Feeds:
Berichten
Reacties

Lezen: Jesaja 6:1-8

             Lucas 5: 1-11

Gemeente,

Die Koning Uzzia had wel 52 jaar geregeerd. Dat is een hele lange tijd. Zeker als het niet goed gaat in een land, tenminste goed en niet goed in de ogen van profeet. Onder deze koning immers waren de rijken, die akker na akker samenvoegden, steeds machtiger geworden. Onder deze koning was het volk op zoek gegaan naar genot om het genot zonder om anderen te denken, zonder te willen delen. Een profeet die al een hele tijd het volk oproept om zich te keren naar de leer van Mozes zoals die in de Tempel wordt bewaard, een profeet die de Tempel in Jeruzalem nog wil laten functioneren zoals die Tempel is bedoeld, een plaats om samen te komen voor maaltijden met de armen en de vreemdelingen, zal vast dromen dat nu de Koning dood is er een nieuwe tijd zal aanbreken.

In een wereld vol onrecht, waar de kloof tussen arm en rijk steeds groter werd, waar rijken de dienst uitmaken en de wet kunnen verzetten in eigen voordeel, een wereld waar onrecht en corruptie heersen, is het verschil tussen de prachtige Tempel en de wereld daar buiten wel erg groot. Het zijn de engelen die op de ark zijn geplaatst die Jesaja aan het spreken brengen. In die ark liggen immers de hoofdlijnen uit de leer van Mozes opgeborgen, je zult je naaste lief hebben als jezelf.

Er zullen vast mensen geweest zijn die naar die droom van de Profeet wilden luisteren. Maar tevergeefs. De boodschap is dat nu de Koning dood is er niks zal veranderen, omdat het niet alleen om de koning gaat. Je bent misschien aangestoken door de gloed van de Tempel en haar bedoeling, je snapt best hoe de Wet van delen en rechtvaardigheid in elkaar zit. Je kan er niet genoeg over praten maar vergeefs. Het volk zal je horen maar niet volgen. Dat is het visioen dat de Profeet krijgt. Ondanks die mooie tempel met die gouden cherubijnen, met al dat Goddelijke dat zo’n verheven ruimte vult, ondanks het feit dat je zwaar onder de indruk bent van de plechtige omgeving en het plechtige van je roeping, ondanks dat alles weet je dat het volk niet zal luisteren.

De dood van de Koning brengt niet het beloofde land waarin iedereen meedoet met de samenleving van je naaste liefhebben als je zelf. Jesaja krijgt de boodschap dat pas als het volk net zo gaat lijden als de armen al doen, pas als ze zelf weer slaven zijn net als de mensen die door hen worden uitgebuit, pas dan gaan de mensen het begrijpen.

Dat was in de dagen van Jesaja en het was in de dagen van Jezus niet anders en het is in onze dagen nog net zo.

We lezen tot aan het begin van de volgende advent veel in het Evangelie van Lucas. We lazen al eerder in dit Evangelie en lazen toen het verhaal over Johannes de Doper die de mensen opriep een ander leven te gaan leiden, de mensen die dat wilden doopte in de Jordaan, en die vanwege zijn kritiek op Koning Herodes in de gevangenis belandde.

Ook Jezus van Nazareth had zich laten dopen en met hem zou er een nieuwe wereld opengaan. Thuis in zijn eigen stad was er geen gehoor en in Kafarnaüm waar hij heengetrokken was stroomden de mensen in zulke grote getale toe dat hij het er af en toe benauwd van kreeg. Er moest dus wat anders gebeuren. Het verhaal dat we vandaag lezen vertelt welke nieuwe wending de beweging van Johannes de Doper en Jezus van Nazareth kreeg. Opnieuw werd Jezus van Nazareth in de knel gebracht door het grote aantal mensen dat op hem af kwam. Om de ruimte te krijgen, om in elk geval te kunnen spreken, charterde hij de boot van Simon die net terug was van een nacht tevergeefs vissen.

Die Simon kende hij al want hij had er voor gezorgd dat de schoonmoeder van Simon weer mee kon gaan doen nadat ze een zware koortsaanval had gehad. Simon raakte ook nu danig onder de indruk van deze vreemde leraar. Maar toen die over het vissen begon trok er een glimlach over zijn gezicht. Wij kunnen het niet meer nalezen want de vertalingen vertalen keurig met meester, maar de schrijver van het Lucasevangelie gebruikt hier een zeer algemeen woord voor heer. Een dominee uit de stad vertaalde voor zichzelf dan ook met chef, in een vissersdorp zou men wellicht jawel schipper hebben gezegd.

Simon deed wat hem werd gevraagd en ving meer dan hij ooit had gedaan, niet één maar twee schepen vol. En zo goed was Simon nu ook weer niet dus vroeg hij Jezus maar om te gaan. Dat was het keerpunt, als je gelooft in jezelf, zoals Simon geloofde dat hij tenminste een goede visser was, en er niet op uit bent van een ander te profiteren maar het zelf wil redden in het leven, dan kun je andere mensen overtuigen mee te doen in het Rijk van recht en vrede.Daarmee staat Jezus van Nazareth niet meer alleen als leraar, maar begint de opleiding van zendelingen die de wereld rondtrekken om iedereen er bij te betrekken.

Vandaag worden ook wij daartoe geroepen, doe het goede en overtuig de mensen om je heen ook om het goede te doen. In onze samenleving laten mensen zich nogal eens leiden door angst, vooral door angst voor mensen die anders doen en anders geloven. Voor angst was in de dagen van Jezus van Nazareth ook genoeg reden. Het zou uiteindelijk Johannes de Doper zijn leven kosten. Maar Jezus van Nazareth trekt zich kennelijk niks aan van mensen die angst zaaien en ook zijn nieuwe volgelingen zoals Simon laten zich niet leiden door de angst voor de gevolgen.

Waarom laten wij ons dan wel leiden door angst? Zijn we niet meer in staat om over het goede te praten? Of geloven we niet meer in het goede, in de mogelijkheid met andere mensen samen te leven en samen een samenleving op te bouwen waar iedereen mee kan doen. Deze week is de week van het overtuigen van mensen juist daarvoor te kiezen. Elke nieuwe dag kan het begin van een heel nieuw leven zijn, elke nieuwe dag is immers net zo nieuw als eens de eerste.

Als de Heer ons dus vraagt wie te roepen om te laten zien wat dat nieuwe Koningkrijk nu eigenlijk voorstelt dan belijden gelovige Christen dat het antwoord is Heer stuur mij. Want wij geloven dat de aarde anders wordt, dat het uiteindelijk niet zal gaan om de winst, om de hoge positie, de grote van het jacht of het huis dat je hebt maar dat het zal gaan om de liefde voor de mensen, vooral voor de minsten op aarde, dat het ook zal gaan om een aarde waar iedereen kan leven, waar vrede is en honger verdwenen. Deze week lieten de kinderen zien dat ze daarvoor in beweging willen komen en dat ze daarvoor naar school gaan. Ze houden met naar school gaan op als wij de komst van die aarde tegen willen houden en liever de dividenden en winsten hoog willen houden. Vandaag vieren ruim 900 voorgangers die zich geroepen wisten om de continue kerkdienst ter bescherming van kinderen vol te houden dat het kinderpardon er uiteindelijk toch is gekomen. Luisteren naar de roep van de Heer u in te zetten voor de minsten helpt. Is het vandaag niet dan morgen of in de na ons komende geslachten. Laat u dus roepen en ga aan de slag, totdat hij komt.

Amen

Advertenties

Lezen: Jeremia 1: 4-10

Lucas 4: 21-30

Gemeente,

Geloven is een werkwoord en die arbeid is niet eenvoudig. Zondag aan zondag komen we bij elkaar om samen te bidden en te zingen, om naar het Woord van God, en dus naar God zelf, te luisteren. Maar als ons gevraagd wordt of onze gemeente bekend is als een stad die op een berg ligt, of straalt in onze dorp als een licht dat zeker niet onder een korenmaat staat en of de gemeenteleden het zoutend zout zijn in diezelfde samenleving dan stamelen we vaak of doen er het zwijgen toe. Dat hoeft overigens niet want als de kerk nodig is blijkt de kerk ook altijd aanwezig. In Den Haag werd 3 maanden lang dag nacht een ononderbroken kerkdienst gehouden om aandacht en bescherming te vragen voor kinderen die na 5 jaar in Nederland hier ook geworteld zijn

En als er een ergens ramp gebeurd of de samenleving wreed verstoord wordt door geweld opent de kerk de deuren voor nabestaanden en slachtoffers. En overal in Nederland zijn voedselbanken die bij tekort worden bevoorraad door inzamelingen in kerken en waar vanuit de kerken en gemeenten veel vrijwilligers werken.

Wat doen we dan vanmorgen? We houden vol met luisteren naar de valkuilen en discussies die ons af houden van het inzetten van het goede als wapen tegen het kwade dat ons omringt. Daar zijn de Bijbelse verhalen voor bedoeld en daarom moeten we op zoek naar de betekenis van die Bijbelse verhalen. En dan zal ons blijken dat wat ons zwak voorkomt onvermoede krachten heeft, krachten die wij misschien ook zelf wel hebben om het goede te doen en niet dan het goede. Kijk maar eens naar het verhaal dat we vanmorgen uit het boek van de profeet Jeremia hebben gelezen.

God had gemakkelijk spreken. Die had Jeremia al voor zijn geboorte bestemd om profeet te worden. Maar Jeremia weet van niks. En zou u niet schrikken als ze tegen u zouden zeggen dat je het gezag over alle volken krijgt om ze uit te rukken en te verwoesten om ze te vernietigen en af te breken, op te bouwen en te planten? Geen wonder dat Jeremia roept dat hij te jong is.. Maar we hebben vanmorgen de opdracht gehoord die Jeremia heeft gekregen. En we weten dat Jeremia een van de grote profeten is geworden. Wij zijn Jeremia niet zult u denken.

Maar dan moeten we nog één vers doorlezen, Jeremia 1 vers 11: De Heer richtte zich tot mij: “Wat zie je, Jeremia?” Ik antwoorde “ Ik zie een amandeltwijg” En in dat beeld van die amandeltwijg zit het geheim van de kracht van Jeremia, en misschien ook wel het geheim van onze kracht. Wij kennen alleen geen amandeltwijgen. Wij kennen sneeuwklokjes. Van die bloemen die te vroeg zijn. Als de sneeuw er nog ligt komen ze al boven de grond uit en zoeken ze het zonlicht.

In Israël hadden ze de amandelboom. Vroeg in het voorjaar was dat de eerste boom die in bloei kwam. En net als het sneeuwklokje bij ons was de amandelboom in Israël het onbetwistbare teken dat de lente er aan kwam. Hoe koud het ook nog was, hoe fel de voorjaarsstormen ook nog te keer konden gaan, de lente kwam er aan. Een prachtig beeld voor de belofte van de God van Israël dat, ondanks alle ellende die we in de wereld zien, de hemel op aarde zal neerdalen.

Jeremia had in zijn dagen zo’n beeld nodig. Want als hij goed keek zag hij niets dan dreiging groeien voor zijn land en zijn volk. En die tere sneeuwklokjes hebben net als de tere amandelbloesem een onvoorstelbare kracht om de kou te kunnen trotseren en ondanks de kou de terugkerende zon op te zoeken en in bloei te komen. Iedere keer als Jeremia dacht te zwak te zijn zou hij aan de amandeltwijg mogen denken en mogen wij aan het sneeuwklokje denken.

Jeremia leefde in de goddeloze tijd. De leer van Mozes, het heb Uw naaste lief als Uzelf, was vergeten. Overal werd afgodendienst bedreven. En rondom klonterden de volken samen tot machtige rijken. Vooral in het noorden werd de dreiging voor kleine volkjes als Juda steeds groter. Dat kon nooit goed aflopen. Er zou een dag komen dat Israël, dat zelfs Juda, niet meer zou bestaan en dat vreemde volken zouden heersen over Jeruzalem.

Een volk dat geen respect meer kan afdwingen door te zorgen voor de minsten en de zwaksten in zijn samenleving zal behandeld worden net als alle andere volken die bezetters kennen en vreemde heersers. Daarom is het beeld dat volgt op het beeld van de amandeltwijg in het verhaal van Jeremia het beeld van de overhellende pot kokend water op een vlammend vuur. Als je je door de wind van het noorden laat verwarmen dan zul je bij het noorden moeten horen. Die windstreken moet je dus niet zo letterlijk nemen maar als je meegaat in een cultuur van haat en eigenwaan dan zul je overheerst worden door een cultuur die je vreemd is en die haat zaait en van eigenwaan druipt.

Het is de jonge Jeremia angstig te moede als hij beseft dat hij deze boodschap van onheil en ondergang moet brengen aan zijn volk en vooral aan de leiders van zijn volk. Maar de God van Israël maakt hem sterk, een vestingstad, een ijzeren zuil, een bronzen muur staat er. Hij kan tegenstand verwachten maar uiteindelijk zal hij onverslaanbaar blijken. Het zijn beelden die in scherp contrast lijken te staan met het beeld uit het begin van dit verhaal.

Een bronzen muur tegenover een bloeiende amandeltwijg, een ijzeren zuil tegenover ons sneeuwklokje. Maar dat contrast is maar schijn. Zoals de amandeltwijg en het sneeuwklokje een geweldige kracht in zich moeten hebben om tegen de winterkou in toch tot bloei te komen zo schuilt in de jonge Jeremia, en dus in alle jongeren, een geweldige kracht als ze de mensen op roepen om de weg van de wereld te verlaten en de Weg van de God van Israël te volgen.

Niet langer zal vruchtbaarheid, zullen winst en profijt, voorop moeten staan, maar de zorg voor de minsten op aarde zal het handelen van mensen en volken moeten bepalen. Delen zal het werkwoord moeten zijn dat hebben verdrijft.

Niet de prachtigste technologische uitvindingen die de mode van vandaag bepalen maar het voeden van de hongerigen en het kleden van de naakten zullen de wereldwijde aandacht moeten hebben. Als dat gebeurd zal ook bij ons onweerstaanbaar de lente aanbreken, dwars tegen alle winterkou in.

Jezus van Nazareth had dat beeld van de profeten opnieuw opgepakt. Hij had gelezen uit het boek van de profeet Jesaja, over het genadejaar, het aangename jaar des Heren. Hij had bij Jesaja gelezen dat hij geroepen was om aan armen het goede nieuws te brengen, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken, en aan blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven.

En hij had zijn gehoor in de Synagoge van Nazareth verteld dat ze nu pas gehoord hadden hoe dat schriftwoord in vervulling was gegaan. Jezus van Nazareth onderwijst in de synagogen staat er in het verhaal van Lucas. Leren noemt men dat. Synagogen zijn plaatsen van bijeenkomst in de dorpen en steden buiten Jeruzalem opgezet door de Farizeërs om er voor te zorgen dat de kennis van de Joodse Bijbel niet verloren zou gaan .

Onze kerkdiensten komen voort uit de bijeenkomsten in de Synagogen. Al ging in de Synagogen iedereen voor, elke man van 12 jaar of ouder kreeg een deel van de Hebreeuwse Bijbel te lezen en mocht als hij zich daartoe geroepen voelde er iets over vertellen.

Jezus van Nazareth leest in de synagoge van de stad van zijn jeugd uit het boek Jesaja. Maar Jezus van Nazareth stopt met het stuk van Jesaja op het punt waar iedereen nog een halve zin zou doorlezen In hoofdstuk 4 vers 19 na “om een genadejaar van de Heer uit te roepen, staat ook nog “ en een dag van wraak voor onze God, om allen die treuren te troosten” Die dag van wraak voor de God van Israël wordt door Jezus van Nazareth dus niet uitgeroepen.

Dat moet dus een grote teleurstelling geweest zijn voor de hoorders in de Synagoge. Iemand die met zoveel gezag uit de Hebreeuwse Bijbel kon voorlezen, iemand die de opdrachten van de God van Israël op zichzelf toegepast kon verklaren, en hier zei hij toch : “Vandaag hebben jullie deze schrifttekst in vervulling horen gaan?” Daar begint de lezing van vanmorgen mee.

Jezus van Nazareth zegt niet meer of minder dat hij ook de kracht heeft die de God van Israël aan Jeremia heeft gegeven, de kracht van het sneeuwklokje, de kracht van de amandeltwijg. Breekt dan de vrijheid van Israël, de bevrijding van de wrede Romeinse overheersing niet met geweld baan? Is daar geen opstand van het volk voor nodig onder leiding van Jezus van Nazareth?

 

In de dagen van Jezus van Nazareth vatte steeds meer de gedachte post dat alleengewelddadige opstand tegen de Romeinen het herstel van een vrij Israël zou kunnen brengen. In in het jaar 70 was er een grote opstand geweest waar bijna heel het volk bij betrokken was geweest. Die opstand was niet alleen bloedig neergeslagen door de Romeinen maar had ook geleid tot de verwoesting van de Tempel, de vernietiging van Jeruzalem en de verstrooiing van het Joodse volk over de hele toen bekende wereld

Lucas heeft zijn Evangelie na die geweldige opstand geschreven en vertelt op zijn manier hoe Jezus van Nazareth met die hang naar geweld was omgegaan. In plaats van de opstand uit te roepen tegen de Romeinen wijst Jezus van Nazareth er op dat er in de geschiedenis van het volk Israel ook momenten waren geweest dat het nodig was om je aan de rand van de samenleving op te houden.

Jezus van Nazareth op de profeet Elia. Van alle weduwen die het moeilijk hadden tijdens de droogte, ook in Israël waren veel weduwen, ging Elia niet naar een weduwe in Israël maar naar een weduwe in Sarfat, net in het buitenland.

Je kunt de vijand zelfs bestrijden door het goede te doen aan bezettende buitenlanders zoals Eliza bij Naäman, de Syrische generaal, had gedaan, die was op aanwijzing van Eliza genezen van zijn melaatsheid, van een genezing van Israëlische melaatsen op aanwijzing van Eliza is nergens iets te lezen.

Jezus van Nazareth sluit aan de opvatting van de profeet Jeremia die later betoogde dat het niet zoveel zin had tegen machten te vechten waar je het niet van kon winnen maar dat het goede doen en de Liefde betonen, die de Wet van de Liefde vraagt, altijd tot overwinning leidt.

Dat aangename jaar des Heren, dat genadejaar, dat jubeljaar was dus niet een zaak van ingrijpen van bovenaf. Dat zou niet komen via een wonder van de God van Israël. Dat zou komen van het volk zelf. Dan moesten ze zorgen voor de minsten in de samenleving. De blinden, de lammen, de weduwe en de wees. Dan moesten de hongerigen gevoed

worden en de dorstigen gelaafd. Dan zouden de naakten gekleed worden en de gevangenen bevrijdt. Dat moesten ze zelf organiseren. Nou vergeet het maar. In Kafernaüm had deze zoon van Jozef de timmerman toch allerlei zieken genezen? Daar had hij toch een hoop wonderen gedaan? Hij zou ook de inwoners van Nazareth kunnen bevrijden door wonderen te doen, ja hij zou het hele volk Israël kunnen bevrijden door de macht van de God van Israël in te zetten.

Inderdaad: Geneesheer genees uzelf, laat ons er buiten, laat ons geen risico lopen, val ons er niet mee lastig. Profeten hebben gemakkelijk praten, zij vertellen wel hoe het gaat aflopen met ons, maar ze vragen ook altijd om zelf de last op te nemen van de problemen in de samenleving.

Woedend sprongen dus de bezoekers van de Synagoge, de hoorders van het woord op. Ze wilden de wonderen wel afdwingen. Gooi hem in de afgrond, de engelen zullen hem opvangen en iedereen zal kunnen zien dat dit de zoon van de God van Israël is.

Hier vragen de inwoners van Nazareth hetzelfde als in de woestijn door de duivel was gevraagd. En ook nu gaat Jezus niet in op de verleiding met wonderen iedereen achter zich aan te krijgen. In iedereen schuilt immers de kracht van de amandeltwijg, de kracht van het

sneeuwklokje. Jezus van Nazareth liep dus door de menigte heen in plaats van zich door de menigte te laten leiden. Hij vertrok.

En laat hij ons daarmee met legen handen achter? Ook wij hebben het Schriftwoord gehoord dat het aangename jaar van God, het genadejaar is aangebroken. Ook wij weten wat ons te doen staat. Kunnen de blinden al zien en de lammen lopen? Niet zo letterlijk nemen, we genezen niemand, daar heeft God ons dokters voor gegeven. Maar heeft iedereen toegang tot gezondheidszorg?

En voeden we de hongerigen? Zorgen we voor voldoende aanvoer naar de voedselbanken in onze omgeving? Bezoeken we de ouderen en de eenzamen? We weten best hoe het goede in onze samenleving er uit kan zien.

Vanmorgen hebben we gehoord dat we niet bang hoeven te zijn om dat verhaal van de God van Israël te vertalen voor de mensen om ons heen, we zijn niet te jong en zeker niet te oud, we hebben de kracht van het sneeuwklokje en ook al wijzen ze ons af, dan vertrekken we schudden het stof van onze voeten, zonder op te geven.

Zo mogen we ons leven inrichten in navolging van Jezus van Nazareth, elke dag opnieuw, dat is ook het genadejaar, voor ieder van ons, elke dag weer, tot hij komt.

Amen

 

Lezen: Jesaja 61:1-9

             Lucas 4: 14-21

 

Gemeente,

Elk jaar klinken tussen Nieuwjaar en de 40 dagen voor Pasen verhalen over het optreden van Jezus van Nazareth. Elk jaar ook horen we die verhalen weer uit een ander Evangelie. Dit jaar horen we vaak lezen uit het Evangelie naar Lucas, vandaag dus ook. Vandaag gaat het dan over het optreden in de stad waarin Jezus van Nazareth opgroeide, Nazareth.

Nazareth in Galilea wordt er zeer uitdrukkelijk gezegd. Nu werd Galilea door de Joden in Jeruzalem spottend het land van de Heidenen genoemd, daar namen ze het niet zo nauw met alle regels die het geloof aan de mensen oplegde. En Nazareth was helemaal een minderwaardig stadje, eigenlijk betekende Nazareth struikgewas, het struikgewas in het land van Heidenen. Als u nu denkt aan struikrovers dan denkt u hetzelfde als menig inwoner van Jeruzalem.

Nu schrijft Lucas aan de Romein Theofilus hoe in de dagen van Jezus van Nazareth het verhaal uit de Hebreeuwse Bijbel opnieuw ging leven. Lucas vertelde de Hebreeuwse Bijbel als het ware weer opnieuw. We denken wel eens dat die vier evangeliën vier keer van hetzelfde is, maar dat is dus zeker niet het geval. Elk Evangelie heeft een eigen verhaal, een eigen verkondiging. Daarom zijn de verhalen uit de vier Evangeliën ook niet uitwisselbaar en moet je ook niet proberen ze aan elkaar te plakken om er een soort historische biografie van te maken. Die pogingen zijn gedoemd om te mislukken.

Lucas probeert vanaf het begin van zijn Evangelie het verhaal van de Hebreeuwse Bijbel opnieuw te vertellen. In zijn verhaal mag Johannes de Doper de rol van wegbereider vertolken die door profeten als Jesaja was aangekondigd en nu klinkt de inhoud van het optreden van Jezus van Nazareth in de synagogen. De lezing uit het boek van de profeet Jesaja. Tijd dus om ons af te vragen wat er nu eigenlijk stond in het gedeelte dat werd voorgelezen uit het boek van de profeet Jesaja.

Het is het begin van wat geleerden noemen het boek van de Trito Jesaja. In het boek van de profeet Jesaja kun je drie gedeelten onderscheiden. Het eerste deel gaat over de periode voor en in het begin van de ballingschap. Het tweede gedeelte beschrijft de periode van de ballingschap en de tijd dat er uitzicht ontstond op het einde van de ballingschap en Trito Jesaja gaat dan over de tijd van de terugkeer en vlak daarna. Die Trito Jesaja heeft ook de redactie over het boek Jesaja gevoerd en er één boek van gemaakt.

We laten ons voor het verstaan van dit gedeelte gemakkelijk verleiden te blijven haken bij dat aangename jaar des Heren. Een aangenaam jaar willen we allemaal wel en als het van de God van Israël komt dan moet het wel extra aangenaam zijn. Maar de profeet Jesaja schetst een complete samenleving, hij schetst een nieuwe toekomst met een samenleving waar gewerkt wordt, maar waar niet langer ieder voor zich werkt, maar waar gewerkt wordt voor de minsten in de samenleving. Gevolg is dan dat de blinden gaan zien, de lammen gaan lopen, de hongerigen gevoed worden, de dorstigen gelaafd en de gevangenen bevrijdt. En wat we dan gemakshalve overslaan is dat de vreemdelingen werk krijgen, ja dat vreemden het werk gaan doen dat nodig is om al die mooie dingen te bereiken.

Het is toch altijd weer aardig in de Bijbel beloften over een samenleving met vreemdelingen tegen te komen op een moment dat de spanningen tussen Nederlanders en vreemdelingen steeds weer dreigen op te lopen.

Jesaja vertelt een ander verhaal over de aard van de godsdienst van Israel dan het angst en haat zaaien voor vreemden dat nu in onze samenleving gebeurd. De profeet roept op om met de bevrijding van de armen te beginnen. Dan zullen we “priesters van de Heer” genoemd worden. Dan zal de samenwerking met vreemdelingen ons allemaal tot voordeel strekken. Ook hen zal eeuwige vreugde ten deel vallen zegt de profeet hier.

In het begin van dit stuk wordt ook gesproken over een “genadejaar”. Dat was een oud voorschrift dat eigenlijk nooit in praktijk schijnt te zijn gebracht. Bij de intocht in het beloofde land is het land zorgvuldig verdeeld onder alle families, in het boek Jozua wordt daar nauwkeurig verslag van gedaan. Nu wist men ook wel dat oogsten kunnen mislukken, mensen ziek kunnen worden, verkeerde beslissingen kunnen worden genomen en het wel eens tegen kan zitten in het leven.

Er zouden dus families zijn die in de loop van de jaren hun grond zouden kwijt raken en dus geen kansen meer zouden hebben iets voor zichzelf op te bouwen. Elke 50 jaar moest daarom het land weer worden teruggegeven aan de oorspronkelijke familie aan wie het was toegewezen. Gevangenen en slaven zouden worden vrijgelaten en iedereen zou weer opnieuw kunnen beginnen. Dat jaar wordt door de Profeet aangekondigd

Jezus van Nazareth leest dus dat stuk van Jesaja voor. Om te begrijpen moeten we de situatie waarin Jesaja leefde en waarin Jezus van Nazareth leefde in beschouwing nemen. Jesaja leefde in de tijd van de ballingschap. Jeruzalem was verwoest, het volk was weggevoerd. Midden in die ellende begon Jesaja het volk te vertellen dat Jeruzalem opnieuw opgebouwd zou worden en dat de ballingen terug zouden keren. Jezus van Nazareth leefde onder een Romeinse bezetting en Lucas schreef zijn Evangelie toen de Tempel in Jeruzalem opnieuw verwoest was. Lucas hield dus zijn volk voor dat het aangename jaar van de God van Israël, dat genadejaar, toch zou aanbreken. Maar hoe dan?

Daarvoor moeten we misschien een voorbeeld uit onze eigen dagen eens bezien, het voorbeeld van Nelson Mandela Toen Nelson Mandela werd vrijgelaten waren er veel mensen bang dat het geweld in Zuid-Afrika tegen de blanken een ongekende omvang zou aannemen. Niets was minder waar. Het was juist aan Nelson Mandela te danken dat er geen burgeroorlog in Zuid Afrika uitbrak. Men begon, met alle problemen van dien, te proberen samen een nieuwe samenleving op te bouwen waar geen onderscheid meer wordt gemaakt tussen mensen op grond van hun afkomst en waarin iedereen kan meedoen. Het grote van Nelson Mandela was niet zozeer dat hij 30 jaar in gevangenschap heeft gezeten zonder zijn opvattingen te hebben opgegeven, maar dat hij daarna verzoening wist te krijgen met zijn onderdrukkers.

We moeten de Bijbel wel heel goed kennen om te begrijpen dat er in dit verhaal met Jezus van Nazareth net zo iets gebeurt. Jezus van Nazareth onderwijst in de synagogen, leren noemt men dat. Jezus van Nazareth leest in de synagoge van de stad van zijn jeugd uit het boek Jesaja, en hij houdt de preek. Onze kerkdiensten komen voort uit de bijeenkomsten in de Synagogen. Al ging in de Synagogen iedereen voor, elke man van 12 jaar of ouder kreeg een deel van de Hebreeuwse Bijbel te lezen en mocht als hij zich daartoe geroepen voelde er iets over vertellen. Jezus doet dat ook, maar het is de kortste preek die de Bijbel kent. “Heden wordt dit schriftwoord vervult. De toekomst die Jesaja had geschetst is dus al begonnen.

Jezus van Nazareth stopt zijn lezing van het stuk uit Jesaja op het punt waar iedereen nog een halve zin zou doorlezen. Na “het genadejaar zou uitroepen” staat namelijk “en de dag der wrake”. In plaats van de opstand uit te roepen tegen de Romeinen wijst Jezus van Nazareth er zo op dat er in de geschiedenis van het volk Israel ook momenten waren dat het nodig was om je aan de rand van de samenleving op te houden zoals Elia had gedaan door de woestijn in te vluchten, of zelfs je bezig te houden met buitenlanders zoals Elisa deed bij Naäman, de Syrische generaal. Dan is het mooi dat je aandacht en begrip voor de armen vraagt en hen bevrijding belooft maar gewone dorps en stadsbewoners zijn over het algemeen niet arm maar ze zijn wel slachtoffer van een wrede bezetting.

Jezus van Nazareth sluit aan bij opvattingen van profeten als Jeremia die betoogde dat het niet zoveel zin had tegen machten te vechten waar je het niet van kon winnen maar dat het goede doen en de Liefde betonen, altijd tot overwinning leidt.

Aan het afzien van geweld wil het hier nog wel eens ontbreken, en daar kunnen we allemaal zelf iets doen door vandaag te beginnen naar vrede met elkaar te streven. Dat is het echte goede nieuws voor de armen. De toekomst van vrede is immers al lang begonnen.

De notie van het aangename jaar des Heren, het genadejaar, heeft overigens ook vaak in de politiek weerklonken. Na de tweede wereldoorlog hoorde je dat bijvoorbeeld in de Europeese Beweging. Door de samenwerking in Europa zou een herhaling van de beide wereldoorlogen kunnen worden voorkomen en de welvaart in Europa kunnen toenemen. De bevrijding van de armen zou eindelijk gestalte kunnen krijgen. En Europa heeft ons inderdaad een heleboel welvaart gebracht.

Maar het land dat overvloeit van melk en honing is nog niet bereikt. We leven nog niet in een samenleving waar alle tranen zijn gedroogd, waar lammen lopen, blinden zien en waar iedereen meetelt. We zijn dan ook niet geroepen om partijpolitieke doelen te steunen, we zijn geroepen om naar mensen te kijken en wel met de bril van de richtlijnen voor de menselijke samenleving op. Jesaja wijst op de gelovigen die boomstammen, terebinten, van gerechtigheid kunnen zijn. Niet aflatend blijven ze zien op de treurenden van Sion en Sion is de plek waar de Ark van het verbond werd bewaard, waar de richtlijnen voor de menselijke samenleving te vinden waren.

Om die richtlijnen gaat het ons, want wij verkondigen de bevrijding van de armen als het liefhebben van de God van Israël boven alles, boven eigen belang, boven het belang van onze natie, omdat wij de armen in de wereld liefhebben als onszelf. Elke dag opnieuw. Totdat hij komt.

Amen

Lezen: Jesaja 62:1-5

             Johannes 2: 1-11

Gemeente,

Eigenlijk is het vandaag een beetje een feestdag, elk jaar hoor je op deze zondag in het jaar hetzelfde verhaal, net als op Kerstmis en met Pasen. Op deze een beetje bijzondere zondag, en ze noemen deze zondag “Kanazondag”, lezen we om te beginnen een lied uit het boek van de profeten Jesaja.

Dit lied, bijna aan het eind van dit boek, zingt over dat prachtige nieuwe land met een trotse hoofdstad, Jeruzalem. Een hoofdstad met wachters op de muren. En het mooiste is dat alle volken de gerechtigheid van dat land zullen zien zingt,de profeet. Mooie taal in zo’n lied maar omdat het veel en vaak is herhaald zonder betekenis wordt het voor ons pas echt mooi als we ons ook die betekenis realiseren.

Die gerechtigheid komt alleen als de weg van de richtlijnen gevolgd worden die het volk in de woestijn van God had gekregen. In de Woestijn daar, waar je op zoek moest naar fris en helder water, ontdekte het volk Israël dat je alleen niet kon overleven, alleen een volk kon worden door een bijzondere richtlijn voor een menselijke samenleving, richtlijnen om eerlijk te delen, zorgen dat iedereen mee kan doen, zorgen voor de armen, de zieken en de zwakken. Die richtlijnen worden bewaard en beschermd in de Tempel in Jeruzalem en pas als alle volken kijken naar die richtlijnen dan wordt het vrede op aarde.

In de Bijbel staat het belang van de armen en onderdrukten voorop. En als het hele land, ja alle landen in de wereld, vol zijn van de liefde voor de minsten, voor de zwaksten, dan kun je spreken over een bruiloft. De werkers trouwen met het land, zodat iedereen op de wereld te eten heeft, en God trouwt met het volk, zodat er vrede en gerechtigheid heerst. Een prachtig lied van de Profeet Jesaja.

Dat beeld van een bruiloft vindt je op allerlei plaatsen in de Bijbel terug. Wij weten inmiddels wel wat een feest het kan zijn als twee mensen een leven lang met elkaar in liefde met elkaar weten op te trekken en samen lief en leed weten te delen en elkaar trouw weten te blijven.

Te vaak mislukt dat ook , met alle pijn die dat met zich meebrengt. Te vaak ook eindigt zo’n relatie in de dood van een van de partners, vaak onverwacht of toch nog te snel en altijd ongewenst. Maar ook dat verdriet kan het mooie van het beeld van de bruiloft niet wegnemen, integendeel, dat verdriet kan ook maken, dat de herinnering aan de sterke band een nog mooiere glans krijgt. En daarmee wordt ook de boodschap van de Bijbel eigenlijk nog mooier, een God die met je meetrekt zoals bruid en bruidegom met elkaar meetrekken, een God die nooit laat varen het werk dat zijn hand begon.

Dat beeld van een bruiloft lezen we ook in het overbekende verhaal van de bruiloft in Kana. En dat het verhaal overbekend is zet ons gemakkelijk op een verkeerd spoor. Centraal komt te staan het wonder van het water dat in wijn wordt veranderd en als je het zo zegt lijkt het op een goocheltruc. Ik heb Fred Kaps ooit zoiets zien doen. Hij vouwde een krant tot een trechter, goot daar een karaf water in en goot de krant leeg in een andere karaf en dan bleek het rode wijn te zijn geworden. Maar Jezus van Nazareth was geen goochelaar. Die verandering van het water in wijn heeft een andere boodschap dan hoe knap of gewiekst die Jezus was. Het was een teken staat er, het eerste teken van zijn optreden. En naar de betekenis van dat teken moeten we dus op zoek.

Het plaatsje Kana bestaat alleen in het Johannes evangelie en komt daar drie keer voor

De eerste keer dat Kana voorkomt is hier in het verhaal van het bruiloftsfeest, dat alles met dood en leven te maken heeft. Geleerden zeggen daarom ook wel eens dat je voor Kana gerust Kanaaän mag lezen, wat hier gebeurd is voor het hele land bestemd. Het verhaal over de bruiloft in Kana wordt dus niet verteld om duidelijk te maken dat Jezus ook wel van een feestje hield, maar als een verhaal over God, Christus en mensen, over dood en leven, over water en wijn.

Een verhaal over dood en leven is iets anders dan een verhaal over leven en dood. De bijbel kent de verhalen van leven en dood maar al te goed en vertelt ze, begrijpt ze. Echt vrolijke verhalen zijn het haast nooit, maar daartegenin klinken de verhalen van dood en leven, zoals het verhaal van de bruiloft te Kana.

Het gebeurt op de derde dag, zo horen we. Over tweede of vierde of vijfde dagen hoor je haast nooit wat, wel over derde dagen. Dat komt omdat dingen zich zo goed laten vertellen in drie dagen, in drie bedrijven. Je hebt de eerste dag, het begin, de geboorte, op de tweede dag draait alles, gaat het zijn gangetje, is er leven, tot de derde dag, dan begint er iets nieuws, in het verhaal van Johannes begint er dan nieuw leven.

Op de derde dag begint het in Kana, op de dag van het einde is er een bruiloft. Dat is misschien een wat aparte dag voor een bruiloft, maar het is dan ook een aparte bruidegom die ons daar uitnodigt; God zelf.

En Johannes zet die drie dagen heel uitdrukkelijk op een rij. Op de eerste dag wordt Jezus van Nazareth gedoopt, dan gaat hij zelf door het water van de dood heen en komt de Heilige Geest op hem en spreekt God uit dat hij de geliefde zoon is. Op de tweede dag zoekt Jezus zijn volgelingen, bij het water, het zijn vissers, en op de derde dag volgt dan die bruiloft in Kana. Het lijkt wel of in drie dagen het hele leven en sterven en de opstanding van Jezus van Nazareth wordt verteld..

Als God de bruidegom is, zoals Jesaja ons heeft verteld, dan is die bruiloft misschien beter georganiseerd dan het lijkt. Goed de wijn is op, maar wat verwacht je anders op de derde dag. Alle wijn, hoeveel er ook is, raakt op een gegeven moment op, dat is het verhaal van leven en dood, of je nou een doodzieke patient bent of een kerngezonde marathonschaatser, op een dag is de wijn op, is het de derde dag.

Als de wijn des levens dan, onvermijdelijk, op is en al wat nog rest, het water is dat nooit op zal zijn, het onuitputtelijke water van de dood, dan wordt het tijd voor de beste wijn van de bruidegom. Die staat niet zomaar op tafel en het is goed om erop te letten dat Jezus dat water niet zomaar in wijn verandert, daar zijn in dit verhaal een hoop dienaren voor nodig en zes vaten.

Waarom vaten? Het water moet ergens in voor er iets mee kan gebeuren, de chaos moet structuur krijgen, grens en vorm en zo herinneren de zes vaten ons aan de zes dagen waarin hemel en aarde geschapen worden, aan hoe de doodse oerchaos vorm krijgt in Gods scheppende werk. Gods Geest daalde wel op Jezus van Nazareth neer, maar Gods Geest begon met te zweven over de aarde, een aarde die toen nog woest en ledig was.

De dienaren die met hun emmertjes water in die vaten staan te scheppen, in opdracht van Jezus, nemen een klein beetje deel aan het grote scheppen van God. Zo worden mensen ingezet voor Gods werk, om de bruiloft van de bruidegom te laten slagen.

Zes is het getal van mensenwerk in de bijbel. Zeven is de sabbat is af is klaar is werk van God, zes is minder, is onaf, is mensenwerk dat nog op Gods bekrachtigende zegen wacht. Zes vaten staan dus voor mensenwerk, voor leven met de wet en de profeten want Jezus komt niet zomaar, Jezus komt de wet vervullen, zoals hij zelf zegt, hij kiest vaten voor het joodse reinigingsritueel, vaten van de wet. Gods geboden helpen ons op weg om onze bijdrage te leveren aan Gods schepping.

Daartoe roept Jezus de dienaren op, meedoen, Gods wegen gaan, water in die vaten scheppen zodat hij iets heeft om wijn van te maken. Zo is ook de spanning met Maria zijn moeder voelbaar. Wij willen vaak zo graag, wij willen vaak onze God of Jezus van Nazareth inzetten als een goochelaar, als Fred Kaps van vroeger, of Hans Kazan maar Jezus werkt niet met de knip van zijn vingers, het scheppende Woord van de God van Israël is niet afdwingbaar. God werkt met en door mensen.
Dienaren zijn en blijven daarom nodig, die doen wat Jezus zegt en die tegen beter weten in misschien met het koude natte water van hun doodlopende levens in de weer gaan, om dat koude natte doodse water in Gods vaten te scheppen.

Krijgen we wijn daardoor? Geen druppel, het blijven zes vaten vol water, mensenwerk en het heeft weinig zin om tussendoor te proeven van het water, of het al opschiet met die wijn…

Maar als we op die derde dag, op die laatste dag bij de ceremoniemeester staan met dat kruikje koud water, wat zal die dan opkijken en verbijsterd naar de bruidegom lopen en als hij dan zegt: “u hebt de beste wijn voor het laatst bewaard” dan geeft de bruidegom misschien een knipoog aan Jezus en hij kijkt vriendelijk naar zijn dienaren, misschien kijkt ie zelfs vriendelijk naar die arme ceremoniemeester die er ook niets van begrijpt en dan zegt de bruidegom: Ja, ik heb de beste wijn voor het laatst bewaard en die wijn, die gaat nooit meer op.

Jesaja zegt dat de zonen van het volk trouwen met Jeruzalem, de zonen en dochters van de stad geven zich over aan de richtlijnen van de God van Israël, de richtlijnen voor een menselijke samenleving, de leer van Mozes. Maar moet die wijn niet rijpen? Is oude wijn niet kostbaarder dan jonge wijn? Mogen ouderen zich stiekum soms ook de kostbare wijn voelen van de bruidegom? Wijn beurt bedroefden op, geeft energie, schept vreugde onder mensen, niet in overmaat maar juist als mensen een hart onder de riem nodig hebben. En is dat ook niet de samenvatting van de belangrijkste richtlijn van God: heb uw naaste lief als uzelf? Zij die het grootste deel van ons leven achter ons hebben weten wat het betekent, Zij kunnen het dus ook doorgeven.

Dat hoeft niet altijd groots en meeslepend te zijn, het kan in een glimlach voor iemand die vriendelijk voor ons is, een compliment voor iemand die voor ons zorgt of een hand uitsteekt als we die nodig hebben, dan kan voor een luisterend oor, waar wij de tijd voor hebben en die wij zo vaak kunnen bieden. Paulus zegt ergens dat we het kwade door het goede moeten bestrijden. Wie weet heeft van de beste wijn van de bruidegom kan dat goede elke dag opnieuw bieden, waar we ook wonen, waar we ook zijn, wie we ook zijn. Allemaal zijn we genodigd tot het bruiloftsfeest van de Heer. Laten we daarom van het leven dat ons is gegeven een feest van maken, een bruiloftsfeest waar de liefde voor elkaar voorop staat..

amen

 

 

Lezen: Jesaja 40: 1-11

              Lucas 3: 15-21

Gemeente

Troost, troost mijn volk. Zo begon de lezing uit het boek van de profeet Jesaja, God roept mensen op zijn volk te troosten.

We hoorden vandaag het verhaal van een onbekende profeet. Deze onbekende profeet wordt de tweede Jesaja, of deutero Jesaja genoemd. Net zoals de oorspronkelijke Jesaja de hoop op bevrijding levend hield voor en bij het begin van de ballingschap hield deze deutero Jesaja de hoop op bevrijding levend toen de ballingschap al een tijd aan de gang was en het er op leek dat er ook een einde aan zou kunnen komen.

Deze tweede Jesaja zat met een groot probleem. In de religieuze opvattingen van zijn tijd had de God van Israël verloren van de goden van Babel. De oppergod van Babel, Marduk, had duidelijk gewonnen want zelfs het zilver van de Tempel was naar Babel overgebracht, samen met het volk. Die Marduk, de dondergod, moest wel een hele sterke God zijn want toen koning Nabonid van Babel zich afwendde van de godsdienst van Marduk en de maangodin Sin ging aanhangen verzwakte het rijk van Babel en kon het worden veroverd door Cyrus. Het waren zelfs de priesters van Marduk die de poorten van Babel openden voor de veroveraar. Maar het was Cyrus die vrijwel direct besloot de Joden terug te laten keren naar hun eigen land en hen toestemming gaf hun eigen God weer te gaan aanbidden en hun Tempel te herbouwen. Ze mochten zelfs het tempelzilver uit Babel mee terug nemen naar Jeruzalem.

Voor deutero Jesaja bestaan die andere goden gewoon niet. Het is de God van Israël die alle machten en krachten van de wereld te boven gaat. Cyrus wordt de zoon van God genoemd. Daarom vertegenwoordigen de teruggekeerde ballingen juist die God van Israël, een God waar je op kunt bouwen, die niet laat varen het werk dat ooit werd begonnen

En wat was de eredienst van die God dan wel? Daar draait het natuurlijk om. Dat was niet een mooie Tempel met een prachtig godenbeeld, veel priesters in deftige gewaden en veel offers waarmee die god werd gevoed en die de god veel kracht gaven.. Het was een Tempel waar het verbond met die God werd bewaard en gevierd. Dat verbond dat draaide om je naaste liefhebben als jezelf, daarmee heb je die God lief boven alles. Dat was wat die Priesters uitdroegen, zij spraken ook recht tussen de mensen en zorgden daarmee voor rechtvaardigheid. Zij zorgden er ook voor dat die offers werden gedeeld, met de armen en met de vreemdelingen. Daarom begint dit verhaal van deutero Jesaja met een feestelijke optocht. God gaat voorop en de hele wereld loopt er achteraan, achter de God van vrede en gerechtigheid, als de Liefde weer gaat regeren op aarde. Herauten kondigen de komst van de optocht aan: Maak plaats, bereid de weg des Heren. Maar een beeld van die God was er niet, die God was voor de mensen die hem nodig hadden zoals hij er voor die mensen wilde zijn.

En die oproep de weg des Heren te bereiden kennen we ook van Johannes de Doper, die in de woestijn aan de oever van de Jordaan het volk oproept zich klaar te maken voor de bevrijder die het volk weer de gelegenheid zal geven in vrijheid de God van Israël te dienen En dat met een beroep op het boek van de profeet Jesaja met de woorden die we vanmorgen uit dat boek hebben gehoord. .

Die Johannes moet een verpletterende indruk gemaakt hebben, heel het volk liet zich door hem dopen. Op zich is de populariteit van Johannes trouwens merkwaardig. De Romeinse bezetters en hun marionettenkoningen zitten stevig in het zadel zo vertelt Lucas ons. Dan komt Johannes met zijn roep zoals Jesaja die heeft verwoord. Maar Johannes vult die roep aan met “Addergebroed, wie heeft jullie wijs gemaakt dat je veilig bent voor het komend oordeel?” Je zal je zo laten uitschelden. Maar over welk oordeel heeft Johannes het eigenlijk? Wij zijn geneigd om dan te wijzen op passages over het laatste oordeel, de dag des Heren door de profeten genoemd, als de Messias weerkeert als de mensenzoon op de wolken om te oordelen de levenden en de doden. Maar deutero Jesaja heeft het daar nu net niet over. Bij deutero Jesaja gaat het om een bevrijding uit de ballingschap en een herstel van Jeruzalem, de Tempel en het rijk van David. Daar komt de God van Israël weer in het middelpunt, daar gaan we weer bij zijn Tempel oefenen in het delen, daar wordt aan de armsten en de minsten weer recht gedaan. Een politiek program. Ook volgens Johannes de Doper. En het oordeel is dan over wie welke partij gekozen heeft, de partij van de macht en de zelfzucht of de partij van het delen, niemand ontkomt aan die keus, ook vandaag niet.

In het verhaal zoals ons dat vertelt wordt in het Evangelie van Lucas neemt Jezus van Nazareth de prediking van de oproep tot verandering naadloos over van Johannes de Doper als deze eenmaal door koning Herodes gevangen is gezet. Deze Herodes was de opvolger van de Herodes die koning was toen Johannes en Jezus geboren werden. Johannes had ook zijn program uiteengezet. Het volk moest aan de slag, dat ze afstamden van Abraham was niet genoeg, nee, wie twee stel onderkleren heeft moet delen met wie er geen heeft en wie eten heeft moet hetzelfde doen. Tollenaars mogen niet meer vragen dan hen is opgedragen en soldaten mogen zich niet inlaten met afpersing van het volk.

Later zou Jezus van Nazareth het program van Johannes de Doper verder uitwerken in zijn bergrede, Matteüs schreef daarover, bij Lucas heet het de veldrede, daar vinden we soms bijna letterlijk dezelfde elementen terug. Dat de geschiedenis van Johannes de Doper diepe indruk had gemaakt blijkt ook uit de geschiedschrijving van het volk van Israël. Joden wezen de aanbidding van de Romeinse Keizer als god af, ze hielden een vrije dag in de week en ze hadden ingewikkelde regels over wat ze wel en niet mochten eten. De Joodse Historicus Flavius Josephus schreef in het begin van onze jaartelling een paar boeken  ter verdediging van de Joden. In zijn boek over de Joodse geschiedenis komt ook Johannes de Doper voor. Tegenover de liederlijkheid van het hof van Herodes wordt Johannes de Doper geschilderd als een goed mens die de Joden opgeroepen had deugdzaam te leven door gerechtigheid te betrachten en zich te laten dopen. Uit dat boek komt ook het verhaal over Salome en de dans voor de Koning die als beloning het hoofd van Johannes de Doper op een schaal kreeg. Dat verhaal staat dus niet in de Bijbel.

Het evangelie van Lucas is het enige verhaal dat vertelt dat Jezus van Nazareth aan het bidden was toen dat visioen met die duif en de stem die riep dat hij de zoon van God was gebeurde.

Wil je een taak op je nemen als die van Johannes de Doper dan moet je wel alle moed verzamelen. De beste manier omdat te doen is je helemaal open stellen voor het Woord van God, alle verhalen in je op nemen en je volledig overgeven aan het vertrouwen dat God met je mee gaat als je de Weg van de God van Israël volgt en mensen oproept om te delen met elkaar van wat ze hebben en er samen voor te zorgen dat iedereen kan meedoen en niemand meer honger heeft of langs de weg hoeft te blijven zitten, dat noemen we bidden.

De doop van Johannes geeft dus heel uitdrukkelijk een maatschappelijke taak. Het gaat er weer om te delen met elkaar en te zorgen dat iedereen recht wordt gedaan.

Natuurlijk mag er bescherming zijn tegen het kwade, soldaten mogen soldaten blijven, maar van onderdrukking door een overheid is geen sprake meer, het recht van de God van Israël regeert.

Natuurlijk moet er belasting worden betaald en geheven, maar uitbuiting van het volk omdat ook de inners van belasting er rijk van moeten worden is er niet meer bij.

Vergeleken met de samenleving voordat Johannes en Jezus optraden komt de samenleving op zijn kop te staan, Zijn woord wil deze wereld omgekeerd dichtte Huub Oosterhuis dan ook, dat lachen zullen zij die wenen. Machtigen stoot hij van de troon was er bij de ontmoeting tussen Maria en Elisabet gezongen, de moeders van Jezus en Johannes.

We moeten daarbij ook bedenken dat de doop door Johannes en van Jezus plaatsvonden bij de Jordaan. Dat heel het volk zich liet dopen heeft ook een eigen betekenis. Het zijn geen individuen die alleen blijven staan, pas door de doortocht door de schelfzee en de intocht in het beloofde land werd men een volk, een volk met een eigen missie, licht te zijn voor alle volken in de wereld.

Bij Johannes en Jezus gaat het er om dat door de doop mensen bevrijdt worden van de onvruchtbaarheid van de woestijn en door het water van de doop intocht kunnen doen in het land dat overvloeit van melk en honing. In zo’n land is het helemaal niet nodig alles voor jezelf te houden. In zo’n land wordt delen heel gewoon. In zo’n land is de angst voor de toekomst verdwenen, wat de toekomst ook brengen moge, de God van Israël zal zijn kudde weiden, zong deutero Jesaja.

In zo’n land zijn voedselbanken niet meer nodig, dat land strekt zich uit tot de einden der aarde, daar zijn dus ook vluchtelingen broeders en zusters die geholpen en opgevangen moeten worden, in dat land maakt het niet uit wie je lief hebt als getuigenis van Gods liefde, iedereen is welkom, in Gods land zal geen honger zijn en geen gebrek, daar zullen uiteindelijk alle tranen gedroogd zijn, ook de tranen van hen die door zogenaamde kerkmensen worden veroordeeld en uitgesloten, de God van Israël veroordeelt de liefde niet..

Daar mogen we mee rekenen, zo mogen we het program van Johannes en Jezus in de praktijk brengen, elke dag opnieuw, samen met allen die zich druk maken over de minsten op aarde, want aan de vruchten die wij voortbrengen dient men ook ons te herkennen.

Zo mogen wij de Geest van God aanroepen, die daalde als een duif op Jezus van Nazareth neer, maar die is ook ons beloofd, gedoopt als wij zijn met water mogen wij ook gedoopt zijn met de Heilige Geest. En het feest van de doop van de Heer werd daardoor ook het eerste Pinksterfeest.

Johannes hield zijn mond niet over het verkeerde dat er op aarde was, over de zelfzucht en de eigendunk, waar mensen elkaar gebruiken als voorwerp om hun eigen lusten te bevredigen zoals Herodes had gedaan. Het leek zijn dood te worden, maar de Geest van God zorgde er voor dat zijn boodschap bleef klinken, tot aan de uiteinden der aarde, tot hier in Schagerbrug aan toe. In die Geest mogen ook wij die boodschap laten klinken, in woord en daad, in de manier waarop wij gemeenschap, kerk, willen zijn en de manier waarop wij ons leven inrichten. Als lichtend licht en zoutend zout zou Jezus ons leren.

Amen

 

Lezen: Jesaja 60:1-16

             Matteüs 2:1-12

Gemeente,

Het is verleidelijk om de oproep van Jesaja om te schitteren als een gebod voor de individuele gelovige te beschouwen. Drie Koningen zullen immers wel geschitterd hebben. Zo is en wordt er vaak ook in kerken over gepreekt. Mooi optimistisch en als je succes hebt dan bewijst dat maar weer eens dat God je handelen welgevallig is.

Maar het slaat de plank over de betekenis van dit Bijbelgedeelte helemaal mis. De oproep is niet tot een mens gericht, zelfs niet tot een koning. De oproep is tot een stad gericht. Niet zomaar een stad, maar een bijzondere stad met een bijzondere taak. Het gaat hier om Jeruzalem, het Jeruzalem van na de ballingschap, het Jeruzalem waar de Tempel van de God van Israël weer herbouwd wordt. Wij vergeten zo gemakkelijk het uitermate bijzondere van die Tempel en daarmee van die stad.

Wij kennen in onze wereld geen overvloed van Tempels met godenbeelden, voor elk probleem een andere god met een andere Tempel en andere riten en andere offers. Daar tussen stond Jeruzalem met een Tempel waar je een God kon ontmoeten voor alle problemen die maar voorstelbaar zijn. Maar daar stond geen beeld van die God. De manier waarop de meeste problemen kunnen en konden worden opgelost was te vinden in de richtlijnen van die God voor een menselijke samenleving, die richtlijnen die in die Tempel werd bewaard als een heilig geschenk dat de mensheid had gekregen van die God. Voor een wereld vol van de Liefde, een wereld van delen, van recht en gerechtigheid, een wereld vol vrede en de keus voor het leven. Die richtlijnen maakte die Tempel tot het middelpunt van de aarde, die richtlijnen en die Tempel maakten dat Jeruzalem kon gaan schitteren voor alle volken.

Paulus benadrukt in zijn brief aan de Efeziërs dat het verhaal van de bevrijding, zoals Israël dat door de woestijn heen had beleefd, ook voor de Heidenen geldt. Ook wij Heidenen worden uitgenodigd om, door mee te gaan in het verhaal van Jezus van Nazareth, aan die bevrijding deel te gaan nemen. Zodat uiteindelijk alle volken op aarde mee gaan doen aan dat geweldige verhaal van eerlijk delen. Een verhaal waarin alle mensen gelijk kunnen meedoen, waar geen onderdrukking meer is, waar geen sprake is van arm of rijk, maar iedereen deelt, waar geen sprake is van machtig of onderdrukt, maar iedereen ook de macht en verantwoordelijkheid deelt. We weten het uit het kerstverhaal, dan is er vrede op aarde en in mensen een welbehagen. Het Nieuwe testament verschilt dus niet van het Oude, dat klinkt dus ook door in het verhaal van die magiërs.

Dat verhaal over die magiërs is eigenlijk een tweede kerstverhaal. Per slot van rekening viert een groot deel van de Christenheid het kerstfeest gelijk met het feest dat wij soms Drie Koningen noemen. Dit kerstverhaal is het verhaal zoals Matteüs dat heeft opgeschreven. Toen Jezus was geboren in Bethlehem kwamen er magiërs in Jeruzalem aan die de nieuwe Koning van de Joden zochten. In de Roomse Kerk spreekt met graag over drie Koningen Volgens de Protestantse geleerden, die het ook bij de vertaling gewonnen hebben, is het beter te spreken van magiërs, astrologen.

De orde van deze magiërs werd al genoemd bij de profeet Daniël. Ze hadden een ster gezien waarvan de verschijning werd uitgelegd als een teken dat er een nieuwe koning in Israel was geboren. In onze dagen zeggen we misschien dat hun een lichtje opgegaan was. Overigens is er nog een parallel te vinden in de Bijbel. Toen Abraham gestorven was werd hij begraven door twee van zijn zonen, Ismaël en Izaäk. Zij verdeelden zijn bezit. Maar er bleken nog 6 zonen van Abraham te zijn, die had hij verwekt bij de slavin Ketura, dat betekent wierook. Die zonen werden met geschenken heengezonden naar het oosten. Soms zeggen geleerden dat de magiërs afstammelingen zijn van de zonen van Ketura die nu met dezelfde geschenken terug keren. Abraham immers zou de vader van vele volken worden en die vele volken zouden zich naar Jeruzalem wenden en de richtlijnen van de God van Israël volgen de Naam van de enige Heer van de aarde loven.

Die magiërs gingen naar het paleis van Herodes. De magiërs waren vergeten dat je voor een echte koning van Israel niet in een paleis moet zijn maar op de akker die de familie van de Koning bij de verdeling van het land onder Jozua had gekregen en elke 50 jaar weer terug zou moeten krijgen. Daar had ook ooit de profeet Micha op gewezen. Op die manier zou de leer van Mozes, zorgen voor bevrijding van de armen.

Dat duidelijk maken is immers ook het doel van Matteüs. Toen de magiërs hun geschenken hadden gebracht in Bethlehem snapten ze wel dat ze niet bij die koning Herodes moesten zijn, dat er heel wat anders aan de hand was en ze gingen langs een andere weg terug. Het verhaal gaat dus niet over het voorspellen van wat dan ook uit de stand van de sterren. Dat verhaal gaat over de droom van Israel dat Koning David, het huis van David, de opvolger van David dus, door de hele wereld erkend zou worden als de echte heerser van Israel. Herodes was niet langer de echte koning van Israel, de echte koning was geboren in Bethlehem zoals de profeten hadden voorzegd. In de diepste duisternis van de Romeinse bezetting, die naar eigen willekeur koningen op de troon van Israel had gezet, komt het bericht dat de hoop die profeten in het bangst van de ballingschap hadden uitgesproken vervuld zou worden.

De bevrijding van de armen is eindelijk aangebroken. Toen Jezus was geboren in Bethlehem, toen begon het en vandaag de dag mogen wij er aan mee gaan doen. Dat is pas kerstfeest vieren en dat kan elke dag opnieuw. Dat moet ook elke dag weer opnieuw. De kortzichtigheid en de hebzucht van mensen maken dat de weg die God gewezen heeft maar langzaam wordt bewandeld door de mensheid.

Wij vergeten vaak alle mensen op aarde te beschouwen als broeders en zusters. Wij vergeten dat ook andere volken de weg van de God van Israël volgen en dat minderheden ook in schijnbaar keurige vreedzame landen wreed vervolgd kunnen worden. En als wij anderen niet zien als zusters en broeders raakt hun lijden ons ook niet. Maar als wij dat wel zien dan lijden we mee en zoeken wanhopig naar wegen om onze broeders en zusters van hun lijden te verlossen. Plaatselijk hebben we daar de diaconie voor en landelijk Kerk in Actie. En dat de kerk uit de hele wereld samen kan optreden en vragen om recht en gerechtigheid blijkt ook wel uit het kerkasiel in buurt en kerkcentrum Bethel in Den Haag.

Ruim 700 voorgangers uit allerlei richtingen helpen de voortdurende kerkdienst op gang te houden. Voorgangers uit onze buurlanden sluiten zich bij hen aan en zelfs uit Amerika gingen een emeritus predikant voor en kwam er onverwacht steun. Uit tal van landen hebben kranten en tv stations verslag gedaan van het kerkasiel en de grote tv stations en persbureaus volgen het. Wij mogen daaraan meedoen maar het mag ons ook inspireren om in onze eigen plaats het lijden van mensen te zien en naast hen te gaan staan.

Want als dat overal in de wereld gaat gebeuren dan wordt de aarde pas echt mooi, dan breekt eindelijk de vrede aan en zal de aarde zo mooi worden dat God hier zelf zijn tenten zal willen spannen. Aan die wereld mogen wij meewerken. Er is nog veel werk te doen, opstaan dus en aan het werk. Veel heil en zegen voor het komende jaar.

Amen

Lezen: Jesaja 61:10-62:3

Lucas 2:33-40

Gemeente

We zijn gekomen aan de laatste zondag van het kalenderjaar. Voor sommigen een beetje een rommelzondag. Met de kerst zijn we al een paar keer extra naar de kerk geweest en zo vlak voor oudejaarsdag, wat valt er nu nog te beleven in de kerk? Na het groot gloria van kerst, met de engelenkoren en rennende herders kan de laatste zondag van het jaar alleen maar tegenvallen. En dan is het tussen kerst en nieuwjaarsdag ook nog de tijd om nostalgisch terug te kijken op het jaar dat voorbijgaat. Wat hebben we het afgelopen jaar beleefd? Het is de meest gestelde vraag in deze dagen, ieder van ons heeft daar een eigen antwoord op.

Vroeger dacht men dat men de boze geesten van het duister met knallen en vuur moest verjagen om weer licht te krijgen. Gelovigen in de God van Israël hadden geleerd dat die God had gesproken over licht en dat zijn woord vlees was geworden. Niks verjagen en opnieuw beginnen. Het nieuwe begint met de verwachting van de bevrijding door de God van Israël. Ons kerkelijk jaar begint dan ook op de eerste zondag van de Advent en loopt uit op die bevrijding. We zijn dus in de kerk al even op weg, maar ja thuis ontkomen we toch niet helemaal aan de jaarwisseling die buiten de kerk wordt gevierd, dus we laten ons in de kerk vanmorgen daar ook maar een beetje door beïnvloeden.

In de Bijbel is terugkijken naar het verleden heel gewoon, maar niet terugkijken om af te rekenen en af te sluiten zoals wij doen rond oud en nieuw. In de Bijbel wordt er teruggekeken om vooruit te komen. Zo keken Jozef en Maria terug naar Jozua. Die had het land verdeeld onder de families van Israël. Ook de familie van David had zo’n stukje land, in Bethlehem lag dat. En de leer van Mozes was dat elke vijftig jaar iedere familie in Israël het stukje land dat bij de verdeling was toegewezen weer terug zou krijgen. Toen die Keizer in Rome die volkstelling had georganiseerd, en iedereen naar zijn eigen plaats moest, hadden Jozef en Maria teruggekeken naar die geschiedenis en waren niet naar de plaats gegaan die de Keizer had bedoeld, gewoon thuisblijven dus, maar ze waren gegaan naar de plaats die God ooit gegeven had, naar de akker van David in Bethlehem. Daar waren ze door God geteld, want God telt de minsten onder ons, daar hadden ze hun zoon gekregen en door die zoon waren ze bevrijdt van de gevaren van die volkstelling, iemand die op een akker is geboren en in een voederbak moet liggen telt niet mee, ook bij ons niet. En volkstellingen zijn gevaarlijke zaken.

David had ooit het volk geteld en prompt was een groot deel gestorven aan een enge ziekte. Jozef en Maria waren terug blijven kijken. De leer van Mozes zou bevrijding brengen, daar begint die leer mee, “ik ben de Heer Uw God die u uit het land Egypte heeft geleid” stond er immers. Zou die God niet zorgen voor de bevrijding van de Romeinse bezetting ook? Misschien, maar je houding moet er één zijn van liefde, van geweldloosheid, van recht en gerechtigheid zegt de Bijbel. Jesaja zegt dan dat je een nieuwe jas moet aantrekken om vooruit te komen. En nieuwe kleren aantrekken doen we vanouds met Kerst en met Pasen.

Het wordt dus misschien ook voor ons tijd dat we een nieuwe jas aantrekken. Niet alleen het kleed van de bevrijding maar ook de mantel van gerechtigheid. En dan niet alleen. Niet alleen het volk dat het wel gelooft. Maar iedereen, alle volken. Want zeg nu zelf, brengt al die oorlog en ellende waarvan we ook in dit jaar weer in overvloed van gehoord en gezien hebben iets goeds voort? Bomaanslagen, vergeldingen, opnieuw troepen zenden, terroristen bestrijden, actie en tegenactie? Zolang de een zich beter vindt dan de ander wordt het niks, blijft het oorlog en ellende en actie en tegenactie.

Sion, waarover Jesaja spreekt, is de berg waar de richtlijn van heb je naaste lief als jezelf werd bewaard. De Heilige Berg waar je tegenop kunt zien. En vanwege het bestaan van die richtlijn, vanwege het geloof in de macht van de Liefde die daar vanuit gaat kun je volgens de Bijbel niet zwijgen als er onrecht geschied. Als mensen geen recht wordt gedaan moet en zal dat aan het licht komen. Want het licht van de gerechtigheid komt van de fakkel van de redding. Dat is het visioen dat de profeet Jesaja hier schetst. Jesaja is in de kersttijd zeer populair. Bij hem komen de os en de ezel vandaan die bij ons in de stal terecht zijn gekomen. Warme woorden en warme beelden brengt deze profeet. Maar wij vergeten dan de puinhopen waar Jesaja op stond te roepen tegen zijn volk. Hij schetst zijn prachtige samenleving van vrede en recht midden in de ballingschap. Zijn volk bestaat eigenlijk niet meer. Het is in ballingschap weggevoerd.

Ook de ballingen keken naar het verleden en Jesaja hielp ze daar graag bij. De ballingen in Babel konden niet anders dan de verhalen van hun verleden opschrijven. De verhalen over de slavernij en vervolgens de uittocht uit Egypte, de tocht door de woestijn, de ontdekking dat goden van goud, met eigen handen gemaakt, niks te betekenen hadden, maar dat de God die meetrok en Liefde als opdracht had, de kans op leven betekende. Die verhalen gaven weer moed. Want als die God op die manier met je meetrekt, trekt die God dan ook niet in ballingschap met je mee?

Zal uiteindelijk de Liefde voor je naaste, ja zelfs de liefde voor je vijanden, uiteindelijk niet tot de vrijheid en terugkeer naar Jeruzalem leiden? Dan zal die verwoeste stad weer tot bloei komen. Dan zal het land weer vrucht dragen. Niet door offers en aanbidding zoals de Heidenen geloofden, maar door Liefde tussen mensen.

Dan zien niet alleen de volken de vrucht van het gaan met die God, maar ze sluiten zich er zelf ook bij aan. Het verlangen naar de terugkeer naar het eigen land wordt door Jesaja verbonden met de noodzaak terug te keren naar de godsdienst van de God van Israël. Alleen in die godsdienst ligt een toekomst, de toekomst van dat geweldige Koninkrijk waar de God van Israël het voor het zeggen heeft en waar iedereen weer meetelt. Dat is pas een toekomst om naar uit te zien.

In het hart van alle volken staat dan de richtlijn van eerlijk delen, de richtlijn te houden van je naaste als van jezelf. Dan is er nog maar één Heer, niet alleen in Israël maar op de hele wereld, dan is er niemand die zich meer acht dan een ander. Het mooiste van dit visioen van Jesaja is dat het al lang geleden begonnen is en wij ons er vandaag nog bij aan kunnen sluiten zodat het ook onze toekomst wordt. Er is niks moeilijks aan, het gaat gemakkelijk als het aantrekken van een nieuwe jas.

De beweging van Jezus van Nazareth is dan ook niet zomaar uit de lucht komen vallen. Al in de dagen dat hij geboren werd waren er velen in Israël die de komst van een bevrijder verwachten. Het was Maria die er over gezongen had toen ze pas zwanger was.: “Machtigen zal hij van de troon stoten” Dat was het oude lied van de moeder van Samuël. Samuël was de profeet die David had gezalfd op diezelfde akker in Bethlehem. Er waren in de dagen van Maria in Israël ook al de nodige opstandjes geweest en er liepen regelmatig mensen rond die zich uitgaven voor de beloofde Messias. Maar het geweld dat zij gebruikten leidde alleen maar tot dood en verderf en een nog strengere bezetting. Mensen met gelijke verwachtingen en overtuigingen zochten elkaar ondertussen op en probeerden een andere manier. Uit opgravingen na de Tweede Wereldoorlog weten we dat mensen de bestaande samenleving verlieten en in de woestijn in communes gingen wonen, afgezonderd van de wereld een eigen nieuwe wereld scheppen. Ook over Johannes de Doper vertelde Lucas al eerder dat hij in de woestijn ging wonen.

Over Simeon, waarover wordt verteld in het verhaal die aan de lezing van vandaag vooraf gaat en over Hanna, waar we vandaag over lezen, wordt juist uitdrukkelijk verteld dat ze in de Tempel in Jeruzalem verbleven. Dat is de plaats waar zij de Messias verwachten en zij herkennen in het kind, dat op de akker van David in Bethlehem geboren was, de beloofde bevrijder van Israël.

Daarom ook vertelde Hanna aan allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem over dit kind. Er was dus een groep mensen waar Hanna bij hoorde en die door Lucas nog werd gekend en bekend werd veronderstelt toen hij zijn verhaal opschreef. Van die groep weten we verder eigenlijk niets. Ze zullen geraakt zijn door de boodschap van Johannes de Doper. Over hem wordt verteld dat heel het volk zich liet dopen en veel later komt men tot ver in het Romeinse Rijk nog volgelingen van Johannes tegen.

Over die Hanna weten we verder ook niet zoveel. Ze was uit de stam van de gezegenden staat er. Aser dat betekent gezegende. Aser was één van de tien stammen die na de ballingschap als zelfstandige stam niet meer was teruggekeerd. Hanna was de dochter van “het gelaat van God “, want dat betekent de naam Fanuël, haar eigen naam betekent “genade”. Ze was profetes en weduwe van beroep. Dat laatste klinkt hard maar de vermelding van haar leeftijd en haar naar verhouding korte huwelijk staan er niet voor niets. De familie van haar man had voor haar moeten zorgen, daar had een man gevonden moeten worden die haar had willen trouwen.

In de oude regels van Mozes staat precies hoe ze dat hadden moeten doen. Ze hadden een voorbeeld kunnen nemen aan Boaz, de grootvader van David die op diezelfde akker de weduwe Ruth had leren kennen en haar tot vrouw nam in gehoorzaamheid aan de regels van Mozes. Maar in een paar woorden weet Lucas ons te vertellen dat die wetten voor die familie niets te betekenen hadden gehad en dat de leer van Mozes haar in elk geval geen bescherming had geboden.

Nu maakte ze kennis met jonge mensen die alle risico’s genomen hadden met het wel weer gaan leven of de leer van Mozes nog steeds de geldende wet in Israël was. Die op de achtste dag, staat er, naar de Tempel gingen om daar te doen wat de richtlijnen van hen had gevraagd. Hun zoon laten besnijden en als eerstgeborene aan God wijden, oefenen in delen door een offer te brengen, een offer dat gedeeld kon worden met de armen, de weduwe en de wezen.

Op de achtste dag, niet op de eerste dag van de week want de achtste dag was de dag om een feest af te sluiten, de eerste dag een dag om een feest te beginnen. En hier werd op de achtste dag het feest van de geboorte afgesloten, wat volgde was de opvoeding en het opgroeien en dat is niet altijd een feest. Die eerste dag van een nieuw feest zou pas komen met de opstanding, met Pasen. Op die manier wijst zelfs dit gebeuren in de Tempel in Jeruzalem vooruit naar Pasen want na die eerste dag gingen de leerlingen van Jezus dag in dag uit naar de Tempel schrijft Lucas op het eind van zijn Evangelie, dan is de cirkel dus rond.

Van de houding van Jozef en Maria mocht Hanna dus bevrijding uit haar benarde situatie verwachten. Dat zou ook de bevrijding van Jeruzalem dichterbij brengen. Want Jeruzalem was nu eenmaal de stad waar die oude richtlijnen bewaard werden. Waar mensen naar toe kwamen om door met elkaar een maaltijd te delen weer te oefenen in de betekenis van die richtlijn van heb uw naaste lief als uzelf. Daar was die nieuwe koning uit het geslacht van David voor geboren, daar was de gezalfde, de messias, de christus, voor op aarde gekomen. Die boodschap ging ze brengen aan de groep waar ze bij hoorde, tegenwoordig zouden we zeggen dat ze het heil van Christus verkondigde in haar gemeente, de vrouwelijke predikanten beginnen direct na het kerstfeest te preken.

Zo mogen wij ons ook voegen in dit verhaal. Weer oog en oor krijgen voor de weduwe, zorgen voor mensen die lang afhankelijk zijn van hulp en bijstand, zorgen dat mensen weer zelf verder kunnen. Door terug te kijken in het verhaal zoals dat in de Bijbel wordt verteld kunnen wij het nieuwe jaar in. In onze dagen betekent dat ook zorgen voor de papierlozen, mensen die tussen de wal en het schip van staten en regeringen vallen. Wij mogen er voor zorgen dat de Wet van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf weer in het middelpunt van de wereld komt te staan. Wij hebben uit dat verhaal begrepen dat we allemaal kinderen van God zijn, allemaal broeders en zusters. Een familie dus die voor elkaar mag zorgen, zodat iedereen er bescherming door kan genieten en iedereen weer meetelt. Daar mogen wij vandaag weer mee beginnen. Dat mogen we een heel jaar volhouden, terugkijken om vooruit te komen, een heel nieuw jaar lang en van dat nieuwe jaar elke dag opnieuw, elke dag opnieuw beginnen. Veel heil en zegen dus voor het nieuwe jaar.

Amen