Feeds:
Berichten
Reacties

Lezen: Jesaja 62:1-5

            Johannes 2:1-11

Gemeente,

Dat volk Israël was een raar volk volgens het verhaal van de Bijbel. Ze hadden een land gekregen dat overvloeide van melk en honing. Ooit was het land zo rijk geweest dat twee mannen nog maar net een draagstok met een tros druiven daaraan hadden kunnen dragen. Maar ze hadden dat land verspeeld. Ze waren andere goden achterna gelopen, goden van vruchtbaarheid, goden van winst en profijt. Die Israëlieten die zo hoog hadden opgegeven over hun God en hun land bleken uiteindelijk toch zwakke mensjes te zijn die zich hadden moeten laten overlopen door de wereldmachten. Van hun land was niks meer over, hun prachtige stad Jeruzalem lag in puin. Niemand wilde er meer wonen. Geen wonder dat de buurvolken stonden te lachen en het volk Israël stonden te bespotten.

In het boek Jesaja vinden we vandaag de reactie op de spotternij van de omringende volken. Jeruzalem zal niet langer een verlatene genoemd worden. Er is nog steeds een God die zich over Jeruzalem ontfermt, een God die voor de herbouw zorgt, die zorgt voor een heilig volk. Alle volken mogen dat horen, op de Tempelberg Sion verschijnt weer de Tempel en het volk, de stad en Tempel worden er naar genoemd, Sion. Maar het is en blijft dezelfde bijzondere Tempel van die bijzondere godsdienst. Geen beeld staat er in, maar het is het huis van de Liefde. Gerechtigheid gaat er van uit. Het is de Tempel van heb Uw naaste lief als Uzelf.

 

Zo mogen ook wij dus antwoorden op onze vraag waar onze God is, dat die meetrekt als wij de minsten op de aarde helpen, de slachtoffers van overstromingen en hongersnoden, de armsten in ons eigen land en in de wereld, als we huizen bouwen voor daklozen en boeren kansen geven eerlijke landbouwprodukten te bouwen en te verhandelen tegen een eerlijke beloning. Daar is onze God aanwezig die ons elke dag opnieuw op weg stuurt om voor zijn kinderen te zorgen, ook vandaag weer.

 

Maar waar zien we dat, we vragen nog altijd om tekenen en wonderen. En daar zelfs de moeder van Jezus om wonderen vroeg is dat ook niet heel erg vreemd.

 

Als we het opschrift van het verhaal dat we vandaag uit het Evangelie lazen noemen, “De bruiloft te Kana”, dan springen gelovigen en ongelovigen op en roepen “daar werd water in wijn veranderd”. Vanaf de vroegste tijden heeft dit verhaal diepe indruk gemaakt. Helaas om de verkeerde reden, want de verandering van water in wijn is helemaal niet de kern van het verhaal. Want als er een bruiloft is, wie gaan er dan trouwen? Daar heeft het verhaal het niet over. Het gaat ook helemaal niet over twee mensen die met elkaar trouwen. Het gaat over Jezus van Nazareth en zijn optreden en het verhaal is eigenlijk het slot van het verhaal dat Johannes verteld over de eerste optredens van Jezus van Nazaret, zijn doop in de Jordaan, de werving van volgelingen. En dan op de derde dag, dan is er die bruiloft. Die derde dag doet natuurlijk denken aan de dag van de opstanding. Omdat het aan het begin van het Evangelie staat, en niet aan het einde, zijn er veel geleerden geweest die andere verklaringen hebben gezocht. Maar de Bijbel rekent nu eenmaal niet met kalenders en agenda’s, de Bijbel is geen geschiedenisboek, dat vertelt over wat er gebeurt, wat onze geschiedenis veranderd en het optreden van Jezus van Nazareth heeft de geschiedenis ingrijpend veranderd.

Op het eind van het verhaal van Jezus van Nazareth wordt gezegd dat we de verklaring van alles wat er wordt verteld moeten zoeken in de Hebreeuwse Bijbel. En dat verhaal over dat eerste optreden van Jezus van Nazareth begint met een citaat uit de Hebreeuwse Bijbel.

Uit het Grieks vertaalt men het antwoord van Jezus van Nazareth op de mededeling dat er geen wijn meer is met “Mijn tijd is nog niet gekomen”, letterlijk staat er “uw zaak is mijn zaak niet” en dat is een zin uit een verhaal over een moeder en een zoon. De zoon was gestorven en de moeder spreekt daarover de profeet Elia aan, Elia geeft letterlijk hetzelfde antwoord als Jezus van Nazareth hier.

Maria zal dat begrepen hebben want ze gaat verder met een ander citaat uit de Hebreeuwse Bijbel als ze tegen de dienaren zegt : “doe maar wat hij jullie zegt, wat het ook is” Het zijn de woorden van de Farao als hij Jozef aanstelt als onderkoning van Egypte. In het verhaal van Elia wordt de zoon weer levend en in het verhaal van Jozef worden de Egyptenaren en de nakomelingen van Jacob gered van de hongersdood.
En de bruiloft? Op allerlei plaatsen in de Hebreeuwse Bijbel wordt het verbond tussen God en het volk Israël vergeleken met een bruiloft. Dit verhaal gaat dus over een feest ter ere van de Wet die het verbond bezegelde, heb uw naaste lief als uzelf. Het oude leven, het leven alleen voor jezelf en voor je eigen gewin en genot, moet worden afgewassen, daarvoor zijn de reinigingsvaten. Daar doorheen wordt je geleid als je gaat naar het land dat overvloeit van melk en honing het land Kana-an.

Op die manier leven is op zichzelf al een feest, een veel mooier feest dan het wereldse bruiloftsfeest waarop iedereen zich bedrinkt en vol laat lopen. Jezus van Nazareth is geen tovenaar die met een toverstokje boven vaten met water staat te zwaaien. Dat willen veel predikers en zogenaamde evangelisten de mensen graag laten geloven. Jezus van Nazareth gaat ons voor op de Weg van de God van Israël, door het water waar ons oude leven wordt afgewassen naar het nieuwe leven van breken van brood en delen van de beker met wijn, het leven na de opstanding uit de dood. Een leven dat we elke dag opnieuw mogen beginnen als we om ons heen kijken en ons leven in dienst stellen van de liefde voor de minsten in onze samenleving. Dat mag dus ook vandaag weer, daarmee maken we ook vandaag tot een feestdag.

Tekenen en wonderen hebben we dus genoeg om ons heen. Steeds weer als iemand getroost wordt, steeds als een hongerende gevoed, een naakte gekleed, een vreemdeling onthaal vindt dan is dat een wonder, een teken dat de liefde van onze God nog steeds werkt. Hoe wij daar zelf van profiteren is een vraag die open blijft, waar die wijn op de bruiloft vandaan komt blijft een vraag. Wat er met ons gebeurd blijft verborgen in de tijd, maar wat met de aarde gebeurd staat vast. De blinden zullen zien en de lammen zullen lopen. De zee, zelfs de middellandse zee zal haar doden teruggeven. Dan komt er een nieuwe aarde die zo mooi zal zijn dat God zelf er zal willen wonen. Dat die komt weten we zeker, we zien het elke dag in de ogen van de naaste die we liefhebben als onszelf, totdat hij komt.

Amen.

 

 

Advertenties

Lezen: Jesaja 60: 1-6

             Matteüs 2:1-12

Gemeente

We vieren vandaag een feest, het feest van de verschijning van de Heer, met een moeilijk woord Epifanie genoemd. Daarbij hoort het verhaal van de komst van de wijzen uit het Oosten, ook al in de traditie geworden tot een feest, het Driekoningenfeest, een feest dat uitloopt op een drama. Maar ook het Kerstfeest zal uitlopen op een drama, zijn wieg was een kribbe, zijn troon was een kruis, zongen we immers?

Bij het feest dat we vieren hoort ook de roep van Jesaja om te schitteren. Want wat een prachtige oproep klinkt ons hier tegemoet. Het is een oproep die vaak in het begin van januari wordt gelezen. Het zijn de volken, de Heidenen dus, die de schittering zien, die zich naar Jeruzalem, dat hier wordt aangesproken wenden, Koningen trekken op naar Jeruzalem zegt Jesaja.

Wie om zich heen kijkt in de wereld zal die mooie beeldspraak wel ongeloofwaardig vinden. Zoveel volken volgen toch niet de richtlijn van het gij zult niet doden, zoveel volken op de wereld laten zich toch niet iets gelegen liggen aan de vrede die de God van Israël belooft. Toch staat in dit gedeelte een sleutel voor de bevrijding van de armen die hier wordt geschilderd. Er staan nogal wat namen van volken in die bijdragen aan de bevrijding. Midjan en Efa leveren kamelen, Seba levert zelfs zeer veel kamelen beladen met wierook en goud. Kedar levert schapen en geiten, de rammen komen uit Nebajot en uit Tarsis komen de schepen die de vluchtelingen terug brengen. Bij Jesaja zijn dat dan de ballingen die uit ballingschap terug keren.

Maar wat hebben die wijzen dan te maken met het verhaal van het Oude Testament, de Tenach. Mooi dat Jesaja daar al over spreekt maar wij hebben het over wijzen uit het Oosten. Nu in Genesis 25 lezen we hoe Abraham op zijn sterfbed ligt. Hij stuurt de zes zonen die hij bij zijn vrouw Ketura kreeg, naar het oosten. Ketura betekent overigens wierook. Onder die zonen zijn Midjan en Joksan, en de kleinzonen Efa en Seba. Midjan en Efa worden samen met Seba genoemd in het gedeelte uit Jesaja dat we vanmorgen hoorden. Zij komen volgens Jesaja op kamelen en goud en wierook om de roemrijke daden van de Heer te verkondigen.

Als iedereen op de manier van de afstammelingen van Abraham meedoet kan de verwoeste stad inderdaad opnieuw schitteren. Volken die delen met hen die niets hebben en opnieuw hun samenleving moeten opbouwen. Vele volkeren waren betrokken bij de bevrijding van de zwarten in Zuid-Afrika waar blanken en zwarten gevangen zaten in het systeem van Apartheid. Nelson Mandela, die zo lang gevangen zat op het Robbeneiland, veranderde zijn samenleving geweldloos in een samenleving van iedereen gelijk. Na zijn pensionering schitterde hij nog lang als lid van het gezelschap van wijze oudere staatslieden die ons van raad kunnen voorzien. Hij was daar in gezelschap van onder meer Aartsbisschop Desmond Tutu en voormalige president van America Jimmy Carter. Ook wij zullen het samen moeten doen en daarmee is de oproep van Jesaja ook aan ons gericht. Ook wij kunnen delen en volken helpen hun samenleving in te richten volgens de richtlijnen die God aan het volk Israël in de woestijn had gegeven.

We kunnen beginnen internationale organisaties te ondersteunen bij hun werk. Wij kunnen onze politici aanspreken op hun verantwoordelijkheid en de noodzaak de onrechtvaardige tolmuren af te schaffen. Wij kunnen boodschappen doen bij Fair Trade en een begin maken met rechtvaardige handel. En waarom zouden we zelf niet opstaan en schitteren. Door te roepen om recht en door mensen tot hun recht te laten komen.

Een groot deel van de Christenheid viert het kerstfeest gelijk met het feest dat wij Drie Koningen noemen op 6 januari. Het verhaal dat we vanmorgen uit het Evangelie hebben gelezen is het kerstverhaal zoals Matteüs dat heeft opgeschreven. Toen Jezus was geboren in Bethlehem kwamen er  magiërs in Jeruzalem aan die de nieuwe Koning van de Joden zochten.  In de Rooms Katholieke Kerk spreekt men graag over drie Koningen, die heten dan ook nog Melchior, Caspar en Balthasar en zijn uiteindelijk begraven in de Dom van Keulen. Volgens de Protestantse geleerden, die het ook bij de vertaling gewonnen hebben, is het beter te spreken van “magiërs”, astrologen, hoeveel het er zijn blijft in het midden. De orde van deze magiërs werd al genoemd bij de profeet Daniël. Daar waren ze de Chaldeeën en dat volk herinnert ons aan Abraham die vertrok uit het Ur der Chaldeeën. Nu trekken de Chaldeeën zelf als nazaten van Abraham uit hun woonplaats naar het land dat zal schitteren.

De magiërs van Matteüs hadden een ster gezien waarvan de verschijning werd uitgelegd als een teken dat er een nieuwe koning in Israel was geboren. Ze volgden de ster niet. Maar ze gingen vanzelfsprekend naar het paleis van Herodes.

De magiërs moesten nog leren dat je voor een echte koning van Israel niet in een paleis moet zijn maar op de akker die de familie van Koning David bij de verdeling van het land onder Jozua had gekregen en elke 50 jaar weer terug zou moeten krijgen. Daar had ook ooit de profeet Micha op gewezen. Op die manier zouden de wetten van Israel, de richtlijnen uit de woestijn, zorgen voor bevrijding van de armen. Dat duidelijk maken was ook het doel van Matteüs. Toen de magiërs hun geschenken hadden gebracht in Bethlehem snapten ze wel dat ze niet bij die koning Herodes moesten zijn, dat er heel wat anders aan de hand was en ze gingen langs een andere weg terug.

Kunnen we nu uit de sterren de toekomst voorspellen? Welnee, daar gaat het verhaal toch niet over. Dat verhaal gaat over de droom van Israel dat Koning David, het huis van David, de opvolger van David dus, door de hele wereld erkend zou worden als de echte heerser van Israel. Toen Abraham was begraven hadden Ismaël en Izaak de zonen die Abraham bij de slavin Ketura had, haar naam betekent wierook, met geschenken naar het oosten gezonden, zie, nu kwamen uit het oosten haar nakomelingen met geschenken terug.  Herodes was niet langer de echte koning van Israel, de echte koning was geboren in Bethlehem zoals de profeten hadden voorzegd. In de diepste duisternis van de Romeinse bezetting, die naar eigen willekeur koningen op de troon van Israel had gezet, komt het bericht dat de hoop die profeten als Jesaja in het bangst van de ballingschap hadden uitgesproken vervuld zou worden. De bevrijding van de armen is eindelijk aangebroken. Toen Jezus was geboren in Bethlehem, toen begon het en vandaag de dag mogen wij er aan mee gaan doen. Dat is pas kerstfeest vieren en dat kan elke dag opnieuw.

Het verhaal van driekoningen gaat dus over twee Koningen, koning Herodes en Koning Jezus en de vraag is wie de ware Koning van Israël is, de Koning der Joden. Matteüs geeft op die vraag een heel verrassend antwoord, dat hebben we vanmorgen maar niet gelezen maar is toch belangrijk om te begrijpen wat ons wordt verteld. Die wijzen reizen via een andere weg terug naar hun land. We weten dan dat Jozef met zijn gezin vlucht naar Egypte. Jozef in Egypte, dat verhaal liep na verloop van tijd toch uit op een bevel van een Farao dat alle jongetjes geboren uit de Joden moesten worden gedood? Ook dit verhaal loopt uit op het bevel alle pasgeboren jongetjes te doden, nu in Bethlehem. Daarmee maakt Herodes zich tot Farao en wordt duidelijk wie de echte Koning is van de Joden waar heel de wereld op af zal komen. Jezus van Nazareth.

Daarmee zit ook hier het kruis al in de kroning van Jezus van Nazareth tot Koning van de wereld. Aan ons de vraag of wij zijn richtlijnen willen en kunnen volgen, de hongerigen voeden, de dorstigen laven, de gevangenen bezoeken, de naakten kleden. In de Bergrede zal deze Koning ons leren hoe hij zijn Koninkrijk zal zien. Aan ons om daar alvast de kostbaarheden voor te leveren, datgene wat ons uit Gods hand is toegevallen. Veel heil en zegen in het nieuwe jaar, om uit te delen tot dat hij komt.

Amen

 

Lezen:  Jesaja 61:10-62:3

              Lucas 2: 33-40

Gemeente,

Toen ik nog jong was, een jaar of 10, gingen we altijd met Pasen van Den Helder naar Alkmaar. Daar gingen we nieuwe kleren kopen want met Pasen moesten we op ons best er uit zien. Dat het aantrekken van nieuwe kleren ook een Bijbels gegeven is ontging ons. Maar Jesaja roept ons op ons nieuw te laten kleden door de God van Israël. Niet alleen het kleed van de bevrijding maar ook de mantel van gerechtigheid. En dan niet alleen. Niet alleen het volk dat het wel gelooft. Maar iedereen, alle volken.

Want zeg nu zelf, brengt al die oorlog en ellende iets goeds voort? Bomaanslagen, vergeldingen, opnieuw troepen zenden, terroristen bestrijden, aktie en tegenaktie. Mischien dat je met alle volken samen, in het kader van de Verenigde Naties, ooit nog ergens iets goeds kan voortbrengen. Maar dan moet je het wel echt samen doen. Zolang de een zich beter vindt dan de ander wordt het niks, blijft het oorlog en ellende en aktie en tegenaktie.

Sion is de berg waar de leer van Mozes, dat van heb je naaste lief als jezelf, werd bewaard. Sion is de Heilige Berg waar je tegenop kunt zien, maar waar ook je hulp vandaan kan komen. En vanwege het bestaan van die leer, vanwege het geloof in de macht van de Liefde die daar vanuit gaat kun je niet zwijgen als er onrecht geschied. Als mensen geen recht wordt gedaan moet en zal dat aan het licht komen. Want het licht van de gerechtigheid komt van de fakkel van de redding. Dat is het visioen dat de profeet hier schetst. En hij schetst het temidden van de ballingschap.

Op de berg Sion zoals hij die had gekend groeit onkruid. Jeruzalem, dat om die berg heen was gebouwd ligt in puin en de bevolking is weggevoerd. De grote mogendheden met hun afgoden, met hun glitter en praal, regeerden over de aarde. De ballingen in Babel konden niet anders dan de verhalen van het verleden opschrijven. De verhalen over de uittocht uit Egypte, de tocht door de woestijn, de ontdekking dat goden van goud, met eigen handen gemaakt, niks te betekenen hadden, maar dat de God die meetrok en Liefde als opdracht had de kans op leven betekende. Die verhalen gaven weer moed. Want als die God op die manier met je meetrekt, trekt die God dan ook niet in ballingschap met je mee? Zal uiteindelijk de Liefde voor je naaste, ja zelfs de liefde voor je vijanden, uiteindelijk niet tot de vrijheid en terugkeer naar Jeruzalem leiden?

Dan zal die verwoeste stad weer tot bloei komen. Dan zal het land weer vrucht dragen. Niet door offers en aanbidding zoals de Heidenen geloofden, maar door Liefde tussen mensen. Dan zien niet alleen de volken de vrucht van het gaan met die God, maar ze sluiten zich er zelf ook bij aan. In het hart van alle volken staan dan de richtlijnen van eerlijk delen, de leer van houden van je naaste als van jezelf. Dan is er nog maar één Heer op de wereld, dan is er niemand die zich meer acht dan een ander. Het mooiste van dit visioen is dat het al lang begonnen is en wij ons er vandaag nog bij aan kunnen sluiten. Gemakkelijk als het aantrekken van een nieuwe jas.

Er ligt nog al een tijd tussen de terugkeer uit de ballingschap waar Jesaja over spreekt en de geboorte van een kind op de akker van het geslacht van David in Bethlehem. Maar de beweging van Jezus van Nazareth is niet zomaar uit de lucht komen vallen. Al in de dagen dat hij geboren werd waren er velen in Israël die de komst van een bevrijder verwachten. Er waren dan ook al de nodige opstandjes geweest en er liepen regelmatig mensen rond die zich uitgaven voor de beloofde messias. Mensen met gelijke verwachtingen en overtuigingen zochten elkaar ook op.

Uit opgravingen na de Tweede Wereldoorlog weten we ook dat mensen de bestaande samenleving verlieten en in de woestijn in communes gingen wonen. Ook over Johannes de Doper vertelde Lucas al eerder dat hij in de woestijn ging wonen. Over Simeon en Hanna, waar we vandaag over lezen, wordt juist uitdrukkelijk verteld dat ze in de Tempel in Jeruzalem verbleven. Dat is de plaats waar zij de messias verwachten en zij herkennen in het kind, dat op de akker van David in Bethlehem geboren was, de beloofde bevrijder van Israël.

Daarom ook vertelde Hanna aan allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem over dit kind. Over die Hanna weten we verder niet zoveel. Ze was uit de stam van de gezegenden, dat betekent Aser, één van de tien stammen die na de ballingschap als zodanig niet meer was teruggekeerd, ze was de dochter van het gelaat van God, want dat betekent de naam Fanuël, haar eigen naam betekent genade. Ze was profetes en weduwe van beroep. Dat laatste klinkt hard maar de vermelding van haar leeftijd en haar naar verhouding korte huwelijk staan er niet voor niets.

De familie van haar man had voor haar moeten zorgen, daar had een man gevonden moeten worden die haar had willen trouwen. In de oude boeken van Mozes staat precies hoe ze dat hadden moeten doen. Het verhaal van Ruth, de grootmoeder van David, zou een goed voorbeeldverhaal geweest kunnen zijn. Maar in een paar woorden weet Lucas ons te vertellen dat die verhalen voor die familie niets te betekenen hadden gehad en dat de leer van Mozes haar in elk geval geen bescherming had geboden.

Nu maakte ze kennis met jonge mensen die alle risico’s genomen hadden met het wel weer gaan leven of de leer van Mozes nog steeds de geldende richtlijn voor het leven in Israël was. Daar mocht zij bevrijding uit haar benarde situatie van verwachten. Dat zou de bevrijding van Jeruzalem dichterbij brengen. Want Jeruzalem was nu eenmaal de stad waar die oude richtlijnen voor de menselijke samenleving bewaard werden. Waar mensen naar toe kwamen om zich rond die leer te scharen en door met elkaar een maaltijd te delen weer te oefenen in de betekenis van die grondregel: heb uw naaste lief als uzelf. Daarom is de toepassing van de leer zoals Maria en Jozef dat hadden gedaan van belang voor de hele bewoonde wereld. Zij waren niet gebleven bij de plaats die de Keizer had aangewezen maar waren op weg gegaan naar de plaats die God hun geslacht had aangewezen, de akker van Isaï in Bethlehem.

Bevrijding van Jeruzalem betekende voor Hanna dat die leer van Mozes weer tot gelding gebracht zou worden. Daar was die nieuwe koning uit het geslacht van David voor geboren, daar was de gezalfde, de messias, de christus, voor op aarde gekomen. Zo mogen wij ons voegen in dit verhaal. Weer oog en oor krijgen voor de weduwe, zorgen voor mensen die lang afhankelijk zijn van hulp en bijstand, zorgen dat mensen weer zelf verder kunnen.

Wij staan aan het begin van een nieuw jaar. En het spreekwoord daarbij zegt dat de weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens. Mischien kan ons Jesaja daarbij helpen. Het gaat niet om voornemens maar om nu een nieuwe jas aan te trekken. Om ons te weren tegen de kou tussen de mensen van vandaag, maar ook om te laten zien dat liefde, gerechtigheid en zorg voor elkaar weer warmte op aarde kan brengen.

Wij mogen er voor zorgen dat de grondregel van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf weer in het middelpunt van de wereld komt te staan. Zodat iedereen er bescherming van kan genieten. Daar mogen wij vandaag weer mee beginnen en dat mogen we weer een heel jaar volhouden.

Amen

Lezen: 2 Samuël 7: 4-16

             Lucas 1: 26-38

Gemeente,

Voor gelovigen is het hedendaags kerstfeest soms een irritant gebeuren. In de jaren 60 van de vorige eeuw schreef dominee Buskes er al een boekje over met de titel de zin en de onzin van het kerstfeest. Je krijgt soms de indruk dat het hele kerstfeest is verworden tot een slaapliedje, zo van slaap kindje slaap, daar buiten loopt een schaap, een schaap met witte voetjes, die drinkt z’n melk zo zoetjes. De herdertjes liggen immers bij nachte de wacht te houden en de engeltjes zweven door het luchtruim al zingend, zoet en wonderklaar. We moeten soms hard wakker geschud worden willen we nog de scherpe kantjes van het feest herkennen. Zijn wieg was een kribbe, een voederbak voor de schapen, en zijn troon was een kruis.

Van ver buiten onze goed verwarmde kerken klinkt het verhaal dat we vanmorgen lazen uit het Evangelie nog scherper. Paul Verhoeven schrijft in zijn boek over Jezus er van overtuigd te zijn dat Maria was verkracht door een Romeinse soldaat. In de Koran staat een heel hoofdstuk over Maria en haar kind. Daar komt de engel Gabriel op bezoek in de gestalte van een hele mooie man en samen gaan zij een grot in om zich te onderwerpen aan de wil van God. Zelf zal Maria een loflied aanheffen en zingen over de machtigen die van de troon gestoten worden volgens het verhaal van Lucas.

David heeft weet van de scherpe kantjes van het leven. Hij wil wel een Tempel bouwen voor zijn God, een definitieve woonplaats maar dat gaat zo maar niet. Ook David moet weten dat terwijl hij overal heeft rondgetrokken, in het veld bij de schapen, aan het hof bij Saul, in de woestijn van Zif waar hij Saul had kunnen doden, in het land van de Filistijnen waar hij een stad had gekregen, steeds de God van Israel bij hem was geweest. De richtlijnen voor de menselijke samenleving in een tent in de hoofdstad, laten ook zien hoe vluchtig de aanwezigheid van die richtlijnen kunnen zijn.

Voor je het weet zijn ze vastgelegd in wetten en regels waar mensen zich aan moeten onderwerpen in plaats van door bevrijd te worden. Pas als er een Koningshuis is naar Gods hart dan kan er een centrum ontstaan waar God ontmoet kan worden, waar met de armen, de familie, de levieten, de vreemdelingen maaltijd kan worden gehouden als een offer aan de God van Israël. De belofte dat het huis van David, dat huis naar Gods hart, eeuwig zal bestaan is voor Christenen vervult in Davids Zoon, Jezus van Nazareth die, zoals Paulus het uitdrukte, zijn Tempel bouwde in de harten van de gelovigen en daar de richtlijnen voor de menselijke samenleving in beitelde.

Maria hoefde niet te blijven zitten bij de scherpe kantjes die haar zwangerschap in de samenleving zou veroorzaken. Nadat Elisabeth haar zwangerschap vijf maanden verborgen had gehouden, spotten met een oude vrouw die zwanger is doet zeer nietwaar, werd de zwangerschap van Elisabeth toch aan Maria bekend gemaakt. Maria woonde in Nazareth in Galilea. Dat is zo bekend dat we er overheen lezen. Voor de eerste lezers van het Evangelie van Lucas zal er onwillekeurig een glimlach om de mond gespeeld hebben. Galilea stond in Israël als het land van de heidenen bekend. Voor de inwoners van Judea en vooral Jeruzalem woonden daar boerenpummels die nauwelijks besef hadden van de geweldige gewichtige leer van de boeken van Mozes, de boeken van de profeten en de geschriften die samen de Hebreeuwse Bijbel vormden. En dat Nazareth? Eigenlijk betekent het iets als “struikgewas.

Die boodschapper van God ging dus naar een Joods meisje, die verloofd was met een afstammeling van koning David, en die vond hij in het struikgewas in het land van de Heidenen. En op dat punt, zo ongeveer het minste vlekje dat je je in Israël kunt voorstellen daar wordt een geweldige belofte gedaan. Dat meisje, ongetrouwd nog, zal zwanger worden en haar zoon zal de beloofde bevrijder van Israël worden en op de troon van Koning David plaatsnemen. Nooit meer zal Israël een andere koning nodig hebben. En op de vanzelfsprekende vraag hoe dat allemaal wel niet moet als je niet getrouwd bent is het antwoord eigenlijk dat ook Elisabeth zwanger is. De Geest van God, de Liefde zelf, zal zorgen dat het gebeurd.

Lees hier nu niet de flauwekul over maagdelijke geboorte en zo. Die wordt hier niet verteld en staat ook niet elders in de Bijbel. Een verkeerde vertaling van Jesaja in het Grieks heeft ons ooit op dat onzalige spoor gezet. Want Maria verheffen tot iets als een koningin van de hemel is nu eenmaal het tegendeel van wat ons verteld wordt. Ons wordt verteld dat het meest onaanzienlijke meisje uit Israël, uit het meest onaanzienlijke dorpje dat ligt in het meest onaanzienlijke deel van Israël de moeder zal worden van de grootste Koning van Israël uit de geschiedenis en de toekomst.

Niemand onder ons is zo min in aanzien als Maria was, niemand leeft in een zo onaanzienlijk dorpje in een deel van het land dat zo geminacht wordt. Wij kunnen samen opstaan tegen het onrecht dat de wereld beheerst. Wij kunnen met het vrede op aarde van het kerstfeest de oorlogen in de wereld aan de kaak stellen, de oorlogen als in Syrië, Mali en al die landen waar telkens weer geweld tussen mensen oplaait. Juist als we onze naaste liefhebben als onszelf, als we oog durven hebben voor de minsten zal het ons lukken.

Dan zal de aarde veranderen, dan zal die zoon van Maria niet alleen de Koning zijn van Israël maar werkelijk de Heer van de wereld. Maar dan moeten we vandaag beginnen die Heer ook echt als Heer te erkennen. Morgen wordt dat verhaal van de geboorte verteld, het verhaal van de komst van de Vredevorst, de wonderbare raadsman en zo. Aan ons om er voor te zorgen dat dat verhaal niet al op Tweede Kerstdag is uitverteld maar dat het wordt door verteld tot aan de einden der aarde.

Amen

Lezen: Jesaja 40: 1-11

             Johannes 1: 19-28

Gemeente

We hoorden vandaag het verhaal van een onbekende profeet voorlezen, misschien zelfs van een hele school profeten. Dat verhaal staat in het boek dat we kennen als het boek van de profeet Jesaja maar wie de Hebreeuwse tekst goed kan lezen komt tot de ontdekking dat zijn verhaal niet van dezelfde schrijver kan zijn als het eerste deel van het boek van de profeet Jesaja. Deze onbekende profeet, wordt dan ook de tweede Jesaja, of deutero Jesaja genoemd, en de laatste wetenschappelijke onderzoeken wijzen er op dat een school waar profeten samen het verhaal vertelden en opschreven meer aannemelijk is.

Zo werd het boek van de profeet Jesaja beleefd als het boek van de hoop op bevrijding, zo wordt dat boek tot op de dag van vandaag gelezen. De tekst van het gedeelte van vandaag is gebruikt voor één van de meest populaire gedeelten uit de compositie Messiah van Händel. Het magistrale werk over de bevrijder die het volk terug zou voeren naar het beloofde land en de hele aarde zou bevrijden van alle uitbuiting, leed en ellende. Bergen en dalen zullen daarvoor verdwijnen, een tocht door de woestijn wordt dan een feestelijke reis die je zingend af kunt leggen.

Deze tweede Jesaja, zo zullen wij die school maar noemen, zat met een groot probleem. De God van Israël had verloren van de goden van Babel. Zo was het geloof van de volken in die dagen, naast de oorlog tussen mensen voerden de goden van de mensen oorlog. De oppergod van Babel, Marduk, had in de oorlog tussen Juda en Babel duidelijk gewonnen want zelfs het zilver van de Tempel in Jeruzalem was naar Babel overgebracht, samen met het volk.

Die Marduk moest wel een hele sterke God zijn want toen koning Nabonid van Babel zich afwendde van de godsdienst van Marduk en de maangodin Sin ging aanhangen verzwakte het rijk van Babel en kon het worden veroverd door Cyrus van Perzië. De priesters van Marduk openden de poorten van Babel voor de veroveraar.

Cyrus besloot vrijwel direct de Joden terug te laten keren naar hun eigen land en gaf hen toestemming hun eigen God te gaan aanbidden en hun Tempel te herbouwen. Ze mochten zelfs het tempelzilver meenemen. Deutero Jesaja noemde Cyrus daarom Messias, de verwachtte bevrijder van Israël. Voor deutero Jesaja bestaan de andere goden van de volken gewoon niet. Het is de God van Israël die alle machten en krachten van de wereld te boven gaat. Daarom vertegenwoordigen de teruggekeerde ballingen juist die God, een God waar je op kunt bouwen, die niet laat varen het werk dat ooit werd begonnen. Zelfs de heidense Koning Cyrus werd een werktuig in de hand van die God.

De eredienst van die God kon nu weer beginnen. En wat was de eredienst van die God dan wel? Daar draait het natuurlijk om. Dat was niet een mooie tempel met een prachtig beeld, veel priesters en veel offers. Dat was een Tempel waar het verbond met die God werd bewaard en gevierd. Dat verbond dat draaide om je naaste liefhebben als jezelf, daarmee heb je die God lief boven alles. Dat was wat die Priesters uitdroegen, zij spraken ook recht tussen de mensen en zorgden daarmee voor rechtvaardigheid. Zij zorgden er ook voor dat die offers werden gedeeld, met de armen en met de vreemdelingen. Daarom begint dit verhaal van deutero Jesaja met een feestelijke optocht. God gaat voorop en de hele wereld loopt er achteraan, achter de God van vrede en gerechtigheid, als de Liefde weer gaat regeren op aarde.

Maar de vrede was van korte duur, het land Israël werd eerst bezet door de Grieken en werd geregeerd door een uiterst wrede Koning die zelfs een beeld van Zeus in de Tempel liet plaatsen. Hij werd verdreven door de Romeinen die net deden of het land weer een soort zelfstandigheid had door zelf Koningen op de troon te zetten die werden geholpen bij het regeren door Romeinse soldaten en die er op toe moesten zien dat de mensen belasting betaalden aan de Keizer in Rome. Opnieuw moest het volk haar positie tegenover de God van Israël bepalen, werd die God geheel verlaten, of was er een andere manier van aanbidden.

De door de Romeinse Keizer benoemde Koning had in Jeruzalem de Tempel laten herbouwen, een prachtig bouwwerk was het geworden, waar deftige priesters en hun aanhang de offers inden die gelovige Israëlieten lieten brengen. Vlak voor de dood van die Koning was Jezus van Nazareth geboren en als wij kennis maken met de pogingen van het volk een andere verhouding met de God van Israël te vinden horen we eerst het verhaal over Johannes, de profeet uit de woestijn, het is 30 jaar na die geboorte.

Maar wie was die Johannes eigenlijk? Trouwe Bijbellezers weten dat die in de woestijn woonde en sprinkhanen at. Hij riep op om de weg te bereiden voor de bevrijder van Israël. Een oproep die heel erg veel leek op de oproep van Jesaja om het bevel van Keizer Cyrus te volgen en terug naar Jeruzalem te keren om daar de stad en de Tempel te herbouwen.

Johannes riep de mensen op om op een andere manier dan ze gewend waren de God van Israël te eren. Volgens de Evangelist Lucas riep hij op om als je twee mantels had er één weg te geven aan wie er geen had. Wij kennen dat beeld uit de bergrede die Matteüs beschreven heeft, maar het was kennelijk een zeer oud gezegde binnen de christelijke gemeente.

De kenners van de Bijbel uit zijn tijd gingen toch eens vragen wat Johannes nou eigenlijk van zichzelf vond, hoe zag hij zichzelf in de geschiedenis? Hij riep net als een profeet vroeger het volk op om opnieuw de samenleving in te richten zoals God dat aan het volk in de woestijn na de bevrijding uit Egypte had onderwezen.

Ooit waren ze immers uit de woestijn gekomen het land van melk en honing in. Maar Johannes was in elk geval niet de reïncarnatie van de profeet Jesaja en ook niet van Elia, die ook nog een tijdje in de woestijn had gewoond. Johannes doopte met water, hij riep de mensen op hun oude leven af te wassen en opnieuw te beginnen, als voorbereiding op een leven met Jezus. Die doop was een reinigingsritueel. Het was ook onderdeel van de procedure die Heidenen moesten ondergaan als ze Jood wilden worden. Johannes vroeg dus eigenlijk of alle Joden weer Israëlieten wilden worden, volgers van de God van Israël.

Johannes stelde zich daarmee wel zeer uitdrukkelijk in de traditie van de profeten die hadden geroepen dat God geen offers wilde maar gerechtigheid. En voor de mensen die van de dienst in de Tempel leefden, de levieten en de priesters, was dat een gevaarlijke boodschap. Daar ging je broodwinning. Johannes wees op Jezus die na hem zou komen en het volk zou bevrijden.

De profeet Jesaja had het ooit eens gehad over een tafel vol met drank en uitgelezen spijzen die gratis klaar gemaakt was voor iedereen die mee wilde doen. Gewone mensen in Nederland dromen zich een keer per jaar ook zo’n tafel, dat doen ze met kerst. In de donkerste dagen van het jaar begint een nieuw leven.

Vandaag beginnen veel mensen al de boodschappen te doen en in de Geest van Jezus delen we ook met elkaar. De voedselbanken lopen over, van armen die ze hard nodig hebben en gelovigen uit de kerken die zondag na zondag voedsel inzamelen. Zwervers krijgen soms meer maaltijden aangeboden voor kerstavond dan ze op kunnen. Daklozen vroegen zelfs een keer om de feestmaaltijden maar in januari te organiseren. In elk geval moeten we oefenen om ook in januari gul te geven.

Het oude leven afleggen betekent wel ook echt met het nieuwe beginnen. Johannes kwam eerst en Jezus kwam daarna. We vieren het zo dat het verhaal van Jezus op Eerste Kerstdag begint, maar het moet niet op Tweede Kerstdag al uitverteld zijn.

Want het verhaal loopt uit op een hele nieuwe aarde. Een aarde die zo mooi zal zijn dat God zelf op deze aarde zou willen wonen. De Evangelisten vertellen dat heel het volk zich door Johannes liet dopen. Toen Jezus afscheid nam gaf hij volgens Matteüs zijn leerlingen de opdracht alle mensen op aarde te dopen, totdat de aarde voltooid zal zijn. Dan zal de dood op aarde niet meer heersen. Dan zal zelfs de zee haar doden teruggeven. Tot die dag mogen we meewerken aan de Weg van de God van Israël, zoals Johannes riep en Jezus ons voorleefde, tot de aarde voltooid zal zijn,

Amen

Lezen: Jesaja 48: 17-21

             Matteüs 25: 14-30

Gemeente,

Het is vandaag de achtste dag. In de Bijbel zijn er zes dagen waarop gewerkt wordt en een zevende dag waarop gerust wordt. Op de achtste dag gebeurt er heel iets nieuws. Vandaag is het de dag na Sinte Maarten en de verkiezing van Prins Carnaval. Gisteren herdacht Engeland de gevallenen uit de talloze oorlogen die sinds het begin van de vorige eeuw zijn gevierd. De veteranen leggen vandaag kransen bij het monument.

Maar er is iets nieuws. De zondag kwam als eerste dag van de week omdat we geloven dat de dood is overwonnen. Wij weten van delen. In oude tijden gingen de armen een aantal keren in de winter langs de deuren om voedsel te bedelen. Met Sint Maarten, met Sinterklaas, op Tweede Kerstdag, met drie koningen en met Carnaval. De donkere wintertijd wordt zo verlicht met het licht van het delen, geen wonder dat die feesten in Christelijke feesten zijn veranderd.

Maar hoe zetten we die vreugde van het delen nu in voor de God van Israël? We horen nog wel eens verkondigen dat de mens zijn redder pas leert kennen in de hoogste nood. Daarom zouden we onszelf ineens heel erg slecht moeten gaan vinden. Want pas als de mens weet hoe slecht die is kan die mens de God van Israël leren kennen of zijn zoon Jezus van Nazareth, dat is dan ongeveer hetzelfde. Maar als we alleen op het slechte van de mens letten dan miskennen we toch een Bijbelse boodschap.

Natuurlijk het volk Israël was in ballingschap gestuurd omdat ze de geboden van de God van Israël hadden verlaten en vreemde goden waren nagelopen. Zo zeggen we dat gewoonlijk. Maar de ballingschap was niet een daad van God maar het gevolg van het nalopen van andere goden.

Ook wij hebben de neiging om de goden van winst en profijt, van klatergoud en carrièrre belangrijker te vinden dan recht en gerechtigheid voor de armen. Maar de ballingen tot wie Jesaja zich in het gedeelte van vandaag richt zijn nog niet zo slecht. De oproep om de ballingschap te ontvluchten klinkt niet tevergeefs. Trek weg uit Babel, ontvlucht de Chaldeeën staat er en dan vooral niet stiekem, niet in het geheim, maar iedereen mag het weten dat de God van Israël zijn volk vrijkoopt.

Achteraf weten we dat die oproep niet zomaar was. Die ballingen hadden in de ballingschap weer naar hun profeten geluisterd, die hadden hen op de geboden gewezen die in het volk rond hadden gezongen. Ze hadden het over het “Gij zult niet doden”, over het “Heb Uw naaste lief als Uzelf”. Die profeten hadden hen voorgehouden dat die richtlijnen de kern waren van hun bestaan.

De graven van de Engelse soldaten op de vele kerkhoven in ons land mogen ons vandaag herinneren aan mensen die boven zichzelf uitstegen. De vrijheid en de welvaart die we nu hebben danken we aan mensen die zo boven zich uit stegen dat ze hun leven voor een samenleving als de onze overhadden. Meer dan hun leven konden ze niet met ons en onze kinderen delen.

De ballingen in Babel waren tijdens hun ballingschap weer teruggegaan naar hun eigen geschiedenis. Er waren nog documenten van hun koningen bewaard, er waren nog verhalen uit tempels en heiligdommen over de God van Israël, die geheimzinnige woestijngod die niet aan een land of een stad geboden was maar die meetrok met een volk, een God die een verbond sloot met een volk alsof het twee gelijkwaardige partners waren. Ze hadden nog brieven en geschriften van profeten. Al die verhalen, documenten, geschriften werden bij elkaar gelegd en tot een complete eenheid gemaakt.

Dat was het begin van wat wij nu de Bijbel noemen. Daar stond in hoe die God van Israël met mensen omgaat en wat die van mensen verwacht. En dat was eigenlijk een geweldig verhaal dat zich laat samenvatten als “Heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf”. Daar staken de goden van Babel maar schril bij af, die moesten in leven worden gehouden door het voedsel dat aan hen geofferd werd. Met die goden moest je handeltjes zien te drijven. Als je wat voor zo’n god deed dan kon je geluk hebben, dan kon die god wat voor jou doen, als die God daar zin in had en niks anders te doen had.

Zo zat het niet bij de God van Israël. Die liet niet varen het werk dat zijn hand begon, die God was ook in de ballingschap de God van Israël. Van die God leren we vrede. Niet zomaar vrede als een pauze tussen twee oorlogen maar vrede als een rivier. Rivieren die traag door oneindig laagland gaan, rivieren net als de ballingen de rivieren Eufraat en de Tigris hadden leren kennen, paradijselijke rivieren.

Nageslacht krijgt een volk, talrijk als het zand van de zee. Bij een volk dat gerechtigheid voortbrengt, een volk dat talrijk is als de golven van de zee wil je wel horen. En gerechtigheid betekent dat elk mens tot zijn of haar recht komt. Daarvoor moeten we dus uittrekken uit het land van de ballingschap. Daarvoor moeten we in onze dagen durven breken met het voorop stellen van winst en profijt, van klatergoud en carrière, moeten we voorop stellen hoe het met de minsten in onze samenleving gaat. Hoe het gaat met de zwervers in de stad, de hoeren en tollenaars uit het nieuwe testament en de weduwen en de wees uit het oude Testament.

Daarvoor moeten we in onze dagen de minsten voorop stellen, de gedwongen prostituees, de bezoekers aan de voedselbanken, de hongerenden in Afrika, de gewetensgevangen in de wereld, de zieken en gehandicapten, de mensen die langs de kant van de weg zijn gezet en al die talloze slachtoffers van oorlog en geweld in de wereld. Elk van ons kan slachtoffers van de zwarte kanten van onze samenleving noemen die het rijtje eindeloos kunnen aanvullen. Daarop bedacht zijn is dus onze eerste opdracht.

Maar het is voor ons ook een duik in de woestijn, loslaten van winst en profijt, van carrière en inkomensgroei voor onszelf is een risico. Die God belooft ons wel dat we geen dorst zullen lijden, dat uit de hardste rots water zal ontspringen maar zijn wij niet te zwak om dat avontuur aan te durven? Een kleine kudde die ook nog steeds kleiner wordt? Zelfs het volk Israël dat bevrijdt was uit het slavenhuis in Egypte was een hardleers en morrend volk. Lopen we niet een te groot risico?

Over dat risico gaat de lezing uit het Evangelie van vanmorgen. Het is een gelijkenis, maar wat is een gelijkenis? Een gelijkenis is wel eens een raadselspreuk genoemd, geladen met macht, een woord uit een Koninkrijk waarin enerzijds dingen worden geopenbaard maar anderzijds zaken gesloten blijven. Het koninkrijk Gods wordt uitgedrukt in gelijkenissen In die gelijkenissen komt de macht van dat Koninkrijk op ons af.

Jezus van Nazareth probeert in gelijkenissen antwoorden te geven op vragen die hem worden gesteld. Op de vraag “wie is mijn naaste” geeft hij als antwoord de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan. Op de vraag hoe je je moet voorbereiden op het einde van de geschiedenis is het antwoord een paar gelijkenissen, waaronder die van de wijze en dwaze meisjes, met de brandende lampen en het verhaal over de talenten.

Dat verhaal uit het Evangelie naar Matteüs zal in onze dagen in kringen van bankiers wel populair zijn. Want het lijkt een verhaal over risico’s nemen en rendementen behalen. Er wordt je een bedrag toevertrouwd en naarmate het bedrag groter is moet je meer opbrengst verdienen, telkens een rendement halen van 100 procent en dus meer risico nemen. Waar dat toe leidt als je dat aan bankiers over laat hebben we kunnen merken. Vooral als aan de resultaten ook nog grote beloningen zijn verbonden en wie dit verhaal goed leest zal opmerken dat de beloningen een grote rol spelen. Geen resultaat betekent in elk geval ontslag.

De prikkel van buitensporige beloningen op het behalen van grote rendementen wordt tegenwoordig een perverse prikkel genoemd. Maar ook in het Koninkrijk van God wordt je toch uitgedaagd risico’s te nemen en rendement te behalen. Je hoeft er zelfs geen bankier voor te zijn met gespecialiseerde opleiding en toestemming van de toezichthouder.  In dit verhaal uit Matteüs kan iedereen meedoen. Of je nu veel kunt of weinig maakt niks uit, als je maar mee doet. Je hoeft ook niet bang te zijn dat je te weinig doet. Je krijgt net zoveel talenten als je aankunt. Pas als je je door angst of onverschilligheid laat verlammen en niks meer doet dan loopt het verkeerd af.

In het verhaal dat we gelezen hebben is het de angst die verlamde: De Heer oogst waar hij niet gezaaid heeft, de Heer is een gestreng Heer, klinkt het. Maar wat zijn dan die talenten waarmee ook wij mogen woekeren? Dat zijn dus niet bijzondere vermogens waarmee je meer zou kunnen dan een ander, want de hoeveelheid talenten is al afgestemd op wat je aan kunt. Het gaat dus niet om een bijzondere intelligentie, of een bijzondere handigheid. Iedereen in het verhaal kreeg immers een talent?

Nee de talenten waarmee ook wij mogen woekeren zijn het goud van God en dat kennen we. Het goud van de God van Israël is de liefde voor de armsten en de zwaksten. Je daar mee bezig houden en de liefde voor de naaste vermeerderen dat is pas woekeren met talenten. Dat kan in het groot, maar dat kan ook in het klein, thuis desnoods. En niet zeuren dat die liefde te kostbaar is, dat die verspild zou kunnen worden of gestolen door de rijken, dat je niet wist wat er van terecht zou komen of dat het geld dat je kon storten op giro 555 wel goed zou worden gebruikt.

Woekeren met de talenten van God is onvoorwaardelijk liefde geven. Het rendement is de liefde die gegeven is, niet of het echt beter is gegaan, onze God bepaald immers zelf wat er met zijn liefde wordt gedaan, het is genade dat wij daarvoor de instrumenten mogen zijn. De hongerigen die gevoed zijn kunnen later best ziek zijn geworden, de naakten die gekleed zijn kunnen later best in een oorlog terecht zijn gekomen, de vrede die gesticht is kan best werkloosheid in de wapenindustrie tot gevolg hebben gehad, de bedroefden die getroost zijn vergaten misschien voor de graven op het kerkhof te zorgen, de jongeren die weer naar school gingen konden na hun schooltijd misschien niet direct werk vinden. Zo kun je wel doorgaan.

Onze wereld is voor ons niet maakbaar, in je eigen omgeving niet en in de grote wereld ook niet. Maar alle liefde die onbaatzuchtig wordt getoond draagt bij aan een betere wereld. Aan het eind van zijn evangelie vertelt Matteüs dat wij de opdracht kregen om alle mensen op aarde te dopen, tot de aarde voltooid zal zijn vertaald de Nieuwe Bijbelvertaling. Dus door alle mensen te betrekken bij die liefde van de God van Israël doen we mee in het scheppingswerk dat nog steeds bezig is.

Meewerken met God in het voltooien van zijn schepping is dus niet om die God voor ons te winnen, handeltjes zijn er niet te drijven met de God van Israël. Het is ook niet uit dankbaarheid, we moeten maar afwachten wat de Heer vindt van ons woekeren met zijn talenten. Maar dankbaarheid voelen we zelf als we de liefde delen die we van onze God voor onze naasten hebben gekregen. Wie die liefde heeft zal voortdurend meer ervan krijgen om weer weg te geven. Wie de liefde alleen voor zichzelf houdt die zal alles verliezen en nooit geliefd worden. Delen van de liefde leidt onherroepelijk tot een feestmaal, de maaltijd waar niemand meer honger heeft en alle leed zal zijn geleden. Dat brengt ons terug bij de oorsprong van het Sint Maarten feest en het Carnaval. Als je rijk bent dan deel je en neem je deel aan het feest van delen.

En elk delen is een reden tot grote vreugde en nog grotere dankbaarheid, als je dat eenmaal hebt ervaren wil je er nooit meer mee ophouden. Begin dus vandaag maar te woekeren met je talent lief te hebben, elk voor zich en samen als gemeente, dan ben je klaar om de Heer te ontvangen wanneer hij komt en wanneer je er tot in eeuwigheid mee mag doorgaan.

Amen

Lezen : Matteüs 25: 1-13

Gemeente,

Vandaag hebben we het over olie. In het Bijbelverhaal gaat het over lampolie. De ene helft heeft er genoeg van en de andere helft komt te kort. Dat verhaal over die Bruiloft staat op z’n kop. In Israël werd de bruid door haar vriendinnen naar de bruidegom gebracht. Maar in dit verhaal komt de Bruidegom naar de bruid. Het is dus geen gewoon verhaal over olie die je in de oliewinkel kan kopen. Want als het over gewone olie zou gaan dan zou je als wijs meisje, of jongen, toch je olie willen delen met wie helemaal niks meer heeft. We hebben immers alles van God gekregen en God vraagt ons te delen met hen die niets hebben.

Je moet je afvragen wat voor olie is het nu die je niet kunt delen? Ik zelf denk dan allereerst aan smeerolie. Je had vroeger van die oliemannetjes die met een kan smeerolie de fabriek rondliepen om de machines te smeren. Door hun werk bleef de fabriek aan het werk en werd niemand getroffen door storingen. Die oliemannetjes moesten zelf voor voldoende olie zorgen anders konden ze hun werk niet doen. Die oliemannetjes konden hun olie niet zo maar tijdens het werk delen want dan konden ze zelf niet al hun machines smeren.

Als je de Bijbel leest dan lijkt Jezus af en toe ook wel op zo’n oliemannetje. Hij smeert de verhouding tussen zieken en armen aan de ene kant en hun samenleving aan de andere kant. Ineens horen die zieken en armen er weer bij en kunnen ze verder met de mensen om hen heen. Jezus heeft ook onze verhouding tot God willen smeren. Hij deed dat door aan het kruis de dood te overwinnen. De dood regeert ons daardoor niet meer maar zijn leven regeert ons.

Zo komen we er ook achter wat voor bijzondere lampolie die meisjes bij zich hadden. Dat was de liefde, de liefde voor bruid en bruidegom. Daar zouden ze voor stralen. Er waren meisjes die om bruid en bruidegom dachten, er moest gestraald worden als die twee bij elkaar zouden komen. Er waren ook meisjes die alleen maar om hun eigen stralen hadden gedacht. Hun lampje brandde immers? En als de bruidegom later zou komen dan was dat stom van die bruidegom, zij hadden evengoed gestraald.

En liefde kun je wel uitstralen, maar niet delen. De liefde die ik om mij heen uitstraal kan ik niet met anderen delen, zo van neem maar een beetje van mijn liefde en straal daar mee. Het blijft mijn liefde. Daarom konden de wijze meisjes ook niet delen met de meisjes die niet om bruid en bruidegom maar alleen om zichzelf hadden gedacht. De meisjes die de liefde niet alleen voor de show hadden, kijk hen eens stralen, maar die hun liefde voor de bruidegom en de bruid wilden laten stralen waren welkom op het bruiloftsfeest, zij mochten het bruidspaar met hun lichtjes eren. De anderen vonden een dichte deur, zij hadden voor zichzelf gestraald, daar was geen eer aan te behalen.

Het zal duidelijk zijn dat het ook voor ons opgaat dat we liefde moeten blijven delen. Jezus heeft ons opgedragen elkaar lief te hebben. Dat zullen we allemaal, ieder voor zich, moeten doen. De een kan het doen door hard te lopen de ander door vriendelijk te danken voor de moeite die voor hen getroost wordt. Allemaal kunnen we Gods liefde uitstralen en daarmee maken we van onze omgeving een stralend geheel, dat moet iedereen wel opvallen. Jezus vergeleek dat met een stad op een berg die niet verborgen kan blijven. Laten we samen zo’n stad bouwen, als voorbeeld voor de wereld rondom ons.

Amen