Feeds:
Berichten
Reacties

Lezen: Jesaja 11:1-10

Matteüs 3:1-12

Gemeente,

Een prachtig lied zingen we vandaag mee met de profeet Jesaja op deze tweede zondag in de advent. Nog mooier wordt dat lied als we bedenken dat volken vaak worden aangeduid met een dier. Welk volk met welk dier hier aangeduid wordt is verloren gegaan in het duister van de geschiedenis, maar dat is ook niet zo erg want het gaat ook vandaag in dit lied om de toekomst van onze wereld. Dan zingen we dus dat het ene volk samenwerkt met het andere, dat het ene volk samen deelt met het andere, dat twee volken samen hun kinderen weten op te voeden. Dat angst voor andere volken, voor mensen die er anders uitzien, zich anders kleden en andere opvattingen hebben geen rol meer speelt in het samen leven en samen delen op deze aarde. Niemand doet immers kwaad, niemand sticht onheil. De hele aarde wordt in het lied van Jesaja de Tempelberg waar de Wet van Heb-Uw-Naaste-Lief-Als-Uzelf geldt. Die Wet bedekt de aarde, zingt het lied, zoals het water de bodem van de zee bedekt.

Op die dag zal de Koning van de Vrede, de telg van Isaï als een vaandel voor alle volken staan. Een droom die in de geschiedenis diepe indruk heeft gemaakt. Keizer Constantijn maakte van die indruk gebruik door in de beslissende slag zijn soldaten te inspireren door het kruis als vaandel te gebruiken. De koning van de vrede, de heer van de wereld, Jezus van Nazareth, had volgens de Christelijke soldaten zijn koningschap eerst echt verworven aan het Kruis van Golgotha. Het Romeinse Rijk, de wereld van Jezus van Nazareth, was daarna onder de staatsgodsdienst van Constantijn gekomen die geloofde dat daarmee de wereld onder het vaandel was gekomen dat hier door Jesaja wordt bezongen. Maar zo is het natuurlijk niet. Met de overwinning van Keizer Constantijn was het kwaad niet uit de wereld verdwenen. Ook na de overwinning van Constantijn bleven er volken over die strijd voerden, die een oorlog begonnen omdat ze zich beter vonden dan een ander volk, omdat ze rijker wilden worden ten koste van andere volken, omdat ze hun belangen zwaarder lieten wegen dan de belangen van volken die zwakker waren dan zijzelf.

Als we het lied over de vrede van de dieren zingen in onze wereld dan merken we ook dat de wereld die Jesaja hier bezingt er nog lang niet is. De demonstranten die van de wereld uit dit lied droomden bij de grote milieuconferentie in Parijs zien dat verschillen in opvattingen tussen landen die niets met het klimaat van doen hadden de conferentie toen deden mislukken, omdat eigenbelang voorop stond, omdat de bereidheid om werkelijk met de zwaksten te delen eigenlijk afwezig was, omdat de kinderen van elkaar groot willen brengen toen nog een ver en onbereikbaar ideaal scheen. De kinderen verzamelen zich over de hele wereld nu maar zelf voor het behoud van de aarde als een leefbaar oord. Voordat een vaandel als Jezus van Nazareth, de leer van vrede en zorg voor de armen die hij ons heeft nagelaten, als water in de zee de hele aarde bedekt zal er nog veel werk moeten worden verricht. Dat werk begint bij ieder van ons. Ieder zal zelf de zorg moeten dragen voor de minsten, ieder zal daarbij anderen moeten meenemen, ieder zal daarbij volken moeten oproepen. Er is een nieuw klimaatverdrag dat echt verbetering lijkt te brengen. Misschien dat dan die nieuwe aarde die zo hemels zal zijn toch zal komen, morgen begint het.

Johannes roept in de woestijn: Maak de weg van de Heer gereed, hij volgt daarin Jesaja.Na de kruisiging van Jezus van Nazareth en de avonturen met de opstanding en de uitstorting van de Heilige Geest noemden de volgelingen van Jezus zich “Mensen van de Weg”. Dat ze Christenen genoemd zouden worden kwam pas veel en veel later. Jezus van Nazareth had zichzelf de Weg genoemd. De Weg naar de betere wereld die vanouds was beloofd. Het land overvloeiende van melk en honing waar het volk Israel een blijvende vrede zou vinden en waar alle volken zich naar zouden wenden om te delen in die vrede.

Het verhaal van die Weg begint in het boek naar Matteüs aan de Jordaan. Daar waar het volk Israel uit de Woestijn was gekomen om dat beloofde land binnen te trekken had Johannes een plaats gevonden om ze op te roepen de Weg klaar te maken door de paden recht te maken. De oproep was een citaat uit het boek van de profeet Jesaja. In dat boek staat de Wet van de Liefde centraal, de Wet van delen en houden van je naaste als van jezelf. Johannes roept dus op om voortaan volgens die richtlijn te gaan leven, je door die richtlijn de juiste richting op te laten sturen.

Er waren in de tijd van Johannes veel van die profeten die de mensen opriepen om terug te keren naar de bronnen van het volk Israel. Het volk leefde onder een drukkende bezetting. Overal op aarde waren de Romeinen de baas en de Romeinse Keizers werden vereerd als goden. Verschillende soorten verzet werd er gepreekt. Er waren mensen die geweld predikten, rond het jaar 70 zou dat leiden tot een gewapende opstand. Er waren ook mensen die zich van de wereld afzonderden en in de woestijn gesloten gemeenschappen hadden gesticht, we kennen daar nu nog de Essenen van, hun gemeenschappen zijn bij opgravingen blootgelegd.

Johannes volgde een andere weg. Als iedereen ging leven volgens de regel van heb je naaste lief als jezelf dan veranderd de wereld vanzelf. Hij sloot daarbij aan bij de profeten van Israel die al hadden betoogd dat gewapend verzet tegen wereldmachten niet zoveel zin had en dat afzondering ook niet kon omdat uiteindelijk alle volken zich naar Jeruzalem zouden moeten keren. Als teken van vernieuwing gebruikte Johannes de doop in de Jordaan, door de Jordaan bereik je dat nieuwe beloofde land, je moet als het ware doodgaan in het water om een nieuw leven te kunnen beginnen.

Maar het was geen mode, geen hype waar je uit fatsoen niet omheen zou kunnen. De mensen van het uiterlijk vertoon waren daarom niet welkom. De mensen die compromissen hadden gesloten met de bezetter om hun eigen belang veilig te stellen hoorden er niet bij. Van dat nieuwe leven, van de inzet voor de minsten moet wat te zien zijn. Vrucht moet het nieuwe leven dragen. Om die vruchten gaat het ook vandaag nog. En die vruchten kunnen we voortbrengen, vanaf vandaag als we dat willen.

Daar om zien we in de advent niet om naar het verleden maar vooruit naar de toekomst. De toekomst die een wereld zal brengen waar alle leed geleden zal zijn en alle strijd gestreden zal zijn. De toekomst die Jesaja ons voorhoudt en de toekomst waartoe Johannes oproept er aan te gaan werken. Dat werken zal moeten blijven, bergen afbreken en dalen opvullen is zwaar werk. Maar de beloning is er des te groter door. Met kerst herdenken we hoe de komst van die nieuwe wereld concreet gestalte kreeg. Aan ons om dat licht nu al een beetje te zien en aan de slag te gaan. Totdat hij komt.

Amen.

Lezen: Jesaja 2:1-5

              Matteüs 24: 32-44

Gemeente,

De advent is de periode waarin we uitkijken naar de nieuwe hemel en en de nieuwe aarde. Met de komst daarvan wordt straks met kerst een begin gemaakt. Nu nog zijn we in rouw om het lijden in de wereld, vandaar de paarse kleur in de liturgie. Maar we mogen ons indenken hoe het zal zijn in die nieuwe wereld waar we overigens elke dag aan mogen beginnen. Jesaja schetst al een samenleving die we vandaag wel zouden willen.

Want het zal toch eens moeten gebeuren. Dat geen mens meer zal weten wat oorlog is. Dat is toch een geweldige droom. Een nachtmerrie misschien voor de wapenindustrie maar een droom voor alle mensen die van mensen houden, die kiezen voor het leven. We lijken er nog ver van af te zijn. Misschien dat we wat minder oorlogen tussen volken zien. Het zijn coalities die tegen een enkel land optrekken dat zich al te ver verwijderd van de internationale rechtsorde. Het zijn de Verenigde Naties die als een internationale politiemacht staten en volken tot de orde kan roepen. We weten natuurlijk dat alleen in het verband van de Verenigde Naties, alleen als we allemaal op de hele wereld echt samen aan vrede en rechtvaardigheid willen werken, echt vrede en recht gebracht kan worden. Regeringen die buiten de VN oorlogen beginnen brengen uiteindelijk de vrede verder in gevaar.

Telkens weer doemen nieuwe bedreigingen op of denken we nieuwe bedreigingen te zien. Telkens horen we van bedreigingen door de Taliban. Die hebben hun schuilplaats in Pakistan en ook dat land is niet direct bekend als een land van recht en vrede. Maar aan Pakistan mogen we niet komen. Ook in Irak groeien recht en vrede maar langzaam en ten koste van veel mensenlevens, en dankzij of ondanks de bombardementen. Dan is er Afrika waar overal gevochten lijkt te worden om macht en grondstoffen, om rijkdom ten koste van mensen. En Al Gore, die ooit de Nobelprijs voor de vrede kreeg, waarschuwde dat de klimaatveranderingen die we veroorzaken nieuwe oorlogen gaan brengen.

We lijken nooit te leren dat de richtlijnen voor eerlijk delen, ook tussen de volken, die op de Tempelberg in Jeruzalem werden bewaard en door Jezus van Nazareth toegankelijk werden voor de hele wereld het uitgangspunt moeten zijn en worden voor het verkeer tussen volken en mensen. Daarom hoort bij dit visioen dat er recht gesproken wordt op grond van die richtlijnen. Dan pas kunnen de zwaarden omgesmeed worden tot ploegscharen en de speren tot snoeimessen.

In onze dagen zal dat niet gebeuren door legers af te schaffen en militairen naar huis te sturen. Maar we kunnen een begin maken door onze soldaten en hun wapens in dienst te stellen van de Verenigde Naties, en alleen van de Verenigde Naties. Nu oefenen onze soldaten nog om anderen gerust te stellen tegen geweld uit Rusland. Een poging om echt vrede te scheppen in Europa en alle angst weg te nemen is er niet bij. We geven al wel onderdak aan het Internationale Hof van Justitie en aan het Strafhof van de Verenigde Naties. Machtige landen, als Amerika, willen die gerechtshoven nog wel eens ontkennen en de vonnissen aan hun laars lappen.

Het is aan een klein, maar rijk, land als het onze om juist bij voortduring op het belang van het recht te blijven hameren, juist in het belang van de vrede. Het recht op vrede behoort tot de mensenrechten die elk jaar op dezelfde dag worden herdacht als de Nobelprijs voor de vrede wordt uitgereikt. Tien december zal het weer gebeuren. Mensenrechten en vrede zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, ook in het visioen van Jesaja.

Het is duidelijk dat we niet weten wanneer het einde der tijden daar is, wanneer die nieuwe hemel en die nieuwe aarde klaar zijn. We weten dat het komt, dat alle ellende voorbij zal zijn, dat we een wereld krijgen waar vrede en recht heerst, een wereld waar alle tranen gedroogd zijn. En tot die tijd? Wat moeten we er mee? Gewoon doorgaan met leven, zo van we zien wel? Natuurlijk niet. Een ouderwets woord hiervoor is “Godsdienstoefening” Zoals je oefent voor de schooluitvoering, een sportwedstrijd, de speech op een bruiloft of jubileumfeest kunnen we ook oefenen voor de nieuwe wereld van God. Jezus van Nazareth zegt zelfs ergens dat we alvast maar moeten leven alsof die nieuwe wereld er al is. We moeten waakzaam zijn staat er.

Jezus van Nazareth vergelijkt de tijd waarin we leven met de tijd van Noach, nog voor de zondvloed.Ook toen sloeg niemand acht op de naderende ramp die bijna al het leven op aarde zou uitwissen. Zijn we nu anders aan het leven dan in de tijd van Noach? Misschien wel misschien niet. Oordelen over wat anderen doen is niet eenvoudig. Natuurlijk als je je overgeeft aan het najagen van winst en genot dan is het gemakkelijk, dat is niet wat de Bijbel van mensen vraagt, dat was wat de mensen in de dagen van Noach deden staat hier. Maar in onze dagen zijn veel mensen met de samenleving bezig. Ze proberen de samenleving zo in te richten dat vrede heerst en welvaart voor iedereen. En dat kan zijn wat de Bijbel van ons vraagt.

Dat hoeft nog lang niet bereikt te zijn, want is er vrede voor alle mensen? Is geweld over de hele aarde uitgebannen en spannen we ons daarvoor in? Elke dag horen we van oorlogen en zien we geweld in de wereld.

En de welvaart, wordt die met iedereen gedeeld? Nog steeds heerst er honger, nog steeds horen we van een voedselcrisis, nog steeds is Fair Trade als organisatie nodig omdat het niet vanzelfsprekend is dat mensen die producten verbouwen daar ook een eerlijke prijs voor betaald krijgen. Nog steeds houden rijken de armen arm en streven er naar zelf rijker te worden. En is onze samenleving een samenleving voor iedereen? In onze samenleving mag de één wel meedoen en de ander niet. Er worden in onze samenleving mensen aan de kant gezet en buitengesloten, gehandicapten, chronisch zieken, ouderen, vreemdelingen, weduwen en wezen. Niet werken aan het welzijn van de broeders en zusters van Jezus van Nazareth, de minsten op onze aarde, kan betekenen dat we zelf buitengesloten worden als het einde der tijden aanbreekt.

Het gedeelte uit het Evangelie naar Matteüs dat we vandaag lezen sluit met een klein gelijkenisje. Het staat er zelfs niet in de vorm van een verhaaltje, zoals de meeste gelijkenissen die door Jezus van Nazareth werden gegeven, maar als een vraag en antwoord spel. Wie van ons wil dan niet de verstandige dienaar zijn. Velen van ons voelen zich door God geroepen. Nog meer mensen willen best het goede doen. Wie zou nu niet het huispersoneel van God op tijd te eten willen geven. Daarmee worden overigens niet de dominees en pastoors bedoeld die je in kerken kunt vinden. Ook niet de evangelisten die daarbuiten groepen mensen leiden en proberen de Bijbel te verkondigen.

Dat huispersoneel zijn onze collega dienaren, dus eigenlijk alle mensen op de hele wereld. Alle mensen op de hele wereld worden immers opgeroepen mee te werken aan houden van je naaste als van jezelf. Zorgen dat alle mensen op de wereld te eten hebben is dus onze eerste taak. Daarvoor zijn wij op aarde. En krijgen alle mensen op de wereld te eten? Nee dus, we hebben zelfs een voedselcrisis. En wie wil nu een hebbert en graaiert zijn?, Komende week vieren we het feest van Sint Nicolaas, die aan iedereen uitdeelt, neem hem als voorbeeld, deel met wie het nodig hebben, juist in deze dagen.

Eerlijk zullen we alles delen is het begin van die nieuwe aarde waar de richtlijnen voor de menselijke samenleving van God als vanzelfsprekend zijn. Iedere morgen als je op staat mag je bedenken dat je er opnieuw mee mag beginnen. Tot dat hij komt.

Amen

Lezen: Maleachi 3: 19-24

             Lucas 21: 5-19

Gemeente

Vandaag viert de kerk een soort oudejaarsdag. Het kerkelijk jaar loopt van de eerste advent tot de zondag voor de advent, vandaag dus. Volgende week is de eerste zondag in het nieuwe kerkelijk jaar. Op die laatste dag van het kerkelijk jaar herdenken we hen die ons ontvallen zijn. Dat is geen droevige dag maar een hoopvolle dag. Lucas zegt in zijn Evangelie dat Jezus er de nadruk oplegde dat de God van Israël geen God van doden is maar een God van levenden. Toch bevelen wij de overledenen aan in de handen van God. De Prediker zegt ons dat de adem waarmee God het leven heeft gegeven weer terugkeert naar de boezem van God. Zo mogen wij door te herdenken onze overledenen levend houden. Pas als er niemand meer is die ze zich herinnert zijn ze dood zegt een Joods spreekwoord.

De profetie die we vandaag gelezen hebben is een hoopgevende boodschap. De profetie heeft de naam Maleachi gekregen, dat betekent boodschapper en het is maar de vraag of het een eigen naam is. Maar omdat deze boodschap in onze traditie aan het einde van de Hebreeuwse Bijbel is geplaatst, eindigt ook het Oude Testament met een hoopgevende boodschap. Onrecht zal niet eeuwig duren, conflicten duren niet voor altijd. Er komt altijd een dag waarop het onrecht over zal zijn, er komt altijd een dag dat partijen verzoend worden en conflicten over zijn. Ooit zal ons verdriet om het verlies van geliefden niet meer nodig zijn.

En zoals de zon elke dag opkomt werd ook zij een teken van hoop, hoop voor al die slachtoffers van onrecht. Zoals Nelson Mandela de gevangenis in Zuid Afrika verliet om president van zijn land te worden en een geweldloze overgang van Apartheid naar democratie te leiden, zo mogen de armen in de hele wereld hoop hebben op de dag die zeker zal komen dat gerechtigheid zal gedaan worden en onderdrukking en onrecht verdwijnen.

Vrees niet voor de macht van de wettelozen, zegt de profetie, want ze zullen vertrapt worden, sterker nog ze zijn het stof onder de voeten van de ontrechten. Het enige wat gedaan moet worden is volhouden met eerlijk delen, met zorgen voor elkaar als voor jezelf, dat is immers de kern van de richtlijnen die ooit midden in de woestijn op de berg Horeb aan het volk werden gegeven. Wees niet bang voor generatieconflicten die onderdrukten onderdrukt houden, het ongeduld van de jeugd doorkruist nogal eens het behoedzame pad dat ouderen willen bewandelen.

Altijd zal er iemand zijn die als een Elia de leiding neemt en de ontrechten tot een eenheid smeed en er voor zorgt dat die eenheid zo sterk is dat het onrecht verdwijnt. Een blijvende generatiekloof betekent immers vernietiging van ook het zwakste. Zo sluit de lezing van deze profetie af. Een profetie die de waarheid laat schijnen over idealisten die een Tempel bouwden maar vergaten een volk te vormen. Godsdienst zonder maaltijd te houden met de armen, de tempeldienaars, je eigen familie en de vreemdelingen die in je midden zijn is geen Godsdienst. Maar er zal een dag komen dat iedereen op de hele wereld een plaats aan de tafel van God krijgt, die dag zal komen, brandend als een oven.

Er zijn in het Christendom een aantal misverstanden. Vandaag lezen we in het Evangelie van Lucas de bron van zo’n misverstand. Uit de overlevering, en een beetje uit de officiële geschiedenis, weten we dat het met de directe volgelingen van Jezus van Nazareth uiteindelijk niet zo best is afgelopen. Een aantal van hen zijn kennelijk wreed vermoord door de Romeinse overheid. Een aantal eeuwen lang in het begin van onze jaartelling zijn christenen vervolgd omdat ze weigerden de Keizer als god te erkennen en ook omdat zij weigerden offers te brengen aan andere goden. Tot uiteindelijk Constantijn de Grote keizer werd en zich bekeerde tot het Christendom. Toen was de vervolging over en ontstond het misverstand dat wat Jezus van Nazareth had gezegd over de gevolgen van het volgen van zijn weg alleen gold voor die vroege christenen.

Maar wie nauwkeurig de geschiedenis beziet weet dat er altijd mensen zijn geweest die hun leven in dienst stelden van de minsten in de samenleving en dat die mensen altijd het risico liepen in conflict te komen met de heersende machten. Of die heersende machten zich nu Christelijk noemden of niet. Tot op de dag van vandaag maakt dat niet uit. Wat uitmaakt is of de liefde voor de naaste een gift is waar je trots op kunt zijn en waar je eer en waardigheid aan kunt ontlenen of dat die liefde voor de naaste de samenleving veranderd omdat de minsten daar weer een waardevolle plaats in krijgen. In het eerste geval is er geen gevaar te duchten. De rijken en de machtigen zijn altijd gevoelig voor goede sier, maar verandering van de verhoudingen in de samenleving zijn echt gevaarlijk voor hun positie en daar zal altijd weerstand tegen zijn. Dat verzet van de rijken nu is de weerstand die uitloopt op de vervolgingen die Jezus van Nazareth schetst als hij hoort praten over de mooie dingen die er in de Tempel zijn.

Die mooie dingen zijn de dingen die voorbij gaan. Geen steen zal op de andere blijven. De oudste monumenten op de wereld zijn aan verval onderhevig. Als er geen conserveringsmiddelen werden uitgevonden zouden ze binnenkort verdwenen zijn. Een aantal van de oorspronkelijke zeven wereldwonderen, allemaal bouwwerken, zijn al verdwenen in het duister van de tijd. Oorlogen en rampen hebben we ook nog steeds en goede mensen worden nog steeds vervolgd omwille van het goede dat ze doen. En denk nu niet dat je alleen bij Christenen het goede vindt. Paulus schrijft ons dat overal waar het goede te vinden is God aanwezig is. Iedereen die opkomt voor het recht van de armen, voor de mensenrechten is dus onze steun waard. Elke vervolging omwille van een overtuiging, welke dan ook, dient bestreden te worden. Elke dag is dus de vraag aan welke kant we willen staan en welke offers we bereid zijn om te brengen. Denk dus niet dat Christendom “geluk, vrede en vreugde” zal brengen, niets is minder waar. Het brengt strijd en een kruis om op je te nemen, achter Christus aan.

Maar ook liefde blijft bestaan. De liefde voor hen die overleden zijn is een liefde die we kennen uit de liefde van God. Dat is de liefde voor de wereld die bleek bij de opstanding uit de doden, die blijkt uit de liefde van ons die ons brengt tot gedenken. Daarom doven we niet een licht als teken van rouw, maar ontsteken we een licht als teken van liefde en als vertrouwen op een God die nooit laat varen het werk dat zijn hand begon.

Ook al geeft het leven ons verdriet en tegenslag. Zijn ook wij om slachtoffer van overheden, ongelukken en onverwachte ziekten. Ook wij mogen rekenen en hopen op de dag dat het allemaal voorbij zal zijn. De dag dat alle leed geleden is en alle strijd gestreden is. Daarmee mogen we vandaag beginnen. Daarmee mogen we gedenken om met hoop in het hart volgende week de advent in te gaan.

Amen

Lezen: Exodus 3:1-15

Lucas 20: 27-38

Gemeente,

“Dit zijn de namen”, zo begint het boek dat wij Exodus noemen, maar dat in het Hebreeuws dus “de namen” heet. In het gedeelte dat we vandaag lezen krijgt de God van Israël eindelijk een naam. Die naam wordt nooit uitgesproken. Niet omdat die naam geheim is maar omdat die naam voor mensen zo geweldig is dat je siddert bij de gedachte er aan alleen al. Die naam heeft namelijk een bijzondere betekenis en die betekenis wordt in het gedeelte van vandaag al zichtbaar. Alleereerst heeft die God een verbond gesloten, met Abraham, met Isaäk en met Jakob. De Nieuwe Bijbelvertaling laat die laatste twee keer “met” weg, maar God heeft zowel met Abraham als met Isaäk en met Jakob telkens een nieuw verbond gesloten. Telkens wel dat het land Kanaän een land zou worden van een groot volk dat zou afstammen van Abraham en van Isaaäk en van Jakob. Die belofte was er niet zomaar, dat verbond hield verplichtingen in, wederzijdse verplichtingen en daarom hoorde die God ook de jammerkreten van dat volk en trok die God hun lot aan.

En dan? Schieten er bliksemschichten van omhoog om de Farao en zijn volk te vernietigen? Komt er een engelenleger om tegen het leger van Egypte te vechten? Nee, zo werkt de God van Israël niet! Bevrijding van ellende gaat niet op gebed of op jammerkreten maar gaat door het werk van mensen. Mozes in dit geval. Die zag een boodschapper in een vuur dat uit een doornstruik ontvlamde op de berg van die God, een struik die brandde maar niet verteerde. Geleerden zeggen dat het een soort struik is die, als die bloeit, de indruk wekt in brand te staan. Zo’n struik groeit in de woestijn. Maar Mozes ziet er een boodschap van zijn God in. Dit is heilige grond, daar bloeien planten in de woestijn. Zou zo het volk Israël kunnen bloeien? Was er niet een land beloofd waar ze net zo konden bloeien als al die andere volken buiten Egypte? Zou er niet een land zijn overvloeiende van melk en honing? Zou je dan niet de hulp van die God kunnen krijgen als je naar de Farao gaat om de vrijheid voor dat volk te verkrijgen? Dat zou het moeten zijn. Als je de God van dat volk zelfs achter in de woestijn kunt ontmoeten, want achter de woestijn ligt immers dat beloofde land. Wat is dat voor een God die zegt geen naam maar een boodschap te hebben: “Ik zal er zijn zoals ik er zijn zal” De God die er was voor Abraham, die er was voor Izaaäk. die er was voor Jakob, die er voor elk van hen was zoals hij er voor hen wilde zijn, die er voor Mozes was zoals hij er voor hem wilde zijn, die er voor zijn volk wilde zijn zoals hij voor dat volk wilde zijn, die er voor elk van ons is zoals hij voor elk van ons wil zijn.

En zeg nu niet dat de God van een ander, de God die met die ander meegaat, een andere God is dan de God die er voor jou is, die met jou meetrekt. Samen kun je die God aanbidden, door er voor elkaar te zijn, door elkaar te bevrijden van angst voor elkaar, elkaar te bevrijden van slavernij en dat wat je vasthoudt en weg van elkaar. Die God stuurt elk van ons op weg, dezelfde weg die Mozes moet gaan, maar elk van ons met een verschillende opdracht. Want voor elk van ons is die God de God die met ons meetrekt omdat hij het geroep van zijn kinderen heeft gehoord, omdat hij hen een wereld beloofd heeft waar alle tranen gedroogd zijn. Daarom hoeven wij niet meer de naam van die God te noemen: we moeten voor hem op weg gaan.

Er is dan een vraag die we ons vaak stellen. Wie ben ik dat ik mijn mond open kan doen of wie ben ik dat ik deze taak op mij kan nemen. Het kan een eerlijk aangeven van je grenzen zijn maar ook een smoes geboren uit angst. Dat laatste kan fataal zijn. Als niemand zijn stem verheft tegen onrecht dan heerst het onrecht over iedereen. Als niemand opstaat tegen het kwade dan heerst het kwade over iedereen. En we doen het zo gemakkelijk. Als Moslims worden beledigd omdat hun Islam voor achterlijk wordt uitgemaakt dan zwijgen we want we zijn toch geen Moslims en hangen de Islam niet aan. Als homo’s worden gepest dan gaan we een straatje om, want we zijn toch geen homo’s en als we dat wel zijn kijken we helemaal wel uit want het geweld zou ons ook eens kunnen overkomen. Als zwervers worden weggejaagd dan kijken we een andere kant op want we zijn geen zwervers en we konden hun stank ook al niet verdragen. Zo kunnen we natuurlijk nog een tijdje doorgaan. Maar als jouw opvattingen voor achterlijk worden uitgemaakt, als jezelf wordt gepest, als je zelf ergens wordt weggejaagd, als het jou allemaal overkomt, wie staat er dan voor jou op?

Mozes was opgevoed als een prins van Egypte maar had moeten vluchten omdat hij een moordenaar was geworden. Nu hij doorkrijgt hoe het goede voor zijn volk gedaan zou moeten worden bekruipt hem dezelfde angst. Hij maakt kennis met een God die meegaat in het goede. Die meeging toen Abraham zijn land uit trok, die meetrok met Izaäk in Kanaän, die meeging met Jacob toen die naar Laban ging, die met Jozef was in Egypte. Die God belooft ook met ons mee te gaan in het goede. Wij noemen dat de Heilige Geest die in ons zal zijn als wij het goede doen en niet dan het goede, ja zonder die Geest zouden we het goede niet eens kunnen doen. Met die boodschap wordt Mozes naar de Farao gestuurd en naar zijn eigen volk. Beiden moeten de God van Israël leren kennen. Hier klinkt bij het voorlezen niet de naam van God,” Ik zal er zijn “, of de vier letters waarmee die naam wordt geschreven: JHWH, maar gesproken wordt van de Heer. Een politieke belijdenis. Want niet de Farao is de Heer van de wereld, maar de God van Israël, niet Mozes is de Heer van de Hebreeën, maar de God van Israël.

Zo is voor gelovigen in de God van Israël ook in onze dagen geen mens Heer over andere mensen. Ieder mens heeft een eigen taak en bij het uitvoeren van die taak mogen we allemaal hopen dat de Geest van de God van Israël met die mens is, dan kan die mens het goede doen bij het uitvoeren van de taak die die mens gegeven is, maar wie het kwade doet zal daar door iedereen op aangesproken en tegengesproken moeten worden, want het kwade zal niet mogen heersen op aarde. Zo wil volgens dit verhaal deze God gedacht worden. Hier wordt gesproken van aangeroepen, maar letterlijk staat er “dit is mijn gedachtenis van geslacht op geslacht”, dat betekent dat er telkens mensen geroepen worden om te gaan naar mensen in nood. Dat betekent voor ons dus dat wij ons geroepen mogen weten als we ons wenden tot mensen die in nood zijn, als we opstaan tegen het onrecht, als we spreken voor mensen die sprakeloos gemaakt zijn. Elke dag kan dat opnieuw, dat blijkt ook uit het gedeelte dat we vandaag uit het Evangelie hebben gelezen.

Er waren in de dagen van Jezus van Nazareth twee stromingen in Israel. De Farizeeën geloofden in de opstanding van de doden en de Sadduceeën niet. Jezus van Nazareth was in zijn opvattingen het meest verwant aan de Farizeeën, hij sprak ook met enige regelmaat in hun Synagogen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Sadduceeën probeerden de opvattingen van Jezus van Nazareth over de opstanding der doden onderuit te halen. Dat kan door er de nodige fantasieën op los te laten op die zich niets zeggen over God zelf. Hoe gaat dat nu als iedereen opstaat uit de doden? Zien we elkaar dan weer? En met wie zijn we dan getrouwd als we bij leven met meerdere mensen getrouwd waren? Er zijn op deze manier vele vragen te stellen. Jezus van Nazareth geeft wel antwoord maar gaat niet precies uitleggen hoe de techniek van de opstanding er uit zal gaan zien. Het enige dat vaststaat is dat er een komende wereld is, de wereld waarin alle tranen gedroogd zullen zijn en God zelf op aarde zal wonen.

Er komt een wereld waar de Liefde zal regeren en waar alle kwaad verdreven zal zijn. Al die mensen die het goede zochten te doen en niets dan het goede zullen daar deel aan hebben. Als Jezus dat heeft uitgelegd volgt er een merkwaardige opmerking. Hij verwijst naar de passage in het oude testament waarin God zich voorstelt aan Mozes, “Ik ben de God van Abraham, Izaäk en Jacob”, de God dus van de geschiedenis van het volk Israel. Die Abraham, Izaäk en Jacob zijn volgens Jezus van Nazareth dus geen dode pieren uit een vervlogen historie maar levende getuigen van de macht van de God die zich aan Mozes voorstelt. Er zijn mensen die menen dat de woorden van Jezus over de vraag waar de doden blijven nadat ze gestorven zijn. Maar als Jezus over Abraham, Izaäk en Jacob spreekt als levende getuigen dan gebeurt er iets anders.

Dan wordt de komende wereld waar Jezus over spreekt niet een wereld die er ooit wel eens zal komen, maar een wereld die er nu al is. Deze God die zich aan Mozes voorstelde was toch immers een God “die mee zal trekken”, en zo zelfs wilde heten. Daarmee is de vraag naar de opstanding van de doden, en alle vragen die daarmee samenhangen, van geen waarde meer voor mensen.

De vraag is of er al iets van de komende wereld in ons leven te bespeuren is. Worden alle tranen gewist en zijn wij daar dag in dag uit mee bezig? Worden de hongerigen gevoed en de naakten gekleed? Worden de gevangenen bezocht? Wordt de vrede gesticht? Net als bij de vragen naar het bestaan van God en naar de plaats van hemel kom je in de Bijbel telkens weer uit bij de vraag hoe mensen met elkaar omgaan. In het antwoord op die vraag is het antwoord op de vraag naar God te vinden. Dat antwoord is zelfs niet te vinden in een zogenaamde persoonlijke relatie met een god. Altijd vraagt deze God naar je relatie met de minsten onder ons, vanwege die vraag ,die God voortdurend stelt, is onze God meer dan nodig. Als God zich niet op die manier aan Mozes had geopenbaard moesten wij hem vandaag nog uitvinden.

En als wij er op vertrouwen dat die God bij ons is als wij het goede willen doen dan mogen wij er ook op vertrouwen dat de beloften van die God ook zullen uitkomen. Abraham heeft nooit gezien dat hij de vader is van vele volken, Izaäk heeft nooit gezien hoe het werk van die God doorging en Jacob heeft nooit gezien dat zijn nakomelingen mochten wonen in het land Kanaän. Wij zullen de nieuwe wereld, de aarde waar de hemel zich zal vestigen en alle tranen gedroogd zullen zijn misschien niet zelf zien. Maar komen zal die wereld en als men ons vraagt op grond waarvan wij dat zo zeker weten dan kunnen we antwoorden dat we dat weten van de God die bij ons zal zijn en nooit zal laten varen het werk dat die God begon.

Amen.

Vandaag hoorden we het beroemde begin van het verhaal over Abram. Een God inspireerde hem om verder te trekken dan zijn vader en de rest van zijn familie ooit hadden gedaan. Die waren al van Ur naar Charan getrokken maar Abram met zijn vrouw en gevolg trok verder naar het voor hen kennelijk onbekende Kanaän in de overtuiging dat het ergens goed voor was. Want zeg nou zelf wat heb je er aan als je beloofd wordt dat alle volken ooit jaloers op je zullen worden. Hoe God tot Abram sprak blijft onbekend. Ook hoe de godsdienst van Abram er eigenlijk uitzag. Bedenk wel, de 10 woorden, die het volk Israel in de woestijn op gang dreef naar het beloofde land, waren er nog niet, ook de Heilige Tent en alles wat daarbij hoort was er niet. Abram bouwde wel altaren voor God maar wat hij daar op offerde blijft ook onbekend en of die nieuwe God die hem voortdreef daar eigenlijk wel van gediend was blijft ook in het verborgene.

Het enige dat we weten is dat Abram naar een nieuw land trok en daar een beetje ging rond trekken. Zoiets als de Batavieren die ooit de Rijn af kwamen zakken en hier de Kaninefaten tegen kwamen maar desalniettemin onze voorouders werden. Wij lezen dit verhaal met de kennis die we achteraf gekregen hebben. Wij weten wel van de richtlijnen die de God van Israël in de Woestijn aan het volk had gegeven en hoe die in de Tempel in Jeruzalem werd bewaard en hoe de wereld uiteindelijk zal moeten leren dat alle volken zich naar Jeruzalem moeten keren. Hier is het begin. Er op uit trekken om op een andere manier te gaan leven. Als een bron van alle goeds, want dat is een zegen zijn toch. Ophouden met de manier van leven die in de wereld gewoon is.

Voor de ballingen in Babel die het verhaal later aan elkaar vertelden was dat Ur der Chaldeeën een bekende plek. Daar waren zij in ballingschap. En het leven daar was ook bekend, er waren vele goden die je voortdurend in leven moest houden met je offers om voorspoed en gezondheid te krijgen. Daar was Abram uit weggetrokken.

Zoals dezer dagen mensen er op uittrekken om ingrijpen in de verschrikkingen in het Midden Oosten te vragen, hun werk stoppen om op Griekse eilanden vluchtelingen uit de Middellandse zee te vissen, zoals ook in onze dagen jonge mensen hun carriére op een zacht pitje zetten om in een arm land voor weeskinderen te gaan zorgen, om landbouw op moderne leest te schoeien, om huizenbouw mogelijk te maken, kortom om de kennis van onze rijke samenleving over te dragen op de armsten in de wereld die juist op die kennis zitten te wachten. Waar dat op uitloopt weten ze niet maar in Amerika en in Den Haag en elders op de wereld lopen mensen de deur bij de heersers van de wereld plat om te pleiten voor de vluchtelingen en slachtoffers van armoede. Dat is nieuw, soldaten vragen aan landen om in te grijpen in een oorlog. De Verenigde Naties van de wereld hebben inderdaad samen besloten de armoede de wereld uit te helpen. Een nieuw begin. Nou maar hopen dat ze niet alleen  worden gehoord maar dat ze er ook wat aan gaan doen.

Het verhaal van Abram wordt vandaag niet voor niets verteltd. We zullen het een heel jaar met ons mee moeten dragen. Een scheiding van kerk en staat was er niet in de dagen van Abram en de de dagen van de ballingschap. Breken met de godsdienst van je omgeving was breken met de samenleving. Uittrekken uit alles wat je vertrouwd was, zoals afgelopen donderdag nog werd herdacht op Hervormingsdag. Het zou Maarten Luther zelf ook verbazen maar het Hier sta ik ik kan niet anders markeert het breekpunt, net als Abram die niet in Haram bij de familie bleef hangen maar doortrok tot in het land dat God hem had beloofd. Er zijn er in de kerk die nu en het in komende jaar gaan pleiten om weer terug te keren in de schoot van wat zij noemen de Heilige Moederkerk. Die mensen lijken op de Israëlieten die in de woestijn terug wilden naar de vleespotten van Egypte. Maar volgens de Bijbel wordt ons wat anders gevraagd.

Alle mensen zijn aan elkaar verwant. Dat is een boodschap van de Bijbel die nog al eens verwaarloosd wordt. We doen dan net of mensen die ergens anders vandaan komen niet aan ons verwant zijn en dus ook niet gastvrij ontvangen hoeven te worden. We doen dan ook nog of wij beter zijn omdat we rijker zijn en meer winnaars van de Nobelprijs hebben voortgebracht, of we die allemaal gewonnen hebben. Jezus van Nazareth heeft het altijd in de eerste plaats over de mensen van het volk Israël. In het verhaal dat we vandaag lezen wordt nog eens subtiel verteld hoe Israël aan het oorspronkelijke Jericho gekomen was. We kennen dat verhaal over het volk dat zeven keer zeven dagen rond de stad trok, toen op de ramshoorns blies en naar binnen kon lopen omdat de muren ingestort waren. Maar er gaat ook nog een verhaal over verspieders aan vooraf. In dat verhaal speelt een hoer een belangrijke rol. Rachab die de verspieders verborg voor een bevolking die haar rijkdom met niemand wilde delen. Zeker niet met een groep nomaden die uit de woestijn naar het zo vruchtbare land kwamen. Ze wilden niet delen. Zoals de verspieders toen verstopt waren trof Jezus van Nazareth nu ook een spion die wilde weten wat dat nu allemaal was met die vreemde leraar die het hele volk achter zich aan had gekregen. Dit was ook een spion met een naam, Zacheüs zeggen wij maar die naam gaat terug op het Hebreeuwse Zakkaï, reine of onschuldige. Een naam die verwant is met Tsaddiek, rechtvaardige.

Daar kwam Jezus van Nazareth voorbij. In de naam Jezus klinkt Jehosjua, of Jozua zoals wij zeggen, door, de bevrijder van Jericho. Die Zacheüs was in een vijgenboom geklommen. En volgens de profeet Zacharia zou er een tijd komen dat iedereen onder de vijgeboom en onder de wijnstok met elkaar maaltijd kon houden omdat het onrecht zou zijn uitgebannen. Nu, die Zacheüs was rijk en dat kon alleen als hij als tollenaar het volk onrechtvaardig had behandeld. Daar is hij ook zeer van doordrongen. Maar hij was in staat Jezus van Nazareth te zien, Deze Zacheüs werd beschouwd als een vijand van het volk. Met hem gezien worden gaf je een slechte naam. Maar waarom zou je bang zijn voor je eigen naam in de gemeenschap als je iemand weer op de weg van de God van Israël weet te brengen. Zacheüs hoeft alleen als zoon van Abraham als gelijke behandeld te worden. Dan geeft hij aan dat hij zijn onrecht ongedaan gaat maken, met een woordspeling die in onze vertaling is weggevallen, want wie hij de vijgen heeft geschud geeft hij viervoudig terug staat er letterlijk.

Hij deelt met de armen en als hij per ongeluk iemand nadeel bezorgd dan vergoed hij dat viervoudig zoals de leer van Mozes hem dat voorschrijft in het boek Leviticus. Geen wonder dus dat Jezus van Nazareth bij hem wil eten. Dat geeft de arme Zacheüs die achteraan moet staan weer een nieuwe plaats in de samenleving, als voorbeeld namelijk. Zo hoort het, delen met de armen en de schade vergoeden die je veroorzaakt. Deze Zacheüs hoort dus niet bij de Romeinen maar bij het volk van Israel. Daarmee is de belastingbaas van Jericho ineens het lichtend voorbeeld voor het volk geworden dat ooit Jericho veroverde. Jezus hoefde dus inderdaad niet om Jericho heen te trekken om het te veroveren, hij trok Jericho in om onderdak te vinden voor de nacht en veroverde Jericho in het hart van de stad. Het roept natuurlijk wel de vraag op hoe wij dat doen, we houden ons wellicht verre van onchristelijke goddelozen, maar delen we ook met de armen van ons bezit en vergoeden we de schade die we veroorzaken? Doen we wat de leer van Mozes ons vraagt? De vremdelingen onder ons behandelen als hoorden ze bij ons ogen volk?

Er zijn veel mensen die bang zijn voor die vreemdelingen met hun rare geloof en vreemde gebruiken. De vreemdelingen die we in de zeventiende en achttiende eeuw als slaven naar Suriname en de Caraïben hebben gebracht en eeuwen geleden Nederlander geworden zijn veranderen nu een deel van ons Sinterklaasfeest zoals we dat in de negentiende eeuw vorm hebben gegeven. Wat zouden al die vreemdelingen nog meer kunnen veranderen? Onze restaurant cultuur is lang gedomineerd geweest door Chinezen die naar Indonesië worden verhuisd en later naar Nederland waren gekomen. De angst voor veranderingen is groot. En kinderen die angstig zijn in een donker bos gaan ineens harder praten, ze overschreeuwen hun angsten. In Amerika vierden ze het feest van de bestrijding van de angst. Dan komen ook de kinderen langs. Trick or treat roepen ze dan, struikel of trakteer roepen ze dan. We vergeten dat het een zeer Bijbelse oproep is, “deel of wordt overheerst” is het verhaal van de Hebreeuwse Bijbel. Jezus van Nazareth probeerde dat concreet te maken voor de dagelijkse werkelijkheid. Wij mogen hem daarin volgen.

De beloning ligt in een nieuw land, een land waarin de honger en de angst zijn verdwenen, waar niemand meer dood gaat voor zijn tijd. Een nieuwe aarde zal het zijn waar de hemel zich zal vestigen en God zijn tenten op deze aarde zal spannen. Wie dat voor ogen houdt hoeft nergens bang meer voor te zijn. Zeker niet voor je eigen naam en reputatie want kinderen van God zullen we genoemd worrden .Misschien dat wij dat nieuwe land niet meer zullen zien, maar we leven niet in een gemeenschap met een voor wat hoort wat geloof. Het doen van de wil van de Vader, delen van onze rijkdom is ons beloning genoeg.

Amen

Gemeente,

Het gedeelte dat we uit het boek van de profeet Jeremia hebben gelezen zal veel mensen hebben doen denken aan een lied dat ze wel eens hebben gehoord. Een lied dat we vanmorgen niet zingen maar terugvinden in het boek van de Psalmen, Psalm 1 in de berijming uit ons liedboek begint dat met “Gezegend hij die in der bozen raad niet wandelt noch met goddelozen gaat. En in vers twee: Hij is een groene boom die staat geplant waar waterbeken vloeien door het land, zijn loof behoeft de droogte niet te duchten. Het komt in de Bijbel vaker voor dat een lied uit de Psalmen ook buiten dat boek wordt geciteerd en zo nodig aan gepast aan de behoefte van de tijd waarin het wordt herhaald en de boodschap die daarbij past.

Het verhaal van het boek van de profeet Jeremia vertelt over een periode van grote politieke onrust in Juda, het rijk rond de tempel in Jeruzalem. Twee wereldmachten wedijveren om de macht over de hele wereld, waar kennen wij dat van. Juda ligt ergens tussen Babylon, de ene wereldmacht, en Egypte, de andere wereldmacht in. Met bondgenootschappen probeert het kleine Juda haar zelfstandigheid te behouden. Eerst lijkt een bondgenootschap met Babylon die onafhankelijkheid te verzekeren. Maar daar moet een hoge prijs voor worden betaald aan Babylon zodat Juda daartegen uiteindelijk in opstand komt. Jeremia gaat voortdurend tegen dit soort bondgenootschappen tekeer. Volgens hem heeft de God van Israël, de God van de Tempel in Jeruzalem, een andere weg gewezen en een ander antwoord gegeven op de vraag naar zelfstandigheid van Juda.

Het antwoord van de God van Israël is dat het volk zelf afgedwaald is van de God van Israël, niet God laat het volk in de steek, het volk laat die God in de steek, heeft die God al lang geleden in de steek gelaten door andere goden achterna te lopen. Ophouden met het recht doen aan de weduwe en de wees heeft gevolgen. De goden van vruchtbaarheid en voorspoed voorrang geven boven de God van Israël, de God van delen met de zwaksten en de minsten, is lang nadien nog te merken.

Daarom de herinnering aan Psalm 1. Het eerste vers eindigt in ons liedboek met “.. en dag en nacht met zijn geboden leeft. Het verbond met God was immers dat het volk de richtlijnen van Mozes zou volgen en God daardoor zou zorgen voor die onafhankelijkheid en een land dat zal overvloeien van melk en honing.

Die God kijkt toe op zijn kinderen en let niet op materiële rijkdom, niet op uiterlijk vertoon, ook niet op stoere praat over eigen waarden en eigen cultuur. Die God let op het lot van de zwaksten van zijn kinderen, de weduwe en de wees, de armen van geest, de slaven en de knechten, de mensen met honger en dorst, de gehandicapten, de lammen en de blinden. Daar was zijn verbond voor bedoeld en als het volk zich daarop zou richten kwam die rijkdom vanzelf wel. Zijn zoon zou ons veel later voorhouden dat we aan deze minsten zouden doen we aan hem zouden doen.

En ook wij mogen ons dus zorgen gaan maken. De miljoenen bezuinigingen op de sociale werkplaatsen zullen de hele samenleving treffen. De talloze gehandicapten die afhankelijk zijn van de beschermde werkomgeving en die op straat zijn komen te staan zullen ons als een molensteen om onze hals gaan hangen. Het miljard dat bezuinigd is op ontwikkelingssamenwerking zorgt niet alleen voor ontelbare hongerdoden, het zal zich ook tegen ons keren. Wie geen eten meer heeft vlucht voor armoede en uitzichtloosheid naar een land dat klaagt over de verspilling van voedsel. De afwijzing van deze broeders en zusters zal een voedingsbodem worden voor haat en wrok. Jonge mensen zullen zich genoodzaakt zien van onze rijkdom te komen halen als wij hen geen toekomst willen geven en niet willen delen. Dat zijn geen dreigingen, zo gaan die zaken. In ons eigen land zijn Oost Groningen en Limburg leeggelopen omdat wij het werk en de rijkdom eenzijdig concentreren in de Randstad. Zo zal het ook gaan met arme delen van Europa en met Afrika. Nu zijn de eerste sporen ervan al te merken.

Maar net als het volk van Jeremia dat doof bleef voor de waarschuwingen toen het nog kon, blijven ook onze bestuurders doof en gedogen ze slechts dat de ene groep in de samenleving opgehitst wordt tegen de andere. Alleen samen met mensen die ook geloven in de wereld zonder honger en geweld kan dat tij gekeerd worden. Dan moeten allen opstaan en stem geven aan de armen en aan het werk gaan voor dat Koninkrijk van de God van Israël, vandaag kan het nog.

Want om recht gaat het, het tot hun recht laten komen van ook de meest rechtelozen. Het leesrooster knipt ook bij de lezingen uit het Evangelie dat Evangelie in stukjes alsof elk stukje een eigen boodschap heeft, maar soms dreigen we daardoor de eigenlijke betekenis mis te lopen. In de lezing die we vandaag hoorden over die Tollenaar en die Farizeeër is dat ook zo. Wij denken dan gauw dat het gaat om hoogmoed en nederigheid. Maar zo zit het niet, het gaat om recht en onrecht. Het sluit direct aan bij het culturele conflict waar ook Jeremia mee te maken had. In het stukje hiervoor had Jezus van Nazareth een gelijkenis verteld over bidden. Dat was het verhaal over een weduwe die onophoudelijk een rechter lastig viel die zich niets gelegen liet liggen aan de wet of aan de mensen. Maar ze had hem zo lang lastig gevallen dat hij uiteindelijk recht sprak om maar van haar af te zijn. Onophoudelijk bidden om recht, onophoudelijk voor dat recht van de weduwe opkomen daar gaat het dus om. En dat recht van de weduwe wordt ontleend aan de Wet van de God van Israël.

In de dagen van Jezus van Nazareth waren het de tollenaars die het onrecht bedreven. Zij hadden het recht om tol te heffen gepacht van de Romeinen. Ze konden dat doen omdat zij ook het recht kregen zelf de tol vast te stellen en een flink deel van de opbrengst in eigen zak te steken. Het verbond dat zij met de Romeinen hadden gesloten was verkeerd en bracht schade toe aan de armsten in het land. De Farizeeren weigerden met hen om te gaan. Maar ook die Farizeen hadden een verbond met de Romeinen. Zolang in Israël de God van Israël mocht worden aanbeden zouden de Romeinen geen beelden in de Tempel van Jeruzalem plaatsen en hoefden de Judeërs ook de keizer niet als God te aanbidden. Bondgenootschappen bepaalden de samenleving meer dan de zorg voor de minsten en de zwaksten, de kinderen van de God van Israël.

En die Farizeeër dan? Op zich zegt die niets verkeerd. Hij buit niet uit, hij pleegt geen misdrijf, hij geeft aalmoezen. Maar het is bijna als in de cultuur van de Baäl, wie succes heeft staat in de gunst van de goden en de Farizeeër bidt eigenlijk een dankgebed voor zijn voorspoed, een voorspoed die een teken is geworden dat hij het goed doet, die hem doet denken dagt hij pas echt de weg van de God van Israël volgt. Hij beschouwt zijn voorspoed niet meer als een opdracht om iets te doen aan het onrecht dat de Tollenaars veroorzaken, iets te doen aan de armoede onder het volk.

Aan het eind van de maand gaan we de Hervorming uit 1517 herdenken. De bestrijding van het voor wat hoort wat geloof. Als het geld in het kistje klinkt het zieltje in de hemel springt had er namens de Rooms Katholieke Kerk geklonken. Maarten Luther had er mee geworsteld en had uiteindelijk in de Bijbel ontdekt dat niet de goede werken tot genade leiden maar berouw over het verkeerde dat je doet. Daarbij gaat het niet om straf en beloning zoals later veel is gedacht maar om de pijn die je voelt als je een ander ziet lijden. Het kruis waaraan Jezus onschuldig werd gehangen zien we zo vaak opnieuw opgericht voor onschuldigen dat het gelovigen pijn moet blijven doen. De opdracht voor de rijken om de armoede de wereld uit te helpen blijft. Kiezen we voor het berouw van de Tollenaar of voor de eigendunk van de Farizeeër. Het blijft vragen om onze gemeenschap een stad op een berg te maken en niet danken dat we zo’n mooie gemeenschap geworden zijn. Ook niet op Hervormingsdag. De armoede is de wereld nog niet uit. Gods genade wordt om niet door God geschonken aan de kinderen die dat het meest nodig hebben, aan de klanten van de voeselbanken, aan de vluchtelingen op de middellandse zee. En wie zich daarvoor inspant mag deel hebben aan de genade van God en de vreugde die dat brengt.

Het is geen verwijt dat we er niet in geslaagd zijn sinds 1517 armoede, geweld en onderdrukking van mensen de wereld uit te helpen. Jezus zelf zei al dat we de armen altijd bij ons zouden hebben. Maar ze zijn wel de toetssteen voor een gemeenschap van volgelingen van Jezus van Nazareth. Aan de vruchten herkent men immers de boom, daar waar we om bekend staan maakt ons tot een al dan niet christelijke gemeenschap. Zijn we inderdaad zoutend zout hier in Oostzaan? Zijn we hier een stad op een berg? Lezen we de brief die ons geschreven werd door Jacobus omdat we ons willen blijven herinneren dat ons geloof, dat we in genade ontvangen, dood is zonder werken, zonder de naasten lief te hebben als onszelf?

Wij mogen dus blijven werken aan een wereld zonder honger, een wereld waar alle mensen mee mogen doen, waar niemand meer sterft voor zijn tijd en waar alle tranen gedroogd zullen zijn. We zullen moeten blijven werken aan die wereld tot de dag komt dat God zijn tenten op deze aarde zal spannen. Dan is het einde van onze geschiedenis aangebroken en zal er eeuwige vrede heersen op aarde. Tot die dag komt, blijven wij de bevrijding van de armen verkondigen, in woord en daad.

Amen

Lezen : Habakuk 3: 1-19

Lucas 17: 1-10

Gemeente

De profeet Habakuk uit het Oude Testament en de apostelen van Jezus  zitten met hetzelfde probleem. Een probleem dat vaak ook het onze is. Als ons gezegd wordt: ‘God zal uiteindelijk alles ten goede keren’ klinkt dat wel mooi, maar in de praktijk zien we daarvan zo weinig. Is God wel echt te vertrouwen? De lezingen van vandaag nemen onze aarzeling en onze twijfel serieus. Habakuk krijgt te horen: “Geef het wachten niet op, want komen doet het beslist.  Uiteindelijk blijft de rechtvaardige leven door zijn geloof.” Ook Jezus roept op tot blijvend vertrouwen in God, ook al is dat vertrouwen niet groter dan een mosterdzaadje.

Maar vertrouwen is niet hetzelfde als passief afwachten. God vraagt van ons geëngageerde inzet – inzet die zich niet laat ontmoedigen door tegenkanting.

Vandaag zingen we dus een bijzondere Psalm mee. Deze Psalm staat niet in het boek van de Psalmen maar staat in het boek van de Twaalfprofeten als de Psalm van de profeet Habakuk. Een gebedslied. Habakuk had de vraag gesteld hoe het nu zat met het straffen van de Heidense Israël onderdrukkende volken. Het antwoord dat hij had gekregen is dat alle onderdrukkers eindelijk aan hun eigen misdaden ten onder zullen gaan. Een prachtig vooruitzicht voor de onderdrukten. Voor een volk Israël dat na de ballingschap door de Assyriërs werd ingelijfd door de Chaldeeën van Babylon en na hun terugkeer en wederopbouw van Jeruzalem op last van de Perzen veroverd werd door eerst de Grieken en daarna door de Romeinen.

Geen wonder dat het lied van Habakuk waarin gebeden wordt om bevrijding van de onderdrukking en de hoop op bevrijding werd uitgezongen deel ging uitmaken van de liederen in de Tempel.

Habakuk wijst er op dat het volk die “God van Israël” heeft leren kennen in de woestijn, bij het land Edom het broedervolk dat zo vaak tegen Israël heeft gevochten. Teman en Paran zijn streken die voor de Sinaï en Edom staan. Daar bij de berg Horeb had de God van Israël beloofd met het volk mee te trekken zoals hij het volk uit de slavernij in Egypte had bevrijdt. Maar daar had het volk ook de richtlijnen voor een menselijke samenleving ontvangen. Richtlijnen die ze zouden moeten kunnen toepassen in het beloofde land, richtlijnen waardoor dat land een land zou blijven dat overvloeide van melk en honing, een land waar alle volken jaloers op zouden worden. Want dat zou een land zijn waar mensen recht betrachten, elkaar tot hun recht zouden laten komen en waar vrede zou heersen.

Die buurvolken hadden het ondanks hun lange geschiedenis met Israël nog steeds niet begrepen. Daar heerste nog steeds de afgoderij, daar werden de armen uitgebuit en onderdrukt, daar werd nog steeds oorlog gezocht als oplossing voor de eigen binnenlandse problemen. De tegenstelling tussen de buurvolken die steeds opnieuw dezelfde niet werkende oplossingen kiezen en Israël dat steeds opnieuw de kans krijgt van de God van Israël maakt dat de profeet des te harder van de God van Israël gaat zingen.

En al zal er in het land niets meer te eten zal zijn, dan nog zal hij jubelen voor de God die hem redt. Want ondanks alle problemen die je in het leven kan tegenkomen, het geloof in de God van Israël voorkomt geen problemen, lost zelfs de meeste problemen niet op, doet geen ziekte verdwijnen en zorgt niet dat geliefden niet dood gaan, ondanks dat, weet je dat de liefde voor de naaste een nieuwe toekomst geeft. Elke dag opnieuw, door die liefde mag elke dag nieuw zijn, ook de dag van vandaag weer. Een dag om een lied te zingen, bij snarenspel, als een singer songwriter die over de liefde zingt, als wij die liefde ook maar in de praktijk brengen.

Maar is juichen dan verplicht onderdeel van ons geloof? Staan we bij een begrafenis te juichen? Juichen we als we de marine de lijken zien opvissen van de vluchtelingen die de overtocht over de Middellandse zee niet hebben overleefd? Juist in de zwartste dagen die een mens kan meemaken, de dagen van ballingschap, de dagen dat het land kaal is de boom vruchteloos blijft, de zon medogenloos boven het hoofd brand. Waar komt onze hulp vandaan? Van de bergen waar de heidenen hun offerplaatsen hebben? Van de rijken van de aarde die hoog gestegen zijn? We denken aan Psalm 121 waar we de dienst mee begonnen zijn. Mijn hulp is van de Here die dit alles heeft geschapen. Mijn herder zal niet slapen. Die heidenen staan op de bergen offers te brengen zodat hun goden wakker worden. Onze God waakt altijd over de zijnen, onze wachter sluimert niet. En het enige dat die God van ons wil is dat we onze naaste liefhebben als onszelf en wat we vragen van die God is niet meer dan ons dagelijks brood. De fouten van anderen moeten we dus maar aan onze God overlaten.

Moet je dan alles maar over je heen laten komen? Een mens wil ook wel eens bedankt worden voor het goede dat hij doet nietwaar , een schouderklopje zo af en toe maakt dat je blijft weten wat je waard bent. Maar langzamerhand nemen we die schouderklopjes en die beloningen zo voor vanzelfsprekend, dat het ontbreken er van ons direct doet ophouden met werken. Stank voor dank heet het dan, je doet iets goeds maar je krijgt er niets voor terug. Het is niet de levenshouding die Jezus van Nazareth ons hier voor houdt. In de eerste plaats maken alle mensen voortdurend fouten wij ook. Daar moet je de ander niet voortdurend op aanspreken, maar je moet iedereen de kans geven het de volgende keer foutloos te doen. Dat vraagt in elk geval wel even meer dan zeggen dat je ze vergeeft. Soms moet je uitleggen wat er fout was en wat er anders zou kunnen maar dan moeten ze weer een nieuwe kans krijgen. Dat proces heet pas vergeven. Vergeven is dus niet van zand er over, voor vergeven zijn er twee nodig, een die de kans geeft en een die de kans te baat wil nemen. God geeft  ons die kansen voortdurend ook.

Maar wat dan als er weer een fout wordt gemaakt? Dan moet je weer vergeven zegt Jezus van Nazareth, zeven maal als dat nodig is. En zeven is het heilige getal, dus niet vergeven van 1,2,3,4,5,6,7, maar net zo lang tot het volmaakt is, tot het goed gaat en de fouten niet meer gemaakt worden. Met eindeloos geduld dus. Je wilt immers zelf ook geen fouten maken? Je bent zelf immers ook blij als iemand je de kans geeft het weer goed te gaan doen als je een keer de fout ingegaan bent? Je hoopt toch ook steeds weer de kans te krijgen het op de goede manier te doen? Daarom is het dat als je je naaste net zo liefhebt als jezelf je telkens opnieuw samen met de die ander er aan werkt de fouten te herstellen en in plaats van het verkeerde het goede te doen, tot het volmaakt is. Jezus van Nazareth wijst er op dat de beste houding die van de knecht is. Die klopt zich niet op de borst, verwacht geen andere beloning dan die welke is afgesproken, die hoeft niet iets extra te krijgen maar zal zeggen dat enkel en alleen de plicht is gedaan.

“We deden wat we moesten doen” horen we zelfs de helden uit de oorlogen van onze dagen zeggen, de gewonden uit Afghanistan, de in de steek gelaten soldaten uit Srebrenica. Net als de veteranen uit de Tweede Wereldoorlog die Europa bevrijd hebben van wrede tyranie. Ze deden slechts wat nodig was voor mensen in nood. In die houding mogen we ons dag in dag uit oefenen. We kunnen niet de hele wereld op onze schouders nemen maar samen kunnen we veel. We kunnen aandacht blijven vragen voor kinderen in gevangenissen, voor vluchtelingen die hier door onze overheid worden bedreigd, voor de slachtoffers in Syrië, voor de armen in Afrika die slachtoffer worden van de onrechtvaardige handelsakkoorden, voor de slachtoffers van de oorlogen om de grondstoffen waarmee onze mobiele telefoons en tablets gemaakt worden. Elke dag opnieuw kunnen we daarmee beginnen, zodat er een andere wereld ontstaant, waar de dood niet meer heerst en onze schuld vergeven is. Ook vandaag mag dat weer.

En omdat we elke dag opnieuw mogen beginnen kunnen we ook juichen. We juichen over alles wat goed is, voor liefde die blijft ook als de geliefde er niet meer is. Zelfs voor verdriet mogen we juichen , stel je eens voor dat je geen verdriet hebt over het verlies van een geliefde, van een mens die je ontvallen is. Al te gemakkelijk zeggen we kop op, het leven gaat verder. Ja maar het verdriet ook en samen zouden we daar wel eens wat meer ruimte voor mogen maken. Juist als een gemeente waar men voor elkaar zorgt, waar bloemen gaan naar zieken, waar geld wordt ingezameld voor de armen, voor nood overal in de wereld. Er zijn veel kerken in ons land die voedsel inzamelen voor de voedselbanken, een enkele gemeente organiseert een bijeenkomst waar brieven worden geschreven voor Amnesty International. Vrijwilligers voor de opvang van vluchtelingen komen voornamelijk uit de kerken.

Samen werken we aan een wereld die zo mooi wordt dat God er zelf zal willen wonen. Of we daar ook zelf zullen wonen is niet langer belangrijk, het goede dat we nu ontmoeten is ons als loon genoeg, daar kunnen we over juichen. Want die droom van Jesaja, waar geen kinderen meer dood gaan, waar geen huizen worden verwoest en, waar niemand meer voor de  gegeven tijd sterft, waar geen honger en dorst meer is, waar je zelfs voor de wilde dieren niet bang hoeft te zijn en het kind kan spelen in het hol van de slang, die droom en het werken daaraan kan ons eeuwig aan het juichen brengen. Ook vandaag weer.

Amen.