Feeds:
Berichten
Reacties

Lezen: Jesaja 42: 1-9

             Matteüs 3: 13-17

Gemeente,

Vandaag is het feest van de doop van Jezus in de Jordaan. Een echt nieuw Testamentisch verhaal. Maar een groot theoloog heeft eens gezegd dat het Nieuwe Testament de uitleg is van de Hebreeuwse Bijbel. Dus als we willen snappen waar dat verhaal over die doop door Johannes eigenlijk over gaat moeten we eerst in de Hebreeuwse Bijbel kijken.

Dat is voer voor theologen. Vandaag komen we terecht in het boek van de profeet Jesaja. Maar over wie gaat dit Bijbelgedeelte? Als je zelf niks met het lijden in de wereld van doen wil hebben dan is die knecht die hier geroepen wordt wel heel bijzonder. Want die knecht die heeft veel op met het lijden in de wereld. Jezus van Nazareth wordt er dus gemakkelijk geroepen, Gods Zoon zelf en volgens de belijdenissen is hij God zelf en als God het als zijn eigen taak ziet dat kunnen wij kleine mensen dat nooit volbrengen.

Wat we vandaag gehoord hebben is het begin van het gedeelte dat Jesaja schreef over wat is gaan heten “de lijdende knecht des Heren”. En door de eeuwen heen zijn de mensen, die de Weg van de God van Israël echt willen volgen, voorgehouden dat dat recht vestigen op aarde, dat blinden de ogen openen, de gevangenen bevrijden, wie in het duister zitten bevrijden, niks voor gewone gelovigen is. Die zijn immers niet vervuld met de Geest des Heren, zoals hier aan de knecht wordt beloofd. En als ze denken wel door Gods Geest gedreven te worden dan moeten ze daar ernstig aan twijfelen want dat kan net zo goed een valse geest zijn.

In de dagen dat het er op ging lijken dat de Hervormden, de Gereformeerden en de Luthersen in ons land echt één kerk gingen vormen ontstond in de Hervormde Kerk zelfs een actiegroep tegen dat proces die zich “het geknakte riet” noemde. Zielige mensen die zich slachtoffer voelden en er op rekenden dat hun ware geloof hen tot redding zou zijn. Dat Jezus had gevraagd om zijn kruis achter hem op te nemen, dat hij gevraagd had om zijn boodschap overal op de wereld te brengen en dat zijn volgelingen blijkens de verhalen uit de Bijbel inderdaad zich ontfermden over de mensen langs de kant van de weg dat waren ze vergeten.

Als mensen in ons land gebukt gaan onder verdriet en ontzetting dat vinden ze die Protestantse Kerk die is ontstaan. Of nu in Apeldoorn was na de aanslag op Koninginnedag, of in Amersfoort na de ramp met de MH17 of in Alkmaar na de vondst van een dode baby in een park, of een van die vele andere zaken die mensen plaatselijk in beweging brachten, de Kerk en de leden van die Kerk en hun voorgangers boden troost en zorgden er voor dat de geknakte mensen niet braken.

De Profeet Jesaja schreef de hoofdstukken vanaf hoofdstuk 40 voor de teruggekeerde en terugkerende ballingen. Zij moesten in Jeruzalem een nieuwe samenleving opbouwen. En die samenleving zou eindelijk moeten lijken op wat de God van Israël had bedoeld toen hij in de woestijn zijn richtlijnen voor een menselijke samenleving aan het volk Israël gaf. God roept jou, is de boodschap van Jesaja. En die boodschap klinkt door tot op de dag van vandaag. In onze dagen is de samenleving, zeker de wereldsamenleving, nog steeds niet een samenleving waar het lot van de minsten voorop staat. Waar geen geld meer wordt uitgegeven aan wapens, oorlog roept immers oorlog op, maar aan landbouwwerktuigen omdat honger tot plundering en verloedering voert. Waar gevangenen menselijk worden behandeld en staten niet verweten kan worden dat ze afzakken tot het bedenkelijke niveau van terroristen. Wij zijn dus ook vandaag geroepen onze samenleving te hervormen en zo te gaan inrichten dat er vrede heerst, dat er zorg is voor de minsten, dat de hongerigen gevoed worden en de bedroefden getroost. Elke dag mogen we daaraan opnieuw beginnen, ook vandaag weer.

Toen Matteüs dit verhaal over de doop opschreef was het verhaal van Jezus van Nazareth al bekend. Wat hij had gedaan, wat hij had geleerd, hoe het afgelopen was, waren allemaal verhalen die men kende. Matteüs moest ze opschrijven zodat ze op de juiste manier zouden worden doorverteld. Maar waarom had die Jezus van Nazareth zich laten dopen? Die hoefde toch niet een nieuw leven te beginnen? Had hij zich eerst bij een andere sekte aangesloten om daarna voor zichzelf te beginnen? Lastige vragen en volgens het verhaal zoals het bij Matteüs wordt verteld had ook Johannes die vragen gesteld. Het antwoord is dat ze op deze manier Gods gerechtigheid vervullen.

En daar mag je nog wel eens bij stilstaan. want is het gewoon dat de grootste mee doet met de kleinsten? Dat de voorganger mee te water gaat met al die mensen die hun leven willen vernieuwen? In de wereld van Jezus van Nazareth wel. Hij zou uiteindelijk de voeten wassen van zijn leerlingen, of hij een slaaf was. Hij zou uiteindelijk een slavendood sterven. Hij zou verkondigen dat wie de eerste willen zijn de laatsten zullen zijn en de laatsten de eersten. Dat is nog eens anders dan in de wereld. Waar Palestijnen eindeloos wachten bij wegversperringen en voor hun komen en gaan volledig afhankelijk zijn van de willekeur van de Israeli en de President van Amerika met 45 auto’s ongehinderd kan doorrijden.

Daarom daalde de Geest van God neer op Jezus van Nazareth, zo zacht en sierlijk alsof het een duif was. Want als je in de Geest van God handelt dan durf je de minste te zijn, zodat je de minsten ziet en je je voor de minsten in kunt zetten. Dan ben je een kind van God, een kind waarin God vreugde kan vinden. Het gesputter van Johannes gaat verloren in de verschijning van Jezus als zoon van God. Johannes krijgt gelijk doordat hij ongelijk had. Dat zijn van die mooie zinnen uit de Bijbel die mensen tegenstaan. Hoe kun je nu gelijk krijgen als je ongelijk hebt. Maar hier kun je het zien.

Johannes stelt zich als de minste op, hij is het niet waard om de schoenen van Jezus vast te maken. Jezus laat zich dopen, hij gaat de weg van de minste die mee wil gaan op de nieuwe Weg. En zoals Johannes het wil moet het ook, niet een leider die de baas is, maar een voorganger die dient, zo krijgt Johannes het ook te zien, maar alleen doordat Jezus zich laat dopen door Johannes.

We mogen sinds die doop allemaal meewerken aan het vervullen van Gods gerechtigheid. We mogen leiders zoeken die willen dienen in plaats van de baas spelen. We mogen leiders kiezen die de minsten voorop stellen in plaats van de rijken. We mogen leiders aanspreken die niet alleen willen Samen Leven en Samen Werken maar ook willen weten van Samen Delen. En als men vraagt waar die leiders aan te herkennen zijn dan antwoord Jezus dat ze te herkennen zijn aan het beeld dat Jesaja neer zet, de knecht van God die er voor zorgt dat blinden weer kunnen zien en gevangenen bevrijdt worden. Zulke knechten mogen we dus allemaal zijn. Aarzel dus niet, aan het werk.

Amen

 

Lezen: Psalm 90

             Lucas 2: 21-24

Gemeente

We hebben het wel over de laatste avond van het jaar en over het nieuwe jaar, maar kerkelijk gezien is dat eigenlijk flauwekul. De Bijbel zegt dat voor onze God duizend jaar als 1 dag zijn. En dat we na de kortste dag van het jaar weer naar het licht gaan en daarom eerst feesten en dan een nieuw jaar laten beginnen is van zo’n Heidense oorsprong dat we als Kerk daaraan niet meedoen. Vroeger dacht men immers dat men de boze geesten van het duister met knallen en vuur moest verjagen om weer licht te krijgen. Gelovigen in de God van Israël hadden geleerd dat die God had gesproken over licht en dat zijn woord vlees was geworden. Niks verjagen en opnieuw beginnen. Het nieuwe begint met de verwachting van de bevrijding door de God van Israël. Ons kerkelijk jaar begint dan ook op de eerste zondag van de Advent en loopt uit op die bevrijding.

We zijn dus al even op weg, maar ja thuis ontkomen we toch niet helemaal aan de jaarwisseling die buiten de kerk wordt gevierd, dus we laten ons in de kerk vanavond daar ook maar een beetje door beïnvloeden. De dienst op Oudejaarsavond wordt nog op heel veel plekken in Nederland gevierd. Het is ook al een oude traditie, ik weet nog dat mijn ouders steevast op Oudejaarsavond naar de kerk gingen. Wij kinderen hoefden niet mee maar zij zongen altijd het oude lied van Rijnvis Feith “Uren dagen maanden jaren vliegen als een schaduw heen” De jaarlijkse herhaling van het lied en de afkomst uit de romantiek van de negentiende eeuw maakte dat het lied op den duur versleten raakte.

De dienst op Oudejaarsavond staat echter niet op de roosters van diensten en lezingen in de kerk. Hij hoort er volgens de wetenschappers die liturgische adviezen geven niet thuis, wel de dankdag en biddag voor gewas en arbeid maar niet de Oudejaarsavond. Het was dus even zoeken naar de lezingen voor deze avond en ook daarvoor ben ik uiteindelijk bij mijn ouders uitgekomen, mijn moeder leeft gelukkig nog. Er wordt op deze avond veel gelezen uit de Psalmen, Psalm 121 die we aan het begin hebben gezongen en Psalm 90. Over die Psalm wil ik het om te beginnen even hebben.

Psalm 90 wordt toegeschreven aan Mozes. De man die opgroeide in Egypte, moest vluchten naar de woestijn en er uiteindelijk in slaagde het volk uit Egypte te leiden en in het hart van de woestijn van God de wet kreeg waarom het uiteindelijk allemaal draaide. In deze Psalm wordt geen mooi leven beloofd. De beste jaren van ons leven zijn moeite en leed. Heel langzaam wordt de leeftijd die we kunnen bereiken wel wat hoger maar 70 en voor de sterken 80 klinkt nog steeds mooi als je jong bent. Die hoge leeftijd is overigens alleen te bereiken als je een klein beetje aan je gezondheid denkt. Een half uur per dag bewegen, niet roken, matig met alcohol, twee stuks fruit en 200 gram groente en weinig vet en zout. Het is allemaal zo moeilijk niet. De moeite en leed waarover Mozes het heeft gaat  over het als blijvend uitgangspunt voor je handelen nemen van de richtlijnen voor de menselijke samenleving die het volk in de woestijn had gekregen..

Dat lukte uiteindelijk ook Mozes zelf niet. Van een ander houden als van jezelf is behoorlijk moeilijk als die ander zeer irritant is en het bloed onder je nagels vandaan haalt. Blijf dan maar eens vriendelijk en het echte belang van die ander in de gaten houden. Dat gezond leven om wat ouder te worden is er overigens ook om van jezelf te houden. En als je zo leeft en voor jezelf zorgt is het ook wat gemakkelijker om dat voor een ander te doen. Stiekem toch een sigaretje, of een vette hap doet alleen jezelf de das om. Daar kan je je dan weer schuldig over voelen of last van krijgen. Deze psalm beschrijft het allemaal. Het mooie is natuurlijk dat je elke dag, ja elke minuut weer overnieuw mag beginnen. Daarom kan Mozes vragen om vreugde, het lukt je vast wel een keertje, en ieder die weet wat het is echt wat goeds voor een ander te kunnen doen kent ook de diepe vreugde die dat kan geven. Het werk van je handen wordt dan bevestigd heet dat in deftige taal.

Gaaf, het werkt, het is gelukt zeggen we tegenwoordig. En al is er moeite en leed voor nodig, het is het dubbel en dwars waard. Daarom is het ook zo mooi dat het elke dag opnieuw mag. De maat van de Bijbel is immers de dag en niet het jaar, met de dag is het begonnen, het was avond geweest en het was morgen geweest, de eerste dag en dat zo zes maal door en op de zevende dag mogen we rusten. Op die zevende dag mogen we weten geen slaaf te zijn, mogen we vieren bevrijdt te zijn, niet alleen meer van de slavernij in Egypte, maar ook bevrijdt te zijn van de dood. Die bevrijding staat ter discussie, we worden weer slaven gemaakt van productie en consumptie, ook op de eerste dag van de week, de dag waarop wij de bevrijding zijn gaan vieren na de opstanding uit de dood van Jezus van Nazareth. Ook op die eerste dag van de week moeten wij ons in onze dagen dienstbaar maken aan productie en consumptie. De strijd voor de zondagsrust gaat dus niet om een of andere particuliere godsdienstige regel, een regel afkomstig uit duistere tijden, maar gaat om bevrijding voor iedereen, wij zijn ook vandaag de dag geen slaven, niet van werken, niet van consumeren, niet van winkelen dus. En wij willen ook anderen niet in slavernij brengen, niet van onze regels, niet van onze godsdienst, maar ook niet van onze behoefte aan consumptie, niet van onze lust naar winst en profijt.

Die bevrijding speelt in het leven van Jezus van Nazareth van begin af een grote rol. Hij zal zijn leerlingen twee aan twee het land in sturen om de armen hun bevrijding aan te kondigen. Hij heet zelfs naar de bevrijding, Jezus in het Grieks, Jehoshua of Jozua in het Hebreeuws en God bevrijdt als je het in het Nederlands zou willen vertalen.

Jezus krijgt die naam op de achtste dag. De nummering van de dagen en de aanduiding er van speelt in de Bijbel altijd een rol, het betekent iets. Want de achtste dag is immers ook de eerste dag. Nu maakt de Bijbel daar wel een onderscheid in. Op de achtste dag wordt een feest van zeven dagen afgesloten. In dit geval sluiten Jozef en Maria het feest van de geboorte af. Kerstfeest is voorbij en dus breekt het gewone leven aan. En Kerstfeest wordt afgesloten met het opnemen van Jezus in het volk Israël, hij wordt besneden, van Abraham valt te leren dat je vijanden dan niet de voorhuiden van de soldaten mee kunnen nemen, je bent dan als besnedene onoverwinnelijk.

Jozef en Maria waren zeer wetsgetrouwe inwoners van Israël. Ze waren niet thuis gebleven zoals de Keizer had bevolen maar waren naar de plaats gegaan die God hen had gegeven, de akker van Noömi en Ruth in Bethlehem. Ze waren immers uit het huis en het geslacht van David. Daarom ook heeft Matteüs Ruth opgenomen in het geslachtsregister van Jezus. De afronding van het geboortefeest vindt dan ook plaats volgens de leer van Mozes, in de Tempel waar elke eerstgeborene werd opgedragen aan de God van Israël. Het volk werd er zo aan herinnerd dat eerstgeborenen niet geofferd werden, niet hun leven hoefden te verliezen. Samen brachten Jozef en Maria het offer van de armen, twee duiven, minder kon niet.

Zo sluiten wij het jaar af. Met het verhaal van bevrijding nog in de oren. Niet de kwade geesten hoeven verdreven te worden. Niet het geweld hoeft ingezet te worden om geweld te bestrijden. Omkijkend beseffen we dat we het goede mogen inzetten om het kwade te bestrijden. Mogen we het goede inzetten om ook de kwade dagen, de storm en de onrust, te doorstaan. Zo steunen de stok en de staf van onze God onze gang soms door een donker dal, niet dat het duister verdwijnt maar we mogen er een groot licht zien. Het licht van Pasen als de dood zal zijn overwonnen.

Zo mogen we het feest gaan vieren van oud en nieuw, want uiteindelijk is de aarde bedoeld als een paradijs, een tuin waarin we met God mogen wandelen, een aarde waar de lammen weer lopen, de blinden weer zien, de bedroefden getroost worden, de onreinen gereinigd worden, de armen de bevrijding wordt aangezegd, de doden mogen leven. Profeten hebben het ons aangezegd, Jezus heeft ons voorgeleefd. De engelen zongen het in de Kerstnacht, vrede op aarde en in de mensen een welbehagen, de apostelen trokken de wereld in om het ons te vertellen, tot aan de einden der aarde. Mogen wij zo het nieuwe jaar ingaan, als gezegende mensen op weg naar het land dat overvloeit van melk en honing, terwijl we iedereen mee nemen die aan de kant van onze samenleving dreigt te blijven staan. We trekken het nieuwe jaar in als de pelgrims die op de hoogtijdagen optrokken naar de Tempel in Jeruzalem om daar maaltijd te houden met hun familie, de tempeldienaren, de armen en de vreemdelingen die bij hen waren. Die pelgrims zongen en dansten en als ze een koning meenden te zien hesen ze die op een ezel, spreiden hun mantels uit op de weg en rukten de takken van de bomen. Zo gaan wij zingend en dansend een nieuw jaar in, om elke dag het goede te kunnen doen en niet dan het goede.

Amen

Lezen: Jesaja 61:20-62-3

             Lucas 2:33-40

Gemeente

We zijn gekomen aan de laatste zondag van het jaar. Voor sommigen een beetje een rommelzondag. Na het groot gloria van kerst, met de engelenkoren en rennende herders kan de laatste zondag van het jaar alleen maar tegenvallen..

Wat hebben we het afgelopen jaar beleefd? Protesten al om, boeren, bouwers, leraren, gezondheidswerkers, boze burgers met gele hesjes. Niemand lijkt een rijk land met veel voorzieningen ideaal te vinden, het komend jaar zal dat volgens velen moeten veranderen.En protesterende kinderen die vinden dat we veel te traag zijn met iets te doen tegen ons veranderen van het klimaat. In elk geval kijken wij terug op een succesvolle promotie van Dominee Omta.

In de Bijbel is terugkijken naar het verleden heel gewoon, maar niet terugkijken om af te rekenen en af te sluiten zoals wij doen rond oud en nieuw. In de Bijbel wordt er teruggekeken om vooruit te komen. Zo keken Jozef en Maria terug naar Jozua. Die had het land verdeeld onder de families van Israël. Ook de familie van David had zo’n stukje land, in Bethlehem lag dat. En de leer van Mozes was dat elke vijftig jaar iedere familie in Israël het stukje land dat bij de verdeling was toegewezen weer terug zou krijgen.

Toen die Keizer in Rome die volkstelling had georganiseerd, hadden Jozef en Maria teruggekeken naar die geschiedenis en waren niet naar de plaats gegaan die de Keizer had bedoeld, gewoon thuisblijven dus, maar ze waren gegaan naar de plaats die God ooit gegeven had. Daar waren ze door God geteld, want God telt de minsten onder ons, daar hadden ze hun zoon gekregen en door die zoon waren ze bevrijdt van de gevaren van die volkstelling, iemand die op een akker is geboren en in een voederbak moet liggen telt niet mee, ook bij ons niet.

Jozef en Maria waren terug blijven kijken. De leer van Mozes zou bevrijding brengen, daar begint die leer mee, “ik ben de Heer Uw God die u uit het land Egypte heeft geleid” stond er immers. Zou die God niet zorgen voor de bevrijding van de Romeinse bezetting ook? Misschien, maar je houding moet er één zijn van liefde, van geweldloosheid, van recht en gerechtigheid zegt de Bijbel. Jesaja zegt dan dat je een nieuwe jas moet aantrekken om vooruit te komen. En nieuwe kleren aantrekken doen we vanouds met Kerst en met Pasen.

Het wordt dus misschien ook voor ons tijd dat we een nieuwe jas aantrekken. Niet alleen het kleed van de bevrijding maar ook de mantel van gerechtigheid. En dan niet alleen. Niet alleen het volk dat het wel gelooft. Maar iedereen, alle volken. Want zeg nu zelf, brengt al die oorlog en ellende waarvan we ook in dit jaar weer in overvloed van gehoord en gezien hebben iets goeds voort?

Misschien dat je met alle volken samen, in het kader van de Verenigde Naties bijvoorbeeld, ooit nog ergens iets goeds kan voortbrengen. Maar dan moet je het wel echt samen doen. Zolang de een zich beter vindt dan de ander wordt het niks, blijft het oorlog en ellende en actie en tegenactie.

Sion is de berg waar de richtlijn van heb je naaste lief als jezelf werd bewaard. De Heilige Berg. En vanwege het bestaan van die richtlijn, vanwege het geloof in de macht van de Liefde die daar vanuit gaat kun je volgens de Bijbel niet zwijgen als er onrecht geschied. Als mensen geen recht wordt gedaan moet en zal dat aan het licht komen. Want het licht van de gerechtigheid komt van de fakkel van de redding. Dat is het visioen dat de profeet Jesaja hier schetst. Wij horen zulke beelden graag. Jesaja is in de kersttijd zeer populair. Warme woorden en warme beelden brengt deze profeet. Maar wij vergeten dan de puinhopen waar Jesaja op stond te roepen tegen zijn volk. Hij schetst zijn prachtige samenleving van vrede en recht midden in de ballingschap..Zijn volk bestaat eigenlijk niet meer. Het is in ballingschap weggevoerd.

Heidenen zouden zeggen dat ook zijn God niet meer bestaat Op de berg Sion, groeit immers onkruid. Jeruzalem, dat om die berg heen was gebouwd ligt in puin.. De grote mogendheden met hun afgoden, met hun glitter en praal, regeerden over de aarde.

Ook de ballingen keken naar het verleden en Jesaja hielp ze daar graag bij. De ballingen in Babel konden niet anders dan de verhalen van hun verleden opschrijven. De verhalen over de slavernij en vervolgens de uittocht uit Egypte, de tocht door de woestijn, de ontdekking dat goden van goud, met eigen handen gemaakt, niks te betekenen hadden, maar dat de God die meetrok en Liefde als opdracht had de kans op leven betekende. Die verhalen gaven weer moed. Want als die God op die manier met je meetrekt, trekt die God dan ook niet in ballingschap met je mee? Zal uiteindelijk de Liefde voor je naaste, ja zelfs de liefde voor je vijanden, uiteindelijk niet tot de vrijheid en terugkeer naar Jeruzalem leiden?

Dan zal die verwoeste stad weer tot bloei komen. Dan zal het land weer vrucht dragen. Niet door offers en aanbidding zoals de Heidenen geloofden, maar door Liefde tussen mensen. Dan zien niet alleen de volken de vrucht van het gaan met die God, maar ze sluiten zich er zelf ook bij aan. Het verlangen naar de terugkeer naar het eigen land wordt door Jesaja verbonden met de noodzaak terug te keren naar de godsdienst van de God van Israël. Alleen in die godsdienst ligt een toekomst, de toekomst van dat geweldige Koninkrijk waar de God van Israël het voor het zeggen heeft en waar iedereen weer meetelt. Dat is pas een toekomst om naar uit te zien.

In het hart van alle volken staat dan de leer van eerlijk delen, de richtlijn van houden van je naaste als van jezelf. Dan is er nog maar één Heer, niet alleen in Israël maar op de hele wereld, dan is er niemand die zich meer acht dan een ander. Het mooiste van dit visioen van Jesaja is dat het al lang geleden begonnen is en wij ons er vandaag nog bij aan kunnen sluiten zodat het ook onze toekomst wordt. Er is niks moeilijks aan, het gaat gemakkelijk als het aantrekken van een nieuwe jas.

De beweging van Jezus van Nazareth is dan ook niet zomaar uit de lucht komen vallen. Al in de dagen dat hij geboren werd waren er velen in Israël die de komst van een bevrijder verwachten. Het was Maria die er over gezongen had toen ze pas zwanger was.: “Machtigen zal hij van de troon stoten” Dat was het oude lied van de moeder van Samuël. Samuël was de profeet die David had gezalfd op diezelfde akker in Bethlehem. Er waren in de dagen van Maria in Israël ook al de nodige opstandjes geweest en er liepen regelmatig mensen rond die zich uitgaven voor de beloofde Messias. Maar het geweld dat zij gebruikten leidde alleen maar tot dood en verderf en een nog strengere bezetting.

Mensen met gelijke verwachtingen en overtuigingen zochten elkaar ondertussen op en probeerden een andere manier. Over Johannes de Doper vertelde Lucas al eerder dat hij in de woestijn ging wonen, zoals bijvoorbeeld de Essenen hadden gedaan.

Over Simeon, waarover wordt verteld in het verhaal die aan de lezing van vandaag vooraf gaat en over Hanna, waar we vandaag over lezen, wordt juist uitdrukkelijk verteld dat ze in de Tempel in Jeruzalem verbleven. Dat is de plaats waar zij de Messias verwachten en zij herkennen in het kind, dat op de akker van David in Bethlehem geboren was, de beloofde bevrijder van Israël.

Daarom ook vertelde Hanna aan allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem over dit kind. Er was dus een groep mensen waar Hanna bij hoorde en die door Lucas nog werd gekend en bekend werd veronderstelt toen hij zijn verhaal opschreef. Van die groep weten we verder eigenlijk niets. Over die Hanna weten we verder ook niet zoveel. Ze was uit de stam van de gezegenden staat er. Aser dat betekent gezegende. Aser was één van de tien stammen die na de ballingschap als zelfstandige stam niet meer was teruggekeerd. Hanna was de dochter van “het gelaat van God “, want dat betekent de naam Fanuël, haar eigen naam betekent “genade”.

Ze was profetes en weduwe van beroep. Dat laatste klinkt hard maar de vermelding van haar leeftijd en haar naar verhouding korte huwelijk staan er niet voor niets. De familie van haar man had voor haar moeten zorgen, daar had een man gevonden moeten worden die haar had willen trouwen. In de leer van Mozes staat precies hoe ze dat hadden moeten doen. Ze hadden een voorbeeld kunnen nemen aan Boaz, de overgrootvader van David die op diezelfde akker de weduwe Ruth had leren kennen en haar tot vrouw nam in gehoorzaamheid aan de leer van Mozes. Maar in een paar woorden weet Lucas ons te vertellen dat die leer van Mozes Hanna in elk geval geen bescherming had geboden.

Nu maakte ze kennis met jonge mensen die alle risico’s genomen hadden met het wel weer gaan leven of de leer van Mozes nog steeds de centrale regel in Israël was. Die op de achtste dag naar de Tempel gingen om daar te doen wat de Tora van hen had gevraagd. Hun zoon laten besnijden en als eerstgeborene aan God wijden, oefenen in delen door een offer te brengen, een offer dat gedeeld kon worden met de armen, de weduwe en de wezen.

Op de achtste dag, niet op de eerste dag van de week want de achtste dag was de dag om een feest af te sluiten, de eerste dag een dag om een feest te beginnen. En hier werd op de achtste dag het feest van de geboorte afgesloten, wat volgde was de opvoeding en het opgroeien en dat is niet altijd een feest. Die eerste dag van een nieuw feest zou pas komen met de opstanding, met Pasen. Op die manier wijst zelfs dit gebeuren in de Tempel in Jeruzalem vooruit naar Pasen want na die eerste dag gingen de leerlingen van Jezus dag in dag uit naar de Tempel schrijft Lucas op het eind van zijn Evangelie, dan is de cirkel dus rond.

Van de houding van Jozef en Maria mocht Hanna dus bevrijding uit haar benarde situatie verwachten. Dat zou ook de bevrijding van Jeruzalem dichterbij brengen. Want Jeruzalem was nu eenmaal de stad waar die oude leer bewaard werd. Waar mensen naar toe kwamen om zich rond die richtlijnen te scharen en door met elkaar een maaltijd te delen weer te oefenen in de betekenis van die grondregel, heb uw naaste lief als uzelf. Daarom is de toepassing van de leer van Mozes zoals Maria en Jozef dat hadden gedaan van belang voor de hele bewoonde wereld.

Bevrijding van Jeruzalem betekende voor Hanna dat de leer van Mozes weer tot gelding gebracht zou worden. Daar was die nieuwe koning uit het geslacht van David voor geboren, daar was de gezalfde, de messias, de christus, voor op aarde gekomen. Die boodschap ging ze brengen aan de groep waar ze bij hoorde, tegenwoordig zouden we zeggen dat ze het heil van Christus verkondigde in haar gemeente, de vrouwelijke predikanten beginnen direct na het kerstfeest te preken.

Zo mogen wij ons ook voegen in dit verhaal. Weer oog en oor krijgen voor de weduwe, zorgen voor mensen die lang afhankelijk zijn van hulp en bijstand, zorgen dat mensen weer zelf verder kunnen. Door terug te kijken in het verhaal zoals dat in de Bijbel wordt verteld kunnen wij straks het nieuwe jaar in. In onze dagen betekent dat ook zorgen voor de papierlozen, mensen die tussen de wal en het schip van staten en regeringen vallen. Wij mogen er voor zorgen dat de regel van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf weer in het middelpunt van de wereld komt te staan.

Wij hebben uit dat verhaal begrepen dat we allemaal kinderen van God zijn, allemaal broeders en zusters. Een familie dus die voor elkaar mag zorgen, zodat iedereen er bescherming door kan genieten en iedereen weer meetelt. Daar mogen wij vandaag weer mee beginnen. Dat mogen we een heel jaar volhouden, terugkijken om vooruit te komen, een heel nieuw jaar lang en van dat nieuwe jaar elke dag opnieuw, elke dag opnieuw beginnen. Veel heil en zegen dus alvast voor het nieuwe jaar.

Amen

Lezen: Jesaja 52: 7-10

             Johannes 1: 1-14

Gemeente

Met het verhaal uit Lucas 2 dat in de kerstnacht is gelezen nog in de oren breekt voor ons de eerste kerstdag aan. Vanouds heeft de kerk het op deze eerste kerstdag over de bodes die de komst van de bevrijder, de Messias aankondigen. We lezen daarom uit het boek van de profeet Jesaja, waar de terugkeer van de ballingen wordt bejubeld en uit het evangelie van Johannes waar het optreden van Johannes de Doper in perspectief wordt gezet. Zwijgen we dan over het verhaal over Jozef, Maria, het kindje en de herders? Nee toch? We hebben het vanmorgen aan de kinderen proberen te vertellen, maar dat verhaal mogen we niet geïsoleerd, als een alleenstaand verhaal lezen. Want volgens Johannes gaat dat verhaal uit Lucas 2 ook over ons. En in de woorden van Johannes klinken alle vier evangelieverhalen door. Matteüs begint zijn verhaal met het geslachtsregister en ook Lucas kent dat. De komst van Jezus van Nazareth is de bekroning van bevrijdingsverhalen die begonnen zijn bij het begin van de geschiedenis, vertellen zij. Marcus begint met de boodschapper die de komst van Jezus van Nazareth aankondigt en waarheen heel het volk te hoop loopt, Johannes de Doper. In het verhaal van Johannes de evangelist horen we allebei. De boodschapper en de geschiedenis.

Het eerst hebben we vanmorgen gehoord van de boodschapper in de lezing uit het boek van de profeet Jesaja. Het is een lied dat aangeheven wordt in een zeer onverwachte maar tegelijkertijd ook zeer welkome situatie. Ook in de dagen van deze Jesaja is er sprake van een Keizer, keizer Cyrus in dat geval. Deze Keizer gaf het bevel dat de ballingen in Babel terug moesten keren naar Jeruzalem om daar de Tempel weer op te bouwen. Ze kregen zelfs de gouden en zilveren voorwerpen weer mee, die ooit uit Jeruzalem waren gestolen, om weer te gebruiken in de eredienst in de herbouwde Tempel. De wachters op de muren horen de vreugde over de terugkeer van Sion, de berg van de Tempel, het hart van de godsdienst van Israël, daar werd de Wet bewaard van heb Uw naaste lief als Uzelf, daarvan ging recht en gerechtigheid uit, de belofte van de bevrijding van de armen.

Was er eerst de vraag aan de Wachters hoe lang de nacht nog zou moeten duren, nu breekt het licht van een nieuwe dag aan, een nieuw begin voor het volk Israël op de Weg met de God van Israël. En over dat nieuwe begin spreekt ook evangelieschrijver Johannes. Om misverstanden te voorkomen: Johannes schrijft niet een natuurkundeboek, niet de geschiedenis van hoe wetenschappelijk verklaard de aarde tot stand is gekomen. Maar van dode steen en ongedefinieerde planten kan een mens niet leven. En daar komt de God van Israël ter sprake. Die brengt scheiding aan, tussen licht en donker, tussen land en water, tussen boven en beneden, tussen dag en nacht en zet een hemel als schild boven de aarde om mensen daar te laten leven. De liefde voor het leven van de God van Israël schept een tuin waar mensen onbezorgd kunnen leven. Het Woord dat zegt dat je je naaste lief moet hebben als jezelf, het Woord dat chaos schept tot mensenland, is er van het begin bij, zonder dat woord is er geen leven en in dat Woord is het leven pas.

Dat Woord is geen geestelijk gebeuren dat buiten tijd en ruimte staat. Niks geestelijks, niks buiten de dagelijkse werkelijkheid zegt Johannes ons, dat woord is mens geworden en heeft onder ons gewoond. Dat woord heeft handen en voeten gekregen. Eindelijk hebben we kunnen zien hoe God mensen naar zijn beeld en gelijkenis wilde scheppen. Want wie op Jezus van Nazareth ziet, ziet God, zij hij zelf. Maar in Jezus van Nazareth zien we ook iets over de aarde die God voor ons zou willen scheppen.

Dat is een wereld waar profeten als Jesaja het al over hadden gehad. Waar tranen gedroogd zijn, waar blinden zien en lammen lopen, waar recht en vrede heersen. Waar de leeuw en het lam samen rusten en waar een kind speelt in het hol van de adder. Dat is niet de wereld waarin wij ons bevinden, die wordt bepaald door de machtigen en de rijken, door regeringen en dictators, door de Koningen en Keizers die ook in de dagen van Maria en Jozef de macht in handen dachten te hebben. Jezus van Nazareth begeeft zich naar de hoeren en de tollenaars, naar de zieken en gehandicapten, de mensen die buiten de geordende samenleving staan. Want pas als de mensen die worden buitengesloten weer mee gaan doen, mee kunnen doen, dan pas begint de aarde, Gods aarde van de mensen te worden. Het is het licht dat in onze duisternis schijnt. Het licht dat de herders zagen en dat hen bevrijdde van de angst, het licht dat hen weer mee kon laten doen. En terecht zingt het lied van de herders die lagen bij nachte dat er een straal uit hun ogen schoot naar het kind daar beneden. Dat kind in die voederbak op de akker van het geslacht van David was voldoende, daar kon niemand tegen op, de duisternis heeft het niet overwonnen. Zelfs niet met een geboorte buiten op het veld.

Matteüs en Lucas leggen de nadruk er op dat hier de Christus geboren werd, de gezalfde, zoals koning David ooit door Samuel gezalfd werd buiten in het veld, in Bethlehem. Eigenlijk had je moeten verwachten dat de duisternis het wel zou overwinnen. Dat Romeinse Rijk beheerste de hele toenmalige aarde, wie denkt zo’n macht te kunnen weerstaan. Wat de volkstelling betreft lukte het weerstaan op de duur ook niet schrijft Lucas. De eerste volkstelling werd gehouden toen Quirinius landvoogd over Syrië was, en die Quirinius werd landvoogd een jaar of 10 jaar na de geboorte van Jezus van Nazareth. Maar in de donkerste duisternis mogen we toch het licht van kerstmis blijven zien. Daar zijn getuigen van. In het verhaal van Johannes treedt een getuige op. Iemand die heeft gezien wat er is gebeurd. Iemand die het licht heeft gezien, die een lichtje is opgegaan. Die niet zelf het licht was maar die het licht heeft gezien en er dus van kon getuigen. Ook in onze dagen kennen we zulke getuigen.

Ik moet dan altijd denken aan de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer. Vanaf het optreden van de nazi’s getuigt hij als predikant en leraar dat hun leer in strijd is met het Evangelie. Uiteindelijk beland hij in het concentratiekamp waar hij ook vermoord zou worden. In dat kamp schreef hij veel brieven, je kunt ze nalezen in het boek Verzet en Overgave. Op 17 december 1943 schrijft hij aan zijn ouders: “willen jullie alsjeblieft geloven dat Kerstmis ook mij een paar mooie uren zal brengen en dat ik echt niet zal zitten kwijnen van verdriet” Mooie uren door Kerst in het concentratiekamp, dat kan alleen als een straal uit je eigen ogen valt op het kind in de voederbak en je beseft dat daar de bevrijding van al het kwaad in de wereld is begonnen. En een jaar later, een paar maanden voor hij ter dood gebracht zou worden, schrijft hij een kerstlied, in het concentratiekamp. Dat lied staat ook in ons liedboek, we zingen het vaak rond oud en nieuw en daar past het ook het beste. De begin regel wil ik U niet onthouden. Het gaat zo: “Door goede machten trouw en stil omgeven, behoed, getroost, zo wonderlijk en klaar, zo mag ik deze dagen met U leven, en met u binnengaan in ’t nieuwe jaar.

Meestal hebben wij geen oog voor de zieken en gehandicapten onder ons, voor de armen en de hongerigen in de wereld. Meestal laten schendingen van mensenrechten ons onberoerd en accepteren we gelaten dat onze regering 1 miljard bezuinigd op ontwikkelingssamenwerking. Dat de God van Israël te vinden is onder de losers is maar moeilijk te aanvaarden. Zelf beriep hij er zich op slaven uit Egypte bevrijdt te hebben, ballingen uit Babel te hebben laten terugkeren, op te komen voor de weduwe en de wees, recht te doen aan de armen. Wij kijken toch eerder naar de winnaars dan naar de losers. Wij kijken naar idols, en succesfiguren. Maar juist met kerst wordt alles toch een beetje anders. Met kerst kunnen we leren dat licht te weerkaatsen, zelf het licht te gaan uitstralen dat met Jezus van Nazareth in de wereld is gekomen. Kerst is het jongste feest in de kerkgeschiedenis. De oude kerk koos de donkerste periode van het jaar om ons aan de betekenis van dat licht te herinneren. Het licht schijnt in de duisternis en de vraag aan ons is om het te aanvaarden. Dan zullen zelfs wij kinderen van God genoemd worden, dat staat er gewoon, wij kunnen kinderen van God zijn. Willen wij het licht van Bethlehem, het licht van God, aanvaarden?

Voor die vraag hebben we telkens boodschappers nodig. Mensen die ons weer oproepen het licht te zien. Wij volgen de roep van Johannes de doper in de woestijn om de Weg van de Heer te bereiden. Daarom komen in de kersttijd christenen bij elkaar om fruit in te pakken en rond te brengen bij zieken, bejaarden en eenzamen, als symbool van de verbondenheid die een Christelijke gemeente met de zwaksten in onze samenleving wil vormen. Daarom hoor je overal dat er aandacht is voor zwervers, voor slachtoffers, voor ouden en zieken, voor mensen met een laag inkomen, voor kinderen in arme landen. Vandaag hebben we hier een bijzondere aandacht voor daklozen. Daklozen een huis geven hoort bij dat werken aan die nieuwe aarde die met Kerst begonnen is, toen de hemel op aarde kwam. Als herinnering daaraan halen we groene bomen in onze huizen en in de kerk die we versieren. Niet om, zoals in de grijze oudheid, de goden te leren hoe vruchtbaarheid er uit ziet, maar omdat we geloven dat ook in de diepste duisternis onze God ons zal leiden aan grazige weiden en omdat ook als het er helemaal niet naar uitziet wij geloven dat er voor iedereen te eten is. Daarom kunnen kerstmaaltijden overvloedig zijn.

Maar een oude Christelijke traditie is om bij die kerstmaaltijden ook een plek open te houden voor de armen, de daklozen, de mensen buiten onze maatschappelijke orde. Dan weten we op kerstochtend ons licht weer aan te steken aan de Paaskaars omdat we weten dat we zullen opstaan tegen de dood, dat nieuw leven onder ons begint en dat we het licht ervan mogen zien. Want we hebben een kerstnacht, een kerstochtend en morgen zelfs een tweede kerstdag maar daar blijft het niet bij. Van hier gaan we op naar Pasen als ook de dood wordt overwonnen en uiteindelijk zien we uit naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar alle tranen gedroogd zullen zijn. Om het verlangen naar die nieuwe aarde gestalte te geven mogen we er aan gaan werken. Elke dag, Kerst of geen kerst wacht dat werk aan het Koninkrijk van God op ons. En elke week komen gemeenten bij elkaar om dat met elkaar te delen, over de hele wereld, ook hier in de Oude Ursulakerk en in Dirkshorn komt de gemeente bij elkaar. Want waar twee of drie in de naam van Jezus van Nazareth bijeen zijn is hij zelf aanwezig, ook hier mag iedereen daar aan meedoen. Net als vanmorgen, zelfs komende zondag komt de gemeente bij elkaar en ook de komende tijd, ook in het nieuwe jaar.

Amen

 

Lezen: Jesaja 35: 1-10

             Matteüs 11: 2-11

Gemeente,

Vandaag hoorden we een stukje uit de Bijbel dat in kerken heel beroemd is geworden. Dat komt met name door dominee J.J.L. ten Kate. Die leefde in de negentiende eeuw en maakte een heleboel gedichten. Het gedeelte dat we vandaag lezen inspireerde hem tot het gedicht:  “de dorre vlakten der woestijnen zal zich verheugen eindeloos, de zandzee zal herschapen schijnen want bloeien zal zij als een roos”. Het werd een zeer populair kerklied dat in 1938 als gezang 111 werd opgenomen in de zangbundel van de Hervormde Kerk. Toen in 1973 het liedboek voor de kerken uitkwam was het lied daaruit verdwenen. Want hoewel de springende lammen, de sprekende stommen, de ziende blinden en de horende doven er ook in voorkwamen was er één element niet aanwezig. Dat moedeloze volk dat sterk moet zijn en niet moet vrezen, dat moet vertrouwen op Gods wraak, op Gods vergelding.

Want de vrolijke melodie die bij het lied van dominee ten Kate was gemaakt paste niet bij de plaats die Jesaja aan zijn lied over de wildernis had gegeven. Jesaja plaatst het visioen midden in het verhaal over de ballingschap. In het gedeelte dat hier pal voor staat beschrijft hij wat er van de aarde is geworden, een van bloed doordrenkte vruchteloze aarde waar niets meer aan te beleven valt. Een aarde zoals wij dezer dagen in Syrië hebben zien ontstaan. Maar volgens Jesaja zal het daar niet bij blijven. De ballingen zullen weer naar huis keren. Het verwoeste Jeruzalem en de Tempel zullen weer opgebouwd worden. De wilde dieren zullen er verdwijnen. We weten dat na de ballingschap er zelfs leeuwen in Israël rondliepen die mensen aanvielen die naar de verlaten streek waren gedeporteerd. Het is dus een lied van hoop dat Jesaja ons laat zingen.

Die hoop is duidelijker terug te vinden in een lied dat Huub Oosterhuis dichtte bij dit Bijbelgedeelte: “De steppe zal bloeien, de steppe zal lachen juichen, de rotsen die staan vol water, maar dicht, de rotsen gaan open”. In het laatste couplet zet hij het ook voor ons in een toekomstperspectief als hij schrijft over een stem die ons zal roepen “dode, dode sta op” over de hand die ons zal wenken. Al de ellende die ons overkomt, die volken als dat van Syrië overkomt zijn geen natuurwetten. Tegen die dodende ellende mogen we opstaan. En in dat beeld van hoop passen weer de huppelende lammen, de sprekende stommen, de horende doven en de ziende blinden. Antoine Oomen componeerde een prachtige pianopartij bij het lied van Oosterhuis. Die pianopartij is zo mooi dat we het lied niet zo vaak zullen zingen als ooit de “dorre vlakten” van Ds. ten Kate was gezongen. Gelukkig dat de muzikale vormgevers van de PKN hebben ingezien dat de meeste organisten in de kerk vrijwilligers zijn en een zetting hebben gemaakt die wel speelbaar is en zingbaar voor de gemeente. Maar de hoop van Jesaja mag ook ons in beweging zetten. Want als wij elke dag opnieuw beginnen te leven volgens de regel van heb uw naaste lief als uzelf, dan zal de woestijn gaan bloeien, dan breekt eindelijk de vrede aan, daar mogen we ook vandaag weer aan beginnen. En vrede komt er in de wereld pas echt als de armoede is verdwenen.

Er zijn mensen die graag Jezus als voorbeeld nemen en vandaag vragen we ons af of we daar ook wat aan hebben. Want wie was die Jezus van Nazareth nu helemaal. Als je het kerstverhaal een beetje negatief wil lezen dan is die Jezus en jongen van onduidelijke kom af. Hij werd opgevoed als zoon van de timmerman Jozef maar dat was kennelijk niet zijn echte vader. Hij had wel een huis gehad in Kafernaüm maar was daarna aan de zwerf geraakt en had geen plaats meer om zijn hoofd te ruste te leggen. Hij had de boodschap van Johannes de Doper overgenomen maar leefde niet aan de woestijnkant van de Jordaan, at sprinkhanen en wilde honing en liep zeker niet rond in een kameelharen mantel. Hij at met hoeren en tollenaars en als het zo uitkwam ging hij ook bij deftige Farzieën uit eten.

Geen wonder dat Johannes de Doper wel eens wilde weten of die Jezus inderdaad degene was die na hem zou komen en waarvan Johannes vond dat hij het niet waard was om zijn schoenen vast te maken. Johannes zat in de gevangenis en kon dus zelf niet gaan kijken, hij stuurde zijn volgelingen. En Jezus ging niet zichzelf of zijn afkomst verdedigen. Profeten hadden beloofd dat bij de bevrijding van het land je de huppelende lammen, de sprekende stommen, de horende doven en de ziende blinden zou kunnen tegenkomen. Aan de armen zou de goede boodschap van Gods bevrijding worden verkondigd. Niemand hoefde meer langs de weg te zitten bedelen. Liefde voor de naaste was de voornaamste richtlijn uit de Tora had Johannes al verkondigd en door Jezus werd die liefde concreet tastbaar en aanwezig.

Maar profeten worden nu eenmaal niet echt vaak serieus genomen. De bouwers van het nieuwe Jeruzalem in de dagen van Jesaja vergaten dat ze een volk zouden moeten zijn waar de armoede verdwenen was, waar inderdaad de lammen konden huppelen, de doven konden horen en de blinden konden zien. Het hele volk was volgens de Bijbel achter Johannes aangelopen en had zich laten dopen, maar lammen zaten nog steeds te bedelen net als de doven en de blinden. De melaatsen stonden nog steeds buiten de samenleving.

Maar als de leerlingen van Johannes vertrokken zijn zegt Jezus iets merkwaardigs. In het Koninkrijk van God is de kleinste nog groter dan Johannes de Doper. Groter dus ook dan Jezus zelf? Uit dit hele bijbelgedeelte komt naar voren dat niet de grootheid van Profeten, of het werk van iemand als Jezus belangrijk is maar dat het gaat om die huppeldende lammen, die horende doven, die ziende blinden, dat het gaat om de gastvrijheid voor vreemdelingen, om delen van wat je is toegevallen met hen die het nodig hebben. Die gebaande weg van Jesaja komt er niet zo maar. Daarvoor moeten valleien gevuld worden en bergen geslecht. Dat is zwaar werk. Zo is het veranderen van de samenleving die wij kennen in een samenleving waar geen armoede meer is, waar alle leed geleden is, waar alle strijd gestreden is zwaar werk. Jezus zal daarom roepen achter hem zijn kruis op zich nemen. Niet bang te zijn verguisd te worden en belachelijk gemaakt.

Want juist vandaag, op de derde advent, horen we dat die samenleving echt mogelijk is. In Jezus naam kijk maar. Het licht van Kerst, het licht van Pasen begint ons al een klein beetje te dagen. We moeten aan het werk, vat aan en aarzel niet.

Amen

Lezen: Jesaja 11:1-10

Matteüs 3:1-12

Gemeente,

Een prachtig lied zingen we vandaag mee met de profeet Jesaja op deze tweede zondag in de advent. Nog mooier wordt dat lied als we bedenken dat volken vaak worden aangeduid met een dier. Welk volk met welk dier hier aangeduid wordt is verloren gegaan in het duister van de geschiedenis, maar dat is ook niet zo erg want het gaat ook vandaag in dit lied om de toekomst van onze wereld. Dan zingen we dus dat het ene volk samenwerkt met het andere, dat het ene volk samen deelt met het andere, dat twee volken samen hun kinderen weten op te voeden. Dat angst voor andere volken, voor mensen die er anders uitzien, zich anders kleden en andere opvattingen hebben geen rol meer speelt in het samen leven en samen delen op deze aarde. Niemand doet immers kwaad, niemand sticht onheil. De hele aarde wordt in het lied van Jesaja de Tempelberg waar de Wet van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf geldt. Die Wet bedekt de aarde, zingt het lied, zoals het water de bodem van de zee bedekt.

Op die dag zal de Koning van de Vrede, de telg van Isaï als een vaandel voor alle volken staan. Een droom die in de geschiedenis diepe indruk heeft gemaakt. Keizer Constantijn maakte van die indruk gebruik door in de beslissende slag zijn soldaten te inspireren door het kruis als vaandel te gebruiken. De koning van de vrede, de heer van de wereld, Jezus van Nazareth, had volgens de Christelijke soldaten zijn koningschap eerst echt verworven aan het Kruis van Golgotha. Het Romeinse Rijk, de wereld van Jezus van Nazareth, was daarna onder de staatsgodsdienst van Constantijn gekomen die geloofde dat daarmee de wereld onder het vaandel was gekomen dat hier door Jesaja wordt bezongen. Maar zo is het natuurlijk niet. Met de overwinning van Keizer Constantijn was het kwaad niet uit de wereld verdwenen. Ook na de overwinning van Constantijn bleven er volken over die strijd voerden, die een oorlog begonnen omdat ze zich beter vonden dan een ander volk, omdat ze rijker wilden worden ten koste van andere volken, omdat ze hun belangen zwaarder lieten wegen dan de belangen van volken die zwakker waren dan zijzelf.

Als we het lied over de vrede van de dieren zingen in onze wereld dan merken we ook dat de wereld die Jesaja hier bezingt er nog lang niet is. De demonstranten die van de wereld uit dit lied droomden bij de grote milieuconferentie in Parijs zien dat verschillen in opvattingen tussen landen die niets met het klimaat van doen hadden de conferentie toen deden mislukken, omdat eigenbelang voorop stond, omdat de bereidheid om werkelijk met de zwaksten te delen eigenlijk afwezig was, omdat de kinderen van elkaar groot willen brengen toen nog een ver en onbereikbaar ideaal scheen. De kinderen verzamelen zich over de hele wereld nu maar zelf voor het behoud van de aarde als een leefbaar oord. Voordat een vaandel als Jezus van Nazareth, de leer van vrede en zorg voor de armen die hij ons heeft nagelaten, als water in de zee de hele aarde bedekt zal er nog veel werk moeten worden verricht. Dat werk begint bij ieder van ons. Ieder zal zelf de zorg moeten dragen voor de minsten, ieder zal daarbij anderen moeten meenemen, ieder zal daarbij volken moeten oproepen. Er is een nieuw klimaatverdrag dat echt verbetering lijkt te brengen. Misschien dat dan die nieuwe aarde die zo hemels zal zijn toch zal komen, morgen begint het.

Johannes roept in de woestijn: Maak de weg van de Heer gereed, hij volgt daarin Jesaja.Na de kruisiging van Jezus van Nazareth en de avonturen met de opstanding en de uitstorting van de Heilige Geest noemden de volgelingen van Jezus zich “Mensen van de Weg”. Dat ze Christenen genoemd zouden worden kwam pas veel en veel later. Jezus van Nazareth had zichzelf de Weg genoemd. De Weg naar de betere wereld die vanouds was beloofd. Het land overvloeiende van melk en honing waar het volk Israel een blijvende vrede zou vinden en waar alle volken zich naar zouden wenden om te delen in die vrede.

Het verhaal van die Weg begint in het boek naar Matteüs aan de Jordaan. Daar waar het volk Israel uit de Woestijn was gekomen om dat beloofde land binnen te trekken had Johannes een plaats gevonden om ze op te roepen de Weg klaar te maken door de paden recht te maken. De oproep was een citaat uit het boek van de profeet Jesaja. In dat boek staat de Wet van de Liefde centraal, de Wet van delen en houden van je naaste als van jezelf. Johannes roept dus op om voortaan volgens die richtlijn te gaan leven, je door die richtlijn de juiste richting op te laten sturen.

Er waren in de tijd van Johannes veel van die profeten die de mensen opriepen om terug te keren naar de bronnen van het volk Israel. Het volk leefde onder een drukkende bezetting. Overal op aarde waren de Romeinen de baas en de Romeinse Keizers werden vereerd als goden. Verschillende soorten verzet werd er gepreekt. Er waren mensen die geweld predikten, rond het jaar 70 zou dat leiden tot een gewapende opstand. Er waren ook mensen die zich van de wereld afzonderden en in de woestijn gesloten gemeenschappen hadden gesticht, we kennen daar nu nog de Essenen van, hun gemeenschappen zijn bij opgravingen blootgelegd.

Johannes volgde een andere weg. Als iedereen ging leven volgens de regel van heb je naaste lief als jezelf dan veranderd de wereld vanzelf. Hij sloot daarbij aan bij de profeten van Israel die al hadden betoogd dat gewapend verzet tegen wereldmachten niet zoveel zin had en dat afzondering ook niet kon omdat uiteindelijk alle volken zich naar Jeruzalem zouden moeten keren. Als teken van vernieuwing gebruikte Johannes de doop in de Jordaan, door de Jordaan bereik je dat nieuwe beloofde land, je moet als het ware doodgaan in het water om een nieuw leven te kunnen beginnen.

Maar het was geen mode, geen hype waar je uit fatsoen niet omheen zou kunnen. De mensen van het uiterlijk vertoon waren daarom niet welkom. De mensen die compromissen hadden gesloten met de bezetter om hun eigen belang veilig te stellen hoorden er niet bij. Van dat nieuwe leven, van de inzet voor de minsten moet wat te zien zijn. Vrucht moet het nieuwe leven dragen. Om die vruchten gaat het ook vandaag nog. En die vruchten kunnen we voortbrengen, vanaf vandaag als we dat willen.

Daar om zien we in de advent niet om naar het verleden maar vooruit naar de toekomst. De toekomst die een wereld zal brengen waar alle leed geleden zal zijn en alle strijd gestreden zal zijn. De toekomst die Jesaja ons voorhoudt en de toekomst waartoe Johannes oproept er aan te gaan werken. Dat werken zal moeten blijven, bergen afbreken en dalen opvullen is zwaar werk. Maar de beloning is er des te groter door. Met kerst herdenken we hoe de komst van die nieuwe wereld concreet gestalte kreeg. Aan ons om dat licht nu al een beetje te zien en aan de slag te gaan. Totdat hij komt.

Amen.

Lezen: Jesaja 2:1-5

              Matteüs 24: 32-44

Gemeente,

De advent is de periode waarin we uitkijken naar de nieuwe hemel en en de nieuwe aarde. Met de komst daarvan wordt straks met kerst een begin gemaakt. Nu nog zijn we in rouw om het lijden in de wereld, vandaar de paarse kleur in de liturgie. Maar we mogen ons indenken hoe het zal zijn in die nieuwe wereld waar we overigens elke dag aan mogen beginnen. Jesaja schetst al een samenleving die we vandaag wel zouden willen.

Want het zal toch eens moeten gebeuren. Dat geen mens meer zal weten wat oorlog is. Dat is toch een geweldige droom. Een nachtmerrie misschien voor de wapenindustrie maar een droom voor alle mensen die van mensen houden, die kiezen voor het leven. We lijken er nog ver van af te zijn. Misschien dat we wat minder oorlogen tussen volken zien. Het zijn coalities die tegen een enkel land optrekken dat zich al te ver verwijderd van de internationale rechtsorde. Het zijn de Verenigde Naties die als een internationale politiemacht staten en volken tot de orde kan roepen. We weten natuurlijk dat alleen in het verband van de Verenigde Naties, alleen als we allemaal op de hele wereld echt samen aan vrede en rechtvaardigheid willen werken, echt vrede en recht gebracht kan worden. Regeringen die buiten de VN oorlogen beginnen brengen uiteindelijk de vrede verder in gevaar.

Telkens weer doemen nieuwe bedreigingen op of denken we nieuwe bedreigingen te zien. Telkens horen we van bedreigingen door de Taliban. Die hebben hun schuilplaats in Pakistan en ook dat land is niet direct bekend als een land van recht en vrede. Maar aan Pakistan mogen we niet komen. Ook in Irak groeien recht en vrede maar langzaam en ten koste van veel mensenlevens, en dankzij of ondanks de bombardementen. Dan is er Afrika waar overal gevochten lijkt te worden om macht en grondstoffen, om rijkdom ten koste van mensen. En Al Gore, die ooit de Nobelprijs voor de vrede kreeg, waarschuwde dat de klimaatveranderingen die we veroorzaken nieuwe oorlogen gaan brengen.

We lijken nooit te leren dat de richtlijnen voor eerlijk delen, ook tussen de volken, die op de Tempelberg in Jeruzalem werden bewaard en door Jezus van Nazareth toegankelijk werden voor de hele wereld het uitgangspunt moeten zijn en worden voor het verkeer tussen volken en mensen. Daarom hoort bij dit visioen dat er recht gesproken wordt op grond van die richtlijnen. Dan pas kunnen de zwaarden omgesmeed worden tot ploegscharen en de speren tot snoeimessen.

In onze dagen zal dat niet gebeuren door legers af te schaffen en militairen naar huis te sturen. Maar we kunnen een begin maken door onze soldaten en hun wapens in dienst te stellen van de Verenigde Naties, en alleen van de Verenigde Naties. Nu oefenen onze soldaten nog om anderen gerust te stellen tegen geweld uit Rusland. Een poging om echt vrede te scheppen in Europa en alle angst weg te nemen is er niet bij. We geven al wel onderdak aan het Internationale Hof van Justitie en aan het Strafhof van de Verenigde Naties. Machtige landen, als Amerika, willen die gerechtshoven nog wel eens ontkennen en de vonnissen aan hun laars lappen.

Het is aan een klein, maar rijk, land als het onze om juist bij voortduring op het belang van het recht te blijven hameren, juist in het belang van de vrede. Het recht op vrede behoort tot de mensenrechten die elk jaar op dezelfde dag worden herdacht als de Nobelprijs voor de vrede wordt uitgereikt. Tien december zal het weer gebeuren. Mensenrechten en vrede zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, ook in het visioen van Jesaja.

Het is duidelijk dat we niet weten wanneer het einde der tijden daar is, wanneer die nieuwe hemel en die nieuwe aarde klaar zijn. We weten dat het komt, dat alle ellende voorbij zal zijn, dat we een wereld krijgen waar vrede en recht heerst, een wereld waar alle tranen gedroogd zijn. En tot die tijd? Wat moeten we er mee? Gewoon doorgaan met leven, zo van we zien wel? Natuurlijk niet. Een ouderwets woord hiervoor is “Godsdienstoefening” Zoals je oefent voor de schooluitvoering, een sportwedstrijd, de speech op een bruiloft of jubileumfeest kunnen we ook oefenen voor de nieuwe wereld van God. Jezus van Nazareth zegt zelfs ergens dat we alvast maar moeten leven alsof die nieuwe wereld er al is. We moeten waakzaam zijn staat er.

Jezus van Nazareth vergelijkt de tijd waarin we leven met de tijd van Noach, nog voor de zondvloed.Ook toen sloeg niemand acht op de naderende ramp die bijna al het leven op aarde zou uitwissen. Zijn we nu anders aan het leven dan in de tijd van Noach? Misschien wel misschien niet. Oordelen over wat anderen doen is niet eenvoudig. Natuurlijk als je je overgeeft aan het najagen van winst en genot dan is het gemakkelijk, dat is niet wat de Bijbel van mensen vraagt, dat was wat de mensen in de dagen van Noach deden staat hier. Maar in onze dagen zijn veel mensen met de samenleving bezig. Ze proberen de samenleving zo in te richten dat vrede heerst en welvaart voor iedereen. En dat kan zijn wat de Bijbel van ons vraagt.

Dat hoeft nog lang niet bereikt te zijn, want is er vrede voor alle mensen? Is geweld over de hele aarde uitgebannen en spannen we ons daarvoor in? Elke dag horen we van oorlogen en zien we geweld in de wereld.

En de welvaart, wordt die met iedereen gedeeld? Nog steeds heerst er honger, nog steeds horen we van een voedselcrisis, nog steeds is Fair Trade als organisatie nodig omdat het niet vanzelfsprekend is dat mensen die producten verbouwen daar ook een eerlijke prijs voor betaald krijgen. Nog steeds houden rijken de armen arm en streven er naar zelf rijker te worden. En is onze samenleving een samenleving voor iedereen? In onze samenleving mag de één wel meedoen en de ander niet. Er worden in onze samenleving mensen aan de kant gezet en buitengesloten, gehandicapten, chronisch zieken, ouderen, vreemdelingen, weduwen en wezen. Niet werken aan het welzijn van de broeders en zusters van Jezus van Nazareth, de minsten op onze aarde, kan betekenen dat we zelf buitengesloten worden als het einde der tijden aanbreekt.

Het gedeelte uit het Evangelie naar Matteüs dat we vandaag lezen sluit met een klein gelijkenisje. Het staat er zelfs niet in de vorm van een verhaaltje, zoals de meeste gelijkenissen die door Jezus van Nazareth werden gegeven, maar als een vraag en antwoord spel. Wie van ons wil dan niet de verstandige dienaar zijn. Velen van ons voelen zich door God geroepen. Nog meer mensen willen best het goede doen. Wie zou nu niet het huispersoneel van God op tijd te eten willen geven. Daarmee worden overigens niet de dominees en pastoors bedoeld die je in kerken kunt vinden. Ook niet de evangelisten die daarbuiten groepen mensen leiden en proberen de Bijbel te verkondigen.

Dat huispersoneel zijn onze collega dienaren, dus eigenlijk alle mensen op de hele wereld. Alle mensen op de hele wereld worden immers opgeroepen mee te werken aan houden van je naaste als van jezelf. Zorgen dat alle mensen op de wereld te eten hebben is dus onze eerste taak. Daarvoor zijn wij op aarde. En krijgen alle mensen op de wereld te eten? Nee dus, we hebben zelfs een voedselcrisis. En wie wil nu een hebbert en graaiert zijn?, Komende week vieren we het feest van Sint Nicolaas, die aan iedereen uitdeelt, neem hem als voorbeeld, deel met wie het nodig hebben, juist in deze dagen.

Eerlijk zullen we alles delen is het begin van die nieuwe aarde waar de richtlijnen voor de menselijke samenleving van God als vanzelfsprekend zijn. Iedere morgen als je op staat mag je bedenken dat je er opnieuw mee mag beginnen. Tot dat hij komt.

Amen