens over de schrijver van dit Evangelie die er aan toevoegt dat er nog veel meer te vertellen valt maar dat het meerdere niet bijdraagt tot een beter verstaan van het verhaal van Jezus van Nazareth.

Hebben wij nu ook nog wat met Petrus? De Rooms Katholieke kerk heeft er zijn pausambt op gebouwd, juist op de tekst die we vandaag gelezen hebben. Dat zou ook voor ons ook mooi gemakkelijk zijn want dan konden ook wij het boek sluiten en overgaan tot de orde van de dag. Er is immers iemand anders die voor de kudden moet zorgen? Maar protestanten hebben het gevoel dat het daar niet bij kan blijven. We kunnen het niet aan een ander overlaten, een ander verantwoordelijk maken voor de komst van het koninkrijk van God. In de opdracht die Petrus kreeg, hoedt mijn lammeren, weidt mijn schapen, voelen we ook een opdracht voor onszelf, we spreken in dat verband wel over het ambt van alle gelovigen Dat is niet gemakkelijk.

We kennen het allemaal wel. We hebben een prachtige kerkdienst gehad waarin de droom van Micha en Jesaja in schitterende kleuren ons werd voorgehouden en we luidkeels de lof van God konden zingen. We spraken er nog over bij de koffie en misschien de rest van de zondag ook nog. Maar dan komt het leven van alledag weer en wat dan? Dan hebben we die kerkdienst soms meer nodig dan op zondag. Er is een ander woord voor kerkdienst dat ik eigenlijk veel mooier vind. “Godsdienstoefening” Hier oefenen we onze godsdienst. En hoe dan?

We brengen dat hier tot uiting in de collecte en in de voorbeden. Als bijna alles gezegd is dan schenken we uitgebreid aandacht aan wat we in de week te doen hebben en aan de collecte. In die collecte oefenen we in het liefhebben van onze naaste, in het delen met elkaar, zodat we dat in de week die volgt nog veel beter kunnen doen. En de voorbeden zijn onze todo list. Eigenlijk zouden we aan al die zaken die genoemd worden wel iets willen doen, maar we weten niet hoe en wat, daarom noemen we het en leggen het bij God.

Dat is een begin, een oefening en als je door de week iets tegenkomt dat is genoemd dan flitst het vast weer door je heen: hier ging het over, dit is het weiden van de lammeren en het hoeden van de schapen, dit is het houden van onze naaste als van onszelf, dit is vrede brengen en recht verschaffen, dit is mensen tot hun recht laten komen. Dit is de weg gaan waarover Micha en Jesaja gezongen hebben. Die weg kunnen we door het te oefenen elke dag opnieuw herkennen, die weg kunnen we daardoor ook elke dag opnieuw weer opgaan, ook de komende week.

Amen.

Lezen: Jesaja 26:1-13

Johannes 20: 24-31

Gemeente

In de Adventsdagen, de dagen dat we in afwachting zijn van de geboorte van Jezus van Nazareth, klinkt nog wel eens het gezang “Hef op uw hoofden, Poorten wijd, wie is het die hier binnenrijdt?” Nu zijn het op dit moment geen zondagen in de advent maar is het vandaag de eerste zondag na Pasen, Beloken Pasen. Overal in het land zijn gastvoorgangers actief omdat we de 40 dagentijd ons voorbereid hebben op het lijden van Jezus en op Goede Vrijdag zijn dood hebben herdacht om in de Paasnacht bijeen te komen voor de voorbereiding op de opstanding en de vernieuwing van de doop en daarmee van ons geloof. Op paasmorgen mag dan de roep klinken dat de Heer waarlijk is opgestaan. Drukke dagen voor gemeentepredikanten, drukke dagen voor lege kerken, een organist, een ouderling en enkele zangstemmen, een lector en dat was het wel. Hopen dat er veel mensen luisteren naar kerkdienstgemist en dat mensen die rechtstreeks luisteren anderen attenderen op de dienst die je nog de hele week kunt beluisteren,

Waarom dan toch die vraag naar wie onze sterke stad wil binnenrijden? De lezing die we uit het boek van de profeet Jesaja hoorden vanmorgen? Jesaja heeft het over Jeruzalem, een stad die in het verhaal van Jesaja werd belegerd en bedreigd met verwoesting. Maar ook een stad met een bijzondere Tempel, een Tempel waar niet een beeld stond van de een of andere God maar waar de grondregels werden bewaard  van de leer van Mozes. Grondregels die ze hadden gekregen toen ze echt een volk werden, een volk op weg naar een land overvloeiende van melk en honing.

Die leer van Mozes, die in de Tempel werd bewaard, geeft de armen van de stad een bescherming sterker dan de sterkste muur zegt de profeet in dit gedeelte van het Boek van de profeet Jesaja. Armoede is geen natuurverschijnsel. onrechtvaardige verdeling van kennis, inkomen en macht blijft niet vanzelf in stand.

Dat verlangen naar de Heer die je bevrijd van de bedreiging met de dood hoort volgens het Boek van de profeet Jesaja bij het gaan van de paden van het recht van die Heer. Volgens de profeet zijn het de goddelozen die dat recht nooit zullen leren. Het zijn de verdrukten en vertrapten die een beroep doen op dat recht en blijkens deze passage dat beroep ook nooit vergeefs zullen doen. Het is niet onbelangrijk te blijven beseffen dat het verlangen naar God niet kan zonder recht te doen aan de minsten.

Overal op de wereld zijn er religieuze leiders die je anders willen doen geloven. Persoonlijke verhoudingen met God, op je knieën en bidden maar, je hart openen voor God, zijn allemaal zaken die met het geloof in de God van Israel, met Jezus van Nazareth te maken zouden hebben. Niets is dus minder waar. Recht doen aan mensen, daar gaat het om. De hongerigen voeden, de naakten kleden, de bedroefden troosten, de blinden laten zien en de lammen laten lopen, de gevangenen bezoeken en de armen bevrijden is het hart van de godsdienst, dat is bidden, dat is de uitdrukking van het verlangen naar de Heer.

Want waarom schrijven we “Heer” met een hoofdletter. Dat is niet zozeer uit eerbied voor God. Het is geen bewijs van ondergeschiktheid, we kunnen deze God immers ook als Vader aanspreken. Maar het is de ontkenning van alle machten en krachten in deze wereld die zich buiten Gods grondregel van Liefde menen te mogen stellen. Juist onder de macht van de goddelozen lijken mensen dood, ze spreken niet meer vrij, ze verstijven in hun gedrag, ze mogen niet meer en anders bewegen dan zoals de machthebbers toestaan.

We kennen ze uit alle bedreigende situaties die in onze samenleving en in de samenleving van volken kunnen voorkomen. Die doden komen tot leven als we mensen recht willen doen. Daar waar volken bevrijdt worden van onderdrukking kunnen we er weer een echt contact mee hebben, zien we weer de culturele uitingen, horen we van ideeën en gedachten. Daar waar mensen bevrijdt worden van angst bloeien mensen weer op.

Daar waar armen bevrijdt worden van knellende armoede komen zij weer tot hun recht, blijkt hun creativiteit, brengen ze vreugde mee op de arbeidsmarkt, weten ze een voorbeeld te stellen in het delen met hen die het nodig hebben. Het zijn de paden van het recht van die ene Heer die ons naar de bevrijding voeren. De Bijbel stelt eigenlijk dat er ook geen andere weg is. Je kunt de bevrijding niet afdwingen met geweld, je kunt het niet opleggen aan anderen. Alleen door je naaste lief te hebben als jezelf, ja zelfs je vijanden lief te hebben, komt uiteindelijk de bevrijding. Daar moet je zelf mee beginnen, maar het is een zaak van de hele samenleving en alle volken zullen er uiteindelijk aan meedoen.

De vraag is voor wie wij onze Poorten open doen? Is dat voor de ontrechten, de vluchtelingen die worden vervolgd, de armen die geen toekomst meer hebben? Doen wij de poorten open om mensen recht te doen? Of doen wij onze Poorten alleen open voor de rijken en de machtigen van deze aarde. De mensen aan wie we kunnen verdienen, die zichzelf tot hun recht kunnen laten komen omdat zij het recht halen kunnen betalen. Zoals UuberPop dat een miljard uittrekt om rechtzaken te kunnen voeren, zo lang  houden ze dat vol totdat het recht zich aan hun kant zal scharen.

De vraag voor wie wij gastvrij zijn speelt ook in het verhaal dat we vandaag uit het Evangelie hebben gelezen.

Het is dus vandaag al weer een Christelijke feestdag, Beloken Pasen heet die. Het is de achtste dag na Pasen en de eerste zondag na Pasen. In de kerken lezen we dan ook graag over de verschijning van Jezus van Nazareth na de kruisiging aan de volgelingen. Zo zal er veel gepreekt worden over dat verhaal van de mensen die wandelden naar Emmaüs en daar Jezus ontmoeten.

Wij lazen dat rare Pinksterverhaal uit het Evangelie van Johannes. Johannes vertelt dat de leerlingen als angstige vogeltjes samen waren weggekropen, bang dat ze hetzelfde lot zouden ondergaan als Jezus. Die angst verdween toen Jezus in hun midden kwam staan en hun zijn handen toonde waar de spijkers van het kruis doorheen waren gegaan en de wond in zijn zij.

Dat zij de deuren hadden gesloten hield Jezus niet tegen. Hij komt zelfs door onze gesloten deuren, als wij onze grenzen sluiten, onze poorten barricaderen komt Jezus toch bij ons binnen en vraagt ons wanneer wij hem te eten dachten te geven, wanneer wij hem dachten te verzorgen omdat hij ziek is, wanneer wij hem dachten te gaan kleden omdat hij naakt is/ Ook al schuilen wij weg als bange vogeltjes, hij komt toch bij ons binnen. Toen op die eerste dag van de week, toen op beloken Pasen, stak de Pinksterwind  op en bevestigde Jezus dat ze genoeg hadden geleerd om mensen hetzelfde verhaal te vertellen als hij altijd aan de mensen had verteld.

Houd van elkaar als van jezelf was het hart van dat verhaal dat de liefde doorzette door de dood heen. Je zou het zelf willen zien want het is natuurlijk ongelooflijk. Thomas was zo iemand die het zelf wilde zien en toen pas geloofde. Thomas mocht het zien en voelen, voor Thomas kreeg het verhaal handen en voeten en Johannes vertelt het alsof Jezus daar iedere zondag langs kwam. Maar het volhouden van de liefde in Christus en de gevolgen daarvan zijn inderdaad ongeloofelijk.

Het is te doen, je kunt er immers altijd weer opnieuw mee beginnen. Jezus had zijn leerlingen nog op het hart gebonden dat er altijd bij te vertellen, je kunt er altijd weer opnieuw mee beginnen. En ook al zie je het resultaat niet, juist als je doorgaat dwars door alle liefdeloosheid, dwars tegen alle haat en doodsheid heen, zul je merken dat het geluk niet zit in winst en profijt, in uiterlijk vertoon, maar in de liefde voor de naaste. Dat zijn wonderen die je voor je zelf houd en verder niet opschrijft, maar dat zijn wonderen die door miljoenen mensen in de geschiedenis zijn gedeeld en tot vandaag de dag de hele aarde over gaan.

Aan ons om die Liefde ook in onze eigen omgeving levend te houden en door te geven, om er meer en meer mensen bij te betrekken. Het Koninkrijk van Jezus is immers aangebroken en dat je iemand vrede wenst klinkt zo gek nog niet. Die vrede kan komen, die vrede zal aanbreken, niet omdat wij er hard aan werken maar omdat de God van Jezus van Nazareth het ons heeft beloofd. Omdat Jezus van Nazareth is opgestaan van de doden zoals wij mogen geloven. En omdat wij er in mogen geloven werken we er aan mee, tot de aarde zo mooi is geworden dat God zelf hier zal willen wonen. Er wacht ons nog heel veel werk, laten wij dus niet wachten maar zoals Jezus ons opgedragen heeft zorgen dat alle mensen op aarde mee gaan doen. Hij schenkt ons daarvoor zijn Geest, zijn kracht, aan het werk dus.

Amen.

Gemeente,

Bent U geroepen? Heeft u de stem gehoord? In de nacht, toen je lag te slapen? Of zo maar tijdens je dagelijks werk? Veel mensen hebben geen idee. Als je stemmen hoort in je hoofd dan wordt het toch tijd dat je eens met je dokter gaat praten. Maar een roep van de God van Israël. Of van zijn zoon Jezus van Nazareth? Voor mij is in de loop van de jaren duidelijk geworden hoe dat nu zat met die mensen uit dat verhaal van Mattheüs 25, u weet wel, die mensen die vroegen wanneer ze de Heer dan te eten hadden gegeven, of te drinken, of gekleed, of bezocht in de gevangenis. Telkens bleken ze zijn roep gehoord te hebben maar ze hadden geen idee, er was een mens die hulp vroeg, een hand die uitgestoken werd, een ezel om een zieke te vervoeren en ondanks alles hadden ze de hulpvraag gehoord en geantwoord en pas veel later hoorden ze dat ze wat ze aan de minsten van zijn mensen hadden gedaan aan hem hadden gedaan. Daar gaat dat roepen dus over en dat geroepen worden.

Dat geroepen worden is niet een abstract, geestelijk gebeuren, het is concreet, het gebeurt op een concrete tijd en plaats. Neem nu de roeping van Samuël. Die was door zijn moeder aan God aangeboden. Hij zou opgroeien tot een zeer opvallende gestalte, zijn haar bleef aan alle kanten groeien, een man met een lange baard en zeer lange haren zou hij worden. Maar bij zijn roeping is het nog niet zo ver. Dan is hij nog maar een hulpje in de Tempel. Een hulpje van een oude blinde priester Eli. Zijn zonen zouden priester moeten worden maar die trokken zich van de God van Israël niet zo veel meer aan. En in het volk was het niet veel anders, niemand meer die nog droomde van een samenleving van recht en gerechtigheid staat er dan.

Er is echter nog wel een besef van God. De Godslamp was nog niet uit staat er in het gedeelte dat we gelezen hebben. Die lamp bleef altijd branden in de Tempel. Samuël sliep achter de Ark. Die rare kist van acaciahout waar een soort engelen op stonden als beschermers maar waar de God waarom het ging ontbrak. Er lagen stenen platen in die Ark zei men, waar de richtlijnen op stonden voor het inrichten van een menselijke samenleving. En in zijn slaap werd Samuël gewekt. Samuël, Samuël klinkt het, zoals ook eens Mozes werd geroepen, twee keer zijn naam. Nu betekent de naam Samuël “God hoort” . Samuël hoort het ook maar heeft nog geen weet van God. Pas als na de derde keerde de Priester een licht op gaat en hem naar God verwijst komt het zo ver. Samuël krijgt te horen dat het slecht zal aflopen met dat Priestergeslacht. Samuël zal op zoek moeten naar een leider van het volk die een man naar Gods hart genoemd zal kunnen worden. Het gaat er dus niet om dat de positie van Samuël zelf hem groot maakt en macht en gezag verleend.

Marcus onderstreept graag dat ook Jezus van Nazareth niet op aarde rondliep om zichzelf groot te maken of zichzelf groot te laten maken. Hij liep gewoon langs het meer en ging gewoon naar de synagoge net als alle andere Joden deden. Hij had alleen wel een bijzondere boodschap die het begin is van het gedeelte staat dat we vandaag gelezen hebben. Zijn boodschap was dat het Koninkrijk van God nabij was, de tijd was aangebroken voor dat Koninkrijk en dat was voor de mensen goed nieuws.

Dat Koninkrijk van God kenden ze. Johannes de Doper had het al aangekondigd, dat rijk waarvan de profeten hadden gesproken zou in hun dagen komen. Volgens de Bijbel zou Johannes gezegd hebben dat ze tot inkeer moesten komen, dat wie twee mantels had er een zou moeten weggeven aan iemand die er geen had. Wij kennen die uitspraak beter uit de Bergrede die Jezus later in het verhaal zou houden.

Maar over die nieuwe samenleving, dat Koninkrijk hadden de profeten al gesproken. De leeuw zou met het lam slapen en een baby in het hol van de slang. De tranen zouden gewist worden en God zelf zou op aarde komen wonen. De bezetting door de Romeinen zou voorgoed voorbij zijn.

Vrede zou het zijn op de hele aarde en armoede en onderdrukking zouden eindelijk voorbij zijn. Dat was wat er vanouds was beloofd en nu was er iemand die kwam vertellen dat het ook werkelijk zou gebeuren. Geen wonder dat mensen hem wilden volgen. Het hele volk had zich immers al laten dopen door Johannes zo vertelt Marcus maar nu Johannes gevangen is genomen begint het optreden van Jezus van Nazareth.

En volgelingen krijgen en een boodschap brengen waar iedereen op zit te wachten wekt zonder meer bewondering. Als iemand zegt waarop het staat, iedereen de ogen opent voor de werkelijkheid, dan heeft zo iemand gezag. Dan gaat het nieuws rond als een lopend vuurtje. Of de mensen het echt hebben begrepen is maar de vraag. Ze spraken over een nieuwe leer. De richtlijnen die ze ooit in de woestijn hadden gekregen, dat van heb Uw naaste lief als uzelf waren bijna vergeten en vervangen door het gehoorzaam Uw priesters en breng tijdig grote offers om de priesters te onderhouden.

Het was als in de dagen dat Samuël werd geroepen. Dromen van een andere samenleving was beperkt tot het dromen van het einde van de Romeinse bezetting. Een samenleving van recht en gerechtigheid, van vrede en verdraagzaamheid daar werd niet meer van gedroomd.

Het zijn vissers die geroepen worden. Gewone mensen die weet hebben van hard werken, die weet hebben ook van nachten dat de vangst uitblijft, dat er angst is dat honger zal toeslaan. Na de kruisiging en de opstanding, de opwinding ook in Jeruzalem zullen ze weer terugkeren, dan gaan ze weer vissen, dan zullen ze Jezus opnieuw ontmoeten en leren dat ze hun netten aan de andere kant moeten uitwerpen, dat ze een andere weg te gaan hebben.

Ook zij worden niet geroepen om Koningen te zijn. Ze moeten hun werk in de steek laten, hun verwanten laten zitten met het werk van alle dag. Dat zal ze niet in dank zijn afgenomen. Die Petrus had zelfs een gezin, later zal Jezus nog eens zijn schoonmoeder genezen in Kapernaüm. Maar ze gaan op weg. Ze voelen aan dat het bij Jezus van Nazareth om meer gaat dan om het verjagen van Romeinen. Wat dat meerdere is moeten ze nog leren. Het begin is de roep te verstaan. Een roep die we misschien in ons leven niet zo concreet horen, misschien kunnen we zelfs niet zeggen wanneer het besef kwam dat we de roep van Jezus zouden moeten volgen. We zijn er immers vaak mee groot gebracht. Het is ons vaak letterlijk met de paplepel ingegoten. Daar is niks mis mee. Het gaat er immers niet om dat wij beter worden van het volgen van Jezus, maar dat de wereld er beter van wordt. Dat recht en gerechtigheid gaan regeren, dat vrede de wachter is bij onze muren zoals Jesaja dat zo mooi kan zeggen.

Het gaat er om dat er een aarde komt die zo mooi is dat God er zelf zal willen wonen. Waar een nieuw Jeruzalem komt met straten van goud en tronen waar God en Jezus op zitten om met hun Geest de hele wereld te regeren. Daarvoor mogen we alles in de steek laten wat ons door de wereld schijnbaar wordt voorgeschreven, carrière maken, rijk worden, machtig worden, aanzien verwerven, de eerste te worden in de vele competities die ons worden aangeboden. Eigenlijk worden we daarvoor dus elke dag opgeroepen en zeker op zondag als we naar de kerk gaan. Iedere keer wordt hier aangeraden om te antwoorden, Heer uw dienares, uw dienaar luistert en iedere keer horen we roep van de onderdrukten, zie we het lot van de minsten die onze hulp nodig hebben. We volgen Jezus van Nazareth, die tegen de leerlingen van Johannes zal zeggen kijk maar wat er gebeurt, de lammen lopen, de blinden leren zien, de bedroefden worden getroost.

Zo mag ook onze gemeenschap gezien worden, daar worden de hongerigen gevoed, daar worden de dorstigen gelaafd, daar is aandacht en zorg voor de minsten. Dat straalt een kerk uit, elke kerk, ook de kerk hier in Opperdoes. Elke dag mogen we daarvoor opstaan, zoals Samuël opstond, spreek Heer uw dienaar luistert is het enige dat we hoeven zeggen, en misschien zelfs dat niet, misschien hoeven we het alleen maar te doen.

Amen.

Lezen: Lukas 2: 33-40

Gemeente,

De beweging van Jezus van Nazareth is niet zomaar uit de lucht komen vallen. Al in de dagen dat hij geboren werd waren er velen in Israël die de komst van een bevrijder verwachten. Er waren dan ook al de nodige opstandjes geweest en er liepen regelmatig mensen rond die zich uitgaven voor de beloofde messias. Mensen met gelijke verwachtingen en overtuigingen zochten elkaar ook op. Uit opgravingen na de Tweede Wereldoorlog weten we ook dat mensen de bestaande samenleving verlieten en in de woestijn in communes gingen wonen.

Ook over Johannes de Doper vertelde Lucas al eerder dat hij in de woestijn ging wonen. Over Simeon en Hanna, waar we vandaag over gehoord hebben, wordt juist uitdrukkelijk verteld dat ze in de Tempel in Jeruzalem verbleven. Dat is de plaats waar zij de messias verwachten en zij herkennen in het kind, dat op de akker van David in Bethlehem geboren was, de beloofde bevrijder van Israël. Simeon begon te zingen van dat God hem nu wel kon laten gaan omdat zijn ogen het heil hadden gezien. Geen wonder dat Maria en Jozef verbaasd waren over wat ze hadden gehoord. Maar als je het heil voor de wereld ziet dan kun je je mond niet houden.

Daarom ook vertelde Hanna aan allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem over dit kind. Over die Hanna weten we verder niet zoveel. Ze was uit de stam van de gezegenden, dat betekent Aser, één van de tien stammen die na de ballingschap als zodanig niet meer was teruggekeerd, ze was de dochter van het gelaat van God, want dat betekent de naam Fanuël, haar eigen naam betekent genade. Ze was profetes en weduwe van beroep. Dat laatste klinkt hard maar de vermelding van haar leeftijd en haar naar verhouding korte huwelijk staan er niet voor niets.

De familie van haar man had voor haar moeten zorgen, daar had een man gevonden moeten worden die haar had willen trouwen. In de oude wetten van Mozes staat precies hoe ze dat hadden moeten doen. Maar in een paar woorden weet Lucas ons te vertellen dat die wetten voor die familie niets te betekenen hadden gehad en dat de wet van Mozes haar in elk geval geen bescherming had geboden. Nu maakte ze kennis met jonge mensen die alle risico’s genomen hadden met het wel weer gaan leven of de leer van Mozes nog steeds de geldende richtlijn voor het leven in Israël was. Daar mocht zij bevrijding uit haar benarde situatie van verwachten. Dat zou de bevrijding van Jeruzalem dichterbij brengen.

Want Jeruzalem was nu eenmaal de stad waar die oude richtlijnen voor de menselijke samenleving bewaard werden. Waar mensen naar toe kwamen om zich rond die leer te scharen en door met elkaar een maaltijd te delen weer te oefenen in de betekenis van die grondregel: heb uw naaste lief als uzelf.

Daarom is het vertrouwen van Maria en Jozef, om geen trouw te zweren aan Keizer Augustus maar te vertrouwen op de belofte van God dat die zou zorgen dat ooit het land door Jozua aan de voorouders van Koning David was toegewezen weer terug zou komen. Dat ze dat hadden gedaan van belang voor de hele bewoonde wereld.

Bevrijding van Jeruzalem betekende voor Hanna dat die leer weer tot gelding gebracht zou worden. Daar was die nieuwe koning uit het geslacht van David voor geboren, daar was de gezalfde, de Messias, de christus, voor op aarde gekomen. Zo mogen wij ons voegen in dit verhaal. Weer oog en oor krijgen voor de weduwe, zorgen voor mensen die lang afhankelijk zijn van hulp en bijstand, zorgen dat mensen weer zelf verder kunnen. Zorgen dat mensen door ons niet besmet worden met het Coronavirus, daarom geen kerkdiensten met veel mensen maar samen zijn via internet, door God ons gegeven.

Wij mogen er voor zorgen dat de grondregel van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf weer in het middelpunt van de wereld komt te staan. Zodat iedereen er bescherming van kan genieten. Daarom roepen wij mensen straks ook op zich te laten vaccineren, zodat we elkaar en vooral de zwaksten mogen beschermen. Wat voor ons is kerst het begin geweest van het Koningschap van de liefde. Wij mogen die liefde verspreiden, en daar mogen wij vandaag weer mee beginnen.

Amen

Gemeente

Het is dus de naamdag voor iedereen die op de een of andere manier naar Nicolaas zijn vernoemd. De Nico’s en de Klazen, maar ook de Nicolientjes en de Klazientjes en eigenlijk ook de Lientjes zelf. Al heel vroeg in de kerk was het de gewoonte om mensen die een voorbeeld waren voor gelovigen te blijven herdenken. Sporen daarvan zijn zelf in de brieven van Paulus terug te vinden. De Nicolaas, bisschop van Myra in Turkeije was zo’n voorbeeld. Over hem gingen verhalen over meisjes die hij een bruidsschat bezorgde en over jongens die hij uit de slavernij bevrijdde. Een kindervriend dus. Lastig is wel dat er twee bisschoppen Nicolaas van Myra zijn geweest, een oom en een neef. Over wie die verhalen gaan weten we eigenlijk niet meer. Maar het grote motto van het feest van Nicolaas : Eerlijk zullen we alles delen, blijft ons bezig houden. Eigenlijk hebben we het daar elke zondag wel over. En voor de kinderen zorgen is ons ook niet vreemd, we vragen als kerken niet voor niets onophoudelijk om die 500 weeskinderen uit Griekse vluchtelingenkampen te halen.

Het boek van de profeet Jesaja wordt in de adventstijd beleefd als het boek van de hoop op bevrijding. De tekst van het gedeelte van vandaag is gebruikt voor één van de meest populaire gedeelten uit de compositie Messiah van Händel. Het magistrale werk over de bevrijder die het volk terug zou voeren naar het beloofde land en de hele aarde zou bevrijden van alle uitbuiting, leed en ellende. Bergen en dalen zullen daarvoor verdwijnen, een tocht door de woestijn wordt dan een feestelijke reis die je zingend af kunt leggen.

Jesaja, zat met een groot probleem. De God van Israël had verloren van de goden van Babel. Zo was het geloof van de volken in die dagen, naast de oorlog tussen mensen voerden de goden van de mensen oorlog.  De oppergod van Babel, Marduk, had in de oorlog tussen Juda en Babel duidelijk gewonnen want zelfs het zilver van de Tempel in Jeruzalem was naar Babel overgebracht, samen met het volk.

Die Marduk moest wel een hele sterke God zijn want toen koning Nabonid van Babel zich afwendde van de godsdienst van Marduk en de maangodin Sin ging aanhangen verzwakte het rijk van Babel en kon het worden veroverd door Cyrus van Perzië. De priesters van Marduk openden de poorten van Babel  voor de veroveraar.

Cyrus besloot vrijwel direct de Joden terug te laten keren naar hun eigen land en gaf hen toestemming hun eigen God te gaan aanbidden en hun Tempel te herbouwen. Ze mochten zelfs het tempelzilver meenemen. Jesaja noemde Cyrus daarom Messias, de verwachtte bevrijder van Israël. Voor Jesaja bestaan de andere goden van de volken gewoon niet. Het is de God van Israël die alle machten en krachten van de wereld te boven gaat. Daarom vertegenwoordigen de teruggekeerde ballingen juist die God, een God waar je op kunt bouwen, die niet laat varen het werk dat ooit werd begonnen. Zelfs de heidense Koning Cyrus werd een werktuig in de hand van die God.

De eredienst van die God kon nu weer beginnen. En wat was de eredienst van die God dan wel? Daar draait het natuurlijk om. Dat was niet een mooie tempel met een prachtig beeld, veel priesters en veel offers. Dat was een Tempel waar het verbond met die God werd bewaard en gevierd. Dat verbond dat draaide om je naaste liefhebben als jezelf, daarmee heb je die God lief boven alles. Dat was wat die Priesters uitdroegen, zij spraken ook recht tussen de mensen en zorgden daarmee voor rechtvaardigheid. Zij zorgden er ook voor dat die offers werden gedeeld, met de armen en met de vreemdelingen. Daar hebben we het verhaal over eerlijk delen en zorgen voor de kleinen weer.  

Daarom begint dit verhaal van deutero Jesaja met een feestelijke optocht. God gaat voorop en de hele wereld loopt er achteraan, achter de God van vrede en gerechtigheid, als de Liefde weer gaat regeren op aarde.

Maar de vrede was van korte duur, het land Israël werd eerst bezet door de Grieken en werd geregeerd door een uiterst wrede Koning die zelfs een beeld van Zeus in de Tempel liet plaatsen. Hij werd verdreven door de Romeinen die net deden of het land weer een soort zelfstandigheid had door zelf Koningen op de troon te zetten die werden geholpen bij het regeren door Romeinse soldaten en die er op toe moesten zien dat de mensen belasting betaalden aan de Keizer in Rome. Opnieuw moest het volk haar positie tegenover de God van Israël bepalen, werd die God geheel verlaten, of was er een andere manier van aanbidden.

De door de Romeinse Keizer benoemde Koning had in Jeruzalem de Tempel laten herbouwen, een prachtig bouwwerk was het geworden, waar deftige priesters en hun aanhang de offers inden die gelovige Israëlieten lieten brengen. Vlak voor de dood van die Koning was Jezus van Nazareth geboren en als wij kennis maken met de pogingen van het volk een andere verhouding met de God van Israël te vinden horen we eerst het verhaal over Johannes, de profeet uit de woestijn, het is 30 jaar na die geboorte.

Maar wie was die Johannes eigenlijk? Trouwe Bijbellezers weten dat die in de woestijn woonde en sprinkhanen at. Hij riep op om de weg te bereiden voor de bevrijder van Israël. Een oproep die heel erg veel leek op de oproep van Jesaja om het bevel van Keizer Cyrus te volgen en terug naar Jeruzalem te keren om daar de stad en de Tempel te herbouwen.

Johannes riep de mensen op om op een andere manier dan ze gewend waren de God van Israël te eren. Volgens de Evangelist Lucas riep hij op om als je twee mantels had er één weg te geven aan wie er geen had. Wij kennen dat beeld uit de bergrede die Matteüs beschreven heeft, maar het was kennelijk een zeer oud gezegde binnen de christelijke gemeente. Het eerlijk zullen we alles delen begint dus al bij het optreden van Johannes.

De kenners van de Bijbel uit zijn tijd gingen toch eens vragen wat Johannes nou eigenlijk van zichzelf vond, hoe zag hij zichzelf in de geschiedenis? Hij riep net als een profeet vroeger het volk op om opnieuw de samenleving in te richten zoals God dat aan het volk in de woestijn na de bevrijding uit Egypte had onderwezen.

Ooit waren ze immers uit de woestijn gekomen het land van melk en honing in. Maar Johannes was in elk geval niet de reïncarnatie van de profeet Jesaja en ook niet van Elia, die ook nog een tijdje in de woestijn had gewoond. Johannes doopte met water, hij riep de mensen op hun oude leven af te wassen en opnieuw te beginnen, als voorbereiding op een leven met Jezus. Die doop was een reinigingsritueel. Het was ook onderdeel van de procedure die Heidenen moesten ondergaan als ze Jood wilden worden. Johannes vroeg dus eigenlijk of alle Joden weer Israëlieten wilden worden, volgers van de God van Israël.

Johannes stelde zich daarmee wel zeer uitdrukkelijk in de traditie van de profeten die hadden geroepen dat God geen offers wilde maar gerechtigheid. En voor de mensen die van de dienst in de Tempel leefden, de levieten en de priesters, was dat een gevaarlijke boodschap. Daar ging je broodwinning. Johannes wees op Jezus die na hem zou komen en het volk zou bevrijden.

De profeet Jesaja had het ooit eens gehad over een tafel vol met drank en uitgelezen spijzen die gratis klaar gemaakt was voor iedereen die mee wilde doen. Gewone mensen in Nederland dromen zich een keer per jaar ook zo’n tafel, dat doen ze met kerst. In de donkerste dagen van het jaar begint een nieuw leven.

Vandaag beginnen veel mensen al de boodschappen te doen en in de Geest van Jezus delen we ook met elkaar. De voedselbanken lopen over, van armen die ze hard nodig hebben en gelovigen uit de kerken die zondag na zondag voedsel inzamelen. Zwervers krijgen soms meer maaltijden aangeboden voor kerstavond dan ze op kunnen. Daklozen vroegen zelfs een keer om de feestmaaltijden maar in januari te organiseren. In elk geval moeten we oefenen om ook in januari gul te geven.

Het oude leven afleggen betekent wel ook echt met het nieuwe beginnen. Johannes kwam eerst en Jezus kwam daarna. We vieren het zo dat het verhaal van Jezus op Eerste Kerstdag begint, maar het moet niet op Tweede Kerstdag al uitverteld zijn.

Want het verhaal loopt uit op een hele nieuwe aarde. Een aarde die zo mooi zal zijn dat God zelf op deze aarde zou willen wonen. De Evangelisten vertellen dat heel het volk zich door Johannes liet dopen. Toen Jezus afscheid nam gaf hij volgens Matteüs zijn leerlingen de opdracht alle mensen op aarde te dopen, totdat de aarde voltooid zal zijn. Dan zal de dood op aarde niet meer heersen. Dan zal zelfs de zee haar doden teruggeven. Tot die dag mogen we meewerken aan de Weg van de God van Israël, zoals Johannes riep en Jezus ons voorleefde, tot de aarde voltooid zal zijn,

Amen 

Gemeente,

Aan het begin van de Bijbel staat hoe God de aarde en de hemel geschapen heeft. God was het die riep dat er licht moest zijn en scheiding maakte tussen licht en duister, het licht noemde hij dag en het duister nacht. God heeft dus de tijd geschapen. Maar zoals God geen schepsel is maar schepper zo staat God ook buiten de tijd. Dat is iets dat wij ons maar moeilijk kunnen voorstellen. Wij benoemen dat met een tijdsaanduiding, God is eeuwig. Maar een eeuw kunnen we meten, God is niet te meten, God staat ook buiten onze eeuwen, buiten de eeuwigheid.

En over die eeuwigheid hoorden we lezen uit het boek van de profeet Daniël. Als we het boek over Daniël lezen dan moeten we nooit vergeten dat het hele volk naar een vreemd rijk is gebracht, Babel, waar het volk in ballingschap wordt gehouden. Ze kunnen er werken, wonen, trouwen en zelfs hoge posities bereiken, maar ze blijven gevangenen die afhankelijk zijn van de grillen van vreemde vorsten. Daniël had een hoge positie bereikt maar blijft dromen van de tijd dat het volk weer in het eigen land zal wonen, hij blijft er vast van overtuigd dat het allemaal goed zal aflopen. Ook al is zijn hele volk weggevoerd naar het rijk van een machtig heerser, eens zullen ze terugkeren en dan zullen ze stralen als de sterren aan de hemel.

 In zijn dromen is er een legeraanvoerder Michaël, “hij die aan God gelijk is” betekent dat. De traditie heeft er een legeraanvoerder van God, een aartsengel, van gemaakt. Maar die Michaël zal het volk bevrijden, desnoods met geweld. Zoiets moet je dus niet al te vaak zeggen en zeker niet van de daken schreeuwen.

Daniël krijgt de opdracht die overtuiging maar geheim te houden. Mensen gaan vanzelf wel op zoek naar de zin van het bestaan en ontdekken dan hoe het zit. Steeds meer mensen komen tot de ontdekking dat polarisatie zonder gesprek geen enkele zin heeft. Mensen die onverschillig tegenover hun omgeving stonden, ze zijn als dood en liggend in het stof, staan op en nemen verantwoordelijkheid op zich voor hun omgeving, zorgen dan mensen weer samen gaan doen.

In de droom van Daniël zullen de goeden voor eeuwig voortleven en de slechten voor eeuwig worden verafschuwd. De mensen die het volk tot haar recht hebben gebracht zullen stralen als de sterren aan de hemel. Een prachtig beeld. Maar als je dat gaat rondbazuinen ontstaat er gelijk ruzie over de vraag wie bij de goeden en wie bij de slechten gerekend moeten worden. Het is daarom beter te blijven spreken over het ideaal zelf, de samenleving van je naaste liefhebben als jezelf, het land waar iedereen met iedereen deelt en dat daardoor overvloeit van melk en honing. Genoeg mensen zullen daar naar op zoek gaan, altijd weer, zelfs vandaag.

Er zijn een hele boel mensen gaan uitrekenen wanneer de tijd eindigt en de eeuwigheid begint. Volgens Jezus van Nazareth weet niemand dat, zelfs de zoon van God niet. Jezus van Nazareth waarschuwt dan ook  tegen dit soort valse Messiassen. Die berekeningen zijn uiteindelijk zaken die afleiden van de komst van het Koninkrijk. Daar gaat het om rechtvaardigheid en vrede. Om eerlijk delen met armen. Niet om de vraag wie de eeuwige vreugde krijgt en wie niet. Dat oordeel is aan God. In het Koninkrijk dat Jezus ons voorhoudt mag iedereen meedoen.

Jezus is hard tegen dit soort valse messiassen. Waar een lijk is zullen de gieren komen luidt het bij hem. De oorlog en de ellende zullen ons blijven omringen tot plotseling iedereen het inziet dat er maar één weg is die ons allemaal gelukkig kan maken. Voor het zover is zal het nog lang duren maar dat die tijd komt staat vast. En die komt ook als we er aan willen werken, als we er echt deel aan willen hebben. Tot die tijd komt zijn er vluchtelingen, zijn er slachtoffers, zijn er armen die op drift raken.

Tot die tijd lopen we ook het gevaar zelf mensen uit te roepen tot messias, tot bevrijder van onrecht en geweld.  De bijbel waarschuwt ons er tegen net als tegen dat rekenen om te weten wanneer de eindtijd komt. Kleine grapjes staan er ook in de Bijbel. Als het lente is lopen de takken van de bomen uit, komen er weer bladeren en verschijnt de bloesem. Als dus de takken gaan uitlopen, de bladeren verschijnen en de bloesem uitbot dan wordt het lente. Als het regent worden we nat.

Waar het om gaat is de vraag of we klaar zijn voor het einde van de geschiedenis en de nieuwe hemel en aarde die ons zijn beloofd. Dat na de donkere winter de lente zal komen is iets dat vast staat. Dat na de coronacrisis weer een gezonde samenleving ontstaat is een zekerheid. Het antwoord op de vraag of we er klaar zijn voor de eeuwige lente is helder. Er is nog veel vrede te winnen, er is nog veel armoede uit te bannen, er moeten nog veel mensen mee mogen doen. Velen zijn ons voorgegaan naar de eeuwigheid. Wij mogen ze ons vandaag herinneren en als wij ze ons herinneren dan herinneren we ook de warmte en het licht dat ze uitstraalden.

Een Joods spreekwoord zegt dat je pas echt dood bent als niemand meer je naam kent. Daarom noemen we vanmorgen de namen van hen die het afgelopen jaar ons uit onze gemeente zijn ontvallen. Om weer te gaan geloven en te verlangen naar de dag dat de eeuwigheid begint. Volgende week is de eerste zondag van de Advent.

Amen

Lezen: Ezechiël 34:11-17

Matteüs 25: 31-46

Gemeente,

Alle andere volken hadden ooit goden die zich met de Koningen en machtigen hadden verbonden, die stonden vooraan in Tempels en erediensten. Alleen Israël had een God die zich met slaven verbond en die sprak van bevrijding uit het slavenhuis. In de Tempel van de God van Israël werden maaltijden gehouden waar families aan tafel zaten met de dienaren van de Tempel, maar ook de armen, ook de slaven en de knechten en zelfs de vreemdelingen die bij hen aan het werk waren. Wie die bevrijding  van slaven tegenhoudt is goddeloos is de ogen van de Eeuwige.

Soms moet een volk dat ook weer eens opnieuw leren. Toen het volk Israël net ging doen als de volken om hen heen en meer vertrouwde op vreemde goden en vreemde machten dan op hun eigen God, ook de pracht en praal belangrijker ging vinden dan het samen delen,  werd duidelijk hoe zwak ze wel waren en werden ze in ballingschap gevoerd. Maar nog liet die God ze niet in de steek, juist in de ballingschap bleek die God van Israël opnieuw een bevrijder van slaven te zijn. Daar lezen we over in het boek van de profeet Ezechiël. Dat was zelf ook een balling en hij profeteerde pas toen hij in ballingschap was weggevoerd. Het is een mooie belofte die Ezechiël zijn volk voorhoudt. Hij is, samen met een groot gedeelte van het volk, in Babel in ballingschap gebracht. Daar had hij de opdracht van de God van Israël gekregen om die ballingen voor te houden dat ze niet moesten opgaan in de cultuur en het volk van Babel maar dat ze vast moesten houden aan het geloof van hun voorvaderen.

Want ook al waren ze zelf, en waren hun ouders, andere goden achterna gelopen de God van Israël laat niet varen het werk dat zijn hand begon en die God blijft dus de God van het volk Israël, ballingschap of niet. Het gedeelte dat we vanmorgen gelezen hebben gaat zelfs nog verder. Als het te zwaar weer wordt voor de verstrooiden dan zal God ze weer bijeen brengen en terug laten keren naar het beloofde land, dat land dat overvloeit van melk en honing. Niet alleen de ballingen uit Babel, maar de ballingen van overal in de wereld vandaan. Is het niet prachtig?

 Maar er klinkt een donkere ondertoon in het verhaal van Ezechiël. Het gaat over een wolkendek en donderwolken en op het eind worden de vette schapen geslacht en de zieke en gewonde dieren worden verzorgd en beter gemaakt. Dat lijkt toch niet helemaal eerlijk. De profeet Ezechiël had wel meer van die wonderlijke beelden om duidelijk te maken hoe het met de God van Israël nu eigenlijk zat. Het wordt duidelijker als we zien wat de aanleiding is voor deze prachtige belofte. Die aanleiding is dat de God van Israël het zat is dat het volk geleid wordt door uitbuiters en oplichters. Volvreters ten koste van de armen.

In het vers dat staat voor wij zijn gaan lezen staat dat hen de kudde zal worden ontnomen en dat de God van Israël zelf wel de herder van Israël zal worden, die valse onbetrouwbare herders zullen niet meer van de kudde mogen eten. Om het maar even te citeren : “ Dit zegt de Heer uw God :Ik zal de herders straffen en mijn schapen opeisen. Ook zullen ze niet langer zichzelf weiden: ik zal mijn schapen uit hun mond redden, ze zullen ze niet meer eten.” Het hele gedeelte is dus een aanklacht tegen de leiders van Israël. Leiders die hun positie zelfs in de ballingschap misbruiken om er een goed leventje van te kunnen leiden. In de beeldspraak van het volk als kudde en de God van Israël als herder zijn die leiders natuurlijk zelf ook schapen die deel uitmaken van de kudde. Wolven in schaapskleren. Het zijn de vette schapen geworden die ten koste van de zwakkeren en gewonden het beste deel voor zichzelf hebben opgeëist. Daar wordt nu door de God van Israël een stokje voor gestoken.

Daar hoeven wij dus ook geen genoegen mee te nemen. Ons is vaak voorgehouden dat we gehoorzaam moeten zijn aan wie boven ons zijn gesteld. Maar als ze door God boven ons zijn gesteld gedragen ze zich als goede herders die zelf op zoek gaan naar de schapen die verstrooid zijn en zoek zijn geraakt en die de zieke en gewonde dieren verzorgen en zeker niet het beste deel voor zichzelf opeisen. Gedragen de herders zich niet op die manier dan worden ze door God afgezet, daar mogen we op rekenen, daar mogen we zelfs vanuit gaan en in het belang van de zieke en gewonde medemensen, de minsten in de samenleving, de hongerigen en de naakten, moeten we zelfs vanuit gaan. Calvijn vond in zijn dagen dat het zelfs de christenplicht was om heersers die de zorg voor zieken en ouderen als een last benoemden af te zetten, het heeft ons de zelfstandigheid van ons land opgeleverd.

Jezus van Nazareth vertaalde de richtlijnen uit zijn Hebreeuwse Bijbel door naar het leven van iedereen en van elke dag. Ook in het gedeelte dat we vanmorgen uit het Evangelie naar Matteüs hebben gelezen. We lazen dat in de Nieuwe Bijbelvertaling,. Maar de meesten van ons zijn opgegroeid met de beroemde zin waarin Jezus zegt dat wat de minste van zijn broeders is aangedaan aan hem is aangedaan. De vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling hebben die beroemde zin over de minste van mijn broeders vertaald met de onaanzienlijksten.  “alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.”Het is even wennen maar niet minder juist. Want het gaat niet alleen over de broeders maar zeker en vooreerst ook over de zusters en het gaat niet over meer of minder maar over wie wel en niet gezien worden.

Het verhaal van Matteüs gaat wel over de eindafrekening, maar het werk waarop dit verhaal doelt dient gewoon elke dag te gebeuren. Het aardige is dat je er kennelijk ook niet zo je best voor hoeft te doen. Het hoeft er niet dik op te liggen en je hoeft je er zeker niet op te beroemen. Er wordt nog wel eens gesproken over de “Geest van God” en dit verhaal leert ons wat dat betekent. Als er honger is dan geef je eten, als er dorst is dan geef je te drinken, als er kou is geef je een tent en een warme deken, als er ziekte is dan zorg je, als er gevangenen zijn dan zoek je die op. En je weet ook dat het beter is iemand te leren vissen dan een vis te geven

Soms denken we dat we beter zijn dan de mensen die we willen helpen. Dat speelt niet alleen bij ontwikkelingssamenwerking, dat speelt ook gewoon in ons eigen land tussen mensen die hulp vragen en hulp geven. Mensen die hulp nodig hebben worden niet gezien en zeker ook niet gehoord. Zolang dat zo is mislukken projecten. Mislukken projecten in de derde wereld, maar mislukken ook projecten om mensen aan het werk te helpen, om jongeren te scholen tot gediplomeerde ambachtslieden of om vrouwen te leren voor zichzelf op te komen.. In het verhaal dat Jezus van Nazareth vandaag vertelt zijn er mensen die de nood van mensen herkennen en zijn er mensen die alleen de nood van Jezus van Nazareth willen zien. Ook wij vergeten soms dat alle mensen geschapen zijn naar Gods beeld en gelijkenis, dat alle mensen daarom onze zusters en broeders zijn, dat in ieder mens, waar ook ter wereld, welk geloof of welke kleur die mens ook heeft, Jezus van Nazareth zelf te herkennen is. 

Laten we dus vandaag horen en zien, en helpen waar nodig is. We hoeven ons niet af te vragen of we wel op de juiste manier ons geloof onder woorden te kunnen brengen. We hoeven alleen maar te delen van wat we hebben met hen die niets hebben, zorg te hebben voor de minsten, zodat ze net zo worden als wij, wat wij willen dat ons zou gebeuren doen wij nu al aan een ander. Meer wordt er niet gevraagd. Dat hoeven we zelfs niet te doen omdat het voor Jezus van Nazareth wordt gedaan, omdat het Christelijk is om te doen. Het oordeel over andere mensen mogen we uitstellen tot de komst van de Heer.

Boven het gedeelte dat we uit het Evangelie hebben gelezen staat “rede over de laatste dingen” en het gaat duidelijk over een procedure die plaats zal vinden als het einde van de geschiedenis daar is. Ooit is de geschiedenis begonnen en aangezien alles wat begint ook een einde kent zal er ook een einde aan de geschiedenis komen. Alleen onze God kent geen begin en dus ook geen einde, daarom is het aan onze God om uiteindelijk de rekening op te maken en te oordelen, dat is aan ons niet voorbehouden. Wij weten alleen waar we zelf, voor onszelf, op mogen letten. Er komt een dag dat het goede van het kwade zal worden gescheiden, hier heet het dat de mensen van elkaar gescheiden worden zoals een herder de schapen van de bokken scheidt. Het oordeel wordt gegeven door de Mensenzoon. Een term uit het boek van de profeet Daniël.

Midden in de ballingschap toen het hele volk verloren zou gaan zag Daniël dat het volk uiteindelijk gered zou worden door de God van Israël, dat je daaraan vast mag houden ook al gaat het heel slecht. De Mensenzoon is in zijn verhaal de vertegenwoordiger van het volk van de lijdenden en hij kan alleen vertegenwoordiger zijn door zelf ook te lijden. Wie aan zijn kant staat, wie bij hem hoort die komt aan de ere kant staan, aan de rechterhand, zo vertelt Matteüs ons. En je hoort bij dat volk van de lijdenden door voor de mensen van dat volk te zorgen. En let op, het gaat niet alleen om de mensen van het volk Israël, het gaat om mensen uit alle volken, iedereen wordt gevraagd om aan de kant van de lijdenden te staan, sommigen doen dat, sommigen doen dat bewust niet.

Als we het verhaal van de God van Israël en zijn zoon Jezus van Nazareth niet meer nodig zouden hebben dan wordt ons delen met de minsten als het moderne vrijwilligerswerk. Wanneer onze werkgever bereid is ons een dag vrij te geven willen we best de speeltuin in de buurt schoonmaken, of het dorpshuis helpen schilderen of een dagje met de rolstoelpatiënten uit het verpleeghuis op stap. Maar dan moet het daar wel bij blijven. Ons hele leven in dienst stellen van de naaste, daar altijd op bedacht zijn, altijd de blik op de ander richten is er dan niet bij.

We lopen zo gemakkelijk de mensen die hulp nodig hebben voorbij. We vergeten dat we God zelfs zouden kunnen ontmoeten in de verkoper van de straatkranten voor de supermarkt. Wij behoren te weten dat we nooit kunnen ophouden mee te werken met onze God, dat hij nooit laat varen het werk dat zijn hand begon maar dat wij ook nooit uit zijn genade mogen vallen en moeten blijven doen wat hij ons vraagt.

Als we zo de hele aarde weten mee te krijgen dan komt de tijd dat God zelf zijn tenten op deze aarde zou willen spannen, dat alle tranen gedroogd zullen zijn en dat er een maaltijd aanbreekt waarin iedereen te eten krijgt. Tot die tijd delen we met de armen, zoveel als we kunnen en zo vaak als we kunnen, elke dag weer opnieuw, totdat hij komt.

Amen

Gemeente,

Feesten doe je met elkaar, tenminste deden we met elkaar tot het coronavirus iedereen ging bedreigen. We mogen er elke dag aan denken. Maar het feest van Sint Maarten vieren we de komende week thuis. We gaan niet met de kinderen langs de deuren, we beschermen kinderen en grote mensen tegen besmetting met een dodelijk virus.

We horen nog wel eens verkondigen dat de mens zijn redder pas leert kennen in de hoogste nood. Daarom zouden we onszelf ineens heel erg slecht moeten gaan vinden. Want pas als de mens weet hoe slecht die is kan die mens de God van Israël leren kennen of zijn zoon Jezus van Nazareth Maar als we alleen op het slechte van de mens letten dan miskennen we toch een Bijbelse boodschap.

Natuurlijk het volk Israël was in ballingschap gestuurd omdat ze de geboden van de God van Israël hadden verlaten en vreemde goden waren nagelopen.. Maar  de ballingschap was niet een daad van God maar het gevolg van het nalopen van andere goden.

Ook wij hebben de neiging om de goden van winst en profijt, van klatergoud en carrièrre belangrijker te vinden dan recht en gerechtigheid voor de armen. Maar de ballingen tot wie Jesaja zich in het gedeelte van vandaag richt zijn nog niet zo slecht. De oproep om de ballingschap te ontvluchten klinkt niet tevergeefs. Trek weg uit Babel, ontvlucht de Chaldeeën staat er en dan vooral niet stiekem, niet in het geheim, maar iedereen mag het weten dat de God van Israël zijn volk vrijkoopt. Stijg boven jezelf uit.

De graven van de Engelse soldaten op de vele kerkhoven in ons land mogen ons vandaag  herinneren aan mensen die boven zichzelf uitstegen. De vrijheid en de welvaart die we nu hebben danken we aan mensen die zo boven zich uit stegen dat ze hun leven voor een samenleving als de onze overhadden. Meer dan hun leven konden ze niet met ons en onze kinderen delen.

De ballingen in Babel waren tijdens hun ballingschap weer teruggegaan naar hun eigen geschiedenis. Er waren nog documenten van hun koningen bewaard, er waren nog verhalen uit tempels en heiligdommen over de God van Israël, die geheimzinnige woestijngod die niet aan een land of een stad geboden was maar die meetrok met een volk, een God die een verbond sloot met een volk alsof het twee gelijkwaardige partners waren. Ze hadden nog brieven en geschriften van profeten. Al die verhalen, documenten, geschriften werden bij elkaar gelegd en tot een complete eenheid gemaakt.

Dat was het begin van wat wij nu de Bijbel noemen. Daar stond in hoe die God van Israël met mensen omgaat en wat die van mensen verwacht. En dat was eigenlijk een geweldig verhaal dat zich laat samenvatten als “Heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf”.  Daar staken de goden van Babel maar schril bij af, die moesten in leven worden gehouden door het voedsel dat aan hen geofferd werd.

Zo zat het niet bij de God van Israël. Die liet niet varen het werk dat zijn hand begon, die God was ook in de ballingschap de God van Israël.  Van die God leren we vrede. Niet zomaar vrede als een pauze tussen twee oorlogen maar vrede als een rivier. Rivieren die traag door oneindig laagland gaan, rivieren net als de ballingen de rivieren Eufraat en de Tigris hadden leren kennen, paradijselijke rivieren.

Nageslacht krijgt een volk,  talrijk als het zand van de zee. Bij een volk dat gerechtigheid voortbrengt, een volk dat talrijk is als de golven van de zee wil je wel horen. En gerechtigheid betekent dat elk mens tot zijn of haar recht komt. Daarvoor moeten we dus uittrekken uit het land van de ballingschap. Daarvoor noeten we in onze dagen durven breken met het voorop stellen van winst en profijt, van klatergoud en carrière, moeten we voorop stellen hoe het met de minsten in onze samenleving gaat. Hoe het gaat met de zwervers in de stad, de hoeren en tollenaars uit het nieuwe testament en de weduwen en de wees uit het oude Testament.

Hoe gaat het met  de gedwongen prostituees, de bezoekers aan de voedselbanken, de hongerenden in Afrika, de gewetensgevangen in de wereld, de zieken en gehandicapten, de mensen die langs de kant van de weg zijn gezet en al die talloze slachtoffers van oorlog en geweld in de wereld. Elk van ons kan slachtoffers van de zwarte kanten van onze samenleving noemen die het rijtje eindeloos kunnen aanvullen. Daarop bedacht zijn is dus onze eerste opdracht.

Maar het is voor ons ook een duik in de woestijn, loslaten van winst en profijt, van carrière en inkomensgroei voor onszelf is een risico. Over dat risico gaat de lezing uit het Evangelie van vanmorgen. Het is een gelijkenis, maar wat is een gelijkenis? Een gelijkenis is wel eens een raadselspreuk genoemd, geladen met macht, een woord uit een Koninkrijk waarin enerzijds dingen worden geopenbaard maar anderzijds zaken gesloten blijven. Het koninkrijk Gods wordt uitgedrukt in gelijkenissen In die gelijkenissen komt de macht van dat Koninkrijk op ons af.

Jezus van Nazareth probeert in gelijkenissen antwoorden te geven op vragen die hem worden gesteld. Op de vraag “wie is mijn naaste” geeft hij als antwoord de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan. Op de vraag hoe je je moet voorbereiden op het einde van de geschiedenis is het antwoord een paar gelijkenissen, waaronder die van de wijze en dwaze meisjes, met de brandende lampen en het verhaal over de talenten.

Dat verhaal uit het Evangelie naar Matteüs zal in onze dagen in kringen van bankiers wel  populair zijn. Want het lijkt een verhaal over risico’s nemen en rendementen behalen. Er wordt je een bedrag toevertrouwd en naarmate het bedrag groter is moet je meer opbrengst verdienen, telkens een rendement halen van 100 procent en dus meer risico nemen. Waar dat toe leidt als je dat aan bankiers over laat hebben we kunnen merken. Vooral als aan de resultaten ook nog grote beloningen zijn verbonden en wie dit verhaal goed leest zal opmerken dat de beloningen een grote rol spelen. Geen resultaat betekent in elk geval ontslag.

De prikkel van buitensporige beloningen op het behalen van grote rendementen wordt tegenwoordig een perverse prikkel genoemd. Maar ook in het Koninkrijk van God wordt je toch uitgedaagd risico’s te nemen en rendement te behalen. Je hoeft er zelfs geen bankier voor te zijn met gespecialiseerde opleiding en toestemming van de toezichthouder.  In dit verhaal uit Matteüs kan iedereen meedoen. Of je nu veel kunt of weinig maakt niks uit, als je maar mee doet. Je hoeft ook niet bang te zijn dat je te weinig doet. Je krijgt net zoveel talenten als je aankunt. Pas als je je door angst of onverschilligheid laat verlammen en niks meer doet dan loopt het verkeerd af.

In het verhaal dat we gelezen hebben is het de angst die verlamde: De Heer oogst waar hij niet gezaaid heeft, de Heer is een gestreng Heer, klinkt het. Maar wat zijn dan die talenten waarmee ook wij mogen woekeren? Dat zijn dus niet bijzondere vermogens waarmee je meer zou kunnen dan een ander, want de hoeveelheid talenten is al afgestemd op wat je aan kunt. Het gaat dus niet om een bijzondere intelligentie, of een bijzondere handigheid. Iedereen in het verhaal kreeg immers een talent?

Nee de talenten waarmee ook wij mogen woekeren zijn het goud van God en dat kennen we. Het goud van de God van Israël is de liefde voor de armsten en de zwaksten. Je daar mee bezig houden en de liefde voor de naaste vermeerderen dat is pas woekeren met talenten. Dat kan in het groot, maar dat kan ook in het klein, thuis desnoods.

Woekeren met de talenten van God is onvoorwaardelijk liefde geven. Het rendement is de liefde die gegeven is, niet of het echt beter is gegaan, onze God bepaald immers zelf wat er met zijn liefde wordt gedaan, het is genade dat wij daarvoor de instrumenten mogen zijn.

Onze wereld is voor ons niet maakbaar, in je eigen omgeving niet en in de grote wereld ook niet. Maar alle liefde die onbaatzuchtig wordt getoond draagt bij aan een betere wereld. Aan het eind van zijn evangelie vertelt Matteüs dat wij de opdracht kregen om alle mensen op aarde te dopen, tot de aarde voltooid zal zijn vertaald de Nieuwe Bijbelvertaling. Dus door alle mensen te betrekken bij die liefde van de God van Israël doen we mee in het scheppingswerk dat nog steeds bezig is.

Meewerken met God in het voltooien van zijn schepping is dus niet om die God voor ons te winnen, handeltjes zijn er niet te drijven met de God van Israël. Het is ook niet uit dankbaarheid, we moeten maar afwachten wat de Heer vindt van ons woekeren met zijn talenten. Maar dankbaarheid voelen we zelf als we de liefde delen die we van onze God voor onze naasten hebben gekregen. Wie die liefde heeft zal voortdurend meer ervan krijgen om weer weg te geven. Wie de liefde alleen voor zichzelf houdt die zal alles verliezen en nooit geliefd worden. Delen van de liefde leidt onherroepelijk tot een feestmaal, de maaltijd waar niemand meer honger heeft en alle leed zal zijn geleden. Dat brengt ons terug bij de oorsprong van het Sint Maarten feest en het Carnaval. Als je rijk bent dan deel je en neem je deel aan het feest van delen.

En elk delen is een reden tot grote vreugde en nog grotere dankbaarheid, als je dat eenmaal hebt ervaren wil je er nooit meer mee ophouden. Begin dus vandaag maar te woekeren met je talent lief te hebben, elk voor zich en samen als gemeente, dan ben je klaar om de Heer te ontvangen wanneer hij komt en wanneer je er tot in eeuwigheid mee mag doorgaan.

Amen

Lezen: Deuteronomium 6: 1-9

Matteüs 22:34-46

Gemeente,

Het is Bijbelzondag, de zondag waarop het Nederlands Bijbelgenootschap weer eens aandacht vraagt voor de Bijbel. Vier de Bijbel is het thema en we vieren de Bijbel rond het hart van de Bijbel, het eerste gebod en het tweede daaraan gelijk.

Sinds Hemelvaartsdag 2005 schrijf ik elke dag een overweging aan de hand van het rooster van het Nederlands Bijbelgenootschap, op het internet terug te vinden. Dat is al een groot aantal jaren dus zo en je leert wel het een en ander over de Bijbel.

Mijn grootste ontdekking was dat je op elke bladzijde van de Bijbel eigenlijk de richtlijn voor een menselijke samenleving en een goed bestaan terugvindt. Vanmorgen horen we de samenvatting zoals Jezus van Nazareth die heeft gegeven. Heb God lief boven alles en je  naaste als jezelf. Het eerste deel uit Deuteronomium en het tweede uit Leviticus. De uitwerking hiervan in de 10 geboden wordt hier in Deuteronomium beschreven maar staat als grondwet voor Israël in het boek Exodus, en is op twee stenen platen geschreven die in de Tempel werden bewaard..

Die tien geboden, staan dan wel op stenen platen maar daar moeten ze niet blijven. Mozes roept in het gedeelte dat we vandaag lezen uit Deuteronomium het volk op om ze voortdurend in gedachten te houden. Je moet deze wetten dus ook niet aan rechters over laten. Gerechtigheid moet je zelf doen, deze wetten zijn er voor bedoeld om alle mensen recht te doen, tot hun recht te laten komen. Het zijn de richtlijnen voor een menselijke samenleving, Je moet ze daarom als een teken om je arm dragen en als een band om je hoofd, je moet ze op de deurposten van je huis schrijven en op de poorten van je stad.

Uiteindelijk zal Paulus zeggen dat hij wil dat diezelfde richtlijnen in je hart gebeiteld zullen staan. Je moet er  één mee worden. En wat God lief hebben is is duidelijk want er staat in diezelfde geboden dat God liefhebben hetzelfde is als je naaste liefhebben als jezelf. Daar cirkelen al die richtlijnen om heen. Dat is een regel die je zelfs je kinderen duidelijk kan maken zodat ze van jongs af aan mee doen in de beweging van de God van Israël en mee bouwen aan het land dat uiteindelijk heel de wereld zal moeten omvatten, het land overvloeiende van melk en honing, het land waarin alle mensen tot hun recht komen.

Het “hoor Israël” dat we vandaag lezen, dat hier wordt vertaald met “luister Israël, de Heer onze God, de Heer is de enige” is het hart van elk Joods gebed. Het is gebed en belijdenis ineen. Het is niet eens een belijdenis dat er geen andere goden zouden kunnen bestaan. De Bijbel heeft het vaak over de God van Israël als hoofd van de raad van goden, of omringt door goden, maar voor de gelovige is er maar één echte God, de God die het volk uit de slavernij van Egypte heeft geleid. Voor Christenen is hij de Vader van Jezus van Nazareth die uiteindelijk zelfs de dood zou overwinnen. Juist die bevrijding van dood en slavernij maakt de Weg die de geboden wijzen zo belangrijk.

Ook in onze dagen kunnen we verlangen naar een samenleving waarin niet meer gemoord wordt, waarin niet meer wordt gestolen, waarin het bezit van een ander mensen niet meer in beweging brengt, waar mensen mensen mogen zijn en geen objecten voor persoonlijke lustbevrediging, waar niemand zich hoeft te schamen voor diens afkomst. Ook wij weten dat we nog lang niet in een samenleving leven waarin die geboden algemeen geldend zijn en in ieders hart gebeiteld staan. Wie om zich heen kijkt in de wereld en de hongerigen ziet, de kinderen die sterven van ellende, de zieken voor wie geen medicijnen zijn, de slachtoffers van oorlog en geweld, de geweldige hoeveelheden wapens die over de wereld reizen, weet dat een aarde waarin vrede en gerechtigheid heerst nog ver weg is.

Wat dat betreft reizen we eigenlijk nog steeds door dezelfde woestijn als waar het volk Israël de geboden kreeg. De oproep van Mozes om de richtlijnen voortdurend bij de hand te houden is daarom eigenlijk net zo actueel als die was toen het boek Deuteronomium werd geschreven. Daarom zullen wij de echo van Mozes moeten zijn en voortdurend roepen om naleving van deze wetten. Ook wij hongeren en dorsten immers naar gerechtigheid.

Maar het grote gebod is vaak heel spannend. Zelfs voor de Kerken. God liefhebben boven alles klinkt zo mooi. Het is abstract en je kunt er snel ja op zeggen. Als je dan vraagt hoe dat moet, klinken al gauw zaken als je keurig gedragen, geen misdrijven plegen en op zondag naar de Kerk, en daar zingen. Maar Jezus van Nazareth geeft er zelf een andere invulling aan. Hij sluit daarbij aan bij de oorspronkelijke samenvatting van de wet die in het boek Deuteronomium is verwoord. God liefhebben boven alles is je naaste liefhebben als jezelf. Hierop zijn alle andere wetten en voorschriften, alle uitspraken in de Bijbel gebaseerd. En dat maakt het spannend. Je naaste liefhebben dat gaat nog, dat klinkt sympathiek, maar als jezelf. Als je dus werkelijk je naaste flink wil liefhebben en daarmee God boven alles dan moet je dus jezelf ook wel zeer liefhebben.

Helemaal aan het begin van de Bijbel staat het lied over de schepping. Daar worden licht, aarde, water, lucht, planten en dieren geschapen en als laatste de mens. En bij elk couplet staat in het refrein dat God zag dat het goed was. En bij de mens staat zelfs dat die geschapen werd naar Gods beeld en gelijkenis, man en vrouw, en God zag dat het goed was. Als je dat goed tot je door laat dringen weet je dat het meest kostbare op aarde de mens is. Elk mens, ook jij,  en niet alleen de mensen die duur doen. De mensen die duur kunnen doen hebben hun deel al gehad zegt Jezus van Nazareth ergens, maar vooral de mensen die het niet breed hebben zijn de mensen die je liefde nodig hebben.

De wegwerpmensen aan de onderkant van de samenleving. De armen, de zieken, de slachtoffers van natuurrampen, de vluchtelingen, de slachtoffers van misdrijven, de mensen die misbruikt zijn. Als je naar hen kijkt zie je dat het niet goed is en daar moet wat aan gedaan worden. Vooral als het met jezelf wel goed gaat. En als het niet goed met je gaat mag je dus vragen om zorg, mag je je verzetten tegen hen die je de noodzakelijke hulp onthouden. Het grote gebod, je naaste liefhebben als jezelf, is er voor bedoeld om ons in gang te zeten.

Maar wie is die Jezus van Nazareth dan wel? Om uit te maken hoeveel je kunt houden van je naaste als je veel van jezelf houdt vraagt Jezus van Nazareth aan de deskundigen van wie de Messias, de verwachte bevrijder van Israël, afstamt. Van Koning David dus. Om maar even vast te stellen dat “bevrijder” of  messias zijn niet even zomaar wat is. Jezus voelde wel mee met die Farizeeërs. Eeuwenlang is ons voorgehouden dat dat maar een stelletje huichelaars waren maar zo eenvoudig lag ook dat niet. Het waren mensen die hartstochtelijk hun geloof zuiver wilden houden. Dat zuiver houden van geloof in God was iets wat ook Jezus van Nazareth wilde.

Alleen Jezus van Nazareth stelde niet wet maar  liefde centraal. Vandaar ook die discussies over de wet. Jezus wijst dan op de Bijbel die zegt dat liefhebben het belangrijkste gebod is, God liefhebben en dat is gelijk aan je naaste liefhebben. Die messias zou dat tot het uiterste doorvoeren was voorzegd en zou daarmee het volk bevrijden. Als koning zou die messias regeren. En daar draait Jezus de zaak weer om. Hoe kan een nieuwe koning nu meer zijn dan koning David, dat stond er wel en daar was dus geen antwoord op. Het had te maken met dat liefhebben. Als het meer moest zijn ging het over de hele aarde, over ons dus ook, 

En bij ons gaat het daar vandaag de dag ook over, wij zijn eigenlijk van een Koninkrijk zonder grenzen, burgers van de hele aarde zoals die door God is geschapen. Met alle mensen als broeders en zusters, let er dus op en zorg er voor dat het met hen allen goed gaat, pas dan gaat het goed met de aarde zoals God die bedoeld heeft. Daarvoor moet nog heel wat gebeuren, in de Bijbel staat hoe en wat. Aarzel dus niet, aan het werk en lees elke dag hoever je al bent.

Amen.

Lezen: Jesaja 25:1-9

Matteüs 22: 1-14

Gemeente,

Het is vandaag Coming Out zondag. Lang is het, zeker in onze kerkgeschiedenis, eng geweest als je vertelde dat je anders was dan de meerderheid om je heen. Nog wordt in zogenaamde kerkelijke kringen en sectes beweerd dat zijn zoals God je heeft geschapen ook een gruwel voor God kan zijn. Door schade en schande wijs geworden maken we in onze dagen duidelijk dat juist de God van Israël alle mensen liefheeft en dat je daarom mag zijn wie je bent, kom daar gerust voor uit. Over die liefde gaat het vanmorgen.

Wat de liefde tussen mensen toch allemaal tot stand kan brengen. Niet altijd is dat direct zichtbaar. Neem nu de vrede in Noord Ierland. In Nederland waren er zeer lang zeer veel gezinnen die jaar in jaar uit Katholieke en Protestantse kinderen in hun huis ontvingen en daar samen een vakantie mee vierden. Die kinderen vormen nu de basis van de nieuwe vreedzame samenleving die daar aan het ontstaan is. Wederzijds kunnen ze zeggen dat het bolwerk van de barbaren geen stad meer is, dat het gewelddadige volk ook God zal eren, dat de stad van de wrede volken ontzag voor God zal tonen. In Noord Ierland lijkt dat allemaal waar te worden.

Jesaja had het natuurlijk niet over Noord Ierland. Hij had het over zijn eigen stad, zijn eigen land. Daar waren de mensen weggevoerd. Daar had het geweld van grote machtige rijken alles verwoest. Maar Jesaja wist dat, als mensen het niet opgaven ook hun vijanden lief te hebben, als ze volhielden met elkaar te delen, als ze de ogen openhielden voor de zwaksten, als ze door bleven gaan de hongerigen te voeden en de naakten te kleden, dat dan zou de dag komen dat de ballingen uit hun gevangenschap terug zouden keren en het land in vrede hersteld kon worden.

Sinds de profeet dat opschreef en het in het boek van de profeet Jesaja terecht is gekomen is het de hoop geworden van ontelbare onderdrukte volken. Nooit kan de hoop op bevrijding worden opgegeven. Jezus van Nazareth gaf zijn volgelingen de opdracht de armen bevrijding te gaan verkondigen toen de hele wereld zuchtte onder het wrede juk van de Romeinen. Het zal ons in beweging moeten zetten. Het is niet zo dat God buiten ons om de hongerigen voedt, de naakten kleed en de armen bevrijdt. God daagt ons uit en zet ons in beweging om juist dat te doen, om die weg te gaan.

Als wij doof blijven voor het geschrei van de kind slaven, de gedwongen prostituee’s, de gewetensgevangenen, de slachtoffers van oorlog en geweld die uit wanhoop hun land ontvluchten, hoe kunnen we dan denken dat een God in de hemel dat wel hoort. Meer als een schaduw die de hitte van zon tempert hoeven we immers niet zijn. Als je zo naar de samenleving kijkt dan begint langzaam net als voor de profeet het feest te dagen. Op de berg waar de richtlijnen voor de menselijke samenleving worden bewaard is het voor alle volken goed toeven, uitgelezen gerechten en belegen wijnen, een feestmaal rijk aan merg en vet, met pure, rijpe wijnen. Een prachtig beeld je ziet het voor je. Het hoogtepunt is dan dat de dood voor altijd teniet wordt gedaan. Het is een beeld om over te juichen.

En vandaag denken we dan ook aan alle mensen die extra vatbaar zijn voor een dodelijk virus, Het Coronavirus. Sommigen verwijten God dat virus maar we weten dan onze manier van dieren houden ook een zeer negatieve invloed heeft op de verspreiding van dit soort virussen en dat juist God ons de opdracht gaf onze medemensen te beschermen tegen zulke rampen. Hier in de Purmer doen we dat al, en op grond van mijn ervaringen in de kerken in Noord Holland van de afgelopen maanden doen ze dat in alle kerken. Maar maken we dat genoeg duidelijk. Spreken we daar ook onze broeders en zusters op aan? Vragen die we onszelf moeten stellen maar die wellicht ook via de classis en de synode moeten klinken.

Moeten we onze broeders en zusters die zich niets aantrekken van de regels vergelijken met een volk als Moab? Natuurlijk niet, het oordeel komt alleen God toe. Maar hoe zit het dan met Moab? Dat volk wordt toch vertrapt staat er, zoals stro in mest wordt getreden? Het is dus niet voor alle volken, er zijn volken zoals Moab die niet mogen meedelen maar worden vertrapt.

Moab was een volk uit de geschiedenis van het volk Israel. We nemen aan dat de profeet de vijand uit zijn tijd niet ongestraft kon noemen. Hij wees op een volk waarvan iedereen wist dat dat volk niet had willen delen met het volk Israel maar voortdurend bleef strijden tegen Israel, dat door de woestijn trekkend het land overvloeiende van melk en honing had bereikt. En daar ligt de sleutel tot dit verhaal. Moab was een volk dat niet wilde delen, dat die arme gevluchte slaven uit de woestijn eerder ging bevechten dan een plaats onder de volken te geven. Daarom werden zij vertrapt, want zulke volken zijn niet welkom aan de tafel van de Heer. Bij eerlijk delen, houden van elkaar als van jezelf, kun je niet aankomen met “eigen volk eerst”, niet met “ikke, ikke, ikke en de rest kan stikken”. Op de Berg waar die richtlijnen worden bewaard gaat het over jezelf weggeven, desnoods breken als brood wordt gebroken, je bloed vergieten zoals wijn wordt vergoten. Die maaltijd van delen met ieder zonder eerst aan jezelf te denken is het hart geworden van de godsdienst van Joden en Christenen. Die maaltijd van God is voor alle volken, is de godsdienst bij uitstek. De maaltijd in de Kerk is de godsdienstoefening, elk van ons oefent in delen met de ander. Een oefening die je dag in dag uit in de praktijk mag brengen

Jezus van Nazareth maakte het duidelijk in een bijzonder verhaal. Dat gaat over de hogepriesters en de Farizeeën en het laat ons iets zien van wat het Koninkrijk van God zou betekenen. Het koninkrijk van God is als een bruiloftsfeest, zo begint het verhaal. Maar de mensen die uitgenodigd zijn komen niet. Die hebben geen tijd, zijn te druk met hun zaken en werk of worden zelfs boos als iemand ze durft uit te nodigen. Het moet een feest zijn van delen en zorgen voor elkaar, waar tranen worden gewist, lammen leren lopen en blinden weer kunnen zien, waar iedereen er bij mag horen.

Nu hebben heel veel mensen helemaal geen zin in dat eerlijk delen. Dat kennen we in onze tijd ook. We zorgen voor onszelf en iedereen kan toch voor zichzelf zorgen. Er zijn zelfs mensen die boos worden als je zelfs maar suggereerd dat er mensen zijn die hulp nodig hebben, ook financiële hulp en dat we met die mensen zouden moeten willen delen.

En in onze haastige samenleving hebben ook steeds minder mensen tijd om vrijwilligerswerk te doen. Alle vrijwilligersorganisaties hebben te maken met dat tekort. Dat handelaren en zogenaamde harde werkers niet willen komen omdat ze eerlijk moeten delen snappen we nog wel een beetje. Dat mensen boos worden als je naar hun inkomen en eigendom wijst snappen we ook, zeker als ze veel hebben en een groot inkomen hebben. Maar die ene gast die geen bruiloftskleed wil aantrekken? Als je jezelf maar waardeloos vindt dan is van een ander houden als van jezelf ook al snel klaar en niet aantrekkelijk. En dan roepen sommigen nog dat er veel geroepen zijn en weinig uitverkoren, het tegendeel is waar:: er wordt er maar één uitgegooid! We gaan er misschien iets van snappen als we ons realiseren dat Jezus altijd iedereen wil laten meedoen met zijn Koninkrijk. Ook de mensen die niet willlen komen, zelfs de mensen die de boodschappers ombrengen. Uiteindelijk roept de Koning iedereen, de goeden en de slechten staat er.

En als je het dan nog niet door hebt, nog niet mee wil doen met een heel bijzonder verhaal dat iedereen ten goede komt, dan moet je hetzelf weten. Dan worden er soldaten op je stad afgestuurd om die in brand te steken en dan wordt je gekneveld en buiten geworpen waar geween zal zijn en tandengekners. Heel langzaam moet je tegenwoordig dapper worden om te blijven geloven dat eerlijk delen ook kan. Zelfs als het hele bouwwerk van grijpen en graaien op instorten staat wordt nog gevraagd of belastingbetalers er wel genoeg winst uit weten te halen. Alsof het inkomen en het bezit van mensen met een bescheiden pensioen dat op een bank staat niet beschermd mag worden. Alsof dat kleine beetje reserve dat een arme heeft niet veilig gesteld mag worden. En dan die huizen. Huren van de bank, hypotheek nemen noemen ze dat, was voor mensen met een bescheiden inkomen altijd al riskant. Want een bank zorgt niet voor onderhoud en reparatie.

Maar eigendom van een huis hoort nu eenmaal zo schijnt het. Ze zijn in verleiding gebracht door de aanbidders van winst en profijt. Mogen we de slachtoffers niet beschermen en ze zo uitnodigen voor die maaltijd in het Koninkrijk?

De boodschap is dus dat we als dienaren van die Koning iedereen mogen uitnodigen aan zijn feest deel te nemen, wie de ander ook is, kleur, geslacht, geaardheid, afkomen, inkomen, overtuiging maken allemaal niet uit. We trekken allemaal hetzelfde bruilofskleed aan en vieren het feest van breken en delen.

Amen